Nota Activabeleid 2025-2030

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Nota Activabeleid 2025-2030

De raad van de gemeente Bloemendaal;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 augustus 2025

besluit:

  • De nota Activabeleid 2018 in te trekken;

  • De nota Activabeleid 2025-2030 vast te stellen

1 Samenvatting

Voor u ligt de nota Activabeleid 2025-2030. Deze nota is een nadere uitwerking van het financiële beleid rond de waardering en afschrijving van vaste activa, zoals opgenomen in de verordening financieel beheer Bloemendaal 2025.

De nota geeft inzicht in de uitgangspunten om investeringen te activeren (op de balans te presenteren) en de termijnen waarop deze investeringen worden afgeschreven. Een groot deel van het gemeentelijk investeringsbeleid is vastgelegd in externe wet- en regelgeving. Echter op bepaalde punten is sprake van beleidsvrijheid voor een gemeente. Deze komen in het vervolg van deze nota aan de orde. De verordening Financieel Beheer Bloemendaal 2025 schrijft voor dat één keer per raadsperiode de nota wordt geactualiseerd. De laatste nota dateert van 2018.

Het kader, zoals dat is verwoord in het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (hierna BBV) is sindsdien niet fundamenteel gewijzigd. De notitie Materiële Vaste Activa van de commissie BBV dateert van 2020, maar was een aanscherping van de eerste versie van de notitie uit 2017. Daarom bevat ook deze nota slechts een aantal aanscherpingen, maar geen fundamentele wijzigingen. De belangrijkste punten uit de nota, inclusief de wijzigingen ten opzichte van de vorige nota, zijn hieronder aangegeven.

Nr.

Korte beschrijving van het uitgangspunt

Wijziging

1

  • a.

    De autorisatie van het investeringsbedrag, inclusief de dekking van de financiële gevolgen vindt als volgt plaats:

    • Alle voorgenomen investeringen worden opgenomen in het meerjareninvesteringsplan als onderdeel van de Kadernota;

    • Bij de begroting autoriseert de Raad de investeringskredieten die starten in het nieuwe jaar en waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 500.000, tenzij hij aangeeft een afzonderlijk voorstel voor autorisatie voorgelegd te willen krijgen;

    • Voor de nieuwe investeringen met een investeringsbedrag van € 500.000 of hoger en de overige niet in de begroting opgenomen investeringen vindt de autorisatie plaats via een afzonderlijk raadsbesluit. Dit kan in diezelfde begrotingsvergadering of op een later moment mits wordt voldaan aan de onderbouwingscriteria zoals opgenomen in bijlage 3.

  • b.

    Investeringsaanvragen moeten voldoende onderbouwd en gespecificeerd zijn. (zie Bijlage 3: onderbouwing investeringsaanvragen).

Autorisatie is overeenkomstig hetgeen is geregeld in de financiële verordening. Budgetplafond en vereiste van onderbouwing en specificatie is nieuw.

2

Indien sprake is van een verwachte kredietoverschrijding en of -onderschrijding wordt hier op de volgende wijze mee omgegaan:

  • Voor investeringen die het betreft, wordt een krediet bijstelling bij de raad aangevraagd.

  • Daarnaast wordt de raad, indien sprake is van een politieke/bestuurlijke gevoeligheid, vooraf actief separaat door het college geïnformeerd.

Overeenkomstig hetgeen is geregeld in de financiële verordening. Expliciet aangegeven dat bij politiek/bestuurlijk gevoelige wijzigingen ook een actieve informatieplicht geldt is nieuw.

3

  • a.

    In de jaarrekening wordt integraal over de voortgang van de investeringen gerapporteerd waarbij wordt getoetst en de volgende informatie wordt vertrekt:

    • Overzicht van alle beschikbaar gestelde kredieten, bestedingen en afwijkingen;

    • Kredieten die nog open moeten blijven staan en/of afgesloten kunnen worden;

    • Nadere toelichtingen bij kredietoverschrijdingen en/of -onderschrijdingen.

  • b.

    Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het laatste verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden, worden afgesloten. Het college kan deze termijn verlengen indien er verplichtingen zijn aangegaan op het krediet.

Nieuw opgenomen.

4

De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (disagio) worden niet geactiveerd en direct ten laste van de exploitatie verantwoord.

Ongewijzigd

5

  • a.

    De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd en direct ten laste van de exploitatie verantwoord.

  • b.

    De raad kan op voorstel van het college besluiten om hiervan af te wijken en de kosten wel te activeren en in maximaal vijf jaar af te schrijven.

  • c.

    Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van een activum kunnen worden toegerekend worden geactiveerd volgens de dienovereenkomstige afschrijvingstermijn.

Hardheidsclausule voor de raad geëxpliciteerd. Onderdeel (c) is nieuw.

6

  • a.

    Bijdrage aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd en de afschrijvingsduur is gelijk aan die van soortgelijke activa waar de gemeente zelf in heeft geïnvesteerd, voor zover die niet langer is dan de afschrijvingsduur van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt;

  • b.

    De kosten voor onderwijsleerpakket en meubilair of sporttoestellen voor de eerste inrichting worden niet (langer) geactiveerd;

  • c.

    Wanneer hard- en software eigendom is van de gemeente wordt deze, inclusief de bijbehorende implementatiekosten, geactiveerd;

  • d.

    Wanneer hard- en software geen eigendom is van de gemeente wordt deze, inclusief de bijbehorende implementatiekosten, ten laste van de exploitatie gebracht.

Onderdeel (a) is ongewijzigd, met uitzondering van het laatste deel.

Onderdelen (b), (c) en (d) zijn nieuw.

7

Activa met een aanschafwaarde van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd.

Ongewijzigd

8

  • a.

    Investeringen in gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.

  • b.

    Ondergrond die onlosmakelijk verbonden is met een investering in maatschappelijk nut, wordt als onderdeel van het vast activum beschouwd en dienovereenkomstig behandeld.

Nieuw

9

  • a.

    Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Rente wordt niet geactiveerd.

  • b.

    Indien aan de investeringen uren worden toegerekend dan geschiedt dit op basis van het bij de begroting gehanteerde uurtarief inclusief een component voor overhead.

Onderdeel (b) is nieuw.

10

Per investering, die is opgebouwd uit deelinvesteringen, wordt bepaald of de componentenbenadering wordt toegepast.

Nieuw

11

Activa wordt op basis van de lineaire afschrijvingsmethode afgeschreven.

Ongewijzigd

12

  • a.

    Activa met een levensduur van 3 jaar of minder worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • b.

    Voor de investeringen worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd zoals weergegeven in de afschrijvingstabel in bijlage 1. Deze tabel wordt indien daar aanleiding voor is tussentijds via de P&C documenten (begroting of tussentijdse rapportages) geactualiseerd.

  • c.

    Op voorstel van het college wordt bij raadsbesluit een afschrijvingstermijn bepaald voor activa waarvoor geen afschrijvingstermijn is opgenomen.

Aard van de afwijkingen zijn meer geëxpliciteerd ten opzichte van de vorige versie. Het principe is ongewijzigd gebleven.

13

De afschrijvingen starten in het jaar volgend op het jaar na de aanschaf of voltooiing van het activum. Dit betekent dat er niet wordt afgeschreven in het jaar van afronding c.q. ingebruikname van een investering.

Ongewijzigd

14

Zodra voor het hanteren van een circulaire restwaarde een uniforme beleidslijn is te formuleren, wordt deze via een toekomstig P&C product (bijvoorbeeld in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen) aan de raad voorgelegd.

Nieuw

15

Aan de geactiveerde activa wordt rente toegerekend over de boekwaarde op 1 januari van het betreffende activum.

Ongewijzigd

16

Niet-compensabele of niet-verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.

Vervallen - vloeit voort uit regelgeving

17

Bijlage 1 “Termijnen van afschrijvingen” is aangepast.

  • a.

    Afschrijvingstermijnen voor duurzaamheidsmaatregelen, w.o. zonnepanelen, warmtepompen en dak- en muurisolatie, en infrastructurele maatregelen zijn toegevoegd;

  • b.

    Afschrijvingstermijn van houten bruggen is verhoogd van 25 naar 30 jaar. Dit op basis van ervaringscijfers en gelijk aan de houten beschoeiingen onder dezelfde klimatologische omstandigheden;

  • c.

    Afschrijvingstermijn voor technische installaties bedrijfsgebouwen is verlaagd van 8 naar 5 jaar;

  • d.

    Afschrijvingstermijnen voor eerste inrichting onderwijsgebouwen, voor onderwijsleerpakketten en voor tijdelijke noodlokalen zijn geschrapt;

  • e.

    Bij schoolgebouwen en gymnastieklokalen is onderscheid gemaakt tussen gebruiksduur verlengende en niet gebruiksduur verlengende verbouwingen.

Afschrijvingstermijnen zijn aangepast.

2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Voor het inzicht in de balanspositie van de gemeente Bloemendaal is het van belang dat er een heldere gedragslijn wordt vastgesteld over de wijze waarop de investeringen tot stand mogen komen, bedragen al dan niet geactiveerd mogen worden, de wijze van waardering en de wijze waarop wordt afgeschreven.

Verordening Financieel beheer Bloemendaal 2025

In de dit jaar vastgestelde verordening “Financieel Beheer Bloemendaal 2025” is in artikel 11 opgenomen dat het College van Burgemeester en Wethouders eens per raadsperiode de raad een nota activabeleid aanbiedt. In deze nota worden de uitgangspunten van het activabeleid vastgelegd en de nota behandelt in ieder geval:

  • a.

    De wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door de raad, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd;

  • b.

    Afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;

  • c.

    Moment van starten met afschrijven;

  • d.

    De gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;

  • e.

    De componentenbenadering;

  • f.

    Restwaarde.

Notitie Materiële Vaste Activa 2020 van de commissie BBV

Naast de verplichting uit de verordening Financieel beheer Bloemendaal 2025 is in 2020 de notitie Materiële Vaste Activa van de commissie BBV uitgebracht met een aanscherping op de eerste versie van de notitie uit 2017.

Met de nota die voor u ligt wordt invulling gegeven aan zowel de verplichting als de aanpassing aan de hogere wet- en regelgeving.

2.2 Invulling van de kaders vanuit BBV en de verordening Financieel Beheer

Eenduidige kaders voor een gemeentespecifieke invulling

Met het vaststellen van deze nota geeft de raad eenduidige kaders voor de omgang met investeringen, het waarderen en presenteren daarvan op de balans (activering) en de bijbehorende afschrijving en rentetoerekening over een bepaalde periode. Een eenduidig activabeleid draagt bij aan het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Het activabeleid raakt direct aan het budgetrecht van de raad. Investeringen leggen een meerjarig budgettair beslag op de begroting van de gemeente. Het gebruiksnut van investeringen strekt zich uit over meerdere jaren, waardoor de kosten via afschrijving en rentetoerekening gedurende een langere periode ten laste van de begroting worden gebracht.

De belangrijkste kaders voor de wijze waarop in de verslaglegging moet worden omgegaan met de materiële vaste activa zijn vastgelegd in het BBV en de verordening Financieel beheer Bloemendaal 2025. Er is nog ruimte voor een verdere eigen gemeentespecifieke invulling. Daar wordt in deze nota invulling aan gegeven.

Kaderstellende rol van de raad

Deze nota is daarom primair bedoeld als instrument voor de kaderstellende rol van de raad. Deze nota vormt daardoor het formele kader waarbinnen het college en de ambtelijke organisatie met investeringen en afschrijvingen dienen om te gaan. Kort samengevat draagt deze nota bij tot:

  • Een eenduidige verwerking van investeringen en afschrijvingen;

  • Het maken van afspraken over de te volgen procedure om investeringen uit te voeren;

  • Het verkrijgen van inzicht in het verloop van investeringen;

  • Het voorkomen van grote schommelingen in afschrijvings- en rentekosten.

Begrippen

Eenduidige definities zijn belangrijk bij het toepassen van kaders. In bijlage 2 is daarom een begrippenlijst opgenomen.

2.3 Leeswijzer

Na deze inleiding worden in de hoofdstukken 3 t/m 7 respectievelijk het investeren, activeren, waarderen, afschrijven en rentetoerekening beschreven in de gemeente Bloemendaal. Hoofdstuk 8 handelt over bestuurlijke verantwoording en procedures en hoofdstuk 9 heeft betrekking op de slotbepalingen. In bijlage 1 is een afschrijvingstabel met afschrijvingstermijnen weergegeven, in bijlage 2 is een begrippenlijst vermeld en in bijlage 3 staan de elementen die investeringsaanvragen moeten bevatten.

3 Investeren

3.1 Investeren - Wat is het?

Definitie van investeren

De levenscyclus van een vast activum begint met een investering. De commissie BBV definieert investeringen als ‘het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt’. Een investering kan plaatsvinden door vervaardiging of aankoop van een nieuw activum, of door verbouwing of renovatie van een bestaand activum. In dit laatste geval is er alleen sprake van een investering als uitgaven:

  • Leiden tot een significante kwaliteitsverbetering;

  • Leiden tot een levensduurverlenging;

  • Aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- of regelgeving.

Wordt er niet aan één of meerdere van bovenstaande voorwaarden voldaan, dan is er sprake van onderhoud en mag er niet worden geactiveerd (zie H4.1).

Binnen de vaste activa wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Materiële vaste activa (BBV artikel 35)

  • Financiële vaste activa (BBV artikel 36)

  • Immateriële vaste activa (BBV artikel 34)

Materiële vaste activa

Materiële vaste activa zijn investeringen die een fysieke verschijningsvorm hebben, zoals gebouwen, wegen of bruggen. Het BBV schrijft voor dat de materiële vaste activa moeten worden opgenomen op de balans als:

  • a.

    Investeringen met een economisch nut;

  • b.

    Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;

  • c.

    Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.

Bovengenoemde categorieën worden apart op de balans opgenomen. Investeringen met een economisch nut (a en b) zijn verhandelbaar en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Dit in tegenstelling tot de investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut; deze zijn niet verhandelbaar, maar vervullen wel een duidelijke publieke taak. Voorbeelden hiervan zijn verkeersregelinstallaties, openbare verlichting en investeringen in wegen.

Financiële vaste activa

Financiële vaste activa zijn ‘niet tastbare bezittingen die voor een lange termijn geld waard zijn, waarvan de waarde niet per direct besteed kan worden’. Volgens het BBV bestaan deze uit de volgende categorieën die apart op de balans moeten worden opgenomen:

  • a.

    Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen;

  • b.

    Geldleningen aan: openbare lichamen, woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen;

  • c.

    Overige verstrekte langlopende geldleningen;

  • d.

    Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;

  • e.

    Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;

  • f.

    Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.

Immateriële vaste activa

Immateriële vaste activa zijn de bezittingen van de gemeente die niet onder de categorie materieel of financieel vallen, maar wel waarde hebben én vallen onder een van de volgende categorieën:

  • a.

    Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;

  • b.

    Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum;

  • c.

    Bijdragen aan activa in eigendom van derden.

Kosten die niet onder deze opsomming vallen, mogen niet onder immateriële vaste activa worden opgenomen.

Autoriseren

Om een investeringskrediet te verkrijgen, zijnde de autorisatie om een verplichting aan te gaan waarmee een investering daadwerkelijk in gang wordt gezet, is altijd goedkeuring van de raad nodig.

3.2 Toepassing in Bloemendaal

Autorisatie van nieuwe investeringen

In beginsel worden alle (voorgenomen) investeringen in het meerjareninvesteringsplan (MIP) opgenomen om zo een integrale afweging te kunnen maken. De daarmee samenhangende kapitaallasten moeten immers gedekt kunnen worden. Artikel 11 van de verordening Financieel Beheer geeft aan dat het college de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aanbiedt als bijlage bij de Kadernota, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode.

Bij de vaststelling van de begroting autoriseert de raad de investeringskredieten die starten in het nieuwe jaar en waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 500.000. Voor de nieuwe investeringen met een investeringsbedrag van € 500.000 of hoger en de overige niet in de begroting opgenomen investeringen vindt de autorisatie plaats via een afzonderlijk raadsbesluit. Dat kan in diezelfde begrotingsvergadering of op een later moment mits wordt voldaan aan de onderbouwingscriteria zoals opgenomen in bijlage 3. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen (voor het komende begrotingsjaar) hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. Verder autoriseert de raad met het vaststellen van de programmabegroting de totale lasten en de totale baten per programma en het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen.

Afspraak 1

  • a.

    De autorisatie van het investeringsbedrag, inclusief de dekking van de financiële gevolgen vindt als volgt plaats:

    • Alle voorgenomen investeringen worden opgenomen in het Meerjareninvesteringsplan als onderdeel van de Kadernota;

    • Bij de begroting autoriseert de Raad de investeringskredieten die starten in het nieuwe jaar en waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 500.000, tenzij hij aangeeft een afzonderlijk voorstel voor autorisatie voorgelegd te willen krijgen;

    • Voor de nieuwe investeringen met een investeringsbedrag van € 500.000 of hoger en de overige niet in de begroting opgenomen investeringen vindt de autorisatie plaats via een afzonderlijk raadsbesluit. Dat kan in diezelfde begrotingsvergadering of op een later moment mits wordt voldaan aan de onderbouwingscriteria zoals opgenomen in bijlage 3.

  • b.

    Investeringsaanvragen moeten voldoende onderbouwd en gespecificeerd zijn (zie Bijlage 3: onderbouwing investeringsaanvragen). 

Wijzigen van bestaande investeringen

Wijziging van de omvang en/of het doel van een investering is niet mogelijk zonder een nieuw besluit van de raad. Met de raad is immers een afspraak gemaakt omtrent een bepaalde inzet van middelen voor een vastgesteld doel en binnen een vastgestelde periode. Hiervan kan niet zonder een besluit van de raad afgeweken worden.

Het college informeert de raad als zij verwacht, dat de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden en of te onderschrijden. Voor investeringen die het betreft wordt een krediet bijstelling bij de raad aangevraagd. (Zie ook de artikelen 4 en 5 van de verordening Financieel Beheer). Gelijktijdig wordt bij de tussenrapportages gerapporteerd over (afwijkingen in) de investeringsprojecten. De raad geeft of hij een voorstel wil voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet. Daarnaast wordt de raad, indien sprake is van politieke/bestuurlijke gevoeligheid, actief separaat door het college geïnformeerd.

Afspraak 2

Indien sprake is van een verwachte kredietoverschrijding en of -onderschrijding wordt hier op de volgende wijze mee omgegaan:

  • Voor investeringen die het betreft wordt een krediet bijstelling bij de raad aangevraagd.

  • Daarnaast wordt de raad, indien sprake is van een politieke/bestuurlijke gevoeligheid, vooraf actief separaat door het college geïnformeerd.

Verantwoording in de jaarrekening

In de jaarrekening wordt door het college integraal over de voortgang van de investeringen gerapporteerd waarbij wordt getoetst en de volgende informatie wordt verstrekt:

  • a.

    Overzicht van alle beschikbaar gestelde kredieten, bestedingen en afwijkingen;

  • b.

    Kredieten die nog open moeten blijven staan en/of afgesloten kunnen worden;

  • c.

    Nadere toelichting bij kredietoverschrijdingen en/of -onderschrijdingen.

Afsluiten

Investeringskredieten worden voor een specifiek doel beschikbaar gesteld. Dat specifieke doel moet binnen een bepaalde periode worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat kredieten oneindig blijven openstaan, is het gewenst om deze vooraf te voorzien van een realistische termijn waarbinnen het doel gerealiseerd kan worden en waarna het krediet kan worden afgesloten.

Indien geen looptijd wordt aangegeven, wordt voorgesteld om een standaard looptijd van twee begrotingsjaren te hanteren. Na deze looptijd wordt het krediet afgesloten bij de jaarrekening. Voor verlenging van deze periode is aanvullende besluitvorming nodig van het college.

Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het laatste verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden, worden afgesloten. Het college kan deze termijn verlengen indien er verplichtingen zijn aangegaan op het krediet.

Afspraak 3

  • a.

    In de jaarrekening wordt integraal over de voortgang van de investeringen gerapporteerd waarbij wordt getoetst en de volgende informatie wordt vertrekt:

    • Overzicht van alle beschikbaar gestelde kredieten, bestedingen en afwijkingen;

    • Kredieten die nog open moeten blijven staan en/of afgesloten kunnen worden;

    • Nadere toelichtingen bij krediet overschrijdingen en/of -onderschrijdingen.

  • b.

    Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het laatste verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden, worden afgesloten. Het college kan deze termijn verlengen indien er verplichtingen zijn aangegaan op het krediet.

4 Activeren

4.1 Activeren - Wat is het?

Definitie van activeren

Onder activeren wordt volgens de definitie van de commissie BBV verstaan: het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde bezit/kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd. In het vorige hoofdstuk is al aangegeven dat de investeringen in verschillende categorieën activa worden uitgedrukt.

Alle investeringen activeren

In het BBV (artikel 59) is opgenomen dat alle investeringen zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 moeten worden geactiveerd, met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde. Een strikte interpretatie van dit artikel kan leiden tot hoge administratieve lasten. De gemeente mag om deze reden zelf een ondergrens hanteren voor activering van investeringen, zolang deze niet zodanig hoog wordt gesteld ‘dat hierdoor (bepaalde typen) activa individueel of in totaal in materiële omvang buiten de balans worden gehouden’1 . Bij het activeren van investeringen wordt geen onderscheid gemaakt tussen investeringen met economisch of maatschappelijk nut.

Activeren van kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum

Voor het activeren van kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald activum gelden afwijkende voorschriften. Het activeren van deze kosten is niet verplicht. De kosten kunnen volgens artikel 60 van het BBV worden geactiveerd als:

  • a.

    Het voornemen bestaat het activum te gebruiken of te verkopen;

  • b.

    De technische uitvoerbaarheid om het activum te voltooien vaststaat;

  • c.

    Het activum in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren;

  • d.

    De uitgaven die aan het activum zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.

Voorbereidingskosten

Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het activum kunnen worden toegerekend, moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd (artikel 63 lid 3 BBV). Dat betekent dat deze voorbereidingskosten in de betreffende investeringsbegroting worden meegenomen.

Activeren van bijdragen aan activa in eigendom van derden

Ook voor bijdragen aan activa in eigendom van derden zijn afwijkende voorschriften vastgelegd in het BBV. Het activeren van deze bijdragen is niet verplicht. Artikel 61 schrijft voor dat deze bijdragen kunnen worden geactiveerd als er cumulatief wordt voldaan aan het volgende:

  • a.

    Er is sprake van een investering door een derde;

  • b.

    De investering bijdraagt aan de publieke taak;

  • c.

    De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen;

  • d.

    De bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

Activeren hardware, software en implementatiekosten

Volgens de stellige uitspraken van de commissie BBV valt software (als afzonderlijk activum) onder de materiële vaste activa, namelijk als investering met economisch nut. Kosten van software moeten zoveel mogelijk worden toegerekend aan de periode waarop deze kosten betrekking hebben. Ook gebruiksrechten op software voor onbepaalde duur die in één keer in rekening worden gebracht worden geduid als investering met economisch nut, zoals bedoeld in het BBV artikel 35 lid 1a.

Wanneer er implementatiekosten zijn verbonden aan nieuwe hardware of software, worden deze geactiveerd. Bij software geldt dat dit wel moet gaan om een eigen activum of om gebruiksrechten voor onbepaalde duur. Activering vindt plaats omdat de implementatie valt onder de bijkomende kosten die als onderdeel van de verkrijgingsprijs (zie H5.1) worden gezien. De implementatie is namelijk noodzakelijk om het activum in gebruik te kunnen nemen. Implementatiekosten kunnen zowel de kosten van externen als de kosten van eigen medewerkers betreffen.

Echter de laatste jaren is sprake van een verschuiving op het gebied van software. In het verleden werden automatiseringspakketten of computerprogramma’s in de regel door de gemeente aangekocht en in eigen beheer genomen en/of verder ontwikkeld. De software werd daarmee gemeentelijk eigendom en werd als activa op de balans opgenomen. Inmiddels wordt software steeds vaker als abonnement, als licentie met jaarlijkse betaling of als dienst aangeboden en is de gemeente niet langer meer eigenaar. Het BBV stelt dat zolang er geen sprake is van het verkrijgen of vervaardigen van een eigen activum, het niet is toegestaan om kosten te activeren.

Onderhoudskosten worden niet geactiveerd

Onderhoud gaat om de kosten die worden gemaakt voor kapitaalgoederen van de gemeente, om deze objecten gedurende de levensduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen. Volgens de stellige uitspraak van de commissie BBV mag klein en groot onderhoud niet worden geactiveerd, omdat het een object in goede, oorspronkelijke staat brengt en dus niet van invloed is op de bepaalde gebruiksduur van het object. Er wordt onderscheid gemaakt tussen groot en klein onderhoud:

  • Klein onderhoud: door de commissie BBV is klein onderhoud gedefinieerd als de dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om een object in goede werkende en veilige staat te houden. Dit wordt altijd uitgevoerd op basis van een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau. Klein onderhoud wordt op een klein gedeelte van het object uitgevoerd, en gaat bijvoorbeeld om maatregelen die nodig zijn om representativiteit te behouden of om een object blijvend naar behoren te laten functioneren2. Kosten worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht.

  • Groot onderhoud: groot onderhoud wordt gedefinieerd als de lasten die na een langere periode van gebruik ontstaan door slijtage. Het gaat hier om gepland onderhoud dat op een substantieel deel van een object wordt uitgevoerd. Kosten worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht óf ten laste gebracht van een vooraf gevormde voorziening (BBV artikel 44 lid 1c).

Indien de componentenbenadering wordt toegepast (zie H6.1) en het betreffende onderdeel van het kapitaalgoed is afgeschreven (einde gebruiksduur), is er volgens de notitie “Materiële vaste activa van de commissie BBV” geen sprake van groot onderhoud maar van vervangingsinvesteringen.

Geldleningen en het saldo van agio en disagio

Het BBV biedt de mogelijkheid om kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio te activeren. Een (dis)agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening is aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd als gevolg van een koersverschil. Dit verschil mag worden geactiveerd met een afschrijvingsduur maximaal gelijk aan de looptijd van de nieuwe lening.

4.2 Toepassing in Bloemendaal

Saldo van agio en disagio niet activeren

Vanwege het voorzichtigheidsprincipe en uit praktische overwegingen, wordt voorgesteld om het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening is aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd als gevolg van een koersverschil. niet te activeren maar direct ten laste of ten gunste van de exploitatie te brengen.

Afspraak 4

De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (disagio) worden niet geactiveerd en direct ten laste van de exploitatie verantwoord.

Onderzoek en ontwikkeling in de regel niet activeren

Vanwege het voorzichtigheidsprincipe en uit praktische overwegingen, wordt voorgesteld om kosten van onderzoek en ontwikkeling niet te activeren maar direct ten laste van de exploitatie te brengen. Voorgesteld wordt om de raad de bevoegdheid te geven hiervan af te wijken.

Een uitzondering betreft de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor grondexploitaties. Deze nemen een bijzondere positie in. Om deze kosten te mogen activeren, dient te worden voldaan aan voorwaarden aanvullend op artikel 60 BBV. Deze zijn opgenomen in de notitie grondbeleid van de commissie BBV.

Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van een activum kunnen worden toegerekend, moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd volgens de dienovereenkomstig afschrijvingstermijn. De voorbereidingskosten worden in de betreffende investeringsbegroting meegenomen.

Afspraak 5

  • a.

    De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd en direct ten laste van de exploitatie verantwoord.

  • b.

    De raad kan op voorstel van het college besluiten om hiervan af te wijken en de kosten wel te activeren en in maximaal vijf jaar af te schrijven.

  • c.

    Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van een activum kunnen worden toegerekend worden geactiveerd volgens de dienovereenkomstige afschrijvingstermijn.

Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Voor bijdragen aan activa van derden gaat het om bezittingen van derden die niet ons eigendom zijn. Daarentegen gaat het om een investering die bijdraagt aan een publieke taak en daarmee in wezen erg afwijkt van een investering met een maatschappelijk nut. Daarom wordt voorgesteld om een bijdrage aan een activum in eigendom van derden wel te activeren, maar de eigen afschrijvingsduur leidend te laten zijn, voor zover die niet langer is dan de afschrijvingsduur van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.

De voorwaarden dat de derde partij werkelijk investeert en daarmee niet in gebreke blijft, wordt in de regel geborgd door pas bij te dragen op het moment dat daadwerkelijk wordt geïnvesteerd. Voorafgaand aan het besluit om bij te dragen wordt beoordeeld of hiermee wordt geïnvesteerd in de publieke taak. Het kunnen terug vorderen van de bijdrage óf aanspraak maken op hetgeen waarin geïnvesteerd wordt als de derde partij in gebreke blijft (van het uitvoeren van de publieke taak) moet per bijdrage worden vastgelegd.

Bij investeringen in onderwijslocaties is naast de investering in een gebouw vaak ook sprake van kosten voor gebruiksmaterialen, bijvoorbeeld kosten voor onderwijsleerpakket of kosten voor de inrichting van het schoolgebouw met meubilair of sporttoestellen in een gymzaal. Deze kosten, ook wel ‘eerste inrichting’ genoemd, worden niet geactiveerd. De in het BBV benoemde voorwaarde dat de investering kan worden terug gevorderd wanneer de derde partij in gebreke blijft, biedt de gemeente te weinig zekerheid.

Activeren hardware, software en implementatiekosten

In grote lijnen zijn de kosten voor ICT op te delen in kosten voor de gemeente als eigenaar en als niet-eigenaar. Indien de gemeente zelf eigenaar is van hard- en of software worden de kosten geactiveerd inclusief de daarmee gepaard gaande implementatiekosten. Dit geldt ook voor de eenmalige aanschaf van een licentie voor onbepaalde tijd. Als sprake is van een licentie voor bepaalde tijd, een licentie waarvoor jaarlijks een vergoeding verschuldigd is of van een abonnement, ongeacht of het hierbij gaat om periodieke betalingen of een vooruit te betalen bedrag, moeten de kosten ten laste van de exploitatie worden gebracht.

De gemeente betaald als deelnemer aan de GR DIT bij aan de kosten voor hard- en software en kan niet als eigenaar meer worden aangemerkt. Kosten voor hard- en software die bij de GR DIT op de balans worden geactiveerd en via een jaarlijkse bijdrage bij de gemeente in rekening worden gebracht worden niet meer geactiveerd maar ten laste van de exploitatie verantwoord. Dit geldt ook voor de daarmee gepaard gaande implementatiekosten.

Afspraak 6

  • a.

    Bijdrage aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd en de afschrijvingsduur is gelijk aan die van soortgelijke activa waar de gemeente zelf in heeft geïnvesteerd, voor zover die niet langer is dan de afschrijvingsduur van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt;

  • b.

    De kosten voor onderwijsleerpakket en meubilair of sporttoestellen voor de eerste inrichting worden niet geactiveerd;

  • c.

    Wanneer hard- en software eigendom is van de gemeente wordt deze, inclusief de bijbehorende implementatiekosten, geactiveerd;

  • d.

    Wanneer hard- en software geen eigendom is van de gemeente wordt deze, inclusief de bijbehorende implementatiekosten, ten laste van de exploitatie gebracht.

Ondergrens voor het activeren van € 25.000

Voor het activeren van investeringen geldt een ondergrens van € 25.000. Dit is inclusief niet-compensabele en niet-verrekenbare BTW. Investeringen onder dit bedrag worden niet geactiveerd, maar worden in één keer ten laste van de exploitatie van het betreffende boekjaar verantwoord. Deze ondergrens geldt zowel voor investeringen met een economisch nut, als voor investeringen met een maatschappelijk nut.

Het is niet toegestaan om een investering op ‘onlogische’ wijze op te delen om beneden de gestelde ondergrens voor activeren te blijven. Identieke activa (bijvoorbeeld een vervangingsinvestering van een aantal laptops) worden daarom, met inachtneming van de levensduur, samengevoegd onder één noemer en geactiveerd.

Afspraak 7

Activa met een aanschafwaarde van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd.

Altijd activeren gronden en terreinen

Een uitzondering op de ondergrens vormen investeringen in gronden en terreinen, die altijd worden geactiveerd3. Dit geldt ook voor in erfpacht uitgegeven gronden. De commissie BBV heeft aangegeven dat kosten van ondergrond van wegen worden geacht onlosmakelijk te zijn verbonden met de kosten van de weg. Het is niet duidelijk of dit geldt voor alle investeringen met een maatschappelijk nut. Vanuit dit perspectief nemen we het standpunt in dat ondergrond die onlosmakelijk verbonden is met een investering van maatschappelijk nut, bijvoorbeeld een weg, rotonde, park of plantsoen als onderdeel van het vast activum wordt beschouwd en zal samen met het activum worden geactiveerd en afgeschreven.

Afspraak 8

  • a.

    Investeringen in gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.

  • b.

    Ondergrond die onlosmakelijk verbonden is met een investering in maatschappelijk nut, wordt als onderdeel van het vast activum beschouwd en dienovereenkomstig behandeld.

5 Waarderen

5.1 Waarderen - Wat is het

Waarderen op basis van verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs

Artikel 63 van het BBV schrijft voor dat activa worden geactiveerd op basis van de verkrijgingsprijs of de vervaardigingsprijs:

  • Verkrijgingsprijs: de inkoopprijs met bijkomende kosten.

  • Vervaardigingsprijs: de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Dit laatste betekent dat een redelijk deel van indirecte kosten in de prijs kan worden opgenomen en rente kan worden toegerekend over het tijdvak van de vervaardiging van het activum.

Waarderen voor het bruto bedrag, met twee uitzonderingen

Artikel 62 van het BBV schrijft voor dat alle vaste activa voor het bedrag van de investering (bruto bedrag) worden geactiveerd. Dat houdt in dat reserves niet in mindering mogen worden gebracht op de boekwaarde van een investering. Reserves mogen wel gebruikt worden ter dekking van de jaarlijkse kapitaallasten. Dit betreft bestemmingsreserves met een financieringsfunctie.

In het BBV zijn twee uitzonderingen opgenomen, waarbij de netto-methode wordt gehanteerd:

  • Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het activum: deze worden in mindering op de waardering van het activum gebracht (artikel 62 lid 2).

  • Voorziening vervanging riolering: in de riool- of afvalstoffenheffing mogen bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen worden opgenomen (o.g.v. Gemeentewet art. 229b lid 2, onderdeel a). Deze moeten dan wel aan een voorziening worden toegevoegd (BBV artikel 44 lid 1d). In het jaar dat de vervangingsinvestering daadwerkelijk plaatsvindt wordt de investering geactiveerd en dient het bedrag dat hiervoor uit de voorziening wordt gehaald in mindering te worden gebracht op de vervangingsinvestering (BBV artikel 62 lid 3).

Een andere uitzondering is de in erfpacht uitgegeven gronden. Voor deze gronden geldt de prijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde4.

Geen activering compensabele BTW

BTW wordt niet geactiveerd als deze verrekenbaar of compensabel is volgens de Wet op het BTW-compensatiefonds. Is dit niet het geval, dan verhoogt de BTW de waardering van het activum.

Actuele waarde bij waardevermindering

Bij de waardering van de vaste activa met economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering, als deze vermindering naar verwachting duurzaam is. Een duurzame waardevermindering vindt plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd als de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Opwaardering van een activum vindt niet plaats (BBV artikel 63, 65).

Afwaarderen van Activa

De voorschriften voor afwaardering van activa staan vermeld in artikel 65 BBV:

  • a.

    Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen;

  • b.

    Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgingsprijs- of vervaardigingsprijs;

  • c.

    Een activum dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.

Ad. a en b: Dit heeft betrekking op naar verwachting duurzame waardeverminderingen. Bijvoorbeeld nieuwe inzichten in de technische of economische levensduur van activa (van bijvoorbeeld software) of de aantasting van het vermogen van deelnemingen. Bij vastgoed met een maatschappelijke functie waarvoor de bestuurlijke intentie bestaat om dit vastgoed duurzaam te exploiteren en dit als zodanig in de begroting tot uitdrukking komt, speelt duurzame waardevermindering geen rol en vindt er geen afwaardering plaats. Voor het verwerken van duurzame waardeverminderingen kan een verliesvoorziening worden getroffen. Voordeel hiervan is dat als er op een gegeven moment toch weer sprake is van waarde herstel, dit ook via de voorziening kan worden verwerkt. Als een activum namelijk direct wordt afgewaardeerd, is er geen mogelijkheid meer om bij een eventueel later waardeherstel de boekwaarde weer te verhogen.

Ad. c: Bij het volledig buiten gebruik stellen moet het activum op nul worden gesteld of op de restwaarde als deze redelijkerwijs verwacht kan worden. Ook als een activum niet langer bestaat of niet langer eigendom is van de gemeente dan mag dit niet op de balans blijven staan. Bij gedeeltelijke buitengebruikstelling wordt proportioneel afgewaardeerd.

Desinvestering activa

Bij de verkoop van een activum, oftewel een desinvestering, wordt de boekwinst of -verlies ten gunste/laste gebracht van het resultaat van het betreffende jaar. De mogelijke boekwinst wordt niet in mindering gebracht op een nieuwe investering. Dat is niet toegestaan op grond van het BBV.

Actuele waarde bij bestemmingswijziging

Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde als gevolg van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen (BBV artikel 63 lid 5). Ook hier geldt dat opwaardering van een activum niet plaats vindt. De verkrijgings- of de vervaardigingsprijs vormt de bovengrens.

Opbrengst en boekwaarde bij verkoop

Bij verkoop geldt dat een eventueel verkregen opbrengst als incidentele bate wordt verantwoord in de jaarrekening. Als het object nog een boekwaarde heeft, dan wordt deze boekwaarde geheel afgeboekt als een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject5.

5.2 Toepassing in Bloemendaal

Toerekening van indirecte kosten

Aan de investeringen kunnen uren worden toegerekend. In het uurtarief is een component indirecte kosten (overhead) verwerkt. De systematiek van deze toerekening van indirecte kosten is beschreven in de programmabegroting. Bij de waardebepaling via de vervaardigingsprijs vindt er geen rentetoerekening plaats over het tijdvak dat nodig is voor de vervaardiging.

Afspraak 9

  • a.

    Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Rente wordt niet geactiveerd.

  • b.

    Indien aan de investeringen uren worden toegerekend dan geschiedt dit op basis van het bij de begroting gehanteerde uurtarief inclusief een component voor overhead.

6 Onderhoud materiële vaste activa

6.1 Onderhoud - wat is het

Object in goede en veilige staat te houden

Met de Notitie materiële vaste activa van de commissie BBV, is het begrip ‘onderhoud’ nader omschreven. Onderhoud is ‘het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve maatregelen om een object in goede en veilige staat te houden of te brengen’ (op een vooraf door de raad vastgesteld kwaliteitsniveau). Onderhoud kan worden onderscheiden in klein onderhoud en groot onderhoud.

Klein onderhoud

Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goed werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste of het lopende planjaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. Dekking van deze kosten vindt plaats uit de jaarlijkse budgetten die daarvoor in de begroting zijn opgenomen.

Groot onderhoud

Lasten van groot onderhoud ontstaan na een langere periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard als gevolg van slijtage, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik wordt verricht. Groot onderhoud is onderhoud dat één keer in de paar jaar moet gebeuren, bijvoorbeeld het onderhoud aan de verhardingen van wegen, gebouwen en riolering. Groot onderhoud vindt plaats op basis van een geactualiseerd onderhoudsplan. Zowel klein als groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. Kosten van onderhoud mogen conform het BBV daarom niet geactiveerd worden. Wanneer een aanpassing leidt tot een significante kwaliteitsverbetering (object blijft niet in dezelfde staat), is er geen sprake van (groot) onderhoud, maar van een investering (bijvoorbeeld een renovatie) die geactiveerd moet worden. Aanpassingen die bijdragen aan substantiële verlenging van de levensduur van het betreffende activum, zoals het renoveren van een gebouw, worden ook geactiveerd. Dat geldt ook voor aanpassingen die worden gedaan om te voldoen aan wet- en regelgeving bijvoorbeeld vanwege veiligheidsvoorschriften.

6.2 Toepassing in Bloemendaal

De componentenbenadering wordt bijvoorbeeld voor investeringen in de riolering toegepast, als onderdeel van het Programma Water.

Bij riolering wordt de volgende indeling gehanteerd:

  • Gemalen en bergbezinkvoorzieningen – mechanisch/elektrisch: afschrijving 15 jaar;

  • Vrij verval riolering: afschrijving 70 jaar.

Afspraak 10

Per investering, die is opgebouwd uit deelinvesteringen, wordt bij het voorstel tot beschikbaarstelling van het krediet bepaald of de componentenbenadering wordt toegepast.

7 Afschrijvingen en rente

7.1 Afschrijving - bestaand kaders

Waardevermindering van een slijtend activum

Als een investering is geactiveerd, dient op grond van artikel 64 lid 3 BBV daarop te worden afgeschreven. Het gebruik van vaste activa strekt zich uit over meerdere jaren. Door technische slijtage of economische veroudering daalt de waarde. Het zichtbaar maken van de waardevermindering in de jaarlijkse exploitatie wordt afschrijving genoemd. De hoogte van de afschrijving wordt bepaald door de economische gebruiksduur en de methode van afschrijven.

De gemeente is vrij om te kiezen welk afschrijvingsbeleid het hanteert. Wel wordt voorgeschreven dat in dit beleid aandacht wordt besteed aan6:

  • Afschrijvingsmethode per categorie;

  • Moment van starten met afschrijven;

  • De gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;

  • De componentenbenadering;

  • Restwaarde.

Afschrijvingsmethoden

Zoals aangegeven is de gemeente vrij om de eigen afschrijvingsmethode te kiezen. Per (sub)categorie in kapitaalgoederen kan de gemeente een andere afschrijvingsmethode vaststellen. In de toelichting op de balans geeft de gemeente aan volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend (BBV artikel 51).

Volgens de commissie BBV moeten gelijksoortige activa wel volgens dezelfde methode worden afgeschreven, onafhankelijk van het moment van investeren. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk oude geactiveerde activa volgens een andere methode af te schrijven dan nieuw te activeren activa.

Wanneer de gemeente besluit een andere afschrijvingsmethode voor gelijksoortige activa te gaan hanteren dan een voorgaand jaar, is er sprake van een stelselwijziging. In dit geval wordt de huidige boekwaarde als gevolg van de wijziging niet herrekend. Wel wordt de afschrijving over de afschrijvingsduur opnieuw berekend. De raad beslist over het invoeren van een dergelijke wijziging.

Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek. Hieronder worden deze twee afschrijvingsmethoden nader toegelicht:

Lineaire afschrijving:

Hiermee wordt bedoeld dat er wordt afgeschreven op basis van een vast bedrag per jaar. Bij deze methode blijven de afschrijvingslasten gelijk, terwijl de rentelasten en daardoor ook de totale kapitaallasten in de loop van de gebruiksperiode geleidelijk afnemen. Hierdoor levert de lineaire afschrijvingsmethode op de lange termijn voordelen op. Door jaarlijks aflopende rentelasten, ontstaat er budget om stijgende onderhoudskosten bij ouder wordende activa op te vangen.

Annuïtaire afschrijving:

Bij deze methode blijft de jaarlijkse last van rente en afschrijving gelijk. Daarbij daalt de rentelast van jaar tot jaar in de loop van de gebruiksperiode, terwijl de afschrijving toeneemt. De keuze voor deze methode is veelal gelegen in de wenselijkheid de jaarlijkse lasten zoveel mogelijk gelijk te houden.

Bij de annuïtaire methode wordt de afschrijving (waardevermindering van het object) sterk naar de toekomst verschoven terwijl de (markt)waarde in de eerst jaren juist sterk daalt. Dit legt een langer beslag op vermogen en levert hogere rentelasten op. Verder vallen bij de annuïtaire methode er gedurende de looptijd geen kapitaallasten vrij en is deze methode complexer dan de lineaire methode. De keuze voor de lineaire methode wordt als meest geschikt beschouwd, daarom hanteert de gemeente de lineaire methode als afschrijvingsmethode.

Starten met afschrijven

Voor de start van afschrijvingen geldt dat voor alle categorieën vaste activa hetzelfde startmoment moet worden gehanteerd. De gemeente kan het startmoment zelf kiezen en vastleggen in het beleid.

Uit de volgende mogelijkheden kan worden gekozen:

  • Vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving);

  • Medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving);

  • Vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt;

  • Vanaf het moment van ingebruikname.

Afschrijvingstermijnen per categorie

Het BBV schrijft voor dat de afschrijvingstermijn wordt gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gemeente kan zelf per categorie vaststellen welke afschrijvingstermijn wordt gehanteerd, zolang de economische levensduur de technische levensduur niet overschrijdt. Er mag rekening worden gehouden met een restwaarde.

Een uitzondering is grond; grond heeft geen beperkte gebruiksduur en daarom wordt op grond niet afgeschreven, tenzij deze onlosmakelijk verbonden is met een investering in maatschappelijk nut. Dan wordt de grond als onderdeel van het vast activum beschouwd en dienovereenkomstig behandeld.

De afschrijvingstermijnen van vaste activa welke een beperkte levensduur hebben, moeten gebaseerd worden op de verwachte toekomstige gebruiksduur van een activum. Bij het vaststellen van de gebruiksduur speelt zowel de economische als de technische levensduur een rol. De economische levensduur van een activum is verstreken wanneer het financieel voordeliger is om het bestaande activum te vervangen door een nieuwe. De technische levensduur van een activum wordt bepaald door de technische slijtage.

Bij de keuze voor afschrijving op basis van de economische of de technische levensduur is het van belang dat het voorzichtigheidsbeginsel in acht wordt genomen. Wanneer bijvoorbeeld de economische levensduur korter wordt geschat dan de technische levensduur zal mede uit efficiencyoverwegingen worden gekozen voor afschrijving op basis van de economische levensduur.

Voor nieuwbouw van maatschappelijk vastgoed wordt een termijn van 40 jaar gehanteerd. Verbouwkosten (renovatie) van maatschappelijk vastgoed worden verdeeld in twee categorieën, te weten in gebruiksduur verlengend (40 jaar) en in niet gebruiksduur verlengend (25 jaar). In de praktijk leverde dit onduidelijkheid op bij de renovaties van onderwijsgebouwen. Nagenoeg zullen voorgenomen investeringen in onderwijsgebouwen op nieuwbouwniveau plaatsvinden. Om voornoemde reden is in de bijlage afschrijvingstermijnen een onderscheid aangebracht.

Schattingswijziging

Wanneer de gemeente besluit een andere afschrijvingsduur te kiezen is er sprake van een schattingswijziging. Het gaat hier om een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur of gebruiksintensiteit. In dit geval wordt de huidige boekwaarde als gevolg van de wijziging niet herrekend. Wel wordt de afschrijving over de aangepaste afschrijvingsduur opnieuw berekend. De raad beslist over de invoering van een dergelijke wijziging.

Componentenbenadering

De gemeente kan zelf kiezen of zij wel of niet de componentenbenadering toepassen bij het afschrijven van activa. De componentenbenadering houdt in dat ‘verschillende samenstellende delen van een materieel vast activum, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de individuele verwachte gebruiksduur van die delen’7.

Rentetoerekening

Voor het doen van investeringen moeten veelal externe financieringsmiddelen worden aangetrokken en dat brengt rentelasten met zich mee die aan de activa worden toegerekend. Mochten er eigen middelen beschikbaar zijn voor een investering, dan kunnen deze middelen conform de Notitie materiële vaste activa van de commissie BBV in de beschikbare dekkingsreserve investeringen worden gestort voor de dekking van de kapitaallasten. Deze middelen mogen dus niet direct in mindering op de activering worden gebracht. Voor de dekking van de rentecomponent van de kapitaallasten kan zogenaamde bespaarde rente aan de dekkingsreserve investeringen worden toegevoegd. Zie ook de nota reserves en voorzieningen.

Voor deze toerekening van rente aan activa wordt een vast rentepercentage (omslagpercentage) gehanteerd. Dit rentepercentage wordt jaarlijks bij het opstellen van de begroting bepaald. Het bij de begroting gecalculeerde omslag rentepercentage mag binnen een marge van 0,5% worden afgerond. Indien de werkelijke rentelasten afwijken van de rentelasten die op basis van de voorgecalculeerde renteomslag zijn berekend, dan kan de gemeente besluiten tot correctie. Correctie wordt verplicht gesteld indien deze afwijking groter is dan 25%.

7.2 Toepassing in Bloemendaal

Lineair afschrijven, tenzij…

Voor vaste activa hanteert de gemeente de lineaire afschrijvingsmethode. Bij deze methode wordt elk jaar hetzelfde bedrag afgeschreven, waarbij de rentelasten jaarlijks omlaag gaan. De jaarlijkse afschrijving is gelijk aan de verkrijgingsprijs (indien van toepassing, minus de restwaarde) gedeeld door de afschrijvingstermijn.

De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en saldo van agio en disagio zijn hiervan uitgezonderd en worden direct ten laste gebracht van de exploitatie. De kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden in de meeste gevallen gedekt uit een voorbereidingskrediet. Daar waar dit niet het geval is worden zij lineair in 5 jaar afgeschreven.

Afspraak 11

Activa wordt op basis van de lineaire afschrijvingsmethode afgeschreven.

Minimale afschrijvingstermijn van drie jaar

De minimale afschrijvingstermijn wordt gesteld op 3 jaren: investeringen die korter meegaan, worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. In bijlage 1 staan de afschrijvingstermijnen zoals deze door de gemeente worden gehanteerd. Deze afschrijvingstabel wordt indien daar aanleiding voor is tussentijds via de P&C documenten (begroting of tussentijdse rapportages) geactualiseerd. Op voorstel van het college wordt bij raadsbesluit een afschrijvingstermijn bepaald voor activa waarvoor geen afschrijvingstermijn is opgenomen.

Afspraak 12

  • a.

    Activa met een levensduur van 3 jaar of minder worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • b.

    Voor de investeringen worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd zoals weergegeven in de afschrijvingstabel in bijlage 1. Deze tabel wordt indien daar aanleiding voor is tussentijds via de P&C documenten (begroting of tussentijdse rapportages) geactualiseerd.

  • c.

    Op voorstel van het college wordt bij raadsbesluit een afschrijvingstermijn bepaald voor activa waarvoor geen afschrijvingstermijn is opgenomen.

Startmoment van afschrijven

De gemeente Bloemendaal start met afschrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt / verworven wordt.

Afspraak 13

De afschrijvingen starten in het jaar volgend op het jaar na de aanschaf of voltooiing van het activum. Dit betekent dat er niet wordt afgeschreven in het jaar van afronding c.q. ingebruikname van een investering.

Restwaarde en circulaire economie

De restwaarde is de waarde van een activum aan het eind van de gebruikstermijn op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikneming. Omdat activa gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch slijten/verouderen, wordt tot op heden afgeschreven naar een boekwaarde van € 0.

De gemeente staat voor de uitdaging om circulair te bouwen. In het Grondstoffenakkoord / Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 is de landelijke ambitie opgenomen voor de omschakeling naar een volledig circulaire economie met een transitieagenda voor onder andere het onderdeel Bouw (woningen en bedrijfsruimten/kantoren inclusief klimaatinstallaties en infrastructuur zoals wegen en bruggen/viaducten). Het hergebruik of het recyclen van deze onderdelen zou binnen de gemeente nader kunnen worden gestimuleerd door voor deze onderdelen materiële activa rekening te houden met een circulaire restwaarde vanwege hergebruik of het recyclen van de grondstoffen en materialen.

Op het moment dat hiervoor een uniforme beleidslijn is te formuleren, zullen we deze via een toekomstig P&C product (bijvoorbeeld in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen) aan de raad voorleggen.

Afspraak 14

Zodra voor het hanteren van een circulaire restwaarde een uniforme beleidslijn is te formuleren, wordt deze via een toekomstig P&C product (bijvoorbeeld in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen) aan de raad voorgelegd.

Rentetoerekening

De rentetoerekening per programma wordt jaarlijks bepaald op basis van het vastgestelde renteomslag percentage, berekend over de boekwaarde van de investering per 1 januari van dat jaar.

Afspraak 15

Aan de geactiveerde activa wordt rente toegerekend over de boekwaarde op 1 januari van het betreffende activum.

8 Bestuurlijke verantwoording en procedures

8.1 Inpassing in de planning- en controlcyclus

Investeringen nemen een zelfstandige positie in binnen de planning- en control cyclus. Het investeringsplan maakt onderdeel uit van zowel de Kadernota als de programmabegroting. Daarnaast komt de stand van zaken van de investeringen aan de orde in alle producten van de planning- en control cyclus. Hiermee vormen zij een integraal onderdeel van de cyclus van plannen, uitvoeren en verantwoorden.

Kadernota

In de Kadernota wordt inzicht gegeven in het investeringsplan, de investeringsbehoeften en wordt het investeringsvolume bepaald. Deze dient dus om de ruimte te bepalen van de mogelijke investeringen die in de programmabegroting voor het komende jaar kunnen worden opgenomen.

Programmabegroting

In de programmabegroting worden de kapitaallasten van de uit het investeringsplan voortvloeiende investeringen voor het komende begrotingsjaar en voor de daaropvolgende drie jaar weergegeven. De investeringsvoorstellen voor het komende begrotingsjaar hebben het karakter om geautoriseerd te worden, terwijl de verkenning voor de komende jaren veelal indicatief is ten behoeve van een goed begrotingsbeleid. Deze worden dan ook door de raad alleen voor kennis aangenomen.

Bij de begrotingsbehandeling worden – met het vaststellen van de financiële positie - de investeringskredieten voor de betreffende jaarschijf waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 500.000 meteen geautoriseerd. Voor de nieuwe investeringen met een investeringsbedrag van € 500.000 of hoger en de overige niet in de begroting opgenomen investeringen vindt de autorisatie plaats via een afzonderlijk raadsbesluit. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen (voor het komende begrotingsjaar) hij op een later tijdstip een afzonderlijk voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.

Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar, die niet in het investeringsplan zijn opgenomen, legt het college – vooraf aan het aangaan van verplichtingen – een separaat investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van het krediet aan de raad voor.

Tussenrapportages

Bij de tussenrapportages wordt inzicht verschaft in het verloop van de in uitvoering zijnde investeringen. Daarbij gaat het zowel over de uitvoering in tijd als de toereikendheid van de beschikbaar gestelde middelen. Vertraging in de uitvoering kan reden zijn voor lagere exploitatielasten en ook deze gevolgen worden gemeld.

Jaarrekening

In de jaarrekening legt het college verantwoording af over de realisatie van de in de begroting opgenomen investeringen, alsmede de afwikkeling van investeringen die nog doorliepen van voorgaande jaren.

In de jaarrekening wordt een overzicht verstrekt van alle lopende investeringskredieten en wordt duidelijk aangegeven welke investeringskredieten kunnen worden afgesloten.

8.2 Procedures

Autorisatie van investeringen

De bevoegdheid tot het toekennen van investeringskredieten berust – in het kader van het budgetrecht – bij de raad. De investeringskredieten voor het eerstvolgende begrotingsjaar waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 500.000 en die starten in het nieuwe jaar worden bij de vaststelling van de begroting beschikbaar gesteld, tenzij de raad een voorbehoud maakt om een investering op een later moment te autoriseren. De investeringskredieten voor het eerstvolgende begrotingsjaar waarvan het investeringsbedrag € 500.000 of hoger is en de overige niet in de begroting opgenomen investeringen worden bij afzonderlijk raadsbesluit beschikbaar gesteld. Dat kan in diezelfde begrotingsvergadering of op een later moment mits wordt voldaan aan de onderbouwingscriteria zoals opgenomen in bijlage 3. De lasten van de investeringen (kapitaallasten) zijn in de programmabegroting en de meerjarenraming opgenomen.

Wijzigen van kredieten

Wijziging van de omvang en/of het doel van een investering is niet mogelijk zonder een nieuw besluit van de raad. Met de raad is immers een afspraak gemaakt omtrent een bepaalde inzet van middelen voor een vastgesteld doel en binnen een vastgestelde periode. Hiervan kan niet zonder een besluit van de raad worden afgeweken.

Afsluiten van kredieten

Investeringskredieten worden voor een specifiek doel beschikbaar gesteld. Dat specifieke doel kan of moet binnen een bepaalde periode gerealiseerd worden. Om te voorkomen dat kredieten oneindig blijven openstaan is het gewenst om een bepaalde orde termijn af te spreken, waarbinnen het doel gerealiseerd kan worden en dus het krediet kan worden afgesloten.

Voorgesteld wordt om hiervoor een termijn van twee begrotingsjaren te hanteren.

Bij de vaststelling van de jaarrekening wordt via een integraal overzicht van alle lopende investeringskredieten gerapporteerd over de voortgang en de daadwerkelijk af te sluiten kredieten. Indien er redenen zijn om de orde termijn van twee jaar te verlengen, dan zal dit in dat overzicht gemotiveerd worden toegelicht.

9 Tenslotte

9.1 Citeertitel

Deze nota wordt aangehaald als de Nota Activabeleid gemeente Bloemendaal 2025-2030.

9.2 Hardheidsclausule

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die een gegronde reden vormen om af te wijken van hetgeen in deze nota is opgenomen, bijvoorbeeld omdat voldaan moet worden aan veranderingen in de huidige wet- en regelgeving. Bij onvoorziene omstandigheden en gegronde redenen behoudt de raad op voorstel van het college het recht om anders te beslissen dan is opgenomen in deze nota mits het besluit voldoet aan de actuele wet- en regelgeving.

9.3 Wijziging van de nota

Conform artikel 11 van de Verordening Financieel Beheer Bloemendaal 2025 biedt het college de raad tenminste eens in de vier jaar een (geactualiseerde) nota activabeleid aan. Indien wet- en regelgeving of andere omstandigheden dit in de tussentijd vereisen, wordt deze nota opnieuw beoordeeld op toepasbaarheid en actualiteit, en waar nodig aangepast of aangevuld. Dergelijke wijzigingen hoeven niet te leiden tot een nieuwe nota activabeleid maar kunnen bijvoorbeeld ook via toekomstige P&C producten (begroting of tussentijdse rapportages) aan de raad worden voorgelegd. Deze maken na goedkeuring door de raad integraal onderdeel uit van het vigerende activabeleid van de gemeente Bloemendaal.

9.4 Inwerkingtreding

De nota treedt in werking op 1 januari 2026.

Bijlage 1 Termijnen van afschrijvingen

Activa

Termijn

Afval

 
  • Ondergrondse inzamelcontainers

15 jaar

  • Rolemmers (alleen bij massale inkoop/omwisseling)

15 jaar

 

(Bedrijfs)gebouwen

 
  • Nieuwbouw

40 jaar

  • Verbouwkosten: gebruiksduur verlengend

40 jaar

  • Verbouwkosten: niet gebruiksduur verlengend

25 jaar

  • Uitbreiding

40 jaar

  • Technische installaties (beveiliging, etc.)

5 jaar

Duurzame aanpassingen

 
  • Zonnepanelen

20 jaar

  • Warmtepompen

10 jaar

  • Dak-/muurisolatie

25 jaar

 

Bedrijfsmiddelen

 
  • Auto’s en zwaar materieel

8 jaar

  • Gereedschap en hulpmiddelen

10 jaar

 

Gronden en terreinen

 
  • Grond

niet

 

Groen/plantsoenen

 
  • Aanleg

50 jaar

  • Herinrichting/renovatie

30 jaar

 

Grond- , weg- en waterbouwkundige werken

 

Riolering

 
  • Riolering (vernieuwing)

70 jaar

  • Gemalen bouwkundig

45 jaar

  • Gemalen elektro + mechanisch

15 jaar

  • Persleidingen

45 jaar

  • Drukriolering bouwkundig

45 jaar

  • Drukriolering elektro + mechanisch

15 jaar

  • IBA’s (individuele behandeling van afvalwater)

20 jaar

  • Randvoorzieningen bouwkundig

70 jaar

  • Randvoorzieningen elektro + mechanisch

15 jaar

  • Drainage / DT-riolering

40 jaar

  • Infiltratievoorzieningen

70 jaar

  • Deep Wells

5 jaar

Begraafplaatsen

 
  • Aanleg begraafplaatsen

40 jaar

Weg- en waterbouw

 
  • Eerste aanleg wegen, fiets- en voetpaden

50 jaar

  • Reconstructie en herinrichting wegen, fiets- en wandelpaden

25 jaar

  • Civiele kunstwerken (bruggen): hout

30 jaar

  • Civiele kunstwerken (bruggen): staal en beton

50 jaar

  • Verkeersregelinstallaties

15 jaar

  • Openbare verlichting: masten

40 jaar

  • Openbare verlichting: armaturen

20 jaar

  • Infrastructurele maatregelen

20 jaar

  • Beschoeiingen

30 jaar

  • Voorziening ligplaatsen

15 jaar

  • Parkeerautomaten

8 jaar

 

ICT (indien sprake is van eigenaarschap)

 
  • Automatiseringsprojecten(hard- en software)

3 jaar

  • Website

3 jaar

  • Mobiele apparatuur (telefoon, etc.)

3 jaar

 

Kantoorinrichting

 
  • Meubilair, inventaris en kantoorapparatuur

10 jaar

 

Onderwijs

 
  • Schoolgebouw: nieuwbouw

40 jaar

  • Schoolgebouw: verbouw gebruiksduur verlengend

40 jaar

  • Schoolgebouw: verbouw niet gebruiksduur verlengend

25 jaar

  • Uitbreiding schoolgebouwen

25 jaar

  • Gymnastieklokalen: nieuwbouw

40 jaar

  • Gymnastieklokalen: verbouw gebruiksduur verlengend

40 jaar

  • Gymnastieklokalen: verbouw niet gebruiksduur verlengend

25 jaar

  • Brandbeveiliging

10 jaar

 

Sportvelden

 

Kunstgrasvelden

 
  • Toplaag

10 jaar

  • Sporttechnische laag

20 jaar

  • Onderbouw (zand en drainage)

35 jaar

Natuurgras

 
  • Toplaag

10 jaar

  • Onderbouw (inclusief drainage)

15 jaar

Overig sport

 
  • Tennisveld gravel

15 jaar

Bijlage 2 Begrippen

Hierna wordt een aantal kernbegrippen omschreven.

Activa

De bezittingen van de gemeente, zoals gronden, gebouwen, voertuigen en infrastructuur. Deze worden ingedeeld in vlottende activa en vaste activa.

Activeren

Het opnemen van investeringen op de balans. De jaarlijkse kosten (afschrijvingen) worden ten laste van de exploitatie gebracht.

Activa met een economisch nut

Gemeentelijk bezit dat kan bijdragen aan het genereren van inkomsten en/of verhandelbaar is.

Afschrijven

Een boekhoudkundige weergave van de waardevermindering van activa wegens technische slijtage en economische veroudering. De technische en economische gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslast in enig jaar.

Afwaarderen activa

Het verlagen van de boekwaarde van een bezit indien de waarde door schade, veroudering of marktomstandigheden is afgenomen.

Agio/disagio

Agio en disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het hogere c.q. lagere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Agio en disagio kan ook betrekking hebben op aandelen.

Annuïtaire afschrijving

Een afschrijvingsmethode waarbij de jaarlijkse kapitaallasten gedurende de gehele afschrijvingsperiode van de investering gelijk blijven. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Aan het eind van de periode ligt deze verhouding andersom.

Boekwaarde

Waarde van de activa op de balans. Dit is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen.

Boekwinst / -verlies

Als het activum wordt verkocht of buiten gebruik gesteld tegen een prijs die hoger c.q. lager is dan de resterende boekwaarde op het moment van verkoop of afstoting.

Componentenbenadering

Dit houdt in dat verschillende samengestelde delen van een materieel vast activum afzonderlijk worden afgeschreven, elk naargelang zijn eigen waarde verloop.

Desinvesteren activa

De definitieve buiten gebruik stelling van duurzame (materiële) productiemiddelen (bijvoorbeeld bij verkoop of sluiting)

Economische levensduur

De economische levensduur wordt bepaald door rationeel en doelmatig gebruik rekening houdend met technologische ontwikkelingen. Met andere woorden: slijtage van activa door veroudering.

Financiële vaste activa

Activa die een financiële waarde vertegenwoordigen, zoals deelnemingen, aandelen en verstrekte geldleningen.

Immateriële vaste activa

Investeringsuitgaven waar geen bezit tegenover staat (bijvoorbeeld kosten sluiten geldlening)

Investeringen

Uitgaven ter verwerving van een goed of ter bereiking van een doel waaraan een meerjarig nut kan worden toegekend.

Investeringskrediet

Het bedrag dat door de gemeenteraad beschikbaar is gesteld voor het doen van een investering.

Investering met een economisch nut

Activa die verhandelbaar zijn (waar dus een markt voor is) of die kunnen bijdragen aan het genereren van middelen, bijvoorbeeld door het vragen van rechten, heffingen of prijzen.

Investeringen met een maatschappelijk nut

Activa waarmee geen middelen gegenereerd kunnen worden en die ook niet verhandelbaar zijn, maar wel duidelijk een publieke taak vervullen, zoals wegen, groenvoorziening, bruggen etc.

Kapitaalgoederen

Goederen die meerdere jaren meegaan.

Kapitaallasten

De jaarlijks terugkerende exploitatielasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit de afschrijvingen en de toegerekende rente.

Lineaire afschrijving

Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvingscomponent is jaarlijks gelijk. Als gevolg van de dalende boekwaarde neemt de jaarlijks toegerekende rentelast af.

Materiële vaste activa

Activa waar een bezit tegenover staat en waaraan een meerjarig nut kan worden toegekend.

Renovatie

Het herstellen, verbeteren en/of vernieuwen van een bestaand gebouw, met als doel om het weer in goede staat te brengen en eventueel aan te passen aan de moderne normen en behoeften. Een significante kwaliteitsverbetering en levensduur verlengend.

Restwaarde

De restwaarde vertegenwoordigt de schatting van de opbrengstwaarde, tegen het huidige prijspeil, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van het) activum, op het moment dat het activum buiten bedrijf wordt gesteld.

Technische levensduur

Het aantal jaren dat een object werkelijk meegaat voordat het versleten is of tot het moment waarop het geen productieve prestaties meer kan leveren.

Toegerekende rente

Een vergoeding (administratief) voor het beslag dat de boekwaarde van een investering legt op de financieringsmiddelen van de gemeente. De toegerekende rente is onderdeel van de kapitaallasten.

Vaste activa

Bezittingen waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan 1 jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn gebouwen, gronden en verstrekte geldleningen. De vaste activa worden onderverdeeld in: immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa.

Verkrijgingsprijs

Het bedrag dat is betaald om activa aan te schaffen, inclusief de bijkomende kosten.

Vervaardigingsprijs

De kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het vervaardigen van een activum.

Vlottende activa

De bezittingen van een gemeente waarvoor het daarvoor benodigde vermogen voor een periode korter dan 1 jaar is vastgelegd. Binnen een jaar moeten de vlottende activa zijn omgezet in geld. Voorbeelden zijn: voorraden en debiteuren.

Voorraden

Dit zijn goederen die in bewaring worden gehouden voor later gebruik. Voorbeelden zijn: grond- en hulpstoffen, gereed product en handelsgoederen.

Waarderingsgrondslag

Uitgangspunten en methoden op basis waarvan de waarde van een bezit wordt bepaald. Bijvoorbeeld voor het opstellen van de jaarrekening of een andere financiële verantwoording.

Bijlage 3 Onderbouwing investeringsaanvragen

De raad kan alleen investeringskredieten accorderen die in voldoende mate zijn onderbouwd en gespecificeerd. Investeringsaanvragen moeten dan ook de volgende elementen bevatten:

  • Specificatie van de investeringsaanvraag (inclusief: looptijd, investeringsbedrag, uitsplitsing naar eventuele deelprojecten);

  • Deelprogramma waartoe de investering behoort;

  • Betreft het een vervanging- of uitbreidingsinvestering. Indien het een vervangingsinvestering betreft wordt aangeven of er nog een inhaalafschrijving dient plaats te vinden op het te vervangen activum;

  • Afschrijvingstermijn, inclusief aanvullende motivatie wanneer de termijn eventueel afwijkt van de afschrijvingstabel;

  • Wijze van dekking;

  • Jaarlijkse exploitatielasten, d.w.z. de kapitaallasten en overige exploitatiekosten;

  • Liquiditeitsplanning, waarin is aangegeven in welk tempo de investeringsbedragen zullen worden aangewend;

  • Eventueel te hanteren circulaire restwaarde voor investeringen in gebouwen en infrastructuur met een concrete onderbouwing en uitwerking;

  • Eventuele betrokken partijen en bijdragen van - en aan derden;

  • Eventueel aan te vragen subsidies;

  • Voor investeringen worden eventuele risico’s benoemd die met de investering samenhangen en op welke wijze het college deze risico’s (gaat) beheersen.


Noot
1

Zie Notitie Materiële Vaste Activa (2020) van de Commissie BBV

Noot
2

Zie Notitie Materiële Vaste Activa (2020) van de Commissie BBV

Noot
3

Bouwgrond in exploitatie behoort tot de vlottende activa en valt daarom niet onder de werking van deze nota.

Noot
4

Zie BBV notitie Erfpacht (2017).

Noot
5

Zie Notitie Materiële Vaste Activa (2020) van de Commissie BBV

Noot
6

Zie Notitie Materiële Vaste Activa (20207) van de Commissie BBV

Noot
7

Zie Notitie Materiële Vaste Activa (2020) van de Commissie BBV