Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR745053
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR745053/1
Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Staphorst 2025
Geldend van 09-10-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Staphorst 2025Gelet op het bepaalde in artikel 1:3, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), artikel 4:81 tot en met 4:84 Awb en artikel 5.40, lid 2 onder b van de Omgevingswet zijn beleidsregels vastgesteld voor het intrekken van de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten.
Artikel 1: Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Activiteit: een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1 onder a en/of de ‘technische’ bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 2 onder a van de Omgevingswet.
- b.
Afdeling: Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- c.
Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, zoals bedoeld in artikel 1:2, lid 1 van de Awb.
- d.
Bouwactiviteit: een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
- e.
Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk, zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
- f.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Staphorst;
- g.
Intrekken/intrekking: het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder h van dit artikel.
- h.
Omgevingsvergunning: een vergunning zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet en een vergunning die op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet als vergunning geldt.
- i.
Stilliggen werkzaamheden: het niet wezenlijk voortgang maken in de bouwwerkzaamheden, zoals de fundatie en/of begane grondvloer slecht deels aanbrengen, het lijmen of metselen van een of enkele stenen of daarmee gelijk te stellen handelingen.
- j.
Urgente of zwaarwegende planologische belangen: een situatie waar het vergunde bouwwerk is geprojecteerd in een gebied waarvoor een voorbereidingsbesluit of een ontwerp-omgevingsplan ter inzage is gelegd en het vergunde bouwwerk dit toekomstig planologisch kader frustreert.
- k.
Vergunninghouder: een natuurlijke- of rechtspersoon aan wie de omgevingsvergunning is verleend, dan wel degene voor wie de vergunning is gaan gelden na het doen van een melding zoals bedoeld in artikel 5.37, lid 2 van de Omgevingswet.
- l.
Rechthebbende: eigenaar van het betreffende perceel waar een omgevingsvergunning voor is verleend. Dit kan iemand anders zijn dan de vergunninghouder, omdat er een eigendomsoverdracht van het perceel heeft plaats gevonden.
Artikel 2: Intrekking bij uitblijven aanvang activiteiten
-
1. Het college is bevoegd om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan als gedurende 24 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen bouwactiviteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.
-
2. Als zich urgente en zwaarwegende planologische belangen voordoen wordt actief gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van de omgevingsvergunning 12 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning.
-
3. Het gunnen van een ruimere termijn wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt in geen geval meer dan 36 maanden na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning. Voor het gunnen van een ruimere termijn wordt altijd aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling.
Artikel 3: Intrekking bij stilliggen bouwwerkzaamheden
-
1. Het college is bevoegd om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan als het bouwen langer dan 12 maanden heeft stilgelegen.
-
2. Een ruimere termijn wordt op verzoek van de belanghebbende dan wel rechthebbende naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald. De ruimere termijn bedraagt in geen geval meer dan 18 maanden vanaf het moment dat geconstateerd is dat de bouwactiviteit stil heeft gelegen. Voor het gunnen van een ruimere termijn wordt altijd aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling.
Artikel 4: Procedure
-
1. Als een omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure, wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.2 Omgevingswet.
- a.
Voordat besloten wordt de omgevingsvergunning in te trekken, stelt het college de belanghebbende dan wel rechthebbende in de gelegenheid om binnen een redelijk termijn een zienswijze naar voren te brengen (volgens artikel 4:8 Awb) en hierin aan te geven welk belang hij of zij heeft bij het in stand houden van de vergunning. Deze redelijke termijn is bepaald op 4 weken. De zienswijze kan schriftelijk of mondeling worden ingediend.
- b.
Het college neemt binnen 8 weken na de ontvangst van de in onder a bedoelde zienswijze een besluit over het al dan niet intrekken van de omgevingsvergunning volgens deze beleidsregels.
- c.
Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt aan de belanghebbende dan wel rechthebbende. Ook wordt het besluit gepubliceerd in het Gemeenteblad (Officiële bekendmakingen op Overheid.nl)
- d.
Tegen een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning die is voorbereid volgens artikel 16.64 Omgevingswet kan een bezwaarschrift worden ingediend bij het bevoegd gezag.
- e.
De belanghebbende krijgt niet de gelegenheid zijn zienswijze op het voornemen tot intrekking van de vergunning naar voren te brengen, als er zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 4:11 Awb.
- a.
-
2. Als een omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure (toepassing afd. 3:4 Awb), wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.3 Omgevingswet.
- a.
Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken wordt het ontwerp van het te nemen besluit gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Een kennisgeving van het ontwerpbesluit wordt gepubliceerd in het Gemeenteblad (Officiële bekendmakingen op Overheid.nl).
- b.
Belanghebbenden kunnen zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen.
- c.
Als er geen zienswijze naar voren zijn gebracht, neemt het college het besluit binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijze is verstreken. Als er wel zienswijze naar voren zijn gebracht neemt het college het besluit uiterlijk 12 weken na de terinzagelegging (volgens artikel 3:18 Awb).
- d.
Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt aan de belanghebbende dan wel rechthebbende en wordt gepubliceerd in het Gemeenteblad (Officiële bekendmakingen op Overheid.nl).
- e.
Tegen een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning, dat is voorbereid volgens artikel 16.65 Omgevingswet, kan direct beroep worden ingediend bij de rechtbank.
- a.
-
3. Als uit de zienswijze en/of belangenafweging volgt dat er niet tot intrekking van de omgevingsvergunning over dient te worden gegaan, dan deelt het college dit schriftelijk mee. In deze brief wordt een aflopende termijn gesteld dat de omgevingsvergunning wordt ingetrokken als op de genoemde datum alsnog geen bouwactiviteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.
Artikel 5: Intrekken na toekenning ruimere termijn
Als de in artikel 2 derde lid en artikel 3 tweede lid van deze beleidsregels gestelde ruimere termijn ongebruikt is verstreken, wordt de omgevingsvergunning alsnog zonder vooraankondiging ingetrokken.
Artikel 6: Andere rechthebbende
Wanneer de vergunninghouder geen rechthebbende meer is, wordt de huidige rechthebbende in kennis gesteld van het voornemen tot intrekking. De gewijzigde omstandigheden worden betrokken bij de belangenafweging en de beslissing over het gunnen van een ruimere termijn.
Artikel 7: Reikwijdte
Deze beleidsregel heeft geen betrekking op de overige intrekkingsgronden van artikel 5.40, lid 2 van de Omgevingswet.
Artikel 8: Hardheidsclausule
Er wordt volgens deze beleidsregels gehandeld, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 9: Citeertitel, overgangsrecht en intrekking oud-beleid
-
1. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Staphorst 2025’.
-
2. Het eerder vastgestelde ‘Beleidsnota intrekken bouw- en sloopvergunning’ van 27 oktober 2009 wordt bij besluit van het college ingetrokken.
-
3. Op besluiten tot intrekking van een omgevingsvergunning, waartegen bezwaar of beroep is ingediend en de bezwaar- of beroepsprocedure naar het oud-recht nog gaande is, blijft het oud-beleid gelden tot die besluiten onherroepelijk zijn geworden.
Artikel 10: Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van 30 september 2025.
De burgemeester en wethouders van de gemeente Staphorst
Toelichting
De gemeente Staphorst verleent jaarlijks voor veel bouwactiviteiten een omgevingsvergunning. In de meeste gevallen starten de bouwwerkzaamheden kort na het verlenen van de vergunning. Soms wordt een vergunning helemaal niet of pas veel later uitgevoerd. Ook zijn er situaties waarin er slechts gedeeltelijk en onregelmatig uitvoering aan de vergunning wordt gegeven. Hiermee ontstaat een zogenaamde ‘slapende’ vergunning, waarin de vergunde situatie niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Het is stand houden van dergelijke omgevingsvergunningen is om meerdere reden onwenselijk.
Waarom slapende vergunningen onwenselijk zijn
Slapende vergunningen leiden tot juridische, ruimtelijke en administratieve knelpunten. Hieronder worden de belangrijkste risico’s en nadelen toegelicht:
Verouderde regelgeving
Wetgeving verandert voortdurend. Zo ook de regelgeving voor bouwactiviteiten. Denk bijvoorbeeld aan aanscherping van eisen voor brandveiligheid, constructieve veiligheid, milieubelasting en energiezuinigheid. Het is van belang dat bouwwerken voldoen aan de actuele wet- en regelgeving op het moment van realisatie.
Onvoltooide bouwplannen
Het langdurig stilliggen van werkzaamheden en half afgebouwde bouwwerken kunnen zorgen voor overlast, een rommelig straatbeeld of veiligheidsrisico’s. Dit heeft impact op de leefomgeving.
Verouderd ruimtelijke beleid
Wanneer de uitvoering van een bouwwerk lang op zich laat wachten, kan het bouwwerk niet meer passen binnen het actuele ruimtelijk beleid. Beleidsnotities zoals de Welstandsnota Staphorst of een beeldkwaliteitsplan kunnen in de tussentijd gewijzigd zijn.
Planologisch en stedenbouwkundig inzicht
Een bouwwerk dat jaren na vergunningverlening wordt gerealiseerd, kan in strijd zijn met nieuwe planologische en stedenbouwkundige inzichten. Bijvoorbeeld wanneer een vergund bouwwerk niet meer past in het nieuwe omgevingsplan, of woningbouwinitiatieven in de nabijheid van het buitengebied.
Belangen van omwonenden
Omwonenden kunnen geconfronteerd worden met bouwwerken waarvoor jaren geleden een vergunning is verleend, zonder dat zij nog rechtsmiddelen kunnen aanwenden.
Administratief
Slapende vergunningen zorgen voor een verschil tussen het gemeentelijk archief en de feitelijke situatie. Dit zorgt voor problemen bij WOZ-taxaties en is onwenselijk vanuit de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG). Daarnaast belemmert het afsluiten en archiveren van dossiers, wat leidt tot onnodige administratieve lasten.
Doel beleidsregels
Hete doel van deze beleidsregels is om invulling te geven aan de discretionaire bevoegdheid van het college (artikel 4:81 Awb). Intrekking van vergunningen is geen wettelijk verplichting, maar daartoe kan het college beslissen. Om deze bevoegdheid zorgvuldig toe te passen, is het wenselijk om beleidsregels vast te stellen.
Beleidsregels bieden een beoordelingskader voor situaties waarin intrekking aan de orde is. De beleidsregels bestaan uit artikelen en een toelichting. Samen vormen ze de beleidsregels; de toelichting maakt integraal deel uit van de beleidsregels.
Het college moet overeenkomstig de beleidsregels handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb).
Bekendmaking beleidsregels
De beleidsregels worden gepubliceerd in het digitaal Gemeenteblad via Overheid.nl volgens artikel 3:42 Awb en op de website van de gemeente. Hiermee stelt de gemeente belanghebbenden in staat om kennis te nemen van de beleidsregels en kan er rekening mee worden gehouden.
Met deze bekendmaking waarborgt het college rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor belanghebbenden (vergunninghouders). De toepassing van beleidsregels voorkomt willekeur en versterkt de transparantie van besluitvorming. In juridische procedures verwijst het college bij de motivering van besluiten naar de vastgestelde beleidsregels, zoals toegestaan op grond van artikel 4:82 Awb. Dit vereenvoudigt de motiveringsplicht en draagt bij aan de uitvoering van bevoegdheden.
Wetgeving
In artikel 5.40, lid 2 onder b van de Omgevingswet is voor het college de bevoegdheid vastgelegd om een omgevingsvergunning in te trekken. Dit kan zowel voor het ruimtelijke deel, als het technische deel wanneer er gedurende 1 jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Ook wanneer de bouw langer dan een jaar stilligt, of langer dan de in de vergunning vastgelegde termijn, mag het college tot intrekking overgaan.
Omgevingsvergunningen die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn verleent en inmiddels onherroepelijk zijn geworden, worden op grond van artikel 4.13, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet aangemerkt als vergunning onder de Omgevingswet. Hierdoor is artikel 5.40 lid 2 onder b Omgevingswet van toepassing voor deze oudere vergunningen.
Onder de voormalige Woningwet kon het college bouwvergunningen gefaseerd verlenen. Als er een gunning voor fase 1 was verleend, moest de aanvrager binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de fase 1-vergunning een vergunningsaanvraag indienen voor fase 2. Wanneer dit uitbleef, verviel de vergunning voor fase 1 van rechtswege. In deze situatie is geen afzonderlijk intrekkingsbesluit vereist.
Jurisprudentie
Begin van bouwwerkzaamheden
Er is pas sprake van bouwen als er een constructieve handeling wordt verricht, waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die bedoeld is om ter plaatse duurzaam aanwezig te zijn. Het uitbrengen van een offerte door een aannemer, het bepalen van het peil door de gemeente, het plaatsen van bouwplanken en het verwijderen van een grasmat werden niet beschouwd als ‘bouwen’ (ABRvS 3 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9239).
Gedeeltelijke intrekking
Gedeeltelijke intrekking is mogelijk. Denk hierbij aan een vergunning voor twee bouwwerken. Als bouwwerk A wel is gebouwd, maar bouwwerk B niet, dan kan de vergunning voor de bouw van B worden ingetrokken (de vergunning voor de bouw van A blijft dan van kracht). Het moet wel zo zijn dat het bouwwerk waarop het deel van de vergunning betrekking heeft welke niet wordt ingetrokken (bouwkundig en functioneel) als zelfstandige eenheid kan functioneren (ABRvS 21 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8387).
Intrekking zonder beleidswijziging
Er kan ook worden ingetrokken, ook al is er geen sprake van wijziging van wet-, regelgeving of beleid. Het enkele feit dat de vergunninghouder niet binnen de wettelijk gestelde termijn met de bouwwerkzaamheden is begonnen en de belanghebbende (vergunninghouder) niet kan aantonen noch aannemelijk kan maken dat binnen afzienbare termijn alsnog met de bouw zal worden gestart, is voldoende om de vergunning te mogen intrekken (ABRvS 24 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL1513). Het aantonen kan bijvoorbeeld aan de hand van een opdrachtbevestiging door de belanghebbende aan de aannemer met daarin een concrete planning van de werkzaamheden die op korte termijn zullen plaatsvinden.
Belangenafweging en zorgvuldigheid
Dat neemt niet weg dat er altijd sprake moet zijn van een belangenafweging. Het (financiële) belang dat de vergunninghouder heeft bij behoud van de vergunning moet worden afgewogen tegen het belang dat de gemeente heeft bij intrekking van die vergunning (ABRvS 25 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD5350). Ook moet het zorgvuldigheidsbeginsel in acht worden genomen (ABRvS 16 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7786).
Vooraankondiging
Uit jurisprudentie blijkt dat het niet altijd nodig is om een vooraankondiging te doen (ABRvS 3 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9239). Met name als het gevaar bestaat dat de belanghebbende (vergunninghouder) hierdoor gealarmeerd wordt en alsnog een beetje gaat bouwen of doorbouwen met het enkele doel om op die manier intrekking te voorkomen, kan er direct worden ingetrokken (artikel 4:11 Awb). De vergunninghouder kan zijn standpunt alsnog in de bezwaarschriftenprocedure uiteenzetten, aldus de bestuursrechter. Dat neemt niet weg dat uitgangspunt moet zijn dat er wel een vooraankondiging zal zijn.
Economische omstandigheden
Ook blijkt uit jurisprudentie dat het verweer dat er nog niet gestart is vanwege de economische omstandigheden niet betekent dat het college daarom niet zouden mogen intrekken. Dat aspect blijft geheel voor rekening en risico van de belanghebbende (ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215).
Belangenafweging
Bij het intrekken van een vergunning zal wel altijd een afweging gemaakt worden tussen de belangen van de belanghebbende (vergunninghouder) en het algemeen belang bij intrekking daarvan. Dit betekent dat de belanghebbende bijzondere omstandigheden moet aanvoeren die het belang van het in stand houden van de vergunning aantonen. Onder bijzondere omstandigheden, wanneer (direct) overgaan tot intrekking niet redelijk is, kan gemotiveerd worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij projecten met een groot maatschappelijk belang, die om wat voor reden dan ook zijn uitgesteld. Een besluit tot intrekking zou deze (gewenste) ontwikkeling onnodig frustreren. Aan de belanghebbende zal dan een redelijke termijn gesteld worden waarbinnen alsnog van de omgevingsvergunning gebruik gemaakt moet worden.
Rechtsmiddelen tegen intrekkingsbesluit
Als de in te trekken omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen, dan moet ook het intrekkingsbesluit volgens die procedure worden voorbereid. Het intrekkingsbesluit kan worden aangevochten: bezwaar bij het college, beroep bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling.
Als de in te trekken omgevingsvergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen, moet ook het intrekkingsbesluit met die procedure worden voorbereid: zienswijzen tegen het ontwerpbesluit bij het college, beroep bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling.
Basisadministratie Adressen en Gebouwen
De Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bevat gegevens van alle officiële adressen en gebouwen in Nederland. Gemeenten beheren deze basisregistratie, met daarin gegevens als bouwjaar, oppervlakte, gebruiksdoel, postcode en locatie op de kaart. Daarnaast zijn gemeenten ook een belangrijke gebruiker van de BAG. Gebouw- en adresgegevens worden bijvoorbeeld gebruikt bij het waarderen van onroerende zaken (WOZ) en de adresgegevens voor het bijhouden van de Basisregistratie Personen (BRP).
Vanaf het moment dat een omgevingsvergunning voor een activiteit is verleend, worden de (voorlopige) gegevens van een nieuw of gewijzigd pand en/of verblijfsobject vastgelegd in de BAG. Het betreft gegevens als de nummeraanduiding (huisnummer), het bouwjaar, het gebruiksdoel, de gebruiksoppervlakte en de geometrie.
Om te waarborgen dat de meest actuele gegevens in de BAG worden vastgelegd heeft het de voorkeur eerder opgenomen voorlopige gegevens uit de BAG te verwijderen op het moment dat duidelijk wordt dat een verleende omgevingsvergunning voor een activiteit niet wordt geëffectueerd. De actualiteit wordt gewaarborgd door het vaststellen van en actief uitvoering geven aan het intrekkingsbeleid.
Leges
In de legesverordening staat dat de vergunninghouder in bepaalde gevallen kan verzoeken om teruggave van de geheven leges wanneer de omgevingsvergunning is ingetrokken. Er geldt wel een minimumbedrag voor teruggaaf. Echter bij een ambtshalve intrekking vindt er geen teruggaaf van leges plaats.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 - Begripsbepalingen
In dit artikel zijn de begripsbepalingen gedefinieerd. Hierbij is aangesloten bij wettelijke bepalingen en jurisprudentie en begrippen die zelf zijn toegevoegd om bepaalde zaken te verduidelijken, zoals het stilliggen bouwwerkzaamheden en wat er wordt verstaan onder vergunninghouder en rechthebbende.
Artikel 2 – Intrekking bij uitblijven aanvang activiteit
Dit artikel bepaalt dat, als er geen ‘urgente en zwaarwegende planologische belangen’ zijn, een omgevingsvergunning waarvan geen gebruik is gemaakt na 24 maanden na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning, wordt ingetrokken. De termijn is tot stand gekomen, rekeninghoudend met diverse aspecten die invloed kunnen hebben op de uitvoering van de activiteiten. Hierbij kan worden gedacht aan:
- -
De planning van de bouw (moment vergunningverlening, aanvraag offertes, de keuze van en de planning van de aannemer);
- -
Vertragende omstandigheden als het weer en persoonlijke gebeurtenissen;
- -
Het artikel biedt de mogelijkheid om in concrete gevallen een ruimere termijn te bieden met een maximum van 36 maanden.
Wanneer wel sprake is van ‘urgente en zwaarwegende planologische belangen’ wordt de omgevingsvergunning na het verstrijken van 12 maanden na het onherroepelijk worden daarvan ingetrokken.
Artikel 3 – Intrekking bij stilliggen bouwwerkzaamheden
Dit artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning waarbij het bouwen gedurende 12 maanden aaneengesloten heeft stilgelegen, wordt ingetrokken. De termijn start op het moment van de constatering dat het bouwen stilligt. De termijn die hiervoor wordt gehanteerd is korter dan het uitblijven van de aanvang van de bouw (wanneer zich geen relevante wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid voordoen). De reden hiervoor is dat wanneer wordt geconstateerd dat de bouw stilligt, er al een aanzienlijke periode is verstreken vanaf het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Daarnaast zijn niet voltooide gebouwen bouwkundig en ruimtelijk ongewenst. Het komt de bouw en het bouwwerk niet ten goede wanneer de constructie en bouwelementen langdurig worden blootgesteld aan de weersomstandigheden. Ook ten aanzien van het straatbeeld is een gebouw in aanbouw niet wenselijk.
Als de omgevingsvergunning wegens het stilliggen van de bouw is ingetrokken, zal daarna handhavend worden opgetreden tegen het in aanbouw zijnde bouwwerk. Op dat moment is namelijk sprake van een overtreding van artikel 5.1 lid 1 onder a en/of artikel 5.1 lid 2 onder a en artikel 5.6 Omgevingswet: het bouwen en in stand laten van een bouwwerk dat is gebouwd zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning.
Artikel 4 – Procedure
In artikel 4 wordt de procedure tot intrekking beschreven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in omgevingsvergunningen die tot stand zijn gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure dan wel met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Vergunninghouder en eventueel andere belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen, die vervolgens worden meegenomen in de overweging tot intrekking van de vergunning.
De verplichting van kennisgeving van een intrekkingsbesluit is opgenomen in de Omgevingswet (art. 16.62 lid 2 en 16.65 lid 2). De publicatie van een intrekkingsbesluit is om transparant en informatief te zijn richting het bredere publiek. Ook wordt hiermee beleidsverantwoording afgelegd.
Artikel 5 – Intrekken na toekennen ruimere termijn
Hierin is opgenomen dat als de eventueel toegekende ruimere termijn voor de start of herstart van de activiteit is verstreken en start of herstart van de activiteit is uitgebleven de omgevingsvergunning alsnog wordt ingetrokken.pa
Artikel 6 – Andere rechthebbende
Wanneer degene aan wie de omgevingsvergunning is verleend geen rechthebbende meer is van het bouwwerk of perceel waarop de vergunning betrekking heeft, wordt de nieuwe eigenaar in kennis gesteld van het voornemen tot intrekking. Wanneer tijdig een zienswijze wordt ontvangen, zal de gewijzigde eigendomsverhouding in de belangenafweging worden meegewogen.
Artikel 7 - Reikwijdte
In dit artikel is de reikwijdte van deze beleidsregels aangegeven.
Artikel 8 – Hardheidsclausule
Dit artikel biedt de mogelijkheid om af te zien van het intrekken van de omgevingsvergunning. Deze mogelijkheid wordt toegepast als het intrekkingsbesluit onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van het doel dat wordt nagestreefd.
Artikel 9 – Citeertitel, overgangsrecht en intrekking oud-beleid
Dit artikel geeft de citeertitel van de beleidsregels weer en hoe er om wordt gegaan met het overgangsrecht.
Verder worden met de inwerkingtreding van deze beleidsregels de hiervoor geldende beleidsregels ingetrokken.
Artikel 10 - Inwerkingtrekking
Dit artikel geeft de inwerkingtreding van de beleidsregels aan.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl