Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 houdende regels voor het verstrekken van subsidies voor de gebiedsgerichte beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant (Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant)

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 22-10-2026

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 houdende regels voor het verstrekken van subsidies voor de gebiedsgerichte beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant (Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat het wenselijk is de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te verminderen ter bescherming en herstel van de natuurwaarden;

Overwegende dat de beëindiging van veehouderijlocaties in en rondom deze gebieden daaraan een wezenlijke bijdrage kan leveren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten, op basis van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties, subsidie willen bieden voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke beëindiging van veehouderijlocaties;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Paragraaf 1. Voorfase met vooraanmelding

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

AERIUS Calculator: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofemissie, beschikbaar op www.aerius.nl;

dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;

natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;

omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet;

productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming;

productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:

  • a.

    voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;

  • b.

    voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

  • c.

    voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorie overeenkomstig artikel 2.6, tweede lid;

veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een veehouderijonderneming drijft;

veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;

veehouderijonderneming: landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren.

Artikel 1.2 Doelgroep vooraanmelding

Een veehouderijonderneming, waarvan de veehouderijlocatie geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een van de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze regeling, kan zich aanmelden als belangstellende voor het indienen van een subsidieaanvraag als bedoeld in paragraaf 2 van deze regeling.

Artikel 1.3 Vereisten vooraanmelding

  • 1. Aanmelden als belangstellende kan van 1 december 2025 tot en met 13 februari 2026.

  • 2. Voor de aanmelding wordt het aanmeldformulier gebruikt, samen met de bijlagen die daarbij worden gevraagd.

  • 3. De aanmelding bevat de volgende gegevens:

    • a.

      gegevens over de veehouderijonderneming, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder de veehouderijonderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      de veehouderijlocatie van de veehouderijonderneming waarop een eventuele subsidieaanvraag betrekking heeft;

    • c.

      het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar;

    • d.

      de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat als gevolg van een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie zal vervallen;

    • e.

      een opgave of de veehouderijonderneming voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning of natuurtoestemming;

    • f.

      een opgave van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:

      • 1°.

        de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en

      • 2°.

        de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.

  • 4. Bij de aanmelding als belangstellende worden in ieder geval de volgende bescheiden gevoegd:

    • a.

      een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu of de natuurvergunning of natuurtoestemming betreffende de veehouderijlocatie waarop een eventuele subsidieaanvraag betrekking heeft, inclusief milieutekening;

    • b.

      een verklaring van de veehouderijonderneming dat:

      • 1°.

        hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;

      • 2°.

        de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanmelding op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;

    • c.

      een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofemissie met gebruikmaking van de meest actuele AERIUS Calculator;

    • d.

      een kopie van de administratie waaruit het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar blijkt;

    • e.

      een kaart waarop de ligging van de veehouderijlocatie is weergegeven, met een duidelijke aanduiding van:

      • 1°.

        de productiecapaciteit die op de veehouderijlocatie in gebruik is voor de veehouderijactiviteiten, en

      • 2°.

        de productiecapaciteit die geheel of gedeeltelijk zal worden afgebroken en verwijderd.

Artikel 1.4 Taxatie

Gedeputeerde Staten kunnen op basis van de vooraanmelding een opdracht verstrekken voor het uitvoeren van een taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Een veehouderijonderneming komt niet in aanmerking voor een taxatie indien:

  • a.

    de veehouderijlocatie niet ligt op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de veehouderijlocatie niet is gelegen binnen één van de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze regeling;

  • c.

    voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie reeds subsidie of een bijdrage is verstrekt;

  • d.

    de veehouder op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting of de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie een aanvraag heeft ingediend die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, tenzij de veehouder de aanvraag heeft ingetrokken;

  • e.

    de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming drijft en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de datum van vooraanmelding op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;

  • f.

    de belangstellende zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie;

  • g.

    de stikstofemissiereductie van de veehouderijlocatie in het referentiejaar niet meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde:

    • 1°.

      250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;

    • 2°.

      750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;

    • 3°.

      750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie.

Artikel 1.6 Rangschikking

  • 1. Op basis van de vooraanmeldingen maken Gedeputeerde Staten een inschatting van het totale subsidiebedrag dat nodig zou zijn om alle belangstellenden subsidie te verlenen voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van hun veehouderijlocatie.

  • 2. Indien deze inschatting hoger is dan het beschikbare subsidieplafond, rangschikken Gedeputeerde Staten de belangstellenden om te bepalen in welke volgorde zij in aanmerking komen voor een taxatie.

  • 3. De rangschikking vindt plaats op basis van kosteneffectiviteit, waarbij een belangstellende hoger wordt gerangschikt naarmate de kosteneffectiviteit van een eventuele subsidie voor die belangstellende hoger is.

  • 4. De kosteneffectiviteit van een eventuele subsidie wordt per belangstellende bepaald door de verhouding tussen:

    • a.

      de gecorrigeerde vervangingswaarde van de dierenverblijven die volledig of gedeeltelijk worden afgebroken en verwijderd, en

    • b.

      de vermindering van de stikstofemissie van de veehouderijlocatie die met de volledige of gedeeltelijke sluiting wordt gerealiseerd.

  • 5. De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het vierde lid, onder a, wordt berekend door het aantal vierkante meters van elk te verwijderen dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bijbehorende bedrag dat is opgenomen in bijlage 3 bij artikel 9, tweede lid, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Stcrt. 2023, nr. 14992). Daarbij wordt uitgegaan van de leeftijd, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het betreffende dierenverblijf op 1 januari 2025.

  • 6. De vermindering van de stikstofemissie van de veehouderijlocatie, bedoeld in het vierde lid, onder b, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2.6 van deze regeling.

  • 7. Indien toepassing van het vierde tot en met het zesde lid ertoe leidt dat belangstellenden een gelijke kosteneffectiviteit hebben, worden zij onderling gerangschikt naar de omvang van de gerealiseerde stikstofemissiereductie. De belangstellende met de grootste reductie wordt dan hoger in de rangschikking geplaatst.

  • 8. Indien na afloop van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.9, blijkt dat het subsidieplafond niet is bereikt, kunnen Gedeputeerde Staten, in de volgorde van de in dit artikel vastgestelde rangschikking, belangstellenden alsnog uitnodigen voor een taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit.

Paragraaf 2 Subsidie gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

AERIUS Calculator: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofemissie, beschikbaar op Externe link: www.aerius.nl;

Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;

gecertificeerd: BRL SVMS-007 gecertificeerd of gelijkwaardig;

kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2472/2022 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;

landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;

landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485);

marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marktwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld;

melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder kk, van de Meststoffenwet;

minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet;

omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet;

overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in Natura 2000-gebieden, en in een zone van maximaal 2.500 meter rond een Natura 2000-gebied;

productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming;

productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:

  • a.

    voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;

  • b.

    voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

  • c.

    voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;

referentiejaar: het voor de berekening van stikstofemissie van een veehouderijlocatie gebruikte kalenderjaar, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, onder a, en vierde lid;

stalcapaciteit: productiecapaciteit voor het houden van landbouwhuisdieren, uitgedrukt in het aantal dierplaatsen;

stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorie overeenkomstig artikel 6, tweede lid;

taxateur: taxateur die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs;

Unienorm: norm van de Unie als bedoeld in randnummer 33, onder 64, van het landbouwsteunkader;

veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een veehouderijonderneming drijft;

veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;

veehouderijonderneming: een landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren;

veehouderijonderneming met productierecht: veehouderijonderneming voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;

vleesrunderen: diercategorieën met codes HA2, HA4, HA5 en HA6 als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door een veehouderijonderneming, waarvan de veehouderijlocatie geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een van de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2.3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie overeenkomstig artikel 2.14, respectievelijk artikel 2.15 of artikel 2.16.

  • 2. Als gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd:

    • a.

      in geval de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort:

      • 1º.

        de op de veehouderijlocatie gebruikte stalcapaciteit wordt verminderd, onverlet artikel 2.15, tweede lid, en

      • 2º.

        het aantal gehouden landbouwhuisdieren wordt verminderd;

    • b.

      in geval de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten: het houden van alle landbouwhuisdieren van één of meer diersoorten wordt beëindigd.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 125.000;

    • b.

      de veehouder niet beschikt over de in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie, bedoeld in artikel 1.4;

    • c.

      de veehouder reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;

    • d.

      voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie reeds op grond van deze of een andere regeling subsidie of een bijdrage is verstrekt;

    • e.

      de veehouder een aanvraag heeft ingediend op grond van een regeling van het Rijk en die aanvraag in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, tenzij de veehouder de aanvraag heeft ingetrokken;

    • f.

      de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming drijft;

    • g.

      de te beëindigen productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;

    • h.

      de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie;

    • i.

      de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld, voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na 26 november 2024;

    • j.

      de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

    • k.

      de veehouderijonderneming een onderneming is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader;

    • l.

      de veehouderijonderneming een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;

    • m.

      de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden;

    • n.

      de veehouderijonderneming niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd indien de veehouderijonderneming niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen en in verband hiermee zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.

  • 3. Subsidie kan worden geweigerd indien de veehouderijonderneming niet voldoet of niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming en in verband hiermee zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.

  • 4. Subsidie wordt geweigerd voor veehouderijlocaties en dierenverblijven die niet zijn opgegeven bij de aanmelding als belangstellende, bedoeld in paragraaf 1.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de veehouderijlocatie ligt op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project is gericht op de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie overeenkomstig artikel 2.14, respectievelijk artikel 2.15 of artikel 2.16;

    • c.

      het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit wordt uitgevoerd door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven sloopbedrijf dat daarvoor specifiek gecertificeerd is;

    • d.

      de stikstofemissiereductie van de veehouderijlocatie, bedraagt meer dan de volgende drempelwaarde:

      • 1º.

        250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;

      • 2º.

        750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;

      • 3º.

        750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;

    • e.

      de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie kan uiterlijk binnen 34 maanden na verlening van de subsidie worden afgerond.

  • 2. De stikstofemissie wordt per diercategorie, als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, bepaald door vermenigvuldiging van:

    • a.

      de ammoniakemissie per dierplaats per jaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling, uitgaand van de emissiefactor die voor het toepasselijke huisvestingssysteem van toepassing is, met;

    • b.

      het gemiddelde aantal gehouden landbouwhuisdieren van de diercategorie.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid, onder c, van dit artikel, wordt voor de bepaling van de bestaande stikstofemissie uitgegaan van:

    • a.

      het huisvestingssysteem dat van toepassing was en het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld werd gehouden in het kalenderjaar dat twee kalenderjaren voorafgaat aan het kalenderjaar waarin een subsidieaanvraag op grond van deze subsidieregeling wordt ingediend, en

    • b.

      artikel 4.6 van de Omgevingsregeling (rekenregels emissie ammoniak), zoals dat artikel luidt op de datum waarop de subsidieaanvraag op grond van deze regeling wordt ingediend.

  • 4. Als de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld werd gehouden in het kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onder a, genoemde kalenderjaar.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidie aan een veehouderijonderneming voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie omvat:

    • a.

      een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van productierecht, voor zover sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht;

    • b.

      een bijdrage in verband met het waardeverlies van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, als gevolg van de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend door het bevoegd gezag;

    • c.

      een bijdrage in verband met de kosten van het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit;

    • d.

      een vergoeding van kosten voor leges en planologische procedures, die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten;

    • e.

      een vergoeding van kosten voor adviesdiensten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten.

  • 2. Onder kosten voor adviesdiensten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt verstaan:

    • a.

      kosten voor diensten van de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie;

    • b.

      kosten voor een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder;

    • c.

      kosten voor een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.

  • 3. De subsidie voor de kosten voor adviesdiensten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies:

    • a.

      afkomstig is van een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft;

    • b.

      een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van de productiecapaciteit;

    • c.

      niet behoort tot de gewone bedrijfsvoering van de veehouderijonderneming; en

    • d.

      afkomstig is van een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssysteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435).

  • 4. De in het eerste lid genoemde subsidiabele kosten, komen alleen in aanmerking voor subsidie, indien het redelijk gemaakte kosten betreft die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten en die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Subsidieaanvragen worden ingediend van 21 oktober 2026 tot en met 21 januari 2027.

  • 2. De subsidieaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens, voor zover niet al met gebruik van het aanmeldformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen, bedoeld in paragraaf 1, is verstrekt:

    • a.

      gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder de veehouderijonderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft;

    • c.

      het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar;

    • d.

      indien sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht, de omvang van het productierecht dat als gevolg van een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie zal vervallen, uitgedrukt in:

      • 1°.

        varkenseenheden;

      • 2°.

        pluimvee-eenheden; of

      • 3°.

        kilogrammen fosfaat,

    • e.

      een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning of natuurtoestemming;

    • f.

      een begroting van de verwachte kosten en opbrengsten in verband met de volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;

    • g.

      een realistische planning waarin de belangrijkste fasen en termijnen van de voorgenomen sluiting zijn opgenomen.

  • 3. Bij de subsidieaanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd, voor zover niet al met gebruik van het aanmeldformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen, bedoeld in paragraaf 1, is verstrekt:

    • a.

      een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu of de natuurvergunning of natuurtoestemming betreffende de veehouderijlocatie waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, inclusief milieutekening;

    • b.

      stukken waaruit blijkt dat:

      • 1º.

        de aanvrager op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij drijft; en

      • 2º.

        de te beëindigen productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;

    • c.

      een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofemissie met gebruikmaking van de meest actuele AERIUS Calculator;

    • d.

      een kopie van de administratie waaruit het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar blijkt;

    • e.

      een kaart waarop de ligging van de veehouderijlocatie is weergegeven, met een duidelijke aanduiding van:

      • 1º.

        de voor de veehouderij gebruikte productiecapaciteit; en

      • 2º.

        de productiecapaciteit die geheel of gedeeltelijk zal worden afgebroken en verwijderd;

    • f.

      een kopie van het taxatierapport van de in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie, bedoeld in artikel 1.4;

    • g.

      een kopie van twee offertes van sloopbedrijven, waaruit blijkt:

      • 1°.

        het KvK-nummer;

      • 2°.

        of het bedrijf specifiek gecertificeerd is voor sloop; en

      • 3°.

        de kosten die moeten worden gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit;

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 2.9, eerste lid, vast op € 6.500.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1. De bijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder a, bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, dat gemiddeld in het referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.

  • 2. De waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht wordt bepaald op basis van:

    • a.

      een in opdracht van de provincie door twee onafhankelijke deskundigen gezamenlijk bepaalde marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en

    • b.

      de omvang van het productierecht dat vervalt.

  • 3. Bij het taxeren van de in het tweede lid, onder a, genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van het indienen van de subsidieaanvraag.

  • 4. De bijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder b, bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit.

  • 5. Het in vierde lid bedoelde waardeverlies wordt uitsluitend bepaald met een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk.

  • 6. Bij het taxeren van de in het vijfde lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van het indienen van de subsidieaanvraag.

  • 7. De bijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder c, bedraagt 100% van de kosten die zijn gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, mits de opdrachtverlening voor die werkzaamheden heeft plaatsgevonden op marktconforme wijze.

  • 8. Onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop van de productiecapaciteit vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen op grond van artikel 2.7, eerste lid, onder c.

  • 9. De bijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder d, bedraagt 100% van de gemaakte kosten voor leges voor vergunningen en planologische procedures.

  • 10. De bijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder e, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, tot een maximum van € 5000 per veehouderijonderneming, die een subsidieaanvraag indient op grond van deze regeling.

  • 11. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.

Artikel 2.12 Verdelingswijze

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken subsidieaanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken subsidieaanvraag als laatste.

  • 5. De subsidie wordt verdeeld over subsidieaanvragen die:

    • a.

      opeenvolgend zijn in de rangschikking; en

    • b.

      die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.13 Subsidieverlening

  • 1. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat binnen 6 maanden na verlening van de subsidie tussen de subsidieontvanger en de provincie Noord-Brabant een overeenkomst zoals opgenomen in bijlage 2, bijlage 3 of bijlage 3a bij deze regeling, wordt gesloten waarin een kwalitatieve verplichting is opgenomen als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek betreffende een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de betreffende veehouderijlocatie.

  • 2. De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers.

Artikel 2.14 Verplichtingen bij volledige sluiting van de veehouderijlocatie

  • 1. Bij subsidieverlening voor de onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      binnen 6 maanden na verlening van de subsidie een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, met gebruikmaking van de modelovereenkomst in bijlage 2 bij deze regeling, waarin de veehouder zich verbindt om:

      • 1°.

        niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

      • 2°.

        zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en

      • 3°.

        niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    • b.

      niet langer landbouwhuisdieren houden op de veehouderijlocatie, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13;

    • c.

      dierlijke meststoffen verwijderen van de veehouderijlocatie, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13;

    • d.

      voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:

      • 1°.

        varkens: 80%;

      • 2°.

        pluimvee: 80%;

      • 3°.

        melkvee: 95%;

    • e.

      al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:

      • 1°.

        binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13,

        • -

          een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren houdt; of

        • -

          een verzoek indienen bij het bevoegd gezag tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu, zodat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;

      • 2°.

        indien een verzoek als bedoeld onder 1°, tweede gedachtestreepje, is ingediend: binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, aan Gedeputeerde Staten mededeling doen dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu, op grond waarvan het niet langer is toegestaan op de veehouderijlocatie landbouwhuisdieren te houden.

    • f.

      indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, bij het bevoegd gezag een verzoek indienen tot intrekking van de natuurvergunning, tenzij onderdeel h van toepassing is;

    • g.

      binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, een mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd;

    • h.

      in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, een mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:

      • 1°.

        op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,

      • 2°.

        waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft, de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;

    • i.

      de voor de veehouderijonderneming op de locatie gebruikte productiecapaciteit wordt binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, afgebroken en verwijderd;

    • j.

      overlegt jaarlijks op uiterlijk 15 januari een voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt, waarin in ieder geval is opgenomen in hoeverre en op welke wijze wordt voldaan aan de van toepassing zijnde verplichtingen, die zijn genoemd in dit artikel, met uitzondering van het vereiste om de productiecapacititeit af te breken en te verwijderen;

    • k.

      houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen een door de provincie te bepalen termijn nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.

  • 3. Indien een subsidieontvanger een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet binnen de genoemde termijn kan naleven, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van de betreffende termijn, voor zover het project uiterlijk 1 juli 2031 wordt of kan worden afgerond.

Artikel 2.15 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met één diersoort

  • 1. Bij subsidieverlening voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder a, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      binnen 6 maanden na verlening van de subsidie een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, met gebruikmaking van de modelovereenkomst in bijlage 3 bij deze regeling, waarin de subsidieontvanger zich verbindt om:

      • 1°.

        niet meer landbouwhuisdieren te houden dan het aantal dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

      • 2°.

        zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden dan het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; en

      • 3°.

        niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    • b.

      bewerkstelligen dat binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in het referentiejaar wordt gehouden in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het deel waarmee de op de veehouderij gebruikte stalcapaciteit overeenkomstig onderdeel f wordt verminderd;

    • c.

      voor zover de subsidieontvanger een veehouderij met productierecht drijft, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet, een kennisgeving doen van het gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij in vergelijking met de situatie in het referentiejaar ten minste het productierecht voor een zodanige omvang komt te vervallen als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal landbouwhuisdieren waarmee het jaarlijks gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b is verminderd:

      • 1°.

        varkens: 80%;

      • 2°.

        pluimvee: 80%;

      • 3°.

        melkvee: 95%;

    • d.

      al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:

      • 1°.

        binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13,

        • -

          een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat het jaarlijks op de veehouderijlocatie gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b wordt verminderd; of

        • -

          een verzoek indienen bij het bevoegd gezag tot wijziging van de omgevingsvergunning milieu, zodanig dat de vergunning nog slechts betrekking heeft op het in onderdeel b bedoeld jaarlijks gemiddels aantal te houden landbouwhuisdieren;

      • 2°.

        indien een verzoek als bedoeld onder 1°, tweede gedachtestreepje, is ingediend: binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, aan Gedeputeerde Staten mededeling doen dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu zodanig heeft aangepast dat de vergunning nog slechts betrekking heeft op het in onderdeel b bedoelde jaarlijks gemiddeld aantal te houden landbouwhuisdieren;

    • e.

      indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie:

      • 1°.

        binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, een verzoek indienen bij het bevoegd gezag tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;

      • 2°.

        binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag - op verzoek van de veehouder - een besluit heeft genomen tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;

    • f.

      binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, verkleinen van de stalcapaciteit door het afbreken en verwijderen van het desbetreffende dierenverblijf of de desbetreffende dierenverblijven;

    • g.

      overlegt jaarlijks op uiterlijk 15 januari een voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt, waarin in ieder geval is opgenomen in hoeverre en op welke wijze wordt voldaan aan de van toepassing zijnde verplichtingen, die zijn genoemd in dit artikelmet uitzondering van het vereiste om productiecapaciteit af te breken en te verwijderen;

    • h.

      houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening. 

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het afbreken en verwijderen van het dierenverblijf of de dierenverblijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken:

    • a.

      voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge het eerste lid, onderdeel f, verkleinde stalcapaciteit;

    • b.

      voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen een door de provincie te bepalen termijn nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.

  • 3. Indien een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de genoemde termijn en de subsidieontvanger acht verlenging van de betreffende termijn wenselijk, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van de betreffende termijn, voor zover het project uiterlijk 1 juli 2031 wordt of kan worden afgerond.

Artikel 2.16 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met meer dan één diersoort

  • 1. Bij subsidieverlening voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      binnen 6 maanden na verlening van de subsidie een overeenkomst sluiten met Gedeputeerde Staten, met gebruikmaking van de modelovereenkomst in bijlage 3a bij deze regeling, waarin de subsidieontvanger zich verbindt om:

      • 1°.

        niet langer landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten te houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

      • 2°.

        zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten worden gehouden; en

      • 3°.

        niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    • b.

      niet langer op de veehouderijlocatie houden van de landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13;

    • c.

      voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft, binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet, een kennisgeving doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht voor de desbetreffende diersoort of diersoorten, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de locatie is gehouden:

      • 1°.

        varkens: 80%;

      • 2°.

        pluimvee: 80%;

      • 3°.

        melkvee: 95%;

    • d.

      al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:

      • 1°.

        binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13,

        • –

          een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten houdt; of

        • –

          een verzoek indienen bij het bevoegd gezag tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu zodanig dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten te houden;

      • 2°.

        indien een verzoek als bedoeld onder 1°, tweede gedachtestreepje, is ingediend: binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, aan Gedeputeerde Staten mededeling doen dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten te houden;

    • e.

      Indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie:

      • 1°.

        binnen 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, een verzoek indienen bij het bevoegd gezag tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of diersoorten die na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie nog gehouden mogen worden;

      • 2°.

        binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, mededeling doen aan Gedeputeerde Staten dat het bevoegd gezag - op verzoek van de veehouder - een besluit heeft genomen tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of diersoorten die na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie nog gehouden mogen worden;

    • f.

      binnen binnen 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13, de stalcapaciteit verkleinen door het afbreken en verwijderen van het desbetreffende dierenverblijf of de desbetreffende dierenverblijven;

    • g.

      overlegt jaarlijks op uiterlijk 15 januari een voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt, waarin in ieder geval is opgenomen in hoeverre en op welke wijze wordt voldaan aan de van toepassing zijnde verplichtingen, die zijn genoemd in dit artikel, met uitzondering van het vereiste om productiecapaciteit af te breken en te verwijderen;

    • h.

      houdt ingevolge de randnummers 114 en 653 van het landbouwsteunkader een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken gedurende 10 jaar na vaststelling van de subsidie ingevolge artikel 13 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het afbreken en verwijderen van het dierenverblijf of de dierenverblijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken:

    • a.

      voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge het eerste lid, onderdeel f, verkleinde stalcapaciteit;

    • b.

      voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet binnen een door de provincie te bepalen termijn nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.

  • 3. Indien een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de genoemde termijn en de subsidieontvanger acht verlenging van de betreffende termijn wenselijk, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van de betreffende termijn, voor zover het project uiterlijk 1 juli 2031 wordt of kan worden afgerond.

Artikel 2.17 Verantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken, voor zover deze niet reeds bij een voortgangsverslag zijn overgelegd:

  • a.

    een bewijs van vestiging van de kwalitatieve verplichting als bedoeld in bijlage 2, bijlage 3 of bijlage 3a;

  • b.

    een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder d, artikel 2.15, eerste lid, onder c, of artikel 2.16, eerste lid, onder c;

  • c.

    een kopie van de omgevingsrechtelijke melding of van het besluit tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder e, artikel 2.15, eerste lid, onder d, of artikel 2.16, eerste lid, onder d;

  • d.

    indien van toepassing een kopie van het besluit tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder f of het besluit als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder h, artikel 2.15, eerste lid, onder e, of artikel 2.16, eerste lid, onderdeel e;

  • e.

    een financieel projectverslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de Asv; en

  • f.

    een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2°, van de Asv.

Artikel 2.18 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in twee gedeelten.

  • 3. Het eerste gedeelte van 20% wordt betaald na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 2.13.

  • 4. Indien subsidie is verleend voor een volledige sluiting van de veehouderijlocatie wordt het tweede voorschot, ter hoogte van 60% van het verleende subsidiebedrag, betaald nadat de subsidieontvanger heeft aangetoond dat is voldaan aan de volgende verplichtingen, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid:

    • a.

      de verplichting om niet langer landbouwhuisdieren te houden op de veehouderijlocatie (onderdeel b);

    • b.

      de verplichting om dierlijke meststoffen van de veehouderijlocatie te verwijderen (onderdeel c);

    • c.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, kennisgeving te doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht (onderdeel d);

    • d.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een omgevingsrechtelijke melding te doen of een verzoek tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu in te dienen, als bedoeld in onderdeel e, onder 1°;

    • e.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een verzoek tot intrekking van de natuurvergunning in te dienen (onderdeel f); en

    • f.

      de verplichting om Gedeputeerde Staten te informeren dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente een verzoek in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd (onderdeel g).

  • 5. Indien subsidie is verleend voor een gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie met één diersoort wordt het tweede voorschot, ter hoogte van 60% van het verleende subsidiebedrag, betaald nadat de subsidieontvanger heeft aangetoond dat is voldaan aan de volgende verplichtingen, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid:

    • a.

      de verplichting om het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren op de veehouderijlocatie te verminderen en af te voeren overeenkomstig onderdeel b;

    • b.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, kennisgeving te doen van het gedeeltelijk vervallen van het productierecht overeenkomstig onderdeel c;

    • c.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een omgevingsrechtelijke melding te doen of een verzoek tot wijziging van de omgevingsvergunning milieu in te dienen, als bedoeld in onderdeel d, onder 1°; en

    • d.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een verzoek tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning in te dienen, als bedoeld in onderdeel e, onder 1°.

  • 6. Indien subsidie is verleend voor een gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie met meer dan één diersoort wordt het tweede voorschot, ter hoogte van 60% van het verleende subsidiebedrag, betaald nadat de subsidieontvanger heeft aangetoond dat is voldaan aan de volgende verplichtingen, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid:

    • a.

      de verplichting om niet langer de landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten te houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft (onderdeel b);

    • b.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, kennisgeving te doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht voor de desbetreffende diersoort of diersoorten (onderdeel c);

    • c.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een omgevingsrechtelijke melding te doen of een verzoek tot intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning milieu in te dienen, als bedoeld in onderdeel d, onder 1°; en

    • d.

      de verplichting om, voor zover van toepassing, een verzoek tot wijziging of intrekking van de natuurvergunning in te dienen, als bedoeld in onderdeel e, onder 1°.

Artikel 2.19 Subsidievaststelling

Gedeputeerde Staten stellen ingevolge randnummer 87 van het landbouwsteunkader, de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 22, twaalfde lid, van de Asv, op basis van prestaties en de gerealiseerde kosten. 

Artikel 2.20. Gegevensverwerking

  • 1. De provincie maakt, met inachtneming van randnummers 112 en 114 van het landbouwsteunkader, na de datum van subsidievaststelling op grond van deze regeling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:

    • a.

      de naam van de subsidieontvanger;

    • b.

      de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;

    • c.

      de datum van de subsidievaststelling;

    • d.

      het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij landbouwgroepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria;

    • e.

      de provincie op het grondgebied waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt;

    • f.

      de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.

  • 2. De gegevens die door de veehouderijonderneming zijn verstrekt aan de provincie op grond van deze regeling, kunnen door de provincie worden verstrekt aan de Minister, voor zover nodig voor:

    • a.

      de beoordeling of die gegevens overeenkomen met de gegevens waarover de minister beschikt;

    • b.

      de vaststelling door de minister van de uitkering die de minister heeft verstrekt aan de provincie ten behoeve van deze regeling;

    • c.

      het opnemen van depositieruimte in het Aerius Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling;

    • d.

      de toepassing van artikel 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit Leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit, met inbegrip van de verstrekking van die gegevens aan kennisinstellingen met het oog op werkzaamheden ten behoeve van die toepassing.

Paragraaf 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2032 een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze regeling in de praktijk.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 4 november 2025

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

BIJLAGE 1 Openstellingsgebied,

Behorende bij artikel 1.2, 1.5 en artikel 2.2 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant

afbeelding binnen de regeling

BIJLAGE 2,

behorende bij artikel 2.14 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant

Modelovereenkomst

Ondergetekenden:

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en

De Provincie […..], vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........

overwegende:

dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant in artikel 2.14 als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

  • 1°.

    niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2°.

    zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden;

  • 3°.

    niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

  • 1.

    De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel … van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren gaan houden.

  • 2.

    De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden.

  • 3.

    De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.

  • 4.

    De veehouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie, in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, dezelfde diersoorten gaan houden, behoudens voor zover het een locatie betreft waar hij ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds dezelfde diersoorten met productierecht hield.

Datum en plaats:

................, ..........

....

....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)

(...

= naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

.... (...

= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder en geboortedatum)

BIJLAGE 3,

Behorende bij artikel 2.15 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant

Modelovereenkomst

Ondergetekenden:

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en

De Provincie ….., vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........

overwegende:

dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant in artikel 2.15, eerste lid, onderdeel f, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

  • 1º.

    niet meer landbouwhuisdieren te houden dan het aantal dat overeenkomstig artikel 2.15, eerste lid, onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2º.

    zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden dan het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; en

  • 3º.

    niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het gedeeltelijk beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

  • 1.

    De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 2.15 van de regeling, op de locatie niet meer landbouwhuisdieren houden dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2.

    De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van meer landbouwhuisdieren dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden;

  • 3.

    De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van meer landbouwhuisdieren dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.

  • 4.

    De veehouder zal niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.

Datum en plaats:

................, ..........

....

....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)

(... = naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

.... (...= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder en geboortedatum)

BIJLAGE 3a

Behorende bij artikel 2.16 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant

Modelovereenkomst

Ondergetekenden:

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en

De Provincie ….., vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........

overwegende:

dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant in artikel 2.16 als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

  • 1º.

    niet langer landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten te houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2º.

    zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten worden gehouden; en

  • 3º.

    niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

    dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het gedeeltelijk beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

  • 1.

    De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel … van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten gaan houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;

  • 2.

    De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden.

  • 3.

    De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.

  • 4.

    De veehouder zal niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.

Datum en plaats:

................, ..........

....

....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)

(... = naam veehouder en geboortedatum)

.... (...= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder en geboortedatum)