Beleidsregels Leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2025

Geldend van 01-12-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2025

Burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel,

Met deze regels kan de gemeente op een goede manier belangen afwegen, feiten vaststellen en wettelijke voorschriften uitleggen. De gemeente is bevoegd dit te doen op basis van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, Wet voortgezet onderwijs 2020, de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2024.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Dit zijn de beleidsregels die horen bij de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2024. Hoe de verstrekking van leerlingenvervoer wordt beoordeeld, hangt van verschillende zaken af. Gemeentelijk beleid, wetgeving en rechterlijke uitspraken spelen daarbij een rol. Hoe de gemeente haar taak vormgeeft is vastgesteld in de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2024 en de beleidsregels leerlingenvervoer 2024. Deze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Artikel 1.1 Algemene uitgangspunten

De gemeente wil dat inwoners actief meedoen in de samenleving. Het is belangrijk dat inwoners zoveel mogelijk zelfredzaam en zelfstandig zijn. Inwoners die dat nodig hebben kunnen passende hulp en ondersteuning krijgen die de kwaliteit van hun leven vergroten.

Artikel 1.2 Kernwaarden

De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:

  • Mensgericht: De mens is het uitgangspunt.

  • Integraal: Hulp is gericht op het zo snel, eenvoudig en duurzaam mogelijk oplossen van hulpvragen en het vervullen van behoeften.

  • Samen: Met elkaar zijn inwoners en gemeente verantwoordelijk voor een leefbare samenleving. De gemeente moedigt inwoners aan om zelf oplossingen te vinden. Als dat inwoners niet lukt, helpt de gemeente waar nodig.

Artikel 1.3 Verantwoordelijkheid Ouders

Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de begeleiding bij het vervoer van een leerling tussen huis en school. Dat staat in de wet en in de gemeentelijke verordening. Het leerlingenvervoer is er niet voor bedoeld om ouders te ontlasten van hun verantwoordelijkheid voor de schoolgang van leerlingen.

Artikel 1.4 Passend onderwijs

Iedere leerling heeft recht op passend onderwijs. Met passend onderwijs is het streven om de mogelijkheden van de leerling te benutten en de zelfredzaamheid te stimuleren met oog voor de behoefte van het kind. Ook met het vervoer naar en van school wordt gekeken naar wat kinderen wél kunnen in plaats van wat ze niet kunnen.

Artikel 1.5 Plichten

Doorgeven wijzigingen

Ouders geven wijzigingen door die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening waarvan zij gebruik maken. Individuele aanpassingen in het vervoer kunnen van grote invloed zijn op de hele vervoersplanning. Daarom wordt bij elke wijziging beoordeeld of deze in het vervoersplan past en op welke termijn deze wijziging doorgevoerd kan worden.

Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

  • wijziging in (het aantal) dagen vervoer;

  • wijziging van het woonadres van de leerling,

  • wijziging van het adres van de school of de schooltijden;

  • wijzigingen die invloed hebben op het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen, zoals wijzigingen in werktijden en werkdagen of in de gezinssituatie.

Gedragsregels in het aangepaste vervoer

Ouders ontvangen aan het begin van het schooljaar van de vervoerder een digitaal boekje met daarin de spelregels van het aangepaste vervoer. Hierin staat wat leerlingen en ouders van de chauffeur en de vervoerder kunnen verwachten en wat de chauffeur en de vervoerder van leerlingen en ouders verwachten.

Ontoelaatbaar gedrag in het aangepaste vervoer

Tijdens het eerste gesprek wordt bekeken wat de leerling nodig heeft in het aangepaste vervoer om het vervoer zo veilig mogelijk te laten verlopen. Toch kan het gebeuren dat er sprake is van ontoelaatbaar of onacceptabel gedrag van de leerling, dat bedreigend of onhygiënisch is. Of van gedrag waarmee de leerling een gevaar voor zichzelf en/of anderen kan veroorzaken. Is er sprake van ontoelaatbaar gedrag? Dan doorloopt de vervoerder het protocol dat hiervoor geldt. Dit protocol is bij de ouders en bij de gemeente bekend.

Mogelijke acties bij ontoelaatbaar gedrag

  • 1.

    Als een leerling zich ontoelaatbaar gedraagt, brengt het vervoersbedrijf ouders hiervan telefonisch op de hoogte. De vervoerder bespreekt met hen de oplossingsmogelijkheden om het gedrag in de toekomst te voorkomen. Het vervoersbedrijf brengt ook de gemeente op de hoogte van het gedrag. De ouders zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het oplossen van ontoelaatbaar gedrag. Maar van het vervoersbedrijf wordt verwacht dat het zich inspant om tot een (kostenneutrale) oplossing te komen.

  • 2.

    Is er opnieuw sprake van ontoelaatbaar gedrag, wordt de gemeente opnieuw op de hoogte gesteld. De gemeente stelt vervolgens vast of ouders en het vervoersbedrijf stappen hebben gezet om tot een oplossing te komen. Wanneer dit niet het geval is, wordt de verantwoordelijkheid om te komen tot een oplossing teruggelegd bij ouders en het vervoersbedrijf. Wanneer dit wel het geval is, besluit de gemeente in samenspraak met de vervoerder en de ouders of er een gezamenlijk gesprek gewenst is om tot een oplossing te komen. De gemeente biedt de ouders in elk geval de mogelijkheid om hier passende ondersteuning bij te vragen.

  • 3.

    In samenspraak met ouders, school, en vervoerder besluit de gemeente wat de best passende oplossing is. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een andere zitplaats, begeleiding van de leerling door ouders in het vervoer of een andere wijze van vervoer. De gemeente maakt bindende afspraken met ouders en het vervoersbedrijf over ieders inzet om het aangepast vervoer veilig te houden voor iedereen. Wanneer afspraken niet nagekomen worden, kan dit een (tijdelijke) uitsluiting tot gevolg hebben.

  • 4.

    Wanneer bovenstaande niet leidt tot afname van het ontoelaatbare gedrag , neemt de vervoerder opnieuw contact met de gemeente op om de vervolgstappen te bespreken. Dit kan leiden tot een officiële waarschuwing of zelfs tot een (tijdelijke) uitsluiting van het vervoer. Dit besluit wordt genomen door de gemeente. Hierbij wordt rekening gehouden met de veiligheid van de leerling, van de andere leerlingen en van de chauffeur.

  • 5.

    Tijdens uitsluiting worden alternatieven onderzocht. Zolang deze er niet zijn, blijven ouders verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind.

Hoofdstuk 2 Toegang

Artikel 2.1 Aanvraag

  • 1. Aanvragen voor het nieuwe schooljaar moeten worden ingediend vóór 1 mei bij voorkeur via het aanvraagformulier op de website van de gemeente. Dit geeft de gemeente en de vervoerder voldoende tijd om het vervoer op tijd te regelen.

  • 2. Het college heeft acht weken om te beslissen na ontvangst van de aanvraag. Indien nodig, kan deze termijn met vier weken worden verlengd.

  • 3. Alleen als aanvragen vóór 1 mei zijn ingediend, kan het vervoer met ingang van het nieuwe schooljaar starten. Voor aanvragen die na 1 mei worden ingediend, geldt dat het vervoer acht weken na ontvangst van de aanvraag van start gaat. Bij aanvragen tijdens het schooljaar start het vervoer op de door ouders verzochte datum, als deze haalbaar is.

  • 4. Bij te late aanvragen (na 1 mei) kan het vervoer niet gegarandeerd op de eerste schooldag beginnen. De ouders/verzorgers zijn verantwoordelijk voor vervoer en kosten totdat de voorziening ingaat.

  • 5. Aanvraagformulieren die onjuist of onvolledig zijn ingevuld, worden door de gemeente niet zonder aanvulling in behandeling genomen. De aanvrager ontvangt een schriftelijk bericht met een hersteltermijn van 10 werkdagen om de ontbrekende of onjuiste gegevens aan te leveren. Als binnen deze termijn geen aanvullende gegevens worden ingediend, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. In dat geval ontvangt de aanvrager een beschikking “buiten behandeling stelling”.

    Afhankelijk van de aard van de aanvraag kunnen de volgende gegevens worden opgevraagd:

    • -

      Toelaatbaarheidsverklaring;

    • -

      Schoolverklaring;

    • -

      Werkgeversverklaring;

    • -

      Medische verklaring;

    • -

      Deskundige verklaring;

    • -

      Inkomensverklaring.

Artikel 2.2 Het onderzoek

Naar aanleiding van een melding wordt onderzoek gedaan. Dit is bedoeld om de hulpvraag duidelijk te krijgen. De gemeente gaat hierover in gesprek met de ouders in het gemeentehuis, of als dat niet mogelijk of noodzakelijk is, per telefoon of via Teams. Onderwerpen die aan bod komen zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner en de mogelijkheden van de inwoner en/of zijn netwerk om zelf oplossingen te vinden voor het vervoer van en naar school. De gemeente neemt op basis van de informatie uit het gesprek een besluit of de leerling in aanmerking komt voor een vorm van leerlingenvervoer. Soms is er aanvullend onderzoek nodig. Dit kan door bijvoorbeeld onafhankelijk sociaal-emotioneel/medisch advies aan te vragen.

Artikel 2.3 Vervoersontwikkelingsplan

De gemeente stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt.

Artikel 2.4 Beschikking

Binnen acht weken na de aanvraag moet de gemeente een besluit nemen. Het besluit wordt vastgelegd in een brief die naar de inwoner wordt verzonden. Dit is een beschikking. Daarin staat: de aanvraagdatum, wat besloten is, de uitleg van het besluit, het doel, de maat en tijdsduur van het vervoer van en naar school en informatie over de uitvoering van het besluit. en de eventuele voorwaarden.

Hoofdstuk 3 Algemeen Afwegingskader

Artikel 3.1. Dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1. De dichtstbijzijnde toegankelijke school is de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste route met de auto en passend bij de door ouders gewenste richting (dit gaat over levensbeschouwing). De vermelding bij DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) bepaalt de richting van de school.

  • 2. De gemeente is niet verplicht om vervoerskosten te vergoeden voor leerlingen die een school bezoeken die verder weg ligt dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van dezelfde richting. Dit geldt ook voor vervoer naar tijdelijke locaties, in verband met schoolverbouwingen, die als dichtstbijzijnd worden gezien.

  • 3. In het geval van crisisplaatsen kan van deze regels worden afgeweken, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de leerling.

  • 4. Binnen het bijzonder onderwijs worden erkende richtingen vastgesteld, waaronder (rooms-)katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs, onderwijs volgens de leer van de gereformeerde kerk, reformatorisch onderwijs, evangelisch onderwijs, joods onderwijs, orthodox islamitisch onderwijs, hindoe onderwijs, algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs, en onderwijs op antroposofische grondslag, zoals vrijescholen.

  • 5. Specifieke onderwijskundige methoden, zoals jenaplanscholen, montessorischolen en iederwijsscholen, vallen buiten de definities die van toepassing zijn voor de vergoeding van leerlingenvervoer.

Artikel 3.2. De rol van het samenwerkingsverband

Als een school problemen heeft met het bieden van de juiste ondersteuning aan een leerling, kan het samenwerkingsverband ingeschakeld worden. Het samenwerkingsverband heeft zowel de expertise als de middelen om extra ondersteuning te kunnen bieden aan de school. Wanneer het een school niet lukt om de leerling voldoende te ondersteunen, kan het samenwerkingsverband de leerling toelaten tot een school voor (voortgezet) speciaal (basis-)onderwijs met een toelaatbaarheidsverklaring.

Wanneer het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring heeft afgegeven, of een advies heeft gegeven voor een andere reguliere basisschool, wordt er van uitgegaan dat de aangewezen school de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, als dit blijkt uit de verklaring door erin te vermelden dat een dichterbij gelegen school van hetzelfde cluster met eventueel dezelfde richting niet toegankelijk is, omdat:

  • er geen plek is; of

  • de school niet de ondersteuning kan bieden die de leerling nodig heeft.

Het wisselen van school hangt vaak samen met de vraag om leerlingenvervoer. Een toelaatbaarheidsverklaring is een verplicht bewijsstuk voor een aanvraag leerlingenvervoer. Als de leerling voldoet aan de andere, in de verordening genoemde bepalingen, kan leerlingenvervoer toegekend worden.

Artikel 3.3. Hoogbegaafde leerlingen

  • 1. Basisscholen in Ouder-Amstel zijn verplicht om een passend onderwijsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen aan te bieden, gefinancierd vanuit het samenwerkingsverband. Hoogbegaafdheidsonderwijs hoort bij het basisaanbod van de scholen en die leerlingen moeten waar mogelijk participeren in regulier onderwijs.

  • 2. Hoogbegaafdheid is geen reden om vervoer naar een andere school dan de dichtstbijzijnde toegankelijke te bekostigen, tenzij de noodzaak hiervan overtuigend wordt aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door een onderbouwing door het samenwerkingsverband of uit een advies van een onderwijsspecialist gecombineerd met een intelligentieonderzoek, waarin de hoogbegaafdheid inhoudelijk onderbouwd wordt. Ouders overleggen een onderbouwing van de school en een bevestiging van het samenwerkingsverband over het ontbreken van een passend aanbod, waarna advies wordt gegeven voor een andere toegankelijke school.

Artikel 3.4 Onderwijszorgarrangement

  • 1. Het leerlingenvervoer betreft alleen het vervoer naar en van scholen in de zin van de onderwijswetgeving. Zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke vallen hier niet onder. Volgt een kind ook onderwijs op of nabij een zorglocatie? Dan kunnen de ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming voor het leerlingenvervoer krijgen. Voorwaarde is dat het kind voor meer dan 50% onderwijs ontvangt en dat aan de overige eisen van de verordening is voldaan.

  • 2. Hierbij geldt dat het college leerlingenvervoer aanbiedt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids (zie artikel 1 van de verordening onder ‘reistijd’). Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.

  • 3. Wanneer zorg voorliggend is, er meer dan 50% zorg geboden wordt of de zorg valt buiten de reguliere schooltijden, is het vervoer op basis van de Jeugdwet leidend.

Artikel 3.5 Schooltijden

  • 1. Afwijkende ophaaltijden zijn toegestaan als de school deze bij aanvang van het schooljaar aan de vervoerder doorgeeft en ze voor alle leerlingen gelden. De informatie moet vooraf in de schoolgids of op de website staan.

  • 2. Ouders zijn verantwoordelijk voor het vervoer van kinderen die halverwege de schooldag vertrekken. De gemeente is niet verantwoordelijk voor dit vervoer, ook niet bij incidentele lesuitval.

  • 3. Aangepast vervoer op schooldagen of tijden die afwijken van de schoolgids wordt niet bekostigd. Uitzondering kan zijn als de ouders bewijs overleggen dat de structurele beperking van de leerling het onmogelijk maakt om aan te sluiten op de standaard schooltijden.

  • 4. Een uitzondering is mogelijk als er een aangepast programma is vastgesteld op advies van een medisch adviseur; in dat geval vergoedt de gemeente het vervoer buiten reguliere schooltijden als ook aan de overige eisen van de verordening is voldaan.

Artikel 3.6 Individueel vervoer

  • 1. Normaal gesproken bestaat er geen recht op individueel vervoer. Uitgangspunt is dat leerlingen gecombineerd met andere leerlingen worden vervoerd. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een leerling tijdelijk individueel vervoerd moet worden.

  • 2. Mocht individueel vervoer nodig zijn, dan kunnen de ouders daarvoor een aanvraag doen. Dat doen ze met een gemotiveerde onderbouwing met een advies van een deskundige. De gemeente kan aanvullend onafhankelijk sociaal-emotioneel/medisch advies aanvragen bij de partner van de gemeente die daarvoor is aangesteld.

  • 3. Individueel vervoer wordt toegekend voor de duur van een schooljaar. Bij een eventuele verlenging wordt opnieuw het aanvraagproces doorlopen.

  • 4. Om voor een vergoeding van de kosten van het individuele vervoer in aanmerking te komen, moet voldaan worden aan onderstaande twee situaties.

    • -

      Er is een medische noodzaak.

    • -

      Begeleiding van de leerling in het gecombineerde vervoer vanuit het sociaal netwerk is niet voldoende als oplossing.

Artikel 3.7 Vervoer naar stage

  • 1. Wanneer de stage deel uitmaakt van het onderwijsprogramma en de leerling dagelijks recht heeft op leerlingenvervoer naar school, kan de leerling ook gebruik maken van leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit stageadres wordt beschouwd als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. Voor dit vervoer moet een aparte aanvraag worden ingediend met stageovereenkomst.

  • 2. Het vervoer naar stageadressen vindt uitsluitend plaats op schooldagen en niet tijdens weekenden of schoolvakanties.

  • 3. Het uitgangspunt is dat de gemeente alleen vervoer naar een stageplek binnen de gemeente Ouder-Amstel vergoedt. Leerlingenvervoer naar een stageplek buiten de gemeente kan alleen als de school specifiek motiveert waarom een stage binnen de gemeente niet geschikt is en een stage buiten de gemeente duidelijke voordelen biedt voor de leerling.

Artikel 3.8 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

  • 1. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en vakantievervoer vraagt de gemeente naar de reden van plaatsing in een internaat of pleeggezin. Een dergelijke vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt als de leerling in een internaat of pleeggezin verblijft voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.

  • 2. Er wordt geen vergoeding gegeven naar en van de woning van ouders als de leerling om medische, sociaal-emotionele of veiligheidsredenen in een internaat of pleeggezin woont en daar in de buurt een school bezoekt.

  • 3. Het weekeindevervoer is voor de reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van ouders en terug.

  • 4. Het vakantievervoer is voor de reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van ouders en terug, voor zover de vakantie is opgenomen in de schoolgids en minimaal twee dagen duurt.

Artikel 3.9 Tweede adres

  • 1. Leerlingenvervoer is uitsluitend bedoeld voor vervoer tussen de woning van de leerling en de school. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk onder specifieke voorwaarden, als het vervoer plaatsvindt naar een ander adres vanwege een buitenschoolse activiteit of opvang. Dit kan een geregistreerde buitenschoolse opvang, gastouderopvang, logeerhuis, logeergezin of een locatie binnen het sociaal netwerk van de leerling zijn.

  • 2. Het uitgangspunt is dat het opvangadres zo dicht mogelijk bij het woonadres is. Het gebruik van steeds wisselende opvangadressen is niet toegestaan; er moet sprake zijn van een vast patroon, waarbij wijzigingen redelijk en tijdig worden gemeld.

  • 3. Het vervoer moet aansluiten op de reguliere eindtijd van de schooldag of het vastgestelde schoolritme zoals opgenomen in de schoolgids.

  • 4. Vervoer vanaf het opvangadres naar het thuisadres valt buiten de verantwoordelijkheid van het leerlingenvervoer. Dit blijft een taak van de ouders of verzorgers. Daarnaast wordt aangepast vervoer niet aangeboden tijdens studiedagen of schoolvakanties.

Artikel 3.10 Gescheiden ouders

  • 1. Een leerling van gescheiden ouders kan in de zin van de verordening twee hoofdverblijven hebben. Doorslaggevend voor de toekenning van een voorziening is de feitelijke verblijfplaats, niet het inschrijvingsadres.

  • 2. Als er leerlingenvervoer nodig is vanuit beide adressenmoeten ouders afzonderlijk een aanvraag indienen bij de gemeente waarin zij woonachtig zijn. Aanpassingen in vervoersdagen worden niet gehonoreerd; er moet sprake zijn van een structureel vast patroon.

  • 3. Een voorziening wordt uitsluitend toegekend voor de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Dit kan ertoe leiden dat slechts één gemeente een voorziening verstrekt, afhankelijk van de ligging van de school.

Artikel 3.11 Tijdelijke vervoersvoorziening bij crisissituatie

Leerlingen die geen indicatie voor vervoer hebben, maar als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijven en hun eigen school blijven bezoeken, kunnen tijdelijk gebruik maken van leerlingenvervoer vanuit gemeente Ouder-Amstel. Het college kan leerlingenvervoer toekennen voor een periode van drie maanden. Na deze periode zal de situatie opnieuw worden overwogen.

Artikel 3.12 Nieuwkomers

  • 1. Kinderen van statushouders, vluchtelingen, asielzoekers of arbeidsmigranten die (speciaal) basisonderwijs volgen op een taalschool met een speciaal taalprogramma om zich de Nederlandse taal eigen te maken, kunnen, als voldaan wordt aan de bepalingen van de verordening, in aanmerking komen voor een voorziening leerlingenvervoer.

  • 2. De voorziening wordt uitsluitend verstrekt gedurende de periode waarin de leerling naar een daarvoor aangewezen taalschool gaat. Daarnaast geldt dat de voorziening enkel wordt toegekend als de taalschool zich buiten de gemeente bevindt, op een afstand van meer dan zes kilometer van het woonadres, en dit de dichtstbijzijnde toegankelijke taalschool is.

Artikel 3.13 Bekostiging vervoerskosten bij begeleiding

  • 1. Begeleiding in het vervoer is allereerst de verantwoordelijkheid van de ouders. Als ouders niet in staat zijn het kind zelf te begeleiden, moeten zij zelf zorgen voor een oplossing. Dit kan bijvoorbeeld een familielid, een buur, een kennis, een oppas, of een andere ouder zijn.

  • 2. Het vaststellen van de reistijd met het openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep B.V. beschikbaar gestelde informatie Externe link:Externe link:https://web-acc.9292.nl/

  • 3. De bekostiging wordt uitsluitend verstrekt aan de ouders voor het deel van de reis dat de leerling daadwerkelijk begeleid wordt.

  • 4. Voor begeleiding tijdens reizen met het openbaar vervoer worden de kosten vergoed bij daadwerkelijk gebruik. Dit wordt door middel van het vervoersontwikkelingsplan regelmatig met ouders geëvalueerd.

Artikel 3.14 Vergoeding kosten eigen vervoer

  • 1. De gemeente stelt de hoogte van de vergoeding vast op basis van het aantal kilometers berekend via de kortste begaanbare weg.

  • 2. Voor het vaststellen van de afstand van ouders die hun kind brengen en halen wordt de ANWB-routeplanning geraadpleegd.

  • 3. De vergoeding wordt per schooljaar vastgesteld. Het jaar bestaat uit 200 schooldagen.

  • 4. De gemeente keert de vergoeding per kwartaal uit. Vervoer tijdens de middagpauze komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 3.15 Herstel van toegang na (tijdelijke) uitsluiting leerlingenvervoer

  • 1. Hernieuwde toegang tot leerlingenvervoer is mogelijk als de reden voor de ontzegging niet langer bestaat.

  • 2. Ouders dienen hiervoor een nieuwe aanvraag in, die wordt beoordeeld volgens de bepalingen van de verordening en beleidsregels.

Artikel 3.16 Hardheidsclausule

  • 1. De hardheidsclausule is bedoeld voor situaties waarin niet is voorzien bij het opstellen van de verordening of beleidsregels.

  • 2. Situaties die binnen de verantwoordelijkheid van de ouders of verzorgers liggen, vallen niet onder de toepassing van de hardheidsclausule, tenzij er bijkomende bezwarende omstandigheden aanwezig zijn.

  • 3. In zeer uitzonderlijke gevallen kan de hardheidsclausule worden toegepast, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden. We spreken over bijzondere omstandigheden als de omstandigheden buiten de wil en invloed van de ouders ligt.

  • Van een bijzondere omstandigheden voor het gezin is in ieder geval sprake als:

    • het reizen per openbaar vervoer de begeleider meer tijd kost dan zes uur reistijd per dag voor het begeleiden van leerlingen van het (speciaal) basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet (speciaal) onderwijs.

  • Van een bijzondere omstandigheid voor het gezin is naar het oordeel van het college sprake als één van de volgende situaties aanwezig is. Er is sprake van een eenoudergezin, waarbij de zorg voor het kind niet gedeeld wordt met de andere ouder, en:

    • er zijn andere kinderen van onder de 10 jaar thuis zonder identiek schoolbezoek, maar met dezelfde schooltijden;

    • er sprake is van scholings- of arbeidsverplichtingen van de ouder op de vervoersmomenten van de leerling;

    • de ouder heeft een structurele lichamelijke of zintuiglijke en/of psychische handicap in de zin van de verordening.

  • Zonder bijkomende omstandigheden die een belemmering zijn om zelf te begeleiden of anderen namens hen te laten begeleiden, is het enkele feit dat beide (gescheiden) ouders werken geen reden om aangepast leerlingenvervoer toe te kennen.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Inwerkingtreding

De Beleidsregels Leerlingenvervoer treden in werking op 1 december 2025. De beleidsregels worden toegepast op alle aanvragen die nadien in het lopende schooljaar 2025-2026 gedaan worden en op de navolgende schooljaren.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels Leerlingenvervoer Ouder-Amstel 2025.

Ondertekening

in de vergadering van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel op 4 november 2025

De secretaris,

Mevr. A.J.E. van der Werf-Bramer

De burgemeester,

Mevr. S.C.T. de Roy van Zuidewijn-Rive