Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746262
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746262/1
Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025
Geldend van 05-11-2025 t/m heden
Intitulé
Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025De raad van de gemeente Goirle,
Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet,
b e s l u i t :
Vast te stellen de:
Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
-
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- b.
bepaling jeugdhulp: bepaling van een gecertificeerde instelling welke jeugdhulp door het college ingezet dient te worden bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
- c.
budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de wet;
- d.
budgetplan: een door de jeugdige en/of diens ouders opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed;
- e.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle;
- f.
formele hulp: hulp geleverd door personen die:
- i.
Werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet, die voldoet aan kwaliteitseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders en zoals geformuleerd in deze verordening en de nadere regels en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;
- ii.
Aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet. Ook moet zijn voldaan aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en zoals geformuleerd in deze verordening en de nadere regels en dient men te beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- i.
- g.
Gecertificeerde Instelling: van overheidswege gecertificeerde instelling bevoegd om maatregelen in het kader van de jeugdreclassering en jeugdbescherming te mogen uitvoeren;
- h.
gesprek: hierin worden alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag onderzocht;
- i.
aanvraag: behoefte van een jeugdige en/of diens ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;
- j.
individuele voorziening: op de jeugdige en/of diens ouders toegesneden voorziening;
- k.
informele hulp: hulp die niet voldoet aan het gestelde onder f. van dit artikel of die geleverd wordt door iemand uit het sociaal netwerk, een vrijwilliger of een eerste- of tweedegraads bloedverwant;
- l.
nadere regels: door het college vastgestelde, bindende voorschriften die deze verordening verder uitwerken. Ze geven meer detail en duidelijkheid over hoe een bestaande regel moet worden toegepast
- m.
plan van aanpak: plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren betreffende de uitvoering van jeugdhulp. Het plan van aanpak bestaat uit een integrale (vraag)analyse en een beschrijving van de te behalen resultaten.
- n.
overige voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen niet vallend onder de Jeugdwet of wel vallend onder de Jeugdwet maar rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;
- o.
persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of diens ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort zelf in te kopen;
- p.
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige een sociale relatie onderhoudt;
- q.
voorliggende voorziening: overige, algemene of andere (wettelijke) voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen.
- r.
toegang van de gemeente Goirle: team dat de hulpvraag van de jeugdige en/of diens ouders afhandelt in opdracht van het college;
- s.
Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- t.
wet: Jeugdwet;
- u.
zorg in natura (ZIN): de jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn;
- v.
perspectiefplan 18+: in geval van (verwachte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de zorgaanbieder wordt opgesteld ten aanzien van de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën;
- w.
samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp: een samenwerkingsverband van jeugdhulpaanbieders die gecontracteerd zijn voor het leveren van hoogspecialistische jeugdhulpverlening in de regio Hart van Brabant.
- x.
aanvraag: de hulpvraag in het kader van de jeugdwet die door ouders, jeugdige, belanghebbende is ingediend bij het college.
- a.
-
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Regeling Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Overige voorzieningen
-
1. Er is een breed scala van vrij toegankelijke, voorliggende en overige voorzieningen beschikbaar.
Enkele voorbeelden zijn:
- a.
advies, voorlichting en trainingen;
- b.
opvoed- en opgroeiondersteuning;
- c.
jeugdgezondheidszorg;
- d.
mantelzorgondersteuning;
- e.
onafhankelijke cliëntondersteuning;
- f.
zorg en begeleiding in onderwijstijd in het geval dat de voorziening vanuit het college is georganiseerd binnen de school;
- g.
gespecialiseerde buitenschoolse opvang (BSO+).
- a.
-
2. Het aanbod van vrij toegankelijke en voorliggende voorzieningen wordt aangevuld met individuele voorzieningen, zoals:
- a.
pleegzorg en gezinshuizen;
- b.
jeugdbescherming, jeugdreclassering;
- c.
begeleiding;
- d.
behandeling;
- e.
kortdurend verblijf, respijtzorg.
- a.
-
3. Het aanbod zoals genoemd in lid 1 en 2, is niet uitputtend en is aan verandering onderhevig. Verschuivingen van individuele voorziening naar vrij toegankelijke of voorliggende voorziening zijn mogelijk.
Artikel 2.2 Individuele voorzieningen
De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- 1.
Zonder verblijf:
- a.
Jeugdhulp voor specifieke groepen die een zeer specifieke deskundigheid vraagt (Hoog specialistische jeugdhulp);
- b.
Dagbesteding buitenshuis;
- c.
Begeleiding of persoonlijke verzorging ter ondersteuning van de dagelijkse activiteiten;
- d.
Iemand die de zorg overneemt (respijtzorg);
- e.
Specialistische jeugdhulp;
- f.
Vervoer naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden.
- a.
- 2.
Als de jeugdige buitenshuis verblijft in het kader van jeugdhulp:
- a.
Woonvormen (pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonleefgroepen, fasehuis en kamertraining);
- b.
Behandelvormen in een instelling (residentieel, waaronder hoog specialistische jeugd-ggz, zorg voor jeugdigen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking, jeugd- en opvoedhulp en beschermd wonen);
- c.
Gesloten jeugdhulp;
- d.
Respijtzorg met overnachting.
- a.
- 3.
Naast de genoemde voorzieningen in het eerste en tweede lid zijn er ook andere individuele voorzieningen (maatwerk) mogelijk als dit naar de mening van het college bijdraagt aan een adequatere en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag.
- 4.
De jeugdige en/of diens ouders kan gebruik maken van voorzieningen in natura en indien de jeugdige dit wenst en hiervoor in aanmerking komt, van jeugdhulp middels een pgb zoals genoemd in artikel 4.7.
- 5.
Het college kan nadere regels stellen over de afweging voor welke voorziening zoals genoemd in dit artikel de jeugdhulp wordt toegewezen en welke voorzieningen beschikbaar zijn.
Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
-
1. Het college verstrekt uitsluitend de meest passende voorziening jeugdhulp die toereikend is voor het bereiken van het afgesproken resultaat.
-
2. Een aanvraag voor een individuele voorziening vanuit de wet komt in aanmerking voor toewijzing indien de jeugdige valt onder de definitie van jeugdige in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
-
3. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover door de toegangsprofessional of verwijzer is vastgesteld dat de jeugdige:
- a.
op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
- b.
geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige, algemene of andere voorziening.
- a.
-
4. Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de toegang, Gecertificeerde Instelling en jeugdhulpaanbieder in het plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (Wmo, zorgverzekering, Wlz). Input voor het plan van aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.
-
5. Een aanvraag voor een individuele voorziening vanuit de wet bevat resultaten die behaald kunnen worden binnen de termijn van de toe te kennen individuele voorziening.
-
6. De jeugdhulp dient te worden uitgevoerd door een aanbieder waarvan de hoofdvestiging in Nederland is gevestigd.
-
7. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.
-
8. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening of interventie wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college kan hiervoor gebruik maken van de NJI Databank Effectieve jeugdinterventies, Richtlijnen Jeugdhulp en GGZ standaarden.
-
9. Het college kan in nadere regels vaststellen welke voorzieningen aantoonbaar niet effectief zijn.
-
10. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of ouder niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Artikel 2.4 Vervoersvoorzieningen
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
-
2. Een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening wegens een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid;
-
3. Het college gebruikt bij de afweging of een vervoersvoorziening moet worden ingezet het afwegingskader vervoer zoals vastgesteld door de Regio Hart van Brabant.
-
4. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
-
5. Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor vervoer op zich te nemen.
-
6. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waardoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend.
-
7. Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven.
-
8. Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.
-
9. Voor een vervoersvoorziening geldt een kilometervergoeding die gelijk is aan het maximaal onbelaste bedrag zoals vastgesteld door de Belastingdienst.
Artikel 2.5 Vaktherapie
-
1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:
- a.
beeldende therapie;
- b.
Danstherapie;
- c.
Dramatherapie;
- d.
Muziektherapie;
- e.
psychomotorische therapie;
- f.
psychomotorische kindertherapie;
- g.
speltherapie.
- a.
-
2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de NVAO geaccrediteerde opleiding, een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding.
-
3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
-
4. Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 25. Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.
Hoofdstuk 3 – Toegang
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente
-
1. Jeugdigen, ouders en/of andere belanghebbenden kunnen een aanvraag jeugdhulp indienen bij het college via een daarvoor door het college vastgesteld aanvraagformulier.
-
2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk, doch binnen vijf dagen, een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over de toegang tot jeugdhulp via de gemeente.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
-
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp in natura na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder waarmee het college een subsidie- of contractrelatie heeft, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
-
2. Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een aanbieder, kan het college bij een aanvraag door een aanbieder als bedoeld in dit artikel op basis van signalen of steekproefsgewijs een toets uitvoeren.
-
3. De aanbieder is bij de bepaling van de voorziening, vorm, voorwaarden en looptijd van de jeugdhulp gebonden aan het oordeel van het college op grond van de toets genoemd in het vorige lid.
-
4. Het college kent een individuele voorziening toe door middel van een beschikking, met een bepaalde geldigheidsduur, die toegang geeft tot jeugdhulp.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
-
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de Gecertificeerde Instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de Gecertificeerde Instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
-
2. Het college maakt afspraken met de Gecertificeerde Instellingen over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de Gecertificeerde Instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt.
-
3. Voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 4.6.
-
4. Verwijzingen naar niet door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders worden niet door de gemeente toegekend.
Hoofdstuk 4 - Procedure toegang jeugdhulp via de gemeente
Artikel 4.1 Algemeen
-
1. De jeugdhulpaanbieder van een individuele voorziening start de behandeling of hulp slechts nadat het besluit bedoeld in artikel 4.5 genomen is.
-
2. In situaties waar onmiddellijke uitvoering geboden is, kan afgeweken worden van het gestelde in het eerste lid. Het besluit dient echter ook in die gevallen zo snel mogelijk na de start van de hulp verkregen te worden.
Artikel 4.2 Aanvraag en vooronderzoek
-
1. Jeugdigen en/of diens ouders kunnen een aanvraag jeugdhulp voor een individuele voorziening indienen op de wijze zoals beschreven in artikel 3.1 lid 1 van deze verordening.
-
2. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag zo spoedig mogelijk schriftelijk middels een bevestiging en informeert de jeugdige en/of ouders over de gang van zaken, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
-
3. Na ontvangst van de aanvraag start het gesprek en onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.3.
-
4. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en de situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met de jeugdige en/of ouders een afspraak voor een gesprek.
-
5. Voorafgaand aan het gesprek verschaffen de jeugdige en/of diens ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of diens ouders geven inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht.
-
6. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of diens ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het vierde lid.
-
7. De jeugdige en/of diens ouders verlenen hun medewerking aan het vooronderzoek als bedoeld in het vierde lid alsmede een onderzoek als bedoeld in artikel 4.8 om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening.
-
8. Als de ouder(s) en/of jeugdige naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek als bedoeld in het vierde lid en artikel 4.8, kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 4.3 Gesprek en onderzoek
-
1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en/of diens ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
- a.
De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag.
- b.
Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp.
- c.
Het vermogen van de jeugdige en/of diens ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden.
- d.
De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening.
- e.
De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening.
- f.
De mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken.
- g.
De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen.
- h.
Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of diens ouders.
- i.
De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze en de te volgen procedure.
- a.
-
2. Als de jeugdige en/of diens ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
-
3. Het college informeert de jeugdige en/of diens ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.
-
4. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of diens ouders afzien van een gesprek.
-
5. Indien de jeugdige en de ouders de hulpvraag zelf kunnen oplossen als bedoeld in het eerste lid, sub c, of er is mogelijkheid om gebruik te maken van een andere of overige voorziening als bedoeld in het eerste lid, sub d en e, wordt een individuele voorziening niet toegekend.
-
6. Het onderzoek wordt gedaan door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd of het BIG-register.
Artikel 4.4 Verslag
-
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging in de vorm van een integrale (vraag)analyse en een plan van aanpak van het onderzoek aan de jeugdige en/of diens ouders, tenzij jeugdige of ouders hebben medegedeeld dit niet te wensen.
-
2. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening hoogspecialistische jeugdhulp werkt het college samen met het samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp en komen zij gezamenlijk tot een plan van aanpak.
-
3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of diens ouders worden aan het verslag toegevoegd.
-
4. De jeugdige en/of gezaghebbende (ouder(s)) ondertekenen het plan van aanpak voor gezien of akkoord en zorgen ervoor dat een getekend exemplaar binnen vijf werkdagen wordt geretourneerd.
Artikel 4.5 Besluit
-
1. Het college neemt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit op de aanvraag. Hierbij betrekt het college (de resultaten uit) het onderzoek en het daaruit volgende integrale plan van aanpak en/of het familiegroepsplan.
-
2. Het college neemt een besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening en legt dat besluit vast in een beschikking of soortgelijk document waarbij de inhoud en de juridische waarde bij beide gelijk is.
-
3. Jeugdige en/of diens ouders hebben altijd de mogelijkheid om bezwaar te maken op het besluit, ongeacht de vorm waarin het besluit wordt vastgelegd.
-
4. Voor een overige voorziening is geen besluit van het college vereist.
Artikel 4.6 Inhoud beschikking
-
1. In de beschikking of soortgelijk document ter verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt.
-
2. Bij het verstrekken van een individuele voorziening worden in de beschikking of soortgelijk document tevens de met de jeugdige en/of diens ouders gemaakte afspraken vastgelegd, zoals de in te zetten individuele voorziening en geldigheidsduur.
Artikel 4.7 Regels voor pgb
-
1. Indien de jeugdige en/of diens ouders het wenst, verstrekt het college een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.
-
2. Vastgesteld is dat ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen, en in staat zijn om de rechten en plichten die zijn verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren.
-
3. De ouder(s) en/of vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangeven hoe de ondersteuning wordt verleend. De Toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van Aanpak in voldoende mate behaald kunnen worden.
-
4. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de berekening en de hoogte van het pgb:
- a.
De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de in het plan van aanpak beschreven resultaten.
- b.
De hoogte van het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen.
- c.
De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in natura.
- a.
-
Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van formele hulp of informele hulp.
-
5. De jeugdhulp in pgb wordt toegekend met de tarieven genoemd in de Nadere regels. Dit betreft een tarief per eenheid, bijvoorbeeld uren of dagen dat altijd inclusief reiskosten is. De hoogte van het persoonsgebonden budget binnen deze jeugdhulp is het aantal benodigde eenheden maal het geldende tarief voor de benodigde jeugdhulp.
-
6. De hoogte van het pgb voor formele hulp is gelijk aan 85% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura.
-
7. De persoonsgebonden budgetten voor informele zorgverleners voor begeleiding en persoonlijke verzorging zijn gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De persoonsgebonden budgetten worden geïndexeerd conform deze cao. Jaarlijks, en vaker indien nodig vanwege een aanpassing van de cao, publiceert het college het pgb bedrag.
-
8. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden krijgen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:
- a.
Het betreft persoonlijke verzorging en begeleiding.
- b.
Dit leidt volgens het oordeel van de persoon die de ondersteuning aan belanghebbende verstrekt voor hen niet tot overbelasting.
- c.
Bij de inzet van een persoon uit het sociale netwerk kan door het college advies opgevraagd worden bij een extern bureau over de passendheid van deze inzet en de informeel zorgverlener.
- a.
-
9. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp.
-
10. Gewaarborgd is dat de voorziening die met het pgb betaald wordt, van goede kwaliteit is.
-
11. De jeugdhulpaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de wet en de kwaliteitseisen zoals opgenomen in deze verordening en de nadere regels.
-
12. Een jeugdhulpaanbieder die niet aan de kwaliteitseisen zoals benoemd in het vorige lid voldoet, krijgt een tarief dat gelijk is aan het tarief van een informele zorgverlener.
-
13. De aanvraag voor een pgb omvat in ieder geval:
- a.
de motivatie waarom het zorg in natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is
- b.
de te treffen individuele voorziening en het beoogde resultaat
- c.
de voorgenomen uitvoering daarvan inclusief uitvoerder en kosten en de kwalificaties van de uitvoerder vastgelegd in het budgetplan
- a.
-
14. Het college kan een pgb weigeren indien aan de jeugdige en/of diens ouders in de afgelopen jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een pgb is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is voldaan aan de voorwaarden van het pgb.
-
15. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:
- a.
kosten voor bemiddeling;
- b.
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
- c.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- d.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb.
- a.
-
16. Om de afspraken tussen jeugdhulpaanbieder en de jeugdige en/of diens ouders vast te leggen wordt verplicht gebruik gemaakt van de modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
-
17. Het college kan al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken vanuit het oogpunt van kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid.
-
18. Het college kan in de nadere regels nadere criteria omtrent pgb vaststellen.
Artikel 4.8 Advisering
-
1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, advies te vragen aan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie indien het college dat gewenst vindt.
-
2. Indien het college advies gaat inwinnen als bedoeld in het eerste lid wordt de cliënt hier van op de hoogte gebracht.
Artikel 4.9 Eigen kracht
-
1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- -
gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders
- -
bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan
- -
de ondersteuning vanuit het sociale netwerk
- -
het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten
- -
-
2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. Om te bepalen wat gebruikelijk is, maakt het college gebruik van de richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), zoals opgenomen in het levensloopmodel van Opvoeden en Opgroeien in bijlage 1.
-
3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
- a.
de leeftijd van de jeugdige
- b.
de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft
- c.
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige
- d.
de mate van planbaarheid van de hulp
- e.
de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige|
- a.
-
4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
-
5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- -
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
- -
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.
- -
-
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
-
6. Bij de beoordeling in langdurige situaties maakt het college een afweging rekening houdend met de volgende factoren:
- a.
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige
- b.
de mate van planbaarheid van de hulp
- c.
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders
- d.
de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige
- e.
vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)
- f.
of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden
- g.
welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen
- h.
het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen
- i.
de woonsituatie
- j.
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)
- k.
is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen
- l.
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht
- a.
-
7. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
-
8. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
- -
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
- -
Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- -
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- -
Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.
- -
Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.
- -
Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
- -
-
9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
-
10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
-
1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
-
2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
De jeugdige en/of diens ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
- b.
De jeugdige en/of diens ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen.
- c.
De individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten.
- d.
De jeugdige en/of diens ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb.
- e.
De jeugdige en/of diens ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
- f.
De jeugdige en/of diens ouders niet meewerken aan onderzoeken van de gemeente die betrekking hebben op artikel 4.7, lid 14.
- a.
-
3. Als er sprake is van een individuele voorziening in pgb kan het college de SVB gemotiveerd ver- zoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van de budgethouder een vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid.
-
4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid onder a. heeft ingetrokken kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen en invorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.
-
5. Het college kan een beslissing tot verlening van een pgb intrekken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik
-
1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van de wet.
-
2. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van deze wet.
-
3. Het college kan in de Nadere regels nadere criteria vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.
-
4. Zowel informele als formele zorgverleners dienen volledige medewerking te verlenen aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de gemeente (of daartoe aangewezen derden) op kwaliteit en op rechtmatigheid.
Artikel 5.3 Rechtmatigheid en doelmatigheid
Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s te waarborgen en misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
- •
Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
- •
Het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met het college van de gemeente Goirle onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente Goirle;
- •
Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
- •
Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen.
- •
Het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties;
- •
Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;
- •
Het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op:
- o
de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen;
- o
de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;
- o
de kwaliteit van de door de cliënt in te schakelen hulpverlener.
- o
Artikel 5.4 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
- 1.
De aard en omvang van de te verrichten taken.
- 2.
De voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
- 3.
Een redelijke toeslag voor overheadkosten.
- 4.
Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; de kosten voor bijscholing van het personeel.
Artikel 5.5 Kwaliteitseisen
-
1. De aanbieders van een voorziening en de voorziening zelf voldoen aan de kwaliteitseisen die daaraan op grond van de wet en in hun branche worden gesteld.
-
2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met het college opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen.
-
3. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
-
4. Het college draagt er zorg voor dat de aanbieder er zorg voor draagt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.
-
5. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.
-
6. Het college kan aan hulpverleners die werken op basis van een pgb eisen stellen die aansluiten bij de eisen die aan aanbieders worden gesteld, teneinde de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de te leveren ondersteuning te waarborgen.
Hoofdstuk 6 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon
Artikel 6.1 Klachtregeling
-
1. Het college draagt zorg voor een behoorlijke en transparante procedure ten behoeve van de af- handeling van klachten van een jeugdige en/of diens ouders betreffende de algemene, overige voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 2 en de toekenningsprocedure als bedoeld in hoofdstuk 4.
-
2. Jeugdhulpaanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.
Artikel 6.2 Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning
-
1. Het college wijst jeugdigen en/of diens ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
-
2. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of diens ouders een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
Hoofdstuk 7 – Inspraak
Artikel 7.1 Betrekken ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig in de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend. Dit is vastgelegd in de Verordening participatieraad gemeente Goirle 2017.
Hoofdstuk 8 – Slotbepalingen
Artikel 8.1 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8.2 Voorwaarden voorziening
Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.
Artikel 8.3 Nadere regels
Het college stelt Nadere regels vast. Hierin neemt het college nadere criteria op over de uitvoering van deze verordening en over de omvang van de (financiële) verstrekkingen.
Artikel 8.4 Indexering
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende Nadere regels geldende bedragen indexeren. Voor wat betreft het bepalen van het indexeringspercentage wordt aangesloten bij de indexering die de gemeente betaalt aan de door haar gecontracteerde zorgaanbieder voor de betreffende voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het pgb niet verhoogd. Jaarlijks publiceert het college de pgb bedragen, vermeerderd met indexering, zoals die gelden voor professionele dienstverlening per 1 januari van het betreffende kalenderjaar.
Artikel 8.5 Intrekking oude verordening
-
1. De Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024 wordt ingetrokken.
-
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of tot afloop van de geldigheidsduur van de beschikking.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2025 en waarop op 1 januari 2025 nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025.
-
4. Van het in het derde lid gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
-
5. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024, gebeurt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.
Artikel 8.6 Inwerkingtreding
-
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025.
Ondertekening
Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van 21 oktober 2025.
de griffier,
voorzitter
Toelichting op de verordening jeugdhulp
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- a.
Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
- h.
Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.
- o.
De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.
- q.
Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag.
- w.
Het perspectiefplan 18+ is een nieuw begrip en mogelijk wijzigt de naam van dit plan nog in de toekomst. De inhoud en waar het perspectiefplan invulling aan geeft blijft gelijk.
- x.
Het samenwerkingsverband specialistische jeugdhulp is een nieuw begrip. Mogelijk dat de naam van dit samenwerkingsverband nog wijzigt in de toekomst. De inhoud en de werkwijze blijven gelijk.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Overige voorzieningen
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.
Artikel 2.2 Individuele voorzieningen
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.
Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
Dit artikel geeft aan dat het college bij nadere regels de beschikbare voorzieningen vaststelt.
Voor dat wordt overgegaan tot het verstrekken van een voorziening wordt eerst bekeken in hoeverre de oplossing van de hulpvraag voorliggend kan worden opgelost. De mate van zelfredzaamheid en ook de beoordeling of de ondersteuning tot de gebruikelijke zorg gerekend kan worden wordt hierin afgewogen.
Het zesde lid waarborgt dat de jeugdhulpaanbieder - ook wanneer deze jeugdhulp biedt in het buitenland - binnen de kaders van het Nederlands recht en de Nederlandse inspecties dient te opereren.
Artikel 2.4 Vervoersvoorzieningen
Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening.
Het eerste lid geeft aan dat in eerste instantie ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder.
In het tweede lid staan twee criteria waaronder het college een vervoersvoorziening toekent. In lid zeven staat dat een vervoersvoorziening altijd tijdelijk is.
Hoofdstuk 3 - Toegang
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in hoofdstuk 3 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de wet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulp- aanbieder zijn die na de verwijzing in overleg met de jeugdige en zijn ouders beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is en in welke vorm, omvang en duur deze geboden dient te worden. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in pgb; om een individuele voorziening in pgb te verstrekken zijn handelingen nodig zoals het opstellen van een budgetplan en voorlichting geven over de SVB, die doorgaans geen onderdeel zijn van een dergelijke verwijzing. Daarnaast is conform de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet jeugdhulp alleen direct toegankelijk als deze verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder wordt gedaan waar het college een subsidie- of contractrelatie mee heeft.
De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.
In het tweede lid wordt gesproken over een toets op basis van signalen en steekproeven. Met signalen wordt bedoeld alle zaken die over aanbieders, vormen van jeugdhulp en producten worden gesignaleerd. De signalen kunnen op verschillende manieren worden opgemerkt. Bijvoorbeeld vanuit materiële controle, relatiebeheer met aanbieders, data-analyse waaronder het maken van algemene prognoses en begrotingen. Signalen dient hier dus breed te worden opgevat.
De steekproeven die worden bedoeld in het tweede lid kunnen alle mogelijke delen zijn van de totale populatie aan jeugdhulp zoals aangevraagd als bedoeld in artikel 3.2. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in zorgsoort, aanbieder, periode van controle, etc. Een steekproef kan daarmee voor een bepaalde periode ook behelzen dat alle aanvragen worden gecontroleerd.
In het vierde lid staat beschreven dat het college een beschikking (een schriftelijk besluit) afgeeft op een aanvraag. Dat is zo bepaald in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een belangrijke reden hiervoor is het beschermen van de rechtpositie van burgers.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdhulp wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid van de wet, door het college ingediend.
De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de gecertificeerde instelling die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet VWS 2016 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 van de wet er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.”
Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Verzamelwet VWS 2016, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren.
Hoofdstuk 4 - Procedure toegang jeugdhulp via gemeente
Artikel 4.1 Algemeen
In dit artikel zijn verschillende procedure afspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente. Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit.
Artikel 4.2 Aanvraag en vooronderzoek
Het eerste en tweede lid geven weer hoe men een aanvraag kan melden bij het college en hoe deze door het college wordt bevestigd.
Het vierde lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en Algemene verordening gegevensbescherming zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de hulpvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.
In het vijfde lid kunnen bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige en/of diens ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tijdens het vooronderzoek kan worden beoordeeld of er gebruik gemaakt kan worden van een overige, andere of algemene voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.
In lid 6 is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.
Artikel 4.3 Gesprek en onderzoek
Voor het zorgvuldig nemen van een besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.
In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden.
In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet (en de verordening) vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.
Het tweede lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan, plan van aanpak in de wet (artikel 2.1, onder g, in samenhang met artikel 1.1). De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Artikel 4.4 Verslag
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het college verstrekt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een integrale (vraag)analyse en plan van aanpak (IvA/PvA). In sommige gevallen volstaat een ondertekend aanvraagformulier met aanvullende stukken.
In het tweede lid staat dat bij een aanvraag voor een individuele voorziening hoogspecialistische jeugdhulp wordt samengewerkt met het samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp.
Het college voert het onderzoek uit zoals beschreven in artikel 4.3. Als gedurende dit proces duidelijk wordt dat het een hoogspecialistische hulpvraag betreft, wordt het samenwerkingsverband verzocht aan het onderzoek deel te nemen. De gezaghebbende ouder(s) en/of de jeugdige en het samenwerkingsverband hoogspecialistische jeugdhulp bepalen de aard en omvang van de individuele voorziening en komen gezamenlijk tot een plan van aanpak.
Een goede weergave van het onderzoek maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook gebruikt als een met de cliënt overeengekomen plan waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen.
Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (tweede lid).
Artikel 4.5 Besluit
De gemeente stelt bij verordening in ieder geval regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit. Dit betekent dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, daarbij geldt een redelijke termijn (dat wil zeggen: acht weken) voor het nemen van een besluit. Deze termijn start op het moment dat de aanvraag is ingediend bij het college.
De ervaring leert dat het onderzoek bij jeugd vaak meer tijd vraagt, zeker bij multiproblematiek. Dit wil overigens niet zeggen dat er in die periode geen ondersteuning kan worden geboden aan de jeugdige en/of diens ouders. Als er meer tijd nodig is voor het onderzoek, zal dit in goed overleg met de jeugdige en ouders gebeuren.
In de regel geeft het college een beschikking (een schriftelijk besluit) af op een aanvraag. Dat is zo bepaald in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een belangrijke reden hiervoor is het beschermen van de rechtpositie van burgers. Het doel van een beschikking is dat de jeugdige en/of diens ouders weten welke zorg ze gaan krijgen, en dat ze bezwaar kunnen maken tegen de inhoud van het besluit. In lid 2 staat genoemd dat we naast een beschikking ook een ander soortgelijk document kunnen sturen aan ouders en/of de jeugdige. In een ander soortgelijke document dan een beschikking geven we dezelfde informatie en rechten en dan is de vorm van een beschikking zoals we dat uit het verleden kenden niet (altijd) meer nodig of wenselijk.
Artikel 4.6 Inhoud beschikking
Indien de jeugdige en/of diens ouders een formele aanvraag bij het college indienen of er een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen. In de beschikking (of soortgelijk document) staat de informatie die voor de ouder(s) en of jeugdige nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen.
Artikel 4.7 Regels pgb
Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopste adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura.
Het vierde lid berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.
Bij vierde lid, sub e staat dat er voor formele zorgverleners andere tarieven gelden dan voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige en ouders (informele zorgverleners).
Het vijfde lid beschrijft waar de pgb tarieven zijn terug te vinden. Deze staan in het geldende besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
In het zesde is het tarief vastgelegd voor formele hulp. Een tarief van 85% van het uurtarief voor zorg in natura bij een gecontracteerde aanbieder is voldoende om op de vrije markt bij tenminste één aanbieder ondersteuning te kunnen inkopen. Het verschil van 15% met het uurtarief in natura is verklaarbaar doordat een gecontracteerde aanbieder meer administratieve en verantwoordingsverplichtingen heeft aan de gemeente. Een zorgaanbieder in de vrije markt heeft deze verplichtingen niet.
Het zevende lid beschrijft hoe de tarieven voor een informeel pgb tot stand komen.
In het negende lid staat dat jeugdhulp geleverd door bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de budgethouder, altijd wordt aangemerkt als informele hulp. Verwanten in de eerste graad zijn ouders of kinderen. Verwanten in de tweede graad zijn grootouders, kleinkinderen en broers en zussen. Jeugdhulp geleverd door een van de genoemde bloed- of aanverwanten wordt dus aangemerkt als informele jeugdhulp.
In het tiende lid staat dat gewaarborgd is dat de voorziening die met pgb betaald wordt van goede kwaliteit is. Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.
Artikel 4.8 Advisering
Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een extern deskundige om advies te vragen in het onderzoek. De jeugdige en/of diens ouders worden hiervan op de hoogte gesteld.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Deze bepaling in lid 1 berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of diens ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of diens ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 8.1.2 van de wet ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel pgb als in natura.
De bepaling in het tweede lid regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de bepaling de herzienings- en intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
In het vierde lid staat beschreven dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Met ingang van 1 april 2017 is artikel 8b, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling Jeugdwet van kracht. Het artikel bepaalt dat de voor budgethouders verplicht gestelde modelzorgovereenkomsten een zogenoemd derdenbeding bevatten, waarmee het college ten onrechte gedeclareerde ondersteuning kan verhalen op de ondersteuner die jeugdhulp levert.
Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
In het eerste lid staat het belang beschreven dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 13 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
In het tweede lid is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Zowel gecontracteerde als pgb-aanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IG&J). De gemeente heeft in het kader van contractering en monitoring een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Voor zover de gemeente hierbij signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde jeugdhulp, stuurt de gemeente deze door naar de IG&J. Het kwaliteitstoezicht op mogelijke aanvullende kwaliteitseisen is aan de gemeente zelf. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders, zowel in natura als pgb. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Artikel 5.4 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaat- regelen en jeugdreclassering
Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige en/of diens ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 6 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon
Artikel 6.1 Klachtregeling
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Artikel 6.2 Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning
In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.
Hoofdstuk 7 – Inspraak
Artikel 7.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet.
Hoofdstuk 8 - Slotbepalingen
Artikel 8.1 Hardheidsclausule
Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.
Artikel 8.3 Nadere regels
In dit artikel wordt bepaald dat er Nadere regels worden vastgesteld. Deze regels bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening.
Artikel 8.5 Intrekkingen oude verordening
In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast.
Artikel 8.6 Inwerkingtreding
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl