Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746094
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746094/1
Verordening jeugdhulp Enschede 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening jeugdhulp Enschede 2026De raad van de gemeente Enschede,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
overwegende dat:
- •
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;
- •
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Ook als sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem, stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking.
- •
Door de raad regels gesteld moeten worden over:
- •
de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
- •
de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
- •
wat wordt verstaan onder ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ en wanneer die in de weg staan van de toekenning van jeugdhulp;
- •
de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
- •
de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
- •
de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
- •
de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
- •
onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;
- •
de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen en/of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de wet.
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Enschede 2026.
Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- •
algemene voorziening: overige voorziening in de zin van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder (of met een beperkt) voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het gaat hierbij om een aanbod van diensten of activiteiten wat zowel individueel als groepsgericht kan zijn.
- •
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- •
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;
- •
hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
- •
individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 3, die door het college in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt;
- •
sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder een sociale relatie onderhoudt;
- •
ondersteuningsplan: schriftelijke verslag van de uitkomsten van het onderzoek als beschreven in artikel 9;
- •
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
- •
pgb-beheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de pgb-houder;
- •
pgb-houder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;
- •
pgb-plan: plan dat een jeugdige en/of ouder(s) die een individuele voorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen moet indienen. Het college gebruikt dit plan bij de beoordeling van de vraag of de individuele voorziening in de vorm van een pgb kan worden toegekend;
- •
wet: Jeugdwet.
- •
zorgplan: plan gemaakt door de jeugdhulpaanbieder.
Hoofdstuk 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Algemene voorzieningen:
-
1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
- a.
Informatie en advies;
- b.
Activiteiten zoals training, cursus, themabijeenkomst;
- c.
Jongerenwerk;
- d.
Opvoed- en opgroeiondersteuning
- e.
Jeugdhulp op school
- a.
-
2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Artikel 3. Individuele voorzieningen:
-
1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
Ambulante Jeugdhulp in de vorm van:
- 1.
Begeleiding Individueel;
- 2.
Vaktherapie;
- 3.
Behandeling Individueel;
- 4.
Forensische jeugdhulp - behandeling;
- 5.
Medicatiecontrole exclusief medische comorbiditeit;
- 6.
Begeleiding Groep Basis;
- 7.
Begeleiding Groep Intensief;
- 8.
Behandeling Groep Basis;
- 9.
Behandeling Groep Intensief;
- 10.
Kinderdagcentrum (KDC)/Orthopedagogisch dagcentrum (ODC) Basis;
- 11
Kinderdagcentrum (KDC)/Orthopedagogische dagcentrum (ODC) Intensief;
- 12
Ernstige Dyslexiezorg (ED);
- 13
Screening;
- 1.
- b.
Ambulante alternatieven voor verblijf in de vorm van:
- 1.
Zeer Intensieve Traumabehandeling (ZIT);
- 2.
Flexible Assertive Community Treatment (FACT);
- 3.
Multisysteem Therapie (MST);
- 4.
Crisis Systeem Interventie (CSI);
- 1.
- c.
Wonen in de vorm van:
- 1.
Pleegzorg;
- 2.
Gezinshuis;
- 3.
Extra gezinshuisbegeleiding;
- 4.
Woongroep;
- 5.
Hoog specialistische (kleinschalige) woonvoorzieningen.
- 1.
- d.
Verblijf in de vorm van:
- 1.
Kamertraining;
- 2.
Ouder-kind Groep;
- 3.
Behandelgroep;
- 4.
Driemilieuvoorziening;
- 5.
Jeugd GGZ verblijf;
- 6.
Jeugdzorg Plus;
- 7.
Deeltijd verblijf/logeren;
- 8.
Extra Verblijfsbegeleiding
- 1.
- e.
Crisis
- 1.
Crisisdienst GGZ-Jeugd;
- 2.
Ambulante crisiszorg Families First (FF);
- 3.
Ambulante Spoed Hulp (ASH);
- 4.
Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt;
- 5.
Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp;
- 6.
Crisisverblijf Jeugd GGZ;
- 7.
Crisispleegzorg.
- 1.
- f.
Advies & Expertise
- g.
Jeugdhulpvervoer
- a.
-
2. Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, zoals gesteld in het eerste lid.
Artikel 4. Vervoer
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulplocatie.
-
2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt in aanvulling op een individuele voorziening.
Artikel 5. Dyslexie
-
1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.
-
2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige indien op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 6. Vaktherapie
-
1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie en speltherapie.
-
2. Een voorziening voor vaktherapie heeft een maximale behandelduur van 1 jaar en kent een maximale behandeltijd van 2200 minuten, verdeeld over maximaal 24 sessies.
Hoofdstuk 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de gemeente
-
1. Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.
-
2. Naar aanleiding van de hulpvraag kan het college in gesprek gaan met de jeugdige en/of ouder(s) om de hulpvraag te verhelderen en advies te geven over passende voorzieningen. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de toegang tot deze voorzieningen. Indien inzet van een individuele voorziening aan de orde is, informeert het college de jeugdige en/of ouder(s) over het aanvraagproces.
-
3. Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk worden ingediend bij het college. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
-
4. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze waarop de schriftelijke aanvraag kan worden ingediend.
-
5. Het college neemt een besluit op de aanvraag uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, op grond van het onderzoek zoals beschreven in artikel 9.
-
6. Het college stemt de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening af met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen zoals beschreven artikel 2.9 lid b van de wet;
-
7. Het college legt het besluit op een aanvraag vast in een beschikking.
-
8. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
-
9. De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen 3 maanden na de datum van het besluit melden bij een jeugdhulpaanbieder of het pgb besteden aan het resultaat waarvoor het is verstrekt. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit niet doen, voldoen zij niet aan de voorwaarden van de individuele voorziening. In dat geval kan het college op grond van artikel 24 lid 2 onder h het besluit herzien of intrekken.
Artikel 8. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp
-
1. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de gecertificeerde instelling, de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel en de uitvoering van jeugdreclassering.
-
2. Het college zorgt, voor de inzet van gecontracteerde jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder.
-
3. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige en/of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
-
4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Hoofdstuk 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 9. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
-
1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
-
2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke clientondersteuning als bedoeld in artikel 2.5 van de wet.
-
3. Het college onderzoekt de noodzaak voor het treffen van een individuele voorziening op het gebied van jeugdhulp. Het college doet dit aan de hand van de volgende stappen:
- a.
stap 1: Het college stelt vast wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
- b.
stap 2: Het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Onderzocht worden in ieder geval de volgende aspecten;
- 1.
voor de ontwikkeling van de jeugdige:
- 1.
lichamelijke ontwikkeling (groei, eten, slapen bewegen, gezonde levensstijl);
- 2.
verstandelijke ontwikkeling (ontwikkeling op school en in de thuissituatie);
- 3.
emotionele ontwikkeling (thuis, op school, op straat);
- 4.
sociale ontwikkeling (psychische- en gedragsontwikkeling).
- 1.
- 2.
voor de opvoeding door de ouder(s):
- 1.
basiszorg en veiligheid (veiligheid, aandacht, emotionele warmte, leermomenten, voeding);
- 2.
kleding, hygiëne, medische zorg en sociaal contact;
- 3.
opvoeding (de mate waarin vragen naar tevredenheid zijn op te lossen);
- 4.
beleving van het ouderschap (mate waarin de ouder zich competent voelt);
- 5.
onderlinge steun tussen de ouders (de mate waarin de ouders elkaar steunen bij de opvoeding).
- 1.
- 3.
voor de bepalende factoren in de omgeving zoals de gezinsomstandigheden (financiën, huisvesting, werk, basisbehoeften) en het sociaal netwerk.
- 1.
- a.
- c.
stap 3: Wanneer het college de problemen en stoornissen heeft vastgesteld, wordt bepaald welke hulp naar aard (specifieke eisen of deskundigheid) en omvang (hoeveelheid en duur) nodig is voor de jeugdige om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, zo goed mogelijk rekening houdend met zijn persoonskenmerken, voorkeuren, leeftijd en ontwikkelingsniveau conform beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. 1
- d.
stap 4: Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, wordt onderzocht of de ouders zelf (deels) in staat zijn om de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociale netwerk of gebruik makend van een andere of algemene voorziening. In artikel 10 is het onderzoek naar eigen kracht nader uitgewerkt;
- e.
stap 5: Als alle vragen onderzocht zijn en er is vastgesteld dat de hulp (deels) geleverd kan worden door ouders, eventueel met behulp van het sociale netwerk en/of een algemene of andere voorziening, kent het college geen individuele voorziening toe. Voor het deel waarvoor deze mogelijkheden niet toereikend of beschikbaar zijn, wordt een individuele voorziening toegekend.
-
4. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek neer in een schriftelijk verslag. In dit verslag wordt tevens vastgelegd welke afspraken er zijn over de afstemming van de jeugdhulp op andere voorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken. Dit verslag dient als motivering van het besluit op de aanvraag en wordt gezamenlijk met het besluit aan de aanvrager verstrekt.
Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
-
1. Het college gaat uit van de eigen kracht van de ouder om problemen op te lossen. Dit betekent dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Tot de eigen kracht behoort in elk geval het bieden van gebruikelijke hulp, zijnde hulp die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke hulp uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014.2 Dit geldt ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen.
-
2. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen kracht van de ouder(s) niet toereikend is. Uitgangspunt is om ouders zo lang mogelijk in staat te stellen om ondersteuning aan hun kinderen te kunnen bieden als primaire verzorgers, en/of dit vermogen te herstellen en versterken.
-
3. De eigen kracht is niet toereikend als uit het onderzoek blijkt dat:
- a.
De ouder niet in staat is de noodzakelijke hulp te bieden.
Dit is het geval als de ouder een gebrek aan kennis en vaardigheden heeft en (kwalitatief) niet in staat is om de noodzakelijke hulp te bieden, of dat slechts deels kan. Als een ouder niet in staat is om de noodzakelijke hulp te bieden, wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de ouders in staat te stellen om in de toekomst wel zelfstandig de hulp te bieden.
- b.
De ouder niet beschikbaar is om de noodzakelijke hulp te bieden
Dit is het geval als de ouder niet in staat is om de benodigde hoeveelheid hulp te kunnen leveren op de momenten dat het kind deze nodig heeft. Hierbij moet beseft worden dat een ouder moet voorzien in een inkomen. Bij andere maatschappelijke activiteiten, zoals vrijwilligerswerk of vrijetijdsbesteding, mag van een ouder verwacht worden dat deze vergaande aanpassingen doet om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te kunnen bieden. Ook hier geldt dat als een ouder niet in staat is om de noodzakelijke hulp te bieden, onderzocht wordt of er mogelijkheden zijn om de ouders in staat te stellen om in de toekomst wel zelfstandig de hulp te bieden.
- c.
Het bieden van hulp levert overbelasting voor de ouder op
Dit is het geval als de draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) van ouders onvoldoende in balans zijn, waardoor ze niet meer in staat zijn om de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag. Het college houdt in ieder geval bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting rekening met de volgende factoren:
- 1.
De omstandigheid dat de ouder(s) zorg/hulp bieden in het kader van andere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of het overnemen van huishoudelijke taken op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
- 2.
Belastende factoren in het gezinssysteem. Denk bijvoorbeeld aan de woonsituatie, sociale problemen of financiële problemen.
- 3.
Beperkingen van lichamelijke en/of psychische aard.
- 1.
-
Waar een vermoeden is van overbelasting of waar ouders zelf een beperking hebben die van invloed kan zijn op het opvoeden (zoals LVB, psychiatrie) kan advies over de draagkracht/-last gevraagd worden via de huisarts van ouders of via medisch advies.
Als een ouder overbelast is of overbelast dreigt te raken, wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de ouder (weer) in staat te stellen om zelfstandig de hulp te bieden. Hierbij kan tijdelijke hulp via een individuele voorziening worden ingezet om de overbelasting te verhelpen. De ouder(s) worden geacht de dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning voorrang te geven op het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten.
- a.
-
4. Tot de eigen kracht behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.
-
5. Wanneer de hulpvraag bestaat uit het bieden van permanent toezicht op de jeugdige, valt dit niet onder de eigen kracht van ouders voor zover dit niet passend is bij de normale zorgbehoefte die hoort bij leeftijd van het kind.
-
6. Als de jeugdige van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van de ouder(s), wordt de hulpvraag niet afgewezen op grond van eigen kracht van de ouders. Daarbij heeft het college oog voor een mogelijke aanspraak op intensieve kindzorg op grond van de Zorg-verzekeringswet of toegang tot de Wet langdurige zorg.
Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
-
1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige en/of ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een algemene of andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
-
2. Een algemene of andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
- a.
daadwerkelijk beschikbaar is; en
- b.
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
- a.
-
3. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest passend en goedkoopst, tijdig beschikbare voorziening.
-
4. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet-effectieve interventie.
-
5. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
- a.
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
- b.
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
- c.
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
- a.
Artikel 12. Algemene weigeringsgronden
-
1. Het college kan besluiten een aanvraag voor een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk te weigeren als:
- a.
De eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen toereikend zijn;
- b.
De hulp of ondersteuning is niet noodzakelijk op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking maar komt voort uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd zoals beschreven in artikel 9 lid 3 sub c en artikel 10 lid 1;
- c.
Een algemene of andere voorziening kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte;
- d.
met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op een voorziening vanuit andere wetgeving zoals de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;
- e.
met betrekking tot de problematiek voor het college gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een recht bestaat op een voorziening vanuit andere wetgeving zoals de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet en de jeugdige en/of ouder(s) hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen;
- f.
De jeugdige en/of ouder(s) naar oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor de ondersteuningsbehoefte en/of de omvang van de benodigde jeugdhulp niet of onvoldoende kan worden vastgesteld
- g.
De individuele voorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de wet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet.
- h.
De aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt.
- a.
Artikel 13. Meerdere oorzaken en wettelijke kaders
-
1. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
-
2. De jeugdige en/of zijn ouder(s) die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.
-
3. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg .wordt de jeugdige en/of zijn ouder(s) gewezen op de mogelijkheid van onafhankelijke clientondersteuning.
Artikel 14. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
-
1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
-
2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
- a.
bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
- b.
bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
- c.
op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
- a.
Artikel 15. Jeugdhulp 18-/18+
-
1. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft borgt het college de continuïteit van hulp en ondersteuning voor zover dat nodig is.
-
2. Ter uitvoering van het eerste lid, onderzoekt het college tijdig welke (andere) voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
-
3. Verlengde jeugdhulp voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt vindt plaats conform hetgeen in artikel 1.1 van de wet is bepaald.
Artikel 16. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening.
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
-
2. Het ondersteuningsplan (artikel 9 lid 4) maakt deel uit van de beschikking.
-
3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking daarnaast in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
- c.
indien van toepassing, welke algemene en andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; en
- d.
de termijn van 3 maanden waarbinnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 7 lid 9.
- a.
-
4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking daarnaast in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
- e.
de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking;
- f.
de termijn van 3 maanden of een andere termijn waarbinnen de jeugdige en/of ouder(s) het pgb moeten besteden als bedoeld in artikel 7 lid 9; en
- g.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden.
- a.
Hoofdstuk 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 17. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
-
1. Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. Het pgb-plan wordt gebruikt bij de beoordeling van de vraag of de individuele voorziening in de vorm van een Pgb kan worden toegekend.
-
2. Het college kan een individuele voorziening in de vorm van een pgb verstrekken als:
- a.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;
- b.
De pgb-houder of pgb-beheerder in staat is het pgb te beheren en voldoet aan de criteria die genoemd zijn in artikel 18
- c.
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 20 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of zijn ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
- a.
-
3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval kan voordoen indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp:
- a.
in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
- b.
in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
- c.
in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
- d.
in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder;
- e.
op verzoek geen verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie kan overleggen
- a.
-
4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.
Artikel 18. Pgb-vaardigheid
-
1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd pgb-houder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een pgb-beheerder, in ieder geval:
- a.
een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
- b.
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
- c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- d.
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
- e.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
- f.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- g.
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- h.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- i.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- j.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
-
2. Een pgb-houder of een pgb-beheerder wordt in ieder geval niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de pgb-houder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;
- b.
schuldenproblematiek;
- c.
ernstige verslavingsproblematiek;
- d.
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- e.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- f.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- g.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- a.
-
3. Van lid 2 kan worden afgeweken als de beoogd pgb-beheerder aannemelijk kan maken dat deze omstandigheden de budgetvaardigheid niet aantasten.
Artikel 19. Onderscheid formele en informele hulp
-
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
-
2. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door een van onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- c.
personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
- a.
-
3. Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;
- b.
personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen.
- a.
Artikel 20. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
-
1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de informele jeugdhulp aan de volgende eisen:
- a.
beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
- b.
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
- c.
werkt volgens het pgb-plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
- d.
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
- e.
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
- f.
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken;
- g.
respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
- h.
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
- i.
meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan de toezichthoudend ambtenaar;
- j.
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
- k.
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
- a.
-
2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
- a.
hetgeen is bepaald in artikel 18, eerste en tweede lid;
- b.
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
- c.
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
- d.
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
- e.
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp;
- f.
stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren;
- g.
beschikt over een regeling voor de afhandeling van klachten en zorgt ervoor dat cliënten op de hoogte zijn van deze regeling; en
- h.
beschikt over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten en zorgt ervoor dat cliënten op de hoogte zijn van deze regeling.
- a.
-
3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
Artikel 21. Hoogte pgb
-
1. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige en/of ouder(s) opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden en bedraagt:
- a.
voor formele jeugdhulp maximaal 90 % van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
- b.
voor informele jeugdhulp maximaal € 20,- per uur.
- a.
-
2. Het tarief wordt lager vastgesteld als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouder(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
-
3. Indien het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de benodigde voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zo aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
Artikel 22. Besteding van het pgb
-
1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
- a.
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
- e.
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
- f.
kosten voor vervoer als de jeugdige geen individuele voorziening voor vervoer is toegekend;
- a.
-
2. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
-
3. Het pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren/dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan, tenzij de voorziening als een maand- of jaarbudget wordt verstrekt.
-
4. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
-
5. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Hoofdstuk 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 23. Inlichtingen
-
1. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. De jeugdige en/of ouder(s) aan wie op grond van deze verordening een individuele voorziening is toegekend, is verplicht aan het college alle feiten en omstandigheden te melden waarvan duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening (artikel 8.1.2 eerste lid van de wet). Dit doen zij op verzoek of uit eigen beweging meteen nadat de (nieuwe) feiten en omstandigheden bekend zijn.
Artikel 24. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
-
1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
-
2. Het college kan een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen;
- c.
de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten;
- d.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening;
- e.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;
- f.
de jeugdige en/of zijn ouder(s) met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder waarover twijfels over de integriteit zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 17, derde lid;
- g.
de jeugdige langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet.
- h.
de jeugdige en/of ouder(s) zich niet binnen 3 maanden na het besluit hebben gemeld bij de jeugdhulpaanbieder of het pgb hebben besteed aan het resultaat waarvoor het is verstrekt als bedoeld in artikel 7 lid 9
- a.
-
3. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.
-
4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.
-
5. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen
-
1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
-
2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
-
3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
-
1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
-
2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
-
3. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.
Hoofdstuk 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 27. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning
-
1. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 8, plaatsvindt.
-
2. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars, het zorgkantoor en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
-
3. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente.
-
4. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 3 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.
-
5. Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toeleiding naar algemene en individuele voorzieningen.
-
6. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(s) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
-
7. Het college draagt zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders te helpen toe te leiden naar de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - om deze belemmeringen weg te nemen.
Hoofdstuk 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
-
1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:
- a.
cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
- b.
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;
- c.
overheadkosten;
- d.
kosten voor indexering.
- a.
-
2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
-
3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
-
4. We bevorderen tariefdifferentiatie door bij de opbouw van het tarief onderscheid te maken op basis van verschil in kostenstructuur. Dit passen we specifiek toe bij het product behandeling individueel.
Hoofdstuk 9. CALAMITEITEN, KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 29. Calamiteiten
-
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
-
2. Het college kan in nadere regels bepalen welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 30. Klachtregeling
-
1. Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de manier van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening, volgens de bepalingen van de Verordening klachtenbehandeling gemeente Enschede.
Artikel 31. Inspraak beleid gemeente
-
1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, in het bijzonder jeugdigen en ouders, bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp volgens de Verordening Adviesraad Sociaal Domein of een daartoe vastgestelde opvolgende regeling.
-
2. Het college stelt de Bewoners Adviesraad Sociaal Domein (BAS) op tijd in de gelegenheid voorstellen te doen voor het beleid en advies uit te brengen bij de besluitvorming over beleidsvoorstellen over jeugdhulp. Het college voorziet hierbij de BAS van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.
Hoofdstuk 10. SLOTBEPALINGEN
Artikel 32. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
-
1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Enschede 2024, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.
-
2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Enschede 2024 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
-
3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening Jeugdhulp Enschede 2024 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening Jeugdhulp Enschede 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
-
4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de Verordening jeugdhulp Enschede 2024 te herzien:
- a.
op de gronden, vermeld in de Verordening Jeugdhulp Enschede 2024;
- b.
indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;
- c.
indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.
- a.
-
5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening Jeugdhulp Enschede 2024, terug te vorderen op de in deze verordeningen genoemde gronden.
-
6. De Verordening Jeugdhulp Enschede 2024 wordt ingetrokken.
Artikel 33. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige en/of ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan een onevenredig nadeel voor hen ontstaat.
Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Enschede 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 oktober 2025.
De voorzitter, R.W. Bleker
De griffier, J.J. Ligteringen
Noot
1Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg; wetten.nl - Regeling - Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 - BWBR0034547
Noot
2Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg; wetten.nl - Regeling - Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 - BWBR0034547
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl