Beleidsregels Wet Bibob gemeente Dronten 2025

Geldend van 18-11-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Wet Bibob gemeente Dronten 2025

Het college van de gemeente Dronten en de burgemeester van de gemeente Dronten ieder voor zover het de eigen bevoegdheden betreft;

gelet op:

  • het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • de geldende relevante bepalingen in de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Aanbestedingswet, het Burgerlijk Wetboek, de Algemene plaatselijke verordening, de verordening fysieke leefomgeving, de Verordening winkeltijden en de Algemene subsidieverordening;

B E S L U I T :

vast te stellen de volgende Beleidsregel Wet Bibob gemeente Dronten 2025 (Beleidregels Bibob 2025)

Inleiding

Wat is de Wet Bibob?

Wet Bibob staat voor Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend geld mogelijk maakt. Bibob staat voor “bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur”. De gemeente voert daarom een Bibob-onderzoek uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit, dus of iemand te vertrouwen is en niet betrokken is bij criminele activiteiten. De gemeente kan ook mensen uit iemands zakelijke omgeving onderzoeken.

Wanneer kan de gemeente een Bibob-onderzoek doen?

De gemeente mag alleen een Bibob-onderzoek doen bij de volgende activiteiten:

  • -

    activiteiten waarvoor een vergunning/ontheffing nodig is;

  • -

    activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;

  • -

    opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten);

  • -

    vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.

In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het Bibob-onderzoek mogen doen.

Wat kunnen de gevolgen zijn van een Bibob-onderzoek?

De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik beslissen geen vergunning, ontheffing of subsidie te verlenen, overheidsopdracht te verstrekken of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om een vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te stoppen.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De definities in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing tenzij in lid 2 anders is bepaald.

In deze Beleidsregels Wet Bibob gemeente Dronten 2025 (verder: beleidsregels) wordt verstaan onder:

  • a.

    Wet: Wet Bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (de Wet)

  • b.

    De gemeente: de gemeente Dronten als rechtspersoon met een overheidstaak;

  • c.

    bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming.

  • d.

    aanvraag: de aanvraag om een beschikking, de inschrijving waarmee wordt deelgenomen aan een aanbestedingsprocedure dan wel de aanbieding van de betrokkene tot het sluiten van een overeenkomst betreffende een overheidsopdracht of vastgoedtransactie;

  • e.

    betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidieontvanger, de vergunninghouder, de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie onderhandeld wordt over een dergelijke transactie;

  • f.

    Bibob-onderzoek: een onderzoek uitgevoerd krachtens de Wet Bibob;

  • g.

    Bibob-vragenformulier: het formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 7a, vijfde lid, van de Wet Bibob;

  • h.

    eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek dat de gemeente Dronten uitvoert, zoals bedoeld in artikel 7a van de Wet

  • i.

    eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeentelijke organisatie aanwezig, of informatie die de gemeente in open of gesloten bronnen mag bekijken of aanvragen. De gemeente mag deze informatie gebruiken voor het eigen onderzoek;

  • j.

    RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet;

  • k.

    Landelijk Bureau Bibob: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet (LBB);

  • l.

    vastgoedtransactie: overeenkomsten of rechtshandelingen met betrekking tot onroerende zaken met als doel de verwerving, vervreemding en wijziging van een recht op eigendom of zakelijk recht.

Artikel 1.2 Toepassing Wet Bibob

Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op de toepassing van de Wet Bibob door de rechtspersoon gemeente Dronten en diens bestuursorganen. De beleidsregels laten dus onverlet dat binnen de grenzen van de wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming wordt betrokken.

Artikel 1.3 Afwijking van deze beleidsregels

In deze beleidsregels omschrijft de gemeente Dronten in welke gevallen het een Bibob-onderzoek uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoeren als zij dit nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang het zich aan de Wet Bibob houdt.

Hoofdstuk 2 Beschikkingen

Artikel 2.1 Horeca, speelautomaten(hal), exploitatie en seksinrichting

  • 1.

    Het bestuursorgaan start altijdeen eigen onderzoek bij elke aanvraag voor een (wijziging van een) vergunning als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3 van de Alcoholwet (alcoholwetvergunning):

      • indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf of de overname van een bestaand bedrijf;

      • indien sprake is van de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming.

    • b.

      Artikel 30b en 30h van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning speelautomaten respectievelijk vergunning tot het exploiteren van speelautomaten).

    • c.

      artikel 2 van de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987 (speelautomatenhal):

      • indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf of de verlenging van een vergunning;

      • indien sprake is van de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming.

    • d.

      artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening (exploitatievergunning openbare inrichting):

      • indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf of de overname van een bestaand bedrijf;

      • indien sprake is van de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming.

    • e.

      artikel 3:4 van de Algemene plaatselijke verordening (seksinrichting)

      • indien sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf of de verlenging van een vergunning;

      • indien sprake is van de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het bestuursorgaan ten aanzien van:

    • a.

      Artikel 3 Alcoholwet (aanvraag Alcoholwetvergunning door een para-commerciële rechtspersoon of een slijtersbedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet);

    • b.

      artikel 30a van de Alcoholwet (melding wijziging leidinggevende);

    • c.

      artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening (melding wijziging beheerder openbare inrichting);

    • d.

      artikel 3:4 van de Algemene plaatselijke verordening (melding gewijzigde omstandigheden exploitant en beheerder seksinrichting);

    • e.

      artikel 2 van de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987 (melding wijziging leidinggevende speelautomatenhal)

een eigen onderzoek starten indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.2 (Overige) vergunningen als bedoeld in artikel 7 van de Wet

Het bestuursorgaan kan een aanvraag voor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 7 van de Wet (een gemeentelijke vergunning of ontheffing die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor inrichting of bedrijf) anders dan de situaties als bedoeld in artikel 2.1 van deze beleidsregel, een eigen onderzoek starten indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.3 Evenementen

Het bestuursorgaan kan in geval van een aanvraag als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening (evenementenvergunning), een eigen onderzoek starten indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, start het bestuursorgaan altijd een eigen onderzoek in geval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.25 van de Algemene plaatselijke verordening, indien de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportwedstrijd of – gala, zoals bedoeld in artikel 2.24, tweede lid onder f van de Algemene plaatselijke verordening, tenzij deze evenementen onder auspiciën van de landelijke vechtsportbond worden georganiseerd.

Artikel 2.4 Vergunning Omgevingswet

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan in geval van een aanvraag als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet voor:

    • een bouwactiviteit;

    • een omgevingsplanactiviteit;

    • een milieubelastende activiteit;

een eigen onderzoek starten, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2.

    Het bestuursorgaan start altijd een eigen onderzoek indien de locatie waarvoor een vergunning is aangevraagd gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan is aangewezen als risicogebied.

Artikel 2.5 Subsidies

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan in geval van een aanvraag voor het (vaststellen van) een subsidie of bij een reeds verleende (of vastgestelde) subsidie een eigen onderzoek starten, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2.

    Het bestuursorgaan start altijd een eigen onderzoek indien de locatie waarvoor een subsidie is aangevraagd gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan is aangewezen als risicogebied

Artikel 2.6 Verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan bij een reeds verleende vergunning een eigen onderzoek starten indien:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.7 Uitzonderingen

Uitvoering van het eigen onderzoek blijft in beginsel achterwege indien de aanvraag afkomstig is van overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties of woning(bouw)corporaties die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting.

Artikel 2.8 Adviesaanvraag LBB

  • 1.

    Indien na het eigen onderzoek gerede twijfel bestaat over de integriteit van de aanvrager kan het bestuursorgaan vervolgens advies vragen aan het LBB.

  • 2.

    Indien het bestuursorgaan een adviesaanvraag bij het LBB doet stelt het de betrokkene hiervan op de hoogte.

Artikel 2.9 Gevolgen van gebrekkige informatievoorziening door betrokkene

  • 1.

    In geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van dat formulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek kan:

    • a.

      het bestuursorgaan een aanvraag voor een beschikking buiten behandeling stellen op basis van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht of;

    • b.

      het bestuursorgaan een reeds verleende beschikking intrekken op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wet.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om een Bibob-vragenformulier volledig in te vullen, dan wel aanvullende gegevens te verstrekken aan het LBB, op basis van artikel 4, eerste lid van de Wet, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.

Artikel 2.10 Gevolgen van een eigen onderzoek bij aanvragen (tot wijziging) van een vergunning

  • 1.

    Het bestuursorgaan zalin beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning of tot intrekking van een reeds verleende vergunning, indien uit eigen onderzoek of uit een advies van het LBB blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan de weigering van de vergunninghouder om het Bibob-vragenformulier volledig in te vullen op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wet, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan de weigering van de aanvrager van een vergunning of de vergunninghouder om aanvullende gegevens te verschaffen, op basis van artikel 4, tweede lid, van de Wet, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.

  • 4.

    Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar of bij een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van een dergelijk gevaar.

  • 5.

    Het bestuursorgaan kan een vergunning of beschikking weigeren of een beschikking intrekken, indien sprake is van mindere mate van gevaar, die niet kan worden geweerd door het stellen van aanvullende voorwaarden en bovendien de gevolgen van deze weigering niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

  • 6.

    Het verstrekkende bestuursorgaan of de verstrekkende rechtspersoon met een overheidstaak, kan een advies van het LBB op basis van artikel 19 van de Wet gedurende vijf jaar gebruiken voor het nemen van een andere beslissing.

Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties

De gemeente kan een eigen onderzoek doen als de gemeente zelf een vastgoedtransactie doet, zoals het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond.

De gemeente moet het de betrokkene laten weten indien zij een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het LBB om advies vraagt. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit vertellen bij de start van de onderhandelingen.

De gemeente neemt een integriteitsclausule op in het contract voor de vastgoedtransactie, op basis waarvan kan worden over gegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.

Artikel 3.1 Vastgoed- en grondtransacties screening vooraf

  • 1.

    De gemeente kan een eigen onderzoek starten, alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie.

  • 2.

    De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die één of meerdere van de onderstaande kenmerken hebben:

    • hoge mate van financiële complexiteit;

    • hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

    • exceptioneel (financieel) risico voor de gemeente;

    • de transactie heeft betrekking op een beeldbepalende onroerende zaak;

    • het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond is gelegen in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan is aangewezen als risicogebied.

  • 3.

    Het besluit tot uitvoering van het Bibob onderzoek kan daarnaast ook gebaseerd zijn op:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;

    • overige signalen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in de vorige leden start de gemeente altijd een Bibob-onderzoek alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, als het vastgoedobject of een stuk grond gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan is aangewezen als risicogebied.

  • 5.

    Indien de Bibob procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen.

Artikel 3.2 Vastgoedtransacties screening achteraf

  • 1.

    De gemeente kan, een eigen onderzoek starten nadat een vastgoedtransactie tot stand is gekomen indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingscalusule als bedoeld in artikel 5a, sub b, van de Wet is opgenomen én indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie en/of

    • informatie van één van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of

    • vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • Informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald.

Artikel 3.3 Overheidsopdrachten

  • 1.

    De gemeente kan een eigen onderzoek starten bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, dan wel een overeenkomst zorg vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    In de aanbestedingsdocumenten zal worden opgenomen dat inschrijvende partijen er rekening mee moeten houden dat de gemeente, voor dat het tot definitieve gunning over gaat, een eigen Bibob-onderzoek kan uitvoeren en/of het LBB om advies kan vragen.

  • 3.

    In de af te sluiten overeenkomst kan een integriteitsclausule worden opgenomen waarin is aangegeven dat de overeenkomst kan worden ontbonden indien één van de situaties als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet zich voordoet.

  • 4.

    In geval van een overheidsopdracht die onder het bereik van de Wet valt, zal de gemeente een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van:

    • eigen ambtelijke informatie, en/of

    • informatie verkregen van het LBB of wanneer het LBB een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of

    • situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of

    • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of

    • vanuit een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet en/of

    • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of

    • overige signalen,

      vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

  • 5.

    Het vierde lid is zowel van toepassing op de contractpartij als op de onderaannemer.

  • 6.

    De gemeente start altijd een eigen onderzoek vóór het aangaan van de overeenkomst als één of meer activiteiten van de overheidsopdracht gebeuren in een gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan is aangewezen als risicogebied.

Artikel 3.4 Gevolgen Bibob-procedure bij vastgoedtransacties

  • 1.

    De gemeente kan overgaan tot het afbreken van onderhandelingen, indien uit eigen onderzoek en/of het eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt dat één van onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

    • b.

      er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a, tweede en derde ld, van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden, mits de betrokkene gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek;

    • f.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 4, van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het LBB zijn gesteld op basis van dit artikel binnen de door het LBB gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden, mits de betrokkene gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 2.

    Indien er sprake is van het niet verschaffen van de gevraagde gegevens en bescheiden, dan wel het nalaten van de gestelde vragen te beantwoorden zoals onder e en f is gesteld, kan dit een ernstig gevaar opleveren als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.

  • 3.

    In de gevolgen van een eigen onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 3.5 Gevolgen van een beëindigde relatie tussen betrokkene en een derde

  • 1.

    Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, zijn gepleegd door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet, dan kan de gemeente de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar met betrekking tot de vastgoedtransactie.

  • 2.

    Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van de gemeente voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.

Artikel 3.6 Gevolgen van eigen onderzoek bij overheidsopdrachten

  • 1.

    In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit eigen onderzoek dienen als onderbouwing van één of meer uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

  • 2.

    Bij overeenkomsten als bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan de informatie uit eigen onderzoek aanleiding zijn om de overeenkomst niet aan te gaan, dan wel te ontbinden.

  • 3.

    De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van:

    • a.

      het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier gevraagde gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek;

    • b.

      het niet of niet volledig beantwoorden van de door het LBB gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van de door LBB gevraagde gegevens.

Hoofdstuk 4 Informatiedeling

Artikel 4.1 Informatiedeling

  • 1.

    Indien sprake is van een eigen gevaarsbeoordeling of sprake is van een vermoeden dat de betrokkene(n) zicht terugtrekt vanwege het toepassen van de Wet zal het bestuursorgaan (in geval van beschikkingen en vergunningen) of de gemeente (in geval van vastgoed- of grondtransacties of overheidsopdrachten) hiervan melding maken in het Bibob-register van het LBB, zoals bedoeld in artikel 7a, zevende en achtste lid, van de Wet.

  • 2.

    Het bestuursorgaan of de gemeente zal indien hier aanleiding toe is, gebruik maken van haar tipbevoegdheid als bedoeld in artikel 26 van de Wet.

  • 3.

    Het bestuursorgaan of de gemeente zal op verzoek de informatie die zij heeft verkregen op grond van de Wet verstrekken aan een ander bestuursorgaan of andere rechtspersoon met een overheidstaak, zoals bedoeld en onder voorwaarden als genoemd in artikel 28, tweede lid, onder m, van de Wet.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Evaluatie

De uitvoering van deze beleidsregels wordt twee jaarlijks geëvalueerd.

Artikel 5.2 Intrekking huidig besluit

De Beleidsregel Wet Bibob gemeente Dronten 2016 wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 5.3 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 5.4 Citeerartikel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Wet Bibob gemeente Dronten 2025”.

Ondertekening

Dronten, 4 november 2025.

De burgemeester van Dronten,

drs. J.P.Gebben

Het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

R. Hammenga MA

secretaris

drs. J.P. Gebben

burgemeester

Toelichting

1. Inleiding

Eén van de conclusies die de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa in 1996 trok, was dat de ernst van georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door, aldus de commissie.

Criminele personen kunnen met al dat geld infiltreren in het economische leven door bijvoorbeeld gebruik te maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en vastgoedtransacties. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid tot gevolg.

2. De Wet Bibob algemeen

De integriteit van bestuursorganen (bijvoorbeeld een gemeente of een provincie) wordt aangetast als er bij een (verleende) vergunning of bij of een vastgoedtransactie, gebruik wordt gemaakt van ‘crimineel’ geld of wanneer de kans groot is dat een vergunning of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Ter bescherming van hun eigen integriteit, kunnen gemeenten of provincies sinds 1 juni 2003 de Wet toepassen. Deze Wet dient primair ter inschatting van het integriteitsrisico van overheidsorganen. De Wet is dus geen instrument om vermoedelijke criminele gedragingen van personen/organisaties te bestrijden.

Voor de toepassing van de Wet in het algemeen geldt dat het slechts als ultimum remedium, oftewel ‘laatste redmiddel’, dient te worden ingezet. De gemeente is hierdoor verplicht eerst de mogelijkheden na te gaan die de reguliere wetgeving biedt.

3. Waarom beleidsregels?

Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Wet. De Wet is een facultatieve wet. Dat betekent dat een gemeente zelf mag bepalen wanneer dit instrument wel of niet wordt toegepast.

Het invoeren en toepassen van beleidsregels biedt de gemeente meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel de ambtenaren als aan burgers en ondernemingen. Tevens voorkom je als gemeente willekeur in de toepassing van de Wet voor de burger en een onderneming. In de beleidsregels staat namelijk precies aangegeven op welke vergunningen, vastgoedtransacties, subsidies en overheidsopdrachten de Wet van toepassing is en in welke situaties de Wet kan worden toegepast. Tevens geef je als gemeente een nadrukkelijk signaal af voor de bescherming van de eigen integriteit. Dit kan een preventieve werking tot gevolg hebben.

In de gevallen, waarin toepassing van het Bibob-instrument beperkt zal worden tot aangewezen branches/gebieden en daarop toegeschreven risico-indicatoren is het noodzakelijk, dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt.

Gelet hierop gelden voor de gemeente de volgende uitgangspunten:

  • er dient een balans te zijn tussen de inzet van het Bibob-instrumentarium en overige belangen die de gemeente dient te behartigen zoals het mogelijk maken van investeringen in de stad, het faciliteren van ondernemers en andere partners en het verminderen van regeldruk.

  • Het instrument wordt vooral ingezet waar de kans dat zich criminele activiteiten voordoen het grootst is. Door het Bibob instrumentarium risicogericht in te zetten worden de administratieve lasten voor ondernemers zoveel mogelijk beperkt. Ondernemers en markpartijen die te maken kunnen krijgen met een Bibob-onderzoek worden hier in een zo vroeg mogelijk stadium over geïnformeerd.

  • De toepassing van de Wet is één van de middelen in de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit en de aanpak van ondermijning in zijn geheel en vormt samen met de strafrechtelijke en fiscale benadering een integraal geheel.

4. Wetswijzing d.d. 1 oktober 2022

Na de wetswijziging van 1 augustus 2020 (eerste tranche) is op 1 oktober 2022 de Wet wederom gewijzigd (tweede tranche). Het toepassingsbereik is nog verder uitgebreid. Zo is de Wet uitgebreid op vastgoedtransacties en omgevingsvergunningen en vallen diensten als bedoeld in de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning ook onder het bereik van de Wet.

Verder heeft er een verruiming plaatsgevonden in de bevoegdheden tot informatiedeling, onder andere tussen bestuursorganen onderling. Ook kan het bestuursorgaan rechtstreeks informatie vragen aan de Belastingdienst. De verruimde mogelijkheden van de Wet zijn verwerkt in deze beleidsregels.

5. Toepassingsbereik van de Wet

Bestuursorganen kunnen de Wet toepassen op:

  • -

    de beschikking ingevolge de artikel 3 en 30a van de Alcoholwet:

    - de Alcoholvergunning;

    - bijlage bij de Alcoholvergunnining;

  • -

    vergunning ten behoeve van seksinrichtingen;

  • -

    vergunning voor aanwezig hebben van kansspelautomaten;

  • -

    vergunningen vanuit de Huisvestingswet (voorwaarde is een daartoe geldende Huisvestingsverordening);

  • -

    huisvestingsvergunning;

  • -

    vergunning tot onttrekken, samenvoegen of splitsen van een woonruimt;

  • -

    vergunning voor splitsen van recht op gebouw in appartementsrechten;

  • -

    vergunningen/ontheffingen, voortkomende uit Gemeentelijke Verordeningen;

  • -

    omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten, aanlegvergunning en milieuactiviteiten;

  • -

    subsidies.

Voor gemeenten als privaatrechtelijke partner geldt dat:

  • -

    alle overheidsopdrachten kunnen worden getoetst aan de Wet. Per 1 oktober 2022 vallen ook aanbestedingen in het kader van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning onder het bereik van de Wet;

  • -

    alle vastgoedtransacties, zoals genoemd in artikel 1.1, lid 2, onder l, van de beleidsregels, vallen onder het bereik van de Wet.

5.1 Publiekrechtelijke beschikkingen

In artikel 2.1, eerste lid, van deze beleidsregels zijn de beschikkingen opgenomen, waarbij elke aanvraag om (een wijzing van) een vergunning aan de Wet wordt getoetst. De keuze hiertoe is ingegeven door jarenlange ervaringen in den lande, waarbij gebleken is, dat de onderhavige bedrijfsmatige activiteiten middels deze beschikkingen gekenmerkt worden door:

  • -

    het feit dat deze zeer laagdrempelig gestart kunnen worden door de geringe functie-eisen voor de onderhavige ondernemingen;

  • -

    grootschalig gebruik van cash-geld, waardoor zij extra bevattelijk zijn voor invloeden vanuit criminele organisaties voor "witwaspraktijken";

  • -

    dat de bedrijfsmatige activiteiten minder locatie/plaatsgebonden zijn, waardoor het waterbedeffect zich hier nadrukkelijk kan voordoen.

Daarnaast is een aantal ‘kan’-bepalingen opgenomen in deze beleidsregels. Uitgangspunt daarbij is dat een Bibob-toets niet bij elke aanvraag plaats hoeft te vinden. De toepassing blijft in die zaken beperkt tot de gevallen waarin er sprake is van informatie of van bepaalde signalen waardoor er mogelijk een vergroot risico bestaat op criminele invloeden en dus een grote(re) kans op het schaden van de (eigen) integriteit. Aan de hand van het uitvoeren van een voortoets, waarbij openbare bronnen worden onderzocht en/of indicatorenlijsten wordt besloten om al dan geen Bibob onderzoek toe te passen.

5.2 Privaatrechtelijke transacties

De uitbreiding van de Bibob-wetgeving op dit onderwerp beperkt zich tot de gevallen, waarbij de gemeente middels een privaatrechtelijke transactie partij is. Daarbij is het niet gewenst om bij elke transactie tot inzet van dit instrument te besluiten.

In artikel 3.1 van deze beleidsregels wordt de toepasbaarheid bij vastgoedtransacties omschreven.

Dit betreft een uitbreiding van het Bibob-instrument in een sector, die in zijn algemeenheid als krachtig en betrouwbaar wordt beschouwd. Op onderdelen is echter gebleken dat deze sector erg kwetsbaar kan zijn. Ervaring leert dat de sector ‘vastgoed’ vatbaar is voor criminele inmenging dan wel dat er vaker sprake is van ondoorzichtige financieringsstructuren.

In artikel 3.3 wordt de toepasbaarheid bij overheidsopdrachten omschreven.

Sinds de wetswijzing van 1 augustus 2020 kunnen alle overheidsopdrachten worden getoetst aan de Wet. Per 1 oktober 2022 vallen ook de zogenaamde ‘sociale en andere specifieke diensten’ (SAS-diensten), gericht op zorg (zoals bedoeld in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning), die worden ingekocht door rechtspersonen met een overheidstaak via een (semi-) open house- of toelatingsprocedure, onder het bereik van de Wet (artikel 1 lid 4, sub b).

Daarbij is het niet de bedoeling om bij elke overheidsopdracht over te gaan tot een Bibob-toets. De toepassing van de Wet wordt beperkt tot die gevallen, waarbij de toepassing gemotiveerd kan worden. Bijvoorbeeld doordat concrete informatie of een signaal daartoe aanleiding geeft.

6. Versterking eigen onderzoek

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek, zal de gemeente in eerste aanleg gebruik maken van alle relevante gegevens uit haar eigen informatiehuishouding. Ook worden open bronnen geraadpleegd om te bezien of dat daar relevante informatie over deze zaak voorhanden is. De mogelijkheden tot het doen van eigen onderzoek door gemeenten zijn versterkt met voornoemde wetswijzigingen. Het bestuursorgaan krijgt toegang tot meer justitiële gegevens, niet meer enkel de gegevens van de betrokkene en (indirecte) bestuurders, maar ook van een aantal categorieën derden. Zie hiervoor artikel 15 eerste lid sub b juncto tweede lid van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Verder zijn de RIEC’s bevoegd om het volledige eigen onderzoekdossier van de gemeente als ook het advies van het LBB in te zien. Het RIEC kan de eigen onderzoeksfase van het bestuursorgaan versterken door het verstrekken van relevante informatie van bijvoorbeeld de Belastingdienst. Ook kan het RIEC het eigen onderzoek ondersteunen en in concrete gevallen adviseren om wel/niet over te gaan tot het indienen van een adviesaanvraag bij het Bureau.

Indien de gemeente een advies van het LBB heeft ontvangen, rust daar voor deze gemeente een vergewisplicht op. De beslissing aan het einde van een Bibob-toets blijft uiteindelijk een zelfstandige bevoegdheid voor de gemeente, waarbij zij, in geval van weigering dan wel intrekking, haar besluit afdoende dient te motiveren.

Vervolgens zijn bij de wetswijziging van 1 oktober 2022 de bevoegdheden verruimd met betrekking tot informatiedeling. Bestuursorganen kunnen voor hun eigen onderzoek aan het LBB vragen of een relevante Bibob-relatie eerder heeft bijgedragen aan een ernstig gevaar of aan een mindere mate van gevaar. Dit gebeurt via het raadplegen van het Bibob-register waartoe de Bibob-coördinator van de gemeente toegang heeft. Het was al mogelijk om aan het LBB te vragen of over de betrokkene in de afgelopen 5 jaar advies was uitgebracht en zo ja, met welke gevaarconclusie. Ook kan het bestuursorgaan een LBB advies over een periode van vijf jaar hergebruiken voor een ander besluit. Voorts kunnen bestuursorganen onderling elkaar van informatie voorzien of elkaar tippen en kan er informatie gedeeld worden met de Omgevingsdienst. Ten slotte kan de Belastingdienst gegevens over fiscale vergrijpboetes rechtstreeks aan bestuursorganen verstrekken voor hun eigen onderzoek.

7. Model Bibob-beleid

Bij de totstandkoming van deze ‘Beleidsregels toepassing Wet Bibob 2025’ is gebruikgemaakt van het regionaal model Bibob-beleid van het RIEC. Dit sluit ook aan bij de gedachte van de Flevolandse norm, waarbij de intentie is uitgesproken om onder andere beleid en regelgeving met elkaar af te stemmen om zodoende een gelijke aanpak te hanteren tegen ondermijning en om het waterbedeffect zoveel mogelijk te voorkomen.

De kracht van het Bibob-instrument neemt nadrukkelijk toe als de toepassing door zoveel mogelijk gemeenten gebeurt en de onderliggende toepassingscriteria binnen de gemeenten zo veel mogelijk eenduidig zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat te allen tijde de ‘çouleure locale’ wordt betrokken en er wordt gekeken naar de lokale situatie, de risico’s en de haalbaarheid van de uitvoering van deze beleidsregels.