Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746469
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746469/1
Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd
Geldend van 08-11-2025 t/m heden
Intitulé
Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de JeugdDe colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Deurne, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Someren, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre ieder voor zover het betreft zijn bevoegdheden;
Overwegende dat:
- 1.
het wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg gemeenten zal verplichten om te gaan samenwerken bij de inkoop van regionale jeugdhulp;
- 2.
het wetsvoorstel in de Jeugdwet regelt dat deze samenwerking binnen aangewezen jeugdregio’s plaatsvindt binnen een gemeenschappelijke regeling;
- 3.
de deelnemende gemeenten tezamen bij ministeriele regeling zijn aangewezen als jeugdregio;
- 4.
de deelnemende gemeenten eerder een niet-vrijblijvende netwerksamenwerking rondom de inkoop van jeugdhulp zijn aangegaan met als doel de kwaliteit van de inkoop te verstevigen, minder kwetsbaar te zijn op deze taakuitvoering en de kosten ervan te beheersen;
- 5.
de vijf Peelgemeenten (gemeenten Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek en Someren) de inkooptaak op het gebied van jeugdzorg hebben gemandateerd aan het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten. Om deze reden zal het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten namens de vijf Peelgemeenten personele inzet en financiële middelen leveren aan het openbaar lichaam Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd;
- 6.
vanuit de ontvangen zienswijzen op het ontwerp van de regeling enkele gemeenteraden hebben aangegeven dat door aanpassing in de financieringssystematiek de gemeenten minder bijdragen ontvangen vanuit het Rijk. Dit betekent dat gemeenten kritisch moeten zijn op hun uitgaven en dit ook van de te vormen Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd verwachten;
- 7.
de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten toestemming hebben verleend voor het treffen van de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd.
Gelet op:
- -
artikel 1 eerste en vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
- -
het wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg;
Besluiten:
De gemeenschappelijke regeling “Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd” te treffen waarvan de tekst komt te luiden als volgt:
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Instelling en plaats van vestiging
-
1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd “Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd”.
-
2. Het openbaar lichaam is gevestigd in Deurne.
Artikel 2. Begripsbepalingen
-
1. In deze gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
Algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het openbaar lichaam;
- b.
colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;
- c.
Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;
- d.
deelnemende gemeenten: de rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:1 Algemene wet bestuursrecht waartoe onderscheidenlijk de colleges van burgemeester en wethouders Asten, Deurne, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Someren, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre behoren;
- e.
openbaar lichaam: het openbaar lichaam bedoeld in Artikel 1 eerste lid van deze regeling;
- f.
regeling: de gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd;
- g.
regionale jeugdhulp: kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur nader aan te wijzen vormen van jeugdhulp;
- h.
uitvoeringskosten: alle kosten (inclusief overhead) die gemaakt worden voor de uitvoering van de taken van de gemeenschappelijke regeling;
- i.
wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
- a.
-
2. Daar waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, het college, de burgemeester en de griffier, onderscheidenlijk: het openbaar lichaam, het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur, de voorzitter en de secretaris.
HOOFDSTUK 2. Belang, doel, taken en bevoegdheden
Artikel 3. Belang en doel
-
1. De colleges treffen deze regeling ter verbetering van de beschikbaarheid en kwaliteit van jeugdzorg voor de meest kwetsbare kinderen door het versterken van de regionale samenwerking tussen gemeenten en het beter organiseren van de regionale contractering en subsidiëring van regionale jeugdhulp.
-
2. De colleges richten een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie op in de vorm van een openbaar lichaam ter behartiging van het belang als bedoeld in het eerste lid, dragen tezamen zorg voor de besturing ervan en houden daarbij rekening met de bevoegdhedenverdeling over de gemeentelijke organen en de zelfstandigheid van ieder van de deelnemende gemeenten.
