Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746056
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746056/1
Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 35 en 36 Participatiewet en artikel 1.13 Wet kinderopvang;
b e s l u i t
vast te stellen de volgende beleidsregel:
Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2026
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1 Begrippen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Awb.
-
2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- b.
bijzondere bijstand: bijstand als bedoeld in artikel 35 Pw;
- c.
draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat belanghebbende moet aanwenden om zelf in de kosten te voorzien;
- d.
draagkrachtinkomen: het inkomen zoals dat geldt voor de algemene bijstand, dat hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;
- e.
Draagkrachtvermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Daarbij zijn de vrijlatingen zoals opgenomen in lid 2 van het artikel van toepassing
- f.
inkomen: het inkomen zoals bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 Pw;
- g.
IOAW: Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- h.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- i.
kinderopvangtoeslag: toeslag die aangevraagd wordt bij en uitgevoerd wordt door de Belastingdienst/Toeslagen;
- j.
Msnp: minnelijke schuldsanering natuurlijke personen;
- k.
Pw: Participatiewet;
- l.
tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang: tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang die kan worden aangevraagd bij het college;
- m.
Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen.
- a.
Artikel 1.2 Gebruik aanvraagformulier
Belanghebbende maakt voor het indienen van de aanvraag gebruik van een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
Artikel 1.3 Moment indienen aanvraag bijzondere bijstand
-
1. Een aanvraag bijzondere bijstand wordt uiterlijk 3 maanden vanaf de dag van het opkomen van de kosten ingediend. Reeds betaalde kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien de noodzaak en het moment van ontstaan objectief zijn vast te stellen en de aanvraag tijdig is ingediend.
-
2. Een aanvraag voor verlenging van bijzondere bijstand kan vanaf 2 maanden voor het verstrijken van de looptijd van de lopende voorziening worden ingediend of het college kan ambtshalve verlengen.
Artikel 1.4 Draagkracht
-
1. De draagkracht bedraagt 35% van het draagkrachtinkomen plus 100% van het draagkrachtvermogen.
-
2. Het vermogen zoals genoemd in artikel 34 pw wordt volledig in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht
-
3. Als sprake is van draagkracht uit inkomen, wordt bij het vaststellen van de draagkracht rekening gehouden met het niet of minder ontvangen van huurtoeslag en/of zorgtoeslag en/of kindgebonden budget vanwege het hogere inkomen. Het draagkrachtinkomen wordt hiermee gecompenseerd.
-
4. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen van 3 maanden voorafgaand aan de maand van aanvraag.
Artikel 1.5 Draagkracht bij schulden
-
1. Zit een belanghebbende in de WSNP of MSNP dan is geen sprake van draagkracht.
-
2. Mocht in een van de gevallen als bedoeld in het eerste lid sprake zijn van een partner die niet onder het eerste lid valt, dan telt het inkomen van deze partner volledig mee en wordt, voor het bepalen van het draagkrachtinkomen, de bijstandsnorm voor een alleenstaande als de van toepassing zijnde bijstandsnorm gehanteerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de mate waarin het inkomen van deze partner is verrekend bij de berekening van het vrij te laten bedrag van de partner in de schuldregeling.
-
3. Het deel van het inkomen waar beslag op ligt, telt niet mee voor de draagkracht.
Artikel 1.6 Draagkrachtverrekening
-
1. Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht in 1 keer met de bijzondere bijstand verrekend.
-
2. Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit vermogen en inkomen gezamenlijk vastgesteld op jaarbasis. Deze jaarlijkse draagkracht wordt gedeeld door twaalf, zodat een gemiddelde maandelijkse draagkracht ontstaat. Dit maandbedrag wordt vervolgens verrekend met de bijzondere bijstand gedurende de periode waarop de bijstand betrekking heeft.
Artikel 1.7 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand
-
1. De draagkracht wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld, beginnende op de 1ste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan.
-
2. De draagkracht kan voor een kortere of langere periode vastgesteld worden, als de periode waarop de kosten betrekking hebben of de situatie van belanghebbende daartoe aanleiding geeft.
-
3. In het geval de belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Pw, IOAW of IOAZ, wordt de draagkracht gedurende het recht op deze uitkering op nihil gezet.
-
4. De draagkracht wordt gedurende de in lid 1 genoemde periode niet herberekend, tenzij:
- a.
het een zodanige wijziging van inkomen is dat deze wijziging uit het oogpunt van bijstandsverlening niet buiten beschouwing gelaten kan worden;
- b.
het een wijziging van de gezinssituatie betreft die een normwijziging of beëindiging van de bijstand tot gevolg heeft.
- c.
er een wijziging in de vermogenssituatie is opgetreden, in zoverre dat de wijziging een overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens betekent. Dit is niet van toepassing als de vermogensgrens wordt overschreden door een geleidelijke aanwas van het vermogen; of
- d.
er een wijziging in de vermogenssituatie is opgetreden, waardoor belanghebbende een vermogen heeft dat valt onder het vrij te laten vermogen.
- a.
-
5. De toepassing van lid 3 onder a en b levert geen wijziging op ten aanzien van eerder in het draagkrachtjaar verstrekte bijzondere bijstand, maar enkel voor de periodieke bijzondere bijstand die nog verstrekt zal worden na de draagkrachtwijziging, maar enkel voor de periodieke bijzondere bijstand die nog verstrekt zal worden na de draagkrachtwijziging.
Artikel 1.8 Vorm bijzondere bijstand
-
1. De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt.
-
2. In afwijking van lid 1 wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van:
- a.
een renteloze lening in de gevallen die genoemd worden in artikel 48 lid 2 Pw of als het kosten van duurzame gebruiksgoederen, als bedoeld in artikel 51 Pw betreft;
- b.
een geldlening aan personen die woonkostentoeslag ontvangen én aan wie een krediethypotheek is verstrekt.
- a.
Artikel 1.9 Hoogte bijzondere bijstand
Onverminderd de draagkracht wordt de hoogte van de bijzondere bijstand, tenzij deze beleidsregels anders bepalen, individueel bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bijzondere bijstand niet meer bedraagt dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening.
Artikel 1.10 Drempelbedrag
Het college hanteert geen drempelbedrag.
Hoofdstuk 2. Medische kosten
Artikel 2.1 Uitgangspunten
De Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg en de daarmee samenhangende regelingen vormen een passende en toereikende voorliggende voorziening voor medische kosten, zodat voor medische kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, tenzij de beleidsregels anders bepalen.
Artikel 2.2 Medisch advies
-
1. Het college kan voor de beoordeling van de noodzaak van de verstrekking van bijzondere bijstand voor medische kosten een medisch advies aanvragen.
-
2. De belanghebbende verleent medewerking aan het medisch advies, zodat de externe adviseur in staat is om tijdig en zorgvuldig een advies te geven aan het college.
Artikel 2.3 Collectieve zorgverzekering
-
1. Voor deelname aan de collectieve zorgverzekering geldt dat:
- a.
het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en
- b.
het vermogen niet meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw.
- a.
-
2. Voor het bepalen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, als bedoeld in lid 1 onder a Pw, wordt de kostendelersnorm niet toegepast.
-
3. Een inkomenswijziging na toekenning van de bijzondere bijstand voor de kosten van de collectieve zorgverzekering, die beëindiging van de bijzondere bijstand tot gevolg heeft, heeft geen gevolgen voor het kalenderjaar waarvoor de bijzondere bijstand is toegekend.
-
4. Het college verstrekt bijzondere bijstand in een deel van de premiekosten van een door het college aangeboden collectief aanvullende verzekering.
-
5. De in het vorige lid genoemde bijzondere bijstand wordt door het college jaarlijks vastgesteld op basis van de premies voor deze verzekeringen
-
6. Bij een aanvraag voor deelname aan de collectieve zorgverzekering wordt de onderhoudsplicht van de ouders bij jongeren tot en met 20 jaar, artikel 12 Pw, niet onderzocht.
Artikel 2.4 Eigen risico
Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor het verplicht eigen risico in het kader van de Zorgverzekeringswet of voor de uit en vrijwillig gekozen hoger eigen risico voortkomende kosten.
Artikel 2.5 Vervoer naar ziekenhuis/medisch specialist in verband met een behandeling
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de kosten van het vervoer aan personen die deze vervoerskosten hebben vanwege de noodzaak van medische behandelingen in een ziekenhuis of een andere behandelingsinstelling in Nederland als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a.
de kosten van de behandeling waarvoor reiskosten worden gemaakt, worden vergoed op grond van de Jeugdwet, Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg;
- b.
het ziekenhuis of de instelling waar de behandeling plaatsvindt, is de dichtstbijzijnde optie voor de behandeling;
- c.
als reiskosten voortkomen uit de behandeling van een ten laste komend kind in het kader van de Jeugdwet, wordt de noodzaak van eigen vervoer onderbouwd.
- a.
-
2. Het college verstrekt alleen bijzondere bijstand voor reiskosten als de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer is. Bij een medische behandeling kan hiervan om medische of sociale reden gemotiveerd van worden afgeweken.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op basis van:
- a.
het reguliere openbaar vervoer tarief 2de klas voor het goedkoopst mogelijke traject; of
- b.
de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a lid 4 onder e Wet op de loonbelasting genoemde bedrag.
- a.
Artikel 2.6 Brillen en contactlenzen
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de kosten van een bril of contactlenzen op sterkte als de belanghebbende niet deelneemt aan de Collectieve Zorgverzekering.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand is hetgeen de persoon recht op zou hebben als hij wel zou deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering.
-
3. De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid geldt bij geen deelname aan de collectieve zorgverzekering de meest gunstige vergoeding op basis van pakket 2.
Artikel 2.7 Eigen bijdrage hoortoestellen
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand is hetgeen de persoon recht op zou hebben als hij wel zou deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering. Hierbij geldt de meest gunstige vergoeding op basis van pakket 2, zoals bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.
-
3. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de met een hoortoestel samenhangende kosten, zoals de kosten voor batterijen.
Artikel 2.8 Dieetkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de meerkosten van een dieet als het volgen van het dieet medisch noodzakelijk is.
Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van algemeen aanvaarde normen van kosten dieetvoeding.
Artikel 2.9 Tandheelkundige hulp
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de, ingevolge de Zorgverzekeringswet, verschuldigde eigen bijdrage voor een uitneembare prothetische voorziening voor de volledige boven- en/of onderkaak.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand is hetgeen de persoon recht op zou hebben als hij wel zou deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering. Hierbij geldt de meest gunstige vergoeding op basis van pakket 2, zoals bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.
-
3. Onder noodzakelijke tandartskosten, als bedoeld in lid 2, worden uitsluitend verstaan de tandartskosten die op grond van de collectieve aanvullende verzekering van CZ of VGZ voor vergoeding in aanmerking komen.
Artikel 2.10 Maaltijdvoorziening
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de maaltijdvoorziening die voorziet in een warme maaltijd als de belanghebbende niet in staat is zelf een warme maaltijd te bereiden.
-
2. De bijzondere bijstand wordt verleend voor 1 warme maaltijd per dag, dus maximaal 7 per week.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt voor alleenstaanden maximaal €80,- per maand en voor gehuwden macimaal €160,- per maand.
Artikel 2.11 Sociale alarmering
-
1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, indien de personenalarmering om medische of sociale redenen noodzakelijk is.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de laagste vergoeding vanuit de collectieve zorgverzekering meest gunstige vergoeding op basis van pakket 3. Pakket 3 zoals bedoeld in artikel 2.6, tweede lid
Artikel 2.12 Stookkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand voor energiekosten verstrekken als:
- a.
de energiekosten hoger zijn dan algemeen aanvaarde normen van stookkosten; en
- b.
de belanghebbende, als gevolg van een chronische ziekte of handicap, extra energiekosten moet maken.
- a.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de daadwerkelijke energiekosten minus algemeen aanvaarde normen van stookkosten. Daarnaast wordt bij de toekenning rekening gehouden met voorliggende voorzieningen op het gebied van tegemoetkoming in energiekosten.
Artikel 2.13 Bewassing en kledingslijtage
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de extra kosten van het wassen van kleding en kleding-slijtage, als de belanghebbende deze extra kosten moet maken als gevolg van een chronische ziekte of handicap.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de noodzakelijke extra kosten, voor zover deze hoger liggen dan de algemeen aanvaarde normen voor kosten van bewassing voor kleding.
Hoofdstuk 3. Reiskosten
Artikel 3.1 Algemene bepalingen reiskosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor reiskosten zoals in dit hoofdstuk weergegeven.
-
2. Het college kan bijzondere bijstand voor reiskosten verstrekken, als de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer bedraagt.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van het reguliere openbaar vervoer tarief 2de klas voor het goedkoopst mogelijke traject.
-
4. In afwijking van lid 3 wordt de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald op basis van de kortste route en een kilometervergoeding, die gelijk is aan het in artikel 13a lid 4, onder e Wet op de loonbelasting genoemde bedrag, als de belanghebbende met de auto reist.
Artikel 3.2 Reiskosten bezoek zieke familieleden
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor reiskosten die de belanghebbende maakt voor het in Nederland bezoeken van een ziek gezinslid of familielid in de 1ste graad.
-
2. De bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 wordt verleend vanaf het 5de bezoek tot en met het 12de bezoek per kalenderjaar.
-
3. In afwijking van lid 2 kan, als dit noodzakelijk wordt geacht, bijzondere bijstand worden verstrekt aan bloed- en aanverwanten tot en met de 2de graad.
Artikel 3.3 Reiskosten bezoek gedetineerden
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de reiskosten voor het bezoek aan een gedetineerde als:
- a.
de gedetineerde behoort tot het gezin van de belanghebbende;
- b.
de gedetineerde geen recht op verlof heeft; en
- c.
de instelling buiten de gemeente is gelegen, maar binnen Nederland.
- a.
-
2. De bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 wordt verleend voor het :
- a.
1x per maand bezoeken van de gedetineerde door de partner en de kinderen.
- b.
1x per maand bezoeken van het gedetineerde (pleeg)kind door de ouders en broers en zussen die tot het huishouden van de gedetineerde behoren.
- a.
-
3. Het college kan individueel bezien of een eenmalig bezoek per maand aan een gedetineerde broer of zus, met wie in gezinsverband werd geleefd, als noodzakelijk wordt aangemerkt.
Artikel 3.4 Reiskosten bezoek uit huis geplaatste kinderen
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor reiskosten:
- a.
voor het bezoek aan een uit huis geplaatst kind of kinderen;
- b.
die voortvloeien uit het halen of brengen van uit huis geplaatste kinderen.
- a.
-
2. Het college vergoedt deze reiskosten met een frequentie van maximaal 2 keer per maand, tenzij het geldende behandelplan anders bepaalt.
Artikel 3.5 Reiskosten schoolgaande kinderen
-
1. Bijzondere bijstand kan worden verstrekt aan een ouder met een ten laste komend kind en voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a.
het ten laste komend kind volgt onderwijs op meer dan 10 kilometer van de woning; en
- b.
het volgen van dit onderwijs is redelijkerwijs noodzakelijk.
- a.
-
2. Ondersteuning in de vorm van vervoer of een vergoeding op basis van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer wordt in ieder geval, maar niet uitsluitend, aangemerkt als passen en toereikende voorliggende voorziening.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt per maand, gedurende de periode van een schooljaar, berekend op basis van:
- a.
het reguliere openbaar vervoer tarief 2de klas voor het goedkoopst mogelijke traject; of
- b.
de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a lid 4 onder e Wet op de loonbelasting genoemde bedrag.
- a.
-
4. In afwijking op lid 3 wordt de vergoeding toegekend van begin schooljaar tot en met de maand waarin het ten laste komend kind 18 jaar wordt.
Artikel 3.6 Reiskosten deelname inburgeringsaanbod
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken aan een inburgeraar die voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a.
de inburgeraar maakt gebruik van het inburgeringsaanbod op meer dan 10 kilometer van de woning; en
- b.
het volgen van dit inburgeringsaanbod is redelijkerwijs noodzakelijk.
- a.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt per maand berekend op basis van:
- a.
het reguliere openbaar vervoer tarief 2de klas voor het goedkoopst mogelijke traject; of
- b.
de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a lid 4 onder e Wet op de loonbelasting genoemde bedrag.
- a.
Hoofdstuk 4. Woonkosten
Artikel 4.1a Duurzame gebruiksgoederen
-
1. In dit artikel en artikel 4.1b wordt verstaan onder:
- a.
duurzame gebruiksgoederen: gebruiksgoederen die bestemd zijn voor een duurzaam gebruik, zoals een computer/laptop, diepvries, internetaansluiting, koelkast, televisie, wasdroger, wasmachine, bed, matras en bankstel;
- b.
overige inrichtingskosten: de kosten van inrichting, die geen betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen, zoals de kosten van behang, gordijnen, verf en vloerbedekking;
- c.
klein appartement: een appartement met maximaal 2 slaapkamers;
- d.
Tiny house: Een tiny house is een compacte woning van maximaal 50 m²
- a.
-
2. Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan het college bijzondere bijstand verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen.
-
3. Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel in de vorm van een geldlening verstrekt.
-
4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de actueel opgenomen bedragen in de Nibud-prijzengids in tabel 2.1A en 2.1B minus het bedrag voor stoffering:
- a.
de tabel 2.1A wordt gehanteerd voor bij een alleenstaande en tabel 2.1B bij gehuwden;
- b.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 50% als sprake is van zelfstandige bewoning van een woning;
- c.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 40% als sprake is van een klein appartement;
- d.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 30% als sprake is van een tiny house;
- e.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 20% als sprake is van kamerbewoning;
- f.
Voor zover de tabellen er niet in voorzien, wordt daarbovenop voor inwonend kind maximaal € 600,- extra gerekend.
- a.
-
5. De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag is gelijk aan 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.
-
6. De aflostermijn is 36 maanden. Als alle termijnen zijn voldaan wordt het restant van de lening kwijtgescholden.
Artikel 4.1b Overige inrichtingskosten
-
1. Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan het college bijzondere bijstand verstrekken voor overige inrichtingskosten.
-
2. Bijzondere bijstand voor overige inrichtingskosten wordt om niet verstrekt.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de actueel opgenomen bedragen in de Nibud-prijzengids in tabel 2.1A en 2.1B betreffende stoffering:
- a.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 100% als sprake is van zelfstandige bewoning van een woning;
- b.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 40% als sprake is van een klein appartement;
- c.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 30% als sprake is van een tiny house;
- d.
het percentage van het totaalbedrag bedraagt maximaal 20% als sprake is van kamerbewoning;
- a.
-
4. Bij het betrekken van een nieuwbouwwoning kan een hoger bedrag voor inrichtingskosten worden verstrekt van €750,- voor de meerkosten die een casco nieuwbouwwoning oplevert.
-
5. Bij het betrekken van een tiny house of klein appartement dat casco wordt opgeleverd, kan een aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt van maximaal € 500,- voor de meerkosten die een casco woning oplevert.
Artikel 4.2 Verhuiskosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor verhuiskosten als sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
2. De werkelijke kosten worden vergoed, waarbij als uitgangspunt geldt: verhuizen door het eigen netwerk.
-
3. Als een eigen netwerk ontbreekt, worden de kosten van een erkende verhuizer vergoed. Voordat tot een vergoeding wordt overgegaan, vraagt belanghebbende een offerte op bij 2 verschillende verhuisbedrijven.
Artikel 4.3 Eerste maand huur en administratiekosten
Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten voor de eerste maand huur en administratiekosten als de verhuizing noodzakelijk is.
Artikel 4.4 Berekening woonkostentoeslag huurders
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de woonkosten van een huurwoning, als de belanghebbende geen aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag en de huur niet hoger is dan de maximale huurgrens in de Wet op de huurtoeslag.
-
2. Bij bewoning van een recreatiewoning wordt geen woonkostentoeslag verleend, tenzij sprake is van een ontheffing voor bewoning.
-
3. De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in lid 1 is gelijk aan de hoogte van maximale huurtoeslag waar anders recht op zou zijn.
-
4. In afwijking van de vorige leden kan het college, als de woonkosten hoger zijn dan de maximum huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, op grond van individuele omstandigheden een (aanvullende) woonkostentoeslag verlenen, waarbij de hoogte hiervan wordt bepaald op de woonkosten minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens.
-
5. De woonkostentoeslag als bedoeld in lid 3 en 4 wordt toegekend voor maximaal 1 jaar en de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huis- vesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Verlening van deze termijn met maximaal 1 jaar is mogelijk als door belanghebbende aantoonbaar is gezocht naar andere woonruimte.
Artikel 4.5 Berekening woonkostentoeslag huiseigenaren
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de woonkosten van een eigen woning, waarbij alleen de volgende woonkosten voor deze woonkostentoeslag in aanmerking komen:
- a.
de hypotheekrente;
- b.
de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom;
- c.
een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud.
- a.
-
2. De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in lid 1 is gelijk aan de hoogte van maximale huurtoeslag waar anders recht op zou zijn.
-
3. In afwijking van de vorige leden kan het college, als de woonkosten hoger zijn dan de maximum huurgrens in de Wet op de huurtoeslag, op grond van individuele omstandigheden een (aanvul- lende) woonkostentoeslag verlenen, waarbij de hoogte hiervan wordt bepaald op de woonkosten minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens.
-
4. De woonkostentoeslag wordt toegekend voor maximaal 1 jaar en de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Verlenging van deze termijn met maximaal 1 jaar is mogelijk als door belanghebbende aantoonbaar is gezocht naar andere woonruimte.
-
5. De woonkostentoeslag wordt verstrekt als voorschot. De woonkostentoeslag wordt vastgesteld na overlegging van de definitieve aanslag inkomstenbelasting IB/PVV.
Artikel 4.6 Doorbetaling vaste lasten bij opname in inrichting
-
1. Voor de kosten van het aanhouden van een woning bij tijdelijk verblijf in een inrichting kan bijzondere bijstand worden verleend.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de netto woonkosten.
-
3. Als belanghebbende de intentie heeft terug te keren naar de woning, kunnen de vaste lasten gedurende een periode van maximaal 12 maanden doorbetaald worden. Deze periode kan nog eenmaal verlengd worden met een periode van 6 maanden als daarvoor dringende redenen zijn.
-
4. Als vooraf bekend is dat de opname langer duurt of de belanghebbende heeft niet de intentie terug te keren, kan bijstandsverlening plaatsvinden voor maximaal 3 maanden als dit nodig is.
Hoofdstuk 5 Bewind, mentorschap, curatele en juridische kosten
Artikel 5.1 Kosten rechtsbijstand
-
1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat en het griffierecht als de procedure noodzakelijk is.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, waarbij een eventuele misgelopen korting, op grond van artikel 2 lid 6 Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.
Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap
-
1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, curatele of mentorschap als de noodzaak daartoe is vastgesteld door de kantonrechter.
-
2. De bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag zoals genoemd in de Regeling beloning curatoren bewindvoerders en mentoren, tenzij de rechter anders bepaalt.
-
3. In afwijking van artikel 1.5 wordt de draagkracht voor de kosten van bewindvoering in de volgende situatie op nihil gesteld indien:
- 1.
Belanghebbende onder bewind is gesteld;
- 2.
Er is sprake van bewind met schulden; én
- 3.
De consulent schuldhulpverlening van de gemeente oordeelt dat inzet van bijzondere bijstand noodzakelijk is om tot een schuldregeling te kunnen komen.
- 1.
-
4. De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor maximaal 12 maanden gerekend vanaf de datum van de beschikking tot onderbewindstelling.
Artikel 5.3 Kosten beheer PGB
Het college verstrekt uitsluitend bijzondere bijstand voor de kosten van het beheer van een Persoonsgebonden budget als de noodzakelijke zorg voor belanghebbende niet in natura beschikbaar is.
Hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand jongeren
Artikel 6.1 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen
-
1. Het college kan, onverminderd artikel 12 Pw, bijzondere bijstand verstrekken aan personen van 18, 19 of 20 jaar als deze persoon uitwonend is en:
- a.
de ouders zijn overleden;
- b.
de ouders duurzaam in het buiteland, zijnde buiten een land binnen de EU-EER verblijven;
- c.
sprake is van een aantoonbare ernstig verstoorde relatie tussen de ouders en de jongere, waardoor de jongere aantoonbaar zijn ouders niet op hun onderhoudsplicht kan aanspreken; of
- d.
de ouders aantoonbaar niet kunnen bijdragen in de kosten.
- a.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand, als bedoeld in het lid 1, voor jongeren niet in een inrichting is gelijk aan het verschil tussen de van toepassing zijnde jongerennorm en het bedrag dat een 21-jarige in dezelfde situatie zou krijgen.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand, als bedoeld in lid 1, voor jongeren wel in een inrichting wordt bepaald aan de hand van de individuele situatie en bedraagt minimaal 75% van de norm van een alleenstaande van 21 jaar en ouder in een inrichting en maximaal 100% van de norm van een alleenstaande van 21 jaar en ouder in een inrichting.
Hoofstuk 7. Kosten kinderopvang
Artikel 7.1 Doelgroep
-
1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang voor de noodzakelijke kosten voor kinderopvang als aanvulling op de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt verstrekt.
-
2. Voor de noodzakelijke kosten van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie (SMI), is de Beleidsregel tegemoetkoming kinderopvang SMI van toepassing.
Artikel 7.2 Beoordeling aanvraag
Voordat het college beslist op de aanvraag wordt eerst beoordeeld in hoeverre het eigen netwerk of voorliggende voorzieningen kunnen bijdragen aan de opvang van het kind/de kinderen.
Artikel 7.3 Hoogte en duur van de bijzondere bijstand
-
1. De tegemoetkoming vult de kinderopvangtoeslag aan tot ten hoogste de werkelijk gemaakte kosten aan noodzakelijke geachte kinderopvang.
-
2. De tegemoetkoming wordt niet toegekend voor meer uren dan waarvoor kinderopvangtoeslag van het rijk wordt ontvangen als er recht bestaat op kinderopvangtoeslag.
-
3. De tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald na ontvangst van de factuur van het kinderopvangcentrum of het gastouderbureau en na controle van de aangevraagd kinderopvangtoeslag van het rijk.
-
4. De ouder verstrekt binnen 4 weken na afloop van de in het vorige lid bedoelde periode of uiterlijk na een kalenderjaar de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst en de jaaropgave van de kinderopvangorganisatie of gastouderbureau. Aan de hand hiervan wordt de bijzondere bijstand definitief vastgesteld.
-
5. De tegemoetkoming wordt per kalenderjaar toegekend.
Hoofdstuk 8. Schuldhulpverlening
Artikel 8.1 Opstartkosten budgetbeheer
In bijzondere gevallen, onderbouwd met een verzoekschrift vanuit de afdeling schuldhulpverlening, waaruit blijkt dat belanghebbende gemotiveerd is om het traject van schuldhulpverlening te doorlopen, verstrekt het college bijzondere bijstand voor de kosten die zijn voor het opstarten van budgetbeheer.
Hoofdstuk 9. Overige kosten
Artikel 9.1 Uitvaartkosten
-
1. Het college kan aan de belanghebbende die als erfgenaam wordt aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uitvaartkosten als de nalatenschap of uitvaartverzekering geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval zal zijn.
-
2. Als de partner van de overledene bijzondere bijstand aanvraagt, wordt ervan uitgegaan dat deze de enige erfgenaam is. In andere gevallen worden de totale uitvaartkosten evenredig verdeeld over het aantal erfgenamen.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal € 6.500,-.
Artikel 9.2 Babyuitzet
-
1. Het college kan in zeer uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van een babyuitzet als het gaat om een eerste babyuitzet, waarvoor de inwoners niet hebben kunnen reserveren.
-
2. Het college verleent in het kader van lid 1 bijzondere bijstand als een belanghebbende voor ten minste 6 maanden voor de aanvraag een inkomen heeft gehad op de toepasselijke bijstandsnorm.
-
3. Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van algemeen aanvaarde normen van kosten voor een baby uitzet.
Hoofdstuk 10. Individuele inkomenstoeslag
Artikel 10.1 Nadere regels individuele inkomenstoeslag
In aanvulling op hoofdstuk 2 van de Verordening Participatiewet 2015 geldt:
- 1.
Belanghebbende heeft uitzicht op inkomensverbetering als in de periode van 2 maanden na de peildatum naar verwachting algemeen geaccepteerde arbeid zal worden aangeboden of verworven met een hoger loon dan de bijstandsnorm.
- 2.
Geen individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt als belanghebbende gedurende de referteperiode geen of onvoldoende inspanningen heeft verricht.
- 3.
Geen recht op individuele inkomenstoeslag heeft de belanghebbende die gedurende de referteperiode uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of heeft gevolgd.
Hoofstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1 Hardheidsclausule
Het college kan in specifieke, bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze beleidsregel als onverkorte toepassing hiervan gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 11.2 Inwerkingtreding, citeertitel en intrekken oude beleidsregel
-
1. Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2026” en treedt op 1-1-2026 in werking.
-
2. De Beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2024 worden gelijktijdig met de inwerkingtreding uit lid 1 van dit artikel ingetrokken.
Artikel 11.3 Overgangsrecht
-
1. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de oude beleidsregel totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
-
2. Aanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden afgehandeld conform de Beleidsregel bijzondere bijstand Bladel 2024, tenzij deze beleidsregel voordeliger is.
Ondertekening
Aldus besloten in de vergadering van het college van op 30 september 2025
burgemeester en wethouders van Bladel,
de secretaris,
de burgemeester,
Toelichting beleidsregels bijzondere bijstand Bladel 2026
Artikel 1.3 Moment indienen aanvraag bijzondere bijstand
Lid 1: Opkomende kosten zijn onverwachte uitgaven die pas duidelijk worden als ze betaald moeten worden, bijvoorbeeld na een factuur of medisch advies. Dat is meestal het moment waarop er ook echt betaald moet worden. Als het redelijk is dat iemand dit eerder niet kon voorzien of begrijpen, dan geldt het moment waarop het wél duidelijk werd als beginpunt voor de beoordeling van de kosten.
Kosten die al zijn voldaan: Kosten die al zijn betaald vóór de aanvraag kunnen worden vergoed, mits de noodzaak en het moment van opkomen objectief aantoonbaar zijn en de aanvraag binnen de gestelde termijn is ingediend. Belangrijk dat wordt uitgelegd waarom de aanvraag niet eerder gedaan kon worden, bijvoorbeeld: Ziekte of opname, Gebrek aan informatie of begeleiding, Bewindvoering of andere persoonlijke omstandigheden
Lid 2: een ambtshalve verlenging kan alleen als belanghebbende toestemming heeft gegeven om zijn gegevens te mogen raadplegen. Zonder aanvraag is er anders geen wettelijke basis om de gegevens in te zien.
Artikel 1.4 Draagkracht
Lid 2: het vermogen in een eigen bewoonde woning blijft geheel buiten beschouwing. Vermogen in onroerend goed dat niet het hoofdverblijf is van de belanghebbende, wordt voor 100% als draagkracht meegerekend.
Lid 3: Rekenvoorbeeld
Situatie: Alleenstaande ouder met één kind Netto maandinkomen: € 2.400 Geen vermogen Bijstandsnorm (alleenstaande ouder): € 1.750. 120% van de bijstandsnorm: € 2.100
Weggevallen toeslagen door hoger inkomen:
- •
Huurtoeslag: € 210
- •
Zorgtoeslag: € 123
- •
Kindgebonden budget: € 85
Totaal gemis aan toeslagen: € 418
Draagkrachtinkomen:
We corrigeren het inkomen direct met het gemis aan toeslagen:
€ 2.400 − € 418 = € 1.982
Inkomen boven 120% norm
Vergelijk het gecorrigeerde inkomen met 120% van de bijstandsnorm:
€ 1.982 − € 2.100 = –€118
Het gecorrigeerde inkomen ligt onder de 120% norm, dus er is geen inkomen boven de norm.
Draagkrachtberekening
Draagkracht = 35% van het inkomen boven de norm
35% van € 0 = € 0
Vergelijking met ongewijzigd inkomen
Zonder correctie voor toeslagen zou het inkomen boven de norm zijn:
€ 2.400 − € 2.100 = € 300
Draagkracht = 35% van € 300 = € 105
Artikel 1.5 Draagkracht bij schulden
Lid 2. rekenvoorbeeld
Situatie:
Gehuwd stel:
- ○
Partner A zit in de WSNP → heeft geen draagkracht
- ○
Partner B heeft geen schulden → inkomen telt volledig mee
- •
Netto maandinkomen Partner B: € 1.950
- •
Aanvraagdatum bijzondere bijstand: 14 januari 2024
- •
Draagkrachtperiode: 1 januari 2024 t/m 1 januari 2025
- •
Toepasbare bijstandsnorm: alleenstaande norm = € 1.150
- •
120% van alleenstaande norm: € 1.380
Inkomen boven de norm:
- •
Inkomen Partner B: € 1.950
- •
120% norm: € 1.380
- •
Inkomen boven norm: € 1.950 − € 1.380 = € 570
Draagkracht uit inkomen:
- •
35% van € 570 = € 199,50
Eventueel correctie voor toeslagen:
- •
Stel dat Partner B door het hogere inkomen geen recht meer heeft op toeslagen berekenen zoals artikel 1.4 lid 3.
Uitleg gebruik individuele norm ipv gehuwdennorm in het geval de partner niet in een schuldregeling zit:
De alleenstaande norm sluit aan bij de vtlb-berekening, die uitgaat van een individueel bestaansminimum. Zou je de gehuwdennorm gebruiken, dan wordt het inkomen van de partner onterecht meegerekend. Alleen de persoon in de schuldregeling is juridisch verantwoordelijk voor het aflossen van schulden. De partner is dat niet. Als je het inkomen van de partner meeneemt alsof het gezamenlijke draagkracht is, dan verleg je de financiële verantwoordelijkheid naar iemand die daar formeel niet toe verplicht is.
Lid 3: inkomen waarop beslag ligt kan bij de draagkrachtbepaling in verband met een aanvraag om bijzondere bijstand, niet in aanmerking worden genomen. Zie CRvB 19-1-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:110.
Het college kan bij de draagkrachtvaststelling namelijk alleen inkomsten en vermogen in aanmerking nemen die feitelijk kunnen worden aangewend om te voorzien in de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd. Uit artikel 35 lid 1 Pw volgt namelijk dat beoordeeld moet worden of de belanghebbende de kosten kan voldoen uit de beschikbare middelen.
In het kader van de draagkrachtvaststelling kan niet worden gezegd dat de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd. Hij kan dat inkomensdeel niet feitelijk besteden. En hij is ter zake niet beschikkingsbevoegd. En hij kan ook niet de beslagene aanspreken om het bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen.
Artikel 1.7 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand
Lid 1: als op 12 april een aanvraag wordt ingediend, begint het draagkracht te lopen vanaf 1 april.
Lid 2: De draagkracht kan voor een kortere of langere periode worden vastgesteld als:
De kosten een eenmalig of juist langdurig karakter hebben zoals medische kosten vs. bewindvoering. De inkomenssituatie van belanghebbende verandert bijv. start werk, pensioen, wisselend inkomen. Er sprake is van een wijziging in gezinssamenstelling.
Lid 4 onder a: met een zodanige wijziging wordt bedoeld een wijziging waardoor het bedrag bijzondere bijstand wijzigt met meer dan €,5,-
Hoofdstuk 2. Medische kosten
Artikel 2.1 Uitgangspunten
Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor zover een andere wet de kosten vergoed of deze kosten als niet noodzakelijk heeft aangemerkt. Als voorbeeld: het college verstrekt dus geen bijzondere bijstand voor kosten voor zover de kosten worden vergoed door de (aanvullende) zorgverzekering.
Artikel 2.2 Medisch advies
Lid 2: aangezien het een bijstandsaanvraag betreft heeft de belanghebbende de inlichtingenplicht, artikel 17 lid 1 Pw, en de medewerkingsplicht, artikel 17 lid 2 Pw.
Artikel 2.3 Collectieve zorgverzekering
Bijzondere bijstand voor de kosten van de collectieve zorgverzekering is een vorm van categoriale bijzondere bijstand, artikel 35 lid 3 Pw. Voor toepassing daarvan gelden de voorwaarden zoals ze staan in dit artikel.
Lid 3: het begrip inkomenswijziging moet breed worden geïnterpreteerd. Het gaat om een wijziging in inkomen, maar ook om een wijziging in leefvorm/gezinssituatie..
Voorbeeld: als iemand naar inrichting gaat en daarmee boven de norm komt, dan valt dit onder de situatie van sprake van een inkomenswijziging en heeft het geen gevolgen voor dat kalenderjaar.
We hanteren een hier een kalenderjaar omdat het gaat om een categoriale bijzondere bijstand voor de collectieve zorgverzekering en een belanghebbende gedurende een kalenderjaar niet kan overstappen naar een andere zorgverzekering.
Lid 4+5: De hoogte van de gemeentelijke bijdrage wordt jaarlijks vastgesteld door de colleges na bekendmaking van de premies. De kosten van de pakketten en de premies worden jaarlijks op de website gepresenteerd.
Artikel 2.5 Vervoer naar ziekenhuis/medisch specialist in verband met een behandeling
Lid 1 onder b: een verklaring van een specialist dat de behandeling in een bepaald ziekenhuis of andere behandelingsinstelling noodzakelijk is, is voldoende om deze voorwaarde vast te stellen.
Lid 2: de afstand wordt bepaald vanaf het woonadres tot aan de plaats van bestemming. Het gaat om de kortste route. Bij een kilometervergoeding wordt er gebruikt gemaakt van de ANWB routeplanner. Bij een vergoeding van het openbaar vervoer wordt er gebruikt van OV 9292.
Artikel 2.6 Brillen en contactlenzen
Lid 2: Bijzondere bijstand is enkel mogelijk voor de belanghebbende die niet deelneemt aan de Collectieve Zorgverzekering. En enkel voor de hoogte van hetgeen de CZV zou vergoeden. Als de CZV bijvoorbeeld een bril vergoedt á €130,- per 2 jaar, dan kan een belanghebbende dit bedrag per 2 jaar aan bijzondere bijstand ontvangen.
Artikel 2.7 Eigen bijdrage hoortoestellen
Bijzondere bijstand is enkel mogelijk voor de belanghebbende die niet deelneemt aan de Collectieve Zorgverzekering. En enkel voor de hoogte van hetgeen de CZV zou vergoeden. Als de CZV bijvoorbeeld een gehoortoestel vergoedt á €450,- per 5 jaar, dan kan een belanghebbende dit bedrag per 5 jaar aan bijzondere bijstand ontvangen.
Artikel 2.8 Dieetkosten
Lid 1: de noodzaak kan worden vastgesteld door een verklaring van een arts of medisch specialist.
Lid 2 De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op basis van de Nibud Prijzengids.
Artikel 2.9 Tandheelkundige hulp
Lid 2: Bijzondere bijstand is enkel mogelijk voor de belanghebbende die niet deelneemt aan de Collectieve Zorgverzekering. En enkel voor de hoogte van hetgeen de CZV zou vergoeden. Als de CZV bijvoorbeeld 75% van de kosten dekt voor een prothetische voorziening voor de onderkaak van €637,50,- per 5 jaar, dan kan een belanghebbende dit bedrag per 5 jaar aan bijzondere bijstand ontvangen.
Artikel 2.10 Maaltijdvoorziening
Lid 1: een verklaring van een deskundige kan duidelijk maken dat een belanghebbende niet in staat is om zelf een warme maaltijd voor te bereiden. Mogelijk kan dit aan de hand van gegevens die de consulent heeft ook worden vastgesteld.
Lid 2: Onder een warme maaltijd wordt verstaan: een volwaardige, bereide maaltijd die bestaat uit meerdere componenten. De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de maaltijd als geheel, ongeacht het aantal gangen, het maximum aantal gangen is 3 (voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht).
Lid 3: bij de bedragen genoemd in dit lid is al rekening gehouden met het betalen van een eigen bijdrage per maaltijd.
Artikel 2.12 Stookkosten
Lid 1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de energiekosten, indien de energiekosten hoger zijn dan de door het Nibud vastgestelde gemiddelde energiekosten (in de Nibud prijzengids) en de belanghebbende als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra energiekosten moet maken.
Lid 2 De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de daadwerkelijke energiekosten minus de door het Nibud vastgestelde gemiddelde energiekosten (zie Nibud prijzengids)
Artikel 2.13 Bewassing en kledingslijtage
Lid 1: om vast te stellen of de belanghebbende hier recht op heeft, is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk waaruit blijkt dat de belanghebbende extra kosten heeft met betrekking hierop door een chronische ziekte of handicap.
Lid 2: De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op de noodzakelijke extra kosten, voor zover deze hoger liggen dan de door het Nibud vastgestelde kosten voor bewassing en kleding.
Hoofdstuk 3. Reiskosten
Artikel 3.1 Algemene bepalingen reiskosten
Lid 2: de afstand wordt bepaald vanaf het woonadres tot aan de plaats van bestemming. Het gaat om de kortste route. Bij een kilometervergoeding wordt er gebruikt gemaakt van de ANWB routeplanner. Bij een vergoeding van het openbaar vervoer wordt er gebruikt van OV 9292.
Artikel 3.2 Reiskosten bezoek zieke familieleden
Lid 2: de reiskosten voor de eerste 4 bezoeken en vanaf het 13de bezoek per kalenderjaar komen voor eigen rekening van de belanghebbende.
Artikel 3.3 Reiskosten bezoek gedetineerden
Algemeen: met gezin, huishouden en wonen in gezinsverband wordt bedoeld: degene die in het huishouden woont. Het gaat om eerstegraad kinderen en pleegkinderen. Ook niet ten laste komende kinderen vallen hieronder als zij voor de detentie in het huis woonde.
Lid 2 onder a: de partner is de volwassen persoon met wie de gedetineerde een relatie onderhoudt en die is ingeschreven in de BRP op het (voormalige) adres van de gedetineerde, dan wel de ouder van de kinderen.
Artikel 3.4 Reiskosten bezoek uit huis geplaatste kinderen
Het gaat hier niet om reiskosten met betrekking tot een omgangsregeling bij co-ouderschap.
Hoofdstuk 4. Woonkosten
Artikel 4.1a Duurzame gebruiksgoederen
Lid 1:
- -
de opsomming van de voorbeeld is niet limitatief. Ook andere gebruiksgoederen kunnen hieronder vallen.
- -d.
definitie Tiny house:
- 1.
is een kleine woning met een gebruiksoppervlakte van maximaal 50 vierkante meter
- 2.
heeft een maximale grondoppervlakte van 35 vierkante meter
- 3.
is verplaatsbaar/verrijdbaar, heeft in elk geval geen vaste fundering
- 4.
is vrijstaand in een gedeelde buitenruimte
- 5.
heeft een minimale ecologische footprint
- 6.
is maximaal zelfvoorzienend
- 1.
Lid 2: in beginsel verstrekt het college geen bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. In afwijking kan het college bij bijzondere omstandigheden toch bijzondere bijstand verstrekken. Het niet kunnen reserveren als gevolg van schulden is geen op zichzelf staande bijzondere omstandigheid.
Bijzondere omstandigheid:
Een situatie die afwijkt van het normale levensverloop en waarin de betrokkene redelijkerwijs niet in staat was vooraf te reserveren voor noodzakelijke kosten. Dit kan het gevolg zijn van externe factoren zoals een plotselinge calamiteit, een gedwongen verhuizing, een instellingsverleden, of een acute medische of sociale noodzaak. De omstandigheid moet objectief vaststelbaar zijn, niet verwijtbaar, en buiten de invloedssfeer van de betrokkene liggen
Lid 4: bij het hanteren van de NIBUD-richtlijnen voor een inventarispakket/inboedelpakket wordt rekening gehouden dat belanghebbende gebruik kan maken van een kringloopwinkel, actieprijzen en aanbiedingen van particulieren op advertentiesites.
Het witgoed (wasmachine, koelkast, kookplaat en stofzuiger) worden in beginsel nieuw aangeschaft.
Onder e: onder inwonende kinderen worden verstaan ten laste komende kinderen en meerderjarige inwonende kinderen. Hebben de meerderjarige kinderen een eigen gezin die meekomen in de woning, moet er worden gekeken of zij een eigen aanvraag moeten indienen.
Lid 6: het verlenen van uitstel/opschorten van een betalingsverplichting wordt niet aangemerkt als voldoen aan een termijn.
Artikel 4.1b Overige inrichtingskosten
Lid 1: in beginsel verstrekt het college geen bijzondere bijstand voor overige inrichtingskosten, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. In afwijking kan het college bij bijzondere omstandigheden toch bijzondere bijstand verstrekken. Het niet kunnen reserveren als gevolg van schulden is geen op zichzelf staande bijzondere omstandigheid.
Bijzondere omstandigheid:
Een situatie die afwijkt van het normale levensverloop en waarin de betrokkene redelijkerwijs niet in staat was vooraf te reserveren voor noodzakelijke kosten. Dit kan het gevolg zijn van externe factoren zoals een plotselinge calamiteit, een gedwongen verhuizing, een instellingsverleden, of een acute medische of sociale noodzaak. De omstandigheid moet objectief vaststelbaar zijn, niet verwijtbaar, en buiten de invloedssfeer van de betrokkene liggen
Lid 3. c. definitie Tiny house:
- 1.
is een kleine woning met een gebruiksoppervlakte van maximaal 50 vierkante meter
- 2.
heeft een maximale grondoppervlakte van 35 vierkante meter
- 3.
is verplaatsbaar/verrijdbaar, heeft in elk geval geen vaste fundering
- 4.
is vrijstaand in een gedeelde buitenruimte
- 5.
heeft een minimale ecologische footprint
- 6.
is maximaal zelfvoorzienend
Lid 4: de bijdrage van €750,- kan ook besteed worden aan een erfafscheiding. Op het aanvraagformulier moet duidelijk worden gemaakt dat het om een nieuwbouwwoning gaat.
Lid 5: de bijdrage kan ook besteed worden aan een erfafscheiding, op het aanvraagformulier moet duidelijk worden gemaakt dat het om een nieuwbouwwoning gaat.
Artikel 4.2 Verhuiskosten
Verhuiskosten zijn o.a. kosten die een huurder moet maken als hij zijn woning moet opleveren.
Lid 1: het college verstrekt in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten van een verhuizing, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een noodzakelijke verhuizing als sprake is van bijzondere omstandigheden. De verhuizing moet noodzakelijk zijn, voorbeelden van mogelijke factoren die verhuizen buiten de eigen wil kunnen veroorzaken: medische redenen, sociale noodzaak of beëindiging van opvang. Het college beoordeelt per situatie of de verhuizing niet vermijdbaar was en of er geen andere voorzieningen beschikbaar zijn.
Artikel 4.4 Berekening woonkostentoeslag huurders
Lid 1: dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als om een recreatiewoning gaat of het geen zelfstandige woonruimte betreft of de belanghebbende nog niet de 23-jarige leeftijd heeft bereikt.
Artikel 4.5 Berekening woonkostentoeslag huiseigenaren
Lid 1 onder b: de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom zijn zaken zoals: rioolrechten, het eigenaarsdeel waterschapslasten, het erfpachtcanon, de premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen) en het eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel);
Hoofdstuk 5. Bewind, mentorschap, curatele en juridische kosten
Artikel 5.1 Kosten rechtsbijstand
Lid 1: de procedure is in ieder geval noodzakelijk als de belanghebbende een toevoeging van een advocaat door de Raad van Rechtsbijstand heeft. Als deze toevoeging niet aanwezig is, dan moet de toets van noodzakelijkheid worden gedaan op grond van artikel 35 Pw.
Lid 2: als de belanghebbende de korting, zoals die staat in artikel 2 lid 6 Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, heeft misgelopen. Krijgt hij geen bijzondere bijstand voor deze misgelopen korting.
Artikel 5.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap
Lid 1: Bankkosten voor de beheerrekening kunnen in aanmerking komen voor bijstandsverlening. Deze kosten zijn noodzakelijk, omdat een belanghebbende een bankrekening nodig heeft. De bewindvoerder moet bij de start van het beschermingsbewind een beheerrekening openen, zoals vermeld in artikel 1:436 lid 4 BW.
Het openen en het aanhouden van deze rekening is direct gerelateerd aan de beschermingsbewindpositie.
Lid 2: de bedragen genoemd in de regeling zijn inclusief BTW. Als een stichting de bewindvoering, curatele of mentorschap uitvoert, dan is vergoedt het college de bedragen exclusief BTW.
Artikel 5.3 Kosten beheer PGB
Vanuit de Wmo heb je keuzevrijheid om te kiezen voor een PGB of ZIN. Deze keuzevrijheid mag niet worden afgewenteld op de bijstand. Vandaar deze bepaling.
Kosten van beheer van een PGB omvatten administratieve ondersteuning, het opstellen van zorgovereenkomsten en declaraties, en hulp bij verantwoording richting SVB of gemeente. Ook kosten voor een bewindvoerder of budgetbeheerder vallen hieronder.
Hoofstuk 7, Kosten kinderopvang
Artikel 7.1 Doelgroep
Lid 1: dit houdt in dat belanghebbende recht moet hebben op de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst en moet voldoen aan de voorwaarden zoals die gesteld zijn in artikel 1.6 lid 1 onder c, e, f, g of je Wet kinderopvang.
Artikel 7.3 Hoogte en duur van de bijzondere bijstand
Lid 1: voor de maximale hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de maximale uurprijs voor kinderopvang zoals deze is opgenomen in het Besluit kinderopvangtoeslag.
Hoofdstuk 8. Schuldhulpverlening
Artikel 8.1 Opstartkosten budgetbeheer
De kosten voor het opstarten van budgetbeheer zijn bedoeld als basisbedrag als de belanghebbende niet kan beschikken over liquide geldelijke middelen om bijvoorbeeld lopende reserveringen in te vullen of eerste, kleine extra uitgaven te voldoen.
Hoofdstuk 9. Overige kosten
Artikel 9.7 Uitvaartkosten
Lid 1: erfgenaam
Definitie: Erfgenamen zijn personen die een erfenis ontvangen. Dat kan wettelijk (familie in vaste volgorde) of via een testament (bijvoorbeeld vrienden of goede doelen). Een erfenis kun je aanvaarden (zuiver of beneficiair) of verwerpen.
Artikel 9.2 Babyuitzet
Lid 1: bij zeer uitzonderlijke gevallen kan onder andere worden gedacht aan de geboorte van een meerling (alleen de meerkosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking), een onvrijwillige zwangerschap ten gevolge van een zedenmisdrijf of hogere kosten ten gevolge van medische complicaties.
Er is sprake van een eerste babyuitzet als de belanghebbende(n) nog geen andere kinderen hebben of ze een kind hebben die ouder is dan 4 jaar.
Lid 3: De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op het bedrag voor het basispakket in de Nibud Prijzengids.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl