Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR747739
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR747739/1
Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein
Geldend van 27-11-2025 t/m heden
Intitulé
Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselsteinActualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidskaart advieskaart
1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling
In opdracht van de gemeente IJsselstein heeft Archol in 2022 een actualisatie uitgevoerd van de archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het grondgebied van de gemeente IJsselstein. De huidige archeologische beleidskaart dateert uit 2006.1 In 2011 heeft weliswaar een actualisatie van de beleidsregels plaatsgevonden, de onderliggende beleidskaart is destijds niet aangepast.2 Om de kaart ook in de toekomst te kunnen blijven inzetten is het om verschillende redenen noodzakelijk een actualisatie uit te voeren. Allereerst is in de periode sinds het vaststellen van de huidige versie (in 2011) een groot aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd, zijn nieuwe inzichten ontstaan over de landschappelijke opbouw van het gebied en zijn nieuwe archeologische waarnemingen gedaan (zie hoofdstuk 3 en bijlage 4). Daarnaast dient door de komst van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) het gemeentelijke archeologiebeleid te voldoen aan de in deze wet gestelde regels, zoals beschreven in het Concept Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Verder is recentelijk de interim omgevingsverordening in werking getreden waarin de provincie Utrecht aangeeft dat zij de instandhouding en versterking van enkele archeologische zones, waaronder één deels gelegen op het grondgebied van IJsselstein, als van provinciaal belang beschouwt. De laatste reden is het regelmatige commentaar van gebruikers op de onoverzichtelijkheid van de huidige beleidskaart. Doel van de actualisatie is daarmee het toekomstbestendig en gebruiksvriendelijk maken van de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente IJsselstein.
De actualisatie van de gemeentelijk beleidsadvieskaart heeft zich niet alleen gericht op het toevoegen en analyseren van nieuwe archeologische vindplaatsen en onderzoeken. Ten opzichte van de vorige beleidskaarten zijn, enkele aanvullingen/wijzigingen doorgevoerd (zie verder paragraaf 1.4):
- -
Informatiekaarten waarop de uitgevoerde archeologische onderzoeken en bekende archeologische vindplaatsen zijn weergegeven;
- -
Een landschappelijke ondergrondkaart die de basis vormt voor de archeologische verwachtingen uit de verschillende perioden;
- -
Een historisch-landschappelijke kaart waarop de historisch-geografische elementen zijn weergegeven;
- -
Detailkaarten van de historische kern met informatie over de bekende en te verwachten archeologische resten en een uitbeelding van de historisch-geografische karakteristiek;
- -
Een relictenkaart voor het modern oorlogserfgoed.
1.2 Ligging van de gemeente
Het grondgebied van de gemeente IJsselstein beslaat ongeveer 22 km² (Figuur 1-1). De gemeente valt binnen de kaartbladen 31G, 31H, 38E en 38F van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). Het grondgebied van de gemeente IJsselstein valt uiteen in een vrij compacte bebouwde kern (ca. 6 km²), die rondom om de historische kern ligt, en het agrarisch buitengebied met verspreide bebouwing.
Figuur 1-1 Ligging van de gemeente IJsselstein (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: PDOK).
1.3 Onderzoeksopzet
Voor de actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van IJsselstein is een stapsgewijze aanpak gevolgd. Tijdens dit proces is periodiek overleg geweest met de ODRU als vertegenwoordiger van de gemeente IJsselstein.
Stap 1
De eerste stap betrof het inventariseren van bekende archeologische gegevens, historisch-geografische relicten en elementen alsmede resten van modern oorlogserfgoed binnen de gemeente IJsselstein. De hierbij gehanteerde werkwijze en gebruikte bronnen worden in hoofdstuk 3 uitgebreid toegelicht. De verzamelde gegevens zijn in catalogi gerangschikt, geanalyseerd en op kaart gezet. Parallel hieraan zijn aardwetenschappelijke gegevens geïnventariseerd, die gebruikt zijn om de archeo-landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen. Het karteren van de verschillende kaarteenheden is met een 'archeologische bril' gebeurd, wat wil zeggen dat de landschappelijk indeling in functie staat van de bewoningsgeschiedenis van het gebied.
De geïnventariseerde archeologische gegevens zijn verwerkt in de catalogi Archeologische vindplaatsen (bijlage 1), Archeologische rijksmonumenten (bijlage 2), Archeologische terreinen ('AMK-terreinen'; bijlage 3) en Archeologische onderzoeken (bijlage 4), en vervolgens op de Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 1) en de Archeolandschappelijke eenhedenkaart (laat paleolithicum – middeleeuwen; kaartbijlage 2) afgebeeld. De historisch-geografische gegevens zijn direct verwerkt in de Kaart historisch-geografische waarden en relicten (middeleeuwen – Nieuwe tijd; kaartbijlage 3); alleen van de bestaande en verdwenen molenplaatsen is een catalogus opgesteld (bijlage 5: Catalogus van (verdwenen) molens). Omdat het modern oorlogserfgoed als nieuw aspect in de geactualiseerde verwachtings- en beleidskaart van de gemeente IJsselstein is opgenomen, is de inventarisatie van gegevens hierover in de vorm van een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd. Dit bureauonderzoek is als bijlage 6 bij dit rapport bijgevoegd. De geïdentificeerde vindplaatsen en verwachtingszones van modern oorlogserfgoed – het blijkt uitsluitend om elementen uit de Tweede Wereldoorlog te gaan-, zijn afgebeeld op de Relictenkaart Tweede Wereldoorlog (kaartbijlage 10).
Naast de genoemde “gemeentedekkende” kaarten zijn voor de historische kern van IJsselstein vijf detailkaarten opgesteld: Vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 5), Vindplaatsen, archeo-landschappelijke eenheden en verwachtingen (kaartbijlage 6), Historisch-geografische elementen en relicten (kaartbijlage 7) en een Overzicht verstoorde, gesaneerde en vrijgegeven gebieden (kaartbijlage 8).
Stap 2
De archeo-landschappelijke kaart fungeert als 'onderlegger' voor de archeologische waarden en vormt de basis voor de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2). Deze kaart heeft betrekking op de prehistorie tot middeleeuwen, toen de variatie van het landschap een bepalende factor was in de locatiekeuze van de mens. Door gebruik te maken van de spreiding van de bekende vindplaatsen aan de ene kant en algemene kennis over de relatie tussen (pre)historische bewoning en het vroegere landschap anderzijds, is op kaartbijlage 2 aan elke archeo-landschappelijke eenheid een specifieke archeologische verwachting gekoppeld. Tijdens stap 2 is op basis van de kaartbijlage 3 historisch-geografisch waarden en relicten (middeleeuwen – Nieuwe tijd) een verwachtingskaart gemaakt voor de historische perioden late middeleeuwen – Nieuwe tijd (kaartbijlage 4). De verwachtingskaart voor de historische kern bestaat voor de prehistorie tot middeleeuwen uit een detailopname van kaartbijlage 2 (i.e. kaartbijlage 6) en voor de perioden late middeleeuwen en Nieuwe tijd uit een detailopname van kaartbijlage 4 (kaartbijlage 9).
Stap 3
De archeo-landschappelijke en historische verwachtingskaarten en de kaarten met historisch-geografische en militaire relicten zijn tijdens stap 3 gecombineerd tot de archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 9). Op deze kaart zijn aan de verschillende kaarteenheden concrete beleidsregels en -regimes gekoppeld.
Overzicht samenhang onderzoeksopzet, bijlagen en kaartbijlagen. * Bijlage 6 betreft bureauonderzoek.
1.4 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande kaarten
De verwachtings- en beleidskaart van IJsselstein archeologische beleidskaart dateert uit 2006. In 2011 is deze voor het eerst geactualiseerd. Deze actualisatie betrof een herziening van de verwachtingen die aan de in 2006 gekarteerde zones waren toegekend.3 Ook zijn de beleidsregels (ondergrenzen) en het beleid met betrekking tot de te hanteren onderzoeksmethoden in 2011 deels aangepast. Voor zover bekend zijn de onderliggende (verwachtings)kaarten destijds niet gewijzigd. De aanpassingen die in het kader van onderhavige actualisatie zijn doorgevoerd hebben deels betrekking op (de uitgangspunten bij) de verwachtingskaart uit 2006 en deels op de beleidsregels uit 2011. Naast de inventarisatie van nieuwe archeologische en verstoringsgegevens (van na 2011) zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd:
- -
Het meest opvallend is de lay-out technische/cosmetische verbeterslag: de leesbaarheid/toegankelijkheid van de kaarten is verbeterd door een eenduidiger lay-out van de kaarten, grotere kaartformaten met bijpassende (kleinere) kaartschaal te hanteren. Ook is een logischer en rustiger kleurgebruik toegepast;
- -
De gemeente IJsselstein maakt deel uit van het holocene rivierenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een stapeling van meerdere archeologische landschappen. Het belangrijkste inhoudelijke verschil met de eerdere kaarten, is dat bij het opstellen van de archeologische verwachtingskaart explicieter rekening is gehouden met deze stapeling. Dat betekent dat elke kaarteenheid niet slechts één archeologische verwachting heeft, maar dat voor alle onderscheiden perioden een afzonderlijke verwachting is gegeven. Ook is de archeologische verwachting voor de pleistocene ondergrond – met alle beperkingen – bij onderhavige actualisatie wel meegenomen;
- -
Sinds 2006 is de kennis over ligging en datering van meandergordels in het rivierengebied toegenomen, met name de kartering van de vroeg holocene stroomgordels is verbeterd.4 Dit heeft zich vertaald in een vernieuwd basisbestand van de paleogeografie van de Rijn-Maasdelta, dat een van de uitgangspunten vormt voor de opgestelde landschappelijke eenhedenkaart.5 Voor de gemeente IJsselstein gaat het bijvoorbeeld om de meandergordels Benschop, Tienhoven, Kortenhoeven en Autena;
- -
Verder is, door de combinatie van het AHN met bestaande en vernieuwde paleogeografische kaarten én gedetailleerde bodemkaarten, het landschappelijk beeld verfijnd (o.a. ten aanzien van de oeverzones, crevassen, komgebieden en aftgetichelde percelen);6
- -
Twee typen archeologische resten die in de eerdere versies van de verwachtings- en beleidskaart (veelal) ontbraken, zijn als aparte kaartlagen toegevoegd:
- o
Buiten de historische kern en de bewoningslinten gelegen locaties met historische bewoning (gehuchten), historisch-geografische elementen (dijken, kades, molens etc.) en andersoortige bebouwing (MIP-objecten en gebouwde rijksmonumenten);
- o
Resten van militair erfgoed (Tweede wereldoorlog).
- o
- -
De verwachting voor de bewoningslinten is gedifferentieerd door aan de hand van 18e en 19e eeuwse kaarten de ligging van historische boerderijerven binnen de bewoningslinten zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen.
- -
Door de bestudering van historische kaartmateriaal is bepaald waar historische watergangen en -gebieden voorkomen. Aan de hand van hun ligging ten opzichte van historisch-geografische relicten is vervolgens een specifieke verwachting voor watergerelateerde archeologische resten bepaald.
- -
Op verzoek van de gemeente is de categorie “attentiegebieden” toegevoegd. Dit zijn gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde die zich kenmerken door een hoge gaafheid van de bodem en een hoge dichtheid aan samenhangende vindplaatsen.
- -
Tot slot is een bewerkingsslag uitgevoerd aan de Archis-waarnemingen. Door filtering/opschoning zijn de circa 1600 afzonderlijke waarnemingen records teruggebracht tot 165 vindplaatsen.
Ten opzichte van de beleidscategorieën en vrijstellingsgrenzen uit 2011 zijn de volgende wijzigingen aan te geven:
- -
De beleidskaart van 2011 kenmerkt zich door een complexe lay-out met twaalf beleidscategorieën en vrijstellingsgrenzen die of heel streng (onderzoeksverplichting bij bodemingrepen boven 0, 20 of 100 m²) of juist ruim (onderzoeksverplichting bij bodemingrepen boven 2500 m² of 10 ha) zijn. In de onderhavige geactualiseerde kaart is voor een gemakkelijker gebruik het aantal beleidscategorieën teruggebracht naar zeven (Waarde-archeologie 1-6 en Geen onderzoek). Daarnaast is er differentiatie aangebracht in de vrijstellingsgrenzen (variërend van 0, 30, 250, 500 m² tot 1000 en 10.000 m²) om meer recht te doen aan de verschillen in verwachtingswaarde tussen de beleidscategorieën. Verder is de optie toegevoegd om in het geval mogelijk sprake is van een aangetast archeologisch niveau door grootschalige bodemingrepen (afgravingen, saneringen, naoorlogse uitbreidingswijken), de archeologisch adviseur van de gemeente de mogelijk te bieden te kiezen voor een aangepaste onderzoeksstrategie of geen onderzoek.
1.5 Leeswijzer
Dit rapport vormt in essentie een verantwoordingsdocument voor en toelichting op de totstandkoming van de archeologische beleidskaart van de gemeente IJsselstein (kaartbijlagen 11 & 12). In hoofdstuk 2 wordt het kader beschreven waarbinnen het gemeentelijk archeologiebeleid een rol speelt. Dit betreft zowel het beleid op provinciaal en rijksniveau, als de veranderingen op gemeentelijk niveau, voortkomend uit de Omgevingswet. In hoofdstuk 3 worden de geïnventariseerde gegevens behandeld. Het gaat om de archeologische vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 1), de landschappelijke ondergrond (kaartbijlage 2), de historisch-geografische elementen (kaartbijlage 3) en de relicten van het moderne oorlogserfgoed (kaartbijlage 4).7 In een aparte paragraaf wordt daarbij specifiek aandacht besteed aan nieuwe archeologische, landschappelijke, verstorings- en historisch-geografische gegevens van het historische centrum (kaartbijlagen 5 - 8) . Hoofdstuk 4 beschrijft de achtergrond en het principe van de archeologische verwachtingskaarten (kaartbijlagen 2 en 6). Ook wordt hier de onderbouwing gegeven van de archeologische verwachtingen die aan de gekarteerde landschappelijke eenheden zijn gekoppeld.
In hoofdstuk 5 wordt de vertaling van de verwachtingskaarten, de historisch-geografische kaartlaag en de relictenkaart modern oorlogserfgoed naar de archeologische beleidskaart toegelicht en komen de hieruit volgende beleidsregimes aan bod. Hoofdstuk 7 geeft handvatten voor het gebruik van de beleidskaart in de gemeentelijke praktijk.
De kern van de rapportage bestaat feitelijk uit de cartografische weergave van de uitgevoerde inventarisaties en het gehanteerde archeologische verwachtingsmodel:
- -
Een overzichtskaart met de bekende vindplaatsen en uitgevoerde archeologische onderzoeken (kaartbijlage 1);
- -
Een landschappelijke eenhedenkaart met archeologische verwachtingen voor de perioden laat-paleolithicum tot middeleeuwen (kaartbijlage 2);
- -
Een overzichtskaart met historisch-landschappelijke eenheden en historisch-geografisch waarden en relicten (kaartbijlage 3);
- -
Een archeologische verwachtingskaart voor de historische perioden late middeleeuwen en Nieuwe tijd (kaartbijlage 4)
- -
Vier detailkaarten van de historische kern met de bekende vindplaatsen en uitgevoerde archeologische onderzoeken, landschappelijke eenheden en verwachtingen, verstoringsgegevens en de historische relicten (kaartbijlagen 5 tot 9);
- -
Een overzichtskaart met het militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog (kaartbijlage 10);
- -
De archeologische beleidskaart (kaartbijlagen 11 & 12).
De bijlagen 1 tot en met 5 betreffen catalogi met:
- -
Bekende archeologische vindplaatsen (bijlage 1);
- -
Archeologische (rijks)monumenten (bijlage 2);
- -
Archeologische terreinen (bijlage 3);
- -
Uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 4);
- -
Bestaande en verdwenen molens (bijlage 5).
Bijlage 6 betreft het bureauonderzoek met de inventarisatie van relicten van het moderne oorlogserfgoed.
Bijlage 7. Omschrijft de werkwijze vanuit De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject.
2 Archeologie en ruimtelijke ordening: wettelijk kader en beleid
2.1 Wet- en regelgeving
Inleiding
De zorg voor archeologie is in Nederland een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden en particulieren. Het Rijksbeleid is gericht op het behoud, duurzaam beheer en verbetering van de toegankelijkheid van archeologisch erfgoed. Het gedecentraliseerde stelsel dat Nederland kent, maakt dat de belangrijkste verantwoordelijkheid voor archeologische erfgoedzorg bij de gemeenten en provincies ligt. Zij zijn op regionaal en lokaal niveau verantwoordelijk voor de uitvoering van het rijksoverheidsbeleid. Een andere belangrijke schakel in de erfgoedzorg is de initiatiefnemer: de persoon of organisatie die ruimtelijke plannen heeft voor een bepaald gebied en daarbij in aanraking komt (of kan komen) met archeologie. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering van archeologisch onderzoek en de kosten hiervan.
De zorg voor het archeologisch erfgoed is wettelijk vastgelegd. Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die in 2007 is herzien als gevolg van de implementatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg, en per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander gedeelte zal naar verwachting per 1 januari 2024 opgaan in de Omgevingswet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed in de fysieke leefomgeving.
Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz)
In 1998 keurde de Tweede en Eerste Kamer het Verdrag van Valletta (‘Malta’) uit 1992 goed. Implementatie van dit Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed leidde in 2007 tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), tot herziening van de Monumentenwet 1988 en tot aanpassing van wetten zoals de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo).
De Wamz heeft twee centrale uitgangspunten. Allereerst staat behoud in situ centraal, waarbij archeologische waarden op een verantwoorde manier in de bodem bewaard worden, onder andere met behulp van planinpassing en beheersmaatregelen (artikel 4). Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat economische belangen van voorgenomen ingrepen groter geacht worden dan het belang van het behoud van aanwezige archeologische waarden, dan kan overgegaan worden tot behoud ex situ (opgraving, documentatie en deponering). Ten tweede staat het ‘verstoorder-betaalt’-principe centraal (artikel 6). Hierbij moet de initiatiefnemer voor bodemverstorende ingrepen vroegtijdig archeologisch (voor)onderzoek van de betreffende locaties (laten) uitvoeren en betalen voor dat onderzoek en voor maatregelen die genomen moeten worden om eventuele archeologische waarden te behouden.
Voor 2007 was de bescherming van stads- en dorpsgezichten en van individuele monumenten, inclusief de archeologische, vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Met de inwerkingtreding van de Wamz kwam daar de bescherming van te verwachten archeologische waarden bij. Voor dit doel zijn in de (herziene) Monumentenwet 1988 een vijftal uitgangspunten geformuleerd. Naast de twee hierboven genoemde uitgangspunten (streven naar behoud in situ en het ‘verstoorder-betaalt’-principe, werd als derde uitgangspunt de praktische uitvoering van de bescherming van het archeologisch erfgoed gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) doordat bij vaststelling van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met archeologie. Het vierde uitgangspunt is dat de provincies de mogelijkheid hebben om gebieden aan te wijzen die zijn archeologisch gezien van provinciaal belang zien (attentiegebieden). Gemeenten dienen deze attentiegebieden in hun omgevingsplannen uit te werken. Een laatste uitgangspunt betreft de mogelijkheid voor marktwerking voor archeologisch onderzoek binnen de Wamz, waarvoor kwaliteitsnormen zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
De uitgangspunten van de (herziene) Monumentenwet hebben gevolgen voor verschillende partijen. Zo is door de koppeling van de bescherming van het archeologisch erfgoed aan de processen van de ruimtelijke ordening bij gemeenten de behoefte aan gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaarten ontstaan. Met dit instrument wordt bepaald waar op een gemeentelijk grondgebied archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. De kaarten worden verwerkt in omgevingsplannen door beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Voor aanvragers van vergunningen voor bodemingrepen betekent dit dat voldaan moet worden aan deze voorwaarden, zoals bijvoorbeeld een archeologische onderzoeksplicht. De wet hanteert 100 m2 als vrijstellingsondergrens van de onderzoeksverplichting, maar gemeentes mogen hier beargumenteerd van afwijken.
Erfgoedwet en Omgevingswet
Vanuit de behoefte versnippering binnen de erfgoedwetgeving tegen te gaan en duidelijkheid te bieden, is in 2016 de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland (w.o. de Monumentenwet 1988) gebundeld in één Erfgoedwet. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 opgeheven.
Naast de Erfgoedwet is voor het behoud en beheer van het archeologisch erfgoed de nieuwe Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, van belang. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.8
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het cultureel erfgoed zoals museale objecten, musea, monumenten, archeologie en archieven wordt omgegaan. In de wet wordt ook omschreven wie daarbij welke verantwoordelijkheid heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgevoerd. Daarbij wordt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het culturele erfgoed zo veel mogelijk gelegd bij de beheerders en erfgoedadviseurs zelf, zoals: musea, collectiebeheerders, archeologen, monumentenorganisaties, eigenaren en de overheid. Elk type erfgoed heeft haar eigen beschermingsregime, dat overeenkomt met de oude wet- en regelgeving zoals vastgelegd in de Monumentenwet 1988.
Ook in de Erfgoedwet staat centraal dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven en dat zo vroeg mogelijk in de ruimtelijke planvorming rekening moet worden gehouden met het aspect archeologie. In de Erfgoedwet zijn enkele aanvullingen doorgevoerd ten opzichte van de Wamz. Een belangrijke aanvulling betreft een algemeen opgravingsverbod en de certificering van archeologisch onderzoek. Voor dit laatste is de BRL SIKB 4000 als verplichte certificatieregeling voor archeologisch onderzoek aangewezen. Onder bepaalde omstandigheden, die in de Erfgoedwet met bijbehorende strikte voorwaarden en beperkingen zijn opgenomen, is archeologisch onderzoek zonder certificering wel toegestaan, bijvoorbeeld in geval van opgravingen van niet-behoudenswaardige terreinen door verenigingen van amateurarcheologen, en bepaalde activiteiten van metaaldetectoramateurs.
Vier andere belangrijke veranderingen hebben betrekking op het erfgoedregister, de rijksmonumenten, het maritiem erfgoed, en de tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten en provincies voor excessieve opgravingskosten. Door het bijhouden van een openbaar ‘erfgoedregister’ dienen overheden inzage te geven in de cultureel erfgoederen die in haar beheer en bezit zijn, waaronder ook archieven. De instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten schrijft voor dat dat een eigenaar moet zorgen dat zijn of haar rijksmonument zodanig onderhouden wordt, dat het behoud gewaarborgd is. Indien een eigenaar daar nalatig in is dient de gemeente hier handhavend tegen op te treden. Maritiem archeologisch erfgoed wordt in de Erfgoedwet beter beschermd (bijvoorbeeld door een verbod op metaaldetectie onder water). De excessieve-kostenregeling, waarbij gemeenten of provincies bij onverwacht hoge archeologiekosten een beroep konden doen op de Rijksoverheid, is vervangen door tegemoetkomingen in het Gemeentefonds en door de oprichting van een nationaal fonds voor onderzoek van terreinen met bijzondere (inter)nationale betekenis.
Het omgevingsrecht omvat een enorme verscheidenheid aan wetten en regelingen over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water, waar archeologie ook onder valt. Deze hebben allemaal hun eigen criteria en procedures. Dit maakt het omgevingsrecht niet alleen ingewikkeld, maar in sommige gevallen ook traag. Daarom is besloten om bovengenoemde verscheidenheid samen te voegen en onder te brengen in één wet, de Omgevingswet.9 De Omgevingswet moet besluitvorming sneller doen verlopen, en ruimte bieden voor lokaal maatwerk en bevordering van burgerparticipatie. Uitgangspunt is dat beleid, in plaats van beperkend steeds meer uitnodigend wordt ingericht. Ten aanzien van ruimtelijke initiatieven en ruimtelijk beleid wordt daarom ook wel eens gesproken over een omslag van bestemmings- naar uitnodigingsplanologie. Het vooroverleg wordt belangrijker waardoor overheden meer gesprekspartner worden en minder toetser. Het bij planvorming betrekken van belanghebbenden en de omgeving wordt bovendien een inspanningsverplichting voor zowel de toetsende overheid als de initiatiefnemer zelf.10
De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, waaronder cultureel erfgoed. De Omgevingswet zal onder andere de Wet Ruimtelijke Ordening omvatten, maar ook alle onderdelen over omgevingsrecht uit de herziene Monumentenwet 1988. De omgang met rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologie in de leefomgeving valt hiermee onder de nieuwe wet.
Uitgangspunt voor de Omgevingswet is gebiedsgericht beleid, met één, inhoudelijk goed afgestemde, set regelingen. Dit geldt ook voor archeologie. De volgende aspecten van de Omgevingswet zijn voor het gemeentelijk beheer van het archeologisch erfgoed van belang11:
- •
Er wordt een brede definitie van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving gehanteerd. Het gaat om (gebouwde en aangelegde) monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed – roerend of immaterieel erfgoed – dat via het omgevingsplan aan een specifieke locatie te verbinden is, zoals een haven voor historische schepen of een corsowagenbouwplaats.
- •
De omgevingsvisie, In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Daarnaast kan de gemeente samen met een andere gemeente of met de provincie een gezamenlijke of regionale omgevingsvisie opstellen. Op 11 november 2011 heeft de gemeente haar omgevingsvisie genaamd “Omgevingsvisie IJsselstein. Behoud én ontwikkeling” vastgesteld. Daarin staat aangegeven dat een van de landschappelijke kwaliteiten van de gemeente de rijke historie is die in de bodem van IJsselstein verborgen ligt. De gemeente wil voorkomen dat het archeologisch erfgoed van de stad verloren gaat door bijvoorbeeld bouwactiviteiten of de aanleg van wegen. Daarom geldt voor de omgevingsvisie als uitgangspunt: “We beschermen archeologisch erfgoed, in eerste instantie in de ondergrond.”12
- •
Het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Het plan geeft meer concreet uitwerking aan de (maatschappelijke) opgaven uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de gemeente aanwezig is. Op basis daarvan neemt de gemeente een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan op. Het omgevingsplan komt in de plaats van het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten gebeurt straks ook in het omgevingsplan. Goed onderbouwde archeologische beleidskaarten met beleidsregels kunnen bij de in werking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het (definitieve) omgevingsplan, waarin een gemeente de regels voor de fysieke leefomgeving vastlegt.
- •
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de bestemmingsplannen overgegaan naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente IJsselstein. Hierbij zijn de aanduidingen, plankaarten en regels uit de bestemmingsplannen één op één overgenomen.13 Omdat het één op één overgegaan is kan het zijn dat bepaalde regels, aanduidingen enz. nog niet geheel voldoen aan de regelgeving uit de Omgevingswet en bijbehorende regelingen. Bij wijziging van het omgevingsplan (op een locatie, gebied of zelfs voor de gehele gemeente) zullen deze bijgewerkt moeten worden, om vervolgens of naar het “definitieve” deel van het omgevingsplan van de gemeente IJsselstein te gaan, of als een apart omgevingsplan van toepassing worden. Het aspect archeologie zal dan op basis van de actuele gemeentelijke beleidskaart in een apart thematisch omgevingsplan omgezet worden, danwel onderdeel worden van het definitieve deel van het omgevingsplan gemeente IJsselstein. De regels met betrekking tot archeologie zullen ten opzichte van de bestemmingsplannen aangepast worden om binnen de systematiek van de Omgevingswet te vallen. Voor een indruk van de regels in het Omgevingsplan wordt verwezen naar de voorbeeldregels Archeologie die door de VNG zijn opgesteld.14 Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de Tijdelijke Omgevingsplannen om te zetten naar definitieve Omgevingsplannen.
- •
Werelderfgoed wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het eerst expliciet wettelijk verankerd.
- •
De gemeente wordt verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag (formeel: indien een of meer andere omgevingsvergunningen nodig zijn voor samenhangende activiteiten). De gemeente is wel verplicht om bij dergelijke meervoudige aanvragen de RCE om advies te vragen; de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft ook instemmingsrecht op het voorgenomen besluit. Bij een enkelvoudige aanvraag is de RCE het bevoegd gezag.15
- •
In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang niet alleen de minister van OCW maar ook de gemeente bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen.
- •
De eigenaar van een rijksmonument heeft een instandhoudingsplicht. Hij of zij moet ervoor zorgdragen dat het monument zodanig wordt onderhouden dat het behoud ervan gewaarborgd is.
- •
Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen.
2.2 Rol en verantwoordelijkheden overheden
Verantwoordelijkheden nationale overheid
Sinds 2007 zijn gemeenten (mede) verantwoordelijk voor archeologie in hun grondgebied. Daarmee hebben zij een sterkere rol als bevoegde overheid gekregen. Wanneer het gaat om monumentale, archeologische of cultuurlandschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang, of wanneer de nationale overheid (het Rijk) initiatiefnemer is bij projecten, dan liggen de nodigde verantwoordelijkheden op nationaal niveau. Andere rollen voor de nationale overheid zijn de wettelijke adviesrol bij projecten waarvoor een milieu-effect-rapportage (m.e.r.) nodig is, het vaststellen van de omgang van beschermde (archeologische) rijksmonumenten, het onderhouden van een nationaal archeologisch informatiesysteem (ARCHIS) en het laten stilleggen van werkzaamheden bij rijksmonumenten. Deze taken zijn belegd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie.
Verantwoordelijkheden provinciale overheden
Ook provinciale overheden hebben een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed. De provincie is bijvoorbeeld bevoegd gezag bij gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r.-procedures of bij gemeente-overstijgende projecten, projecten waarbij provinciale (water)wegen zijn betrokken en projecten waarbij de provincie verstoorder. Ook zijn provincies volgens de Erfgoedwet eigenaar van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie binnen de provincie. Provincie Utrecht is daarmee eigenaar van en verantwoordelijk voor de Utrechtse archeologische collecties. Deze worden ondergebracht in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten in Utrecht, de gemeente IJsselstein heeft geen eigen depot. De Provincie Utrecht betrekt het publiek ook door het uitgeven van de archeologische kroniek van Utrecht, het verzorgen van informatiebijeenkomsten en andere toegankelijke archeologische publicaties.
Verantwoordelijkheden lokale overheden
Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid bij bodemingrepen rekening te houden met archeologische waarden die in de ondergrond aanwezig (kunnen) zijn.
Sinds 2007, met de komst van de Wamz, ligt de verantwoordelijkheid voor de omgang met archeologische waarden in belangrijke mate op het gemeentelijke niveau.16 De gemeente is het bevoegd gezag bij de meeste ruimtelijke ontwikkelingen op haar grondgebied die gevolgen hebben voor het archeologisch erfgoed. Om deze taak op een verantwoorde wijze uit te kunnen voeren, dienen gemeenten eigen (aanvullend) beleid vast te stellen. Dit gemeentelijke beleid dient daarbij aan te sluiten op het rijksbeleid waarbij het in de bodem (in situ) behoud van het archeologische bodemarchief voorop staat. Als behoud en bescherming van archeologische resten in de bodem niet mogelijk blijken te zijn, dienen de resten te worden onderzocht en gedocumenteerd.
Het te voeren gemeentelijk archeologiebeleid is gekoppeld aan het ruimtelijke ordeningsbeleid, doorgaans door in omgevingsplannen beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Omgevingsplannen hebben een archeologische paragraaf, met daarin opgenomen de waarde die aan archeologie wordt toegekend, omgevingsplanregels met daarin specifieke archeologie-regels waaraan voldaan moet worden, en plankaarten met daarop de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart en de archeologisch-monument-terreinen en de gebieden van archeologische verwachtingswaarde.
Omdat het opnemen van een archeologische paragraaf in omgevingsplannen voor veel gemeenten niet eenvoudig of snel te realiseren is, wordt hiervoor in overgangssituaties ook wel het instrument van de Erfgoedverordening gehanteerd.
De gemeente toets vergunningaanvragen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen aan de regels in het omgevingsplan, en informeren initiatiefnemers over onderzoeksplicht en voorwaarden waaronder omgevingsvergunningen verleend kunnen worden. Dit staat ook in het omgevingsplan.
2.3 Archeologie in de ruimtelijke ordening
Doordat in de Erfgoedwet uitgegaan wordt van behoud van archeologische waarden in situ, zijn voor projecten met bodemverstorende ingrepen vroegtijdige inventarisaties van de betreffende archeologische waarden van belang. Voor eventuele planaanpassing of -inpassing is het noodzakelijk om in een vroeg stadium van de planontwikkeling te weten met welke archeologische waarden rekening gehouden moet worden. Dit is zowel in het belang van de archeologie, die hierdoor beter bewaard kan blijven doordat ontwikkelplannen kunnen worden aangepast, of doordat technische details ervan worden gewijzigd, om te archeologie te ontzien, en het is ook in belang van de initiatiefnemer, voor wie mogelijk opgravingskosten en/of projectvertragingen vermeden kunnen worden.
Inpassing van archeologische en cultuurhistorische waarden kan een belangrijke positieve impuls geven aan de inrichting van de openbare ruimte, door de mogelijkheid om de cultuurhistorische identiteit van een locatie te versterken, terwijl de betreffende waarden in situ bewaard kunnen worden.
Archeologische waarden kunnen worden bedreigd op locaties die planologisch (her)ontwikkeld worden of die een nieuwe bestemming krijgen. Hiermee samenhangende bodemingrepen kunnen aanwezige archeologische waarden beschadigen of vernietigen. Ook verlaging van grondwaterniveaus vormen een bedreiging voor aanwezige archeologische waarden, omdat dit effect heeft op de lokale conserveringsomstandigheden waardoor archeologische materialen en daarmee samenhangende informatie verloren gaat.
In procedures rond de ruimtelijke ordening moet dus in een vroeg stadium rekening gehouden worden met het aspect archeologie.
2.4 Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeente IJsselstein is het bevoegd gezag bij de meeste ruimtelijke ontwikkelingen op haar grondgebied die gevolgen hebben voor het archeologisch erfgoed. Dit geldt ook voor meervoudige aanvragen op beschermde archeologische rijksmonumenten (zie paragraaf 2.1). De gemeente streeft in haar archeologiebeleid naar bescherming van het archeologisch bodemarchief. De praktische uitvoering van dit beleid is gekoppeld aan het ruimtelijke ordeningsbeleid, door in omgevingsplannen beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Bij het toetsen van vergunningaanvragen in het kader van de Omgevingswet aan de beschermende regels in het omgevingsplan, geeft de gemeente bij de initiatiefnemer aan of een archeologisch vooronderzoek verplicht is. Hiermee dient de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate te zijn vastgesteld. Indien een archeologisch onderzoek verplicht is, dan dient dit volgens een vast stramien te worden uitgevoerd. Dit vaste stramien is vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en wordt ook wel omschreven als het proces van de archeologische monumentenzorg of de AMZ-cyclus.17 De AMZ-cyclus is ingedeeld in een aantal vaste processtappen:
- -
Bureauonderzoek;
- -
Inventariserend veldonderzoek (verkennende, karterende of waarderende fase);
- -
Archeologische begeleiding (alleen waterbodems);
- -
Opgraven;
- -
Fysiek beschermen/behoud in situ
Aan de hand van een bureauonderzoek wordt bepaald of er sprake kan zijn van archeologische waarden in een gebied. Indien archeologische waarden te verwachten zijn, wordt vervolgens met een inventariserend veldonderzoek gekeken of er daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn. Meestal gebeurt dit in de vorm van een verkennend of karterend booronderzoek, maar ook proefsleuvenonderzoek kan een geschikte methode zijn. Als er sprake is van een vindplaats dan wordt deze vervolgens onderworpen aan een waardering. Deze waardering wordt als selectieadvies aan de bevoegde overheid aangeboden – meestal de gemeente. De gemeente neemt vervolgens een besluit (selectie) over wat er met de archeologische resten in het desbetreffende plangebied moet gebeuren. Er zijn drie keuzemogelijkheden: in de bodem bewaren en beschermen (behouden in situ), opgraven (behouden ex situ) of vrijgeven. Nadat de interpretatie en synthese is voltooid worden de vondsten en documentatie, ondergebracht in depots en digitale archieven.
Na elke stap moet blijken of een vervolgstap in het vooronderzoek nodig is. Om die reden eindigt elke stap met een eindrapport met een advies over de noodzaak van vervolgonderzoek. De gemeente toetst het rapport en maakt een afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. Vaak is na 1 of 2 stappen (bijvoorbeeld na een Bureauonderzoek en een IVO-verkennende fase) al duidelijk dat geen (waardevolle) archeologische resten zijn te verwachten. Soms blijken archeologische resten wel aanwezig en dient de gehele AMZ-cyclus doorlopen te worden.
In de gemeente IJsselstein zijn initiatiefnemers van ruimtelijke plannen met bodemverstorende activiteiten zelf verantwoordelijk voor het laten uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Sinds 1 juli 2016, met de invoering van de Erfgoedwet, moeten uitvoerders van archeologisch onderzoek gecertificeerd zijn voor de betreffende AMZ-processtap (zie boven). Om de kwaliteit van de uitvoering verder te borgen dient voorafgaand aan gravend onderzoek (proefsleuven en opgraven) een Programma van eisen (PvE) te worden opgesteld waarin eisen zijn geformuleerd waaraan onderzoek en uitvoering ten minste moeten voldoen. Voor inventariserend onderzoek middels boringen volstaat een Plan van aanpak (PvA) met daarin de opzet van het onderzoek. De normale gang van zaken in IJsselstein is dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het opstellen van een PvE of PvA. Ook hierbij geldt dat het uitvoerende bedrijf voor deze werkzaamheden gecertificeerd is. PvE’s en PvA’s dienen door de gemeente, als bevoegd gezag, te zijn goedgekeurd voordat een archeologisch onderzoek mag starten. Daarnaast is het formeel ook mogelijk dat het PvE een door de gemeente zelf opgesteld document is dat wordt opgelegd.
3 Inventarisatie van gegevens
3.1 Archeologische Inventarisatiekaart
3.1.1 Bronnen
De gegevens voor de archeologische inventarisatiekaart zijn geraadpleegd, zijn afkomstig uit verschillende bronnen:
- -
Landelijke databank Archis;
- -
Archeologische MonumentenKaart (AMK);
- -
CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht;18
- -
Archeologische onderzoeksrapporten;
- -
Publicaties van/door de Historische Kring IJsselstein.19
Het ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is geraadpleegd voor de inventarisatie van (nieuwe) archeologische waarnemingen en vondstmeldingen.20 Ook de terreinen van de Archeologische MonumentenKaart ('AMK-terreinen') en uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn ontleend aan Archis.21 De gegevens zijn aangevuld met waarnemingen van amateurarcheologen en De Historische Kring IJsselstein (HKIJ).22
Alle bekende archeologische waarden zijn weergegeven op de archeologische informatiekaart (kaartbijlage 1). De gegevens uit Archis vormen de basis voor de vindplaatscatalogus. Ook de archeologische onderzoeken zijn op de inventarisatiekaart weergegeven. Hierbij zijn de onderzoeksgebieden onderscheiden op basis van het soort onderzoek dat is uitgevoerd (bijv. bureauonderzoek, booronderzoek, opgraving). De rijksmonumenten, AMK-terreinen, archeologische vindplaatsen en archeologische onderzoeken die op de informatiekaart staan weergegeven zijn tevens opgenomen in de catalogi (bijlagen 1 t/m 4).
3.1.2 Archeologische gegevens
Archeologische monumenten
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat archeologische terreinen waaraan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van toetsing (op kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde) een archeologische waarde is toegekend.23 De terreinen zijn onderverdeeld in vier categorieën die in grote lijnen het archeologisch belang dat de terreinen vertegenwoordigen, weerspiegelen. In de gemeente IJsselstein gaat het om de volgende terreinen (Tabel 3.1):
|
status AMK-terrein / waardering |
aantal |
|
Zeer hoge archeologische waarde, wettelijk beschermd ('archeologisch rijksmonument') |
2 |
|
Zeer hoge archeologische waarde, niet-wettelijk beschermd |
4 |
|
Hoge archeologische waarde |
6 |
|
Archeologische waarde |
2 |
|
Totaal |
14 |
Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein.
De AMK-terreinen omvatten archeologische resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd.24 Verschillende terreinen omvatten meerdere complexen en/of archeologische perioden. De twee archeologische rijksmonumenten (rijksmonumentnummers 46200 en 46201) bevatten overblijfselen van het kasteel IJsselstein en het Cisterciënklooster Onze Lieve Vrouwenberg, die beide teruggaan tot de late middeleeuwen. De overige AMK-terreinen vallen grofweg uiteen in twee categorieën: nederzettingsterreinen uit de ijzertijd/Romeinse tijd en sporen die samenhangen met het activiteiten in het laatmiddeleeuwse centrum van IJsselstein. De volledige beschrijving van de AMK-terreinen is opgenomen in bijlagen 2 en 3). Provinciale of gemeentelijke archeologische monumenten komen niet voor in de gemeente IJsselstein.
Archeologische vindplaatsen
In Archis staan voor de gemeente IJsselstein 1600 'archeologische records' geregistreerd (peildatum 1 mei 2022). Deze records omvatten individuele vondsten/-sporen en/of archeologische complexen, die zijn aangetroffen bij archeologische onderzoeken en/of andersoortige waarnemingen.25 De records zijn o.a. voorzien van een locatie (RD-coördinaten), het specifieke vondsttype en een (vermeende) begin- en einddatering.
Het aantal archeologische records ligt evenwel aanzienlijk hoger dan het daadwerkelijke aantal (bekende) archeologische vindplaatsen. Dit komt doordat een vindplaats waar bijvoorbeeld fragmenten kogelpot-, Pingsdorf- en Badorfaardewerk en baksteen zijn aangetroffen, vier afzonderlijke archeologische records oplevert. Bovendien kan eenzelfde vindplaats meerdere keren in Archis voorkomen omdat de archeologische onderzoekscyclus gefaseerd is opgezet: een vindplaats die tijdens een booronderzoek is ontdekt, vervolgens is gewaardeerd met een proefsleuvenonderzoek en uiteindelijk is opgegraven, komt - nog zonder rekening te houden met afzonderlijke vondstcategorieën - al drie keer voor.
Om tot een eenduidig en overzichtelijk vindplaatsenbestand te komen zijn de archeologische records geanalyseerd en daar waar nodig samengevoegd of juist opgesplitst. Voor zover mogelijk is op basis van omschrijvingen (in Archis) aan elke vindplaats een ouderdom en complextype (het soort vindplaats) gekoppeld. Meerder meldingen op dezelfde locatie, die qua ouderdom en type, op een vergelijkbare archeologische vindplaats duiden, zijn in principe samengevoegd. Ook komt het voor dat op een locatie zowel een nederzetting uit de ijzertijd/Romeinse tijd als een nederzetting uit de late middeleeuwen liggen; deze vindplaatsen zijn dan niet samengevoegd. Voor het buitengebied van IJsselstein (buiten de historische kern) zijn vondstmeldingen met eenzelfde complextype en datering die dichter dan 50 meter bij elkaar liggen, samengevoegd tot één vindplaats. Dit was bijvoorbeeld verschillende keren het geval bij meldingen van nederzettingsterrein uit de ijzertijd/Romeinse tijd in het gebied IJsselveld.26 Onder het desbetreffende vindplaatscatalogusnummer staan de oorspronkelijke zaakidentificatienummers wel vermeld. Voor de middeleeuwse stadskern van IJsselstein is deze werkwijze dus niet toegepast. Na deze filtering/opschoning zijn de circa 1600 records teruggebracht tot 162 vindplaatsen (Tabel 3.2, bijlage 1).
|
Complextype |
ouderdom (begindatering) |
|
|||||
|
|
neolithicum |
bronstijd |
ijzertijd-Romeinse tijd |
(vroege) middeleeuwen |
late middeleeuwen |
Nieuwe tijd |
totaal |
|
Begraving |
- |
- |
1 |
- |
2 |
- |
3 |
|
Bewoning |
1 |
5 |
27 |
7 |
12 |
4 |
56 |
|
Kasteel |
- |
- |
- |
- |
6 |
1 |
7 |
|
Religie |
- |
- |
- |
1 |
6 |
- |
7 |
|
Industrie |
- |
- |
- |
- |
- |
1 |
1 |
|
Infrastructuur |
- |
- |
- |
- |
1 |
3 |
4 |
|
Losse vondsten |
- |
- |
3 |
- |
1 |
1 |
5 |
|
Scheepswrak |
- |
- |
- |
- |
- |
1 |
1 |
|
Onbekend |
2 |
3 |
17 |
4 |
40 |
12 |
78 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Totaal |
3 |
8 |
48 |
12 |
68 |
23 |
162 |
Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering.
Archeologische onderzoeken
Uit Archis zijn de gegevens van uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd (peildatum 1 mei 2022). In de periode 1993 – 2022 zijn binnen de gemeente IJsselstein 224 archeologische onderzoeken uitgevoerd (Tabel 3.3). De onderzoeken zijn gecategoriseerd naar het type onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, proefsleuven, opgraving e.d.) en weergegeven op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1).
|
Type onderzoek |
|
Periode |
|
|||
|
1993-2010 |
2011-2022 |
Totaal |
||||
|
Bureauonderzoek |
14 |
(6%) |
36 |
(16%) |
50 |
(22%) |
|
Booronderzoek |
44 |
(20%) |
63 |
(28%) |
107 |
(48%) |
|
Proefsleuven |
10 |
(5%) |
14 |
(6 %) |
24 |
(11%) |
|
Begeleiding |
11 |
(5%) |
21 |
(9%) |
32 |
(14%) |
|
Opgraving |
4 |
(2%) |
1 |
(0%) |
5 |
(2%) |
|
Overig* |
3 |
(1%) |
3 |
(1%) |
6 |
(3%) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Totaal |
86 |
(38%) |
138 |
(62%) |
224 |
100% |
Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend).
Hoewel de eerste, in Archis geregistreerde onderzoeksmelding uit 1993 dateert, komt het archeologisch onderzoek feitelijk pas op gang vanaf 2005 (Figuur 3-1: staafdiagram). In de periode tot 2011 zijn 86 onderzoeken uitgevoerd, waarvan grofweg de helft uit booronderzoeken bestond. Het aantal onderzoeken dat sinds 2011 is uitgevoerd (138 onderzoeken) ligt aanzienlijk hoger dan in de voorafgaande periode. Met name de bureau- en booronderzoeken nemen in absolute zin sterk toe, een patroon dat al vanaf 2008/2009 is waar te nemen. Verder laten de gegevens zien dat bureau- en booronderzoeken vaker dan voorheen als twee afzonderlijke onderzoeken bij Archis worden geregistreerd (ook wanneer beide uiteindelijk in één rapport zijn beschreven). De verdeling van de verschillende onderzoekstypen laten geen wezenlijke verandering zien tussen de beschouwde perioden (1993-2010 en 2011-2022; Figuur 3-1: cirkeldiagrammen). Zo schommelt het gezamenlijk aandeel van de gravende onderzoeken (proefsleuven, begeleidingen en opgravingen) rond 25 à 30%.
Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder).
Bevindingen archeologische onderzoeken
Een overzicht van de onderzoeken met een rapportverwijzing (voor zover achterhaald kon worden) staat in bijlage 4. Van alle veldonderzoeken waarvan de rapportage ná 2010 is verschenen, zijn de archeologische en landschappelijke bevindingen beknopt weergegeven in de catalogus.
3.2 Landschappelijke eenhedenkaart
3.2.1 Bronnen
De aardwetenschappelijke gegevens die zijn geraadpleegd om de landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen betreffen in hoofdzaak analoge kaarten. Deze informatie is aangevuld met bevindingen uit bodemkundige en/of geologische studies (regionaal en landelijk), hoogtegegevens en historische kaarten. Het gaat om de volgende bronnen:
- -
Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (bladen 31 Oost en 38 Oost);27
- -
(supra-)regionale geologische studies;
- -
Gedetailleerde bodemkaarten:31
- o
Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard (schaal 1:25.000);
- o
Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard -Oost (schaal 1:10.000);
- o
- -
Topkaart Pleistoceen;32
- -
Boorgegevens uit het DINOloket;33
- -
het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3);
- -
Landschappelijke resultaten van uitgevoerde archeologische veldonderzoeken;
- -
Saneringsgegevens aangeleverd door de ODRU;
- -
Historische kaarten.
3.2.2 Landschappelijke eenheden
Pleistocene landschap
De pleistocene ondergrond in de gemeente IJsselstein bestaat uit afzettingen van grove zanden en grind die werden afgezet door voorlopers van de Rijn.34 In de noordelijke helft van de gemeente zijn deze rivierafzettingen bedekt door een dun pakket eolische dekzanden.35 Voor de opbouw en diepteligging van de pleistocene ondergrond zijn verschillende bronnen/datasets beschikbaar. De 'top pleistoceenkaart' van de RCE/Deltares, geeft een globaal beeld van de diepteligging van de pleistocene ondergrond (Figuur 3-2: linksboven). Omdat niet bekend is op welke data de kaart is gebaseerd, is niet duidelijk wat de betrouwbaarheid ervan is. In het DINOloket is een dataset met de hoogteligging van de bovenzijde van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel) en van de Formatie van Kreftenheye beschikbaar ('GeoTOP-model'; Figuur 3-2: rechtsboven). Dit is een driedimensionaal geologisch model van de ondiepe ondergrond (tot maximaal 50 m -NAP) dat de grondsoort en laagopbouw bevat. De resolutie van het model is 100 x 200 m (horizontaal) en 0,5 m (verticaal).36 Als alternatief is gekozen voor een interpolatiemodel, waarbij gebruik is gemaakt van de afzonderlijke datasets met boorgegevens die ook aan het GeoTOP-bestand ten grondslag liggen (Figuur 3-2: linksonder).37 Het gaat om boringen waarin de afzettingen van de Formatie van Boxtel of de Formatie van Kreftenheye zijn aangetroffen.
Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen.
De gehanteerde dataset omvat voor de gemeente IJsselstein slechts 63 boringen.38 Uit de boringen en het geïnterpoleerde hoogtemodel blijkt dat de bovenzijde van de pleistocene afzettingen tussen 4 en 8 m -NAP ligt. De afzettingen liggen het hoogste in het noordelijk deel van de gemeente en dalen zeer geleidelijk in zuid(westelijk)e richting. Omdat het maaiveld in de komgebieden tussen 0 en 1 m -NAP varieert, kan het laat-pleistocene oppervlak in het delen van de gemeente plaatselijk al binnen 3 m -mv worden aangetroffen. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van het pleistocene landschap te krijgen.
Uit de (beperkte hoeveelheid) geologische boringen die tot in de pleistocene ondergrond zijn doorgezet, blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen (Figuur 3-3).39 Dit impliceert dat het onderliggende pleistocene dekzandlandschap ter hoogte van deze boringen hoogstwaarschijnlijk nog intact is. Verder suggereren de boringen dat het pleistocene landschap ter hoogte van de holocene stroomgordels waarschijnlijk is geërodeerd en niet meer intact is. (Figuur 3-3).40
Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact.
Meandergordels
Gedurende het Holoceen is een groot aantal (meer dan 20) verschillende rivierlopen actief geweest op het grondgebied van de gemeente IJsselstein (Figuur 3-4). De afzettingen van deze stroomgordels kunnen op verschillende dieptes worden aangetroffen. De doorgaande opvulling van de riviervlakte zorgde ervoor dat de afzettingen van deze rivieren niet alleen naast, maar ook boven elkaar liggen. Voor de begrenzing van de meandergordels (de zandbanen) is uitgegaan van de publicatie van de Universiteit Utrecht uit 2012, die de meest betrouwbare, vlakdekkende gegevensset vormt.
De vroegere rivierlopen betreffen verschillende afwateringstakken van het Rijnsysteem en zijn op grond van onder meer ouderdom, brongebied, afwateringsrichting en debiet onderverdeeld in een viertal stroomstelsels, te weten het Benschopse, Graafse, Linschotense en Krimpense stroomstelsel. Een overzicht van de verschillende stroomgordels en meandergordels/stroomgordels is weergegeven in Figuur 3-4 en Tabel 3.4).
Oeverzones en crevassen
Direct grenzend aan de meandergordels zijn op de kaart op enkele plaatsen oeverzones te onderscheiden. In deze zones zijn vanuit de meandergordel bij hoge waterstanden relatief zandige en/of siltrijke sedimenten afgezet, terwijl verder van de meandergordels af voornamelijk alleen het fijnste sediment in de vorm van klei is afgezet. Het gaat om ‘zwevende’ of ook wel ‘ongefundeerde’ oeverpakketten, met daaronder weer zwaardere komklei-afzettingen. De oeverzones zijn herkenbaar aan een relatief hoge ligging van het maaiveld, wat deze zones in het verleden aantrekkelijk maakte voor bewoning en andere activiteiten. De op de kaart weergegeven oeverzones zijn in hoofdzaak gebaseerd op de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.41 Dezelfde kaart vormt het uitgangspunt voor de door Pierik weergegeven ongefundeerde oeverzones.42 Aanvullend zijn op basis van het AHN-beeld en/of boorgegevens uit het DINO-loket kleine oppervlakken met oeverzones toegevoegd. Daarnaast is langs de Noord IJsseldijk een door Berendsen als dijkdoorbraakafzetting gekarteerde zone, geherinterpreteerd als omvangrijke oeverzone. Er zijn namelijk geen aanwijzingen voor een dijkdoorbraak.
Opvallend is dat binnen de gemeente IJsselstein de meeste oeverzones maar zeer beperkt in breedte zijn. Op veel plaatsen zijn zelfs helemaal geen oeverzones aan het maaiveld te herkennen en/of in boringen vastgesteld. Dit lijkt erop te duiden dat de top van de meandergordels in eerste instantie niet of maar nauwelijks boven het omliggende komgebied uitkwamen. Als gevolg van differentiële klink is dit hoogteverschil in de loop van de tijd toegenomen.
Overigens moet worden opgemerkt dat ook ter hoogte van de meandergordels overal oeverafzettingen voorkomen. Deze dekken de zandige beddingafzettingen af en zijn afgezet vanuit de actieve Rijngeul van betreffende meandergordel. Oeverafzettingen kennen doorgaans een aflopend profiel met van beneden naar boven steeds zwaardere (kleiigere) afzettingen. Deze opbouw weerspiegelt het geleidelijk steeds rustigere sedimentatiemilieu samenhangend met de grotere afstand tot de actieve geul en met afnemende overstromingskans naarmate het oeverpakket in dikte toeneemt. De top van de oeverafzettingen vormt veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau.
Behalve oeverzones zijn ook enkele crevassen en crevasse-complexen gekarteerd. Het betreft duidelijke, veelal dwars op de meandergordel georiënteerde relatief zandige en/of siltrijke banen, die zijn ontstaan als gevolg van plaatselijke oeverwaldoorbraken. De meeste crevassen lopen na enige honderden meters dood in het komgebied. Ook crevassen zijn in deze regio ongefundeerd met daaronder komklei-afzettingen. Vanwege de relatief zandige opbouw hebben de crevassen een hogere ligging en waren daarmee aantrekkelijke voor bewoning en andere activiteiten. Binnen de oeverzones kunnen ook crevassen voorkomen.
De meeste op de kaart weergegeven crevassen zijn afkomstig van de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.43 Een enkele is als antropogene vergraving herkend en niet opgenomen in het kaartbeeld.
Komgronden
Buiten de meandergordels, oeverzones en crevassen, wordt het bodemprofiel gedomineerd door dikke pakketten met zware klei, al dan niet met venige insluitingen. Deze pakketten zijn gevormd op enige afstand van de actieve rivier waar bij hoge waterstanden alleen het lichtste sediment; de kleifractie, kon reiken en sedimenteren. In periode zonder noemenswaardige overstromingen kon hier ook veenvorming optreden. Door fixatie van de rivierstromen binnen bepaalde delen van de riviervlakte kon het pakket met veen en komkleien in de loop van de tijd verder toenemen. Aangezien een komkleipakket een hoge weerstand heeft, werden de riviertaken steeds meer gefixeerd binnen de bestaande zandbanen, naarmate dit kleipakket in dikte toenam.
Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012.
|
naam meandergordel |
begin- en eindsedimentatie |
hoogste voorkomen |
|
|
|
(14C jaren BP) |
(cal 14C jaren BP) |
beddingzand (in m NAP) |
|
|
|
|
|
|
Benschopse systeem |
|
|
|
|
Benschop |
(7600-5800) |
(8368-6125) |
-4,0 tot -7,0 |
|
Tienhoven |
(7350-6260) |
(7788-7175) |
-0,9 tot -1,4 |
|
Kortenhoeven |
(7100-6260) |
(8368-7175) |
-2,3 tot -5,5 |
|
Willeskop |
(6950-6300) |
(7274-6635) |
-4,0 tot -6,4 |
|
Wiersch |
(6500-5800) |
(7582-6636) |
-2,5 tot -4,0 |
|
Autena |
(6110-5350) |
(6974-6125) |
0,4 tot 0,1 |
|
|
|
|
|
|
Graafse sysyeem |
|
|
|
|
Kapel |
(5350-4920) |
(6125-5650) |
-1,0 tot -2,1 |
|
Vuylkop |
(5350-3795) |
(6125-4148) |
1,1 tot 0,2 |
|
Buitenzorg |
(4900-4455) |
(5619-5020) |
-1,1 tot -1,4 |
|
|
|
|
|
|
Linschotense systeem |
|
|
|
|
Lage Dijk |
(4900-3795) |
(5619-4148) |
-0,5 tot 0 |
|
Neder-Oudland |
(4455-3950) |
(5020-4424) |
-0,3 tot 0 |
|
Lampsin |
(4365-3100) |
(4872-3309) |
-0,4 tot 0 |
|
Over-Oudland |
(4365-3000) |
(4872-3187) |
-0,1 tot -0,2 |
|
Vechgel |
(4000-3450) |
(4437-3831) |
-0,1 tot -0,2 |
|
Stuivenberg |
(3960-3180) |
(4414-3379) |
-0,2 tot -0,8 |
|
Blok |
(3795-3000) |
(4148-3187) |
-0,1 tot -0,6 |
|
Jutphaas |
(3795-2715) |
(4148-2784) |
1,7 tot -0,6 |
|
Meijerberg |
(2800-760) |
(2871-669) |
|
|
Hagestein |
(2514-1050) |
(2634-943) |
2,8, tot 2,2 |
|
Hollandse IJssel (boven 2) |
(2514-665) |
(2634-650) |
|
|
|
|
|
|
|
Krimpen systeem |
|
|
|
|
Lek (onbedijkt) |
(1950-850) |
(1879--50) |
10,2 tot 3,0 |
|
Hollandse IJssel |
(1900-665) |
(1617-650) |
2,1 tot 1,6 |
Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012).
Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016).
3.2.3 Verstoringen
Met behulp van het AHN3 zijn op perceelsniveau verstoringen geïnventariseerd. Hierbij moet vooral gedacht worden aan afgegraven (afgetichelde) terreinen die op zeer grote schaal in de uiterwaarden van de Hollandse IJssel hebben plaatsgevonden. Ook is hiervoor gebruik gemaakt van de gedetailleerde bodemkaarten waarop afgegraven percelen zijn gekarteerd.44 De saneringsgegevens die door de ODRU zijn aangeleverd zijn hier aan toegevoegd.
Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein.
3.3 Historisch-geografische waardenkaart
3.3.1 Bronnen
Voor het inventariseren van de historisch-geografische waarden en elementen zijn zowel digitale databronnen als oude kaarten geraadpleegd. Het gaat om de volgende gegevens:
- -
Databanken van bestaande en verdwenen molens;
- -
CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht;
- -
Gebouwde monumenten;
- -
Dijkenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://services.rce.geovoorziening.nl/dijken/wfs?);
- -
Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3);
- -
Regionale historisch-geografische studies;
- -
Historische kaarten:45
- o
'Stadsplattegrond IJsselstein' door Jacob van Deventer (1560);
- o
‘Ultrajectum / Dominium’ (Kaart van de provincie Utrecht met aangrenzend gebied; met weergave van steden, wegen en watergangen en gestyleerde weergave van heuvels, dorpen, kastelen en kloosters) door W.J. Blaeu uit 1630-1635;
- o
'Comitatus Hollandiae et Dominii Ultraiectini Tabula' door Jacob Aertsz. Colom uit 1680;
- o
'Kaart van de Baronie IJsselstein' door David Willem Carel Hattinga uit 1770 (kopie van de kaart van Petrus Adan uit 1738;
- o
'Nieuwe Kaart van den Lande van Utrecht' door Bernard Du Roy uit 1743;
- o
'Kaart van de rivier de Lek met zijn uiterwaarden, noorder- en zuiderdijken, van de Merwede beneden Krimpen tot het schoor van Hagestein boven Vianen' door Melchior Bolstra uit 1751-1764;
- o
‘Topographische kaart van een gedeelte van de provincies Holland en Utrecht begrepen tussen de rivier de Lek bij Schoonhoven en Nieuwpoort en de Zuiderzee’ door Pieter Ketelaar uit 1769;
- o
'Oude Hollandse Waterlinie' door Pieter Ketelaar uit 1770-1781;
- o
'Generaale Land-Kaarte van den Loopicker-Waard' door David Willem Carel Hattinga uit 1771;
- o
'Kaart van het land van IJsselstein' (anoniem) uit omstreeks 1775;
- o
- -
Bonnekaarten en topografische kaarten vanaf ca. 1850;
- -
Kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832:
- o
Gemeente IJsselstein, sectie A (blad 2), sectie B (blad 1, 2 en 3), sectie C (blad 1, 2 en 3), sectie D (blad 1), sectie E (blad 1 en 2), sectie F (blad 1 en 2) en sectie G (blad 1 en 2);
- o
Gemeente Jutphaas, sectie C, blad 1;
- o
Gemeente Vreeswijk, sectie B, blad 1.
- o
De geïnventariseerde gegevens zijn verwerkt tot een historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3). De digitale gegevens (met name de al dan niet verdwenen dijktracés en de locaties van verdwenen molens) zijn met behulp van de gegeorefereerde kadastrale minuutplannen, recentere topografische kaarten en/of het AHN gecorrigeerd.
Naast de historisch-geografische relicten en elementen omvat de kaart ook de onderliggende, historisch-landschappelijke eenheden. De (verdwenen) molens zijn tevens opgenomen in een afzonderlijke catalogus (bijlage 5).
Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50).
Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
3.3.2 Historisch-geografische elementen
Historisch-landschappelijke eenheden
Aan de hand van oude kaarten en de CHAT zijn buiten de middeleeuwse stad, drie historische hoofdlandschappen te onderscheiden:
- -
Het blokverkavelingslandschap;
- -
Het cope-ontginningslandschap;
- -
De uiterwaarden van de Lek.
Dijken en kades
Met behulp van de CHAT van de provincie Utrecht en de dijkenkaart van de RCE zijn historische dijken en kaden geïnventariseerd en op kaart gezet. Omdat de bestaande datasets voor de gewenste kaartschaal vaak een te grof en onnauwkeurig beeld gaven, is de ligging van de dijktracés gecontroleerd en verfijnd door deze te vergelijken met kadastrale minuutplannen en te projecteren op de huidige topografie en het AHN.
Historische bewoning en bebouwing
Aan de hand van oude kaarten, recent en oud topografisch kaartmateriaal, archeologische waarnemingen en de CHAT van de provincie Utrecht zijn de zones met historische bewoning in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen
- -
De middeleeuwse stadskern van IJsselstein;
- -
De vermeende en globale ligging van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren;46
- -
De nog bestaande gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek;
- -
De bebouwing op Militaire kaart door Pieter Ketelaar uit 1769 en de kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832 (als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3).
Bewoningslinten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd
Binnen de gemeente IJsselstein zijn twee laatmiddeleeuwse ontginningsassen onderscheiden, de Achtersloot-Hogebiezendijk van waaruit Meerlo, Broek, Lage Biezen en Hoge Biezen zijn ontgonnen, en Noord-IJsseldijk, de (vermoedelijke) ontginningsbasis van IJsselveld. Langs beide ontginningsassen is in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd lintbebouwing ontstaan. De historische bewoningslinten stonden op de kaart van 2011 al afgebeeld. Getracht is de archeologische verwachting van deze linten te verfijnen door aan de hand van redelijk tot goed te georefereren historische kaarten (de oudste kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832, de Militaire kaart van de Provincie Holland door Pieter Ketelaar uit 1769 en de Kaart van de Baronie van IJsselstein door David Hattinga uit 1770) te onderzoeken of in de 18e en 19e eeuwse bebouwing veel veranderingen optreden of dat uit deze kaarten juist continuïteit van bebouwing valt af te leiden.
Het blijkt dat bij beide ontginningsassen sprake is van tweezijdige boerderijstroken, waarbij de boerderijstrook aan de oostzijde van Achtersloot-Hogebiezendijk onregelmatiger is en enkele onderbrekingen kent, en de beide stroken lang de Noord-IJsseldijk een wat grilliger verloop hebben en meer uit “plukjes” bebouwing bestaat. Tevens valt uit de geraadpleegde kaarten af te lezen dat er in de bebouwing van de boerderijstroken vrijwel geen verschuivingen optreden.
Op kaartbijlage 3 is voor de bewoningslinten een breedte van 100 meter aan weerszijden van het hart van de dijk aangehouden. Met deze breedte wordt het grootste deel van de bebouwing op de 18e en 19e eeuwse kaarten ‘afgedekt’.
Gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten
De locaties van MIP-objecten (Monumenten Inventarisatie Project; waardevolle gebouwde objecten uit de periode 1850-1940) en de gebouwde rijksmonumenten zijn afkomstig van de datasets van de RCE. Deze objecten zijn als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3.
Molens
Gegevens over verdwenen en nog bestaande molens zijn geïnventariseerd via de landelijke molendatabases.47 De gegevens zijn opgenomen in bijlage 5.
In de gemeente IJsselstein staat nog één historische molen, De Windotter. Deze korenmolen is in 1732 gebouwd ter vervanging van een oudere korenmolen in de stad IJsselstein.
In de molendatabase staat ter hoogte van het klooster O.L. Vrouwenberg ook een molen vermeld. De juistheid hiervan is onzeker, zo staat de molen niet afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer (uit dezelfde periode). Om deze reden staat de molen niet weergegeven op kaartbijlage 3. Verder hebben in het verleden vermoedelijk op nog acht andere locaties molens gestaan, deze zijn inmiddels verdwenen. Het betreft drie molens die in de stad hebben gestaan – en gebruikt werden voor het malen van graan of grutten – en een vijftal poldermolens die overwegend in het buitengebied lagen. Voor drie locaties is tevens bekend dat sprake is geweest van meerdere opeenvolgende molens. Per locatie hebben de verschillende molenfases in de catalogus hetzelfde nummer gekregen maar zijn de opeenvolgende fases met een a en b of c van elkaar onderscheiden (catalogusnummers 1a/b, 2a/b en 10a/b/c).
3.4 Historisch centrum
H. Cornelisse
3.4.1 Bronnen
Het historische centrum wordt voor wat betreft het aspect archeologie apart behandeld vanwege de hoge dichtheid en het specifieke karakter van de bekende en te verwachten archeologische resten. Detailkaarten van de historische kern (met resp. vondstmeldingen en archeologische onderzoeken, landschappelijke verwachtingszones, historische relicten en verstoorde cq. vrijgegeven zones) zijn als kaartbijlagen 5 tot en met 8 bijgevoegd. De detailkaart 5 is gebaseerd op (nieuwe) archeologische onderzoeken en vondstmeldingen uit Archis. Voor de onderbouwing van de andere vier kaarten wordt verwezen naar paragrafen 3.1 - 3.3 en hoofdstuk 4.
3.4.2 Kader
Tijdens het opstellen van de eerste archeologische verwachtings- en beleidskaart uit 2004 omvatte de historische binnenstad de historische stadskern (AMK- terrein met monumentnr. 12071), het kasteel IJsselstein ((AMK 1224 en beschermd Rijksmonument 46201) en het klooster Onze-Lieve-Vrouweberg (AMK 1223 en beschermd Rijksmonument 46200), met in de diepere ondergrond kom- en oeverafzettingen. De (mislukte) middeleeuwse stadsuitbreiding Nieuwepoort is toen buiten beschouwing gebleven en tot het buitengebied gerekend. Ook bij de actualisatie van 2011 heeft men deze begrenzing van de historische binnenstad gehanteerd. Bij de inventarisatie van de nieuwe archeologische gegevens nemen we Nieuwpoort wel mee, om te onderzoeken of de kenmerken ervan aanleiding geven om het gebied alsnog aan de historische binnenstad toe te voegen.
De vroegste vondsten die tot 2011 in de binnenstad zijn aangetroffen, dateren uit de Romeinse tijd en zijn afkomstig uit de top van de kom- en oeverafzettingen. Bijbehorende bewoningssporen zijn echter niet bekend. Uit naamkundige gegevens is duidelijk dat in ieder geval vanaf de vroege middeleeuwen sprake is van bewoning bij Eiteren (gelegen direct ten noordwesten van de binnenstad).
De historische stadskern van IJsselstein stamt uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aan de basis van het ontstaan ervan liggen de heren Van Amstel die in de 13e eeuw de omgeving van IJsselstein als leen in bezit hebben. In een document uit 1279 wordt het Stein (stenen bouwwerk of kasteel) voor het eerst genoemd. Dat is het jaar waarin Gijsbrecht van Amstel tot Gijsbrecht van IJsselstein benoemd wordt: heer van IJsselstein. Kasteelheer Gijsbrecht van Amstel stimuleerde omstreeks 1300 de groei van de nederzetting die mogelijk snel na de bouw van het kasteel was ontstaan. In die tijd was de nederzetting omgeven door een gracht en mogelijk ook een omwalling met palissade. Omstreeks 1344 werd het stadsgebied in zuidoostelijke richting uitgebreid met de Nieuwpoort. Deze uitbreiding was niet heel succesvol omdat het grotendeels onbebouwd is gebleven. Eind 14e eeuw liet Arnold van Egmond de stad versterken met een ommuring voorzien van torens en poorten. Vermoedelijk is Nieuwpoort vanwege de spaarzame bewoning maar deels ommuurd geweest. In 1394 stichtte hij op de Nieuwpoort een Cisterciënzer monnikenklooster, genaamd Onze-Lieve-Vrouweberg. Omdat was gebleken dat de eerdere uitbreiding van de stad te groot was geweest, werd omstreeks 1470 de stadsgrens naar binnen aangepast waarbij de huidige stadsgracht is verbreed. In 1495 werd vervolgens het klooster, dat door de aanpassingen buiten de stad was komen te liggen, verplaatst naar de westkant van de Kloosterstraat in de binnenstad. Het oude klooster werd afgebroken.48
Hoewel IJsselstein door de aanwezigheid van verdedigingswerken, een kerk, een klooster en een gasthuis een stedelijk karakter bezat, blijkt uit de oudste historische kaarten van Jacob van Deventer (uit 1575) en Blau (uit ca. 1650) dat nog veel percelen binnen de stadsmuren in de 15e en 16e eeuw een agrarische functie hadden. Daarmee past IJsselstein in het algemene beeld wat van historische steden in Nederland bestaat. Uit historische bronnen is al langere tijd bekend dat kleinschalige landbouw veel voorkwam in middeleeuwse- en vroeg-moderne steden. Een studie van 1380 archeologische rapporten van opgravingen in Nederland uit de periode 1997 tot en met 2017 toont aan dat de stadslandbouw ook in het archeologisch bodemarchief zijn sporen heeft nagelaten. Zo zijn in verschillende historische steden resten van boerderijen, afgedekte akkers, bodemverbeteringssporen, mestkuilen, paarden- en veestallen en dierenkooien vastgesteld. Uit deze archeologische resten kan worden afgeleid dat verschillende vormen van stedelijke landbouw (veeteelt, akkerbouw en tuinbouw) hebben bijgedragen aan een zekere mate van zelfredzaamheid voor veel stadsbewoners.49
IJsselstein werd regelmatig door branden en plunderingen geteisterd waardoor gebouwen werden verwoest of afgebroken en opnieuw opgebouwd. Hierdoor zijn in IJsselstein, net als in de meeste andere oude Nederlandse steden, ophogingspakketten op de natuurlijke afzettingen ontstaan. Enkele waarnemingen geven de indruk dat de basis van het ophogingspakket ter plaatse van de oeverafzettingen op ca. 1,0 m + NAP ligt (ca. 1,8 m -mv) en ter plaatse van de komafzettingen rond 0,3 m +NAP (ca. 1,7 m- mv).50
3.4.3 Archeologische gegevens
Sinds 2011 zijn in het onderzoeksgebied 32 onderzoeken aangemeld in Archis.51 Het gaat met name om bureauonderzoeken, verkennende booronderzoeken en opgravingen in de variant archeologische begeleiding. Hieronder worden de resultaten van deze onderzoeken kort besproken. Voor de ligging en omschrijving van de hierbij genoemde vindplaatsen, AMK-terreinen en onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen 1 tot en met 4 en kaartbijlage 5.
Binnen de historische stadskern (AMK 12071) zijn verschillende waarnemingen gedaan. Het merendeel van de onderzoeken van na 2011 zijn in het zuidwestelijke kwart van de stadskern gelokaliseerd. Op basis van twee booronderzoeken (onderzoekscatalogusnrs. 83 en 115), zes archeologische begeleidingen (onderzoekscatalogusnrs. 97, 112, 128, 155, 180 en 195) en een proefsleuvenonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 193) kan de bodemopbouw hier als volgt worden gereconstrueerd: de top bestaat uit het ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte van dit pakket varieert, maar kan wel zo’n 1,5 m dik zijn en tot 1,8 m onder het maaiveld (2,7 m -NAP) reiken.52 Hieronder bevinden zich doorgaans kleiige en venige komafzettingen die op 3,5 tot 4,5 m – mv over gaan in oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.53
De gravende onderzoeken beperkten zich voornamelijk tot het ophogingspakket. In enkele smalle sleuven en een kleine bouwput zijn muurresten van waarschijnlijk 19e eeuwse gebouwen en de fundering van een brandspuithuisje uit de eind 19e, begin 20e eeuws gevonden. Het brandspuithuisje bleek gefundeerd op – en opgebouwd is uit bakstenen van – de voormalige hoektoren van de stadsmuur.54 In proefsleuven langs de Molenstraat zijn (delen van) twee ronde torenfunderingen uit de 14e/15e eeuw en een deel van de stadsmuur teruggevonden (op 0,66 en 0,19 m +NAP).55 Op ongeveer dezelfde locatie zijn bij een begeleiding funderingen van verschillende huizen uit de 16e - 20e eeuw en een rosmolen van een grutterij uit de eerste helft van de 19e eeuw aangetroffen.56 Ter plaatse van het Koningshof zijn in de natte en slappe veen- en kleiafzettingen (0,7 tot 1,2 m -mv) de oudste sporen gevonden: 13e en 14e eeuwse percelering in de vorm van vlechtwerkwanden en een sloot met bijbehorende aardewerk- en metaalvondsten. Dit duidt erop dat het gebied toen al wel in gebruik was, waarschijnlijk als weiland en erf. Vanaf waarschijnlijk het midden van de 14e eeuw wordt het gebied (net als de rest van historisch IJsselstein) beter geschikt gemaakt voor bewoning door een ophogingspakket aan te brengen. Uit deze periode tot in de 17e eeuw zijn enkele restanten van muurfunderingen gevonden. Daarnaast zijn in totaal veertien beerputten uit de 17e tot 19e eeuw gevonden, waarvan tien vondsten van huisraad bevatten die als afval zijn weggegooid.57
Tijdens begeleidingen langs de Walkade zijn 23 begravingen en resten van een muur aangetroffen. De begravingen maken deel uit van het kerkhof van de Rooms‐Katholieke (schuil)kerk aan de Havenstraat dat teruggaat tot 1635. Het kerkhof dateert evenwel pas uit de periode 1822‐1829.58 Bij de meeste in het zuidwestelijke kwart gelegen onderzoeken is sprake van een beperkte onderzoeksdiepte waardoor het merendeel van de archeologische resten in situ bewaard is gebleven (kaartbijlage 8).
In het noordoosten zijn aan de Walkade een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 161) en een archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr. 164) uitgevoerd. Binnen 3,0 m ‐mv bestaat de bodemopbouw uit antropogene lagen (grachtvullingen, omgewerkte en laatmiddeleeuwse stadsophogingspakketten), natuurlijke afzettingen zullen dieper dan 3,0 m liggen.59 Bij het uitgraven van de bouwput zijn binnen 1,5 m -mv een gedeelte van de stadsmuur, afgebroken muurrestanten en twee bakstenen poeren aangetroffen. De restanten zijn gelegen tussen 0,78 en 0,52 m +NAP. De verwachte stadsgracht ligt waarschijnlijk dieper dan de ontgravingsdiepte en is niet in beeld gekomen.60
Een booronderzoek in het westen (onderzoekscatalogusnr.: 102) laat zien dat hier het bovenste deel van de bodem bestaat uit laatmiddeleeuwse en Nieuwetijdse ophogingslagen (met o.a. houtskool, fragmenten puin, aardewerk, leisteen en glas) die rond 1,5 m ‐mv overgaan in komklei.61 De hierop volgende archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr.: 171) betrof werkzaamheden die niet dieper gingen dan 0,3 m en leverde daardoor geen nieuwe informatie op.62
Centraal in de historische kern is bij de archeologische begeleiding van de herinrichting van Vingerhoekhof (aanleg nieuwe riolering en afvalcontainers) een voormalig achtererf middels enkele zeer smalle sleuven onderzocht (onderzoekscatalogusnr.: 196). De bodem ter plaatse bestaat uit historische ophogingslagen met vanaf 1,3 m -mv kleiige en venige komafzettingen. Aangetroffen is een kuil (uitbraaksleuf?) uit de 16e‐17e eeuw. Eerdere bouw‐ en sloopwerkzaamheden (eind 20e eeuw) hebben er waarschijnlijk voor gezorgd dat ondiepe sporen niet meer aanwezig zijn. Diepere sporen (beer‐ en waterputten, afval‐/mestkuilen en diepe paalkuilen kunnen in de omgeving nog wel verwacht worden.63
Ter hoogte van het kasteelterrein en omgeving zijn enkele inventariserende onderzoeken uitgevoerd. Op het kasteelterrein zelf, dat een beschermde status heeft, gaat het om een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 152) en een archeologische begeleiding van de herinrichting van het kasteelpark (onderzoekscatalogusnr. 170). Tijdens het booronderzoek zijn -niet geheel onverwachts- resten van funderingen van het kasteel en ondoordringbare puinresten vastgesteld.64 De archeologische begeleiding heeft een goed beeld van de bodem en de aanwezige archeologische resten opgeleverd. De natuurlijke bodemopbouw ter hoogte van het kasteel bestaat uit oeverafzettingen waarvan de top rond 1,6 m NAP ligt. Hierop is een 1,2 m dik ophogingspakket aanwezig dat vanaf de 12 eeuw is ontstaan. Binnen het pakket zijn onderin een brandlaag uit de 12e‐13e eeuw) en rond 0,7 m -mv een bodem/laklaag (uit 13e/ begin14e eeuw) aangetroffen op 2,1 m NAP. De oudste sporen zijn ongeveer vanuit het midden van het ophogingspakket ingegraven (waterput en uitbraaksporen). Centraal in het onderzoeksgebied gebied zijn bewoningssporen aangetroffen (waterput, afvalkuilen, paalspoor en uitbraaksporen) uit de oudste fase van het kasteel IJsselstein (vlak voor de verwoesting in 1417). Daarnaast zijn funderingsresten en twee waterputten aangetroffen die samenhangen met de herbouw uit ca. 1477 (Gevangenentoren, poortgebouw en woonvertrekken), de kasteelommuring uit ca. 1478 en latere ommuringen (tussen de Gevangenentoren en de Loyertoren:15e eeuw tot 1765 en tussen de Kleine toren en de Gevangenentoren: 19e eeuw?), alsmede van latere dichtzettingen (bij het poortgebouw). Met betrekking tot de archeologische kwaliteit van het kasteelterrein is vastgesteld dat met name centraal sprake is van een min of meer intact spoorniveau uit de kasteelfase van vóór de verwoesting in 1417. Van de herbouwfase zijn ondank een grondige uitbraak van de funderingen toch relatief veel funderingsresten overgebleven. Met name in het zuidoosten lijken de fundering van het poortgebouw met woonvertrekken relatief goed bewaard gebleven. De waterputten zijn vrijwel intact en zeker de dieper vullingen daarvan.65
In het gebied ten noorden van het kasteelterrein staan in Archis een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 174) en een archeologische begeleiding van de sloop van een schoolgebouw (onderzoekscatalogusnr. 192) geregistreerd. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de recent geroerde bovengrond (dikte ca. 0,5 m) een antropogeen ophogingspakket ligt dat stamt uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De basis van dit pakket ligt tussen 0,95 en 1,8 m -mv, eronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg. In het historische ophogingspakket en de top van de oeverafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn die samenhangen met de historische kern van IJsselstein, kasteel IJsselstein, de nabijgelegen Touwslagerij ‘De Drie Vrienden’ en de Hofkamp (moestuinen). In de top van de oeverafzettingen zijn daarnaast resten uit het neolithicum tot de vroege middeleeuwen te verwachten.66 De archeologische begeleiding van de sloop van de in het plangebied aanwezige gebouwen heeft aangetoond dat ter plaatse van de Fatimaschool de bodem over grote delen tot in de oeverafzettingen was verstoord waardoor geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Elders in het plangebied kunnen deze nog wel aanwezig zijn, bijvoorbeeld de oude kasteelgracht in het zuiden van het plangebied.67
Bij een archeologische begeleiding direct te noordwesten van het kasteelterrein zijn de kasteelgracht en enkele paalsporen en puinconcetraties uit de Nieuwe tijd aangetroffen (onderzoekscatalogusnr. 212). De archeologische niveaus bleken hier nog goed bewaard gebleven.
Bij de inventarisatie zijn ook enkele onderzoeken in de Nieuwpoort meegenomen. In dit deel van de stad zijn vanaf 2012 een bureauonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 154)68, twee verkennende booronderzoeken (onderzoekscatalogusnr. 96 en 163),69 en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekscatalogusnr. 121).70 Het verkennende onderzoek in het zuiden van Nieuwpoort geeft aan dat de bodem hier in (sub) recente tijden tot 0,7-1,0 m -mv sterk is geroerd. Daaronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Wiersch, vanaf 1,6 m -mv komafzettingen met veenlagen en vanaf ca. 3,3 m -mv oeverafzettingen van de Benschop stroomgordel. Het boor- en proefsleuvenonderzoek in het noordoosten laat zien dat de oeverafzettingen van Wiersch hier vanaf 0,7 m – mv voorkomen en worden afgedekt door een ophogingspakket dat waarschijnlijk samenhangt met de nieuwbouw in de jaren ’50 en ’60. De bovenste 0,5 – 1,0 m van de oeverafzettingen waren zwaar verstoord. Bij geen van de onderzoeken in Nieuwstad zijn resten van historische ophogingslagen aangetroffen. Ook andere archeologische indicatoren ontbreken.
Uit onderzoek (onderzoekscatalogusnrs. 106 en 114) op het voormalige kloosterterrein in het noordelijk deel van Nieuwpoort zijn de historische ophogingslagen nog redelijk tot goed intact aangetroffen. De bovenzijde van deze archeologische laag ligt rond 0,5 m ‐mv.71
3.4.4 Historisch centrum
Tijdens het bureauonderzoek dat als basis diende voor de eerste archeologische verwachtingenkaart van de historische kern van IJsselstein (uit 2004), is vastgesteld dat hier de kans om archeologische resten aan te treffen in principe groot is. Op basis van de bekende archeologische gegevens en de verwachte archeologische waarden is op de verwachtingskaart wel een nuancering aangebracht tussen zones met een lage en een hoge archeologische verwachting.
Het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied is aangegeven als gebied met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied kunnen sporen uit verschillende perioden worden aangetroffen. Hierin kan een tweedeling worden gemaakt: de pre-stedelijke bewoning en de stedelijke bewoning (inclusief het kasteel en het klooster). De pre-stedelijke bewoning (vermoedelijk agrarische nederzettingen) kan op dieper gelegen oevers worden verwacht (kaartbijlage 6). Omdat deze natuurlijke afzettingen relatief diep liggen (vanaf ca 1,8 m -mv) is de kans aanwezig dat archeologische resten op dit niveau in grote delen nog goed zijn geconserveerd. Uit de stedelijke bewoningsfase kunnen daar waar in het recente verleden geen bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden overal bewoningsresten worden aangetroffen, daterend vanaf het eind van de 13e eeuw (kaartbijlage 9). Bewoningsresten kunnen direct onder het maaiveld tot een diepte van grofweg 1,8 m aanwezig zijn. Het gaat dan om kasteel, kerk- en kloostergebouwen, begravingen rondom de N.H. Nicolaaskerk, woonhuizen, ambachtshuizen, moestuinen en dergelijke. Bij de huizen hebben bijgebouwen, waterputten, beerputten, perceelsgreppels en afvalkuilen gelegen.
De gebieden met een lage archeologische verwachting betreffen allereerst gebieden waar recent nieuwbouw is gepleegd. Deze nieuwbouw is gedeeltelijk dieper gefundeerd (na 1950 door middel van heipalen) waardoor het bodemarchief ter plaatse (vrijwel) is verstoord. Ten tweede hebben de delen van de stads- en kasteelgracht die in de 19e eeuw zijn gedempt een lage verwachting omdat hier alleen stadsafval uit de (late) 19e eeuw worden aangetroffen. Als laatste hebben oude opgravingsputten een lage verwachting op de kaart meegekregen omdat op deze plaatsen het bodemarchief tot op de natuurlijke ondergrond al is verdwenen.
Tijdens het bureauonderzoek in het kader van de actualisatie 2011 van het archeologiebeleid, is de verwachtingswaarde van de wegen binnen de stadskern waar riolering onder de weg aanwezig is, naar ‘laag’ bijgesteld omdat tussen 2004 en 2011 archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij de aanleg van de riolering de meeste archeologische resten verloren zijn gegaan.
De onderzoeken van na 2011 bevestigen het beeld dat uit eerdere onderzoeken van de bodemopbouw bestaat. In de hele historische binnenstad (historische kern, kloosterterrein en kasteelterrein) is sprake van een ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte ervan varieert, maar kan wel zo’n 1,8 m bedragen. Hieronder bevinden zich in het westen oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg en in het oosten oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Tussen en onder beide stroomgordels zijn komafzettingen vastgesteld. In het westen gaan de komafzettingen tussen 3,5 tot 4,5 m – mv over in oeverafzettingen van de stroomgordel van Benschop (zie kaartbijlage 6). Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de centrale komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.
De onderzoeken van na 2011 bevestigen ook de hoge archeologische waarde van de historische binnenstad. Bij het merendeel van het hier uitgevoerde gravende onderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen die samenhangen met de bewoning uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van drie onderzoeken kan de archeologische verwachting van betreffende onderzoeksgebieden van hoog naar laag worden bijgesteld (zie kaartbijlage 8). Het gaat om het gebied van onderzoekscatalogusnr. 121 waar diepe verstoringen tot ver in de natuurlijke afzettingen zijn vastgesteld, de locatie van de voormalige Fatimaschool die door de aanleg ervan eveneens diepe bodemverstoringen kent (onderzoekscatalogusnr. 192), en een deel van het onderzoeksgebied Koningshof dat tot in de natuurlijke afzettingen is onderzocht (onderzoekscatalogusnr. 180). De resultaten van de andere onderzoeken geven geen aanleiding om de verwachtingswaarde ook elders in de historische binnenstad aan te passen.
De onderzoeken van na 2011 maken het als laatste niet noodzakelijk om het gebied van Nieuwstad aan het historische centrum toe te voegen. Geen van de onderzoeken heeft voor deze mislukte stadsuitbreiding aanwijzingen voor een historisch ophogingspakket of andere aanwijzingen voor stedelijke bebouwing opgeleverd.
3.5 Modern oorlogserfgoed
A.V.A.J. Bosman (Military Legacy)
3.5.1 Inleiding
De laatste decennia is steeds meer aandacht gekomen voor archeologische resten van modern oorlogserfgoed. Hiermee wordt vooral dat erfgoed dat aan oorlog of de voorkoming daarvan of voorbereiding op kan worden gekoppeld. Met name wordt hier met modern de periode tussen 1870 en 1991 bedoeld. Dit is de periode die aanvangt met nieuwe fortenbouw en een verandering in het verdedigend concept van Nederland. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Tevens is dit de periode van de toenemende industrialisatie, wat zijn effecten heeft op bewapening, munitie en vervolgens wijze van oorlogsvoeren. En tenslotte is het de eerste van een reeks van algemene mobilisaties van het Nederlandse leger. De eerste vanwege de Frans-Duitse oorlog.
De periode eindigt in 1991 met het eindigen van de Koude Oorlog na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de belangrijkste macht binnen het Warschaupact oftewel het Oostblok. Sinds 1949 was er een constante dreiging, vanwege een veronderstelde aanval van dat Oostblok op de vrije Westerse wereld, dat zich had samengebundeld binnen de NAVO. De dreiging heeft geleid tot voorbereidingen op een strijd, die gelukkig niet gekomen is.
Anders was dat voor de twee mobilisaties na de eerste. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de Nederlandse krijgsmacht vier jaar lang gemobiliseerd geweest. Er zijn voorbereidingen geweest tegen een eventuele inval van elk der strijdende partijen. Niet alleen is door de wereldoorlog de internationale handel en voedselvoorziening ernstig in de war gelopen, de langdurige afwezigheid van jonge gemobiliseerde en economisch van vitaal belang zijnde mannen, is ook een ernstige inbreuk geweest op de welvaart.
De mobilisatie en voorbereiding in augustus 1939 zou wel leiden tot strijd in mei 1940. Vervolgens is Nederland nadat het bezet werd door de Duitsers oorlogsterrein geweest. Niet dat er constant op het land gevochten werd, dat was wel het geval in de lucht boven ons en in de territoriale wateren. In de periode ná mei 1940 tot aan vijf jaar later zouden met name de Duitsers, al dan niet bijgestaan door Nederlandse ondernemers en werklui zich voorbereiden om de macht in handen te houden.
Alle bovengenoemde perioden hebben geleid tot bijvoorbeeld bouwwerken, stellingen, inundatievoorbereidingen, opslagplaatsen, kazernes en oefenterreinen. De strijd heeft daarnaast ook zijn sporen achter gelaten. Al heel lang is er aandacht voor gebouwde monumenten. Maar dat daaraan of soms zelfs geheel los daarvan ook sporen in de bodem al dan niet voorzien van vondsten, gekoppeld kunnen worden, is pas recent erkend. Op basis van enkele wetenschappelijke studies is het belang van behoud en beheer van dergelijke sporen en vondsten, om ze te kunnen veiligstellen voor (toekomstig) onderzoek, expliciet gemaakt.72
Het bureauonderzoek waarin het modern oologserfgoed in de gemeente IJsselstein is geïnventariseerd, is als bijlage 6 achter in het rapport opgenomen.
3.5.2 Kaartlaag Relicten modern oorlogserfgoed
Op basis van de in bijlage 6 beschreven historische feiten en locaties is de kaartlaag “Relicten modern oorlogserfgoed” voor het gemeentelijk archeologisch beleid van IJsselstein opgesteld (kaartbijlage 10). Er is geen laag voor de periode 1870-1914, noch voor die van 1914-1918 of de Koude Oorlog. Alle aangegeven locaties hebben betrekking op de periode 1939-1945. Voor de verschillende elementen geldt de volgende verwachting op de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten.
|
Element |
Te verwachten resten |
Opmerkingen |
|
1 Aarden wal |
Niet of nauwelijks |
Op AHN niet te zien |
|
2 Inundatiegebied 1944-1945 |
Niet of nauwelijks |
|
|
3 Anti- tankgracht |
Gracht met vondsten |
|
|
4 Luchtafweerstelling 8,8 cm |
Ingegraven stellingen met vondsten |
|
|
5 Crashlocatie |
Vliegtuigresten |
|
|
7-8 Zones met bominslagen mogelijke versterkingen bij bruggen |
Bomkraters met resten en ingegraven stellingen met vondsten |
Buiten gemeentegrens |
3.6 Uitbreidingswijken
Tot het midden van de 20ste eeuw is het laatmiddeleeuwse aanzicht van IJsselstein vrijwel onveranderd gebleven met de rechthoekige vorm van de omgrachte stad en het hoofdzakelijk agrarische buitengebied. Na de Tweede wereloorlog is de directe omgeving van de historische stad drastisch getransformeert naar een grootschalig stedeijk gebied. IJsselstein werd een van de belangrijkste groeikernen van de provincie Utrecht met een bebouwd oppervlak dat tientallen malen groter is dan het vooroorloogse IJsselstein. De eerste nieuwe woonwijken werden in de periode van de wederopbouw in de jaren ’50 en ‘60 (bijvoorbeeld de wijken De Nieuwpoort en het Kasteelkwartier), in de deccenia erna gevolgd door nog een flink aantal nieuwe wijken (o.m. Oranje- en Europakwartier, IJsselveld, Groenvliet, Achterveld, Zenderpark) en industrieterreinen (De Corridor, Over-Oudland en Lagedijk).73
De aanleg van de woonwijken ging gepaard met grootschalige bodemingrepen en ophogingen. De mate waarin deze geleid hebben tot diepe bodemverstoringen is afhankelijk van de toegepaste bouwwijze. Gebieden met zware verstoringen zijn te verwachten ter plaatse van rioleringen en diep gefundeerde en onderheide bebouwing. Daar staat tegenover dat ongestoord bodemarchief kan voorkomen ter plaatse van groenstroken, ondiep gefundeerde bebouwing, wegen en parkeerplaatsen. Kenmerkend aan het bodemarchief in deze wijken is dat zwaar verstoorde en vrijwel onverstoorde bodem op korte afstand van elkaar kunnen liggen.
Figuur 3-10. Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein.
4 De Archeologische verwachtingskaart
4.1 Algemeen
Archeologische waarden en archeologische verwachting
Archeologische vindplaatsen (of algemener gesteld: 'archeologische waarden') bestaan uit resten en grondsporen die zich in de bodem bevinden. Vaak zijn de archeologische waarden onzichtbaar.74 Door deze onzichtbaarheid zijn archeologische waarden ook kwetsbaar en kunnen bodemingrepen onmerkbaar leiden tot vernietiging van archeologische waarden. Wat archeologische waarden extra kwetsbaar maakt, is dat het archeologisch bodemarchief na aantasting niet meer hersteld kan worden: wat weg is, is voorgoed weg. Behalve dat het bodemarchief een bron van informatie en kennisvergaring voor de wetenschap vormt, dragen het archeologisch bodemarchief en cultuurhistorische waarden ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Om deze redenen is een goede bescherming van het archeologisch bodemarchief via gemeentelijk archeologiebeleid noodzakelijk.
Met het begrip archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten bedoeld. Een archeologische verwachtingskaart geeft per kaarteenheid een indicatie van de verwachte kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen (met name nederzettingsterreinen). De verwachtingskaart vormt de grafische weergave van een verwachtingsmodel. Aan de kaarteenheden is voor elke periode een archeologische verwachting toegekend, dit betreft een ordinaal onderscheid variërend van hoog, middelhoog of laag. Het betreft bovendien een kwalitatieve indeling die niet onderbouwd is met de spreiding en dichtheid van bekende vindplaatsen (deductief model). De onderscheiden verwachtingen kunnen als volgt worden vertaald:
- -
Een hoge verwachting betekent de hoogste kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen ;
- -
Een middelhoge verwachting impliceert dat in deze zones archeologische vindplaatsen worden verwacht, maar met een lagere kans dan in de zones met een hoge verwachting;
- -
Een lage archeologische verwachting impliceert dat de kans op aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (zeer) klein wordt geacht. De kans hierop wordt evenwel niet uitgesloten;
Het verwachtingsmodel
Het verwachtingsmodel is gebaseerd op het principe dat archeologische vindplaatsen niet willekeurig verspreid liggen in het vroegere landschap, maar dat deze gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen.75 Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op een statistische analyse van de ligging van de bekende vindplaatsen (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). Om een goed onderbouwd, statistisch verwachtingsmodel te krijgen is een grote en representatieve dataset nodig; dit is bij gemeentelijke verwachtingskaarten vrijwel nooit het geval.
De deductieve benadering leunt op meer algemene kennis over vroegere samenlevingen. Hoe werd het landschap gebruikt? In welke delen van het landschap lagen de nederzettingen, welke delen werden gebruikt voor andere activiteiten? Door algemene kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen te combineren met landschappelijke gegevens (welk type vindplaats ligt in welk type landschap) kunnen aan de gekarteerde landschappelijke eenheden (bijv. een oeverzones, komgebieden, veengebieden e.d.) archeologische verwachtingen worden toegekend.
Voor een archeologische verwachtingskaart worden voornamelijk locatiekeuzefactoren gebruikt die betrekking hebben op de bestaanseconomie. Om deze reden heeft de verwachtingskaart alleen betrekking op vindplaats typen als nederzettingen en - in mindere mate - akkerarealen. Hoewel andere aspecten (politieke, strategische, religieuze en/of sociale overwegingen) ook een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de locatiekeuze, is het (m.n. voor de prehistorie) lastig om deze aspecten te incorporeren in een verwachtingsmodel.
Door de veranderingen die het landschap in de loop van de voorbije millennia heeft ondergaan, kan de archeologische verwachting van een landschappelijke eenheid door de tijd heen veranderen: wat een prima nederzettingslocatie was in de ijzertijd, vormde gedurende de vroege middeleeuwen niet noodzakelijkerwijs nog steeds een goede woonplek.
Beperkingen
De basis voor de archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlagen 2 en 6). Aan de verschillende landschappelijke eenheden is voor de perioden laat paleolithicum/mesolithicum, neolithicum/bronstijd, ijzertijd/Romeinse tijd en vroege middeleeuwen een archeologische verwachting toegekend. De vindplaatsen uit de (late middeleeuwen en) Nieuwe tijd worden niet 'gedekt 'door de landschappelijke eenhedenkaart. Achterliggende reden hiervoor is dat men vanaf de late middeleeuwen in steeds sterkere mate ingreep in het natuurlijk landschap. De bewoonbaarheid of gebruiksmogelijkheden liet men steeds minder bepalen door de natuurlijke (terrein)gesteldheid.
Zo werden in de loop van de late middeleeuwen de voorheen onbewoonbare veengebieden in cultuur gebracht. Waar de vroegste veenontginningen gedicteerd werden door het natuurlijke landschap – veenkoepels en veenriviertjes bepaalden de ligging van de ontginningslinten - zetten de latere ontginners het landschap in de loop van de eeuwen juist naar hun hand. De bewoningsmogelijkheden werden vanaf toen niet meer bepaald door mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood, maar werden gecreëerd door een rationele verkaveling en ontwatering van het gebied. Kades en dijken zorgden ervoor dat lager gelegen gebiedsdelen, die gedurende natte perioden voorheen onder water kwamen, grotendeels gevrijwaard bleven van overstromingen. Met de opkomst van bemaling door windmolens konden vanaf de 17e eeuw niet alleen kleine plassen, maar ook grote binnenmeren worden drooggemaakt, ingepolderd en ingericht. De archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom niet zozeer gebaseerd op landschappelijke ondergrond, maar vooral op een combinatie van archeologische en historisch-geografische gegevens (kaartbijlagen 4 en 9).
Attentiegebieden
Naast de drie verwachtingsklassen, staat er op de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2) nog een vierde categorie: attentiegebieden. Een attentiegebied is een relatief gaaf deel van een zone met een zeer hoge verwachting en een hoge dichtheid aan samenhangende vindplaatsen. Feitelijk gaat het om archeolandschappen die door hun rijk en gaaf bodemarchief zich kenmerken door een hoog archeologisch onderzoekspotentieel. Het doel van een attentiegebied is om bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek te garanderen. Er worden immers archeologische resten van een zeer hoge fysieke en inhoudelijke kwaliteit verwacht.
4.2 Archeologische verwachtingen
4.2.1 Laat-pleistocene landschap
Het pleistocene oppervlak in de ondergrond bestaat in het noordelijk deel van de gemeente IJsselstein uit dekzanden die als een dunne laag uitwiggen op de onderliggende pleistocene rivierafzettingen. De bovenzijde van de pleistocene afzettingen bevindt zich tussen 4 en 8 m -NAP, de afzettingen liggen het hoogst in het noordelijk deel van de gemeente en hellen geleidelijk af in zuid(westelijk)e richting.
Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de grondwatercurves voor West-/Midden-Nederland kan een globale indruk worden verkregen van het 'tijdstip' (periode) waarop het laat-pleistocene landschap als gevolg van de zeespiegelstijging vernatte en overgroeide raakte met veen.76 Logischerwijs begon de verdrinking in de laagste delen en schoof deze in de loop van de tijd op naar de hoger gelegen delen van het (dek)zandlandschap. Aangenomen kan worden dat de verdronken gebiedsdelen ongeschikt (want te nat) waren voor bewoning. Uitgaande van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (4 tot 8 m -NAP), is het pleistocene landschap globaal tussen 7000 en 5000 jaar geleden verdronken en overgroeid geraakt met veen. Dit betekent dat de laagste delen van het (dekzand)landschap aan het einde van het mesolithicum ongeschikt raakten voor bewoning. De hoogste delen waren mogelijk nog bewoonbaar tot in de loop van het neolithicum.
De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het laat pleistocene (dek)zandlandschap. Met name ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen) hebben een hoge correlatie met de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars. In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand.
De beschikbare geologische gegevens (boringen) zijn te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van (de intactheid, opbouw en het reliëf van) de pleistocene ondergrond te krijgen (vgl. paragraaf 3.2.2). Desondanks is het zeker dat (delen van) het afgedekte dekzandlandschap bewoond zijn geweest door jager-verzamelaars. Verschillende geologische boringen laten zien dat het dekzand ter hoogte van de komgebieden (en de “zwevende” oevers en crevassen; zie paragraaf 3.2.2) is afgedekt door een dunne laag basisveen, wat impliceert dat het onderliggende pleistocene landschap hier vermoedelijk nog grotendeels intact is (paragraaf 3.2.2; Figuur 3-3). Voor deze gebieden geldt (afhankelijk van de specifieke ligging binnen het paleoreliëf van het dekzandlandschap) een lage tot hoge archeologische verwachting. Omdat het verloop van het reliëf slechts globaal bekend is, gaan we voor deze zones in kaartbijlage 2 uit van een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars.
Ter hoogte van de holocene stroomgordels (Figuur 4-1) is het laat-pleistocene landschap, ten gevolge van erosie, zeer waarschijnlijk niet meer intact (Figuur 3-3). Voor deze zones wort uitgegaan van een lage archeologische verwachting.
Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap.
Los van (het probleem ten aanzien van) de specifieke archeologische verwachting, geldt in algemene zin dat de (met een meters dik pakket veen en klei) afgedekte vindplaatsen van jager-verzamelaars relatief lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging zijn ook de vindplaatskenmerken – het ontbreken van een cultuur-/vondstlaag, de geringe omvang en de veelal lage vondstdichtheid – hier debet aan. Tegenover deze beperkingen staat dat het dieper gelegen niveau zelden door (omvangrijke) bodemingrepen wordt bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook beperkter dan bij vindplaatsen uit recentere perioden die zich ondiep onder het maaiveld bevinden. Om deze reden is onderscheid gemaakt tussen relatief ondiep (binnen circa 5 m -mv) en diep gelegen dekzandlandschap (Figuur 4-1 en kaartbijlage 2). Dit onderscheid impliceert geen principieel verschil in archeologische verwachting. Wel is het een (grove) indicatie voor de kans dat het onderliggende pleistocene landschap wordt aangetast bij bodemingrepen (uiteraard hangt dit vooral af van de specifieke ingreep) en is deze (diepte)maat ingegeven door praktische onderzoeksmogelijkheden/-beperkingen.
4.2.2 Rivierenlandschap
Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).77 De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen.
Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever- en) beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen):
- -
Het oudste rivierenlandschap;
- -
Het oude rivierenlandschap;
- -
Het jonge rivierenlandschap;
- -
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het .
Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden.
Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum)
Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper).
Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
- -
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
- -
Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd;
- -
Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen).
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein.
Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd)
Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen (1982) terug te vinden. Ze blijken ook in het AHN-beeld te herkennen aan een iets hogere ligging. Het kaartbeeld is op basis van AHN aangevuld met een enkele smalle crevasse.
De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden tussen circa 1,0 tot 0,0 m -NAP (ca. 1,5 – 0,5 m -mv). Ter hoogte van de meandergordels van het oude rivierenlandschap is het oudste rivierenlandschap weg geërodeerd.
Ten aanzien van die delen van het oude rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels en corresponderende oeverzones en crevassen geldt:
- -
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
- -
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
- -
Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden.
Jonge rivierenlandschap (ijzertijd - vroege middeleeuwen)
Bepalend voor het landschapsbeeld gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (tot aan de bedijking) waren de activiteiten van de Hollandse IJssel en van de Lek. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. De bovenzijde van de beddingafzettingen kunnen al worden aangetroffen binnen 1,0 m -mv. Opvallend is dat de Hollandse IJssel vrijwel geen oeverafzettingen buiten de meandergordel heeft afgezet. Op het AHN-beeld, maar ook uit de gedetailleerde paleogeografische kaarten van Berendsen (1982) is op te maken dat de zandbaan op de meeste plaatsen direct grenst aan zware komkleiafzettingen. Het lijkt er dan ook op dat de Hollandse IJssel zich in de actieve fase zich maar weinig verticaal heeft opgebouwd en dan enkele binnen de meandergordel. De grote hoogteverschillen met direct aangrenzende komgebieden zijn vermoedelijk het resultaat van latere differentiële klink. Slecht op één locatie (polder IJsselveld) is op basis van AHN-beeld en boringen uit het DINO-loket een oeverzone gekarteerd buiten de meandergordel van de Hollandse IJssel. Op de kaart van Berendsen is hier een dijkdoorbraakafzetting weergegeven, maar daarvoor zijn op historische kaarten, noch uit beschikbare boorprofielen aanwijzingen te vinden.
Ten aanzien van die delen van het jongste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
- -
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
- -
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Grote delen van de meandergordel van de Hollandse IJssel zijn in de Nieuwe tijd afgeticheld voor de steenbakkerijen (zie verstoringen).
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (volle middeleeuwen - heden)
Na de afdamming van de Hollandse IJssel in 1285 (De Dam bij het Klaphek) waren er behalve de Lek geen stroomgordels meer actief binnen de gemeente IJsselstein. Samenhangend met de jaarlijkse overstromingen waren (en zijn) de uiterwaarden van de Lek na bedijking niet bewoonbaar. De bedijkte geul van de Lek heeft oudere afzettingen binnen de dijken volledig opgeruimd.78 Derhalve geldt voor de uiterwaarden:
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
- -
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Komgebieden
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
De bovenstaande uiteenzetting van archeologische verwachtingen is samengevat in Tabel 4.1 (zie ook kaartbijlage 2):
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
Aan de basis van het pakket met veen- en komkleiafzettingen dient rekening te worden gehouden met een intact dekzandlandschap (zie paragraaf 4.2.1).
