Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder

Besluit:

  • 1.

    Instemmen met het vaststellen van de Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder;

  • 2.

    Instemmen met het vaststellen van het bijbehorende Afwegingskader;

  • 3.

    Deze beleidsregels met het Afwegingskader onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Zeewolde (daterend van 1 januari 2014) in laten gaan op 1 januari 2026;

  • 4.

    Akkoord te gaan met het versturen van bijgaande Raadsinformatiebrief om de raad te informeren over deze beleidsregels.

Inleiding

Nota Sociaal Domein ‘Samen doen wat nodig is’

Het leven brengt soms uitdagingen met zich mee. Een steuntje in de rug is dan zeer welkom. Deze steun verzorgen we samen met inwoners en partners. De nota sociaal domein biedt de ruimte om bij het organiseren en bepalen van hulp en ondersteuning echt anders te denken en te doen. Deze nota is geschreven voor degenen waar het uiteindelijk allemaal om draait: onze inwoners, klein en groot. Zij die, om welke reden dan ook, afhankelijk zijn van de ondersteuning die onze gemeente kan bieden.

Kansrijk opgroeien

Kansrijk opgroeien is één van de vier opgaven binnen de nota sociaal domein. Kansrijk opgroeien gaat over het bieden van perspectief aan kinderen en jongeren. Met de uitdaging dat alle kinderen gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen meedoen. Uitgangspunt is dat de jeugd wordt gestimuleerd zich te ontwikkelen in de volle breedte: in onderwijs, sport, persoonlijke ontwikkeling en gezondheid. Hiervoor is een kind- en gezinsvriendelijke opvoedings- en opgroeiomgeving nodig. Een sterke pedagogische en sociale basis. Ook kinderopvang speelt een belangrijke rol in zo’n omgeving.

Kwaliteit Kinderopvang

Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij. Het draagt ook bij aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociaal emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving.

Goede kinderopvang:

Waar kinderen zich veilig voelen en hun ontwikkeling wordt bevorderd.

Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang:

“Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen.”

Jaarlijkse rapportage kwaliteit kinderopvang

Het college brengt jaarlijks aan de Inspectie van het Onderwijs een rapportage toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijk onderdeel in dit verslag is het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom of exploitatieverbod heeft ingezet. Net als de Inspectie van het Onderwijs houdt het college zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang. Het college kan deze jaarlijkse rapportage ook gebruiken om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college naar de aard van de overtredingen waarop handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit.

Ambitie

De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor. Daarom wil het college dat kinderen in Zeewolde toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Het college ziet het ook als zijn rol houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te waarborgen. Het college vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Gemeente Zeewolde spreekt kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid en streeft er naar regelmatig met hen in gesprek te gaan over (lokale) ontwikkelingen en signalen.

Kwalitatief goede kinderopvang:

  • voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen;

  • vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving;

  • wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen;

  • draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen;

  • geeft belangrijke normen en waarden mee aan kinderen.

Waarom deze beleidsregels?

In de Wet kinderopvang staat de rol van het college beschreven. Deze beleidsregels zetten de invulling van de wettelijke taken van het college uiteen. Daarmee dragen ze bij aan:

  • een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd zijn over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college;

  • rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleidsregels die voor iedereen gelden;

  • het waarborgen van veiligheid van een kwetsbare doelgroep;

  • het bevorderen en stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang;

  • het bevorderen van kwalitatief goede voorschoolse educatie.

1. Besluit, toepassing, citeertitel, wettelijk kader en begrippen

1.1 Burgemeester en wethouders van gemeente Zeewolde

Gelet op artikel 4:81, 5:4, 5:21 en verder en 5:31 Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1, 2 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;

Besluiten:

De beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder en het bijbehorende Afwegingskader vast te stellen.

1.2 Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de gemeentelijke inzet om:

  • toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;

  • aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;

  • te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving;

  • preventieve activiteiten uit te voeren binnen gemeente Zeewolde.

De beleidsregels gelden voor alle gastouderbureaus, voorzieningen voor kinderopvang en gastouderopvang binnen gemeente Zeewolde.

1.3 Citeertitel

Dit document wordt aangehaald als ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder’.

1.4 Ingangsdatum

Onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Zeewolde (daterend van 1 januari 2014) treden deze Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder in werking op 1 januari 2026.

1.5 Wettelijk kader

Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat (ook in de voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Ook zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening.

Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang (verder Wko) en uitgewerkt in nadere regelgeving zoals:

  • Het Besluit kwaliteit kinderopvang;

  • De Regeling Wet kinderopvang;

  • Het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

  • De Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang;

  • Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

  • Het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.

Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet een kinderopvangorganisatie aan al deze kwaliteitseisen voldoen.

Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt.

Zo is het college van een gemeente verantwoordelijk voor het geven of intrekken van toestemming, de registratie, het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit en kan hij binnen de wettelijke kaders zijn taken invullen.

De GGD is de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders en gastouders aan de eisen voldoen.

Daarnaast is de procedure bij aanvragen en wijzigingen van locaties vastgelegd en is het college in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van deze kwaliteitseisen heeft vastgesteld.

In deze beleidsregels leest u hoe het college in de meeste gevallen zijn bevoegdheid gebruikt. Dat neemt niet weg dat er altijd ruimte blijft voor maatwerk en dat het college hier gemotiveerd van kan afwijken.

1.6 Flexibele inspectieactiviteit

Met ingang van 2022 is het voor gemeenten en de GGD in de uitvoering van het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus mogelijk om keuzes te maken in de per inspectie te onderzoeken onderwerpen (de flexibele inspectieactiviteit). Waar de toezichthouder eerder verplicht was om minimaal een vooraf landelijk bepaald aantal onderwerpen mee te nemen in het onderzoek, is er door de invoering van deze flexibele inspectieactiviteit meer ruimte voor de gemeente en de toezichthouder om hierin variatie aan te brengen.

Belangrijke voordelen hiervan zijn dat het toezicht efficiënter is, minder voorspelbaar, meer individuele eigen ruimte biedt aan toezichthouders en meer uitgaat van risico-gestuurd maatwerk.

Met flexibel toezicht worden alle wettelijke verplichtingen binnen een tijdsbestek van drie jaar getoetst bij de kinderopvangvoorzieningen

1.7 Begrippen

De belangrijkste begrippen en wat daaronder wordt verstaan zijn opgenomen in de Wet- en regelgeving. In de tabel hieronder staat een aantal begrippen en wat het college daar onder verstaat.

Begrip

Wat het college daar onder verstaat

Afwegingskader

In het afwegingskader worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom. Het afwegingskader is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd.

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BSO

Buitenschoolse Opvang

College

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zeewolde

Gemeente

Gemeente Zeewolde

GGD

GGD Flevoland

GOB

Gastouderbureau

KDV

Kinderdagverblijf

Kinderopvangvoorziening

Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen, vastgelegd in voorschriften die door de houder nageleefd moeten worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving

LRK

Landelijk register kinderopvang

PRK

Personen register kinderopvang

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van GGD Flevoland. De toezichthouder onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

VGO

Voorziening voor gastouderopvang

Wko

Wet kinderopvang

2. Starten van een kinderopvangvoorziening

Voordat een kinderopvangvoorziening daadwerkelijk kinderen mag opvangen of een gastouderbureau met haar werkzaamheden mag starten is toestemming nodig van het college. Voor wijzigingen in de registratie als een kinderopvangvoorziening al operationeel is, is vervolgens aanvullende toestemming nodig.

2.1 De aanvraag voor toestemming tot exploitatie

Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. Het aanvragen hiervan moet gedaan worden met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Dit is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl.

Het Landelijk Register Kinderopvang (LRK)

Alle kindercentra, gastouders en gastouderbureaus staan geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang. Het LRK is openbaar en te vinden op landelijkregisterkinderopvang.nl.

Alleen als een kinderopvangvoorziening is opgenomen in het LRK, hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag.

2.2 ‘Streng aan de poort’

Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag in een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Het college vindt het daarom belangrijk dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wet kinderopvang. Het college geeft dan ook alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als ‘Streng aan de poort’.

Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die het bureau begeleidt, aan de kwaliteitseisen voldoen.

Het college laat nieuwe aanvragen tot exploitatie toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet maar ook dat de houder structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee.

Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat het college sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.

Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden.

Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet.

Het college geeft in zijn besluit aan dat de voorziening naast de voorschriften uit de Wko ook moet voldoen aan andere gemeentelijke regelgeving zoals een omgevingsvergunning of bouwtechnische en brandveiligheidseisen. De verantwoordelijkheid om aan deze andere gemeentelijke regelgeving te voldoen, ligt bij de voorziening die de aanvraag tot exploitatie heeft ingediend.

2.3 Tijdig aanvragen

De aanvraag moet op tijd worden gedaan want het college heeft 10 weken de tijd om een beslissing op de aanvraag te nemen. Deze termijn kan worden verlengd1. Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening ook gelijk in het LRK.

2.4 Niet gemelde kinderopvang

Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding die het college niet wil. In dat geval kan het college niet zorgen voor verantwoorde en veilige opvang voor kinderen. Het college treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder kan een bestuurlijke boete krijgen. Ook kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld.

Dit is een economisch delict

(artikel 1 lid 2 Wet op de economische delicten).

2.5 Wijzigingen registratiegegevens LRK

Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is belangrijk elke wijziging direct door te geven aan het college. Het college kan dan bepalen of er voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek uitgevoerd moet worden door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is. Het college kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven.

Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om:

  • de toekenning van een KvK-vestigingsnummer;

  • het (correspondentie)adres, bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon;

  • de beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.

Maar ook wijzigingen zoals hieronder benoemd, moeten worden gemeld.

2.5.1 Wijziging houder of rechtsvorm

Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming vragen. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt. Dit wordt gezien als een houderwijziging, ook als de bestuurder hetzelfde blijft.

Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag (zie hoofdstuk 2.1). Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder.

Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging ook een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de opvang. Daarom is het belangrijk dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken heeft bijgevoegd.

2.5.2 Wijziging aantal kindplaatsen

Bij de toestemming tot exploitatie is het maximum aantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximum aantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen.

Wanneer dit aantal later wijzigt is het belangrijk dat de houder dit als een wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. De afhandelingstermijn is 8 weken.

2.5.3 Wijziging toevoegen bemiddelingsrelatie of beëindigen bemiddelingsrelatie

Als een gastouder zich wil aansluiten bij nog een gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.

Omdat deze wijziging meestal slechts een administratieve aanpassing in het LRK is, wordt dit wijzigingsverzoek zo snel mogelijk verwerkt.

2.5.4 Verhuizing

Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag en moet gemeld worden als een aanvraag voor toestemming tot exploitatie (zie hoofdstuk 2.1). De afhandelingstermijn is 10 weken.

Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.

2.6 Wijzigingsformulier tijdig indienen

Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Dit is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl.

De houder moet een wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen2. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 of 10 weken of de wijziging kan plaatsvinden en in LRK kan worden geregistreerd.

Voor sommige wijzigingen (zoal het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit afgegeven. Het college informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK.

Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau geeft wijzigingen voor gastouderopvang door aan de gemeente.

2.7 Beslistermijnen

Aanvragen/wijzigingen

Beslistermijn

Aanvraag toestemming exploitatie (2.1)

10 weken

Aanvraag Voorziening voor Gastouderopvang (2.1)

10 weken

Wijziging houder of rechtsvorm (2.5.1)

10 weken

Wijziging aantal kindplaatsen (2.5.2)

8 weken

Wijziging toevoegen bemiddelingsrelatie of beëindigen bemiddelingsrelatie (2.5.3)

Zo snel mogelijk

Verhuizing (2.5.4) m.u.v. gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche

10 weken

Toekennen KvK-vestigingsnummer

Zo snel mogelijk

3. Toezicht: de rol van de GGD

Jonge kinderen zijn kwetsbaar. Toezicht op de kwaliteitseisen waarborgt dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het scheppen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke impuls tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang.

In het huidige toezicht ligt meer nadruk op de dialoog tussen houder en toezichthouder en daarbij concentreert de toezichthouder zich op de kwaliteitsbeoordeling. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Deze omstandigheden blijken uit het rapport van de toezichthouder.

Wat u als ondernemer kunt verwachten van een onderzoek van de toezichthouder

De toezichthouder is onafhankelijk en beoordeelt of een kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen. Vervolgens adviseert de toezichthouder in het inspectierapport het college op basis van de bevindingen.

De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere:

  • observaties;

  • de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken;

  • gesprekken met medewerkers;

  • een gesprek met de houder;

  • documentenonderzoek;

  • schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie.

Een bezoek van de toezichthouder vindt doorgaans onaangekondigd plaats. Meer informatie leest u in de folder: Toezicht en handhaving kinderopvang van GGD GHOR Nederland.

3.1 Dialooggericht werken

Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt geboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld, bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. Hij gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden kinderopvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol.

In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder:

  • zonder oordeel luisteren en observeren;

  • open vragen stellen en doorvragen;

  • controleren of hij zaken goed heeft geïnterpreteerd.

De toezichthouder zet kinderopvangorganisaties aan om (samen) te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en stimuleert de toezichthouder houders om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren.

Wanneer sprake blijkt van een tekortkoming is belangrijk om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies in het inspectierapport aan het college.

3.2 Risico-gestuurd toezicht

De toezichthouder houdt risico-gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder waar mogelijk, meer waar nodig. De werkwijze van de toezichthouder past bij de uitgangspunten in deze beleidsregels: er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen is reden tot zorg.

De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.

Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.

3.3 Verschillende soorten onderzoeken

De toezichthouder kan verschillende soorten onderzoeken uitvoeren, te weten:

  • onderzoek voor registratie;

  • onderzoek na registratie;

  • regulier jaarlijks inspectieonderzoek;

  • incidenteel onderzoek;

  • nader onderzoek (alleen na geconstateerde overtreding(en)).

Ook kan de toezichthouder thema-onderzoeken uitvoeren.

Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks tenminste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie in ieder geval eens per 3 jaar bezocht wordt.

3.4 Flexibele inspectieactiviteit

Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op:

  • Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG);

  • registratie in het Personenregister kinderopvang;

  • pedagogische kwaliteit;

  • voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is).

Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en eventuele speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.

3.5 Speerpunten

In overleg met de GGD bepaalt gemeente Zeewolde jaarlijks speerpunten. Ook de andere Flevolandse gemeenten waar de GGD mee samenwerkt kunnen speerpunten aanleveren. Tijdens het zogenaamde regio-overleg van de GGD waarbij alle andere Flevolandse gemeenten aanwezig zijn, vindt een inventarisatie van speerpunten plaats. Deze worden via een nieuwsbrief van de GGD met de houders gecommuniceerd.

3.6 Herstelaanbod

De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan de handhaver (gemeente Zeewolde). Bij overtredingen biedt de toezichthouder nog tijdens de onderzoeksperiode en onder voorwaarden, de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze oplost. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel.

Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder inzet voor een snel herstel van een tekortkoming. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld.

Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:

  • aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod;

  • er te veel overtredingen zijn;

  • de houder in de voorgaande 3 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding op te heffen;

  • de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht;

  • herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode.

Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen.

Gemeente Zeewolde heeft de afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt bij de toezichthouder neergelegd. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vaststaand recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid.

De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding en of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies in een inspectierapport aan het college.

3.7 Schriftelijk bevel

Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen.

Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op door bijvoorbeeld het bevel te verlengen.

3.8 Signalen

Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang belangrijk. Als toezichthouder vervult de GGD hierin een belangrijke rol. Er kunnen echter ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Zowel het college als de toezichthouder roepen iedereen die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang op dit met ons te delen. Dit kan via de website van GGD Flevoland, Toezicht Kinderopvang. Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige situaties binnen de kinderopvang of dat sprake is van kwalitatief slechte kinderopvang.

Het college stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen.

Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek. Dit wordt altijd in overleg met de gemeente gedaan.

De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio.

3.9 Voorziening voor gastouderopvang

Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Daarnaast zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In gemeente Zeewolde zijn ook gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft GGD Flevoland minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector.

De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. Zoveel mogelijk van de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus zijn onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die GGD Flevoland ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.

Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken.

3.10 Voorschoolse educatie

Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie (VE). Het college doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van een VE-aanbod in de gemeente. Het vervolg op de voorschoolse educatie, de zogenaamde vroegschoolse educatie, vindt plaats in groep 1 en 2 van het basisonderwijs. Het basisonderwijs in Zeewolde geeft hier verder invulling aan.

Een aantal kinderdagverblijven in Zeewolde biedt voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is bekend bij gemeente Zeewolde en staat ook vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op het basisonderwijs. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB).

Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).

De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard deel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.

Voor meer informatie over de voorschoolse educatie in gemeente Zeewolde verwijzen wij naar ons vastgestelde beleid.

4. Handhaving: de rol van de gemeente

Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten er ook op kunnen vertrouwen dat het college adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of dit zo is blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door het college zelf worden vastgesteld.

Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt het college in via handhaving.

In dit hoofdstuk legt het college uit waarom overtredingen van de Wet- en regelgeving kinderopvang ernstig zijn en handhavend ingrijpen doorgaans noodzakelijk is. Het college gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit de handhaver aan bij de uitgangspunten van deze beleidsregels:

  • vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang;

  • verbeteren van minder goede kinderopvang;

  • snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet;

  • sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet.

Hiermee wil het college bereiken dat kinderen en ouders erop kunnen vertrouwen dat kinderen worden opgevangen bij kindercentra en gastouders die voldoen aan de (minimale) kwaliteitseisen gesteld in Wet- en regelgeving. Inspectierapporten zijn in te zien via het Landelijk Register Kinderopvang en kunnen op verzoek worden toegezonden. Ouders kunnen deze informatie gebruiken bij het zoeken naar passende kinderopvang en het werk voor de oudercommissie.

Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving die hij inzet af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Immers, de omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn verschillend en daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en).

4.1 Preventief handhaven

In het belang van kwalitatief goede kinderopvang en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, streeft het college er naar om ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact te houden met kinderopvanghouders in de gemeente.

Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te doen. Denk bijvoorbeeld aan het organiseren van houderbijeenkomsten of bijeenkomsten gericht op gastouderopvang. Mogelijke gesprekonderwerpen tijdens zo’n bijeenkomst kunnen actualiteiten, ontwikkelingen en aandachtspunten in de kinderopvangsector zijn. Maar ook het meelopen van een ambtenaar met een toezichthouder tijdens een inspectie is een manier om in contact te komen met kinderopvanghouders en zicht te krijgen op het reilen en zeilen binnen een opvanglocatie.

Daarnaast worden kinderopvanghouders ook geïnformeerd via nieuwsbrieven die vanuit de toezichthouder GGD Flevoland verzonden worden. Op de website van gemeente Zeewolde is informatie terug te vinden over deze beleidsregels en de werkwijze van het college.

Wanneer het college een aanvraag ontvangt van een houder die nog niet in de gemeente actief is kan het college een voorgesprek voeren met deze houder. Tijdens dit voorgesprek wijst het college op deze beleidsregels. Ook wordt besproken wat de verwachtingen en eisen zijn bij het starten van een kinderopvangvoorziening. Dit gesprek wordt in principe niet met nieuwe gastouders gehouden.

4.2 Handhavingsafwegingen

Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op. Ook combineert het college zoveel mogelijk handhavingsbesluiten, zoals meerdere aanwijzingen, in één brief aan de houder met een duidelijke toelichting, zodat minder verwarring ontstaat over wat het college verwacht van de ontvanger.

Het college betrekt bij de voorbereiding van elk besluit alle feiten en weegt alle belangen af.

Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, namelijk kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie.

Ook weegt het college in het toepassen van een handhavingsmaatregel mee in hoeverre de kwaliteit van opvang is beïnvloed door een tekortkoming. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Bij het opstellen van een besluit houdt het college hier rekening mee.

Het college hecht daarbij grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Ook een reactie van de houder op een inspectierapport in de vorm van een zienswijze betrekt het college bij de beoordeling.

In beginsel beoordeelt het college iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder blijkt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding structureel te herstellen, kan het college besluiten om af te zien van handhaving gericht op herstel. Maar blijkt uit één inspectieonderzoek dat één voorschrift meerdere keren is overtreden dan weegt dit mee in de ernst van de overtreding. Dit uit zich in een kortere hersteltermijn of een hoger sanctiebedrag. Zodra een handhavingsbesluit wordt verstuurd is het college van oordeel dat het onderzoek van de toezichthouder zorgvuldig is uitgevoerd.

Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:

  • het inspectierapport, met daarin:

    • -

      gerapporteerde overtreding(en);

    • -

      bevindingen en conclusies van de toezichthouder;

    • -

      indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden;

    • -

      het advies van de toezichthouder;

    • -

      de reactie van de houder in het inspectierapport;

  • reacties van de houder aan het college;

  • de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.

4.3 Herstellend en/of bestraffend handhaven

Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven.

Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is namelijk om de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.

Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Naast dat het college herstellend handhaaft, kan het college er dus ook voor kiezen om bestraffend te handhaven. De overtredingen waar dit voor zou kunnen gelden zijn opgenomen in het afwegingskader dat als bijlage is toegevoegd aan deze beleidsregels.

Het college geeft in ieder geval altijd gemotiveerd en beargumenteerd aan waarom hij voor herstellende of bestraffende handhaving kiest.

4.4 Recidive

De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.

Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.

Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan kan het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom opleggen. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete dat legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingskader bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.

Wanneer binnen 3 jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

4.5 Organisatieniveau

Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat die organisatiebreed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de gehele organisatie worden hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties en het college handhaven bij andere vestigingen kan voorkomen.

Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken.

4.6 Handhavingsmiddelen van het college

Bij de inzet van handhaving denkt het college in effect, in alle fases van het toezicht en handhaving. Dat betekent dat het college bij de keuze van handhavingsinstrumenten kiest voor de instrumenten die het snelst en meeste effect hebben. Bij elk besluit weegt het college af welk handhavingsmiddel geschikt, noodzakelijk en proportioneel is.

4.6.1 Mogelijke maatregelen na herstelaanbod

Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkomingen snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan onnodig handhaven worden voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding redelijkerwijs binnen afzienbare periode is hersteld.

Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel kan bestaan over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. De houder moet het college op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder op verzoek van het college (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen.

Het herstelaanbod (hoofdstuk 3.6) heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.

Het college kan gebruik maken van één van de volgende handhavingsmaatregelen waarbij 4.6.2 t/m 4.6.7 herstellende maatregelen zijn en 4.6.8 een bestraffende maatregel is.

4.6.2 De aanwijzing

Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welk termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.

De aanwijzing is doorgaans de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die altijd aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.

De aanwijzing is de start van een formeel handhavingstraject wat gevolgd wordt door een nader onderzoek door de toezichthouder om te controleren of de overtreding hersteld is. Het nader onderzoek voert de toezichthouder uit nadat hij hiervoor opdracht heeft gekregen van de gemeente.

Blijkt uit het nader onderzoek dat de overtreding nog niet of niet volledig hersteld is, dan kan het college er voor kiezen om nogmaals een aanwijzing op te leggen gevolgd door een nader onderzoek.

Voordat een tweede aanwijzing opgelegd wordt, nodigt gemeente Zeewolde de houder of de locatiemanager uit voor een overleg. De houder of locatiemanager kan dan toelichten waarom het nog niet gelukt is om de overtreding(en) te herstellen. Gemeente Zeewolde doet dit onder andere omdat de houder of locatiemanager geen mogelijkheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen op het inspectierapport van het nader onderzoek. Daarnaast vindt gemeente Zeewolde het belangrijk om in gesprek te gaan, eventueel maatwerk toe te passen en te investeren in een goede, open en transparante relatie.

4.6.3 De last onder dwangsom

Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, kan het college een last onder dwangsom opleggen. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.

Het college kondigt altijd aan dat hij van plan is een last onder dwangsom op te leggen. In dit voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom geeft het college aan welke wet- en regelgeving van toepassing is en op welke wijze een overtreding moet worden beëindigd. Ook wordt de houder de gelegenheid geboden om een ‘zienswijze’ in te dienen tegen het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom. De termijn hiervoor is meestal twee weken.

Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.

Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld kan het college een last onder dwangsom opleggen. Dit kan het college zelfs doen als dezelfde kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.

4.6.4 Verlengen van een bevel

Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd (hoofdstuk 3.7) en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan kan het college het bevel met minimaal 7 dagen verlengen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

4.6.5 Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod

Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wko. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.

Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.

Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.

4.6.6 Intrekken toestemming

Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen heeft of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet hij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.

Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.

Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als:

  • niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

  • er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

4.6.7 De last onder bestuursdwang

De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.

Zowel het intrekken van de toestemming als de last onder bestuursdwang zijn zware maatregelen met vergaande consequenties.

4.6.8 Bestuurlijke boete (bestraffende maatregel)

Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook gebruik maken van de mogelijkheid bestuurlijke boetes op te leggen. Dit is een bestraffende maatregel.

Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Het college kan een boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.

Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor het college immers moeilijk vast te stellen. Een boete treft niet elke overtreder even zwaar. Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan.

Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien.

In het afwegingskader is een aantal overtredingen benoemd dat voor een directe boete in aanmerking kan komen vanwege de ernst van de overtreding. ‘Kan’ omdat dit het college de ruimte biedt voor maatwerk en gemotiveerd afwijken. Als het college besluit direct een boete op te leggen, dan motiveert, beargumenteert en onderbouwt hij altijd waarom hij hiervoor kiest en besluit dit te doen. Het college zal altijd aankondigen dat hij voornemens is om een boete op te leggen zodat de houder de gelegenheid geboden wordt een zienswijze in te dienen.

4.7 Escalatieladder

In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een aanwijzing met een hersteltermijn.

Na de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaats.

Blijkt uit het nader onderzoek dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig wordt(en) nageleefd en/of is er vrees voor herhaling van de overtreding(en), dan zal er een afweging plaatsvinden over een vervolgstap in de handhaving. Dit is doorgaans opnieuw een aanwijzing gevolgd door een nader onderzoek maar kan ook het opleggen van een last onder dwangsom zijn. In hoofdstuk 4.6.2. wordt dit nader toegelicht.

Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving dan zal wederom een afweging over een vervolgstap plaatsvinden. In dat geval ligt een (verhoogde) last onder dwangsom of een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie.

Als bestraffend traject kan het college besluiten een boete op te leggen. Dit kan voor het overtreden van bepaalde kwaliteitseisen maar ook voor het niet opvolgen van een aanwijzing, een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, niet gemelde opvang of het niet tijdig doorgeven van een wijziging.

4.8 Handhavingsafwegingen en -termijnen

Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of en zo ja welke actie nodig is. De beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.

Voor de herstellende handhaving gelden onder andere de volgende afwegingen:

  • Is er herstelaanbod geweest?

  • Wat is de aard van de overtreding?

  • Wat is de ernst van de overtreding?

  • Hoeveel overtredingen zijn er totaal?

  • Betreft het een herhaalde overtreding (recidive)?

  • Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding begaan is?

  • Komt de overtreding voort uit economisch belang?

Als uitgangspunt hanteert gemeente Zeewolde de volgende termijnen:

  • a.

    maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk;

  • b.

    maximaal twee maanden voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang;

  • c.

    maximaal vier maanden voor herstel van andere overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen.

De hersteltermijn zal met deze uitgangspunten bij elk handhavingsbesluit aan de hand van de specifieke situatie worden bepaald.

4.9 Voorziening voor gastouderopvang

De eerder beschreven werkwijze is ook van toepassing op de gastouderopvang. Daarbij houdt het college wel rekening met de aard van de gastouderopvang. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen.

Bij de handhaving op de gastouderopvang zijn de volgende zaken van belang:

Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen.

Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college kan daarom direct boetes opleggen bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden dan opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden.

Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.

Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college.

Personenregister kinderopvang (Prk): Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat het tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangt. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureau om aan te tonen dat het er redelijkerwijs alles aan heeft gedaan om overtredingen te voorkomen.

4.10 Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente

De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen onze gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente. Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag het college geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen geschikt handhavingsmiddel. Immers, het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel. Het enige handhavingsmiddel dat geschikt en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete.

4.11 Voorschoolse educatie (ve)

Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor de VE-specifieke eisen een herstelaanbod doen.

Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, kan het college daarnaast ook nog optreden binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling. Bij overtredingen van de aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen treedt het college direct op binnen de subsidierelatie.

4.12 Publicatie handhavingsbesluiten

Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde d.d. 28 oktober 2025.

Zeewolde,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

de secretaris

K.C. Hamstra

de burgemeester

A.M. Harmsma

Bijlage: Afwegingskader

Handhaving samengevat

Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingskader geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen.

De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.

Herstellende handhaving

Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.

Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.

Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.

Bestraffende handhaving

Het college kan een boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Ook kan het college besluiten direct een boete op te leggen als de ernst van de overtreding daar aanleiding toe geeft. In het afwegingskader is een overzicht van dit soort overtredingen opgenomen.

Bedragen

De hier opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.

Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht3. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.

In de tabel is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen.

Bij recidive verdubbelt het college dit maximum.

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of het pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk moeten in beginsel direct of binnen maximaal 2 weken worden beëindigd na verzending van de aanwijzing.

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten moeten in beginsel binnen maximaal 2 maanden dagen worden hersteld na verzending van de aanwijzing.

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen moeten in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 4 maanden worden hersteld na verzending van de aanwijzing.

Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is waarbij maatwerk mogelijk is en altijd zorgvuldig gekeken wordt naar de ernst van de overtreding.

Dwangsommen Kindercentrum (Kinderdagverblijf of Buitenschoolse Opvang)

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Maatregelen aanpak A-ziekten

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Pedagogische praktijk

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Voorschoolse educatie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Opleidingseisen

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Aantal beroepskrachten

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Voertaal

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Accommodatie

Eisen aan ruimtes

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, over het algemeen gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Oudercommissie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Klachten en geschillen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben over het algemeen lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Dwangsommen Gastouderbureau

Personeel

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 10.300,-

Personeelsformatie per gastouder

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Personeel hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Veiligheid en gezondheid

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Oudercommissie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Klachten en geschillen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben over het algemeen lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

Kwaliteitscriteria

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Administratie gastouderbureau

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Dwangsommen Gastouder

Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Dwangsommen Ouderparticipatieopvang

Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Bestuurlijke boete

Per overtreding van het voorschrift. Voor de overtredingen in het onderstaande overzicht kan het college naast een herstelsanctie ook een boete opleggen. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

Overtredingen die in aanmerking kunnen komen voor een directe boete

Algemeen

kindercentrum en GOB

gastouders

Exploitatie zonder toestemming college

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

 

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Niet opvolgen bevel

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtreden exploitatieverbod

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Niet (tijdig) melden wijzigingen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150

 

Personeel en groepen

kindercentrum en GOB

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de tweede categorie per ontbrekende VOG, een bedrag van € 5.150,-

Personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 5.150,-

Beroepskrachtkind-ratio (BKR)

de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht, een bedrag van € 5.150,-

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht, een bedrag van € 2.575,-

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie, een bedrag van € 5.150,-

Gastouders - Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de eerste categorie per ontbrekende VOG, een bedrag van € 515,-

Groepsgrote en groepssamenstelling

de eerste categorie per overtreding, een bedrag van € 515,-

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie, een bedrag van € 515,-

Kwaliteit gastouderbureau

Pedagogische praktijk

Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder:

Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang.

de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet, een bedrag van € 5.150,-

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:

De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder

de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet, een bedrag van € 5.150,-

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang:

Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 5.150,-

Veiligheid en gezondheid:

Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overige kwaliteitseisen

Niet opvolgen aanwijzing

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

voor gastouder tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Eisen ruimtes gastouderopvang:

De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen

de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd, een bedrag van € 5.150,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-


Noot
1

Dit kan conform de bepalingen in de Awb.

Noot
2

Voor de houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken.

Noot
3

Als deze bedragen in het Wetboek van Strafrecht aangepast worden, dan zijn de gewijzigde bedragen van toepassing.