Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744886
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744886/1
Nadere regel re-integratievoorzieningen Participatiewet gemeente Utrecht
Geldend van 02-10-2025 t/m heden
Intitulé
Nadere regel re-integratievoorzieningen Participatiewet gemeente UtrechtBurgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;
- •
gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;
- •
gelet op de artikelen 10, 22, 23, 24, 25, 26 en 26a van de Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Utrecht.
Overwegende:
- •
dat burgemeester en wethouders meer richting willen geven aan de inzet van de re-integratievoorzieningen uit de Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Utrecht;
Besluiten de volgende nadere regel vast te stellen: Nadere regel re-integratie voorzieningen Participatiewet gemeente Utrecht.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Definities
Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Utrecht.
Artikel 2 Algemene bepalingen over subsidieaanvragen
-
1. De volgende re-integratievoorzieningen kunnen worden aangevraagd door een natuurlijk persoon (inwoner):
- a.
Reiskostentegemoetkoming (H2);
- b.
Jobcoaching, werkbegeleiding (H3);
- c.
Overige voorzieningen (H4); en
- d.
Werknemerscheque (H6).
- a.
-
2. De volgende re-integratievoorzieningen kunnen worden aangevraagd door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid (werkgever van een inwoner):
- a.
Jobcoaching, werkbegeleiding (H3);
- b.
Werkplekaanpassing (H4, par. 4.5);
- c.
Werkgeverspremie (H5).
- a.
-
3. In aanvulling op lid 1 en 2 moet de aanvrager voldoen aan de eisen uit de Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Utrecht en de eisen uit deze nadere regel.
-
4. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks het subsidieplafond vast door middel van de subsidiestaat. Deze is te vinden op www.utrecht.nl/subsidie.
-
5. Aanvragen voor re-integratievoorzieningen kunnen gedurende het hele jaar worden ingediend.
-
6. In afwijking van artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Asv verdelen burgemeester en wethouders het budget op de volgorde van binnenkomst over de volledige aanvragen.
-
7. Als een aanvraag krachtens een verzoek conform artikel 4:5 van de Awb is aangevuld, geldt het moment waarop de aanvraag volledig is aangevuld als het moment van binnenkomst.
-
8. Burgemeester en wethouders besluiten binnen 13 weken over de aanvraag.
-
9. Burgemeester en wethouders beoordelen de aanvragen op basis van de genoemde eisen in hoofdstuk 2 tot en met 6.
-
10. Het beleid waarvoor de subsidies worden ingezet, wordt halfjaarlijks geëvalueerd.
-
11. De evaluatie kan leiden tot aanpassing van deze nadere regel.
Hoofdstuk 2 Reiskostentegemoetkoming
Artikel 3 Eisen reiskostentegemoetkoming
-
1. Burgemeester en wethouders kennen een reiskostentegemoetkoming toe als aan de volgende eisen wordt voldaan:
- a.
Er is sprake van reiskosten in het kader van een re-integratie- of participatietraject, waaronder begrepen een opleiding, sollicitatiegesprek, proefplaats en werkervaringsplaats;
- b.
De reisafstand bedraagt minimaal 4 kilometer enkele reis.
- a.
-
2. Burgemeester en wethouders bieden alleen een reiskostentegemoetkoming aan voor vervoer dat beperkt is van het woonadres tot het re-integratie- of participatietraject of de bestemming van het sollicitatiegesprek.
Artikel 4 Soorten reiskostentegemoetkoming
-
1. Burgemeester en wethouders kunnen de kosten voor het maken van noodzakelijke reizen vergoeden op de volgende manieren:
- a.
Een vergoeding van de reiskosten voor het openbaar vervoer;
- b.
Een vergoeding van de reiskosten met eigen vervoer;
- c.
Een vergoeding voor de aanschaf van:
- i.
een (tweedehands) fiets, indien de persoon nog niet in bezit is van een fiets;
- ii.
een (tweedehands) elektrische fiets, indien de persoon nog niet in bezit is van een elektrische fiets, een fiets zonder elektrische ondersteuning geen passende oplossing is en de afstand tussen het woonadres en bestemming meer dan 15 kilometer is.
- i.
- a.
-
2. Samenloop van de verschillende reiskostentegemoetkomingen, zoals vermeld in lid 1, is niet mogelijk.
Artikel 5 Hoogte reiskostentegemoetkoming
-
1. De vergoeding van de reiskosten voor het openbaar vervoer, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, wordt bepaald op basis van het meest goedkope tarief openbaar vervoer en is maximaal €25,- per dag.
-
2. De vergoeding van de reiskosten met eigen vervoer, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, is gelijk aan de fiscaal vrijgelaten kilometervergoeding van de Belastingdienst en is maximaal €25,- per dag. Voor het bepalen van het aantal gereisde kilometers wordt de kortste reisafstand volgens de online ANWB-routeplanner gehanteerd.
-
3. De maximale vergoeding voor de aanschaf van een (elektrische) fiets, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, is gelijk aan de richtprijzen zoals beschreven in de Nibud Prijzengids. De vergoeding voor de aanschaf van een (elektrische) fiets vindt maximaal één keer per drie jaar plaats. Na aanschaf wordt de verzekering en het onderhoud niet vergoed. Vervanging wordt enkel vergoed in situaties waarin zonder enige vorm van verwijt aan de zijde van belanghebbende de fiets niet meer bruikbaar is.
-
4. De hoogte van de vergoeding van de reiskosten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b en c, wordt verminderd met een eventuele vergoeding van de werkgever.
-
5. Van de maximale vergoedingen in het eerste, tweede en derde lid kan door burgemeester en wethouders worden afgeweken als blijkt dat de vergoeding niet toereikend is en dit in het kader van het re-integratietraject volgens burgemeester en wethouders wel wenselijk is.
-
6. De vergoeding kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien de persoon onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van de vergoeding of het verlenen van een te hoog bedrag.
Artikel 6 Wijze van vergoeden reiskostentegemoetkoming
-
1. De betaling van de vergoeding van de reiskosten, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a en b, vindt in beginsel achteraf plaats na afronding van het re-integratie- of participatietraject. Dit gebeurt nadat de rechthebbende een ingevuld declaratieformulier heeft ingediend, inclusief bewijsstukken waaruit blijkt dat de persoon de kosten werkelijk heeft gemaakt.
-
2. Een vergoeding voor de gemaakte reiskosten moet worden aangevraagd in het jaar waarop de kosten betrekking hebben, tot uiterlijk 1 april in het jaar daaropvolgend.
-
3. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeesters en wethouders de vergoeding van de reiskosten als voorschot verstrekken, indien na overleg met de persoon is vastgesteld dat de persoon de kosten niet kan voorschieten. In dat geval moet de persoon voorafgaand aan de reis de prijs aannemelijk maken en achteraf een betalingsbewijs overleggen.
-
4. De vergoeding voor de aanschaf van een (elektrische) fiets, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, wordt in beginsel direct uitbetaald aan de organisatie die de voorziening uitvoert dan wel levert. De organisatie moet hiervoor achteraf een factuur overleggen.
-
5. Bij spoedeisendheid of wanneer dit voor de praktische uitvoerbaarheid wenselijk is, kan in afwijking van het vierde lid besloten worden om de vergoeding te verstrekken aan de persoon zelf. In dat geval moet de persoon voorafgaand aan de koop de aanschafprijs aantonen en achteraf een betalingsbewijs overleggen.
Hoofdstuk 3 Jobcoaching en interne werkbegeleiding
Paragraaf 3.1 Eisen jobcoaching en interne werkbegeleiding
Artikel 7 Eisen jobcoaching en interne werkbegeleiding
-
1. Burgmeester en wethouders kennen persoonlijke ondersteuning toe indien zonder tijdelijke begeleiding door een jobcoach of werkbegeleider de werknemer niet naar een situatie kan toegroeien waarin hij/zij zonder begeleiding van een jobcoach of werkbegeleider bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.
-
2. Samenloop van jobcoaching en werkbegeleiding in dezelfde periode is enkel mogelijk als aan de volgende eisen wordt voldaan:
- a.
Noodzakelijkheid: het risico op uitval is naar het oordeel van burgemeester en wethouders zonder gecombineerde inzet groot;
- b.
De gecombineerde inzet is tijdelijk van aard en kan maximaal twee keer voor een half jaar worden toegekend; en
- c.
De jobcoach en de interne werkbegeleider zijn verschillende personen.
- a.
-
3. De aanvraag voor jobcoaching of interne werkbegeleiding wordt ingediend via het daartoe vastgestelde aanvraagformulier.
-
4. Bij de aanvraag voor jobcoaching wordt een ingevuld jobcoachplan aangeleverd. Het jobcoachplan is volgens gemeentelijk format en bevat de uit te voeren taken van de jobcoach en de doelen gericht op de ontwikkeling van de medewerker.
Paragraaf 3.2 Jobcoaching
Artikel 8 Intensiteit en duur jobcoaching
-
1. Voor de intensiteit van jobcoaching gelden drie begeleidingsregimes:
- a.
Licht: maximaal 20 uur per jaar;
- b.
Midden: maximaal 40 uur per jaar;
- c.
Zwaar: maximaal 52 uur per jaar.
- a.
-
2. De toekenning van het begeleidingsregime vindt plaats op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar. Indien burgemeester en wethouders het aangevraagde regime onvoldoende gemotiveerd vinden, kan zij besluiten een lager begeleidingsregime toe te kennen.
-
3. Het begeleidingsregime ‘zwaar’ kan alleen worden toegekend aan een persoon die is geregistreerd in het doelgroepregister banenafspraak.
-
4. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde maximaal aantal uren van het begeleidingsregime ‘zwaar’, als blijkt dat het begeleidingsregime niet toereikend is of zij vanwege een hoog risico op uitval meer uren noodzakelijk acht.
-
5. Jobcoaching kan maximaal vier keer voor een half jaar worden toegekend. Per half jaar wordt geëvalueerd of jobcoaching nog langer noodzakelijk is.
-
6. Van de termijnen in het vorige lid kan worden afgeweken indien:
- a.
de persoon geregistreerd staat in het doelgroepregister banenafspraak; of
- b.
de verwachting is dat dit in het belang is van de re-integratie van de persoon.
- a.
-
7. Burgemeester en wethouders kunnen tussentijds een zwaarder of lichter regime toekennen, indien respectievelijk meer of minder begeleidingsuren noodzakelijk blijken te zijn.
Artikel 9 Kwaliteitseisen en keuze jobcoach
-
1. Burgemeester en wethouders bepalen de keuze voor de in te zetten jobcoach in samenspraak met de werkgever en werknemer. Als de gemeente Utrecht één of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, bieden burgemeester en wethouders deze bij voorrang aan.
-
2. Voor jobcoaching geldt in aanvulling op artikel 7 dat de jobcoach(organisatie) erkend is door of ingeschreven is bij minimaal één van de volgende organisaties:
- a.
Het Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van UWV;
- b.
Het Nationaal Jobcoachregister van Blik op Werk en de Nederlandse Vereniging voor Support (NVS);
- c.
De brancheorganisatie Organisatie voor Vitaliteit, Activering en Loopbaan (OVAL);
- d.
De beroepsorganisatie Beroepsvereniging van loopbaanprofessionals en jobcoaches (Noloc).
- a.
-
3. Van de eis in het tweede lid kan afgeweken worden als de jobcoach voldoet aan alle volgende kwaliteitseisen:
- a.
de jobcoach heeft een hbo-opleiding afgerond of hbo werk- en denkniveau;
- b.
de jobcoach heeft een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd waarvoor een diploma/certificaat is behaald of in de praktijk binnen een organisatie een training tot jobcoach gevolgd (incompany training);
- c.
de jobcoach heeft aantoonbaar ervaring met het geven van werkinstructies; en
- d.
de jobcoach heeft aantoonbaar ervaring met de werkzaamheden die de werknemer/proefgeplaatste dient uit te voeren.
- a.
-
4. Voor interne jobcoaching gelden in aanvulling op het tweede lid de volgende eisen:
- a.
De jobcoach is in dienst, gedetacheerd of ingehuurd bij de werkgever en vrijgesteld van andere werkzaamheden voor het uitvoeren van de jobcoachingstaken; en
- b.
De jobcoach is geen directe collega of leidinggevende van de werknemer.
- a.
Artikel 10 Subsidie jobcoaching
-
1. De (all-in) uurvergoeding voor een jobcoach is gelijk aan de door UWV gehanteerde uurvergoeding voor externe jobcoaching (excl. BTW), zoals vermeld in het Besluit Protocol Normbedragen Voorzieningen UWV (code Q1).
-
2. Betalingen waarop de werkgever of de jobcoachorganisatie ten tijde van de verstrekking of naderhand geen recht had, worden door burgemeester en wethouders teruggevorderd of verrekend.
Paragraaf 3.3. Werkbegeleiding
Artikel 11 Intensiteit en duur werkbegeleiding
-
1. Voor de intensiteit van werkbegeleiding gelden twee begeleidingsregimes:
- a.
Licht: maximaal 20 uur per jaar;
- b.
Midden: maximaal 40 uur per jaar.
- a.
-
2. De toekenning van het begeleidingsregime vindt plaats op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar. Indien burgemeester en wethouders het aangevraagde regime onvoldoende gemotiveerd vinden, kan zij besluiten een lager begeleidingsregime toe te kennen.
-
3. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde maximaal aantal uren van het begeleidingsregime ‘midden’, als blijkt dat het begeleidingsregime niet toereikend is of zij vanwege een hoog risico op uitval meer uren noodzakelijk acht.
-
4. Werkbegeleiding kan maximaal vier keer voor een half jaar worden toegekend. Per half jaar wordt geëvalueerd of werkbegeleiding nog langer noodzakelijk is.
-
5. Van de periode in het vorige lid kan afgeweken worden en gelijk worden gebracht met de looptijd van het contract als:
- a.
De persoon geregistreerd staat in het doelgroepregister banenafspraak;
- b.
De verwachting is dat dit in het belang is van de re-integratie van de persoon.
- a.
-
6. Burgemeester en wethouders kunnen tussentijds een zwaarder of lichter regime toekennen, indien respectievelijk meer of minder begeleidingsuren noodzakelijk blijken te zijn.
Artikel 12 Kwaliteitseisen en keuze werkbegeleider
- 1.
De keuze voor de in te zetten werkbegeleider wordt bepaald door de gemeente in samenspraak met de werkgever en werknemer.
- 2.
Voor een werkbegeleider gelden in aanvulling op artikel 7 de volgende eisen:
- a.
De werkbegeleider is in dienst van de werkgever;
- b.
De werkbegeleider is voor een deel van zijn uren vrijgesteld van andere werkzaamheden voor het uitvoeren van de begeleidingstaken;
- c.
De werkbegeleider heeft een training voor werkbegeleider (Harrie Helpt-training) afgerond, gericht op het begeleiden van werknemers uit de doelgroep;
- d.
De werkbegeleider heeft ervaring met het geven van werkinstructies;
- e.
De werkbegeleider heeft ervaring met de werkzaamheden die de werknemer gaat uitvoeren.
- a.
Artikel 13 Subsidie werkbegeleiding
-
1. De (all-in) uurvergoeding voor een werkbegeleider is maximaal 50% van de door UWV gehanteerde uurvergoeding voor jobcoaching (excl. BTW), zoals vermeld in het Besluit Protocol Normbedragen Voorzieningen UWV.
-
2. Betalingen waarop de werkgever ten tijde van de verstrekking of naderhand geen recht had, worden door burgemeester en wethouders teruggevorderd of verrekend.
Hoofdstuk 4 Overige voorzieningen
Paragraaf 4.1. Eisen overige voorzieningen
Artikel 14 Eisen overige voorzieningen
-
1. Voor de overige voorzieningen gelden de volgende eisen:
- a.
Er is sprake van een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap. Dit betekent dat de functionele beperking naar verwachting tenminste een jaar duurt;
- b.
De voorziening is noodzakelijk voor het vinden of behouden van werk. Zonder de voorziening is de persoon niet in staat om bij een (reguliere) werkgever te werken.
- c.
Er kan geen aanspraak gemaakt worden op voorliggende voorzieningen;
- d.
Burgemeester en wethouders beoordelen de proportionaliteit voor een voorziening op de onderlinge samenhang van:
- i.
de (meer)kosten van de voorziening;
- ii.
de duur (aantal maanden) en vorm (vast of tijdelijk contract) van de (arbeids)overeenkomst;
- iii.
de omvang (gemiddelde aantal uren per week) van de (arbeids)overeenkomst;
- iv.
de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten, waaronder eventuele lasten in het kader van de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
- i.
- a.
-
2. Burgemeester en wethouders kiezen bij toekenning voor de goedkoopst passende en kwalitatief verantwoorde voorziening;
-
3. De aanvraag voor de overige voorziening wordt ingediend via het daartoe vastgestelde aanvraagformulier.
Paragraaf 4.2 Vervoersvoorziening
Artikel 15 Specifieke eisen vervoersvoorziening
-
1. In aanvulling op artikel 14 gelden voor de inzet van (rolstoel)taxivervoer de volgende specifieke eisen:
- a.
de persoon kan door zijn structurele beperking zowel niet zelfstandig reizen als gebruik maken van het openbaar vervoer; en
- b.
het taxibedrijf voldoet aan de kwaliteitseisen van UWV.
- a.
-
2. In aanvulling op artikel 14 geldt voor de inzet van een aangepast vervoersmiddel, zoals bedoeld in artikel 16, onder b en c, dat de persoon door zijn structurele beperking niet zonder aangepast vervoersmiddel kan reizen.
Artikel 16 Soorten vervoersvoorzieningen
Burgemeester en wethouders kunnen één of meerdere van de volgende vervoersvoorzieningen verstrekken:
- a.
Een vergoeding voor de kosten voor de inzet van (rolstoel)taxivervoer;
- b.
Een vergoeding voor de kosten voor aanpassing aan een eigen auto of aangepaste auto in bruikleen;
- c.
Een vergoeding voor een rolstoelbus of rolstoelbus in bruikleen;
- d.
Een vergoeding voor de meerkosten van de vervoersvoorziening (denk aan extra brandstofkosten bij gebruik van rolstoelbus of rijlessen voor aangepast vervoersmiddel).
Artikel 17 Hoogte vergoeding vervoersvoorziening
-
1. De vergoeding van de kosten voor de inzet van (rolstoel)taxivervoer bedraagt het in de markt reguliere tarief per kilometer voor (rolstoel)taxivervoer;
-
2. Op de vergoeding van de kosten voor de inzet van (rolstoel)taxivervoer, zoals bedoeld in lid 1, wordt een eigen bijdrage van € 0,23 per kilometer in mindering gebracht.
-
3. Een eventuele vervoersvoorziening van de werkgever wordt in mindering gebracht op de toe te kennen vervoersvoorziening.
Artikel 18 Wijze van verstrekken vervoersvoorziening
-
1. Burgemeester en wethouders betalen de vergoeding voor een vervoersvoorziening in beginsel direct uit aan de organisatie die de voorziening uitvoert dan wel levert. De organisatie moet hiervoor achteraf een factuur overleggen.
-
2. Bij spoedeisendheid of wanneer dit voor de praktische uitvoerbaarheid wenselijk is, wordt in afwijking van het eerste lid de vergoeding verstrekt aan de persoon zelf. In dat geval moet de persoon vooraf de aanschafprijs aan tonen en achteraf een betalingsbewijs overleggen.
Paragraaf 4.3 Noodzakelijke intermediaire activiteit bij een motorische handicap
Artikel 19 Specifieke eisen intermediaire activiteit
-
1. Burgemeester en wethouders kunnen de kosten voor intermediaire activiteit vergoeden op de volgende manieren:
- a.
Een vergoeding van de kosten voor een intermediaire voorziening indien de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn;
- b.
Een vergoeding van de kosten voor een intermediaire dienstverlener; en
- c.
Een vergoeding van de reiskosten voor een intermediaire dienstverlener.
- a.
-
2. Samenloop van intermediaire activiteiten, zoals vermeld in lid 1, is mogelijk.
Artikel 20. Hoogte vergoeding intermediaire activiteit
-
1. De vergoeding van de kosten voor een intermediaire voorziening, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, is gelijk aan de noodzakelijke kosten van de voorziening.
-
2. De vergoeding van de kosten voor een intermediaire dienstverlener, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder b, is gelijk aan de uurvergoeding van UWV voor een intermediaire dienstverlener, zoals vermeld in het Besluit Protocol Normbedragen Voorzieningen UWV.
-
3. Het maximaal aantal uur voor een intermediaire dienstverlener, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder b, dat wordt vergoed is gelijk aan 15% van het aantal uur dat de persoon werkzaam is of deelneemt aan re-integratieactiviteiten.
-
4. De vergoeding van de reiskosten van een intermediaire dienstverlener, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c, is gelijk aan de kilometervergoeding van UWV voor een intermediair, zoals vermeld in het Besluit Protocol Normbedragen Voorzieningen UWV.
Artikel 21 Wijze van verstrekken intermediaire activiteit
-
1. Burgemeester en wethouders betalen de vergoeding voor intermediaire activiteit in beginsel direct uit aan de organisatie die de voorziening uitvoert dan wel levert. De organisatie moet hiervoor achteraf een factuur overleggen.
-
2. Bij spoedeisendheid of wanneer dit voor de praktische uitvoerbaarheid wenselijk is, kan in afwijking van het eerste lid besloten worden om de vergoeding voor de intermediaire activiteit te verstrekken aan de persoon zelf. In dat geval moet de persoon vooraf de kosten aantonen en achteraf een betalingsbewijs overleggen.
Paragraaf 4.4 Meeneembare voorziening
Artikel 22 Specifieke eisen meeneembare voorziening
In aanvulling op artikel 14 gelden voor de meeneembare voorziening de volgende specifieke eisen:
- a.
De meeneembare voorziening is naar verwachting minimaal zes maanden noodzakelijk voor het vinden of behouden van werk.
- b.
De meeneembare voorziening is door de persoon ook te gebruiken op een andere werkplek.
Artikel 23 Hoogte vergoeding meeneembare voorziening
De vergoeding voor een meeneembare voorziening is gelijk aan de noodzakelijke kosten van de voorziening.
Artikel 24 Wijze van verstrekken meeneembare voorziening
-
1. Indien een meeneembare voorziening op maat is gemaakt en niet overdraagbaar is aan een ander, wordt deze voorziening in eigendom verstrekt.
-
2. Burgemeester en wethouders betalen de vergoeding voor een meeneembare voorziening in beginsel direct aan de organisatie die de voorziening levert. De organisatie moet hiervoor achteraf een factuur overleggen.
-
3. Bij spoedeisendheid of wanneer dit voor de praktische uitvoerbaarheid wenselijk is, kan in afwijking van het tweede lid besloten worden om de vergoeding voor de meeneembare voorziening te verstrekken aan de persoon zelf. In dat geval moet de persoon vooraf de aanschafprijs aantonen en achteraf een betalingsbewijs overleggen.
-
4. Een al voor aanvraag en toekenning aangeschafte voorziening wordt niet vergoed.
Paragraaf 4.5 Werkplekaanpassingen
Artikel 25 Specifieke eisen werkplekaanpassingen
In aanvulling op artikel 14 gelden voor werkplekaanpassingen de volgende specifieke eisen:
- a.
De voorziening is aard- en nagelvast verbonden met het eigendom van de werkgever;
- b.
Er is sprake van eenmalige noodzakelijke kosten gericht op het wegnemen van beperkingen die een persoon heeft om op de werkplek te kunnen functioneren;
- c.
Bij de aanvraag voor een werkplekaanpassing levert de werkgever een offerte aan.
Artikel 26 Hoogte vergoeding werkplekaanpassingen
De vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever is gelijk aan de noodzakelijke kosten.
Artikel 27 Wijze van verstrekken vergoeding werkplekaanpassingen
-
1. Burgemeester en wethouders betalen de vergoeding voor een werkplekaanpassing na afronding van de werkzaamheden. Om de afronding van de werkzaamheden vast te stellen, kunnen burgemeester en wethouders bewijsmateriaal opvragen of een locatiebezoek uitvoeren.
-
2. De vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever wordt, op basis van een factuur, uitbetaald aan de organisatie die de werkplekaanpassing heeft uitgevoerd.
-
3. Burgemeester en wethouders vergoeden geen werkplekaanpassingen die al voor toekenning zijn uitgevoerd.
Hoofdstuk 5 Werkgeverspremie
Artikel 28 Eisen werkgeverspremie
-
1. Burgemeester en wethouders kennen een werkgeverspremie toe aan een werkgever als aan de volgende eisen wordt voldaan:
- a.
De werkgever, niet zijnde een uitzendbureau, stelt een arbeidsplaats beschikbaar voor een persoon uit de doelgroep.
- b.
Er is sprake van een (arbeids)overeenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een werkgeverspremie kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing;
- c.
De aanvraag is uiterlijk 3 maanden na aanvang dienstbetrekking ingediend;
- d.
Voor de gemaakte kosten kan geen aanspraak worden gemaakt op een vervoersvoorziening, intermediaire activiteit bij een motorische handicap, meeneembare voorziening, werkplekaanpassing of andere voorliggende voorzieningen.
- a.
-
2. Enkel de kosten die direct en specifiek verband houden met het in dienst nemen of in dienst houden van, dan wel het aanbieden van een arbeidsplaats worden vanuit de werkgeverspremie vergoed. De werkgeverspremie betreft een vergoeding voor de werkgever ter compensatie van het inwerken, begeleiden en tijdelijk productieverlies van de werknemer.
-
3. Enkel de kosten vanaf de aanvang van het dienstverband of proefplaatsing worden vanuit de werkgeverspremie vergoed. De reeds voor die dag gemaakte kosten komen niet in aanmerking voor een vergoeding vanuit de werkgeverspremie.
-
4. Burgemeester en wethouders weigeren het verlenen van de werkgeverspremie als werkgever eerder, voor dezelfde functie, een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet heeft verlengd of een werknemer heeft ontslagen, ondanks goed functioneren.
-
5. Bij de aanvraag dient de werkgever de volgende zaken te overleggen:
- a.
Een recent uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (niet ouder dan 2 maanden);
- b.
Een kopiebankafschrift of een foto van de bankpas (met duidelijk zichtbaar de naam van de organisatie en het IBAN);
- c.
Een begroting en motivatie van de extra kosten voor inwerken, begeleiding en tijdelijk productieverlies.
- a.
-
6. De kosten die gemaakt worden om een persoon met een structurele functionele beperking een dienstverband aan te bieden of te laten behouden dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. De beoordeling of de kosten proportioneel zijn, wordt gebaseerd op:
- a.
de kosten;
- b.
het aantal uren per week van de arbeidsovereenkomst;
- c.
de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten, waaronder eventuele lasten in het kader van de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
- a.
Artikel 29 Hoogte werkgeverspremie
-
1. De hoogte van de werkgeverspremie is gelijk aan de daadwerkelijk gemaakte kosten met een maximum van €3.000.- bij een fulltime dienstverband.
-
2. Er is sprake van een fulltime dienstverband:
- a.
indien het aantal uren van het dienstverband gelijk is aan het aantal fulltime contracturen, zoals is vastgesteld in de bedrijfstak-cao van de werkgever; of
- b.
indien het aantal uren van het dienstverband gelijk is aan het aantal fulltime contracturen, zoals is vastgesteld in de ondernemings-cao van de werkgever indien de bedrijfstak-cao niet algemeen verbindend verklaard is en de werkgever geen lid is van de werkgeversorganisatie; of
- c.
bij een arbeidsovereenkomst van minimaal 36 uur per week indien de aanvragende werkgever geen bedrijfstak-cao of ondernemings-cao heeft.
- a.
-
3. Bij een parttime dienstverband wordt het maximale bedrag, zoals vermeld in lid 1, evenredig verminderd.
Artikel 30 Wijze van verstrekken werkgeverspremie
-
1. Burgemeesters en wethouders bepalen op basis van de aanvraag de hoogte van de werkgeverspremie.
-
2. De werkgeverspremie wordt direct uitbetaald aan de werkgever.
Hoofdstuk 6 Werknemerscheque
Artikel 31 Eisen werknemerscheque
-
Burgemeester en wethouders kennen een werknemerscheque toe als aan de volgende eisen wordt voldaan:
- a.
Er is sprake van aantoonbare extra kosten die gemaakt moeten worden om een specifieke betaalde baan, proefplaats of stage- of leerwerkplek te krijgen of te behouden.
- b.
De kosten die gemaakt worden vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de werkgever of worden niet vergoed door de werkgever;
- c.
Voor de gemaakte kosten kan geen aanspraak worden gemaakt op een vervoersvoorziening, intermediaire activiteit bij een motorische handicap, meeneembare voorziening, werkplekaanpassing of voorliggende voorzieningen;
- d.
De aanvraag voor een werknemerscheque is uiterlijk 1 maand na aanvang dienstbetrekking ingediend.
- e.
De werknemerscheque is niet eerder toegekend voor het verkrijgen of behouden van deze specifieke baan, proefplaatsing, stage of leerwerkplek.
- a.
Artikel 32 Hoogte vergoeding werknemerscheque
De hoogte van het bedrag van de werknemerscheque is gelijk aan de daadwerkelijk gemaakte kosten, met een maximum van €300,-.
Artikel 33 Wijze van verstrekken werknemerscheque
Indien de aanvraag voor de werknemerscheque voldoet aan de eisen, zoals vermeld in artikel 31, wordt de werknemerscheque na besluitvorming volledig uitbetaald aan de werknemer. De werknemerscheque wordt eenmalig versterkt per werkkans met een maximum van €300,-.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 34 Inwerkingtreding
Deze nadere regel treedt in werking de dag na bekendmaking van deze nadere regel.
Artikel 35 Citeertitel
Deze nadere regel wordt aangehaald als ‘Nadere regel re-integratievoorzieningen Participatiewet gemeente Utrecht’.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van 30 september 2025.
De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma
De secretaris,
Michiel J. Ruis
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl