Ontgrondingenverordening Friesland

Geldend van 07-06-1996 t/m heden

Intitulé

Ontgrondingenverordening Friesland

Ontgrondingenverordening

Artikel 1: Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Friesland;

  • 2.

    ontgrondingsvergunning: een vergunning tot ontgronding als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet;

  • 3.

    perceel: een kadastraal perceel, alsmede een gedeelte van een zodanig perceel;

  • 4.

    bestemmingsplan: a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

  • 5.

    voorbereidingsbesluit: een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

  • 6.

    in voorbereiding zijnd bestemmingsplan:

    • a.

      een voorontwerp-bestemmingsplan of voorontwerp-herziening van een bestemmingsplan, ten behoeve waarvan een voorbereidingsbesluit is genomen;

    • b.

      een ter inzage gelegd ontwerp-bestemmingsplan of ontwerp-herziening van een bestemmingsplan;

    • c.

      een bestemmingsplan of herziening van een bestemmingsplan, voor zover over de goedkeuring daarvan nog niet onherroepelijk is beslist;

  • 7.

    planologische medewerking: het nemen van een of meer besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening waardoor de ontgronding aansluitend op de verlening van de ontgrondingsvergunning kan worden uitgevoerd zonder strijd met die wet;

  • 8.

    aanlegvergunning: een vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of het uitvoeren van werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 14, 21 lid 3 en 28 lid 4 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

  • 9.

    oppervlaktewaterpeil: de na te streven waterstand ten opzichte van een bepaald referentieniveau, zoals de waterbeheerder dat overeenkomstig een daartoe genomen besluit dient te handhaven.

  • 10.

    maaiveld: de gemiddelde hoogteligging van de gronden ter plaatse van en direct grenzend aan een voorgenomen ontgronding.

  • 11.

    natuurbouw: inrichtingsactiviteiten zoals uitgeoefend door een met de zorg daarvoor belast orgaan in als zodanig bij bestemmingsplan aangewezen natuurgebieden.

  • 12.

    isohypsen: lijnen die een aantal punten met dezelfde waarden (hoogte, temperatuur) verbinden.

  • 13.

    geohydrologische effecten: effecten die via het diepe grondwater optreden, zoals daling van de grondwaterstand en afnemen van kwel.

Artikel 2: Uitzonderingen

  • 1.

    De Ontgrondingenwet is, behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel, niet van toepassing op:

    • a.

      ontgrondingen, bestaande uit het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken, waterkeringen daaronder begrepen, door of op last van rijk, provincie of waterschap uit te voeren;

    • b.

      ontgrondingen bestaande uit :

      • 1.

        het aanleggen of wijzigen van wegen;

      • 2.

        het aanleggen, verruimen of verdiepen van watergangen ten behoeve van de waterhuishouding en/of de scheepvaart door het met de plaatselijke zorg daarvoor belaste openbaar lichaam;

    • c.

      ontgrondingen ten behoeve van sanering van de bodem op grond van de Interimwet Bodemsanering en de Wet Bodembescherming;

    • d.

      ontgrondingen, waarvoor op grond van een onherroepelijk geworden bestemmingsplan een aanlegvergunning is vereist, waarbij voor de verlening daarvan een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten is vereist overeenkomstig artikel 16 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, mits:

      • 1.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil;

      • 2.

        bij de ontgronding geen bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • e.

      ontgrondingen, waarvoor op grond van een voorbereidingsbesluit een aanlegvergunning is vereist en waarvoor op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijk Ordening vrijstelling van het geldende bestemmingsplan is verleend dan wel zal worden verleend, mits:

      • 1.

        daaraan voorafgaand een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten is vereist en verleend.

      • 2.

        bij de aanvraag om deze verklaring van geen bezwaar uitdrukkelijk is aangegeven dat het werk, waarvoor vrijstelling is gevraagd, een ontgronding inhoudt of insluit;

      • 3.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil;

      • 4.

        bij de ontgronding geen bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • f.

      ontgrondingen, die noodzakelijk zijn voor de verwerkelijking van een in een niet langer dan 10 jaar geleden onherroepelijk geworden bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming, mits:

      • 1.

        in de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) uitdrukkelijk is aangegeven dat de verwerkelijking van het plan een ontgronding inhoudt of insluit;

      • 2.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil;

      • 3.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • g.

      ontgrondingen, waarvoor op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan is verleend dan wel zal worden verleend, mits:

      • 1.

        daaraan voorafgaand een verklaring van geen bezwaar is vereist en verleend;

      • 2.

        bij de aanvraag om verklaring van geen bezwaar uitdrukkelijk is aangegeven dat het werk, waarvoor vrijstelling is gevraagd, een ontgronding inhoudt of insluit;

      • 3.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld of, wanneer de ontgronding plaatsvindt ten behoeve van de aanleg van een haven 2,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil;

      • 4.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • h.

      ontgrondingen bestaande uit het aanleggen, verruimen of verdiepen van watergangen door particulieren of niet met de zorg voor de waterhuishouding ter plekke belaste openbare lichamen, ten behoeve van de waterhuishouding en/of de scheepvaart, mits:

      • 1.

        de bovenbreedte niet meer dan 5,00 m bedraagt;

      • 2.

        de bodembreedte niet meer dan 1,50 bedraagt;

      • 3.

        de diepte niet meer bedraagt dan 1,00 m beneden het oppervlaktewaterpeil, of wanneer een zodanig peil ontbreekt, 1,00 m beneden het maaiveld;

      • 4.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • i.

      ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van ondergrondse delen van bovengrondse bouwwerken, zoals funderingen en kelders, mits:

      • -

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • j.

      ontgrondingen ten behoeve van of bestaande uit het aanleggen of wijzigen van bekkens met kunstmatige bodem en/of rand, zoals bassins en reservoirs van beton of kunststof, mits:

      • 1.

        de inhoud niet meer bedraagt dan 1000 m3;

      • 2.

        de diepte niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld;

      • 3.

        de ontgronding plaatsvindt op bij bebouwing behorende erven;

    • k.

      ontgrondingen ten behoeve van of bestaande uit het aanleggen, verruimen of verdiepen van vijvers en waterpartijen in tuinen bij woningen of in plantsoenen of parken, mits:

      • 1.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld;

      • 2.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • l.

      ontgrondingen ten behoeve van of bestaande uit:

      • 1.

        het doen van sonderingen;

      • 2.

        het leggen, plaatsen, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en dergelijke voorwerpen;

    • m.

      ontgrondingen ten behoeve van natuurbouwen natuurbeheer en ontgrondingen in het kader van de normale uitoefening van land-, tuin-, of bosbouwbedrijf, mits:

      • 1.

        de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld;

      • 2.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • n.

      ontgrondingen ten behoeve van het aanleggen, wijzigen, of opruimen van kaden voor dan wel het afdekken van:

      • 1.

        bekkens ten behoeve van de bewaring van water of andere vloeistoffen;

      • 2.

        bezinkbekkens;

      • 3.

        depots van bodemmateriaal, zoals bagger-, slib- en zanddepots, opspuitingen hieronder begrepen;

      • mits:

        • 1.

          de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 m beneden het maaiveld;

        • 2.

          bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet;

    • o.

      het afgraven van depots van bodemmateriaal, mits:

      • 1.

        deze niet langer dan 5 jaar geleden voor het laatst zijn gebruikt voor het deponeren of het verkrijgen van bodemmateriaal;

      • 2.

        bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd;

  • 2.

    De in het vorige lid onder a tot en met m genoemde uitzonderingen gelden niet voor ontgrondingen, die geschieden ter verkrijging van bodemmateriaal.

  • 3.

    Van de aanvang van ontgrondingsactiviteiten waarvoor op basis van het bepaalde in artikel 2, eerste lid geen vergunning ingevolge deze verordening is vereist dient veertien dagen tevoren schriftelijk melding te worden gedaan aan gedeputeerde staten.

  • 4.

    Bij de in lid 3 bedoelde melding dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:

    • a.

      de locatie van de ontgronding;

    • b.

      de hoeveelheid vrijkomend materiaal;

    • c.

      de kwaliteit van het vrijkomend materiaal;

    • d.

      de bestemming van het vrijkomend materiaal.

  • 5.

    Het in het derde lid bepaalde geldt niet voor ontgrondingen, waarbij niet meer dan 3000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot gezet.

Artikel 3: Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een ontgrondingsvergunning wordt in vijfvoud ingediend.

  • 2.

    Bij de aanvraag om:

  • verlening van een ontgrondingsvergunning, en

  • wijziging van een ontgrondingsvergunning ten behoeve van een gebiedsuitbreiding van de ontgronding;

  • worden eveneens in vijfvoud overgelegd:

    • a.

      een nauwkeurige beschrijving van de terreinen of wateren waarop de aanvraag betrekking heeft, met een duidelijke plaatsaanduiding op een over-zichtskaart van tenminste 1:25000;

    • b.

      een tekening met een uittreksel uit de kadastrale legger, waarop zijn aangegeven de kadastrale nummers en secties van:

      • 1.

        de percelen, waarop de aanvraag betrekking heeft;

      • 2.

        de aangrenzende percelen;

    • c.

      een opgaaf van:

      • 1.

        de naam en het adres van de aanvrager;

      • 2.

        de namen en adressen van de eigenaren, erfpachters, vruchtgebruikers, opstalhouders of gebruikers van de percelen, waarop de aanvraag betrekking heeft;

      • 3.

        de namen en adressen van de eigenaren van de aangrenzende percelen;

    • d.

      een opgaaf van:

      • 1.

        de redenen van de ontgronding;

      • 2.

        de bestemming en de hoeveelheid van het vrijkomende bodemmateriaal;

      • 3.

        de bestemming van het te ontgronden terrein en de overblijvende terreinen na afloop van de ontgronding;

      • 4.

        de diepte van de ontgronding;

    • e.

      een opgaaf van de wijze waarop de ontgronding zich verhoudt tot het gelden-de bestemmingsplan of tot een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan;

    • f.

      een werkplan volgens hetwelk de ontgronding zal worden uitgevoerd;

    • g.

      indien het betreft een ontgronding die geschiedt ter winning van bodemmateriaal, en de diepte van deze ontgronding meer dan 2,00 m bedraagt een opgaaf van:

      • 1.

        de oppervlaktewaterpeilen van omliggende polders;

      • 2.

        het toekomstige waterpeil van de put;

      • 3.

        isohypsen van het diepe en ondiepe grondwater tot 1,5 km afstand van de winplaats;

      • 4.

        de resultaten van een aantal in het te ontgronden gebied uitgevoerde boringen;

      • 5.

        een omschrijving van de geo-hydrologische effecten van de zandwinning op de omgeving;

      • 6.

        een afwerkingsplan, betrekking hebbende op de toestand, waarin de winplaats na de winning zal worden opgeleverd.

  • 3.

    Bij de aanvraag om wijziging van een ontgrondingsvergunning, anders dan ten behoeve van een gebiedsuitbreiding van de ontgronding, worden eveneens in vijfvoud overgelegd:

    • a.

      een opgaaf van:

      • 1.

        de naam en het adres van de aanvrager;

      • 2.

        de namen en adressen van de eigenaren, erfpachters, vruchtgebruikers, opstalhouders of gebruikers van de percelen, waarop de aanvraag betrekking heeft;

      • 3.

        de namen en adressen van de eigenaren van de aangrenzende percelen;

    • b.

      een opgaaf van:

      • 1.

        de redenen van de aanvraag;

      • 2.

        de bestemming en de hoeveelheid van het vrijkomende bodemmateriaal, indien de aanvraag daarop betrekking heeft;

      • 3.

        de bestemming van het te ontgronden terrein en de overblijvende terreinen na afloop van de ontgronding, indien de aanvraag daarop betrekking heeft;

      • 4.

        de diepte van de ontgronding, indien de aanvraag daarop betrekking heeft;

    • c.

      een werkplan volgens hetwelk de ontgronding zal worden uitgevoerd, indien de aanvraag daarop betrekking heeft.

  • 4.

    Bij de aanvraag om intrekking van een ontgrondingsvergunning worden eveneens in vijfvoud overgelegd:

    • a.

      een opgaaf van:

      • 1.

        de naam en het adres van de aanvrager;

      • 2.

        de namen en adressen van de eigenaren van de percelen, waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een opgaaf van de bestemming van het terrein na intrekking van de ontgrondingsvergunning.

  • 5.

    Van elke door hen ontvangen aanvraag geven Gedeputeerde Staten bericht van ontvangst aan de aanvrager.

  • 6.

    Bij onvolledigheid van de bij de aanvraag overgelegde gegevens kunnen Gedeputeerde Staten de aanvraag toch in behandeling nemen, indien naar hun oordeel de verstrekte gegevens het ondanks hun onvolledigheid mogelijk maken de aanvraag te beoordelen. 

Artikel 4: Procedure van de ontgrondingsvergunning

  • 1.

    Op de voorbereiding van een besluit betreffende verlening, wijziging, intrekking of weigering van een vergunning zijn de in artikel 10 van de Ontgrondingenwet opgenomen procedurebepalingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5: Eenvoudige ontgrondingen

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen het gestelde in artikel 4 buiten toepassing laten indien het een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking betreft van een ontgronding van ondergeschikte aard, waarbij andere belangen dan die van de aanvrager niet of nauwelijks zijn betrokken.

  • 2.

    Van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid doen gedeputeerde staten schriftelijk mededeling aan de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende instellingen.

  • 3.

    Omtrent een aanvraag om ontgronding als in het eerste lid bedoeld beslissen gedeputeerde staten binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 6: Voorschriften

  • 1.

    Voorzover de Ontgrondingenwet dit toelaat kunnen door Gedeputeerde Staten aan een ontgrondingsvergunning de naar hun oordeel nodige voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen in ieder geval het voorschrift stellen dat niet eerder met de ontgronding mag worden begonnen dan nadat bij Gedeputeerde Staten een werkplan is ingediend en door hen is goedgekeurd. Zo nodig stellen Gedeputeerde Staten een termijn, waarbinnen het werkplan moet worden ingediend.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen een termijn stellen waarbinnen een ontgronding en de afwerking daarvan overeenkomstig de aan de vergunning verbonden voorschriften moet zijn uitgevoerd. Gedeputeerde staten kunnen tevens een termijn stellen waarbinnen met de ontgronding een begin moet zijn gemaakt.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten leggen in de aan de ontgrondingsvergunning te verbinden voorschriften in ieder geval de volgende verplichting op:

    • a.

      dat de percelen, waarvoor een ontgrondingsvergunning wordt verleend na de ontgronding in hun geheel of bij gedeelten in een door Gedeputeerde Staten voor te schrijven toestand zullen worden gebracht en/of:

    • b.

      dat andere bij of krachtens de ontgrondingsvergunning aan te wijzen percelen dan die welke worden ontgrond, in hun geheel of bij gedeelten in een bij de ontgrondingsvergunning te bepalen toestand zullen worden gebracht en/of:

    • c.

      dat in plaats van de onder a en/of b bedoelde verplichtingen een door Gedeputeerde Staten vast te stellen som geld ineens of bij gedeelten dient te worden betaald.

  • 5.

    Zo nodig stellen Gedeputeerde Staten een termijn waarbinnen aan een in lid 4 bedoelde verplichting moet zijn voldaan.

Artikel 7: Zekerheid

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorts in de aan de ontgrondingsvergunning te verbinden voorschriften in ieder geval de verplichting opleggen tot het stellen van zekerheid voor:

    • a.

      de betaling van de kosten van uitvoering en onderhoud van bij de ontgrondingsvergunning voorgeschreven werken;

    • b.

      de betaling van grond- en andere lasten.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen de in lid 1 bedoelde zekerheid ook eisen voor het nakomen van krachtens de vergunning geldende verplichtingen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten bepalen de grootte van de zekerheid en de wijze waarop deze wordt gesteld. Over de zekerheid moet door Gedeputeerde Staten vrij, zonder tussenkomst van de vergunninghouder, kunnen worden beschikt.

  • 4.

    In de vergunningsvoorschriften geven Gedeputeerde Staten aan op welke wijze de zekerheid kan worden opgeheven. In ieder geval moet de zekerheid geheel of gedeeltelijk kunnen worden opgeheven indien of voorzover het doel waarvoor de zekerheid is gesteld is bereikt of anderszins is gewaarborgd.

Artikel 8: Achterwege laten verplichte voorschriften

Gedeputeerde Staten kunnen het stellen van de in artikel 6 lid 2 tot en met 4 en artikel 7 lid 1 bedoelde voorschriften achterwege laten in de gevallen waarin dit overbodig of niet mogelijk is.

Artikel 9: Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de datum waarop de in artikel 5 lid 3 van de Ontgrondingenwet bedoelde goedkeuring door de Kroon is verleend.

  • 2.

    Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vervalt het Ontgrondingenreglement Friesland (provinciaal blad nr 56 van 1971).

Artikel 10: Overgangsbepaling

Op aanvragen tot verlening, wijziging of intrekking van een ontgrondingsvergunning, ingekomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze nieuwe verordening, wordt niettemin beslist met toepassing van de bepalingen van het vervallen Ontgrondingenreglement Friesland.

Artikel 11: Slotbepaling

Deze voorschriften kunnen worden aangehaald onder de titel: Ontgrondingenverordening Friesland

Ondertekening

Leeuwarden, 7 november 1995
voorzitter drs. L.M.L.H.A. Hermans
griffier drs. G. van der Veen