-
3. Het openbaar lichaam bundelt geld en personele inzet, deels beschikbaar gesteld door het Rijk, om gemeentelijke taken op het gebied van de inkoop van regionale jeugdhulp uit te voeren, beleid voor te bereiden en samen te werken voor alle deelnemende gemeenten.
Artikel 4. Taken
-
1. Het openbaar lichaam voert een takenpakket uit zoals vastgelegd in de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdhulp en daarop gebaseerde wet- en regelgeving met inachtneming van de regiovisie Een 10 voor de Jeugd die door de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten is vastgesteld.
-
2. De in het eerste lid genoemde taken hebben betrekking op:
- a)
het ten behoeve van alle jeugdigen in die regio contracteren of subsidiëren van regionale jeugdhulp;
- b)
het uitvoeren van administratieve processen behorende bij de contractering of subsidiëring door de Jeugdregio;
- c)
het afstemmen met andere Jeugdregio’s of colleges van regio’s teneinde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van regionale jeugdhulp;
- d)
de organisatie van de regionale expertteams.
- a)
-
3. In aanvulling op het eerste lid kan het openbaar lichaam, voor zover dit doelmatig is in te passen in de bedrijfsvoering, op verzoek van een of meer deelnemende gemeenten ook andere taken uitvoeren die gerelateerd zijn aan de belangen zoals bedoeld in Artikel 3.
-
4. Structurele uitbreiding van het takenpakket voor alle deelnemende gemeenten met andere taken dan benoemd in het eerste lid verplicht tot wijziging van deze regeling.
Artikel 5. Bevoegdheden
-
1. Het bestuur van het openbaar lichaam heeft verordenende en regelgevende bevoegdheden met betrekking tot de aangelegenheden die de bedrijfsvoering van het openbaar lichaam betreffen.
-
2. De collegebevoegdheden betreffende de taken genoemd in Artikel 4 eerste lid, worden door de colleges gemandateerd aan het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam op basis van een door elk college afzonderlijk vast te stellen gelijkluidend mandaatbesluit.
-
3. Het Dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met een of meer, al dan niet deelnemende gemeenten en samenwerkingsverbanden met betrekking tot:
- a.
eigen taken van het openbaar lichaam of
- b.
taken welke aan haar zijn gemandateerd
- a.
-
4. Het Dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot het uitvoeren van taken als bedoeld in Artikel 4 lid 3 van de regeling.
-
5. Het Algemeen bestuur respectievelijk het Dagelijks bestuur kunnen afzonderlijk of samen, ieder voor zover zij bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling, waarvan uitgezonderd het instellen van een openbaar lichaam, treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van het openbaar lichaam. Het Algemeen bestuur respectievelijk het Dagelijks bestuur gaan niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan nadat zij hierover vooraf de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hebben gesteld hun zienswijzen kenbaar te maken.
-
6. Het Algemeen bestuur is bevoegd te besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties en verenigingen, op voorwaarde dat de raden van de deelnemende gemeenten vooraf in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorgenomen besluit aan het Algemeen bestuur kenbaar te maken.
HOOFDSTUK 3. Inrichting van het openbaar lichaam
Artikel 6. Organen
-
1. Het openbaar lichaam kent de volgende organen:
- a.
het Algemeen bestuur
- b.
het Dagelijks bestuur
- c.
de voorzitter
- d.
de door het bestuur ingestelde bestuurscommissies.
- a.
Artikel 7. Algemeen bestuur
-
1. Het Algemeen bestuur bestaat uit elf leden, de voorzitter inbegrepen. Ieder college wijst uit zijn midden één lid en een plaatsvervanger aan.
-
2. De leden van het Algemeen bestuur hebben ieder één stem.
-
3. De besluitvorming vindt met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid plaats bij gewone meerderheid van stemmen. Dit laat onverlet dat het streven is dat besluiten worden genomen op basis van consensus.
-
4. Besluiten betreffende vaststelling en wijziging van de begroting en de jaarrekening worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid van minimaal acht goedkeurende stemmen.
-
5. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.
-
6. Aan het Algemeen bestuur behoren met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstelling van het openbaar lichaam alle bevoegdheden, die bij deze regeling niet aan het Dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen.
-
7. Het Algemeen bestuur kan de uitoefening van bevoegdheden volgens door hem te stellen regels mandateren aan het Dagelijks bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van:
- a.
het vaststellen en wijzigen van de begroting;
- b.
het vaststellen van de jaarrekening;
- c.
het nemen van besluiten over het instellen van commissies, als bedoeld in de artikelen 24, 24a en 25 van de wet;
- d.
Het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 31a van de wet.
- a.
Artikel 8. Dagelijks bestuur
-
1. Het Dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, afkomstig uit drie verschillende colleges, aan te wijzen door en uit de leden van het Algemeen bestuur.
-
2. Het Algemeen bestuur wijst, naast de voorzitter afkomstig van het college van Helmond, één lid aan uit het college van Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek of Someren en wijst één lid aan uit het college van Geldrop-Mierlo, Nuenen c.a., Son en Breugel, Veldhoven of Waalre.
-
3. Als tussentijds een vacature ontstaat, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
-
4. Leden van het Dagelijks bestuur blijven in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
-
5. Het Dagelijks bestuur stelt voor de uitvoering van zijn taken een reglement van orde vast. Op het houden van de orde van de vergadering van het Dagelijks bestuur zijn de artikelen 52 tot en met 60 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
-
6. In aanvulling op de bevoegdheden die in de wet aan het Dagelijks bestuur zijn opgedragen, is het Dagelijks bestuur ook belast met:
- a.
het voorstaan van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;
- b.
de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;
- c.
de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding.
- a.
-
7. Het Dagelijks bestuur besluit bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedere deelnemer één stem heeft.
Artikel 9. Voorzitter en vicevoorzitter
-
1. Het Algemeen bestuur wijst het lid dat namens het college van Helmond zitting heeft in het Algemeen bestuur aan als voorzitter.
-
2. Het Algemeen bestuur wijst vanuit de leden van het Dagelijks bestuur een vicevoorzitter aan.
Artikel 10. Bestuurscommissies
Het Algemeen bestuur kan, conform artikel 25 van de wet commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het Algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen dan nadat zij hierover vooraf de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hebben gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken.
Artikel 11. Secretaris
-
1. Het Algemeen bestuur wijst op voordracht van het Dagelijks bestuur een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan.
-
2. Alle stukken uitgaande van het Algemeen bestuur of het Dagelijks bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.
-
3. De secretaris is de eerste adviseur van zowel het Algemeen bestuur als het Dagelijks bestuur en ondersteunt deze bij de beleidsvorming en besluitvorming.
-
4. De secretaris voert de regie over de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam en coördineert de werkzaamheden van medewerkers voor zover deze betrekking hebben op de taakuitvoering van het openbaar lichaam.
-
5. De secretaris zorgt voor een goede afstemming tussen het Dagelijks bestuur, het Algemeen bestuur en de medewerkers, en bewaakt daarbij de voortgang en kwaliteit van de uitvoering van de taken.
Artikel 12. Personele afspraken
-
1. De taken van het openbaar lichaam worden uitgevoerd door medewerkers van de deelnemende gemeenten of van het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten.
-
2. De secretaris wordt betrokken bij de werving en selectie van medewerkers die werkzaamheden gaan verrichten voor het openbaar lichaam.
-
3. De secretaris is functioneel leidinggevende voor medewerkers, voor zover hun werkzaamheden het openbaar lichaam betreffen. De formele werkgeversrol blijft bij de deelnemende gemeenten of het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten.
Artikel 13. Dienstverleningsovereenkomst uitvoering bedrijfsvoeringstaken
Om uitvoering te geven aan de samenwerking sluit het openbaar lichaam een overeenkomst met één of meerdere partijen langs de lijn van publiek-publieke samenwerking ter ondersteuning van de taken waarmee het openbaar lichaam is belast.
Artikel 14. Organisatiebesluit
Het bestuur kan een organisatiebesluit vaststellen. In het organisatiebesluit worden die zaken geregeld die toezien op de organisatie binnen het openbaar lichaam welke gericht zijn op het goed doelmatig, rechtmatig en efficiënt functioneren van de samenwerking.
Artikel 15. Participatie
De uiteindelijke beleidskeuzes liggen bij de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Daarom kunnen ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden via de reguliere procedures van de colleges en raden van de deelnemende gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
HOOFDSTUK 4. Verantwoording en informatievoorziening
Artikel 16. Verantwoordingsplicht lid Dagelijks bestuur
-
1. Het Dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
-
2. Het Algemeen bestuur kan een lid van het Dagelijks bestuur, als dit lid het vertrouwen van het Algemeen bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen.
Artikel 17. Verantwoordingsplicht lid Algemeen bestuur
-
1. Het lid van het Algemeen bestuur dat door een deelnemende gemeente is afgevaardigd is aan het college en de raad van die gemeente verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording bij eerste gelegenheid mondeling of schriftelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.
-
2. Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen bestuur, als dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, ontslag verlenen.
Artikel 18. Interne informatievoorziening
Het Dagelijks bestuur geeft het Algemeen bestuur alle inlichtingen die het Algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Artikel 19. Externe informatievoorziening
-
1. Een lid van het Algemeen bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang.
-
2. Het Algemeen bestuur, Dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam verstrekken schriftelijk aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang.
-
3. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt door het Dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd.
-
4. Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geven de raden van de deelnemende gemeenten uit eigen beweging mondeling of schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
-
5. In afwijking van het vierde lid verschaffen het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geen informatie rechtstreeks aan de raden over zaken waaromtrent geheimhouding is opgelegd. Indien de raden deze informatie wel nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, wordt deze informatie via de colleges met de raden gedeeld onder de voorwaarde dat de colleges krachtens artikel 87 Gemeentewet geheimhouding hebben opgelegd.
HOOFDSTUK 5. Zienswijze gemeenteraden
Artikel 20. Zienswijze gemeenteraden
-
1. De raden van deelnemende gemeenten worden op basis van deze regeling in de gelegenheid gesteld om binnen 12 weken hun zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de volgende besluiten:
- a.
Het treffen van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in Artikel 5;
- b.
Het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties en verenigingen als bedoeld in Artikel 5;
- c.
Het instellen van bestuurscommissies als bedoeld in Artikel 10;
- d.
Het vaststellen van de ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen als bedoeld in de wet met in achtneming van het bepaalde in Artikel 21;
- e.
Het vaststellen van het uittredingsplan als bedoeld in Artikel 33;
- f.
Het vaststellen van het liquidatieplan als bedoeld in Artikel 36;
- a.
-
2. In aanvulling op het eerste lid kan het Algemeen bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen.
-
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld op besluiten van het Algemeen bestuur een zienswijze naar voren te brengen als een meerderheid van de raden van de deelnemende gemeenten hierom verzoekt.
-
4. Als de zienswijzeprocedure wordt toegepast, dan geldt daarbij de zienswijzeprocedure van artikel 35 eerste tot en met vierde lid van de wet met dien verstande dat de termijn twaalf weken bedraagt.
HOOFDSTUK 6. Financiële bepalingen
Artikel 21. Begroting
-
1. De ontwerpbegroting geeft inzicht in de uitvoeringskosten en de bijdrage van de deelnemende gemeenten.
-
2. Begrotingswijzigingen die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen kunnen direct worden vastgesteld door het Algemeen bestuur.
Artikel 22. Verdeling van kosten
-
1. De uitvoeringskosten van de taken als bedoeld in Artikel 4 lid 1 worden tussen alle deelnemende gemeenten verdeeld op basis van de verdeelsleutel inwonertal, op basis van de door het CBS geregistreerde inwoneraantal waarbij als peildatum 1 januari van het voorgaande jaar geldt.
-
2. Aanvullende taken als bedoeld in Artikel 4 lid 3 van de regeling worden doorbelast aan de afnemende deelnemers op basis van de integrale kostprijs van het opstarten, leveren en beëindigen van die taken.
-
3. Bij de afrekening wordt rekening gehouden met de bijdrage die (namens) de deelnemende gemeenten wordt geleverd in de vorm van personele inzet.
-
4. Voor de deelnemers in het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten geldt dat de financiële stromen via het openbaar lichaam Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten mogen lopen.
Artikel 23. Financiële gegoedheid
-
1. De deelnemende gemeenten dragen er steeds zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
-
2. Indien aan het Algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
Artikel 24. Risicobeheersing
Het openbaar lichaam draagt zorg voor een adequate verzekering van risico’s die verbonden zijn aan de uitvoering van taken en bevoegdheden voor zover deze risico’s niet op andere wijze afdoende kunnen worden beheerst.
HOOFDSTUK 7. Archief
Artikel 25. Archiefzorg
-
1. Het Dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Dit overeenkomstig een door het Algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen archiefverordening, die aan Gedeputeerde Staten moet worden medegedeeld.
-
2. Bij opheffing van de regeling of uittreding van een deelnemende gemeente wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 Archiefwet 1995.
Artikel 26. Archiefbeheer
De beheerder is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Artikel 27. Archiefbewaarplaats
-
1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemende gemeente(n).
-
2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe.
Artikel 28. Toezicht
-
1. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is de archivaris van de deelnemende gemeente(n) belast.
-
2. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam is de streekarchivaris van het RHCe belast.
Artikel 29. Verantwoording
-
1. De archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven brengt jaarlijks aan het Dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
-
2. Het Dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het Algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van het openbaar lichaam.
Artikel 30. Terbeschikkingstelling
-
1. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken.
-
2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van ter beschikking stelling gestelde archiefbescheiden vastgelegd.
-
3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden gesteld worden aan de terbeschikkingstelling.
HOOFDSTUK 8. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Artikel 31. Toetreding
-
1. Toetreding van gemeenten tot deze regeling is slechts mogelijk na wijziging van de samenstelling van de jeugdregio bedoeld in de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg waartoe de deelnemende gemeenten behoren.
-
2. Het Algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hierbij verplichtingen opleggen.
Artikel 32. Uittreding
-
1. Uittreding van gemeenten uit deze regeling is slechts mogelijk na wijziging van de samenstelling van de jeugdregio bedoeld in de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg waartoe de deelnemende gemeenten behoren.
-
2. Een uittredende gemeente zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen bestuur.
-
3. Het Dagelijks bestuur zendt het besluit tot uittreding aan de colleges van de overige deelnemende gemeenten.
-
4. Tenzij het Algemeen bestuur anders besluit vangt de procedure van uittreding aan op de dag nadat het Algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen en duurt minimaal 12 maanden waarbij feitelijke uittreding plaats heeft per 31 december van het jaar van de uittreding.
-
5. Het Algemeen bestuur stelt voorafgaand aan het moment van feitelijke uittreding overeenkomstig het bepaalde in Artikel 33 een uittredingsplan vast waarin de gevolgen van de uittreding worden beschreven.
Artikel 33. Uittredingsplan
-
1. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
-
2. Het uittredingsplan omvat de vaststelling van de uittreedsom en de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.
-
3. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten hierbinnen.
-
4. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer berekend over een periode van maximaal twee jaar.
-
5. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct, dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij ingegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding berekend over een periode van maximaal twee jaar.
-
6. Het openbaar lichaam brengt de uittreedsom na vaststelling van het uittredingsplan in rekening bij de uittredende gemeente(n).
-
7. Een uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de uittreedsom.
-
8. Kosten die een uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de uittreding komen voor rekening van de uittredende gemeente.
-
9. De in het tweede lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:
- a.
Relevante wet- en regelgeving;
- b.
Relevante jurisprudentie;
- c.
Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
- a.
-
10. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemer dan wel het Algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom onjuist werd bepaald als gevolg van een of beide hierna benoemde omstandigheden:
- a.
een uittredende gemeente dan wel het Algemeen bestuur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan redelijkerwijs aangenomen moet worden dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden als de onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;
- b.
een uittredende gemeente dan wel het Algemeen bestuur inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt waarvan deze redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
- a.
-
11. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk betaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen bestuur van het besluit tot uittreding.
-
12. Het uittredingsplan wordt minimaal 12 weken voordat het door het Algemeen bestuur wordt vastgesteld door het Dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken.
Artikel 34. Onafhankelijke externe deskundige
-
1. Bij het ontbreken van overeenstemming over de hoogte van de uittreedsom, vragen het Algemeen bestuur en het college van de uittredende gemeente(n) gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de berekening.
-
2. Het Algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente(n) en het Dagelijks bestuur.
-
3. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan.
-
4. Het advies van de in het vorige lid bedoelde deskundige is voor partijen bindend.
-
5. De kosten voor het inschakelen van de deskundige worden in gelijke mate verdeeld tussen het openbaar lichaam en de uittredende gemeente(n).
Artikel 35. Wijziging
-
1. Een voorstel tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het Algemeen bestuur of door de colleges van tenminste drie van de deelnemende gemeenten.
-
2. De regeling wordt gewijzigd indien de colleges van de deelnemende gemeenten daartoe, met toestemming van de raden, eensluidend besluiten.
Artikel 36. Opheffing
-
1. De colleges van de deelnemende gemeenten besluiten niet eerder tot opheffing van de regeling dan nadat de raden daar toestemming voor hebben verleend.
-
2. In geval van opheffing van de regeling door de deelnemende colleges besluit het Algemeen bestuur tot liquidatie c.q. ontbinding van het openbaar lichaam.
-
3. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze kenbaar hebben kunnen maken, vastgesteld.
-
4. Het eigen vermogen van de regeling wordt, na aftrek van liquidatiekosten, vereffend op basis van de in dat jaar geldende verdeelsleutel in de bijdrage aan het openbaar lichaam.
HOOFDSTUK 9. Geschillen en klachten
Artikel 37. Geschillen
-
1. Voordat over een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de wet, de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het Algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.
-
2. De commissie, genoemd in lid 1 wordt als volgt samengesteld:
- a.
één lid aan te wijzen door de colleges van de deelnemende gemeenten die in geschil zijn;
- b.
één lid, aan te wijzen door het Algemeen bestuur;
- c.
één lid, aan te wijzen door de leden, bedoeld onder a. en b., met dien verstande, dat bij het ontbreken van overeenstemming tussen hen gedeputeerde staten dat lid aanwijzen.
- a.
-
3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.
-
4. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden om partijen tot overeenstemming te brengen.
Artikel 38. Klachten
Voor de behandeling van klachten over de wijze waarop het openbaar lichaam zich gedraagt als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het Algemeen bestuur een voorziening getroffen.
HOOFDSTUK 10. Evaluatie
Artikel 39. Evaluatie
Het Algemeen bestuur zal in ieder geval ieder vierde jaar, voor het eerst in 2029, een interne of externe evaluatie (laten) uitvoeren. De onderwerpen van de evaluatie worden door het Algemeen bestuur bepaald.
HOOFDSTUK 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 40. Duur
Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 41. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking in het gemeenteblad van de gemeente Deurne.
Artikel 42. Toezending
De bij de wet voorgeschreven toezending van deze regeling aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het college van de gemeente Deurne.
Artikel 43. Aanhaling
Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Een 10 voor de Jeugd”
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl