Beleidscriteria toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Doesburg

Geldend van 06-10-2011 t/m heden

Intitulé

Beleidscriteria toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Doesburg

De wettelijke grondslagen voor de Beleidscriteria toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Doesburg zijn gelegen in:

  • -

    de Wegenverkeerswet (art. 14 t/m 18 Wegenverkeerswet 1994);

  • -

    het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegenverkeer 1990 (art. 3 en 12 en 21 BABW);

  • -

    het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidscriteria worden de belangrijke begrippen gedefinieerd:

  • a.

    Gehandicaptenparkeerkaart:

Een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het BABW.

  • b.

    Gehandicaptenvoertuig:

Een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is toegerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is.

  • c.

    Parkeren:

Het gedurende een aaneengesloten periode doen of latenstaan van een voertuig,anders dan gedurendede tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van goederen, binnen de gemeente, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

  • d.

    Gehandicaptenparkeerplaats:

Parkeerplaats aangeduid met bord E6 uit Bijlage I van het RVV 1990 waar uitsluitend mag worden geparkeerd door:

  • a.

    Een gehandicaptenvoertuig, of

  • b.

    een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, of

  • c.

    indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerdvoor een bepaald voertuig, dat voertuig.

  • e.

    Bestuurder:

Degene die het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig bestuurt.

  • f.

    College:

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg.

  • g.

    Centrumgebied:

de gehele oude binnenstad + IJsselkadegebied, globaal begrensd in het noorden door de provinciale weg N317, in het oosten door de Hessengracht en Looiersgracht, in het zuiden door de Looiersgracht / vestingwerken en de haven, en in het westen door de Gelderse IJssel, met inbegrip van o.a.:

  • -

    Flugi van Aspermontlaan en Lindewal in het noorden;

  • -

    Burg. Nahuyssingel, Meipoortwal en F.D. Rooseveltsingel in het oosten;

  • -

    Mauritsveld, Ooipoort, IJsselkade en Schout bij Nacht Doormansingel in het zuiden;

  • -

    IJsselkade en Contre Escarpe in het westen:

conform de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening.

Artikel 2. Werkingssfeer Beleidscriteria

De Beleidscriteria hebben betrekking op de bevoegdheid van het College om op grond van de Wegenverkeerswet 1994 verkeersbesluiten te nemen waarbij parkeerplaatsen, voor zover deze in eigendom en beheer van de gemeente Doesburg zijn, worden aangewezen als gehandicaptenparkeerplaatsen met vermelding van het kenteken van het desbetreffende voertuig. Voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats komt in aanmerking een bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen en een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig indien:

  • a.

    de bestuurder ingeschreven staat als inwoner van de gemeente Doesburg op een adres buiten het centrumgebied, én

  • b.

    de bestuurder beschikt over een geldig rijbewijs, en

  • c.

    de bestuurder eigenaar is van het motorvoertuig dan wel het gehandicaptenvoertuig, én

  • d.

    de bestuurder ten gevolge van een aandoening of een gebrek een aantoonbare loopbeperking heeft van langdurige aard welke een permanent of progressief karakter heeft, waardoor hij – met de algemeen gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 50 meter aan een stuk te voet zelfstandig te overbruggen, of de bestuurder ten gevolge van een aandoening of gebrek permanent rolstoelgebonden is, en

  • e.

    de bestuurder beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder, en

  • f.

    de bestuurder niet beschikt over parkeerruimte op eigen terrein en dit ook niet op een redelijke wijze kan realiseren dan wel dat de bestuurder niet beschikt over een parkeergarage of garagebox ongeacht of hiervoor een vergoeding moet worden betaald aan de eigenaar van de parkeergarage of garagebox, en

  • g.

    de te markeren plaats geen belemmering vormt voor de verkeersveiligheid, doorstroming van het verkeer en dergelijke, én de te markeren gehandicaptenparkeerplaats moet technisch ook redelijkerwijs zijn in te richten als parkeerplaats;

  • h.

    de plaats is te realiseren binnen de loopafstand/verplaatsingsmogelijkheid van de bestuurder, en indien blijkt dat binnen een straal van 50 meter geen ruimte is om een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats aan te leggen, wordt getracht om een parkeerplaats te creëren die deze afstand het meest benadert.

Artikel 3. Intrekkingsgronden

Het College trekt in ieder geval het besluit in tot het aanwijzen van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats in indien:

  • a.

    de bestuurder is verhuisd;

  • b.

    de bestuurder geen eigenaar meer is van het motorvoertuig dan wel het gehandicaptenvoertuig;

  • c.

    de bestuurder niet meer in staat is om te rijden;

  • d.

    het rijbewijs van de bestuurder ongeldig wordt verklaard dan wel wordt ingevorderd dan wel de geldigheid verloopt;

  • e.

    de bestuurder is overleden;

  • f.

    de gezondheidssituatie van bestuurder zodanig is verbeterd dat niet meer wordt voldaan aan de toewijzingscriteria;

  • g.

    de gehandicaptenparkeerkaart wordt ingetrokken of het verzoek om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgewezen;

  • h.

    de parkeerplaats is toegewezen op grond van door de bestuurder verschafte onjuiste gegevens en de parkeerplaats niet zou zijn toegewezen indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest.

Artikel 4. Kosten

  • 1. Bij de bestuurder wordt een tarief in rekening gebracht ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerplaats;

  • 2. Bij de bestuurder wordt geen tarief in rekening gebracht ter zake het (laten) vervaardigen van het (onder)bord inclusief het plaatsen van het (onder)bord bij de gehandicaptenparkeerplaats;

  • 3. Bij wijziging van kenteken, zowel bij bestaande als nieuwe voertuigen, dient bestuurder deze wijziging te melden bij de gemeente Doesburg. Hierdoor dient het onderbord met kenteken te worden vervangen. De kosten van het nieuwe onderbord inclusief het plaatsen van het nieuwe onderbord worden bij bestuurder in rekening gebracht;

  • 4. Onder bepaalde voorwaarden, zoals bepaald in artikel 5.9 van de Verordening Wmo, kan de bestuurder in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde kosten;

  • 5. De kosten genoemd in de leden 1 en 2 van dit artikel zijn vastgelegd in de Legesverordening.

Artikel 5. Hardheidsclausule

Het College is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze Beleidscriteria naar het oordeel van het College tot onaanvaardbare gevolgen kan leiden, af te wijken van deze Beleidscriteria.

Artikel 6. Inwerkingtreding en intrekking

Deze Beleidscriteria treden in werking op de dag na bekendmaking in de Regiobode. De Beleidscriteria toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Doesburg 2010 worden ingetrokken op de dag na bekendmaking in de Regiobode.

Artikel 7. Citeertitel

Deze Beleidscriteria worden aangehaald als: Beleidscriteria toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Doesburg 2011.

Ondertekening

Artikel 5. Hardheidsclausule

Dit artikel voorziet in omstandigheden waarbij een aanvraag weliswaar niet voldoet aan de gestelde beleidscriteria, maar vanuit het oogpunt van redelijkheid en billijkheid toch voor honorering in aanmerking komt.

Hierbij valt te denken aan de volgende situatie: indien de passagier in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart en tevens aantoonbaar permanente begeleiding behoeft. De passagier kan dus niet alleen worden gelaten bij zijn/haar woning wanneer de bestuurder niet in de directe omgeving van de woning het voertuig kan parkeren.

Hierbij wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat alle omstandigheden van het individuele geval moeten worden afgewogen. Indien een dergelijke situatie zich voordoet bestaat er dus niet automatisch een recht op een gehandicaptenparkeerplaats.

Artikel 6. Inwerkingtreding

De beleidscriteria treden in werking op de dag na bekendmaking in de Regiobode.

Aan gehandicapten die voor 1 januari 2010 in aanmerking zijn gekomen voor een gehandicaptenparkeerplaats alsmede gehandicapten die voor 1 januari 2010 een aanvraag hebben ingediend en die op basis van deze aanvraag in aanmerking zijn gekomen voor een gehandicaptenparkeerplaats, geldt een grens van 100 meter. Een van de criteria van het oude ongeschreven beleid van voor 1 januari 2010 is dat de gehandicapte niet in staat is zich met de algemeen gebruikelijke loophulpmiddelen over een afstand van 100 meter voort te bewegen. De wijziging van de afstand van 100 meter naar 50 meter geldt uitsluitend voor nieuwe aanvragen/situaties die na 1 januari 2010 zijn ingediend.

Artikel 7. Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.