Zoals hierboven aangegeven vormde de top van de oeverafzettingen en crevassen veelal een oud stabiel bodemniveau waarop bewoning mogelijk was. Daarmee zijn deze niveaus in potentie de archeologische niveaus van de meandergordels. Op basis van de profielen bij de geomorfogenetische kaart blijkt dat dit niveau binnen 1 m boven de top van het beddingzand ligt.79 Op basis van de diepteligging van het beddingzand is in tabel 4.2 per rivierenlandschap de hoogste ligging van het archeologische niveau aangegeven.
|
Landschappelijke eenheid |
Archeologische periode en verwachting |
|||||
|
|
Laat mesolithicum-midden neolithicum |
Laat neolithicum - bronstijd |
IJzertijd-Romeinse tijd |
(Vroege) middeleeuwen |
||
|
Oudste rivierenlandschap (jager-verzamelaars/vroege landbouwers) |
||||||
|
meandergordel |
hoog |
middelhoog |
laag |
laag |
||
|
komgebied |
laag |
laag |
laag |
laag |
||
|
Oude rivierenlandschap (vroege landbouwers) |
||||||
|
meandergordel |
laag |
hoog |
hoog |
middelhoog |
||
|
komgebied |
laag |
laag |
laag |
laag |
||
|
oeverzone en crevasse |
laag |
hoog |
hoog |
middelhoog |
||
|
Restgeul |
laag |
hoog* |
hoog* |
middelhoog* |
||
|
Jonge rivierenlandschap (late landbouwers) |
||||||
|
meandergordel |
laag |
laag |
hoog |
hoog |
||
|
komgebied |
laag |
laag |
laag |
laag |
||
|
oeverzone |
laag |
laag |
hoog |
hoog |
||
|
Restgeul |
laag |
laag |
hoog* |
hoog* |
||
|
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (staatssamenlevingen) |
||||||
|
stroomgordel |
laag |
laag |
laag |
laag |
||
|
restgeul (huidige loop) |
laag |
laag |
laag |
laag |
||
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten).
|
Rivierenlandschap |
Top beddingzand (m -mv/ NAP) |
Top potentieel archeologisch niveau (m -mv/ NAP) |
|
Oudste |
2,0 m -NAP (2,5 m -mv) en dieper |
1,0 m -NAP (1,5 m -mv) en dieper |
|
Oude |
tussen 1,0 en 0,0 m -NAP (1,5 – 0,5 m -mv) |
0 tot 0,5 m +NAP (0 – 0,5 m -mv) |
|
Jonge |
tussen +0,5 en -0,5 m NAP (0 – 1 m -mv) |
0,5 m +NAP (0 m -mv) |
|
Lek |
- |
n.v.t. |
Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
4.2.3 AMK-terreinen
Van de AMK-terreinen is de archeologische waarde in de regel vastgesteld. Het gaat om terreinen van archeologische waarde, hoge archeologische waard en zeer hoge archeologische waarde. De wettelijk beschermde terreinen (de twee in IJsselstein gelegen Rijksmonumenten) vallen in de categorie terreinen van zeer hoge archeologische waarde. De overige AMK-vindplaatsen zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde.
4.2.4 Historische kern en historisch-geografische relicten
Op basis van historisch kaartmateriaal staat vast dat historisch-archeologische resten in de bodem van de gemeente IJsselstein aanwezig zijn, namelijk ter plaatse van historische bebouwing en andere historisch-geografische elementen. Het gaat om:
- -
De historische gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek;
- -
De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard;
- -
Historische erven in bewoningslinten;
- -
Waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen (kerk, kapel, molen, steenoven, galg, brug, dam en duiker)
- -
Historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) op de 18e eeuwse kaarten van Ketelaar (1769), Hattinga (1770) en de vroeg 19e eeuwse kadastrale minuutplans
- -
De locaties van gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten.
De historische kern en de historisch-geografische relicten zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde omdat de archeologische resten ervan, gecombineerd met historische bronnen, een hoge informatiewaarde hebben.
De begrenzing van de historische kern is uitgebreid behandeld in paragraaf 3.3.4. De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard, en de historische erven in de bewoningslinten zijn zoveel mogelijk begrensd aan de hand van de percelering op de vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen.
Bij de waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen, en de historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) kunnen in de bodem funderingen van de bebouwing worden verwacht maar ook resten van bijbehorende sporen (bijvoorbeeld graven ter plaatse van de kerken en kloosters, of bewoning bij een sluis). Omdat de locatie van de historisch-geografische elementen (door de soms beperkte nauwkeurigheid vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen) niet altijd met 100% zekerheid bepaald kan worden, en de ligging van de bijbehorende resten niet exact te voorspellen is, is bij de begrenzing van de historische objecten een bufferzone met een straal van 50 m rondom het object gehanteerd.
Ook rondom de gebouwde rijksmonumenten en de MIP-objecten kunnen bijbehorende archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is een bufferzone met een straal van 25 m gebruikt omdat de locatie van deze objecten wel exact bekend is.
De historische dijken en kades kunnen zelf als goed geconserveerde archeologische resten beschouwd worden. Omdat historische dijken en kades vaak over grote lengten bewaard zijn gebleven, en hun opbouw naar verwachting relatief uniform is, is aan deze lineaire elementen een iets lagere informatiewaarde toegekend. Daarom zijn de dijken en kades gerekend tot de terreinen van archeologische waarde. Voor de begrenzing een buffer van 20 m gehanteerd (= 10 m aan weerszijden van centrale as).
Naast de historische elementen waar in de bodem (vrijwel) zeker archeologische resten aanwezig zijn, zijn er enkele historische zones waar archeologische resten verwacht kunnen worden, maar dit niet zeker is. Allereerst gaat het om de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren. Deze zone heeft een hoge verwachtingswaarde meegekregen. Verder is aan de buiten de historische woonerven gelegen delen van de bewoningslinten een middelhoge verwachting toegekend. Weliswaar laten de 18e en 19e eeuwse kaarten hier geen bebouwing zijn, maar de aanwezigheid van oudere resten is niet uit te sluiten.
4.2.5 Historische waterbodems
De eenheid ‘historische waterbodems’ omvat die delen van het oppervlaktewater waar sporen van water-gerelateerde activiteiten en/of historisch gebruik verwacht kunnen worden in de waterbodem (kaartbijlagen 3 en 4). De verwachting heeft dus betrekking op archeologische resten in watergangen die gerelateerd zijn aan het historisch gebruik van het water of aan de bewoning in de onmiddellijke omgeving ervan. Hierbij kan gedacht worden aan resten van waterstaatkundige elementen (bruggen, dammen, sluisjes e.d.) en scheepsresten, maar ook aan materiaal van menselijke activiteiten die samenhangen met aangrenzende historische bewoning in de directe omgeving (afvaldumps, deposities, verloren objecten). Een belangrijk aspect bij de waterbodems is dat dergelijke ‘natte’ archeologische resten over het algemeen goede conserveringsomstandigheden kennen ten aanzien van organisch materiaal, waardoor het archeologisch informatiepotentieel hoog is.
Ondanks het beperkte aantal vondsten dat tot op heden in waterbodems is gedaan lijken deze niettemin relevant omwille van bovengenoemd informatiepotentieel. Door de verwachting voor (historische) waterbodems - met een daaraan gekoppeld regime – als eenheid toe te voegen aan de verwachtings- en beleidskaart, biedt in elk geval de mogelijkheid om het behoud van deze waarden bij ingrepen beter te reguleren.
Een hoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan:
- -
De historische stadsgrachten van de IJsselstein;
- -
De grachten van de versterkte huizen/boerderijen in het buitengebied (Stenen Kamer en Rijpickerwaard);
- -
Watergangen direct rondom en binnen historische erven in bewoningslinten;
- -
De watergangen direct rondom (al dan niet) verdwenen historische waterstaatkundige elementen (molens, sluizen, bruggen, dammen etc.). Hierbij is met betrekking tot de watergangen een bufferzone van 50 meter aangehouden rondom het desbetreffende element.80
Een middelhoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan:
- -
De watergangen in de delen van ontginnings- en bewoningsassen zonder aanwijzingen voor bewoning.
Het onderscheid tussen de zones met een hoge en middelhoge verwachting is gebaseerd op de verwachte kans op het aantreffen van archeologische resten in de waterbodem. In de zones met een hoge verwachting zijn de historische (bewonings-)activiteiten aangetoond op de locatie. Voor de ontginnings-/bewoningsassen met een middelhoge verwachting geldt dat historische (bewonings-)activiteiten niet overal zullen hebben plaatsgevonden.
Ten aanzien van het overige oppervlaktewater in de gemeente IJsselstein geldt geen afzonderlijke verwachting voor historische waterbodems, maar geldt de archeologische verwachting van de omliggende eenheid.
4.2.6 Modern oorlogserfgoed
In paragraaf 3.5 is aangegeven dat op het grondgebied van de gemeente IJsselstein archeologische resten van mogelijk drie elementen uit de periode 1939-1945 in de bodem aanwezig zijn. Deze elementen zijn gerekend tot de categorie terreinen van hoge archeologische waarde.
|
Element |
Te verwachten resten |
Toelichting |
|
3 Anti- tankgracht |
Gracht met vondsten |
Buffer van 10 m aan beide zijden |
|
4 Luchtafweerstelling 8,8 cm |
Ingegraven stellingen met vondsten |
|
|
5 Crashlocatie |
Vliegtuigresten |
|
4.3 Archeologische attentiegebieden
Binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein is één attentiegebied vastgesteld (kaartbijlage 2: attentiegebied I), ten zuidoosten van de bebouwde kom van IJsselstein. Hier bevindt zich in de top van de oeverafzettingen van de stroomgordels van Lage Dijk en Over Oudland een concentratie vindplaatsen uit de midden-bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd. De terreinen waarop de vindplaatsen liggen zijn op de AMK samengevoegd onder het Terrein van archeologische waarde met monumentnummer 12073. De betreffende vindplaatsen zijn ontdekt tijdens gravend onderzoek in het kader van de aanleg van de N210 (Lage dijk) en een nieuwe gemeentewerf in industrieterrein Oud-Overland. Langs de Lage dijk zijn nederzettingsresten uit de vroege ijzertijd en de Romeinse tijd opgegraven. Van de nederzetting uit de vroege ijzertijd is een transect blootgelegd met daarin de resten van twee boerderijen, enkele waterputten, greppels en heiningen (vindplaatscatalogusnr. 3).81
Van de Romeinse nederzetting is eveneens een doorsnede blootgelegd. Hierin zijn een boerderijplattegrond en een paardengraf aangetroffen (vindplaatscatalogusnr. 5). Enkele jaren later (in 2005) zijn op dezelfde locatie, bij de verbreding van een waterpartij, door een amateurarcheoloog fragmenten van Romeins aardewerk, baksteen (vermoedelijk delen van tegulae) en tefriet verzameld, alsmede een complete draadfibula (vindplaatscatalogusnr. 143). De nederzetting had haar bloeiperiode gedurende de 2e eeuw na Chr. en bestond al in de 1e eeuw na Chr. (Ter hoogte van de Romeinse nederzetting is tijdens de opgraving tevens een greppel uit de midden-bronstijd aangetroffen.82
Zo’n 250 m ten noorden van de nederzettingsresten is een grafveld uit de Romeinse tijd aangesneden. Binnen het opgravingsareaal zijn zes grafheuvels uit de 2e eeuw na Chr. blootgelegd. Opvallend is dat alle heuvellichamen intact en door latere afzettingen afgedekt bewaard waren gebleven. Tussen de grafheuvels bevond zich ook nog een boerderij uit de midden-bronstijd (vindplaatscatalogusnrs. 17, 21 en 22).83
De vindplaatsen bevinden zich op en in de oeverafzettingen van de Lage Dijkse en/of Over-Oudlandse stroomgordel. Ter hoogte van de vindplaatsen 17,21 en 22 bevindt zich in de top van de oeverafzettingen (ca. 1,0 m -mv) een vegetatieniveau dat in de midden-bronstijd tot Romeinse tijd het maaiveld vormde. Hierboven bevindt zich een pakket komklei van de Hollandse IJssel dat in de middeleeuwen en Nieuwe tijd is afgezet. Ter hoogte van de iets zuidelijker gelegen vindplaatsen 3 en 5 zijn in de oeverafzettingen twee archeologische niveaus aangetroffen. Het hoogste niveau betreft een vegetatieniveau in de top van de oeverafzettingen, op een diepte van 0,8 tot 1,0 m -mv, dat stamt uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Dit vegetatieniveau is in deze zone overal aangetroffen. Lokaal komt een tweede dieper gelegen vegetatieniveau voor (op 1,2 tot 1,5 m -mv) dat uit de bronstijd dateert.
In zuidelijke en zuidoostelijke richting hebben geen gravende onderzoeken plaatsgevonden maar geven enkele booronderzoeken wel een beeld in hoeverre de archeologische niveaus ook hier voorkomen (onderzoekscatalogusnrs. 9, 10 en 84).84 Het blijkt dat het ijzertijd- en Romeinse niveau in zuidelijke en zuidoostelijke richting zich over de volledige breedte van de Lage Dijk stroomgordel uitstrekt (vindplaatsen 8-10). Lokaal is hier ook het tweede, diepere niveau uit de bronstijd vastgesteld.85 In zuidoostelijke richting blijkt het niveau uit de ijzertijd en Romeinse tijd zelfs tot ruim 100 m buiten het gereconstrueerde verloop van de Lage dijk stroomgordel voor te komen (onderzoekscatalogusnr. 9; vindplaatscatalogusnr. 7).86 Het is onduidelijk bij welke stroomgordel de oeverafzettingen waarin het archeologisch niveau zich hier bevindt, horen.
Op grond van de onderzoeksgegevens is het attentiegebied als volgt begrensd: In westelijke richting valt de grens samen met de begrenzing van de Lage Dijk stroomgordel. In zuidoostelijke richting ligt de grens bij grote afgetichelde percelen. In het zuiden vormt de grens van onderzoekcatalogusnr. 10 de afbakening van het attentiegebied. In noordelijke richting is de grens getrokken bij de bebouwing van de industrieterreinen Lage Dijk en Over-Oudland. Hoewel in deze industriegebieden in het verleden archeologische resten uit de midden-bronstijd en Romeinse tijd zijn vastgesteld (vindplaatscatalogusnrs. 17, 21 en 22), is het aannemelijk dat de bouw van deze terreinen het ter plaatse aanwezige bodemarchief in hoge mate heeft verstoord.
5 De Archeologische beleidsadvieskaart
5.1 Algemeen
De archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlagen 11 & 12) is de ruimtelijke verbeelding van het voorgestelde archeologiebeleid. De kaart laat zien binnen welke gebieden in de gemeente IJsselstein welk beleid van toepassing is. Daartoe is op de beleidsadvieskaart een zestal beleidscategorieën onderscheiden (zie paragraaf 5.2). Een beleidscategorie is een afgebakend gebied met een specifiek beschermingsniveau voor de te verwachten archeologische waarden. Beleidscategorieën helpen de gemeente bij het uitvoeren van haar wettelijke taak op het gebied van archeologische monumentenzorg, en bieden helderheid aan initiatiefnemers (zoals projectontwikkelaars of particulieren) over wanneer archeologisch onderzoek verplicht is en in welke vorm. Daartoe zijn aan de beleidscategorieën regels of procedures gekoppeld die gevolgd moeten worden bij ruimtelijke ingrepen (zoals bouw- of graafwerkzaamheden). Zo zijn er regels (vrijstellingsgrenzen, zie paragraaf 5.3) die voorschrijven wat de maximale omvang (in termen van diepte en oppervlakte) van beoogde bodemingrepen kan zijn, zonder dat voorafgaand archeologisch onderzoek vereist is. De oppervlakte betreft hierbij het totale ruimtelijke beslag (de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien)) die in het kader van de omgevingsvergunning of andere (aanleg)werkzaamheden worden uitgevoerd.
De beleidsadvieskaart is gebaseerd op de archeologische inventarisatiekaart, de archeologische verwachtingskaart en de historisch-geografische verwachtingskaart (kaartbijlagen 2, 4 en 9). Bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen is verder gelet op de aard en omvang van de achterliggende archeologische waarden. Zo heeft een relatief kleine bodemingreep op een historisch erf al een relatief grote kans dat aanwezige archeologisch erfgoed ongezien verdwijnt, wat voor deze historisch-landschappelijke eenheden een lagere vrijstellingsgrens legitimeert. Uiteindelijk kan de beleidskaart gezien worden als de uitkomst van de afweging tussen (archeologisch en historisch-geografisch) inhoudelijke belangen en een praktische uitvoering. Achtergrond bij het tot stand komen van de beleidsadvieskaart is dat bekende en nog onbekende archeologische resten zoveel beschermd worden, zonder dat dit tot onevenredige inspanningen en overbodig archeologisch onderzoek – en dus kosten – leidt.
Verankering van het archeologiebeleid
De archeologische beleidsadvieskaart is tevens een instrument waarmee (aangetoonde en verwachte) archeologische waarden kunnen worden geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Bij het opstellen van het omgevingsplan dient de gemeente rekening te houden met alle terreinen die als ‘archeologisch monument’ of ‘zones van archeologische verwachtingswaarde’ zijn aangemerkt. De gebieden waarop de beleidscategorieën betrekking hebben dienen planologisch te worden beschermd door opname op de omgevingsplankaart (en bijbehorende planregels) met de aanduiding ‘functie archeologie’.
Uitgangspunt van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) in geval van ruimtelijke ontwikkelingen is het behoud van archeologische waarden in de bodem (behoud ‘in situ’) en aantasting door bodemingrepen te vermijden. Planaanpassing heeft dus de voorkeur boven uitvoering van archeologisch onderzoek. Indien dit – ook na eventuele planaanpassing – niet mogelijk is, is archeologisch onderzoek pas aan de orde (zie hoofdstuk 6 en bijlage 7). Concreet houdt dit in dat, indien aanpassing van de plannen niet mogelijk is, bodemverstorende ingrepen of ingrijpende grondwaterpeilverlagingen niet zijn toegestaan, tenzij voorafgaand waardestellend archeologisch onderzoek is uitgevoerd en de daarbij vastgestelde archeologische waarden adequaat worden behouden, hetzij in situ (op locatie in de bodem), hetzij ex situ (door opgraving).
In de praktijk betekent dit beleid dat wanneer besloten wordt om economische en maatschappelijke belangen zwaarder te laten wegen dan de cultuurhistorische belangen – en er dus toestemming wordt gegeven voor bodemverstorende activiteiten in een gebied –, altijd voorafgaand waardestellend archeologisch onderzoek vereist is. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan blijken dat een opgraving noodzakelijk is, of – in uitzonderlijke gevallen – dat alsnog besloten moet worden tot behoud in situ van de archeologische resten. Laatstgenoemde situatie heeft zich in de praktijk vooralsnog niet voorgedaan.
5.2 Beleidscategorieën
Waarde-archeologie 1
Categorie 1 betreft de in de gemeente gelegen archeologische rijksmonumenten. Het gaat om archeologische resten die door de RCE vanwege hun nationale cultuurhistorische waarde zijn aangewezen als beschermd monument. De begrenzingen van deze terreinen zijn op basis van uitgebreid onderzoek vastgesteld.
Waarde-archeologie 2
Deze categorie omvat allereerst de terreinen van hoge archeologische waarde: historische kern van IJsselstein, historische gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek, historische erven binnen de bewoningslinten, historisch-geografische objecten (molenplaatsen, kasteelterreinen, versterkte huizen, kerk etc.), AMK-terreinen en locaties van een tankgracht, afweergeschut en een gecrashte vliegtuig uit WO2. Verder zijn de waterbodems grenzend aan historische bebouwing (hoge verwachtingswaarde) en het attentiegebied tot de categorie Waarde-archeologie 2 gerekend. Het gaat om terreinen met een hoge cultuurhistorische waarde, waar de aanwezigheid van archeologische resten is vastgesteld of vrijwel zeker is en waar de dichtheid aan sporen en vondsten hoog is.
Waarde-archeologie 3
Categorie 3 betreft verwachtingsgebieden met een hoge archeologische verwachting: de ondiep gelegen stroomgordels en de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren. Hier zijn binnen de categorie van verwachtingsgebieden de hoogste dichtheden aan sporen en vondsten te verwachten.
Waarde-archeologie 4
Categorie 4 omvat de historische dijken en kades (terreinen van archeologische waarde) en de delen van bewoningslinten waarbinnen volgens de geraadpleegde historische kaarten geen bebouwing aanwezig was, maar de aanwezigheid ervan niet is uit te sluiten. Ook de aan deze bewoningslinten grenzende waterbodems (middelhoge verwachtingswaarde) vallen in deze categorie.
Waarde-archeologie 5
Categorie 5 bestaat uit de dieper gelegen verwachtingsgebieden: de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) met een hoge verwachting op archeologische resten. Deze gebieden hebben weliswaar een hoge kans op aanwezigheid van archeologische resten, maar door hun diepere ligging is de kans dat zij bij ontwikkelingen grootschalig verstoord raken relatief beperkt.
Waarde-archeologie 6
De categorie Waarde-archeologie 6 betreft de komgebieden en de relatief diep gelegen pleistocene dekzanden (dieper dan 5 m -mv). Voor beide landschappelijke elementen wordt ingeschat dat de kans dat archeologische resten bij ruimtelijke ontwikkelingen verstoord raken nog kleiner is dan bij de elementen van categorie 5. Komgebieden kennen vanwege hun “natte” ligging een relatief lage kans op het aantreffen van archeologische resten. Over de relatief diep gelegen dekzanden is weinig bekend zodat hiervoor een middelhoge verwachting geldt.
In naoorlogse uitbreidingswijken buiten de oude woonkernen kan de bodem aanzienlijk verstoord zijn, maar is het ook niet uitgesloten dat waardevolle archeologische resten toch nog bewaard zijn gebleven. Deze gebieden zijn op de beleidskaart, indien zij samenvallen met gebieden met een Waarde-archeologie, gearceerd aangegeven. Dit betekent dat bij de beoordeling van bouwplannen in principe de onderliggende beleidscategorie en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen gelden, maar dat in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente mogelijk een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveau) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt (zie paragraaf 6.2).
Van de diepe bodemverstoringen ter hoogte van de dieper gelegen stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) is niet bekend in hoeverre de afgravingen/saneringen het potentieel archeologische niveau hier hebben aangetast. Deze gebieden zijn op de beleidskaart, gearceerd aangegeven. Dit betekent dat bij de beoordeling van bouwplannen de onderliggende beleidscategorie en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen gelden, maar dat in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente mogelijk een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveau) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt (zie paragraaf 6.2).
De overige gebieden met diepe bodemverstoringen en vrijgegeven terreinen zijn niet in een beleidscategorie opgenomen omdat in deze gebieden geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Ook deze gebieden zijn daarom vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
De dieper gelegen dekzanden (< 5m -mv) zijn niet in een beleidscategorie opgenomen omdat door hun diepe ligging deze afzettingen bij het merendeel van de ruimtelijke ontwikkelingen niet of nauwelijks “geraakt” zullen worden.
5.3 Vrijstellingsgrenzen
De Omgevingswet hanteert 100 m² als grens waaronder een gemeente projecten in beginsel moet vrijstellen van de archeologische onderzoekplicht, maar gemeentes mogen hier beargumenteerd van afwijken. Zo is bijvoorbeeld de kans op het aantreffen van archeologische resten in historische binnensteden of dorpskernen dermate groot, dat onderzoeken kleiner dan 100 m² belangrijke kenniswinst kunnen opleveren. Veel gemeentes hanteren voor dergelijke gebieden daarom vaak een lagere vrijstellingsgrens, soms zelfs van 0 m². Daar staat tegenover dat in gebieden waar een relatief lage dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht doorgaans een hogere vrijstellingsgrens wordt gehanteerd, om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Bij het bepalen van de vrijstellingsgrenzen voor de nieuwe beleidskaart zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- 1.
Bij de vrijstellingsdiepte van dicht tegen het maaiveld aangelegen archeologische niveaus is uitgegaan van 30 cm, de gemiddelde dikte van de bouwvoor. Voor de dieper gelegen archeologische niveaus van de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) is uitgegaan van een 1, 5 m -mv vrijstellingsdiepte (i.e. hoogste voorkomen van de top van de oeverafzettingen gerelateerd aan de oudere stroomgordels).
- 2.
Er is (conform de actualisatie van het archeologiebeleid van de gemeente Vijfheerenlanden [Boshoven & Hanemaaijer, 2023]) een onderscheid gemaakt tussen enerzijds terreinen met archeologische waarden en anderzijds archeologische verwachtingsgebieden. Bij de eerste categorie is de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem al bekend (bijvoorbeeld door analyse van historisch kaartmateriaal of op basis van eerder verricht onderzoek). Bij deze terreinen is de kans zeer groot dat bij bodemingrepen, ook bij die met een geringe omvang, archeologische resten vernield worden. Daarom is een strenge oppervlaktevrijstelling gewenst, gelijk aan of strenger dan 100 m²-norm uit de Omgevingswet. In archeologische verwachtingsgebieden kunnen archeologische resten in meer of mindere mate verwacht worden maar is hun aanwezigheid nog niet vastgesteld. Hoe kleiner een onderzoeksgebied en hoe lager de verwachtingswaarde, hoe groter de kans dat een onderzoeksgebied archeologisch “leeg” is. Om die reden dient de omvang van de oppervlaktevrijstelling af te hangen van de hoogte van de verwachtingswaarde, waarbij als ondergrens de eerdergenoemde 100 m²-norm geldt.
- 3.
Rondom de gemeente IJsselstein liggen vijf gemeenten (Lopik, Vijfheerenlanden, Montfoort, Utrecht en Nieuwegein) die elk een eigen archeologiebeleid hebben met eigen vrijstellingsregimes. Het blijkt dat bij de terreinen met archeologische waarden de vrijstellingsgrens over het algemeen tussen 0 en 100 m² ligt, met 30 m² als gemiddelde. Bij de verwachtingsgebieden is de variatie groter, met name bij de middelhoge en lage verwachtingsgebieden: hoog (ondiepe stroomgordels) 100 – 500 m², middelhoog (diepe stroomgordels) 250 – 2500 m² en laag (komgebieden) 5000 – 10000 m² of vrijgesteld. Daarnaast blijkt dat pleistocene dekzand en waterbodems in de meeste gemeentes niet is meegenomen in het archeologiebeleid.
Het streven bij de actualisatie is om het nieuwe vrijstellingenregime zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de vrijstellingenregimes van de aangrenzende gemeentes.
Op basis van de genoemde uitgangspunten is hieronder een voorstel van nieuwe vrijstellingsgrenzen geformuleerd. Daar waar van de in de wet vastgelegde grens van 100 m² wordt afgeweken, is dit onderbouwd.
Waarde-archeologie 1
De archeologische rijksmonumenten genieten wettelijke bescherming via de Erfgoedwet. Voor werkzaamheden die een beschermd monument (mogelijk) beschadigen of ontsieren, is een vergunning vereist. Behoud in situ, waarbij archeologische resten beschermd worden op de plek waar ze zijn aangetroffen, en het vermijden van bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden en grondwaterpeilverlagingen) vormen het uitgangspunt voor beleid. Duurzame ontwikkeling op een rijksmonument is alleen mogelijk als, al dan niet met behulp van een archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat de archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling.
De gemeente is verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag (formeel: indien een of meer andere omgevingsvergunningen nodig zijn voor samenhangende activiteiten). De gemeente is wel verplicht om bij dergelijke meervoudige aanvragen de RCE om advies te vragen; de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft ook instemmingsrecht op het voorgenomen besluit. Bij een enkelvoudige aanvraag is de RCE het bevoegd gezag.
Waarde-archeologie 2
Behoud in situ en het vermijden van bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden en grondwaterpeilverlagingen) vormen het uitgangspunt voor beleid. Gezien de grote cultuur-historische waarde van deze terreinen, in combinatie met het feit dat op basis van archeologisch of historisch onderzoek een hoge dichtheid aan sporen en vondsten is te verwachten is, geldt voor deze categorie een relatief streng vrijstellingenbeleid waarbij geen verstoring is toegestaan bij bodemingrepen groter dan 30 m² en dieper dan 30 cm -mv (landbodems) of de top van de waterbodem (excl. een eventueel aanwezige recente sliblaag), zonder dat een waarderend archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit regime sluit aan op de gemiddelde vrijstellingsgrenzen voor vergelijkbare categorieën in de aangrenzende gemeenten.
Waarde-archeologie 3
Voor de tot deze categorie gerekende gebieden - de ondiep gelegen stroomgordels en de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren – geldt de hoogste kans op het aantreffen van archeologische resten. Tevens geldt bij bodemingrepen, vanwege de ligging dicht onder het maaiveld, de hoogste kans op het verstoren van deze resten. Om die reden dient een relatief strenge vrijstellingsgrens gehanteerd te worden, die niet ver boven de 100 m² norm uitkomt. Om aan te sluiten op de gemiddelde vrijstellingen in aangrenzende gemeentes is gekozen voor een vrijstellingsoppervlak van 250 m² en een vrijstellingsdiepte van 30 cm -mv.
Waarde-archeologie 4
In bewoningslinten met een middelhoge verwachtingswaarde, de historische dijken en kades en de aangrenzende waterbodems bestaat er een gemiddelde kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Dit maakt een iets ruimer vrijstellingsregime dan bij categorie 3 mogelijk. Gekozen is voor een vrijstellingsoppervlak van 500 m² en een vrijstellingsdiepte van 30 cm -mv (landbodems) of de top van de waterbodem (excl. een eventueel aanwezige recente sliblaag). Werkzaamheden die beperkt blijven tot het verwijderen van deze aantoonbaar recente sliblaag zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Waarde-archeologie 5
De verwachtingsgebieden die tot deze categorie behoren - de oudere stroomgordels en de pleistocene dekzanden (binnen 5 m -mv) – hebben weliswaar een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten, maar door hun relatief diepere ligging is de kans dat zij bij ontwikkelingen grootschalig verstoord raken relatief beperkt. Daarom is een ruimere vrijstellingsgrens gerechtvaardigd. Gekozen is voor een vrijstellingsoppervlak van 1000 m² en een vrijstellingsdiepte van 1,5 m -mv.
Waarde-archeologie 6
In gebieden met een lage archeologische verwachting geldt een relatief lage dichtheid aan archeologische resten die een ruim vrijstellingsregime toelaat: vrijstellingsoppervlakte van 10.000 m² én een diepte van 0,3 m -mv.
Indien de hierboven genoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, is archeologisch vooronderzoek vereist om de archeologische waarde van het plangebied vast te stellen. Op basis van de uitkomsten van dit vooronderzoek kan de gemeente bepalen of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit kan bijvoorbeeld een archeologische opgraving betreffen (behoud ex situ), indien archeologische resten door de voorgenomen ontwikkeling worden bedreigd. Alternatief kan worden besloten tot het treffen van maatregelen gericht op het behoud van archeologische waarden in situ, dat wil zeggen op de oorspronkelijke locatie.
Zowel behoud ex situ als behoud in situ maken deel uit van de archeologische monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus); zie bijlage 6 voor een nadere toelichting.
6 De rol van de gemeente in het archeologisch onderzoekstraject
6.1 Het archeologisch onderzoekstraject
Archeologisch onderzoek in Nederland dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is bindend en bevat alle eisen waaraan archeologisch onderzoek en het beheer van archeologisch vondst- en documentatiemateriaal minimaal moet voldoen. Ook de eisen waaraan de uitvoerders van het onderzoek moeten voldoen staan hierin vermeld. Dit geldt voor zowel de commerciële archeologische bedrijven als voor de (gravende) overheidsdiensten (zie bijlage 7).
Figuur 6-1 Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB).
Het archeologische traject is opgesplitst in een drietal stappen.87 De drie onderzoeksstappen bestaan achtereenvolgens uit een bureauonderzoek (stap 1), een Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) en indien noodzakelijk, behoud van de vindplaats (stap 3). In het diagram in afbeelding 6.1 is het gehele traject schematisch weergegeven. Elke door een archeologisch instelling uitgevoerde stap dient te resulteren in een KNA-conform onderzoeksrapport en bevat een advies waarin wordt toegelicht en onderbouwd of een vervolgonderzoek (in de vorm van een volgende stap) al dan niet noodzakelijk is. In met name de kleinere onderzoekslocaties kunnen evenwel stappen 1 en 2 worden samengevoegd, met de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het inventariserend veldonderzoek in één onderzoeksrapport. Dit is een veel gebruikte praktische oplossing om de (veelal particuliere) verstoorder niet onnodig op kosten te jagen. In binnenstedelijke situaties wordt vaak afgeweken van bovenstaande stappen. In de praktijk blijkt dat veelal wordt gekozen om na een bureauonderzoek, indien hierin is vastgesteld dat archeologische waarden door de planontwikkeling vernield dreigen te worden, meteen over te gaan op een proefsleuvenonderzoek (IVO-p) en/of opgraving, al dan niet in de vorm van een archeologische begeleiding. De ervaring heeft namelijk geleerd dat een inventariserend veldonderzoek middels booronderzoek in de binnenstad in de regel weinig tot geen toegevoegde waarde heeft.
6.2 De rol van de gemeente in het archeologisch onderzoekstraject
De bevoegde overheid, meestal de gemeente, heeft in het archeologisch onderzoekstraject op verschillende momenten een belangrijke rol.
Onderzoeksverplichting
Allereerst is de gemeente als bevoegde overheid bij het aspect archeologie verantwoordelijk voor de beslissing of bij een ruimtelijke ontwikkeling een archeologisch onderzoekstraject opgestart dient te worden. De gemeente dient bij een vergunningaanvraag de initiatiefnemer van een ontwikkeling te informeren of er een verplichting geldt om archeologisch onderzoek te laten verrichten of dat het betreffende terrein vrijgesteld is van archeologisch onderzoek. Hierbij is het omgevingsplan het primaire toetsingskader. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart middels een functie archeologie aangegeven. In de omgevingsplanregels zijn zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven beschreven. In de regel bepalen de verstoringsdiepte en de oppervlakte waarbinnen bodemingrepen (omvang plangebied) gaan plaatsvinden of archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Als deze waarden de voor de betreffende functie (archeologie) geldende vrijstellingsgrenzen overschrijden is archeologisch onderzoek in principe verplicht. In een aantal gevallen is echter sprake van ”maatwerk”:
- a)
Bij bouwplannen in naoorlogse uitbreidingswijken buiten de oude woonkernen ter hoogte van gebieden met een Waarde-archeologie. Hier kan de bodem lokaal aanzienlijk verstoord zijn, maar is het ook niet uitgesloten dat waardevolle archeologische resten toch nog bewaard zijn gebleven.
- b)
Bij bouwplannen in gebieden met diepe bodemverstoringen ter hoogte van de dieper gelegen stroomgordels en dekzanden (<5m -mv). Voor deze gebieden geldt dat niet bekend is in hoeverre de afgravingen/saneringen het potentieel archeologische niveau hier hebben aangetast.
Daar waar bouwplannen in gebieden a) of b) boven de vrijstellingsgrenzen van de onderliggende beleidscategorie Waarde-archeologie uitkomen, dient in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente bekeken te worden of een aangepaste onderzoeksstrategie (gericht op het verzamelen van gegevens over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveaus) kan worden gevolgd of geen onderzoek noodzakelijk blijkt.
- c)
Een derde geval van “maatwerk” geldt voor plangebieden die qua omvang en voorgenomen verstoringsdiepte de vrijstellingsgrenzen overschrijden, maar waarbij de omvang van de verstoringen maar een zeer beperkt deel van het plangebied beslaan (bijvoorbeeld een zwembad in een plangebied waar verder alleen oppervlakkige graafwerkzaamheden plaatsvinden of zonnevelden met alleen funderingspalen). Hier dient in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente dient per geval bekeken te worden of de mate van verstoring dermate beperkt is dat van een onderzoeksverplichting kan worden afgezien.
In het geval een ingreep niet onderzoeksplichtig is, geldt deze vrijstelling alleen voor de oppervlakte van de ingreep en de bijbehorende verstoringsdiepte van de betreffende ingreep.
Kwaliteitsbewaking
Een tweede rol speelt de gemeente als bevoegd gezag bij de kwaliteitsbewaking (vooraf) van het archeologisch onderzoek en de afstemming ervan op het gemeentelijk archeologiebeleid. Dit gebeurt door de toetsing van PvA's en PvE waarin kaders voor het uit te voeren archeologisch onderzoek worden gesteld.
Toetsing onderzoeksrapporten en selectiebesluit
Als laatste heeft de gemeente de taak het onderzoeksrapport te toetsen en op basis van het (selectie)advies een onderbouwd (selectie)besluit te nemen over het al dan niet uitvoeren van een vervolgonderzoek. De gemeente kan op elk gewenst moment in het archeologisch traject bepalen of zij, in relatie tot de bouwplannen, over voldoende informatie beschikt over de archeologische waarde van het betreffende plangebied om een beslissing te nemen over de omgang met archeologische waarden. Indien het archeologisch onderzoeksrapport onvoldoende basis biedt voor een zorgvuldig en onderbouwd (selectie)besluit, kan het noodzakelijk zijn het rapport te laten herzien, aan te vullen of – indien nodig – het onderzoek geheel opnieuw uit te voeren. Daarnaast behoudt de gemeente de bevoegdheid om af te wijken van het uitgebrachte (selectie)advies en een afwijkend besluit te nemen, mits dit inhoudelijk voldoende wordt onderbouwd.
Indien uit een inventariserend onderzoek blijkt dat binnen de contouren van het plangebied geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, geldt de vrijgave alleen voor de exacte oppervlakte en diepte van het uitgevoerde onderzoek. Voor het deel van het plangebied dat niet tot het onderzoek behoort (niet alleen qua oppervlak maar ook qua diepte) blijven de categorie en het bijbehorend regime gelden.
6.3 Vrijgeven
De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen gedurende de stappen 1 en 2 ook resulteren in het vrijgeven van een plangebied. Er hoeven dan geen vervolgstappen te worden genomen en de geplande bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd.
Het ontbreken van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verstoringen, is een veel voorkomende reden voor het vrijgeven van een plangebied. Echter, het kan ook voorkomen dat een vindplaats van dermate marginale betekenis is, of zodanig is verstoord, dat verder onderzoek een te laag kennisrendement oplevert. In die gevallen is verder onderzoek of bescherming niet noodzakelijk. Bij een dergelijk negatief selectieadvies kan door de gemeente worden besloten (selectiebesluit) om de vindplaats door lokale amateurarcheologen te laten onderzoeken conform een (eventueel op te stellen) gemeentelijk protocol.
6.4 Toevalsvondsten
Ook als geen (nader) archeologisch onderzoek noodzakelijk is, hetzij bij vrijstelling, hetzij bij vergunningverlening, geldt dat de Erfgoedwet van kracht blijft. De meldingsplicht geldt dus niet alleen voor vondsten die bij toeval worden gedaan, maar ook voor vondsten die worden gedaan nadat een terrein in het kader van een vergunningsverleningstraject archeologisch is onderzocht en is vrijgegeven. Volgens de Erfgoedwet bestaat een meldingsplicht indien waardevolle archeologische resten worden aangetroffen. Artikel 5.10, lid 1: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister.” In de praktijk betekent dit dat eventuele vondsten gemeld dienen te worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en/of de gemeente. Het heeft de voorkeur om een toevalsvondst te melden bij de ODRU.
Naast de meldingsplicht is “De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, ….gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek” (Artikel 5.10, lid 2). Bij een niet mobiele vondst betekent dit dat de vondst in eerste instantie dus onverplaatst in de bodem (in situ) moet blijven.
In tegenstelling tot vondsten die worden aangetroffen bij archeologisch onderzoek, hoeven toevalsvondsten niet te worden gedeponeerd bij het provinciaal depot. De waarde van een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen.88
Ondertekening
Literatuur
Alterra, 2006, Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, digitaal bestand.
Berendsen H.J.A., B. Makakase, O. van de Plassche, M.H.M. van Bree, S. Das, M. van Dongen, S. Ploumen & W. Schoenmakers, 2007, New groundwater-level rise data from the Rhine-Meuse delta - implications for the reconstruction of Holocene relative mean sea-level rise and differential land-level movements. Netherlands Journal of Geosciences / Geologie en Mijnbouw 86: 333-354.
Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001, Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen.
Berendsen, H.J.A., 1982, De genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht (Utrechtse Geografische Studies 25), Utrecht.
Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid van het ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard – oostelijk deel. Stiboka-rapport 872, Wageningen.
Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid en de bodemgeschiktheid in het toekomstige ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard. Stiboka-rapport 922, Wageningen.
Boer, A., de, B. Meijlink & M. Kocken, 2006, De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente IJsselstein (ADC Heritage Rapport H011), Amersfoort.
Braun, T. (2023), IJsselstein, Lage Dijk-Noord. Gemeente IJsselstein (UT). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transectrapport 4929.
Busschers, F.S. & H.J.T. Weerts, 2003, Formatie van Kreftenheye, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012, Vernieuwd digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta. Beknopte toelichting bij het digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta, Utrecht.
Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012, Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht (http://persistent-identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13-nqjn-zl).
Fischer, A.D., H. van Londen, A.L. Blonk-van den Bercken, R.M. Visser & J. Renes, 2021, Urban farming and ruralisation in the Netherlands (1250 up tot the nineteenth century), unravelling farming practice and the use of (open) space by synthesising archaeological reports using text mining (Nederlandse Archeologische Rapporten 68), Amersfoort.
Leusen, M. van & H. Kamermans (red.), 2005, Predictive modelling for Archaeological Heritage Management: A research agenda. Nederlandse Archeologische Rapporten 29, Amersfoort
Dinter, M. van., 2013, The Roman Limes in the Netherlands: how a delta landscape determined the location of the military structures. Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 92 (1): 11-32.
Engeldorp Gastelaars, H.E.G. van, 2023,IJsselstein: Koningshof, Schuttersgracht & Molenstraat, Drie archeologische begeleidingen (ADC-rapport 5867).
Gottschalk, M.K.E., 1971, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, I, De periode vóór 1400, Assen/Amsterdam.
Nederlands Normalisatie-instituut, 1989, Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Delft.
Muller, A., 2003a, Plangebied Lage Dijk-Oost, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAP-notitie 438).
Muller, A., 2003b, Plangebied Lage Dijk-West, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAP-notitie 440).
Oude Rengerink, J.A.M., 1996, N210, Omlegging Zenderpark IJsselstein; een archeologische kartering (RAAP-rapport 193).
Pierik, H.J., Stouthamer, E. & Cohen, K.M., 2017, Natural levee evolution in the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, during the first millennium CE. Geomorphology 295: 215-234.
Pierik, H.J., 2017, Past human-landscape interactions in the Netherlands: Reconstructions from sand belt to coastal-delta plain for the first millennium AD, Utrecht.
Plassche, O. van de, S. Bohncke, B. Makaske & J. van der Plicht, 2005, Water-level changes in the Flevo area, central Netherlands (5300-1500 BC): implications for relative mean sea-level rise in the Western Netherlands, Quaternary International 133-134: 77-93.
Plassche, O. van de, B. Makaske, W.Z. Hoek, M. Konert & J. van der Plicht, 2010, Mid-Holocene water-level changes in the lower Rhine-Meuse delta (western Netherlands): implications for the reconstruction of relative mean sea-level rise, palaeoriver-gradients and coastal evolution, Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 89(1): 3-20.
Projectteam gemeente IJsselstein/ KuiperCompagnons, 2021. Omgevingsvisie IJsselstein: Behoud én ontwikkeling.
Rijks Geologische Dienst, 1988, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 31 Oost, Utrecht, Haarlem.
Rijks Geologische Dienst, 1970, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 38 Oost Gorinchem, Haarlem.
Rooij, J.A.G. van, 2011, Lage Dijk-Noord 28 te IJsselstein. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (ADC-rapport 2767).
Rooij, J.A.G. van & A. de Boer, 2011, Onderbouwing bij het geactualiseerde archeologiebeleid van de gemeente IJsselstein (ADC-rapport 2743), Amersfoort.
Schokker, J., F.D. de Lang, H.J.T. Weerts, C. den Otter, S. Passchier, 2005, Formatie van Boxtel, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Stafleu, J., D., Maljers, F. Busschers, J. Gunnink, J. Schokker & J. Hummelman, 2019: Totstandkomingsrapport GeoTOP. TNO-rapport 2019 R11655, TNO, Utrecht.
Tier, T. van der 2020: Het leven in IJsselstein in de prehistorie, Wat de archeologie te zeggen heeft over het gebied van IJsselstein in de late steen-, brons- en ijzertijd, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 169, 3-21.
Tier, T. van der 2022: Imperium sine fine, De effecten van de opname in een wereldrijk op de plattelandsbevolking in IJsselstein, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 173, 9-25.
Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012, Leidraad inventariserend veldonderzoek; deel: karterend booronderzoek, Gouda.
Verniers, L.P., 2012, Grafheuvels in IJsselstein. Een archeologische opgraving van een Romeins grafveld uit de 2e eeuw (ADC-rapport 3012).
Vos, P.C., J. Bazelmans, H.J.T. Weerts & M.J. van der Meulen (red.), 2011, Atlas van Nederland in het Holoceen, Amsterdam.
Weerts, H.J.T. & F.S Busschers, 2003a, Formatie van Nieuwkoop, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Weerts, H.J.T. & F.S. Busschers, 2003b, Formatie van Echteld, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Bronnen Modern oorlogserfgoed
Abbink Spaink, J.J., 1963, IJsselstein, verleden en heden, IJsselstein.
Bosman, A.V.A.J., 2010, Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH, Een historisch overzicht en verwachtingsmodel, Past2Present rapport 510, Woerden.
Bosman, A.V.A.J., E.J. van Ginkel, J. Verweij & W. Waldus, 2014, De archeologie van modern oorlogserfgoed, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1, ADC rapport 3595, Amersfoort.
Bosman, A.V.A.J., R.C.A. Geerts & D. Sam, 2017, Een brug te ver onderzocht, Archeologisch onderzoek in Stadsblokken-Meinerswijk, gemeente Arnhem, ADC Monografie 22, Amersfoort.
Bosman, A.V.A.J. & M. Willemsen, 2019, De archeologie van modern oorlogserfgoed 2, Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85, Dordrecht.
Brandhof, W. van den, 2019, Vooronderzoek CE, Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord, AVG rapport 1962026-VO-01, Heijen.
Braven, G. den, 2018, Vooronderzoek CE, IJsselstein de Kroon, AVG rapport 1862022-VO-02, Heijen.
Copier – Van den End, R., 1995, Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog, Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9, Nieuwegein.
Dijk, T.A. van, 2015, Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein, Historische Kring IJsselstein 147/148, 37-48.
Eversteijn, T., 2003, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945, z.pl.
Fleischer, W., 2015, Deutsche Abwurfmunition in Zweiten Weltkrieg, Basiswissen über Bomben, Behälter, Lufttorpedos, Minen, Verpackungen und Zünder, Aken.
Grimm, P., E. van Loo & R. de Winter, 2009, Vliegvelden in oorlogstijd, Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945, Amsterdam.
Kleijn, H.C.M., R.J.A. van Suchtelen van de Have, D.A. Hierck, B.A. van Tilburg & A. de Vries (red.), 2004, Op weerstand gebouwd, Verdedigingslinies als militair erfgoed, Zwolle.
Klep, C. & B. Schoenmaker (red.), 1995, De bevrijding van Nederland 1944 – 1945. Oorlog op de flank, Den Haag.
Klep, C., 2020, De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland, Militaire Spectator 4-2020, 226-227.
Koen, D.T., 1990, Utrecht verdedigd, Fortificatie en mobilisatie 1914-1940, Utrecht.
Koen, D.T., 1995, Een onuitdoofbaar vuur, Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Bunnik.
Korthals Altes, A., 1984, Luchtgevaar: luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam.
Michels, J, 2021, ‘…de fictie dat Holland een vesting is.’, Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40, Oirschot.
Molenaar, F.J., 1970, De luchtverdediging in de meidagen van 1940, De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 7, Band I en II, Den Haag.89
Murk, L., 1995, De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945, in: Historische Kring IJsselstein 72/73, 267-278.
Nierstrasz, V.E., 1955, De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940, De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 3, Den Haag.
Palma, J, 2009, Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’, T&A Survey rapport 0908-GPR1505, Amsterdam.
Rolf, R. & H. Sakkers, 2005, Duitse bunkers in Nederland, Middelburg.
Schuring, H.A., 1958, De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog, proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, Aalten.
Veenstra, S.L., 1992, In de schaduw van de glorie: overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977, Zutphen.
Vliet, J. van, 1979, Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III, Historische Kring IJsselstein 5, IJsselstein.
Volkers, K., 2009, Geheim landschap, 200 jaar militairen op de Heuvelrug, Utrecht.
Will, C., 2002, Sterk Water, De Hollandse Waterlinie, Utrecht.
Zwanenburg, G.J., 1980-1982, En nooit was het stil….Kroniek van een Luchtoorlog, Deel 1, 2 en bijlage, Den Haag.
Zijlstra, G, 1977, Diary of an air war, New York.
Websites
https://beeldbankwo2.nl/nl/
https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/
http://hkij.asuscomm.com/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie
https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik
https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/
https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/ https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/
http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl
https://vng.nl/nieuws/nieuw-handreiking-erfgoedverordening-en-omgevingsplan
https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
https://www.entoen.nu/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommen-liggen
Archieven
Kadaster, Emmen
Military Legacy, Dordrecht
NIMH, Den Haag
NIOD, Amsterdam
NMM, Soesterberg
Universiteit Wageningen
Historische kern
IJsselstein : historie - verval - toekomst
AuteursGerry Herbst-Verkerk(Redacteur)
IJsselstein, opgraving. Projectnummer dendrochronologie (Stichting RING): 2001046
AuteursElsemieke Spoor- HanraetsTamara VernimmenEsther Jansma
Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad en land
AuteursStichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgevende instantie)
Ontmoet historisch IJsselstein
AuteursJasper van Muijden(Auteur)(Redacteur)Marian Wessels(Auteur)(Redacteur)Marcel Berkien(Auteur)(Redacteur)Bart Rietveld(Auteur)(Redacteur)
Integraal plan kasteelcomplex IJsselstein
AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Auteur)
Canon van de geschiedenis van IJsselstein
AuteursCharles BurghardTA van Dijk
De straatnamen van IJsselstein : herkomst en relatie tot de historie van de stad.
AuteursJoop Tamboer(Auteur)
AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Uitgever)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever)
AuteursWillem AnnemaGeertruida de Moor
AuteursPWA Broeders (Petrus Wilhelmus Adrianus), 1936-(Auteur)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever)
Figurenlijst
Figuur 1-1 Ligging van de gemeente IJsselstein (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: PDOK).
Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder).
Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen.
Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact.
Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012.
Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016).
Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein.
Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50).
Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-10. Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein.
Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap.
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein.
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden.
Figuur 6-1 Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB).
Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6).
Tabellenlijst
Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein.
Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering.
Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend).
Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012).
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten).
Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
Lijst van Bijlagen
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen.
Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten.
Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen').
Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken.
Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens.
Bijlage 6. Bureauonderzoek Inventarisatie Modern oorlogserfgoed.
Bijlage 7. De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject.
Lijst van kaartbijlagen
Kaartbijlage 1. Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken.
Kaartbijlage 2. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart (neolithicum - middeleeuwen).
Kaartbijlage 3. Historisch-geografische waarden en relicten.
Kaartbijlage 4. Kaart historisch-geografische waarden en verwachtingen.
Kaartbijlage 5. Inventarisatiekaart historische centrum.
Kaartbijlage 6. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart historisch centrum.
Kaartbijlage 7. Historische relictenkaart historische centrum.
Kaartbijlage 8. Kaart met verstoringen en vrijgegeven gebieden historische centrum.
Kaartbijlage 9. Beleidsadvieskaart.
Kaartbijlage 10. Relictenkaart Tweede Wereldoorlog.
Kaartbijlage 11. Archeologische beleidskaart gemeente IJsselstein
Kaartbijlage 12. Archeologische beleidskaart historische kern IJsselstein
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen')
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 6 Inventarisatie Modern oorlogserfgoed
A.V.A.J. Bosman (Military Legacy)
1 Werkwijze en bronnen
Het onderzoek naar het modern oorlogserfgoed bestond uit een inventarisatie opgesteld van de belangrijkste elementen uit de periode 1870-1991 binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein. Vanwege het karakter van de objecten is er niet uitsluitend sprake van archeologische sporen, lees: die verborgen liggen in de bodem of onder het wateroppervlak, maar kan er ook een connectie zijn met bouwkundige elementen, die nog (deels) intact kunnen zijn. Derhalve dient de archeologische inventarisatie naadloos aan te sluiten op het bestaande (of in ontwikkeling zijnde) bestand van bouwkundige militaire objecten met of zonder monumentenstatus. Hierbij kan er sprake zijn van singuliere objecten, maar vaker komen objecten voor die een ensemble vormen binnen een stelling, linie of ander verdedigingsplan. Het gaat hierbij specifiek niet om geïsoleerde locaties waar militaire handelingen zonder een archeologische “neerslag” zich hebben afgespeeld.
Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
- -
Luchtfoto’s, specifiek luchtfoto’s uit de periode 1939-1945 (zie literatuur- en bronnenlijst)
- -
OCE-rapportages: onderzoek naar niet gesprongen explosieven
- -
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH)
- -
Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl)
- -
Literatuur en kaartmateriaal (zie literatuur- en bronnenlijst)
Hoewel de inventarisatie zich heeft geconcentreerd op militaire objecten, kan er ook sprake zijn van het voorkomen van objecten van specifieke tijdens extreme crises optredende organisaties zoals de Bescherming Bevolking (B.B.) en het Nederlandsche Roode Kruis. Ook kunnen sporen voorkomen van andere tijdens oorlogsomstandigheden ontstane objecten, zoals onderduikplaatsen, schuilplaatsen ingericht door/voor het verzet en kampen voor internering of dwangarbeid of juist vanwege vrijwillige inzet zoals binnen de Nederlandsche Arbeidsdienst. Een deel van deze bouwwerken en objecten zijn gepland, soms zelfs openbaar aanbesteed. Een ander deel, zoals die als gevolg van verzetsactiviteiten zijn ontstaan, zijn vanwege hun clandestiene karakter niet of nauwelijks vastgelegd.
2 Verspreiding van modern oorlogserfgoed
2.1 Algemeen
De sporen van oorlogen en voorbereidingen daarop hebben niet een gelijkmatige verdeling in Nederland. Sommige zones zijn zwaar ‘verbouwd’ of hebben ernstiger geleden onder het oorlogsgeweld. Vrijwel het gehele land is vanuit de lucht doelwit geweest of de plek waar vliegtuigen kunnen zijn gecrasht, of schepen die zijn vergaan op binnen- en buitenwater. Er is een stelregel dat de concentratie van sporen uit de periode 1870-1914 vooral in de linies en langs de kusten ligt. Dat wordt voortgezet in de periode tot 1918, waarbij de grensbewaking meer gewicht krijgt. Hierna is door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart ook steeds meer aandacht voor het beschermen van het land achter de linies. De strijd in mei 1940 kent enkele concentraties is de linies die een vijand uit het oosten moesten stuiten. De bekendste is het Oostfront van de Vesting Holland, met daarin de beroemde Grebbelinie. Na het begin van de bezetting is de focus vooral op het verdedigen van de kust gelegd, waar na 1942 volop wordt aangevangen met de bouw van de Atlantikwall. Ook hiervoor worden in het achterland verdedigingszones ingericht met versperringen, inundaties en mijnenvelden. Na mei 1945 wordt de blik weer naar het oosten gericht. De IJssellinie wordt bijvoorbeeld uitgebouwd, en ten westen daarvan een reeks van nieuwe kazernes en mobilisatiecomplexen voor enerzijds de onderkomens van de grote scharen dienstplichtige militairen en anderzijds de opslag van oorlogsmaterieel, -materiaal en munitie.
Modern oorlogserfgoed in IJsselstein
Voor Nederland is er een aantal jaren geleden een Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) gemaakt.90 Deze kaart is niet compleet en mist op sommige punten essentiële details voor een juiste duiding. Maar als eerste ingang is wel enigszins bruikbaar, mits de tekortkomingen worden meegewogen.
Figuur 1. IJsselstein op de IKME (naar ikme.nl).
Op bovenstaande afbeelding ontleend aan de IKME is het gehele grondgebied van IJsselstein leeg. Er staat alleen de opmerking die voor het gehele grondgebied op het land van Nederland geldt: “In deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.” Uiteraard zijn er nog wel meer structuren en vondsten denkbaar, en dan ook uit perioden anders dan WO2 waar de IKME toch vooral op gefocust lijkt te zijn.
In de directe omgeving van IJsselstein worden wel enkele van belang zijnde objecten aangeduid, die allen op elk hun wijze een uitstraling kunnen hebben gehad op activiteiten en daarmee op het ontstaan van objecten als sporen en vondsten in de bodem van IJsselstein.
Nr. 1 is het Duitse schijnvliegveld Veldhuizen-Reijerscop (SF. 18).91 Deze Scheinflugplätze werden door de Duitsers aangelegd om de vijand te misleiden. Ze werden daarom zo opvallend mogelijk gemaakt om de indruk te wekken dat er een actief militair vliegveld aanwezig was. De gedachte was dat de geallieerden hierdoor juist deze locaties zouden aanvallen en de meer gecamoufleerde operationele Flugplätze zouden missen. De schijnvliegvelden werden voorzien van aanduidingen van start- en landingsbanen92, (baan) verlichting, opstelplaatsen, schuurtjes en vlonders in hangar-vorm en zelfs dummy-vliegtuigen. Soms stonden die vliegtuigen op een rail zodat ze bewogen konden worden op of langs het veld.
De schijnvliegvelden zijn gebouwd door de Luftschutzdienst van het Luftgau Holland. Deze dienst zorgde ook voor onderhoud, bediening en bewaking. Per schijnvliegveld was er slechts een klein aantal, meestal oudere manschappen beschikbaar. Zij werden meestal in de buurt ondergebracht of ingekwartierd. Van SF. 18 is bekend dat hier achttien houten vliegtuigsilhouetten aanwezig waren. Ze leken op de middelzware bommenwerper Heinkel He 111.93
Een van de taken van de bemanning was het vrijwaren van de locaties tegen sabotage. Maar het is duidelijk dat het verzet veel van de schijnvliegvelden al aan Londen had gerapporteerd. Hiermee waren de locaties zeker bekend. Maar dat neemt niet weg dat schijnvliegvelden wel zijn aangevallen gedurende de oorlog. Bommenwerpers die hun primaire doel hadden gemist en op de terugweg naar Engeland op zoek waren naar gelegenheidsdoelen kunnen makkelijk in de verleiding zijn geraakt om juist op deze velden hun lading te droppen. Er is wel gekscherend gedaan over het nut en noodzaak94, maar getuige het aantal geallieerde bommen dat op of nabij deze Scheinflugplätze is gevallen, is er meer succes dan geallieerde bronnen doorgaans melden, als het vanuit hun visie slechts ging om de schijn op te houden. Overigens hadden de Duitsers geen enkele compassie met eventueel aanwezige buurtbewoning. Ze legden de schijnvliegvelden dikwijls nabij bewoonde kernen aan.
Archeologische sporen van het schijnvliegveld zelf zijn in IJsselstein niet aanwezig. Mogelijk kunnen wel manschappen zijn ondergebracht geweest in bestaande bebouwing in de buurt. In de nabijheid hiervan kunnen afvaldeposities aanwezig zijn, net als simpele verdedigingsopstellingen of schuilnissen. Eventuele bomaanvallen zullen kraters of brandvlakken hebben opgeleverd, alsmede schade aan bebouwing van destijds.
Nr. 2 is de Duitse Hintere Wasserstellung. Opmerkelijk is dat deze tweede of Hintere Wasserstellung, een Duitse verdedigingslinie, ten oosten van de eerste of Vordere Wasserstellung op de IKME alleen wordt geduid als een linie die een invasie vanuit de kuststreek moest vertragen. De linies waren echter vooral ook ingericht om een aanval in de rug van de Atlantikwall te kunnen vertragen. De naam geeft al aan dat het grootste deel van de linie bestond uit geïnundeerde terreinen. Dit zijn terreinen die tot een diepte van 30 tot 60 centimeter onder water zouden komen te staan. Dit was té diep voor oprukkende infanterie, die bovendien nergens in dekking kon, maar té ondiep voor normale vaartuigen.
De Hintere Wasserstellung volgde een groot deel van het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie. Nadat de geallieerde landingen in Normandië geslaagd waren kwam op 21 juni 1944 het bevel dat alle schepen, van groot tot het formaat kano, die binnen de Vordere Wasserstellung lagen, verplaatst moesten worden naar het gebied ten oosten van het Merwedekanaal (tegenwoordig Amsterdam-Rijnkanaal). De reden was duidelijk: om te voorkomen dat een vijandelijke troepenmacht hiervan gebruik kon maken om over de inundaties van beide Stellungen te komen.
De Duitsers hebben overigens nog veel meer gebieden van inundaties voorzien, zoals in het Rivierengebied, Zeeland en de noordelijke provincies. In totaal werd door de Duitsers 250.000 m2 onder water gezet. Hierbij is deels gebruik gemaakt van de al veel eerder voorbereide inundatieobjecten zoals geopende sluizen en stilgelegde gemalen, maar vaker nog werden dammen en dijken eenvoudig opgeblazen. Hiermee werden bressen geslagen waardoor het water ongehinderd kon binnen vloeien. Nadeel hiervan was dat er geen systeem was voorzien om dit water weer kwijt te raken. Herstel en weer bruikbaar krijgen van veel landbouwgebied zou daarom na de bevrijding nog lang vergen.
De geïnundeerde gebieden leveren niet of nauwelijks archeologische sporen op. Het enige is een afzetting door het stilstaande water. Wel kunnen de voorbereide inundatieobjecten aanwezig zijn, of de in dijken en dammen geslagen bressen als sporen terug te vinden zijn.
Nr. 3 is de oudste van de linies, namelijk De Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit was een verdedigingslinie die deels het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie volgde. Maar op een aantal essentiële punten week het af door ontwikkelingen in het belang van specifieke plaatsen, zoals Utrecht en de verbeteringen op het gebied van geschut. In beide gevallen vormden deze linies de oostelijke verdediging van de Vesting Holland.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) is de oostelijke bescherming van de Vesting Holland in de periode van 1870 tot 1945. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was de vervanging voor de uit het einde van de 17e eeuw daterende Hollandse Waterlinie. Deze zou vanaf 1871 een nieuwe naam krijgen, met het voorvoegsel ‘Oude’. Een belangrijk verschil tussen de oude en de nieuwe linie is dat de stad Utrecht nu wel binnen de linie valt. De nieuwe waterlinie lag ten oosten en zuiden van de belangrijkste steden van Holland, is 85 kilometer lang en kent een breedte van 3 tot 5 kilometer. Met deze breedte werd er zoveel mogelijk afstand gecreëerd tussen die steden en eventuele vijandelijke artillerieopstellingen. De dracht van de granaten was dan onvoldoende om de doelen te kunnen raken. Echter de ontwikkelingen gingen snel, waarbij deze marge steeds kleiner werd en zeker door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart, die zeer gemakkelijk linies kon overbruggen.
Met 46 forten in deze linie strekte het zich uit van forteiland Pampus in de Zuiderzee (na 1932 IJsselmeer) tot aan de Biesbosch, een natuurlijke barrière. Tevens bevat de linie vijf vestingsteden: Muiden, Weesp, Naarden, Gorinchem en Woudrichem. Vanuit de forten en vestingsteden konden de belangrijkste toegangen tot de Vesting Holland worden verdedigd, over land (weg en spoor) en over water. In het achterland van de linie zijn op diverse plaatsen opstellingen voor reservetroepen, proviandering en munitieopslag gecreëerd.
Om het waterpeil van 30 tot 60 cm in de inundatiegebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vast te houden en gegeven de verschillen in het peil van de landerijen, was een complex systeem van "onderwaterhuishouding" nodig. Het te inunderen gebied was hiertoe onderverdeeld in een fijnmazig netwerk van deelgebieden. Zo kon een klein sluisje of dijkje een even essentieel onderdeel zijn als een fort met geschut en bemanning, omdat het moest zorgen voor het exact reguleren van het inundatiepeil.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie krijgt niet of nauwelijks een rol in de periode van de Koude Oorlog. De enige deels op inundatie ingerichte linie is in die periode de nog verder naar het oosten gelegen IJssellinie.
Figuur 2. Deze foto geeft het doel van de inundatie als vertragende tactiek heel goed weer: een Britse motorordonnans loopt in Nederland over de net niet geheel onder water staande dijk langs een van de weg gezakte Artillery tractor op 8 November 1944 (IWM, B 11816).
Figuur 3. Overzicht van alle Inundatiegebieden in de periode 1944-1945 in Nederland (wikipedia.org).
Figuur 4. Ligging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met inundatiegebieden (blauw) en forten en stellingen (zwart; bron: wikipedia.org).
Figuur 5. Een inundatievoorziening: de Papsluis aan de Kildijk te Nieuwendijk. (wikipedia.org).
2.2 De Eerste Wereldoorlog
Over de periode 1914-1918 kan het kort blijven. Er werden geen militaire bouwwerken aangelegd. Nederlandse gemobiliseerde militairen hadden zich nauwelijks in IJsselstein opgehouden. Wel werden in de periode oktober-november 1914 zo’n 200 Belgische vluchtelingen opgevangen in de meubelfabriek Van Rooijen. Hiervan gingen op zo’n 16 na alle weer na een maand terug naar Antwerpen. Degene die blijven worden later opgevangen in opvangkampen zoals te Nunspeet. In 1916 komen vijf in Nederland geïnterneerde Belgische militairen in IJsselstein bij dezelfde meubelfabriek te werken. Er is door de mobilisatie een groot gebrek aan werkkrachten. De Belgen waren hiervoor speciaal uit het Kamp Zeist gehaald. In november 1918 zouden in totaal zo’n 25 Belgische militairen hier werken. Naast werkzaam in de meubelfabriek, werden er ook aangesteld in de steenfabriek Overwaard en een enkeling bij een bouwbedrijf, drukkerij of wagenmaker.95 Voor deze Belgen werden geen aparte onderkomens of tentenkampen opgesteld. Zij verbleven op het terrein van de fabrieken of werden heen en weer naar Kamp Zeist gehaald en gebracht.
2.3 Tweede Wereldoorlog verloop en opstellingen
Mei 1940
IJsselstein lag aan de vooravond van WO2 precies op de grens van de Groep Utrecht en de Groep Lek. Het hoofdkwartier van de eerste lag in het noordwesten van Utrecht, dit was het tweede bataljon van het 25e Regiment Infanterie (II-25 R.I.). Van Groep Lek lag dat van II-32 R.I. in Vianen. Deze troepen vormde de meest westelijke linie van de Vesting Holland. De hardnekkig te verdedigen linie lag verder naar het oosten van Spakenburg via de Grebbeberg bij Rhenen tot aan de Ochten waar het naar het westen afboog al Linge-Waalstelling tot voorbij Gorinchem. In die zone lagen voorbereide stellingen als kazematten, loopgraven en geschutsopstellingen. Dat was niet het geval in de zone van IJsselstein.
Wel zijn er op 11 en 12 mei 1940 Nederlandse troepen opgesteld bij de brug van de Rijksweg (tegenwoordig A2) over de Lek. Aan de noordzijde, deels op het grondgebied van IJsselstein zijn dit manschappen van de tweede compagnie van het derde bataljon van 25 R.I. (2-III-25 R.I.). Aan de zuidzijde op het grondgebied van Vianen staat de 9e Batterij Luchtafweer (9 Bt.Lu.A.) en 89e en 90e Peloton Luchtdoelmitrailleurs (89 en 90 Pel.Lu.Mitr.). Deze zullen in allerhaast ingegraven stellingen of op het oppervlak met zandzakken ingerichte posities hebben gestaan.
De situatie voor het Nederlandse leger verslechterd per dag en per uur. Op 14 mei staat omstreeks 12.00 uur de Duitse voorhoede gevormd door de SS Standarte der Führer al iets ten oosten van Schalkwijk, gevolgd door de 207e Division waaronder Infanterie Regiment 374 bij Doorn. In en rond IJsselstein nestelen zich de teruggetrokken Nederlandse troepen van de Ive Divisie en Brigade B, het hoofdkwartier van de eerste wordt in IJsselstein zelf gevestigd. Verder liggen er troepen van de eerste batterij van het 16e Regiment Artillerie (I- 16 R.A.). Iets verder naar het zuiden werd luchtafweer opgesteld: het derde peloton van de 159e Batterij Luchtafweer, De Luchtdoelmitrailleurs worden van Vianen ook overgezet naar IJsselstein, en bovendien uitgebreid. Hier liggen dan 79, 80, 89 en 90 Pel.Lu.Mitr. aan de Kleine IJssel. Deze situatie blijft ongewijzigd tot het moment van de Nederlandse capitulatie later die dag.
Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er veel gebeurd, zo ook in IJsselstein. Wat volgt is slechts een selectie en een samenvatting van twee opvallende kwesties van de oorlog: vluchtelingenopvang en de gevolgen van de oorlog op het plaatselijk bestuur.
IJsselstein bood naast een onderkomen aan de Nederlandse militairen ook steun aan burgervluchtelingen. Al tijdens de mobilisatie waren op landelijk niveau vluchtelingencentra verordonneerd. Zo was IJsselstein aangewezen als opvangcentrum voor 1000 evacués uit de zones van de Grebbelinie (met name Rhenen) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (vooral Tiel). Er werd van tevoren rekening gehouden met zaken, zoals of geloofsovertuiging en beroep aansloten op de inwoners van IJsselstein. Op maandag 13 mei 1940 kwam het bericht dat het 5000 inwoners tellende IJsselstein, op 3141 vluchtelingen uit Tiel kon rekenen. Door de chaos wachtten veel deze mensen niet op vervoer en kwamen lopend de Lekbrug over. Verder kwamen ook evacués uit de omgeving van Rhenen en Veenendaal, en een schare van de Veluwe. De meesten werden zo lang bij boeren ondergebracht. Zo was er nauwelijks gebrek aan voedsel. Een tweede reden was dat sommige vluchtelingen hun eigen koeien hadden meegenomen, wat overigens wel door een overschot problemen gaf met de afvoer van de melk. Kort na de capitulatie gingen de vluchtelingen met hun hebben en houwen weer naar huis.
De strijd in de meidagen is nauwelijks op het grondgebied van IJsselstein uitgevoerd. De enige uitzonderingen zijn bombardementen (zie onder) en een Duitse luchtaanval met boordwapens op de waarnemingspost van de plaatselijke luchtbeschermingsdienst, die was gesitueerd in de zogenaamde gemeentetoren.
Bezetting
Zowel in WO1 als in WO2 was Utrecht een centrale plaats. Er waren vanouds diverse kazernes aanwezig, zoals de Hojelkazerne en de Kromhoutkazerne. De hier aanwezige Nederlandse troepen hebben in de omgeving geoefend, en mogelijk daarbij ook IJsselstein hebben doorkruist. Echter of hiervan sporen in de bodem resteren, met uitzondering van een verloren knoop of monddeksel van het geweer, is sterk de vraag.
Datzelfde geldt ook voor de bezettingsperiode. De Duitsers vestigen hier de hogere commandostaven van de Kriegsmarine. De Wehrmacht Heer (de Duitse landmacht) deed hetzelfde door hier het legerkorpscommando te vestigen aan het St. Janskerkhof in die stad. Hiervoor is in het stadscentrum en in Oog in Al een aantal bunkers gebouwd. Op 15 januari 1944 zou overigens het commandocentrum worden verplaatst naar Bilthoven.
Op het grondgebied van IJsselstein zijn er vooralsnog geen Duitse bunkers bekend. Dat is opmerkelijk aangezien er wel sprake is van enkele strategisch belangrijke punten, zoals de brug waar de Rijksweg (tegenwoordig A2) de Hollandse IJssel kruist en verder naar het zuiden de brug over de Lek. Wel is er iets bekend over een eventuele aard van de Duitse troepen in een geallieerde opgave van 16 januari 1945: IJsselstein E/1583. 55 troops of Wehrmachtskomm . Maastricht and telephone exchange 300 troops WH red, commander Hauptmann Erner and the officers Oberltn . Mueller Reinert, Oberltn . Hauser, Ltn . Elsner and Ltn . Ebmayer , left with 4 x 8,8 cm A.A.96
In september 1944 werd IJsselstein weer een toevluchtsoord voor vluchtelingen. Er kwamen 375 vluchtelingen uit de omgeving van Arnhem en Oosterbeek, door het oorlogsgeweld van Operatie Market Garden op drift geraakt. Nu was er echter wel een voedselprobleem, vooral omdat deze mensen voorlopig niet naar huis konden. De slag om Een brug té ver was immers verloren. Het zou nog minstens acht maanden duren eer deze mensen naar huis konden terugkeren, zo dat nog intact was.
Op luchtfoto’s van 29 november 1944 zijn een aantal actieve Duitse stellingen zichtbaar. Het betreft in ieder geval twee 8,8 cm luchtafweerstellingen in het zuidwesten, ter plaatse van de Lagedijk tussen IJsselstein en Klaphek. De batterij is bijna dagelijks actief. Eén inwoner werd op straat door een terugvallende granaatscherf gedood, enige anderen liepen lichte verwondingen op.97 Er is tevens een wapenopstelling aan de westzijde van de Rijksweg ten zuiden van de brug over de Hollandse IJssel, en iets ten zuiden daarvan nog een geschutstelling. Van deze beide twee is niet duidelijk wat voor type vuurmond hier is neergezet.
Ook het type vuurmonden is niet bekend van de opstellingen bij de brug over de Lek in het tracé van de Rijksweg (A2). Wat wel bekend is, is dat deze op respectievelijk op 18 en 20 september werden aangevallen met lichte afwerpmunitie, en op 24 september werd er melding van gemaakt dat het geschut had teruggeschoten. Deze luchtaanvallen hielden waarschijnlijk verband met de uitvoering van operatie Market Garden. Dergelijke aanvallen moesten eventuele Duitse versterkingen of proviandering ophouden. Op 1, 4 en 5 januari 1945 wordt de brug opnieuw aangevallen, nu door jachtbommenwerpers van het type Hawker Typhoon. Op de laatste dag is de actie succesvol. Korthals Altes beschrijft deze acties:
“Op deze gedenkwaardige Nieuwjaarsdag waren ook de geallieerden in het offensief. Zo werden de aanvallen op de rivierovergangen hervat. Gillam’s 193 Squadron had de Lekbrug bij Vianen als doel. Een 500-lbs-bom trof een pijler. Vier dagen later lukte hier, aan welgeteld niet meer dan zeven Typhoons , wat een karavaan van middelzware bommenwerpers in het afgelopen kwartaal maar zelden hadden vermocht: de totale vernietiging van een grote brug. Met een rond de 50º duik stortten zich de jagers van 2300 m omlaag om halverwege de grond hun 1000-ponders los te laten. De tweede Typhoon van de formatie plaatste een voltreffer en toen de laatste golf over het doel raasde zakte de hele overspanning in de Lek.”98
Figuur 7. Op een RAF-luchtfoto van 22 januari 1945 is de schade aan de Lekbrug van Vianen en bomkraters op de oever goed zichtbaar (Wageningen University & Research - Library, Special Collections; RWk.2-8; RAF 540-01-0006).
Op Figuur 8 staat het inundatiegebied aangegeven ten westen van IJsselstein. Het water werd door opgeworpen kaden weggehouden bij het stadje. Dat werk werd overigens opgedrongen aan de mannelijke burgerbevolking die begin april 1944 een oproep kregen. Ieder van 16 jaar en ouder moest zich melden. Het gros diende hele dagen te werken, een aantal beroepsgroepen hoefden slechts halve dagen. Alleen de bakkers waren gevrijwaard van ‘spitten voor de Moffen’, zoals het illegale blad Trouw het in februari dat jaar al had genoemd.
Tevens is een de tankgracht ten zuiden van IJsselstein en luchtafweerstellingen ten zuidoosten van die plaats aangegeven.99 In IJsselstein zelf stonden door de Duitsers aangebrachte betonblokkades onder andere op de kruising Hogebiezen – Provinciale Weg, Achtersloot-Benschopperweg en op het Eiteren ter hoogte waar tegenwoordig de winkel van Welkoop is. Rondom IJsselstein was aan de westzijde van de IJssel een tankgracht gegraven, met zeer steile taluds. Deze tankgracht liep vanaf de Lagedijk ongeveer langs het punt waar nu de TV zender van Lopik staat in de richting Hogebiezen naar het kruispunt Hogebiezen / Provinciale Weg. Van dit punt werd de Provinciale Weg gevolgd in de richting van ’t Hemeltje. Ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige IJsbaan ging hij in een grote bocht over de Benschopper-weg en de Groenendijk naar de Achtersloot ter hoogte van de huidige trambaan, om tenslotte bij het Eiteren de Hollandse IJssel te bereiken. Op de Lagedijk en Hogebiezen waren luchtafweerstellingen opgesteld, ter verdediging van de Lek en het zendercomplex.100
Figuur 8. Gearceerd: het geïnundeerde gebied ten westen van IJsselstein (naar Murk 1995, 271).
Figuur 9. Inundatie ter hoogte van Boveneind in 1945 (Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, L0774).
In de polder Broek werd een oppervlakte van ca. 230 hectare geïnundeerd, als onderdeel van de Hintere Wasserstellung, de inundatiegordel die zich door het westen van de provincie Utrecht uitstrekte. Ook werd er een tankgracht gegraven die zich van Lopik uit in een wijde boog om de stad heen boog, daarbij Benschopperweg, Achtersloot, Zuid- en Noord-IJsseldijk doorsnijdend. De tankgracht werd spoedig na de bevrijding gedempt.101
De geschutsopstellingen zullen zijn ingegraven of op het oppervlak hebben gestaan met een zandzakken bescherming. Tevens is rekening te houden met de aanwezigheid van schuilnissen voor de bemanning bij een directe aanval vanuit de lucht, en met de kuilen voor munitieopslag.102
Op het moment van het staken van de strijd op 4 mei 1945 waren de Canadese en Britse troepen nog veel verder van IJsselstein weg vergeleken met de positie van de Duitse troepen op 14 mei 1940. Er is zo bij de bevrijding van deze plaats geen schot gelost.
Figuur 10. Overzicht van de bevrijding van Noord- en Oost-Nederland in 1945 (naar Klep 2020).
Civiel IJsselstein
Net als elders in Nederland werd in september 1941 de gemeenteraad opgeheven en de wethouders ondergeschikt gemaakt aan de burgemeester. Burgemeester Johannes J. Abbink Spaink bleef in het geniep nog wel met zijn wethouders samenwerken.
Op 1 mei 1943 vond er een staking plaats van IJsselsteinse fabrieksarbeiders. De SD greep in en wilde als afschrikkend voorbeeld drie van die stakers executeren. Burgemeester Abbink Spaink verzette zich hier openlijk tegen. Binnen twee weken werd hij zelf zonder reden ontslagen, en werd vervangen door NSB-burgemeester Henri Moot.
Veel van de verzetsdaden waren kleinschalig, maar op 13 maart 1944 werd er een grotere actie uitgevoerd. Op die dag werd het gemeentehuis overvallen. Het doel was om zoveel mogelijk persoonsbewijzen en distributiebonnen buit te maken, hetgeen lukte. Vooral de persoonsbewijzen waren lastig om na te maken. Moot en een aantal van zijn ambtenaren werden opgesloten in de kluis. Het is niet duidelijk of deze ambtenaren een aandeel hadden in de actie. De kans hierop is wel groot aangezien ze na enige tijd alle bevrijd zijn van buitenaf. Een andere verzetsdaad is het tot zinken brengen van een schip bij de gasfabriek in IJsselstein. Hiertoe werd een springlading onder de romp aangebracht.103
Burgemeester Moot speelde iets later een dubieuze rol in het zogeheten verraad van Benschop, waarbij verzetsleden in het openbaar werden geëxecuteerd. Wat hieraan voorafging was dat op 13 februari 1945 Duitse soldaten het dorp binnenvielen. Ze wisten waar ze moesten zijn, mogelijk door een vermomde man die de weg wees. Sommigen nemen aan dat dit NSB-burgemeester Moot zelf was. De razzia leidde tot een schietpartij waarbij aan beide zijden slachtoffers vielen. Een groot aantal mannen werd weggevoerd, waarvan zeven enkele dagen later op het erf van een boerderij werden gefusilleerd.
Hoewel Moot op 5 mei schielijk met de noorderzon vertrok werd hij later opgepakt en tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Op 7 mei 1945 kort voor de intocht van de bevrijders, keerde Abbink Spaink terug als burgemeester.
Figuur 11. Op 5 mei 1945 verzamelden Duitse troepen zich voor de aftocht op de Plaats voor het stadhuis van IJsselstein. Rechts werden goederen op karren geladen. Links liepen stoere kinderen met de Nederlandse vlag de straat op (canonvannederland.nl).
De plaats van de Duitsers werd in IJsselstein al snel ingenomen door groep van zo'n 260 Canadese militairen van de 18th Field Company R.C.E. (Royal Canadian Engineers). Ze bleven hier gedurende de periode van 16 juli t/m 23 juli 1945. Hun aanwezigheid was kort, maar gezien hun taken waren ze ideaal voor het verlenen van herstel en noodhulp.
Figuur 12. Een Humber pantserwagen reed op 7 mei 1945 het café-restaurant Ridder Sint Joris voorbij (canonvannederland.nl).
Het was in deze zelfde periode dat veel van de jonge mannen terugkeren, die verplicht te werk waren gesteld in Duitsland. In totaal waren dat 450 personen, waaronder 50 vrijwilligers. De impact op het sociale en maatschappelijke leven was enorm door hun afwezigheid. Slechts een klein aantal was tijdens een zeldzaam verlof in IJsselstein ondergedoken, maar het gros keerde pas na de bevrijding terug.
Wie niet terugkwamen waren de twee mensen die tijdens de landelijke razzia op Roma en Sinti in IJsselstein op 16 mei 1944 zijn opgepakt. Drie dagen later waren ze al op transport naar Auschwitz gesteld.
Vliegtuigcrashes
In het SGLO-verliesregister staat voor de gemeente IJsselstein een crashlocatie vermeld.104 Op 13 mei 1940 werd boven het nog onbebouwde Kanaleneiland bij Utrecht een Duitse Heinkel HE 111 P bommenwerper met registratie 5J + CH van 1./KG 4 door de Nederlandse 11e Batterij luchtdoelartillerie neergehaald (Figuur 13).105 Het toestel maakte een noodlanding in een weiland naast een boomgaard van dhr. Spelt aan de Lagedijk. Het toestel bleef vrijwel intact en de bemanning overleefde de crash, maar werd al snel na een kort vuurgevecht krijgsgevangen gemaakt. Hun lot is ongewis, maar de kans is groot dat ze diezelfde dag of de dag erna via IJmuiden per schip werden afgevoerd naar Engeland om de rest van de oorlog niet meer inzetbaar te zijn. Aan boord van het toestel werden zeer belangrijke documenten gevonden, die onder gewapend geleide naar de commandant Veldleger luitenant-generaal J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst werden gezonden.106 De bewapening van deze Heinkel 111 bestond uit vier mitrailleurs MG 15, en er kon 2000 kilo aan afwerpmunitie worden meegevoerd. Er waren nog ca. 30 vliegtuigbommen in het vliegtuig aanwezig die vervolgens naast het toestel in het gras werden gelegd, onder de bewaking van Nederlandse militairen.107
Op 1 januari 1945, op nieuwjaarsdag, stortte tussen huis en schuur van een boerderij aan de Hoge Biezen een Duits vliegtuig neer. Het toestel, een Messerschmitt Bf109 K-4 van 11./JG 27, is geheel verbrand, zonder noemenswaardige schade aan de boerderij aan te richten.108
Figuur 13. De op 13 mei 1940 neergehaalde Heinkel He 111 bij de Lagedijk (beeldbankwoII.nl).
Figuur 14. Locatie van de crashsite van de Heinkel 111 (naar Den Braven 2018).
Bombardementen
Op 13 mei 1940 hebben er luchtbombardementen plaatsgehad tussen de nieuwe rijksweg Utrecht – Den Bosch (huidige A2) en de Hoogen Dijk waarbij een Nederlands militair sneuvelde. Ook in de Achtersloot te IJsselstein en op de brug over de Kromme IJssel ter hoogte van de Rijksweg Utrecht-Den Bosch werden bommen gedropt. Er is geen informatie over schade. Tussen IJsselstein en Montfoort is een colonne vluchtelingen gebombardeerd door Duitse vliegtuigen.
Figuur 15. Uit het voormalige collectie Semi Statische Archiefdiensten: ‘Meldingen betreffende luchtaanvallen in het tijdvak van 10 t/m 14 mei 1940, binnengekomen bij de Rijksinspectie voor de Luchtbescherming te ’s-Gravenhage’ (naar Van den Brandhof 2019).
In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1942 vond een bombardement plaats op IJsselstein.
In de periode tussen april 1942 en 1944 vonden er een aantal beschietingen vanuit vliegtuigen plaats boven het gebied tussen Jutphaas en IJsselstein. Het is niet duidelijk of dit luchtgevechten dan wel aanvallen op gronddoelen zijn geweest.
Aan de zuidkant van de brug over de Hollandse IJssel zijn een aantal bomkraters aanwezig. Deze komen voor op luchtfoto’s van respectievelijk 29 november 1944 (7 stuks) en 19 april 1945 (5 stuks). Gezien de data is de kans het grootst dat het geallieerde bomaanvallen betreft.
Alle bombardementen zullen sporen hebben achtergelaten, zoals bomkraters. In veel gevallen zullen deze met aanwezige stort of puin al dan niet vermengd met ander afval zijn afgevuld. In het ergste geval is de afwerpmunitie zelf nog aanwezig indien ontstekingsinrichtingen niet hebben gewerkt. Hoewel ook dit formeel modern oorlogserfgoed betreft, is omwille van de veiligheid geen advies tot behoud te geven.
2.4 Koude Oorlog
Wat betreft de periode van de Koude Oorlog komt de inrichting van IJsselstein er bekaaid van af. De enige objecten betreffen de toegangswegen over het gemeentelijk grondgebied van IJsselstein richting de noodstudio Lopik. Hier is een bunker gevestigd aan de Biezendijk in Lopikerkapel (gemeente Lopik) nabij de Gerbrandytoren. Deze bunker is in de aanloop naar de Koude Oorlog aangelegd en is een van de vier noodstudio's in Nederland die onder crisis- en oorlogsomstandigheden gebruikt zouden kunnen worden. De bunker was eigendom van en in gebruik bij de Rijksvoorlichtingsdienst.
In de bunker was een omroepstudio, versterkerstation en een omroepzender van de middengolf (747 kHz) aanwezig. De bunker was zo ingericht dat men via de ingang eerst door een ontsmettingsruimte moest gaan voordat de bunker zelf betreden kon worden. Ook waren er levenssystemen aanwezig waardoor het ook tijdens zware omstandigheden gewoon kon functioneren.
De bunker zelf ligt op een zandpakket zonder fundering, op deze manier zou hij de ontploffing van een kernwapen van 20 kiloton op een kilometer afstand kunnen weerstaan. Door het gebrek aan fundering en een speciale constructie kan de bunker elke richting op 30 meter vrij bewegen en een hoek aannemen van maximaal 35 graden. Bij het portiershuis is een aparte fundering voor luchtafweergeschut geplaatst.
Alhoewel de zendapparatuur tegenwoordig verwijderd is, functioneren de andere systemen nog wel en zou hij binnen 24 uur weer operationeel te maken zijn. Dat is althans als de huidige eigenaar, een projectontwikkelaar, het niet inmiddels rücksichtslos om zeep heeft geholpen.
Verder zijn er alleen in dezelfde buurgemeente Lopik een munitiecomplex en twee mobilisatiecomplexen bekend. Het betreft ten eerste MMC Benschop, een tussen 1957 en 1997 gebruikt munitiemagazijncomplex aan de Ingenieur F.E.D. van Enschedeweg. Het is nog grotendeels intact.
Complex Lopik is een mobilisatiecomplex aan de Reinaldaweg. Het is net als Benschop ook in 1957 in gebruik gekomen, maar functioneert nog steeds. Iets verder aan dezelfde weg ligt nog een mobilisatiecomplex: Complex Jaarsveld. Dit complex staat ook bekend als ‘Lopik (Jaarsveld)’. Op dit moment worden de loodsen verhuurd als bedrijventerrein.
Een mobilisatiecomplex of MOB-complex is de naam voor een complex van gestandaardiseerde militaire gebouwen met bijbehorende infrastructuur. De meeste complexen werden tussen 1951 en 1961 gebouwd. Rond het jaar 2000 toen de Koude Oorlog ruim voorbij werd geacht, werden veel complexen gesloten (en gesloopt). In een gemiddeld Mobilisatiecomplex ligt geen munitie, maar vooral ander materiaal en materieel. De munitie is voorbehouden aan de MMC locaties, met andere eisen aan opslag, gebouwen en bewaking.
Figuur 16. Locatie van Mobilisatiecomplexen nabij IJsselstein (defensiefotografie.nl).
Literatuur
Abbink Spaink, J. J. (1963). IJsselstein, verleden en heden. IJsselstein.
Bosman, A. V. A. J. (2010). Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH: Een historisch overzicht en verwachtingsmodel (Past2Present rapport 510). Woerden.
Bosman, A. V. A. J., Geerts, R. C. A., & Sam, D. (2017). Een brug te ver onderzocht: Archeologisch onderzoek in Stadsblokken-Meinerswijk, gemeente Arnhem (ADC Monografie 22). Amersfoort.
Bosman, A. V. A. J., van Ginkel, E. J., Verweij, J., & Waldus, W. (2014). De archeologie van modern oorlogserfgoed: Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1 (ADC rapport 3595). Amersfoort.
Bosman, A. V. A. J., & Willemsen, M. (2019). De archeologie van modern oorlogserfgoed 2: Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie (Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85). Dordrecht.
Brandhof, W. van den. (2015). Vooronderzoek NGCE Verkenning Centraal Holland (AVG-rapport 1562003-VO-03), Heijen.
Brandhof, W. van den. (2019). Vooronderzoek CE: Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord (AVG rapport 1962026-VO-01). Heijen.
Braven, G. den. (2018). Vooronderzoek CE: IJsselstein de Kroon (AVG rapport 1862022-VO-02). Heijen.
Copier - Van den End, R. (1995). Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog (Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9). Nieuwegein.
Dijk, T. A. van. (2015). Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein. Historische Kring IJsselstein, 147/148, 37-48.
Eversteijn, T. (2003). Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945. z.pl.
Fleischer, W. (2015). Deutsche Abwurfmunition in Zweiten Weltkrieg : Basiswissen über Bomben , Behälter , Lufttorpedos , Minen , Verpackungen und Zünder. Aken.
Grimm, P., van Loo, E., & de Winter, R. (2009). Vliegvelden in oorlogstijd: Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945. Amsterdam.
Kleijn, H. C. M., van Suchtelen van de Have, R. J. A., Hierck, D. A., van Tilburg, B. A., & de Vries, A. (Red.). (2004). Op weerstand gebouwd: Verdedigingslinies als militair erfgoed. Zwolle.
Klep, C. (2020). De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland. Militaire Spectator, 4-2020, 226-227.
Klep, C., & Schoenmaker, B. (Red.). (1995). De bevrijding van Nederland 1944-1945: Oorlog op de flank. Den Haag.
Koen, D. T. (1990). Utrecht verdedigd: Fortificatie en mobilisatie 1914-1940. Utrecht.
Koen, D. T. (1995). Een onuitdoofbaar vuur: Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bunnik.
Korthals Altes, A. (1984). Luchtgevaar: Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945. Amsterdam.
Michels, J. (2021). ‘…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40. Oirschot.
Molenaar, F. J. (1970). De luchtverdediging in de meidagen van 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 7, Band I en II). Den Haag.
Murk, L. (1995). De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945. Historische Kring IJsselstein, 72/73, 267-278.
Nierstrasz, V. E. (1955). De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 3). Den Haag.
Palma, J. (2009). Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’ (T&A Survey rapport 0908-GPR1505). Amsterdam.
Rolf, R., & Sakkers, H. (2005). Duitse bunkers in Nederland. Middelburg.
Schuring, H. A. (1958). De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog (Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). Aalten.
Veenstra, S. L. (1992). In de schaduw van de glorie: Overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977. Zutphen.
Vliet, J. van. (1979). Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III. Historische Kring IJsselstein, 5. IJsselstein.
Volkers, K. (2009). Geheim landschap: 200 jaar militairen op de Heuvelrug. Utrecht.
Will, C. (2002). Sterk Water: De Hollandse Waterlinie. Utrecht.
Zijlstra, G. (1977). Diary of an air war. New York.
Zwanenburg, G. J. (1980-1982). En nooit was het stil….Kroniek van een luchtoorlog (Deel 1, 2 en bijlage). Den Haag.
Internetbronnen
Beeldbank WO2. (z.d.). Beeldbank WO2. https://beeldbankwo2.nl/nl/
Canon van Nederland. (z.d.). Tijdvak Tweede Wereldoorlog in IJsselstein. https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
Defensiefotografie. (z.d.). MOB-complex Lopik. https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/
Historische Kring IJsselstein. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. http://hkij.asuscomm.com/
Museum IJsselstein. (z.d.). Bezet & vrij: De herinneringen. https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/
RTV Utrecht. (2021, september 23). Explosievenonderzoek bij Lekbrug : ‘Er kunnen nog oude vliegtuigbommen liggen’. https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommen-liggen
Studiegroep Luchtoorlog. (z.d.). Verliesregister. http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl
Wikipedia. (2021, maart 3). Inundatie (1944-1945).https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945)
Wikipedia. (2020, december 1). Nieuwe Hollandse Waterlinie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie
Wikipedia. (2020, mei 17). Noodstudio Lopik. https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik
RHC Rijnstreek. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/
RHC Rijnstreek. (z.d.). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/
Archieven
Kadaster, Emmen.
Military Legacy, Dordrecht.
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), Den Haag.
NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Amsterdam.
Nationaal Militair Museum (NMM), Soesterberg.
Universiteit Wageningen.
Bijlage 7. De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject
1 Wettelijke eisen aan het archeologisch onderzoek en de uitvoerders
De Erfgoedwet stelt voor uitvoerders van archeologisch onderzoek certificering verplicht (artikel 5.1).109 Volgens het “Besluit aanwijzing richtlijn op professionele wijze verrichten van opgravingen” moeten de certificaathouders voldoen aan de Beoordelingsrichtlijn 4000 Archeologie (BRL 4000) versie 4.1110 , en het archeologische onderzoek moet voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1; zie bijlage 6). De KNA bevat verplichte protocollen en andere eisen en richtlijnen. Enkele KNA-protocollen (PvE, bureauonderzoek en specialistisch onderzoek) zijn weliswaar verplicht, maar hiervoor stelt de wet geen certificaat verplicht (vrijwillig certificaat). Om zeker te zijn van een geborgde kwaliteit wordt geadviseerd ook het uitvoeren van PvE's, bureauonderzoeken en specialistisch onderzoek door gecertificeerde uitvoerders verplicht te stellen (in navolging van enkele provincies en gemeenten).
2 Onderzoeksystematiek volgens de KNA
Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens een getrapt systeem; een zogenaamde onderzoekstrechter die van grofschalig/extensief tot fijnschalig/intensief onderzoek voert. Na elke onderzoeksfase kan op basis van het bijbehorende onderzoeksrapport blijken dat van verder onderzoek afgezien kan worden. Dit laatste is echter ter beoordeling aan de gemeente: de gemeente toetst alle archeologische onderzoeksrapporten. Zij kan deze afkeuren. Goedkeuring betekent niet automatisch dat de gemeente het onderzoeksadvies (geheel) volgt, al zal dit meestal wel het geval zijn.
Hieronder wordt een globale omschrijving gegeven van de gebruikelijke stappen bij archeologische onderzoek – die in de meeste gevallen niet alle nodig blijken te zijn. Voor de details zie de KNA https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000.
2.1 Bureauonderzoek
Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens, bekende archeologische waarden en recent uitgevoerde archeologische onderzoeken in de nabije omgeving worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. De gemeentelijke verwachtingskaart is een goed starpunt maar is een kaart op gemeentelijk niveau. Voor een betrouwbare gespecificeerde verwachting is een nadere verfijning op perceelsniveau noodzakelijk. Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient onderbouwd aangegeven te worden welke methode hiervoor het meest geschikt is (zie paragraaf 6.4.2, karterende fase).
2.2 Inventariserend veldonderzoek
Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden.
Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase. Het doel van een verkennende fase is het in kaart brengen van de vormeenheden van het landschap en het vaststellen van de intactheid van de bodem. Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is.
Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea's zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden.
Verkennende fase
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente IJsselstein kan het uitvoeren van een landschappelijk gericht booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase, gezien het feit dat in grote gebieden niet op voorhand bekend is op welke diepte de archeologisch relevante bodemlaag zich bevindt. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. In het geval van begraven bodems is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van de afdekkende laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten.
Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek. Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied.
Karterende fase
Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een proefsleuvenonderzoek of een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. Proefsleuvenonderzoek is geschikt voor het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door grondsporen en een lage dichtheid aan vondsten. Karterend booronderzoek is met name een geschikte prospectiemethode bij het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door een hoge dichtheid aan vondsten, al dan niet in combinatie met grondsporen. Een oppervlaktekartering kan gebruikt worden als in een onderzoeksgebied “aangeploegde” vondstlagen zijn te verwachten.
De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd. Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is voor het opsporen van vindplaatsen waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan. Grondsporen zijn middels een booronderzoek vrijwel nooit te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Bij dergelijke vindplaatsen is proefsleuvenonderzoek de geëigende prospectiemethode. Dit geldt ook voor prospectie in stads- en dorpskernen waar de bodem doorgaans geroerd is maar met booronderzoek zeer moeilijk is vast te stellen of dit oudtijds heeft plaatsgevonden (dus een archeologisch niveau betreft) of van recente datum is (een recente verstoring). Hoewel een karterend proefsleuvenonderzoek kostbaarder is dan booronderzoek, heeft het als voordeel dat met enkele gerichte uitbreidingen tevens voldoende gegevens verzameld kunnen worden voor een waardesteling van een aangetroffen vindplaats (zie volgende subparagraaf Waarderende fase). Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist.
Als hulpmiddelen bij de keuze voor een geschikte prospectiemethode wordt verwezen naar de Leidraad proefsleuvenonderzoek (IVO-p) en Leidraad karterend booronderzoek (IVO-o; beide uitgegeven door de SIKB), een de website “Prospectie op Maat” van de RCE.
Waarderende fase
Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek.111 Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken.112 Op basis van de waardestelling zoals deze uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3).
2.3 Behoud
Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit 2 vervolgstappen; behoud in situ of opgraven (behoud ex situ). Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een archeologische begeleiding.
Behoud in situ
Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden. Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het omgevingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd.
Opgraven (Behoud ex situ)
Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij alle sporen en vondsten worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd.113 Na de opgraving is het terrein in principe archeologie-vrij en zijn er geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten.114 Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk dusdanig zijn dat behoud in situ geen optie is.
2.4 Archeologische begeleiding (proefsleuven- en opgraving-variant archeologische begeleiding
Bij hoge uitzondering kan een regulier proefsleuvenonderzoek of opgraving vervangen worden door een proefsleuvenonderzoek of opgraving in de variant ‘archeologische begeleiding’. In de Memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Monumentenwet 1988 zijn een aantal mogelijke aanleidingen voor een begeleiding opgesomd:
- -
Wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen;
- -
Wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven. De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien;
- -
Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten.
Om meer praktische redenen wordt soms ook gekozen voor de variant archeologische begeleiding:
- -
Wanneer het gaat om een ontwikkeling met een laag archeologisch risico, bijvoorbeeld als archeologische resten met een lage trefkans (lage dichtheid) en ene kleine omvang of complexiteit verwacht kunnen worden, kan een archeologische begeleiding voor de vergunningaanvrager een aantrekkelijk alternatief zijn omdat tijd- en procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Voorwaarde is wel dat in het PvE strikte eisen aan de uitvoering van de begeleiding worden gesteld zodat geen archeologische resten ongezien verloren gaan. Daarnaast dient de vergunningaanvrager rekening te houden met de mogelijkheid dat de duur van het onderzoek minder goed is in te plannen (planningsrisico).
- -
In het geval van de aanleg van kabels- en leidingensleuven met een voldoende breedte om zinvolle archeologische waarnemingen te kunnen doen, is een archeologische begeleiding een geschikte methode omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die de kenmerken heeft van een reguliere proefsleuf.
- -
Wanner de bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, en de verwachting bestaat dat de archeologische resten zich direct onder het maaiveld bevinden. In dat geval kan men er voor kiezen om de sloop tot op of net onder het maaiveld archeologisch te laten begeleiden. Als archeologische resten aanwezig blijken, dienen deze te worden gedocumenteerd of men kan ervoor kiezen om mag op die locatie de sloop stil te leggen en in een later stadium een regulier proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Een archeologische begeleiding kan worden uitgevoerd als een variant onder KNA-protocol proefsleuven (indien nog onvoldoende informatie beschikbaar is voor een waardestelling), of onder het KNA-protocol opgraven (indien er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats of indien de aanwezigheid hiervan aannemelijk is).
2.5 Depotbeheer
In artikel 5.7 van de Erfgoedwet is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen eigendom is van de depothouder; in het geval van IJsselstein geldt dat de provincie Utrecht de depothouder is. Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie. Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard. Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn.115
Noot
7Het bureauonderzoek dat aan kaartbijlage 4 Relicten modern oorlogserfgoed ten grondslag ligt, is als bijlage 6 in het rapport opgenomen.
Noot
9Sinds de aankondiging ervan in 2014, is de invoering van de wet herhaaldelijk uitgesteld. De huidige, voorziene ingangsdatum is 1 januari 2024 (www.rijksoverheid.nl; geraadpleegd januari 2023).
Noot
13De overgenomen bestemmingsplannen worden in het zogenoemde tijdelijk deel van het omgevingsplan IJsselstein nog steeds aangeduid als bestemmingsplan. Het zijn echter geen juridisch aparte bestemmingsplannen meer, maar (tot uiterlijk 2032 tijdelijke) onderdelen van het omgevingsplan.
Noot
15Zie: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/omgevingswet/veelgestelde-vragen/veelgestelde-vragen---rijksmonumenten#:~:text=1.10%20Wie%20is%20bevoegd%20gezag,gaat%20om%20een%20meervoudige%20aanvraag.
Noot
16Voor bodemingrepen tot 100 m² mag de gemeente hier, mits onderbouwd, van afwijken (‘kruimelgevallenregeling‘).Deze regeling wijzigt niet onder de Omgevingswet.
Noot
17In hoofdstuk 6 wordt uitgebreid ingegaan op de AMZ-cyclus en de specifieke invulling ervan in de gemeente IJsselstein.
Noot
20Bij archeologische vondsten moet gedacht worden aan materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten al dan niet in combinatie met antropogene grondsporen.
Noot
21Aanvullende informatie van AMK-terreinen die voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Valletta (circa 2000/2004) zijn vastgesteld, is mogelijk aanwezig in de (thans niet meer toegankelijke) Livelink dossiers. Het kan bij ontwikkelingen op dergelijke AMK-terreinen zinvol zijn deze dossiers bij de RCE op te vragen en te raadplegen.
Noot
22Informatie over waarnemingen van amateurarcheologen zijn aangeleverd door dhr. T. van der Tier (AWN) namens de HKIJ. De informatie is verwerkt in de vindplaatsencatalogus, de catalogus met onderzoeken en de kaartbijlagen 1, 2 en 5 en 6. De literatuur waarnaar in
Noot
23De Archeologische Monumentkaart werd bijgehouden en geactualiseerd door de RCE, sinds deze daar echter in 2014 mee is gestopt is de AMK een statisch bestand geworden.
Noot
24Voor informatie over IJsselstein in de prehistorie en Romeinse tijd, zie T. van der Tier 2020 & 2022.
Noot
25Het contacteren van lokale historische/heemkundige verenigingen heeft geen aanvullende archeologische vindplaatsen opgeleverd.
Noot
26Zie bijvoorbeeld de losse vondstmeldingen in en direct rondom de AMK-terreinen 1972, 113844 en 11385. In de vindplaatscatalogus staan de oorspronkelijke, samengevoegde zaakidentificatienummers vermeld. (vgl. vindplaatscatalogusnr. 92).
Noot
35Het dekzand wordt gerekend het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Schokker et al. 2003).
Noot
37Voor de interpolatie van het dekzandoppervlak is gebruik gemaakt van de inverse distance-interpolatie van Mapinfo/Vertical Mapper (met de volgende parameters, cellgrootte: 25 meter, zoekstraal: 2000 meter, exponent: 6).
Noot
38Verder staan in het DINOloket nog circa 150 boringen in de gemeente IJsselstein geregistreerd, die niet tot in de pleistocene ondergrond reiken.
Noot
39DINO-loket: boringen B31G0403, B31G0409, B38E1396, B38E1399, B38E1458, B38E1459, B38E1468, B38E1470, B38E1475, B38E1476, B38F1468 ,B38F1529, B38F1530, B38F1531, B38F1532, B38F1533, B38F1534, B38F1535, B38F1542, B38F1580, B38F1583 en B38F1752.
Noot
45Geraadpleegd via: https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart of het Utrechts Archief (https://hetutrechtsarchief.nl/).
Noot
46Eiteren komt als ‘Aiturnon’ voor op een lijst met goederen bij de Zuiderzee van het klooster Werden (bij Essen in Duistland) uit ca. 900 AD: ”Te Aiturnon Sancti Liudgeri”. Een andere vroegmiddeleeuws goed betreft de villa Ubburon /Opburen die op een lijst met goederen van de St. Maartenskerk (uit Utrecht), opgesteld tussen 777 en 866, wordt genoemd. Vermoedelijk lag de villa nabij het Hoge Land in het gebied Over-Oudland, aan de oostzijde van de A2 in de gemeente Nieuwegein. Zie oo vindplaatscatlogusnr. 63.
Noot
47Respectievelijk www.molendatabase.org (verdwenen molens) en www.molendatabase.nl (bestaande molens).
Noot
63Van Engeldorp‐Gastelaars, 2022. In de nabijheid staan nog twee onderzoeken in Archis geregistreerd (Onderzoekscatalogusnr.: 204 & 209) die nog niet zijn gerapporteerd of niet zijn uitgevoerd.
Noot
69Hanemaaijer 2013,Ten Broeke 2016b. Een derde in Archis geregistreerd booronderzoek betreft onderzoekscatalogusnr. 207. Waarschijnlijk is dit onderzoek (nog) niet uitgevoerd omdat eerste bevindingen en eindrapport ontbreken.
Noot
73https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/naoorlogse-woningbouw/
Noot
77Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd.
Noot
80Een bufferzone van 50 m wordt vaker gehanteerd bij dergelijke objecten. Zie o.m. de archeologische beleidsnota van Woerden.
Noot
87Voor een uitgebreid overzicht van het archeologisch onderzoekstraject volgens de KNA, wordt verwezen naar bijlage 7.
Noot
88Artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. In het Burgerlijk Wetboek wordt overigens niet van een monument, maar van een schat gesproken. Het is overigens de vraag in hoeverre metaaldetectorvondsten als 'toevalsvondsten' gezien moeten worden, omdat deze juist met deze bedoeling worden opgespoord. Het verdient daarom aanbeveling in de APV een metaaldetectieverbod op te nemen voor archeologische monumenten (AMK-terreinen), teneinde aantasting van deze terreinen te voorkomen.
Noot
92Deze banen warden opzettelijk langer gemaakt dan nodig: tussen de 2000 en 3000 m. Dit bevorderde de waarneembaarheid vanaf grotere hoogte. Ze waren daarmee zichtbaar vanaf een hoogte van 2500 m, terwijl de echte vliegvelden pas waarneembaar waren vanaf 700 m!
Noot
93Saillant detail is dat veel van die gebruikte vliegtuigmodellen zijn gemaakt door de filmdecorfabriek van de Cinetone Studio aan de Duivendrechtsekade in Amsterdam en in een timmerfabriek in Haarlem.
Noot
102Zie bijvoorbeeld Bosman, Geerts & Sam 2017 met onderzoek naar een Duitse 2 cm Flakstelling nabij de John Frost brug te Arnhem.
Noot
107Gezien het aantal betreft het mogelijk de ca. 50 kg zware Splitterbombe SD-50 (Mehrzweckbombe), Spreng- & Brandbombe C-50, Brandbombe C-50 a of B of Nebelbombe NC-50 of een combinatie hiervan.
Noot
111Bij steentijdvindplaatsen van jager-verzamelaars kan een waarderend booronderzoek wel een optie zijn, deze liggen in IJsselstein echter op een diepte van 5 m of meer**.
Noot
113Er wordt altijd gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. Dit kan betekenen dat niet de hele vindplaats (alle sporen) hoeft te worden opgegraven.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl