Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR745588
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR745588/2
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2025
Geldend van 07-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-08-2025
Intitulé
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2025De Raad van de gemeente Rotterdam,
gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 20 mei 2025
(raadsvoorstel nr. 25bb003715/25bo005242); 25bb006169;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.12 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;
besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- -
aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening;
- -
aanvrager: bevoegd gezag dat een aanvraag indient;
- -
advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 6.12, zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- -
bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet voortgezet onderwijs 2020 bekostigde openbare of bijzondere school;
- -
businesscase: verkenningsstudie om een volledig inzicht te krijgen in de haalbaarheid van een bouwproject;
- -
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;
- -
dislocatie: gebouw of deel van gebouw van een school dat niet het hoofdgebouw betreft en geen zelfstandige of nevenvestiging van een school is;
- -
IHP: Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Rotterdam;
- -
lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor bewegingsonderwijs, watergewenning of bewegingstherapie;
- -
medegebruik: gebruik van een onderwijsgebouw of een gedeelte daarvan ten behoeve van onderwijs van een andere school of ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;
- -
minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- -
nevenvestiging: deel van een school dan wel instelling die door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of de artikelen 4.12 en 4.14 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
- -
overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- -
permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
- -
programma: programma als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- -
school:
- 1°.
school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
- 2°.
school of instelling voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
- 3°.
school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 1°.
- -
schriftelijk: per brief of digitaal, waaronder ook begrepen per e-mail;
- -
startnotitie: beschrijving van een bouwproject opgesteld in de initiatieffase om de randvoorwaardelijke en richtinggevende omstandigheden van het project te bepalen;
- -
tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
- -
VE peuteropvang: programma van voorschoolse educatie van ten minste 960 uur verdeeld over ten hoogste 60 weken en gemiddeld 16 uur per week, inclusief de momenten voor brengen en halen, bij een openstelling van ten minste 40 weken per kalenderjaar;
- -
voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening ten minste 15 jaar noodzakelijk is;
- -
voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening ten minste 4 jaar en ten hoogste 15 jaar noodzakelijk is;
- -
voorziening: voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.
Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
In deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:
- a.
voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
- 1°.
nieuwbouw van een lesgebouw of een lokaal voor bewegingsonderwijs voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie, waaronder tevens wordt verstaan het volledig aan nieuwbouweisen laten voldoen van een bestaand gebouw of zoveel mogelijk aan nieuwbouweisen laten voldoen van een gebouw dat naar het oordeel van het college niet kan worden gesloopt;
- 2°.
uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;
- 3°.
geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;
- 4°.
verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school;
- 5°.
terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld onder 1° tot en met 4°;
- 6°.
inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;
- 7°.
inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;
- 8°.
medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs;
- 9°.
huur.
- 1°.
- b.
herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;
- c.
herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
- d.
huur van een sportterrein dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.
Artikel 3a Planvoorbereidingskrediet
-
1. Voor projecten die opgenomen zijn in een vastgesteld IHP kan het college eenmalig een planvoorbereidingskrediet verstrekken aan een bevoegd gezag tot een maximum van € 25.000 prijspeil 2025 voor het uitvoeren of laten uitvoeren van een verkennende studie naar de haalbaarheid van een aan te vragen voorziening in de huisvesting. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de methodiek, bedoeld in bijlage IV van deze verordening, specifiek deel A indexering, A.1.
-
2. Een bevoegd gezag kan een planvoorbereidingskrediet gedurende het gehele jaar aanvragen via het digitaal onderwijsloket en vermeldt daarbij:
- a.
de naam en het adres van de aanvrager;
- b.
de dagtekening;
- c.
de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor mogelijk een voorziening zal worden aangevraagd;
- d.
de hoogte van het gewenste planvoorbereidingskrediet.
- a.
Artikel 3b Bouwvoorbereidingskrediet
-
1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2°, kan het college een bouwvoorbereidingskrediet verstrekken aan een bevoegd gezag ter bekostiging van het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan.
-
2. Een bevoegd gezag kan een bouwvoorbereidingskrediet gedurende het gehele jaar aanvragen via het digitaal onderwijsloket en voegt daarbij:
- a.
de naam en het adres van de aanvrager;
- b.
de dagtekening;
- c.
de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° of 2° zal worden aangevraagd;
- d.
in geval van een IHP-project een startnotitie waaruit volgt dat het bevoegd gezag in aanmerking komt voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° of 2°.
- a.
-
3. De vergoeding voor een bouwvoorbereidingskrediet wordt vastgesteld op ten hoogste 5 procent van het geraamde investeringsbedrag van de aan te vragen voorziening. De normbedragen uit bijlage IV van deze verordening, specifiek deel B onder A, B of C vormen het uitgangspunt voor het ramen van het investeringsbedrag.
Het totale investeringsbedrag blijkt uit een door het bevoegd gezag op te stellen business case.
-
4. Bij toekenning van een bouwvoorbereidingskrediet kan het college een voorschot verlenen op het bouwvoorbereidingskrediet van ten hoogste € 70.000 prijspeil 2025 ten behoeve van het opstellen van een business case. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de methodiek uit bijlage IV van deze verordening, specifiek deel A indexering, A.1.
De uitbetaling van het resterende bedrag van het bouwvoorbereidings-krediet vindt plaats na goedkeuring van de business case door het college.
-
5. Het beschikbaar gestelde bouwvoorbereidingskrediet, inclusief voorschot daarop, maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt hierop in mindering gebracht.
Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen
-
1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 6° en 7°, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de normbedragen, genoemd in bijlage IV van deze verordening.
-
2. Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.
-
3. Voor voorzieningen in artikel 2 onderdeel a, onder 1° kan het college besluiten de kosten te vergoeden voor het realiseren van extra bruto vloeroppervlakte tot maximaal 25 procent van de ruimtebehoefte volgens bijlage III van deze verordening, specifiek deel B onder B.1.
Artikel 5. Informatieverstrekking
Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het digitaal onderwijsloket.
Artikel 5a
Het college stelt nadere regels of beleidsregels ten aanzien van de artikelen 4, derde lid en A.1 van Deel A van Bijlage III van deze verordening.
Hoofdstuk 2. Programma en overzicht
Paragraaf 2.1 Aanvragen programma
Artikel 6. Indienen aanvraag
-
1. Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 15 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar dat het betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. De aanvraag geschiedt elektronisch via het digitaal onderwijsloket. Een aanvraag wordt ondertekend met een elektronische handtekening als bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel op een andere wijze waardoor geen twijfel bestaat over de authenticiteit van de aanvraag.
-
2. Aanvragen die na de datum, genoemd in het eerste lid, worden ontvangen neemt het college niet in behandeling.
Artikel 7. Inhoud aanvraag
-
1. Een aanvraag vermeldt in ieder geval:
- a.
de naam en het adres van de aanvrager;
- b.
de dagtekening;
- c.
de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;
- d.
de voorziening die wordt aangevraagd;
- e.
de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit:
- 1°.
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8° of 9°, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagen van een school, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven;
- 2°.
als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767 of als de aanvraag betrekking heeft op herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage van een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;
- 3°.
als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.
- 1°.
- f.
de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening; en
- g.
als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening zal worden gerealiseerd.
- a.
-
2. Het college kan verlangen dat het bevoegd gezag nadere gegevens overlegt ter onderbouwing van de noodzaak van de gevraagde voorziening die al dan niet via het onderwijsloket moeten worden verstrekt.
-
3. Het college stelt de aanvrager voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar dat het betreffende programma wordt vastgesteld schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 november de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen
Het college verstrekt aan de bevoegde gezagen een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan onder opgave van redenen welke niet in behandeling worden genomen.
Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht
Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
-
1. Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Voor 1 april van het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft vindt dan een overleg plaats waarin de aanvraag wordt toegelicht.
-
2. Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast.
-
3. Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:
- a.
de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en
- b.
als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.
- a.
Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
-
1. Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.
-
2. Dit overleg vindt plaats uiterlijk 1 mei van het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.
-
3. De bevoegde gezagen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voorafgaand aan het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.
-
4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagen naar voren gebrachte zienswijzen. De zienswijzen, bedoeld in het vorige lid en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen twee weken na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagen.
-
5. Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies heeft betrekking op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.
-
6. Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad en zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.
-
7. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.
-
8. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen twee weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.
-
9. Het overleg, bedoeld in het eerste lid wordt gevoerd in de sectorkamers. Op het overleg is de Procedure Overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Rotterdam van toepassing.
Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
-
1. Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.
-
2. Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 mei in het jaar waarop het programma betrekking heeft.
Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
-
1. De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen twee weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.
-
2. De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.
Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma
Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering
-
1. Voor de uitvoering van de op het programma geplaatste voorzieningen wordt de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs aangehouden.
-
2. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:
- a.
het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- b.
het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;
- c.
als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
- d.
de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;
- e.
de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen;
- f.
de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt.
- a.
-
3. De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen twee weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt geacht over het verslag overeenstemming te zijn bereikt.
-
4. Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen zes weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
-
5. Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.
Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes
-
1. Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, derde lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, tweede lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. De bouwopdracht wordt pas verleend nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan en de begroting.
-
2. Het college beslist binnen zes weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.
-
3. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.
Artikel 15. Aanvang bekostiging
Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.
Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging
-
1. Voor 1 november van het jaar volgend op het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 30 november van datzelfde jaar een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. In geval van IHP-projecten geldt dat binnen twee jaar na dagtekening van de beschikking van het bouwvoorbereidingskrediet gebruik moet zijn gemaakt van de beschikte middelen. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.
-
2. De in het eerste lid bedoelde:
- a.
bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;
- b.
bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;
- c.
huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;
- d.
koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.
- a.
-
3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de termijn, genoemd in het eerste lid wordt veroorzaakt door:
- a.
bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen; en
- b.
de aanvrager voor 1 november een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.
- a.
-
4. Het college beslist op een verzoek tot het verlengen van de termijn en bij inwilliging van dat verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.
Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter
Paragraaf 3.1 Aanvraag
Artikel 17. Indienen aanvraag
Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening, die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen twee weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. De aanvraag geschiedt elektronisch via het digitaal onderwijsloket. Een aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag en wordt ondertekend met een elektronische handtekening, zoals bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene Wet Bestuursrecht, dan wel op een andere door het college toegestane wijze van elektronische indiening waarbij geen twijfel bestaat over de authenticiteit van de aanvraag.
Artikel 18. Inhoud aanvraag
-
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.
-
2. Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens twee weken de tijd om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.
Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit
Artikel 19. Tijdstip beslissing
-
1. Het college beslist binnen zes weken nadat de aanvraag is ontvangen.
-
2. Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-
3. Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de beschikking schriftelijk daarvan in kennis.
Artikel 20. Vervallen aanspraak op bekostiging
De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet binnen drie maanden na de beschikking een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.
Artikel 21. Uitvoeren beslissing
Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19 waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.
Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur
Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie
Artikel 22. Aanduiden omstandigheden
Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als:
- a.
door medegebruik kan worden voorzien in de behoefte aan huisvesting van:
- 1°.
een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, van deze verordening een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend; of
- 2°.
een school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs waarbij sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; en
- 1°.
- b.
leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school of in een lokaal bewegingsonderwijs van een school.
Artikel 23. Omschrijving leegstand
-
1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, van deze verordening is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.
-
2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:
- a.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;
- b.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, van deze verordening vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;
- c.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld in de onderdelen a en b, minder is dan 40 klokuren.
- a.
Artikel 24. Nalaten vorderen
Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik zal plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen reeds beschikbare huisvestingscapaciteit.
Artikel 25. Overleg en mededeling
-
1. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10.
-
2. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagen.
-
3. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld dan wel binnen twee weken na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt.
-
4. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:
- a.
de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;
- b.
een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het bewegingsonderwijs betreft, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;
- c.
het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;
- d.
het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;
- e.
de periode waarvoor gevorderd wordt; en
- f.
de ingangsdatum van het medegebruik.
- a.
Artikel 26. Vergoeding
De betrokken bevoegde gezagen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. De bevoegde gezagen kunnen het college verzoeken een medegebruikstarief vast te stellen voor gevallen waarin geen overeenstemming wordt bereikt.
Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden
Artikel 27. Overleg en mededeling
-
1. Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag.
-
2. In het overleg komt in ieder geval aan de orde:
- a.
voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
- b.
of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;
- c.
of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
- d.
wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;
- e.
de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.
- a.
-
3. Binnen vier weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt dit schriftelijk mede. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.
Paragraaf 4.3 Verhuur
Artikel 28. Verzoek toestemming college
-
1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 6.16, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.
-
2. Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte.
-
3. Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.
Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen
Artikel 29. Staat van onderhoud
-
1. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. Achterstallig onderhoud is aanwezig indien het gebouw of terrein niet ten minste voldoet aan conditieniveau 3 conform NEN2767.
-
2. Als het college vermoedt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de overdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt.
-
3. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college.
-
4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.
-
5. Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Na schriftelijke toestemming kan het bevoegd gezag vrijgesteld worden van deze verplichting. Als geen overeenstemming wordt bereikt, bepaalt het college welke handelwijze wordt gevolgd.
-
6. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.
Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) (speciaal) onderwijs
Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik
-
1. Het college stelt jaarlijks voor 31 januari voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt. Een aanvraag geschiedt elektronisch via het digitaal onderwijsloket. Een aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag en dient ondertekend te worden met een elektronische handtekening, zoals bedoeld in artikel 2:16 van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel op een andere door het college toegestane wijze van elektronische indiening waarbij geen twijfel bestaat over de authenticiteit van de aanvraag.
-
2. Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.
-
3. Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 1 april een voorlopig rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende uitgangspunten:
- a.
de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B van deze verordening;
- b.
een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs; en
- c.
het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs. Een school komt in aanmerking voor de toewijzing van een preferente zaal, als deze school op basis van de normuren voor bewegingsonderwijs tot minimaal 60% bezetting van deze gymzaal komt. Dit betekent dat alléén scholen voor een preferente zaal in aanmerking komen wanneer ze voldoende leerlingen (nu en in de toekomst op basis van leerlingenprognose) hebben om deze zaal te vullen.
- a.
-
4. Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 1 april in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:
- a.
het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;
- b.
het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en
- c.
de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.
- a.
-
5. De bevoegde gezagen kunnen tot 1 mei reageren op het voorstel.
-
6. Op verzoek van de bevoegde gezagen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats tussen 1 april en 1 mei. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagen reageren op het voorstel.
-
7. Het college stelt het rooster voor 1 juni definitief vast en houdt hierbij waar mogelijk rekening met de reacties van de bevoegde gezagen.
-
8. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld.
-
9. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 31. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.
Artikel 32. Indexering
Het college stelt jaarlijks voor 1 januari voor het komende kalenderjaar de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV van deze verordening opgenomen systematiek van prijsbijstelling.
Artikel 33. Intrekken oude verordening
De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2021 wordt ingetrokken.
Artikel 34. Overgangsrecht
Aanvragen om voorzieningen of aanvragen om bouwvoorbereidingskredieten die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening en waar nog niet op is beslist, worden afgehandeld op grond van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2021.
Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 augustus 2025.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Rotterdam 2025.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 september 2025.
De griffier,
I.C.M. Broeders
De plv. voorzitter,
A. Kockelkoren
Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen
Deel A - Lesgebouwen
De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.
A.1 Nieuwbouw
Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:
- a.
de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
- b.
de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht gedurende de volgende termijn:
- 1°.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht; of
- 2°.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht;
- 1°.
- c.
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; en
- d.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.2 Vervangende bouw
- 1.
De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:
- a.
er zich één van de volgende gevallen voordoet:
- 1°.
het adres voorkomt op een vastgesteld IHP of het in zo’n slechte of matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname, bedoeld in artikel 7, zodat onderhoud of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging;
- 2°.
een herschikkingsoperatie heeft plaatsgevonden waardoor behoefte bestaat aan een nieuw gebouw; of
- 3°.
ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening hebben plaatsgevonden waardoor behoefte bestaat aan een nieuw gebouw;
- 1°.
- b.
de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht gedurende de volgende termijn:
- 1°.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of
- 2°.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en
- 1°.
- c.
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; en
- d.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
- a.
- 2.
Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw wordt gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.
A.3 Uitbreiding
A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw
De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:
- a.
de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en
- b.
de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht gedurende de volgende termijn:
- 1°.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste vijftien jaar kunnen worden verwacht; of
- 2°.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht;
- 1°.
- c.
de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest;
- d.
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; en
- e.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal
De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:
- a.
tot een speciale school voor basisonderwijs ten minste twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;
- b.
de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de school ten minste vijftien jaar zal blijven bestaan;
- c.
in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;
- d.
medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is; en
- e.
het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.
A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw
- 1.
De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:
- a.
de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;
- b.
de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht gedurende de volgende termijn:
- 1°.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste vijftien jaar kunnen worden verwacht; of
- 2°.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste vier jaar kunnen worden verwacht;
- 1°.
- d.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; en
- e.
de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.
- a.
- 2.
Het in gebruik te nemen gebouw voldoet ten minste aan conditieniveau 3 conform NEN2767.
A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw
De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:
- a.
er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;
- b.
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;
- c.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; en
- d.
de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.
A.6 Terrein
De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein voldoet aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.
A.7 Eerste inrichting
- 1.
De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat de school op grond van de laatste teldatum, voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, uitgebreid is met een ruimtebehoefte van ten minste 55 m2 voor een school voor basisonderwijs en 50 m2 voor een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en hiervoor nog niet eerder bekostiging heeft gekregen.
- 2.
De noodzaak van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze hiervoor nog niet eerder bekostiging heeft gekregen.
- 3.
De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal.
- 3.
Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.
A.8 Medegebruik
- 1.
De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:
- a.
gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C; en
- b.
een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk is.
- a.
- 2.
Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
A.9 Huur
Noodzaak van huur is aanwezig als:
- a.
de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;
- b.
de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht gedurende de volgende termijn:
- 1°.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht; of
- 2°.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht;
- 1°.
- c.
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; en
- d.
het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
- e.
de kosten van huur naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.
A.10 Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
A.11 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- enhulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs
B.1. Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming
De noodzaak van:
- a.
nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;
- b.
vervangende nieuwbouw is aanwezig als het in zo’n slechte of matige conditie zijn van voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname dat onderhoud of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren of als de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt en uitbreiding of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren;
- c.
uitbreiding is aanwezig als de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt;
- d.
ingebruikneming is aanwezig als:
- 1°.
de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; of
- 2°.
het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, overeenkomstig onderdeel b, voor vervangende nieuwbouw in aanmerking komt; of
- 3°.
De kosten van het in gebruik nemen in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw; en
- 1°.
-
het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor:
- 1°.
Een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs bij noodzakelijk gebruik van:
- a.
tenminste 20 klokuren binnen 1 km hemelsbreed;
- b.
tenminste 15 klokuren binnen 3,5 km hemelsbreed;
- c.
tenminste 5 klokuren binnen 7,5 km hemelsbreed;
- a.
- 2°.
Een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bij noodzakelijk gebruik van:
- a.
tenminste 22,50 klokuren binnen 1 km hemelsbreed;
- b.
tenminste 13,5 klokuren binnen 3,5 km hemelsbreed;
- c.
tenminste 6,75 klokuren binnen 7,5 km hemelsbreed;
- a.
- 3°.
Een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km hemelsbreed; en
- 1°.
een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of kunnen worden verwacht.
B.2 Terrein
De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.
B.3 Eerste inrichting
De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als nieuwbouw of uitbreiding van een bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en de losse inrichting nog niet eerder voor de desbetreffende leerlingen bekostiging van eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.
B.4 Medegebruik
De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.
B.5 Herstel constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
B.6 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
Bijlage II – Prognosecriteria
A. Algemeen
- 1.
Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen op de teldatum van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).
- 2.
De leerlingenprognose omvat gegevens voor ten minste een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De leerlingenprognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de leerlingenprognose mag gebruik gemaakt worden van gegevens over de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de gemeentelijke bevolkingsprognose opgesteld door het college.
- 3.
Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de leerlingenprognose is gebaseerd.
- 4.
Indien het college een gemeentelijke leerlingenprognose laat opstellen, kan het bevoegd gezag zich conformeren aan deze prognose, in plaats van een eigen prognose op te stellen.
B. Voedingsgebied
- 1.
Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.
- 2.
De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.
- 3.
Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast.
C. Prognose school voor basisonderwijs
De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met:
- a.
het voedingsgebied;
- b.
de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;
- c.
de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied;
- d.
veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;
- e.
veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;
- f.
de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; en
- g.
het onderwijs dat wordt gegeven.
D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geeft inzicht in:
- a.
het voedingsgebied;
- b.
de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;
- c.
de voorgestelde datum van ingang van bekostiging; en
- d.
als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.
E. Prognose school voor voortgezet onderwijs
De prognose van een school voor voortgezet onderwijs geeft inzicht in:
- a.
de gemeente van herkomst van de leerlingen;
- b.
het voedingsgebied;
- c.
de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;
- d.
de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool;
- e.
de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12-jarigen; en
- f.
de verdeling over de profielen in het VMBO van de afgelopen 3 jaar en voor het komende jaar.
Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte
Deel A – Vaststellen capaciteit
A.1 Uitgangspunten
De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met middelen van het bevoegd gezag zelf of met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, kan het bevoegd gezag een verzoek indienen bij gemeente Rotterdam om dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw te rekenen. Dit deel wordt wel geregistreerd.
A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs
- 1.
De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.
- 2.
Voor een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen.
- 3.
Als sprake is van een schoolgebouw met een zeer ongunstige bruto-nuttig-verhouding kan het bevoegd gezag een verzoek indienen tot vaststelling van een lagere capaciteit dan de vastgestelde bruto vloeroppervlakte volgens de meetinstructie overeenkomstig bijlage III, deel E. Indien naar het oordeel van het college sprake is van een inefficiënt gebouw kan het college de capaciteit lager vaststellen.
- 4.
Voor een school voor basisonderwijs geldt dat het bevoegd gezag een verzoek kan indienen bij het college om de ruimte voor een aanwezige voorziening peuteropvang waar een door het college gesubsidieerd programma peuteropvang uitgevoerd wordt, in mindering te brengen op de capaciteit van het gebouw.
A.1.2 Dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard
De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.
A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.
A.1.4 Terrein
Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
A.1.5 Eerste inrichting
- 1.
Voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs geldt als uitgangspunt dat het onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair, zoals aanwezig op 1 januari 2019 wordt geacht voldoende te zijn. De capaciteit in bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige eerste inrichting.
A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs
A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.
De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt ten hoogste 40 klokuren per week.
A.1.6.2 Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
A.1.6.3 Eerste inrichting
De eerste inrichting aanwezig op 1 januari 2017 wordt geacht voldoende te zijn.
Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte
B.1 Lesgebouwen
B.1.1 School voor basisonderwijs
- 1.
De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld.
- 2.
De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:
B = 200 + 5,03 * L, waarbij:
B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.
- 3.
Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandsscore als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule:
T = 1,40 * G, waarbij:
T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal.
- 4.
Indien voor het bewegingsonderwijs aan kinderen onder de 6 jaar oud gebruik wordt gemaakt van een lokaal bewegingsonderwijs wordt 90 vierkante meter bruto vloeroppervlakte van de ruimtebehoefte afgehaald.
B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs
- 1.
De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:
R = 250 + 7,35 * L, waarbij
R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.
- 2.
De aanspraak op een speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
- 1.
De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:
R = 370 + [8,8 * Leerling SO] + [12,2 * Leerling VSO] , waarbij
R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.
370 = De vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor de hoofdvestiging van een school en bij een zelfstandige locatie met meer dan 120 leerlingen
Leerling SO = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor speciaal onderwijs zijn ingeschreven.
Leerling VSO = Aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn ingeschreven.
- 2.
Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen vindt een toeslag in de ruimtebehoefte plaats. Voor Leerling SO bedraagt de toeslag 5 vierkante meter per leerling en voor Leerling VSO 3,3 vierkante meter per leerling.
De aantallen van de lichamelijk gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen worden door de Dienst Uitvoering Onderwijs niet geregistreerd in de leerling gegevens.
- 3.
De aanspraak op een speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.4 School voor voortgezet onderwijs
- 1.
De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten:
- a.
een leerlinggebonden component, en
- b.
een vaste voet.
- a.
- 2.
De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 1.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs en het profiel dat de leerling volgt.
- 3.
De vaste voet, opgenomen in tabel 1.b, per instelling is 980 m² bruto vloeroppervlakte, die wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m² bruto vloeroppervlakte. Wanneer een nevenvestiging geen spreidingsnoodzaak heeft, maar minimaal 300 leerlingen op grond van de laatste formele teldatum, voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, geldt ook een aanvullende vaste voet van 550 m² bruto vloeroppervlakte.
De vaste voet voor een hoofdvestiging of nevenvestiging met of zonder spreidingsnoodzaak is niet van toepassing op een zelfstandige school voor praktijkonderwijs. Voor praktijkonderwijs geldt een vaste voet van 306 m² voor zowel een zelfstandige vestiging als een afdeling voor praktijkschool.
Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging, waar ten minste 100 leerlingen een VMBO-profiel volgen, waarvan de omvang afhankelijk is van het grootste VMBO-profiel en wordt per instelling een vaste voet toegekend aan de vestiging voor elk volgend VMBO-profiel dat wordt aangeboden en het profiel tenminste een omvang heeft van 100 leerlingen.
- 4.
De ruimtebehoefte is de som van:
- a.
de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;
- b.
de vaste voet per instelling;
- c.
als dit van toepassing is, een vaste voet per VMBO-profiel, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en
- d.
als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs
- a.
Tabel 1.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs
|
Onderwijssoort |
|
BVO/leerling |
|
|
Praktijkonderwijs |
|
12,13 |
|
|
Onderbouw |
|
|
|
|
VMBO-HAVO-VWO |
|
6,18 |
|
|
Bovenbouw |
|
|
|
|
HAVO-VWO |
|
5,85 |
|
|
VMBO Theoretische leerweg (TLW) |
|
6,41 |
|
|
VMBO-Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLWLWOO) |
|
7,07 |
|
|
|
LWOO |
BLW-KLW |
GLW |
|
VMBO-profiel bouwen wonen en interieur (BWI) VMBO-profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE) VMBO-profiel Mobiliteit en transport (M&T) VMBO-Profiel Maritiem en Techniek (MaT) |
17,16 |
13,68 |
11,45 |
|
VMBO-Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI) VMBO-Profiel Economie en Ondernemen (E&O) VMBO-Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR) |
8,91 |
7,81 |
6,84 |
|
VMBO-Profiel Zorg-Welzijn (Z&W) |
10,38 |
8,93 |
7,43 |
|
VMBO-Profiel Groen |
9,72 |
7,71 |
6,72 |
|
VMBO-Profiel Dienstverlening en Producten (D&P) |
10,38 |
8,93 |
7,43 |
Tabel 1.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs
|
Onderwijssoort |
Ruimtetype |
Vaste voet |
|
Hoofdvestiging |
Algemeen |
980 |
|
Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak |
Algemeen |
550 |
|
Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak met >300 leerlingen |
Algemeen |
550 |
|
Tijdelijke nevenvestiging |
Algemeen |
0 |
|
VMBO-Profiel BWI, PIE, M&T, MaT |
Specifiek |
299 |
|
VMBO-Profiel MVI, E&O, HBR |
Specifiek |
196 |
|
VMBO-Profiel Z&W |
Specifiek |
168 |
|
VMBO-Profiel Groen |
Specifiek |
117 |
|
VMBO-Profiel D&P |
Specifiek |
150 |
|
Praktijkonderwijs |
Algemeen |
306 |
B.2 Lokalen bewegingsonderwijs
- 1.
De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld:
- a.
voor een school voor basisonderwijs, op 2 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder;
- b.
voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en
- c.
als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week per groep voor de leerlingen 4 en 5 jaar.
- a.
- 2.
Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.
Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs
|
Onderwijssoort |
Leerweg |
BVO per leerling |
|
Onderbouw (leerjaar 1 en 2) |
- |
1,66 |
|
Bovenbouw AVO/VWO |
- |
0,78 |
|
Bovenbouw theoretische leerweg |
TLW |
1,11 |
|
- |
LWOO |
1,26 |
|
Bovenbouw techniek |
GLW |
1,11 |
|
- |
BLW |
1,38 |
|
- |
LWOO |
1,57 |
|
Bovenbouw economie |
GLW |
1,11 |
|
- |
BLW |
1,38 |
|
- |
LWOO |
1,57 |
|
Bovenbouw zorg/welzijn |
GLW |
1,11 |
|
- |
BLW |
1,38 |
|
- |
LWOO |
1,57 |
|
Bovenbouw landbouw |
GLW |
1,11 |
|
- |
BLW |
1,38 |
|
- |
LWOO |
1,57 |
|
Praktijkonderwijs |
- |
1,99 |
Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte
C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende ten minste vijftien jaar blijft bestaan.
C.1.1 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw
De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.
C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
- 1.
Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:
- a.
school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van:
- 1°.
115 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs;
- 2°.
100 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs;
- 3°.
100 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;
- 1°.
- b.
school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan 10 procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 115 vierkante meter of gelijk of groter is dan 500 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10 procent of gelijk of groter is dan 500 vierkante meter.
- a.
- 2.
Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter.
C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor ten minste vier jaar en ten hoogste vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van:
- a.
bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte; en
- b.
bij een school voor voortgezet onderwijs het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.
C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van een goedgekeurde voorziening:
- a.
voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D.
- b.
eerste aanschaf van:
- 1°.
onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en
- 2°.
leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.
- 1°.
- c.
tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.
- d.
herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
C.4 Lokalen bewegingsonderwijs
- 1.
De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:
- a.
voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte; en
- b.
voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.
- a.
- 2.
De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3.
- 3.
De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren.
- 4.
De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid.
- 5.
De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
C.5 Frictieruimte
Bij de bepaling van de huisvestingsbehoefte voor scholen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs wordt gerekend met 5 procent ruimteopslag in te zetten als frictieruimte met een maximum van 500 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Het rekenen met deze ruimteopslag kan zolang de omvang van het bestaande gebouw dit toelaat en indien de ruimten niet voor andere onderwijsdoeleinden benodigd zijn. Het kan niet leiden tot een ruimtetekort of meer ruimte bij nieuwbouw.
Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
D.1 Terreinoppervlakte
- 1.
Voor een schoollocatie voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt voor de speelplaats een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkante meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.
- 2.
Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak van 3 vierkante meter per leerling met een minimum van 300 vierkante meter en een maximum van 1800 vierkante meter, indien hier naar het oordeel van het college plaatselijk de mogelijkheid toe is. Het aantal leerlingen betreft het aantal leerlingen waarop de toegekende voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw is gebaseerd.
- 3.
Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw voor een school voor voortgezet onderwijs geldt, indien hier naar het oordeel van het college plaatselijk de mogelijkheid toe is, voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel:
Aantal leerlingen van de school
Omvang buitenruimte
1-300 leerlingen
300
301 leerlingen of meer
300 + 0,75 * (L - 300)
L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school is ingeschreven.
- 4.
De in het eerste en tweede lid gestelde normen betreffen de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. Het terrein voor voorzieningen dient te worden opgeteld bij de norm.
- 5.
Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd.
D.2 Speellokaal
Een speellokaal heeft een minimum bruto vloeroppervlakte van 90 vierkante meter.
D.3 Lokaal bewegingsonderwijs
- 1.
De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is ten minste 308 m² en de hoogte tenminste 5 meter, bij voorkeur in de verhouding LengtexBreedtexHoogte van 22x14x5,5 meter.
- 2.
Een lokaal bewegingsonderwijs bevat ten minste twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.
Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen
E.1.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen
De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.
E.1.2 Uitzonderingen
- 1.
De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen.
- 2.
Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.
- 3.
Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.
- 4.
Inpandige fietsenstallingen en technische ruimtes met een omvang groter dan 25 m2 worden niet meegerekend in de bruto vloeroppervlakte.
E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen
E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
- 1.
De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.
- 2.
De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.
- 3.
Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
E.2.2 Voortgezet onderwijs
De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau.
Bijlage IV –Financiële normering
Deel A – Indexering
De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:
A.1. Nieuwbouw en uitbreiding
|
1 |
|
Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw) |
|
MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen) |
|
------------------------------------ |
* |
------------------------------------- |
* |
----------------------------------- |
|
MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen) |
|
Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw) |
|
1 |
A.2. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
|
1 |
|
Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t) |
|
MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) |
|
------------------------------------ |
* |
------------------------------------- |
* |
----------------------------------- |
|
MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) |
|
Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1) |
|
1 |
Deel B – Normbedragen
In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen. De normbedragen dienen ook als uitgangspunt voor de begroting bij vergoeding op basis van feitelijke kosten. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn inclusief BTW.
A.Nieuwbouw met permanente bouwaard
A.1 Kostencomponenten nieuwbouw
- 1.
De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten:
- a.
kosten voor terrein;
- b.
bouwkosten;
- c.
toeslag voor verhuiskosten bij vervangende bouw;
- d.
indien noodzakelijk toeslag paalfundering;
- e.
als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en
- f.
als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie.
- a.
- 2.
Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.
A.3.1 Bouwkosten
- 1.
Tot de bouwkosten behoren:
- a.
de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en
- b.
de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.
De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief bouwvoorbereiding, fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De bouwkosten van het gebouw bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. Tevens zijn in de bedragen de extra ambitie van Frisse Scholen opgenomen.
- a.
- 2.
De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen worden de in bijlage III, deel B en C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte gerealiseerd.
A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs
De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo1 |
€ 1.841.063 |
|
Voor elke volgende m2 bvo |
€ 3.151 |
A.3.3 Toeslag paalfundering school voor basisonderwijs
- 1.
Voor de school voor basisonderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie met fundering op staal. Voor paalfundering wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld die bestaat uit een vast bedrag voor de eerste 350 m2 bvo en een bedrag per volgende m2 bvo (A):
Paalfundering € 49.019 + € 112,64 * A
A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal basisonderwijs
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
€ 2.983.077 |
|
Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
3.299 |
|
Toeslag voor elk speellokaal |
€ 283.040 |
A.3.5 Toeslag paalfundering school voor speciaal basisonderwijs
- 1.
Voor de school voor basis onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie met fundering op staal. Voor paalfundering wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld die bestaat uit een vast bedrag voor de eerste 670 m2 bvo en een bedrag per volgende m2 bvo (A):
Paalfundering € 79.4010 + € 112,64 * A
A.3.6 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs
De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
€ 2.870.729 |
|
Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
€ 3.280 |
|
Toeslag voor elk speellokaal |
€ 283.040 |
|
Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht |
€ 278.199 |
A.3.7 Toeslag paalfundering school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs
- 1.
Voor de school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie met fundering op staal. Voor paalfundering wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld die bestaat uit een vast bedrag voor de eerste 670 m2 bvo en een bedrag per volgende m2 bvo (A).
Paalfundering € 79.410 + € 112,64 * A
A.3.8 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs
- 1.
Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
- 2.
De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs bestaat uit:
- a.
een startbedrag, afhankelijk van de omvang van de voorziening;
- b.
een werkplaatstoeslag, afhankelijk van het profiel in het VMBO;
- c.
een bedrag afhankelijk van het aantal vierkante meters, vastgesteld op basis van de toegekende ruimtebehoefte per onderwijssoort, overeenkomstig bijlage III, deel C.
- a.
Startbedrag
|
< 455 m2 |
€ 0 |
|
> 455 m2 < 2500 m2 |
€ 921.522 |
|
>2500 m2 |
€ 1.163.422 |
Werkplaatstoeslag VMBO = Voor de onderwijssoort VMBO met de profielen: bwi, pie, mot, mat, hbr en g een bedrag van € 112.884.
Ruimteafhankelijke vergoeding = Een bedrag per vierkante meter, dat afhankelijk is van de omvang van de voorziening
|
bvo totaal exclusief gymnastiek |
||||
|
<=455 m2 |
>455 m2 <2.500 m2 |
>=2.500 m2 |
||
|
Onderwijssoort |
Profielen |
|||
|
PRO, HAVO, VWO VMBO |
|
€ 4.930 |
€ 2.925 |
€ 2.855 |
bwi = bouwen, wonen en interieur
pie = produceren, installeren en energie
mot = mobiliteit en transport
mat = maritiem en techniek
mvi = media, vormgeving en ict
eo = economie en ondernemen
hbr = horeca, bakkerij en recreatie
zw = zorg en welzijn
g = groen
A.3.9 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs
- 1.
Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:
- a.
paalfundering, en
- b.
bemaling.
- a.
- 2.
De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules:
Nieuwbouw en uitbreiding < 1000 m2
Paalfundering € 8.981 + € 120 * A
Uitbreiding > = 1000 m2
Paalfundering € 18.275 + € 72,85 * A
- 3.
Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 25,75 per vierkante meter terrein.
A.4 Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw
- 1.
Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van het bestaande schoolgebouw, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor één verhuizing.
- 2.
Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw tijdelijk op een andere locatie moet worden gehuisvest, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor twee verhuizingen.
- 3.
De vergoeding wordt vastgesteld op feitelijke kosten.
B. Uitbreiding met permanente bouwaard
B.1 Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.
B.2 Kosten terrein
Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in Deel C overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein.
B.3.1 Bouwkosten
- 1.
Tot de bouwkosten behoren:
- a.
de bouwkosten van het gebouw, en
- b.
kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.
- a.
- 2.
De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen wordt de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte gerealiseerd.
B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs
De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter |
€ 224.671 |
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo |
€ 149.781 |
|
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo |
€ 2.993 |
B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter |
€ 231.044 |
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo |
€ 154.029 |
|
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
€ 3.053 |
|
Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school |
€ 235.867 |
|
Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder gelijktijdige uitbreiding van de school |
€ 495.230 |
B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs
De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter |
€ 209257 |
|
Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo |
€ 139.505 |
|
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal |
€ 3.059 |
|
Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school |
€ 235.867 |
|
Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school |
€ 495.230 |
|
Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht |
€ 278.659 |
B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs
Het bepaalde in A3.9 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.
C. Lokalen bewegingsonderwijs
C.1 Bouwkosten nieuwbouw
- 1.
De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met minimaal een netto speeloppervlakte van 308 vierkante meter bedraagt € 2.361.216 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 2.408.973 als deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en inrichting van het terrein. De bouwkosten van het gebouw bestaan uit de kosten van bouwkundige werken, installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en vaste inrichtingen. Tevens zijn in de bedragen de extra ambitie van Frisse Scholen opgenomen.
- 2.
Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven van € 76.627.
E. Eerste inrichting onderwijsleerpakket voor een school ten behoeve van basisonderwijs, speciaalonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs
E.1.1Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair
Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.
E.1.2 Vergoeding basisschool
De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag inclusief 200 m2 bvo |
€ 51.300 |
|
Voor elke volgende m2 bvo |
€ 179 |
E.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs
De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag inclusief 250 m2 bvo |
€ 108.839 |
|
Voor elke volgende m2 bvo |
€ 186 |
E.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
|
Startbedrag |
€ 385.038 |
|
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo |
€ 263 |
E.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs
De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 9.932.
F. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school ten behoeve van voortgezetonderwijs
F.1 School voor voortgezet onderwijs
- 1.
De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per onderwijssoort. De vergoeding per onderwijssoort wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Onderwijssoort
per m2 bvo
Praktijkonderwijs
€ 406
HAVO, VWO, VMBO Theoretische leerweg (TLW), VMBO Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO)
€ 212
VMBO- Profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI)
€ 519
VMBO- Profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE)
€ 519
VMBO- Profiel Mobiliteit en Transport (M&T)
€ 519
VMBO- Profiel Maritiem en Techniek (MaT)
€ 519
VMBO- Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI)
€ 303
VMBO- Profiel Economie en Ondernemen (E&O)
€ 303
VMBO- Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR)
€ 1005
VMBO- Profiel Zorg-Welzijn (Z&W)
€ 495
VMBO- Profiel Groen
€ 519
VMBO- Profiel Dienstverlening en Producten (D&P)
€ 212
- 2.
Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt eerste inrichting slechts toegekend als de eerste inrichting in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.
G. Lokalen bewegingsonderwijs
Voor lokalen waar zowel scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als scholen voor voortgezet onderwijs gebruik van maken gelden voor alle lokalen de normbedragen voor het voortgezet onderwijs voor het eerste lokaal VO zoals opgenomen in de tabel onder G.1.3.
G.1.1 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs
De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 93.270 voor een lokaal dat niet eerder voor bekostiging in aanmerking is gebracht en € 68.726 voor vervangende nieuwbouw van een lokaal dat al eerder voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
G.1.2. OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs
De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal of een school voor voortgezet speciaal onderwijs bedraagt € 93.270 voor een lokaal dat niet eerder voor bekostiging in aanmerking is gebracht en € 68.726 voor vervangende nieuwbouw van een lokaal dat al eerder voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
G.1.3 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs
De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsopnderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
|
|
Meubilair |
Leer- en hulpmiddelen |
Leer- en hulpmiddelen |
|
|
Nieuwbouw |
Nieuwbouw |
Vervangende nieuwbouw |
|
Eerste lokaal |
€ 1.451 |
€ 93.270 |
€ 68.726 |
|
Tweede lokaal |
€ 1.451 |
€ 68.726 |
€ 68.726 |
|
Derde lokaal |
€ 1.451 |
€ 25.996 |
|
|
|
Meubilair |
Leer- en hulpmiddelen |
|
Oefenplaats 1 |
€ 0,00 |
€ 19.115 |
|
Oefenplaats 2 |
€ 0,00 |
€ 2.207 |
H. Huur sportvelden
- 1.
Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor ten hoogste 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 28 per klokuur.
- 2.
Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.
DEEL C Vergoeding op basis van feitelijke kosten
Bepaling van de feitelijke kosten
De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4 lid 2 wordt gebaseerd op een door het college goedgekeurde offerte voor een door het college goedgekeurd bouwplan conform artikel 14.
Voor de voorzieningen uit artikel 2, lid 1 onder a onderdeel 1 en 2 toetst het college de offerte en het bouwplan aan de normbedragen uit bijlage IV, deel B. Het college toetst zowel op bouwkundige als op prijstechnische aspecten met als uitgangspunt een “sober en doelmatig” afwerkingsniveau. Het college neemt hierbij de vigerende wet- en regelgeving, lokaal onderwijsbeleid, locatiegebonden factoren en de actuele marktsituatie in acht.
In de raming en de door het college goed te keuren offerte en het bouwplan moeten alle kosten inclusief BTW zijn meegenomen, die met de toegekende voorziening gemoeid zijn, alsmede verhuiskosten en parkeerafkoopregelingen. Het uiteindelijk goedgekeurde budget op basis van de feitelijke toegekende kosten wordt beschouwd als een taakstellend budget.
De feitelijke kosten van de in artikel 4 genoemde voorzieningen worden bepaald aan de hand van de in de demarcatielijst opgenomen investeringskosten eigenaar versus gebruiker voor zover vereist uit relevante regelgeving. Deze kosten en het minimale kwalitatieve gebruikers niveau van deze investeringskosten staan beschreven in de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs. Hierbij wordt rekening gehouden met de wet- en regelgeving, lokaal onderwijsbeleid, locatiegebonden factoren en de actuele marktsituatie. Het College toetst zowel de bouwkundige als de prijstechnische aspecten, met als uitgangspunt "sober en doelmatig". Vaststelling van het uiteindelijke budget vindt plaats na het overleg zoals omschreven in artikel 9.
Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, eerste lid, worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dienen de wettelijke voorschriften ten aanzien van aanbesteding voor de sector overheid en de aanbestedingsregels van de gemeente Rotterdam voldaan te worden.
De laatste zijn beschreven in de “Leidraad Bouwprojecten Onderwijs”.
Kosten voor terreinen
Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt.
De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.
Huur
Naast aankoop en bouw kunnen (delen van) lesgebouwen en lokalen bewegingsonderwijs ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een (nood)lokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van feitelijke kosten, exclusief onderhoud. Het college bepaalt op basis van een concept huurovereenkomst welk deel van de huur voor vergoeding in aanmerking komt. Afhankelijk van de bepalingen in de huurovereenkomst wordt de vergoeding jaarlijks of voor de duur van de overeenkomst vastgesteld.
Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening
1. Algemeen
Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.
-2. Onderscheid voorzieningen
- 1.
Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn om:
- a.
capaciteitstekorten op te heffen, en
- b.
een adequaat niveau te handhaven.
- a.
- 2.
Voorzieningen om capaciteitstekorten op te heffen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:
- a.
nieuwbouw, inclusief terrein;
- b.
uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;
- c.
in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein;
- d.
verplaatsen tijdelijke gebouwen;
- e.
eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen;
- f.
uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen;
- g.
medegebruik, en
- h.
huur.
- a.
- 3.
Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:
- a.
vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;
- b.
herstel van een constructiefout, en
- c.
herstel en vervanging in verband met schade.
- a.
- 4.
De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorzieningen vallen onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat met deze voorzieningen tevens een capaciteitstekort wordt opgelost.
-3. Hoofd- en subprioriteit
- 1.
Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.
- 2.
Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder hoofdprioriteit 1 vallende voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.
- 3.
Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen:
- a.
als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen;
- b.
vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen;
- c.
vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs opheft, en
- d.
vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan sportterreinen opheft.
- a.
-
Bij hoofdprioriteit 2 wordt op basis van de conditie de afweging gemaakt welke op basis van bouwkundig onderzoek, urgentie en gevaarzetting bepaald wordt.
- 4.
Voor voorzieningen die zijn opgenomen op een IHP bepaalt het college in overleg met de bevoegde gezagen afzonderlijk de prioritering. Daarbij worden de bovenstaande uitgangspunten in acht genomen.
-
-Artikelsgewijze toelichting
-
-Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
-Artikel 1. Definities
De begripsomschrijvingen ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).
De businesscase en startnotitie zijn nader omschreven en toegelicht in de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs.
De gemeenteraad heeft meerdere IHP's vastgesteld. Hier worden alleen de IHP's bedoeld, die betrekking hebben op het onderwijs en de gymzalen.
-Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijke aanvraag af.
Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
- 1°
Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw. Onder vervangende nieuwbouw wordt tevens verstaan het aan nieuwbouweisen laten voldoen van een bestaand gebouw en het zoveel mogelijk op nieuwbouwniveau brengen van een gebouw dat naar het oordeel van het college niet gesloopt mag worden. Dit geeft de mogelijkheid om in plaats van vervangende nieuwbouw het pand dusdanig op te knappen dat het in ieder geval gaat voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) en het Ambitieniveau Frisse Scholen. Onder panden die niet gesloopt mogen worden, vallen in ieder geval panden met een beschermde status, zoals gemeentelijke- en rijksmonumenten en beschermde dorps- en stadsgezichten en in sommige gevallen ook beeldbepalende gebouwen. Hierbij zijn de eisen vanuit het BBL en het Ambitieniveau Frisse Scholen niet altijd volledig haalbaar.
- 2°
Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school.
- 3°
Ingebruikneming kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijvoorbeeld niet automatisch geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°. Het in gebruik te nemen gebouw wordt op minimaal conditiescore 3 volgens NEN 2767 opgeleverd aan het bevoegd gezag. Komt de voorziening ingebruikneming in de plaats van vervangende nieuwbouw vanuit een IHP, dan wordt gestreefd naar oplevering op nieuwbouw niveau.
- 4°
Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.
- 5°
Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.
- 6°/7°
Onderwijsleerpakket en meubilair [resp. leer- en hulpmiddelen] wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.
- 8°
Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’.
- 9°
Huur kan worden toegekend in geval een bevoegd gezag een ruimte huurt ten behoeve van gebruik door een school. De in de huur opgenomen kosten voor instandhouding zoals onderhoud komen wel ten laste van het bevoegd gezag.
Onderdeel b. Herstel van constructiefouten
Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 17 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.
Onderdeel c. Herstel in verband met schade
In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijvoorbeeld schade door inbraak of brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college.
Onderdeel d. Huur van een sportterrein
Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.
-Artikel 3a. Planvoorbereidingskrediet
Naast de voorzieningen is de subsidie voor een planvoorbereidingskrediet toegevoegd aan deze verordening. Deze subsidie hangt direct samen met de uitvoering van de voorziening (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Voor schoolgebouwen die als project zijn opgenomen in een vastgesteld IHP kan het college eenmalig een planvoorbereidingskrediet aan het bevoegd gezag verstrekken voor het (laten) uitvoeren van een verkennende studie naar de haalbaarheid van een voorziening in de huisvesting. Er wordt ook wel gesproken over een startnotitie of een quickscan. Dit zijn vormen van een verkennende studie. Het bevoegd gezag kan een planvoorbereidingskrediet gedurende het hele jaar elektronisch aanvragen via het onderwijsloket. In de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs staat toegelicht waaraan de haalbaarheidsstudie moet voldoen.
De vergoeding van het planvoorbereidingskrediet wordt vastgesteld op feitelijke kosten tot een maximum van €25.000.
-Artikel 3b. Bouwvoorbereidingskrediet
Doelstelling van het bouwvoorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. De voorbereiding omvat zowel het opstellen van een businesscase, het ontwerptraject en het maken van het bestek. Het voorschot op het bouwvoorbereidingskrediet is alleen bedoeld voor het maken van een businesscase. Op basis van de businesscase wordt de hoogte van het bouwvoorbereidingskrediet definitief vastgesteld. Het bouwvoorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een bouwvoorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.
-Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen
Lid 1 en 2
Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.
Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.
Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid). Dit is nader toegelicht in de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs.
Lid 3
Het bepaalde in het derde lid maakt het mogelijk om meer ruimte toe te kennen dan volgens de ruimtebehoefte uit bijlage III en de prognose uit bijlage II noodzakelijk is. Het college kan dit enkel doen als daarvoor nadere regels of beleidsregels zijn opgesteld. Een voorbeeld hiervan zijn de Beleidsregels kinderopvang met ve in scholen bij nieuwbouw 2025. De bedoeling is dat met de nadere of beleidsregels wordt bijgedragen aan een concrete beleidsdoelstelling, zoals bijvoorbeeld het vergroten van het bereik van doelgroep-peuters, bijdragen aan een betere aansluiting van onderwijs en jeugdhulp, inclusief onderwijs, etc. Bij het opstellen van de regels moet ook de dekking worden geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door een terugverdienmodel vanuit huuropbrengsten of dekking vanuit een ander beleidsterrein. De ruimte wordt gebouwd als onderwijsruimte en moet daarom aan alle eisen die gelden voor het onderwijs voldoen. Zoals bijvoorbeeld het ambitieprofiel Frisse scholen.
-Artikel 5. Informatieverstrekking
Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 6.23 van de WVO 2020). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:
- -
gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer);
- -
gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer);
- -
bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;
- -
naam contactpersoon;
- -
medegebruik/verhuur.
Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen en beheren, maakt het college gebruik van het onderwijsloket. De bevoegde gezagen hebben toegang tot het onderwijsloket en kunnen kun gegevens daar controleren. Via het onderwijsloket kan een verzoek tot wijziging worden ingediend bij onjuistheden of aanpassingen.
-Hoofdstuk 2 Programma en overzicht
-Paragraaf 2.1 Aanvragen programma
-Artikel 6. Indienen aanvraag
Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld elektronisch aanvraagformulier dat via het onderwijsloket wordt ingediend. Door te werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikelen 96 van de WPO, 94 van de WEC en 6.7 van de WVO 2020 en de toelichting bij artikel 13).
Ook voor aanvragen opgenomen in een IHP moet een aanvraag worden ingediend.
-Artikel 7. Inhoud aanvraag
Lid 1
Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage conform NEN2767 of in het geval van een herstel van een constructiefout een rapportage van een daartoe gecertificeerde onafhankelijke constructeur of bouwkundig expert. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van een leerlingenprognose.
-Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen
Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.
-Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht
-Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
Lid 1
De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen. Deze toelichting vindt over het algemeen mondeling plaats en het overleg wordt aangeduid als hooroverleg.
Lid 2 en 3
Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd. De kostenraming voor de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt getoetst aan de normbedragen in bijlage IV.
-Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
Lid 1-4
Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 6.12 van de WVO 2020) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.
Lid 5-8
De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100, zesde lid, van de WEC en artikel 6.12 van de WVO 2020. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.
De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.
Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.
-Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
-Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
Lid 1
Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht (zie ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8296). Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde meerjareninvesteringsplan.
Lid 2
Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 mei in het jaar waarop het programma betrekking heeft. De datum van 31 mei is geen fatale termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31 mei vastgesteld dan betekent dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking komen. Op grond van artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.
-Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 6.5 van de WVO 2020 vermelden de criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 6.6 van de WVO 2020. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.
Lid 1
Het programma en overzicht bestaan uit een bundel van beschikkingen. De aanvragers ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Lid 2
De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht ter inzage wordt gelegd. Het programma en overzicht worden gepubliceerd op het onderwijsloket.
-Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma
-Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering
Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.
Lid 1
Voor de uitvoering van de op het programma geplaatste voorzieningen wordt de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs aangehouden. Het doel van de leidraad is dat het college de bouwplannen van alle schoolbesturen op dezelfde wijze kan beoordelen. Tevens geeft het de schoolbesturen houvast bij de ontwikkeling van hun bouwplan en dient het als handleiding voor alle betrokkenen.
Lid 2
In artikel 95 achtste lid van de WPO, artikel 93 achtste lid van de WEC en artikel 6.5 negende lid van de WVO 2020 is opgenomen dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn onder andere:
- -
het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste lid van de WPO, artikel 101, eerste lid van de WEC en artikel 6.13, eerste lid van de WVO 2020). Het alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en artikel 6.13, eerste lid, van de WVO 2020). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij;
- -
het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte) (onderdeel d);
- -
het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor het eerder genomen besluit moet worden herzien (onderdeel d). Daarbij fungeren de normbedragen uit bijlage IV als een benchmark, waaraan het bouwplan en de kostenraming worden getoetst. In het overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;
- -
de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen plaatsvindt (onderdeel e). De wijze van verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook de toelichting bij artikel 15);
- -
de afspraak over de wijze van aanbesteding (onderdeel f). Voor toegekende voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving.2 Daarnaast is van toepassing wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van toepassing is. Dit is nader omschreven in de Leidraad Bouwprojecten Onderwijs. 3
Lid 3
Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en binnen twee weken na het overleg ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Als de aanvrager niet schriftelijk reageert binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen, dan geldt het verslag zoals door het college opgesteld. Stemt de aanvrager niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen vastgelegd.
Lid 5
Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit besluit deelt het college binnen 4 weken mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.
-Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes
De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). In overleg wordt bepaald wat onder het begrip ‘bouwplan’ wordt verstaan; de goedkeuring hoeft niet steeds te worden gebaseerd op een (definitief of voorlopig) ontwerp, maar deze kan ook worden verleend op basis van een programma van eisen. Daartoe kan aanleiding bestaan als wordt gekozen voor een zgn. innovatieve of integrale aanbestedingsvariant, waarbij in een vroeg stadium van het bouwproces een uitvraag wordt gedaan om tot een selectie van uitvoerende partijen (architect in combinatie met aannemer) te komen.
Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.
Lid 1
Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101 van de WEC en artikel 6.14 en 6.15 van de WVO 2020 en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.
Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de omgevingswet, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende bvo).
De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt het bevoegd gezag aanspraak op:
- -
de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;
- -
de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.
Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de bekostiging.
Lid 2
De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO, artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 6.9 van de WVO 2020.
Lid 3
Dit lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken. Dit loopt via het juridisch escalatieoverleg van de afdeling inkoop van de gemeente Rotterdam.
-Artikel 15. Aanvang bekostiging
Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 6.9 van de WVO 2020. Het geeft het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:
- -
vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt uitbetaald;
- -
vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat (automatische verwerking met valutadata in financiële administratie), en
- -
vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s van het bevoegd gezag.
De vergoeding wordt beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer betaalt. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring.
-Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging
Lid 1
De data van 1 november en 30 november zijn gekozen met het oog op het moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is:
- •
in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd; en
- •
ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden aangevraagd.
De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De formulering ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.
Lid 3
Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:
- -
planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;
- -
procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;
- -
vervuilde grond.
Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de gestelde termijnen te verlengen.
Lid 4
De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum niet haalbaar.
-Hoofdstuk 3 Aanvragen met spoedeisend karakter
Paragraaf 3.1 Aanvraag
-Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend karakter
Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:
- -
brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet plaatsvinden;
- -
herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen asbest), of
- -
overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).
De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een situatie:
- -
dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of
- -
dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond, omdat het bekostigingsplafond niet toereikend is.
-Artikel 17. Indienen aanvraag
Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. De aanvraag wordt binnen 2 weken na ontstaan van de calamiteit elektronisch via het onderwijsloket ingediend.
-Artikel 18. Inhoud aanvraag
Lid 1
Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.
Lid 2
Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.
Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit
-Artikel 19. Tijdstip beslissing
Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de beslistermijn een korte periode aangehouden.
-Artikel 20. Vervallen aanspraak op bekostiging
Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, vervalt de aanspraak op bekostiging als niet binnen een korte periode na de beschikking een bouwopdracht of koop-, huur of erfpachtovereenkomst is gesloten.
-Artikel 21. Uitvoeren beslissing
Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 6.8 van de WVO 2020. Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van toepassing.
-Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur
-Artikelen 22-28. Medegebruik en verhuur
De artikelen 22-28 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 6.18 van de WVO 2020. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen school.
De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.
-Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie
-Artikel 22. Aanduiden omstandigheden
Onderdelen a en b
Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 17 een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:
- -
de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort aan capaciteit heeft, en
- -
er leegstand binnen een ander schoolgebouw (inclusief lokaal bewegingsonderwijs) aanwezig is.
Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.
Onderdeel a, onder 2, dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en beroepsonderwijs.
-Artikel 23. Omschrijving leegstand
Lid 1
De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs.
Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en huurscholen voor zover bekostigd met gemeentelijke middelen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.
Lid 2
Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is.
Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan van minimaal 32 lesuren4 en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:
- -
voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;
- -
voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;
- -
voor een school voor voortgezet onderwijs minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door:
- •
een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik passen binnen de 26 klokuren, en
- •
een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren.
- •
Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende onderwijssector geldende reële schooltijden.
-Artikel 24. Nalaten vorderen
Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd.
Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
-Artikel 25. Overleg en mededeling
Lid 1
Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het college.
Lid 2
Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen.
Lid 3
Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid is geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik.
Lid 4
Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.
-Artikel 26. Vergoeding
Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoed. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft gegeven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan worden dat het college het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.
-Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden
-Artikel 27. Overleg en mededeling
Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.
Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 26.
Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college. Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door college.
Lid 3
Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden.
-Paragraaf 4.3 Verhuur
-Artikel 28. Verzoek toestemming college
Lid 1, 2, 3
Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.
Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toetst het college het verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 6.18, eerste lid, van de WVO 2020 is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:
- -
woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of
- -
de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.
Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd gezag.
Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huurvergoeding is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van het schoolgebouw. Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een huurvergoeding zijn voorwaarden verbonden:
- 1.
het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de huur de gemeente een financieel nadeel leidt;
- 2.
de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies aan inkomsten door de gemeente en
- 3.
de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan onderwijshuisvesting.5
-Hoofdstuk 5 Einde gebruik gebouwen en terreinen
-Artikel 29. Staat van onderhoud
In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 6.20 van de WVO 2020 is geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Eigendomsoverdracht door het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen eigendomsoverdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een eigendomsoverdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is gerealiseerd of een aanpassing van de eigendom noodzakelijk is in verband met vervangende nieuwbouw. Bijvoorbeeld als de perceelsgrenzen aangepast moeten worden aan de nieuwe situatie. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende akte een termijn opgenomen waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.
De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van het gebruik wordt in principe in alle gevallen toegepast als het gebruik wordt beëindigd door het bevoegd gezag en het bevoegd gezag het gebouw teruggeeft aan de gemeente. Is het bevoegd gezag geen eigenaar van het gebouw en het terrein, maar voert wel het onderhoud uit, ook dan wordt een staat van het onderhoud opgemaakt. Er wordt dan geen akte opgemaakt, maar het bevoegd gezag en het college leggen de afspraken over het einde van het gebruik en de staat van onderhoud wel schriftelijk vast.
Lid 1 en 2
Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten gebruik wordt gesteld.
De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de (eigendoms)overdracht plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht of de schriftelijke afspraken.
Met de bevoegde gezagen is overeengekomen dat bij een conditiescore lager dan 3 sprake is van achterstallig onderhoud. De conditiescore wordt bepaald op basis van de werkwijze uit NEN 2767. Deze norm is ontwikkeld ten behoeve van conditiemetingen. Deze metingen zijn per gebouwelement.
Lid 3
Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).
Ook de overige relevante informatie dient aan het college te worden verstrekt. Dit zijn bijvoorbeeld de opnamegegevens van de meterstanden, EAN-codes en keuringsrapporten. Tot het moment van de officiële overdracht is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor het beheren en beveiligen van het gebouw.
Lid 5
Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het bevoegd gezag:
- -
alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud, of
- -
het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.
Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Ook kan bijvoorbeeld een voorstel tot mediation worden gedaan.
Lid 6
Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te verbouwen voor een andere bestemming of te slopen. Hiervan kan alleen sprake zijn als het college hier een besluit over heeft genomen. Er kan in dit geval door het college ook afgesproken worden met het bevoegd gezag om een lager conditieniveau te accepteren.
-Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet)speciaal onderwijs
-Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroosteren en gebruik
Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.
Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de procedure voor het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht op:
- -
de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de accommodaties die op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;
- -
de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;
- -
het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);
- -
de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en
- -
het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.
Ten aanzien van het uitgangspunt als bedoeld onder lid 3 onder c geldt dat de bezetting van een preferente zaal van 60 procent voor het primair onderwijs dan 60 procent van 26 uur is, zijnde minimaal 16 uur. Onder een preferente gymzaal verstaan we een voorkeurszaal voor de inroostering.
-Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
-Artikel 32. Indexering
De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A.
-Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen
In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs.
-Deel A –Lesgebouwen
-Algemeen
Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven.
Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college beschikken over minimaal de volgende gegevens:
- -
het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat ingeschreven;
- -
het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;
- -
het verschil tussen de bestaande capaciteit (= bruto vloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en
- -
zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.
Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:
- -
drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd;
- -
minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en
- -
minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde voorziening onderwijshuisvesting toegekend.
De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.
Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt, onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.
Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De dislocatie is bedoeld voor de situatie dat de hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten. Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te honoreren, vast of:
- -
de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende huisvesting voor de school noodzakelijk is;
- -
het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of
- -
er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar is.
Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.
-A.1. Nieuwbouw
Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.
-A.2. Vervangende bouw
Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een drietal situaties:
- 1.
Opname op een IHP of een slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw, of
- 2.
een herschikkingsoperatie,
- 3.
Ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.
1. Opname op een IHP.
Indien een school is opgenomen op een IHP, dan is door de raad vastgesteld dat de school aan vervanging toe is en met de bevoegde gezagen is afgestemd dat de vervanging van de school prioriteit moet krijgen.
Is een gebouw niet opgenomen op een IHP, dan zal het college enkel de voorziening vervangende nieuwbouw toekennen op basis van de eerste situatie als de omstandigheden ernstig zijn veranderd ten opzichte van het moment van vaststellen van het laatste IHP. In het kader van een IHP kan het college in afstemming met de bevoegde gezagen ook situatie 2 en 3 meenemen in het bepalen van de gebouwen, die opgenomen worden op het IHP.
Slechte conditie gebouw
Investeringen in onderhoud leiden altijd tot een levensduurverlenging. Deze schommelt tussen de 20 en 40 jaar. Voor de bouwkundige rapportage is als eis gesteld een rapportage op grond van NEN 2767. Met NEN 2767 wordt een objectief criterium gehanteerd om vast te stellen of er een aanspraak bestaat op vervangende nieuwbouw.
Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende conditieschalen:
|
Conditie 1 |
Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit; |
|
Conditie 2 |
Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende veroudering; |
|
Conditie 3 |
Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen; |
|
Conditie 4 |
Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar; |
|
Conditie 5 |
Het verouderingsproces is niet meer te keren; |
|
Conditie 6 |
De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5 kan worden gerangschikt. |
Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. Op basis van NEN 2767 worden de verschillende keuzes en bevindingen doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes vindt een afweging plaats tussen kwaliteit, kosten en risico's.
Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Om in aanmerking te komen voor vervangende nieuwbouw dient een groot deel van de gebouwelementen zich op conditiescore 5 of lager te bevinden en de kosteninvestering niet een levensduurverlenging oplevert in vergelijking met nieuwbouw. Dit geldt niet als wordt vastgesteld dat in de afgelopen jaren het onderhoud niet op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten.
2. Herschikkingsoperatie
Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:
- -
bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;
- -
fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten;
Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan.
3. Ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
Vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden.
-A.3. Uitbreiding
Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.
-A.4. In gebruik nemen van een bestaand gebouw
- 1.
In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk van de volgende factoren:
- -
het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet relevant;
- -
de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.
- -
de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.
- -
-
In gebruik nemen is ook mogelijk:
- -
als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;
- -
bij een herschikkingsoperatie;
- o
als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;
- o
als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.
- o
- -
- -2.
Het bestaande gebouw moet bij ingebruikname minimaal op conditieniveau 3 zijn gebracht. Bij ingebruikname als permanente vervangende huisvesting moet toegewerkt worden naar nieuwbouw eisen.
-A.5. Verplaatsen tijdelijk gebouw
Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe voorziening.
-A.6. Terrein
Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het programma.
-A.7. Eerste inrichting
Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs. Uitgangspunt is dat de bekostiging van de eerste inrichting is gekoppeld aan het besluit waarbij het aantal m2 bruto vloeroppervlakte wordt uitgebreid, dus bij het toekennen van de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Bij vervangende nieuwbouw bestaat geen aanspraak op toekennen eerste inrichting. De eerste inrichting in het te vervangen schoolgebouw kan worden ‘meegenomen’. In afwijking van het geformuleerde uitgangspunt zijn er omstandigheden waarbij een bevoegd gezag aanspraak heeft op uitbreiding van eerste inrichting, zonder dat het gebouw fysiek wordt uitgebreid. Dit betreft de volgende situaties:
- -
een bevoegd gezag heeft geen aanspraak op uitbreiding van het schoolgebouw, omdat de school in een (school)gebouw is gehuisvest waarvan de capaciteit groter is dan de ruimtebehoefte, bijv. capaciteit is 1.000 m2 en de ruimtebehoefte is 800 m2; op het moment dat de school in dit (school)gebouw is gehuisvest heeft het college besloten om de eerste inrichting toe te kennen voor een bvo van 800 m2; als gevolg van toename van het aantal leerlingen bestaat aanspraak op uitbreiding met 100 m2; deze uitbreiding is groter dan de drempelwaarde en het bevoegd gezag heeft aanspraak op uitbreiding van de eerste inrichting;
- -
een bevoegd gezag heeft aanspraak op uitbreiding van het schoolgebouw met bijv. 100 m2, maar besluit de uitbreiding niet fysiek te realiseren; de gewenste huisvesting als gevolg van een toename van het aantal leerlingen wordt opgevangen binnen de bestaande accommodatie(s). In beide situaties bestaat dus aanspraak op het bekostigen van uitbreiding van de eerste inrichting.
Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.
-A.8. Medegebruik
Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen.
Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te hebben:
- -
in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de leerlingenprognose), en
- -
de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).
De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg’.
De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.
- -
Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.
- -
Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.
- -
Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).
-A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe gebruiker
In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe gebruiker. Onder bouwkundig worden hier alle bouwkundige, constructieve en installatietechnische voorzieningen bedoeld. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening van de gemeente.
A.9 Huur
In sommige gevallen is het niet mogelijk een gebouw in eigendom over te dragen aan het schoolbestuur. Bijvoorbeeld als het gebouw of gebouwdeel wordt gehuurd van een derde partij. Het college kan dan de voorziening huur toekennen als alternatief en het investeringsdeel van de huur aan het schoolbestuur vergoeden. Het onderhoudsdeel van de huur komt wel voor rekening van het schoolbestuur, omdat het daarvoor een vergoeding ontvangt via de lumpsumbekostiging vanuit het rijk. Als dit niet af te leiden is uit de huurvergoeding, kan er ook een aanname worden gedaan. Dit kan bijvoorbeeld een bedrag zijn dat af te leiden is uit de voormalige materiële instandhoudingsvergoeding van het Rijk.
-A.10 Herstel van constructiefouten
Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.6 Het herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPO, artikel 98, tweede lid, van de WEC en artikel ,6.10, tweede lid, van de WVO 2020.7 De verordening schrijft verder voor dat de noodzaak van het herstel van de constructiefout moet blijken uit een door het schoolbestuur te overleggen bouwkundig rapportage, die moet zijn opgesteld door een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur.
In de praktijk doet zich regelmatig de vraag voor of een voorziening wel herstel van een constructiefout betreft en of er feitelijk geen sprake is van (regulier, voor rekening van het schoolbestuur komend) onderhoud. Overwogen kan worden om in een dergelijke situatie:
- -
Een onafhankelijke gecertificeerd deskundige te laten onderzoek of er daadwerkelijk sprake is van een constructiefout (en niet van onderhoud) en de kosten van dit onderzoek te delen;
- -
Vooraf af te spreken dat het advies van de deskundige bindend of bepalend is voor het besluit tot het al dan niet toekennen van de aangevraagde voorziening.
-A.11. Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag komen.
-Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening
Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.
-B.1. Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming
Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken.
Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het collegeoverleg met het bevoegd gezag.
Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt aan een lokaal bewegingsonderwijs gelijkgesteld aan een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad of hydrotherapiebad).
-B.3. Eerste inrichting
Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:
- -
met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt vergroot, of
- -
vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal bewegingsonderwijs.
In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt. Dit komt niet heel veel voor, aangezien de meeste gymzalen onafhankelijk van de omvang wel volledig zijn ingericht.
-B.4. Medegebruik
De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.
-B.5. Herstel constructiefouten
Zie toelichting bij lesgebouwen, bijlage I, deel A, onder A.9 en A.10
-B.6. Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
Zie toelichting bij lesgebouwen, bijlage I, deel A, onder A.9 en A.10
-Bijlage II – Prognosecriteria
Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is.
De gemeentelijke leerlingenprognose mag hiervoor aangehouden worden en hoeft niet apart te worden ingediend. Enkel wanneer het schoolbestuur een eigen prognose wil gebruiken, moet deze bij de aanvraag worden gevoegd.
De officiële teldatum voor onderwijshuisvesting is 1 oktober. Prognoses moeten gebaseerd zijn op de leerlingenaantallen op deze datum.
-Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte
In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.
Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 bruto vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel geregistreerd.
-Deel A – Vaststellen capaciteit
A.1. Uitgangspunten
De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2 bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld of het (school)gebouw:
- a.
te maken heeft met leegstand, of
- b.
moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).
De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen.
Het college kan de capaciteit in sommige gevallen anders vaststellen dan de bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw. Dit kan bijvoorbeeld als gevolg van een onevenwichtige indeling (inefficiënte gebouwen) van het schoolgebouw of als een deel van het gebouw aan het onderwijs is onttrokken voor voorschoolse educatie. Het bevoegd gezag kan het college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren, waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd. Het college kan hiervoor nadere regels of beleidsregels opstellen.
Het college kan de capaciteit ook lager vaststellen dan de bruto vloeroppervlakte als een deel van de ruimte bijvoorbeeld toegewezen is aan voorschoolse educatie.
Dit is iets anders dan de uitzonderingen op de meetinstructie. De uitzonderingen op de meetinstructie betreffen ruimtes, die vanuit hun aard niet geschikt zijn voor onderwijs, maar volgens de NEN2580 methode wel tot de bruto vloeroppervlakte behoren. Dit zijn bijvoorbeeld ruimtes, die te laag, niet beloopbaar of niet te verwarmen zijn, maar wel van aanzienlijke omvang zijn.
-A.1.2 en A.1.3. Dislocaties en rangorde hoofdgebouwen en dislocaties
Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt, wordt als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen het bevoegd gezag en het college.
-A.1.4. Terrein
De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
-A.1.5. Eerste inrichting
Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de uitbreiding met het aantal m2 bruto vloeroppervlakte. Vanuit het verleden is het vaak nog moeilijk te achterhalen. Er wordt daarom vanuit gegaan dat de eerste inrichting op datum 1 januari 2019 voldoende was en overeenkomt met de capaciteit van het gebouw. Als het schoolbestuur met bewijsmiddelen kan aantonen dat de eerste inrichting anders is, dan de omvang van het gebouw, kan het college dit aanpassen en vastleggen in het onderwijsloket.
-A.1.6. Lokalen bewegingsonderwijs
Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet onderwijs kan worden ingeroosterd.
A.1.6.2. Terrein
De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:
- -
inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw;
- -
als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk geregistreerd;
- -
ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk geregistreerd;
- -
onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk geregistreerd.
A.1.6.3. Eerste inrichting
De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is, wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gestelde eisen van het bewegingsonderwijs. Daarbij is de datum van oprichting van Sportbedrijf Rotterdam B.V. aangehouden. Op dat moment heeft er een inventarisatie plaatsgevonden van de gymzalen.
-Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte
Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte noodzakelijk is.
-B.1. Lesgebouwen
De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is van:
- -
de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en
- -
de leerweg van de school voor VMBO of praktijkschool.
-B.1.1. School voor basisonderwijs
De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m2) en de som van het aantal leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Onderdeel hiervan is een speellokaal.
-B.1.2. Speciale school voor basisonderwijs
De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m2) en de som van het aantal leerlingen dat op de speciale school voor basisonderwijs is ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m2 per leerling. Heeft de speciale school voor basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.
-B.1.3. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de vaste voet (370 m2), verhoogd met de uitkomst van de afzonderlijk berekende bruto vloeroppervlakte voor het aantal leerlingen van de speciaal onderwijs- en de voortgezet speciaal onderwijs-component en van de afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal leerlingen van een of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de speciaal onderwijs-component opgeteld. Ook bij meerdere afdelingen kan een school slechts eenmaal aanspraak maken op een vaste voet. Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.
-B.1.4. School voor voortgezet onderwijs
Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke profielen in het VMBO. Deze wordt toegekend aan het grootste profiel als minimaal 100 leerlingen een VMBO profiel bezoeken en aan elk volgend profiel, mits het een omvang van minimaal 100 leerlingen heeft. Voor het praktijkonderwijs geldt een vaste voet voor zowel een zelfstandige school als een afdeling praktijkonderwijs. Of sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking.
Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.
-B.2. Lokalen bewegingsonderwijs
De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het vaststellen van de materiele vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.
Voor een school voor voortgezet onderwijs (inclusief praktijkonderwijs en lwoo) wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs.
-Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte
De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:
stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)
stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)
stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte
stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde8
stap 5 is de uitkomst van stap 4:
- -
lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen voorziening,
- -
gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.
Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college hiervoor toestemming verleent, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een huurvergoeding te betalen. Een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen worden bezocht door leerlingen in de leeftijd tot zes jaar.
Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van het aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden.
In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit met een minimum van 115 m2. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:
- -
de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van 10%;
- -
de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal m2 dat de 10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande capaciteit opvangen9. Hier is een maximum aan gesteld van 500 m2, waarbij is aangenomen dat grotere tekorten niet meer opgevangen kunnen worden.
-
-C.1 en C.2. Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:
- -
korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;
- -
4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde huisvesting;
- -
langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde huisvesting.
-C.3. Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.
De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in het schoolgebouw in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden gerealiseerd.
De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs is opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook.
De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikneming, medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.
-C.4. Lokalen bewegingsonderwijs
De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen.
C.5. Frictieruimte
Als er een overcapaciteit van minder dan 5 procent is, dan wordt deze in principe niet gevorderd voor andere doeleinden dan onderwijs. Is de overmaat groter dan 500 m2 dan kan het college hier wel toe overgaan.
-Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.
D.1 Terrein
Om te zorgen voor een gezonde school is het belangrijk dat er voldoende speelruimte is voor leerlingen. De minimumnorm uit lid 1 is voor situaties, zoals vervangende nieuwbouw waarbij uitbreiding van het terrein niet mogelijk is en andere locaties niet voorhanden zijn. In andere gevallen zorgt het college dat het terrein van voldoende omvang is voor de norm uit lid 2 en 3. Ruimte voor voorzieningen zoals parkeerplaatsen, fietsenbergingen en containeropslag worden niet tot de speelplaats gerekend.
Deel E – Meetinstructie
In dit hoofdstuk is opgenomen hoe de bruto vloeroppervlakte van een gebouw moet worden gemeten. Daarvoor wordt de NEN2580 aangehouden. Er zijn uitzonderingen voor ruimte die evident niet geschikt is als gebruiksruimte. Bijvoorbeeld, omdat deze niet wind- en waterdicht zijn, niet beloopbaar of te laag, maar volgens deze norm wel tot de bruto vloeroppervlakte moeten worden gerekend.
-Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering
-
-Algemeen
Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en artikel 6.12, derde lid, van de WVO 2020 verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen.
Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerendzaakbelasting (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 5.22 lid 1van de WVO 2020). Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.
-Deel A – Indexering
De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).
-
-Deel B – Normbedragen
-Vergoeding bouwvoorbereidingskrediet
In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van 5 procent van het normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde bekostiging.
-A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard
De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn incl. BTW.
De hoogte van de normvergoeding is voor:
- -
een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs opgebouwd uit een:
- 1)
startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte en
- 2)
bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, welk bedrag voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs afhankelijk is van de onderwijssector.
- 1)
- -
een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:
- 1)
vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)
- 2)
bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende ruimtebehoefte per onderwijssoort.
- 1)
De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt als volgt vastgesteld:
- a.
per onderwijssoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;
- b.
per onderwijssoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a vastgestelde verschil in capaciteit, en
- c.
vaststellen de hoogte van de vergoeding.
Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.
Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.
-A.2. Kosten voor terreinen
De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat in ieder geval de kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de gemeente komen. Bij vervangende nieuwbouw moet mogelijk het schoolterrein worden heringericht en het schoolgebouw worden gesloopt. De kosten van herinrichting maken onderdeel uit van de kosten van terrein. Sloop kan zijn omdat op de plaats de vervangende nieuwbouw moet worden gerealiseerd, maar ook als de vervangende nieuwbouw elders wordt gerealiseerd. Ook de kosten van het slopen komen dan voor rekening van de gemeente. Krijgt het schoolgebouw een andere bestemming dan is sloop niet aan de orde.
-A.3.7. Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw
Op grond van dit artikel bestaat voor alle onderwijssectoren aanspraak op de vergoeding voor de verhuiskosten. Deze vergoeding is afhankelijk van of de school al dan niet tijdens de realisatie van de vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van de bestaande locatie. Is hier sprake van, dan bestaat aanspraak op bekostiging van één verhuizing; is hier geen sprake van, dan op bekostiging van twee verhuizingen. De vergoeding is in beide situaties gelijk aan de feitelijke kosten.
-C. Tijdelijke voorziening
Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:
- -
als eerste voorziening (nieuwbouw);
- -
voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en
- -
voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.
De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een vergelijking tussen de kosten van:
- -
tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente voorziening, en
- -
aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van tijdelijke huisvesting,
waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen lokalen.
Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op de:
- -
kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);
- -
korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding wordt toegekend, of
- -
periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.
-D. Eerste inrichting
De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een startbedrag, incl. een aantal m2 bvo en een bedrag per m2.
Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:
als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil in inventariskosten gecompenseerd;
als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.
-E. Lokalen bewegingsonderwijs
De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in bedragen voor:
- -
nieuwbouw;
- -
uitbreiding, en
- -
eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.
Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte leerlingen en meervoudig gehandicapte leerlingen aanspraak op een aanvullende bekostiging voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte als deze lokalen bewegingsonderwijs niet toegankelijk zijn.
-F. Vergoeding feitelijke kosten
Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van technische advisering. 10
Dit onderdeel wil zoveel zeggen als dat het college moet worden voorzien van een totaaloverzicht van alle kosten alvorens toestemming kan worden gegeven. De taakstelling wil zeggen dat voor overschrijdingen dus een nieuwe toestemming nodig is.
-G.1. Huur sportvelden
Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig voor rekening van het bevoegd gezag.
De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld gebruik maakt.
-Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening
1 Algemeen
Het kan nodig zijn te prioriteren als de beschikbare middelen, niet voldoende ruimte bieden om alle aanvragen te honoreren. Op basis van de beschikbare middelen wordt een bekostigingsplafond vastgesteld.
Er kan per voorziening en per onderwijssoort een bekostigingsplafond worden vastgesteld. In dat geval wordt er ook per voorziening of onderwijssoort geprioriteerd.
2 Onderscheid voorzieningen
In dit onderdeel worden twee prioriteiten onderscheiden, namelijk hoofdprioriteit 1 om capaciteitstekorten op te heffen en prioriteit 2 om een adequaat niveau te handhaven. De verdeling over de hoofdprioriteiten vindt plaats op basis van het soort voorziening. Indien een voorziening onder hoofdprioriteit 2 ook nodig is om een capaciteitstekort op te heffen dan valt deze onder hoofdprioriteit 1. Dit is bijvoorbeeld als vervangende nieuwbouw gepaard gaat met uitbreiding of als door het opheffen van een bouwfout voor de ruimtebehoefte noodzakelijke onderwijsruimte weer in gebruik genomen kan worden.
3 Hoofd- en subprioriteit
Binnen de hoofdprioriteiten wordt vervolgens een rangorde aangebracht. Daarbij is het uitgangspunt dat het meest nijpende tekort het grootste tekort is. De herschikking is meegenomen om te zorgen dat projecten, die een onderlinge afhankelijkheid hebben wel door kunnen gaan.
De voorzieningen voortkomend uit een IHP worden binnen de gemeente op een andere wijze begroot en de voorzieningen worden daarom op afzonderlijke wijze geprioriteerd. Over de prioritering wordt met de bevoegde gezagen afgestemd, zodat hierin ook de bemensing van projecten kan worden meegewogen.
Voorbeeld:
Voor het programma worden de volgende aanvragen gedaan. Deze voldoen allemaal aan de toekenningscriteria uit bijlage 1. Er is een bekostigingsplafond vastgesteld van 2000 euro:
School A, uitbreiding, capaciteitstekort 600 m2 BVO, 500 euro
School B, medegebruik, capaciteitstekort 700 m2 BVO, 200 euro
School C, ingebruikname, capaciteitstekort 150 m2 BVO, 100 euro
School D, bouwfout, 200 euro
School E, vervangende nieuwbouw incl. uitbreiding, 2000 m2 BVO + capaciteitstekort 300 m2 BVO, 1000 euro
De prioritering wordt dan als volgt:
Hoofdprioriteit 1:
- 1.
School B, medegebruik, capaciteitstekort 700 m2 BVO, 200 euro
- 2.
School A, uitbreiding, capaciteitstekort 600 m2 BVO, 500 euro
- 3.
School E, vervangende nieuwbouw incl. uitbreiding, 2000 m2 BVO + capaciteitstekort 300 m2 BVO, 1000 euro
- 4.
School C, ingebruikname, capaciteitstekort 150 m2 BVO, 100 euro
Hoofdprioriteit 2:
- 1.
School F, schade (door wateroverlast, schuur buiten gebruik gesteld en schoolplein niet bruikbaar), 300 euro
- 2.
School D, bouwfout (scheuren gevel), 200 euro
Binnen het bekostigingsplafond komen de prioriteiten 1.1, 1.2, 1.3, en 1.4 in aanmerking voor bekostiging.
Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl
Noot
4In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van 50 minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur.
Noot
8Drempelwaarde:
- 115 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor basisonderwijs;
- 100 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale school voor basisonderwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;
- 40 m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, en
- 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 115 m2 voor een school voor voortgezet onderwijs.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl