Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746095
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746095/1
Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026De raad van de gemeente Enschede
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b lid 2, 2.1.5, 2.1.6, 2.3.6 lid 4 en 2.6.6 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
overwegende dat:
- •
het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
- •
het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
- •
het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen over de invulling van de plicht tot ondersteuning.
besluit vast te stellen de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.
Hoofdstuk 1. Begrippen
Artikel 1. Begripsbepalingen
-
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
- b.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo;
- c.
besluit: de beslissing van het college op een aanvraag in het kader van de Wmo;
- d.
bezoekbaar : het kunnen bereiken van de woonkamer en het kunnen gebruiken van het toilet.
- e.
CIMOT: het loket waar meldingen voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen kunnen worden ingediend en worden behandeld.;
- f.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;
- g.
gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;.
- h.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;
- i.
ingezetene: degene die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in de gemeente Enschede, dan wel, indien het een inschrijving van een briefadres in de gemeente Enschede betreft, degene die zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Enschede heeft;
- j.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;
- k.
ondersteuningsplan: een schriftelijk verslag van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, achtste lid, van de Wmo, met daarin de adviezen, verwijzingen, afspraken en de beoogde resultaten die samen met de inwoner zijn gemaakt, eventueel aangevuld met het persoonlijk plan;
- l.
persoonlijk plan: plan waarin de inwoner aangeeft hoe zijn hulpvraag opgelost kan worden, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo;
- m.
pgb: persoonsgebonden budget;
- n.
pgb-aanbieder: een derde die inwoner heeft betrokken om ondersteuning in te kopen. Dit kan een professionele aanbieder of een informele hulp zijn;
- o.
pgb-beheerder: de inwoner, dan wel een derde die namens inwoner, de aan een pgb verbonden taken uitvoert;
- p.
pgb-plan: plan dat een inwoner die een pgb wenst moet indienen. Het college gebruikt dit plan om te beoordelen of voldaan wordt aan de pgb-voorwaarden;
- q.
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt;
- r.
uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
- s.
Wmo : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- t.
woning: een woonruimte bestemd voor permanente bewoning, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals slapen, koken en toiletgebruik met andere woningen worden gedeeld en die ook een eigen toegang heeft, hieronder begrepen een woonboot en een woonwagen;
- u.
woonvoorziening: een maatwerkvoorziening gericht op het normale gebruik van de woning;
- v.
zorgplan: plan gemaakt door de zorgaanbieder en de inwoner, waarin de gemaakte afspraken over de te leveren zorg en ondersteuning vastgelegd zijn.
- a.
-
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag
Artikel 2. Melding
-
1. Een hulpvraag kan door een inwoner of diens vertegenwoordiger vormvrij bij het college gemeld worden.
-
2. Niet als melding wordt aangemerkt: de hulpvraag die meteen kan worden beantwoord en geen nader onderzoek behoeft.
-
3. Een melding wordt door het college geregistreerd en schriftelijk bevestigd.
-
4. Het college maakt zo spoedig mogelijk met de inwoner of zijn vertegenwoordiger een afspraak voor een gesprek.
-
5. Als de melding gaat over beschermd wonen of maatschappelijke opvang, wordt deze door of namens de inwoner ingediend bij het CIMOT. Het CIMOT neemt de melding dan verder in behandeling.
-
6. De inwoner geeft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
-
7. Bij het onderzoek, als bedoeld in artikel 4, stelt het college de identiteit van de inwoner en de vertegenwoordiger van de inwoner, indien van toepassing, vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.
Artikel 3. Onafhankelijke clientondersteuning
Het college wijst de inwoner en/of zijn mantelzorger of vertegenwoordiger voor of tijdens het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke inwonerondersteuning.
Artikel 4. Onderzoek
-
1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Alleen als de ondersteuningsbehoefte van inwoner al voldoende bekend is, kan het college hiervan afzien. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner of zijn vertegenwoordiger, waar mogelijk zijn mantelzorger en waar nodig of gewenst andere personen zoals een onafhankelijk inwonerondersteuner.
-
2. De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek.
-
3. Als de inwoner of zijn vertegenwoordiger een persoonlijk plan heeft ingediend, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
-
4. Tijdens het gesprek vertelt het college in begrijpelijke taal aan de inwoner welke mogelijkheden er zijn met betrekking tot de verschillende verstrekkingsvormen van een maatwerkvoorziening. En wat de gevolgen van die keuze zijn.
-
5. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 in te dienen.
-
6. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.
-
7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen externe adviseur om advies vragen.
-
8. Het college stelt een ondersteuningsplan op en verstrekt dat als afronding van het onderzoek aan de inwoner.
Artikel 5. Aanvraag van een maatwerkvoorziening
-
1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk, mondeling of digitaal ingediend bij het college.
-
2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.
Hoofdstuk 3. Algemene voorzieningen
Artikel 6. Algemene voorzieningen
-
1. Een algemene voorziening is gericht op alle inwoners of voor een specifieke doelgroep. Deze is toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.
-
2. Een algemene voorziening is voorliggend op een maatwerkvoorziening voor zover de inwoner zijn of haar beperking in de zelfredzaamheid of participatie, naar het oordeel van het college, met deze voorziening kan verminderen of wegnemen.
-
3. Het college kan de algemene voorzieningen uitwerken in nadere regels.
Hoofdstuk 4. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 7. Algemene criteria maatwerkvoorzieningen
-
1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
eigen kracht en/of;
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
mantelzorg en/of;
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
andere voorzieningen.
- a.
-
2. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
- a.
eigen kracht en/of;
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
mantelzorg en/of;
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
andere voorzieningen.
- a.
Artikel 8. Vormen van maatwerkvoorzieningen
-
1. Het college kan een inwoner in aanmerking laten komen voor één of meerdere van de volgende maatwerkvoorzieningen:
- a.
huishoudelijke ondersteuning;
- b.
begeleiding individueel;
- c.
dagbesteding;
- d.
beschermd wonen en opvang;
- e.
woonvoorziening;
- f.
rolstoelvoorziening;
- g.
vervoersvoorziening.
- h.
Voorzieningen die niet binnen bovengenoemde kaders vallen
- a.
-
2. Het college geeft in beleidsregels een uitwerking van de inhoud van de in het eerste lid van dit artikel genoemde maatwerkvoorzieningen.
Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden
-
1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest passende, goedkoopste voorziening.
-
2. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
-
3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als een passende voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
- b.
als inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het gaat om een acute noodsituatie waardoor het voor inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
- c.
als inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en geschiktheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
- d.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan vergoedt;
- e.
als deze niet hoofdzakelijk op een individuele inwoner is gericht;
- f.
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.
- a.
-
4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:
- a.
deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.
- b.
de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Enschede.
- a.
-
5. Bij verstrekken van een vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.
-
6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
- b.
als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
- c.
voor woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
- d.
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
- e.
als de locatie waar de voorziening wordt gerealiseerd kan worden aangemerkt als een doelgroepengebouw. Het gaat bij een doelgroepengebouw om een woning, al dan niet onderdeel van een wooncomplex waar op basis van huur- of koopcontract duidelijk is dat de woning geschikt moet zijn voor een specifieke doelgroep;
- f.
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en/of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
- g.
als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
- h.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
- a.
-
7. In afwijking van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo en zesde lid, onderdeel b, van dit artikel, kan voor inwoner die in een instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt wordt tot een maximum bedrag van € 5.000,- als:
- a.
de inwoner in een instelling in Enschede woont; en
- b.
het voor de aanvaardbare participatie van inwoner noodzakelijk is dat deze woning bezocht kan worden.
- a.
Artikel 10. Besluit
-
1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking.
-
2. Tenzij in de beschikking een andere termijn wordt gegeven, moet de inwoner zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening. Bij verstrekking van een pgb, moet deze binnen 3 maanden gebruikt worden voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
-
3. Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening intrekken of herzien als niet wordt voldaan aan het tweede lid van dit artikel.
Artikel 11. Vormen van verstrekking
-
1. Een maatwerkvoorziening kan in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming worden verstrekt.
-
2. Een maatwerkvoorziening in natura, kan in eigendom, in bruikleen of als persoonlijke dienstverlening worden verstrekt. Het college beoordeelt welke vorm van toepassing is.
Artikel 12. Inhoud beschikking
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb of in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.
-
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- b.
indien van toepassing de omvang van de voorziening;
- c.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- d.
indien van toepassing de termijn van 3 maanden of een andere termijn waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 10, tweede lid;
- e.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
aan welk doel het pgb moet worden besteed;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;
- d.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- e.
de termijn van 3 maanden of een andere termijn waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 10, tweede lid;
- f.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en;
- g.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
- a.
-
4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval het volgende:
- a.
aan welk doel de financiële tegemoetkoming moet worden besteed;
- b.
wat de hoogte is van de financiële tegemoetkoming;
- c.
welke verplichtingen zijn verbonden aan de financiële tegemoetkoming.
- a.
Hoofdstuk 5. Persoonsgebonden budget (PGB)
Artikel 13. Voorwaarden PGB
Een pgb wordt verstrekt als wordt voldaan aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de Wmo opgenomen voorwaarden:
- a.
de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de zorg of ondersteuning die geleverd wordt via een pgb passende ondersteuning achten;
- b.
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid, met inachtneming van artikel 15 van deze verordening, blijkt dat de pgb budgethouder of, indien van toepassing, de pgb budgetbeheerder, in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
- c.
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 18 is gewaarborgd dat de zorg of ondersteuning die tot de individuele maatwerkvoorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Artikel 14. Weigeringsgronden PGB
-
1. Het college kan een pgb weigeren, indien:
- a.
het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken omdat:
- i.
de inwoner en/of zijn pgb-budgetbeheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- ii.
de inwoner en/of zijn pgb-budgetbeheerder niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden;
- iii.
de inwoner en/of zijn pgb-budgetbeheerder het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd.
- i.
- b.
voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening.
- a.
-
2. Het college weigert een pgb, indien:
- a.
De inwoner niet pgb-vaardig is, getoetst conform artikel 15 , lid 2 en artikel 18 en ook niet in staat is gebleken een geschikte pgb-budgetbeheerder aan te wijzen die pgb-vaardig is, met inachtneming van artikel 15, lid 2 en artikel 18
- b.
de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was;
- c.
de pgb-budgetbeheerder ook de uitvoerder van de ondersteuning is die met het pgb ingekocht wordt of er sprake is van een (financiële) relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. Tenzij het college dit gezien de situatie van de inwoner, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, wel passend vindt
- d.
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.10 Wmo;
- e.
als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de zorg of ondersteuning, als:
- i.
de zorgaanbieder nog in afwachting is van een Bibob-toets en/of kwaliteits-toets;
- ii.
de zorgaanbieder op basis van een Bibob-toets en/of kwaliteits-toets door het college is geweigerd;
- iii.
de zorgaanbieder fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel de verkrijgen, heeft gepleegd;
- iv.
de zorgaanbieder betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de zorg of ondersteuning in gevaar brengen;
- v.
de zorgaanbieder veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
- i.
- f.
het persoonsgebonden budget bestemd is voor besteding in het buitenland.
- a.
Artikel 15. Toetsing pgb vaardigheid
-
1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd pgb-houder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een pgb-beheerder, in ieder geval:
- a.
een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
- b.
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
- c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- d.
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
- e.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
- f.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- g.
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- h.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- i.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- j.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
-
2. Een pgb-houder of een pgb-beheerder wordt in ieder geval niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de ondersteuning levert aan de pgb-houder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;
- b.
schuldenproblematiek;
- c.
ernstige verslavingsproblematiek;
- d.
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- e.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- f.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- g.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- a.
-
3. Van lid 2 kan worden afgeweken als de beoogd pgb-beheerder aannemelijk kan maken dat deze omstandigheden de budgetvaardigheid niet aantasten.
-
4. Bovengenoemde punten worden in samenspraak met de inwoner getoetst. Het eindoordeel van de gemeente is leidend.
-
5. Indien er sprake is van een maatwerkvoorziening voor onbepaalde tijd dan kan het college de duur van het pgb beperken om zo te kunnen blijven toetsen op de pgb-vaardigheid.
Artikel 16. pgb-budgetbeheer
-
1. Het college onderzoekt de pgb-vaardigheid van de beoogd budgetbeheerder, conform artikel 15 in deze Verordening.
-
2. Een inwoner die het pgb niet zelf kan beheren, krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een budgetbeheerder aan te dragen. Als inwoner geen geschikte budgetbeheerder aandraagt, wordt het pgb afgewezen.
-
3. Een pgb-beheerder wordt alleen geacht een inwoner te kunnen helpen bij het beheer van het pgb, als:
- a.
er geen belangenverstrengeling is tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder;
- b.
hij de belangen van de inwoner voldoende kan behartigen;
- a.
Artikel 17. Onderscheid formele en informele hulp en sociaal netwerk
-
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
-
2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
- b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- a.
-
3. Informele hulp is:
- a.
Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;
- b.
Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van inwoner horen.
- a.
-
4. Voor de maatwerkvoorziening Ondersteuning Huishouden geldt geen diploma-eis, voor zowel formele als informele hulp. Voor de maatwerkvoorziening Individuele begeleiding geldt wel een diploma-eis, voor formele hulp.
-
5. Een inwoner aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, indien:
- a.
de inwoner een gelijkwaardig of beter resultaat kan halen met inzet van de hulp uit het sociale netwerk en;
- b.
dit leidt tot volwaardige dienstverlening die past bij de hulpvraag van de inwoner;
- c.
de hulp uit het sociale netwerk heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de inwoner niet tot overbelasting leidt
- a.
Artikel 18. Aanvullende criteria pgb
-
1. Het college beoordeelt of de ondersteuning die de inwoner met het pgb wenst in te kopen veilig, doeltreffend en inwonergericht is.
-
2. De inwoner heeft als budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij contracteert met het pgb. Als er sprake is van een pgb-beheerder dan is de pgb-beheerder verantwoordelijk;
-
3. De inwoner, dan wel zijn pgb-beheerder, heeft daarmee de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de uitvoering van de geleverde ondersteuning en indien noodzakelijk moet de inwoner, dan wel zijn pgb-beheerder, zelf bijsturen;
-
4. Het college toets de kwaliteit van de uitvoering van de ondersteuning door middel van een pgb-plan en bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de eisen zoals genoemd in lid 1 is voldaan. Indien er sprake is van een formele pgb-aanbieder gelden er aanvullende eisen die zijn opgenomen in lid 8.
-
5. Het format van het pgb-plan wordt door het college ter beschikking gesteld. De inwoner is verplicht het door het college ter beschikking gestelde format te hanteren.
-
6. De inwoner stelt, eventueel samen met zijn pgb-beheerder, gezamenlijk met de pgb-aanbieder, het pgb-plan op.
-
7. Het pgb-plan dient aan te sluiten op de doelen (resultaten) die in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd.
-
8. Voor formele pgb-aanbieders gelden minimaal de volgende aanvullende eisen:
- a.
passend ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel;
- b.
adequaat opgeleid personeel in dienst hebben. Hieronder wordt verstaan dat de directe en vervangend zorgverlener moet voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in lid 1;
- c.
een Verklaring omtrent gedrag (VOG) van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen; en
- d.
beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem en/of kwaliteitshandboek dat voldoet aan de landelijke eisen.
- a.
-
9. Een inwoner krijgt, bij de beoordeling van een aanvraag voor een pgb, in totaal twee mogelijkheden om een pgb-plan in te dienen.
-
10. Indien de pgb aanbieder niet voldoet aan de vereisten van dit artikel en daarmee naar het oordeel van het college niet geborgd kan worden dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en inwonergericht zal worden uitgevoerd, wordt de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb conform artikel 14 lid 2 onder a afgewezen.
-
11. Het college kan de criteria ten aanzien van de kwaliteit van zorg en het pgb-plan uitwerken in nadere regels.
Artikel 19. Hoogte pgb
-
1. Voor de goedkoopst passende maatwerkvoorziening hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen.
-
2. Het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.
-
3. Voor begeleiding individueel geldt:
- a.
80% van het tarief voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in art. 17;
- b.
voor informele hulpverleners, zoals bedoeld in art. 17 geldt het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag
- i.
Indien er bij de start van een nieuw jaar nog cao-onderhandelingen gaande zijn, dan wordt het laatst geldende tarief gehanteerd. Zodra de nieuwe cao, en de daarbij behorende salarisontwikkeling, bekend is, wordt het tarief navenant aangepast en de budgetten actief aangepast
- i.
- a.
-
4. Voor dagbesteding geldt:
- a.
80% van het tarief per dagdeel voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in art.17;
- b.
Het pgb voor informele groepsgerichte ondersteuning voor dagbesteding basis/plus bedraagt per dagdeel €20,00. Dit is afgeleid van een vast uurtarief van €20,00 en een minimale groepsgrootte van 4 personen.
- c.
voor vervoer van en naar de dichtstbijzijnde passende locatie waar de dagbesteding wordt geboden geldt 80% van het tarief per kilometer, indien dit niet algemeen gebruikelijk is.
- a.
-
5. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt:
- a.
80% van het tarief voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in art.17;
- b.
voor informele hulpverleners, zoals bedoeld in art. 17 geldt het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij huishoudelijke hulp van de voor de betreffende periode geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag.
- i.
Indien er bij de start van een nieuw jaar nog cao-onderhandelingen gaande zijn, dan wordt het laatst geldende tarief gehanteerd. Zodra de nieuwe cao, en de daarbij behorende salarisontwikkeling, bekend is, wordt het tarief navenant aangepast en de budgetten actief aangepast
- i.
- a.
-
6. De hoogte van het pgb voor collectief vervoer (CVV) bedraagt de netto kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat in totaal 1500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.
-
7. De hoogte van het pgb voor individuele (rolstoel)taxikosten bedraagt maximaal het geldende tarief op basis van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, waarbij het uitgangspunt geldt dat in totaal 1500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.
-
8. Het pgb voor kortdurend verblijf wordt vastgesteld op basis van een offerte.
-
9. Indien het op basis van lid 1 t/m 7 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de benodigde voorziening in te kunnen kopen, wordt het tarief zo aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
-
10. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Financieel besluit.
Artikel 20. Hoogte pgb andere voorzieningen
-
1. De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten.
-
2. Behoudens de kostprijs als bedoeld in artikel 19 tweede lid kan het college de hoogte van het pgb vaststellen op basis van de economische levensduur van de geïndiceerde maatwerkvoorziening.
-
3. Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte als de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders.
-
4. Het college stelt het pgb voor het realiseren van een woonaanpassing vast op basis van:
- a.
een door het college goedgekeurd programma van eisen;
- b.
richtprijzen en normen uit Casadata of meerdere offertes;
- c.
eventuele bijkomende noodzakelijke kosten die van een architect of legeskosten.
- d.
het college kan nadere regels stellen over welke kosten in aanmerking kunnen komen.
- a.
-
5. Het college stelt de omvang van de budgetperiode die geldt voor hulpmiddelen vast in het Financiële besluit.
-
6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders en de kosten bedoeld in het vierde lid onder c vast in het Financiële besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het toekenningsbesluit.
Artikel 21. Aanvullende criteria besteding pgb
-
1. Het pgb mag niet worden besteed aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
- e.
besteding in het buitenland;
- a.
-
2. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
-
3. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan.
-
4. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
-
5. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Artikel 22. Eenmalig pgb
-
1. Het college kan voor bepaalde hulpmiddelen, diensten of woningaanpassingen een eenmalig pgb verstrekken. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
- a.
de pgb-vaardigheid van de budgetbeheerder moet worden getoetst, conform artikel 15 in deze Verordening;
- a.
-
2. Een pgb-plan is niet noodzakelijk. Wel moet de inwoner inzichtelijk maken waarom het Zorg in Natura aanbod niet afdoende is en hoe de inwoner onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van het aan te kopen hulpmiddel of dienst. Daarnaast moet een offerte met daarop een aankoopprijs van het middel wat als meest passend is aangemerkt en een plan hoe de inwoner om gaat met onderhoud en reparatie overlegd worden.
-
3. Het pgb wordt uitbetaald op basis van een offerte.
Hoofdstuk 6. Financiële tegemoetkoming
Artikel 23. Financiële tegemoetkoming
-
1. Een inwoner komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie.
-
2. Het college kan een financiële tegemoetkoming toekennen in de volgende gevallen:
- a.
de kosten voor verhuizen en herinrichting;
- b.
de kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is, als dit vervoer niet kan worden opgelost met hulp van het netwerk van de inwoner en inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer;
- c.
sportvoorziening.
- a.
-
3. Het college legt de hoogte van de verschillende financiële tegemoetkomingen vast in het Financiële besluit.
Hoofdstuk 7. Bijdrage in de kosten
Artikel 24. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
-
1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
-
2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
- a.
de onderhoudsplichtige ouders en;
- b.
degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.
- a.
-
3. Het college kan voor het gebruik van algemene voorzieningen een compensatie in de kosten vragen.
-
4. Het college bepaalt de hoogte van de compensatie en legt deze vast in het financiële besluit.
-
5. De aanbieder van de verstrekte voorziening maakt de verschuldigdheid en de hoogte van de compensatie aan de inwoner kenbaar.
-
6. De aanbieder maakt de verschuldigdheid en hoogte van de kosten als hiervoor bedoeld zichtbaar voor de inwoner die de voorziening van hem betrekken.
-
7. De compensatie, bedoeld in het vorige lid, geldt niet als bijdrage als bedoeld in de wet en is maximaal de hoogte van de kosten als bedoeld art. 25 lid 4.
Artikel 25. Hoogte bijdrage in de kosten
-
1. Voor de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 en 3 bedraagt de hoogte van de compensatie voor een of meerdere voorzieningen tezamen het bedrag per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, zoals genoemd in artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo.
-
2. De hoogte van de compensatie voor de maatwerkvoorziening voor vervoer is per rit gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.
-
3. De compensatie in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit.
-
4. De hoogte van de compensatie voor de algemene voorzieningen genoemd in artikel 24 zijn gelijk aan de kosten die volgens het NIBUD gebruikelijk zijn voor de betreffende voorziening of de hoogte is gebaseerd op andere openbare normen waarvan de onderbouwing is opgenomen in het besluit.
-
5. De hoogte van de compensatie voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 2 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer of de in lid 4 genoemde algemene voorzieningen, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.
-
6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.
-
7. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
-
8. De kostprijs van een algemene voorziening is gelijk aan de kosten die het college voor de betreffende voorziening per inwoner maakt.
-
9. De compensatie in de kosten voor de maatwerkvoorziening opvang worden in overleg met de gemeente vastgesteld en geïnd door de betreffende organisaties die de opvang bieden.
-
10. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een inwoner op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit geen compensatie verschuldigd zijn.
Hoofdstuk 8. Bestrijding misbruik
Artikel 26. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
-
1. Het college informeert inwoners op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo.
-
2. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of:
- a.
de inwoner nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;
- b.
de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;
- c.
de inwoner nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb;
- d.
de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed voor het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
- a.
-
3. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo.
-
4. Als een (pgb-)aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder ervoor verantwoordelijk dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt, als vermeld in artikel 18.
-
5. Het college treft de nodige maatregelen om fraude of het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s te voorkomen en te bestrijden. Tot deze maatregelen horen in ieder geval:
- a.
het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
- b.
het college doet zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Enschede onderhouden of pgb-aanbieders die ondersteuning verlenen aan inwoner uit Enschede. De aanbieders zijn verplicht om hun medewerking te verlenen;
- c.
het college maakt afspraken met (professionele) aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
- d.
het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen;
- e.
het college past de looptijd van de indicaties aan op de individuele situatie van de inwoner of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties;
- f.
het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.
- a.
-
6. Het college kan nadere regels stellen over de controles die op basis van dit artikel plaatsvinden.
Artikel 27. Verrekening
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de Wmo, die nog uitgekeerd moeten worden.
Hoofdstuk 9. Kwaliteit
Artikel 28. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
-
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:
- a.
voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner;
- b.
voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;
- c.
inzet van de juiste deskundigheid die voldoet aan de huidige opleidingseisen, zoals opgenomen in de beleidsregels;
- d.
ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;
- e.
er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.
- a.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en de kwaliteit van de aanbieder.
-
3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks inwoner ervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
-
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- i.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
- ii.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- i.
- a.
-
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de Wmo, en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
- a.
kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
- d.
reis- en opleidingskosten;
- e.
indexatie van loon binnen een overeenkomst;
- f.
overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
- a.
-
4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:
- a.
de marktprijs van de voorziening, en
- b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:
- i.
aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
- ii.
instructie over het gebruik van de voorziening;
- iii.
onderhoud van de voorziening, en
- iv.
verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
- i.
- a.
Artikel 30. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
-
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een (pgb-)aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
-
2. Aanbieders en pgb-aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.
-
3. De toezichthoudend ambtenaar doet indien nodig onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
-
4. Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Hoofdstuk 10. Mantelzorgwaardering
Artikel 31. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
-
1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers, indien mantelzorg wordt verleend aan een inwoner die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Enschede.
-
2. Bij de waardering als bedoeld in het eerste lid heeft het college ook oog voor mantelzorgers van inwoners die alleen gebruik maken van algemene voorzieningen.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over de waardering als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 11. Klachten en medezeggenschap
Artikel 32. Klachtregeling
-
1. Het college behandelt klachten van inwoners of hun vertegenwoordigers of mantelzorgers over de bejegening tijdens de behandeling van hun Wmo melding en aanvraag, volgens de bepalingen van de Verordening klachtenbehandeling gemeente Enschede.
-
2. Gecontracteerde aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner t.a.v. alle voorzieningen en zorgen ervoor dat inwoners op de hoogte zijn van deze regeling.
-
3. Het college ziet toe op de naleving van de eisen in lid 2 door periodieke overleggen met de gecontracteerde aanbieders en een jaarlijks inwoner ervaringsonderzoek.
Artikel 33. Medezeggenschap
-
1. Gecontracteerde aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn en zorgen ervoor dat inwoners hiervan op de hoogte zijn, ten aanzien van:
- a.
voorzieningen gericht op begeleiding individueel;
- b.
voorzieningen gericht op dagbesteding;
- c.
huishoudelijke ondersteuning.
- a.
-
2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met deze aanbieders en een jaarlijks inwoner ervaringsonderzoek.
Artikel 34. Inspraak beleid gemeente
-
1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning volgens de Verordening Adviesraad voor het Sociaal Domein of een daartoe vastgestelde opvolgende regeling.
-
2. Het college stelt de Bewoners Adviesraad Sociaal Domein (BAS) op tijd in de gelegenheid voorstellen te doen voor het beleid en advies uit te brengen bij de besluitvorming over beleidsvoorstellen over maatschappelijke ondersteuning. Het college voorziet hierbij de BAS van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.
Hoofdstuk 12. Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 35. Geen bepalingen
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 36. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan een onevenredig nadeel voor de inwoner ontstaat.
Artikel 37. Intrekking voorgaande verordening en overgangsrecht
-
1. De Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2024 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026
-
2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2024, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2026, worden afgehandeld volgens de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2026.
Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2026.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 oktober 2025.
De griffier, J.J. Ligteringen
De voorzitter, R.W. Bleker
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl