Besluit van de Eilandsraad van 27 september 2022 no. 22/08 tot vaststelling van de verordening, houdende regels betreffende de veiligheid op de wegen en in het verkeer op Sint Eustatius (Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022)

Geldend van 28-09-2022 t/m heden

Intitulé

Besluit van de Eilandsraad van 27 september 2022 no. 22/08 tot vaststelling van de verordening, houdende regels betreffende de veiligheid op de wegen en in het verkeer op Sint Eustatius (Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022)

Gelet op artikel 152 van de Wet openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba juncto de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorijtuigen BES;

Besluit:

vast te stellen de navolgende

Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Hoofdstuk 1 Algemene en begripsbepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om te worden voortbewogen door een motorrij-tuig;

aslijnen: al dan niet onderbroken lijnen of stroken, op of in een rijbaan in een daarbij afstekende kleur aangebracht, waardoor de rijbaan overlangs verdeeld wordt in twee of meer delen van gelijke of nagenoeg gelijke breedte;

autobus: een motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht perso-nen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

bebouwde kom: het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijfsfunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven;

berm: al dan niet verhard direct naast de rijbaan gelegen deel van de weg;

bestuurder: iedere weggebruiker, niet zijnde een voetganger;

bestuurder van een motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen;

bevoegd gezag: de gezaghebber van het openbaar lichaam Sint Eustatius, tenzij anders bepaald in deze verordening;

blauwe doorgetrok-ken streep: vanwege het bevoegd gezag aangewezen parkeerzone waarin voor-waarden gelden ten aanzien van het parkeren;

blokmarkering: onderbroken markering van blokken of strepen op het wegdek ter aan-duiding dat een bepaalde rijbaan ingereden mag worden of dat in- of uitgevoegd kan worden;

bromfiets: motorrijtuig op twee of drie wielen, dat niet is voorzien van een geslo-ten carrosserie, en dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of een elektromotor, met een vermogen van ten hoogste 4KW, met een maximumsnelheidsvermogen van 55 km/u;

dag: de periode tussen zonsopgang en zonsondergang;

dimlicht: licht waarmee de weg voor het voertuig wordt verlicht zonder dat hier-door andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;

fiets: voertuig, bestemd om te worden voortbewogen door fysieke kracht, met uitzondering van die voertuigen welke kennelijk als kinderspeelgoed zijn aan te merken, waaronder mede begrepen voertuigen met traponder-steuning met een maximale snelheid van 30 km/u;

fietspad of fiets-strook: een als zodanig aangewezen weggedeelte of vrij liggend pad bestemd voor fietsers;

gele doorgetrokken streep: zone waarin het verboden is te stoppen;

gele onderbroken streep: zone waarin het verboden is te parkeren;

gevarendriehoek: driehoekige rode reflector die op de weg geplaatst wordt om het ach-teropkomende verkeer te waarschuwen;

grootlicht: licht dat de weg voor het voertuig over een grote afstand verlicht;

haaientanden: een serie driehoeken op het wegdek ter aanduiding dat voorrang dient te worden verleend;

inhalen: bij een nadering en voorbijgaan van twee zich in dezelfde richting voortbewegende voertuigen of groepen van voertuigen waartussen de afstand afdoende geringer wordt doordat het achterste voertuig of de achterste groep voertuigen zich sneller voortbeweegt dan het voorste voertuig of de voorste groep voertuigen;

inrit: toegang naar een gebouw of besloten erf;

invalidenvoertuig: voertuig ingericht voor het vervoer van een invalide, al dan niet uitge-rust met een motor met een maximale snelheid van 30 km/u, waarbij het voertuig niet breder mag zijn dan 1,2 meter;

invoegstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weg-gedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan op-rijden;

keuringsbewijs: schriftelijk bewijs dat het motorrijtuig tijdens een periodieke keuring is goedgekeurd;

keuringsrapport: keuringsbewijs of een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs;

kruisingsvlak: gedeelte van de weg, bij een samenkomst van rijbanen, dat vrij dient te worden gehouden voor het verlenen van voorrang;

kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

laadvermogen: het maximaal toegestane ladingsgewicht dat met een bepaald vervoer-middel mag worden vervoerd;

massa van het ledige voertuig: massa van het voertuig in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van de bedrijfsstoffen, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uit-rusting van een voertuig behoren, lading; bestuurder en andere perso-nen die met het voertuig worden vervoerd niet inbegrepen;

Maximum toegestane massa: het ledig gewicht van een voertuig, vermeerderd met het laadvermogen;

militaire colonne: een aantal zich achter elkaar in formatie bevindende militaire voertui-gen, dan wel een aantal militairen te voet in enigerlei aaneengesloten formatie, voor zover zij zich ter uitoefening van de dienst op de weg be-vinden;

motorfiets: motorrijtuig met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm3 op twee wie-len al dan niet met zijspanwagen;

motorrijtuig: een gemotoriseerd rijtuig, niet zijnde een bromfiets en een invaliden-voertuig, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

nacht: de periode tussen zonsondergang en zonsopgang;

nummerplaat: de letters en cijfers aangebracht op de nummerplaat, overeenkomstig de Motorrijtuigbelastingverordening Sint Eustatius 2020;

nummerplaatregister: register waarin nummerplaat, de motorrijtuigen en de eigenaars daar-van zijn geregistreerd;

oplegger: aanhangwagen die is ontworpen om aan een trekkend voertuig te wor-den gekoppeld, waarbij het trekkend voertuig de voorzijde van de op-legger draagt en waarbij op het trekkend voertuig een aanzienlijke verti-cale belasting wordt overgebracht door de oplegger;

parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk en voortgezet in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk en voortgezet laden of lossen van goederen;

rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden;

rijbewijs: bewijs dat je een motorrijtuig mag besturen;

rijbewijzenregister: register waarin alle rijbewijsgegevens zijn opgenomen van de inwoners van het openbaar lichaam;

schadevoertuig: voertuig dat ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is;

typegoedkeuring: goedkeuring van tot een bepaald type behorende voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers;

richtingspijlen: witte pijlen op de rijbaan aangebracht die de bestuurder de verplichte rijrichting aangeven;

rijstrook: door een doorgetrokken of onderbroken witte streep gemarkeerd ge-deelte van de rijbaan van dusdanige breedte dat bestuurders van mo-torrijtuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken;

vee, rij- en trekdie-ren: hieronder wordt onder meer begrepen paarden, pony's, ezels, muilezels, muildieren, runderen, schapen, geiten en varkens;

rotonde: een cirkelvormig plein met eenrichtingsverkeer;

stoplijn: een witte al dan niet onderbroken lijn, strook of streep, overdwars in of op het wegdek aangebracht;

trottoir: zijkant van de weg afgezet door trottoirbanden langs de rijbaan;

uitgiftebewijs: bewijs afgegeven ter zake van de opgave van een nummerplaat;

uitrijstrook: door een onderbroken blokmarkering van de doorgaande rijbaan afge-scheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de door-gaande rijbaan verlaten;

uitrit: uitgang van een gebouw of besloten erf;

verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht ter geleiding van het verkeer;

verharde wegen: wegen welke zijn voorzien van een kunstmatig aangebrachte vaste dek-laag;

verkeer: alle weggebruikers;

verkeersdrempels: verhoging in de weg bedoeld om de weggebruiker zijn snelheid te doen verminderen;

verkeerslichten: lampen op de openbare weg bedoeld om doorstroming van het verkeer te regelen;

verkeerstekens: verkeerslichten, verkeersborden en tekens op het wegdek;

voertuigen: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorrijtuigen, zelfrijdende werktuigen en wagens;

voetgangersover-steekplaats of zebrapad: een door, loodrecht op de lengterichting van de weg aangebrachte witte strepen aangewezen plaats waar voetgangers en invalidenvoertuigen de rijbaan kunnen oversteken;

voetpad: een van de rijbaan afgescheiden, al dan niet verhoogd weggedeelte, uitsluitend bestemd voor voetgangers, tenzij in deze verordening anders is bepaald;

voorrang verlenen: het in staat stellen van de betrokken bestuurders om ongehinderd hun weg te vervolgen;

vrachtauto: motorrijtuig op meer dan drie wielen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kilogram, uitsluitend en hoofdzakelijk ingericht tot, of blijkens hun oorspronkelijke bouw bestemd voor het vervoer van goederen;

wagen: een voertuig voortgetrokken door rij- of trekdieren;

wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden; met inbe-grip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen be-horende paden en bermen of zijkanten;

weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een invalidenvoer-tuig of van een motorrijtuig, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van bespannen of onbespannen wagens;

zelfrijdende werktuigen: werktuigen, die zich door middel van eigen mechanische kracht kunnen verplaatsen.

Artikel 2

  • 1. De regels van deze verordening betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op be-stuurders van een invalidenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. Tenzij deze verordening an-ders bepaald, volgen bestuurders van invalidenvoertuigen in andere gevallen de regels voor fietsers.

  • 2. De regels van deze verordening betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen niet zijnde voertuigen.

Artikel 3

  • 1. Indien de eigenaar van een motorrijtuig of een aanhangwagen niet tevens bezitter is, treedt de bezitter voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voor de eigenaar in de plaats.

  • 2. Degene aan wie een nummerplaat is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwa-gen wordt, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.

Artikel 4

De krachtens deze verordening vastgestelde regels strekken tot:

  • a.

    het verzekeren van de veiligheid op de weg;

  • b.

    het beschermen van weggebruikers en passagiers;

  • c.

    het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  • d.

    het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer, en;

  • e.

    het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu.

Artikel 5

Het bestuurscollege heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze verordening voorziet, voor zo ver die regels niet in strijd zijn met hogere regelgeving of de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen, bevelen en verkeerstekens

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 6

  • 1. Weggebruikers zijn verplicht om gevolg te geven aan de verkeersborden en verkeerste-kens, zoals opgenomen in bijlage 1 en 2, die een gebod of verbod inhouden.

  • 2. De verkeersborden en -tekens opgenomen in bijlage 1 kunnen bij eilandelijk besluit, hou-dende algemene maatregelen, worden gewijzigd of ingetrokken.

  • 3. Weggebruikers zijn verplicht om gevolg te geven aan verkeerslichten.

  • 4. Weggebruikers zijn verplicht om gevolg te geven aan de in bijlage 2 opgenomen bevelen en aanwijzingen, die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door daar-toe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, verkeersbrigadiers of andere daar-toe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren.

  • 5. De bevelen en aanwijzingen als bedoeld in het vierde lid prevaleren boven verkeersregels, de verkeersborden en verkeerstekens uit het eerste lid en de verkeerslichten uit het derde lid.

  • 6. De verkeerslichten prevaleren boven de verkeersborden en verkeerstekens uit het eerste lid die de voorrang regelen.

  • 7. Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

Artikel 7

  • 1. Ten behoeve van de veiligheid op de weg en het waarborgen van de vrijheid van het verkeer kunnen, na ingewonnen advies, door of vanwege de gezaghebber beve-len en aanwijzingen worden gegeven aan de weggebruikers.

  • 2. De gezaghebber of een door hem aangewezen instantie beslist na ingewonnen advies over het plaatsen en aanbrengen van verkeerstekens.

  • 3. De gezaghebber of de door hem daartoe aangewezen instantie kan slechts gemo-tiveerd afwijken van het advies bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Verkeerstekens, verkeersborden en verkeerslichten worden door of namens het bestuurs-college geplaatst of aangebracht.

  • 5. Het is eenieder verboden, met uitzondering van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, om verkeersborden of verkeerstekens op, langs, boven of aan de weg te plaatsen of te doen plaatsen, te verwijderen dan wel de zichtbaarheid daarvan weg te nemen.

  • 6. Het is verboden voorwerpen, inrichtingen of borden, van welke aard ook, die het verkeer in verwarring zouden kunnen brengen op, langs of boven de wegen aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden.

Paragraaf 2 Verkeersborden

Artikel 8

  • 1. Verkeersborden, verkeerslichten en verkeerstekens zijn van toepassing over de gehele breedte van de weg waar op, bij, langs of boven deze zijn geplaatst, tenzij een weg is ver-deeld in rijstroken. Dan is het verkeersbord, verkeerslicht of verkeersteken van toepassing voor de rijstrook waar op, bij, langs of boven deze is geplaatst.

  • 2. De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage 1 gelden slechts voor de zijde van de weg waaraan of waarop zij zijn geplaatst.

  • 3. Onder verkeersborden en verkeerslichten aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

    • a.

      een nadere uitleg van het verkeersbord;

    • b.

      ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersge-drag;

    • c.

      ingeval op een onderbord het woord “uitgezonderd” in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.

  • 4. Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opge-nomen.

  • 5. Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onder-bord.

Paragraaf 3 Verkeerslichten

Artikel 9

  • 1. Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

    • a.

      groen licht: doorgaan;

    • b.

      geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stop-pen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

    • c.

      rood licht: stop.

  • 2. Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

  • 3. Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fiet-sers en bestuurders van een invalidenvoertuig.

  • 4. Indien een verlichte afbeelding van een voetganger zichtbaar is, geldt het licht voor voet-gangers.

Artikel 10

  • 1. Bij tweekleurige verkeerslichten betekent:

    • a.

      geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen rede-lijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

    • b.

      rood licht: stop.

  • 2. Het tweede en derde lid van artikel 9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

  • 1. Bij bus-lichten betekent:

    • a.

      wit licht of wit knipperlicht: doorgaan;

    • b.

      geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelij-kerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

    • c.

      rood licht: stop.

  • 2. Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.

Artikel 12

  • 1. Bij voetgangerslichten betekent:

    • a.

      groen licht: voetgangers mogen oversteken;

    • b.

      groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoe-dig;

    • c.

      rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken: reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

  • 2. Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 14, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor la-ten gaan.

  • 3. Ten behoeve van blinden en slechtzienden kunnen verkeerslichten worden uitge-rust met een geluidsignaal.

Artikel 13

Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

Artikel 14

Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verkeerslichten.

Paragraaf 4 Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 15

Een doorgetrokken streep heeft de volgende beteke-nis:

  • 1.

    indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht;

  • 2.

    indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, voor verkeer in één richting: bestuurders mogen de streep niet overschrijden, tenzij tussen de be-stuurder en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

Artikel 16

Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken.

Artikel 17

Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft.

Artikel 18

  • 1. Bestuurders met voor hen bestemde haaientanden moeten voorrang verlenen aan be-stuurders op de kruisende weg.

  • 2. Bestuurders met een voor hen bestemde stoplijn moeten stoppen.

Hoofdstuk 3 Verkeersgedrag

Paragraaf 1 Veiligheid op de weg

Artikel 19

  • 1. Het is eenieder verboden om voor verkeer hinderlijke of schadelijke stoffen of voorwerpen op een weg te laten vallen, plaatsen, leggen, gooien, laten staan of liggen of anderszins te brengen.

  • 2. Het is eenieder verboden voorwerpen, waardoor de wegen kunnen worden beschadigd, slepend over de weg te vervoeren.

  • 3. Het is eenieder verboden, anders dan met ontheffing of vergunning van het bestuurscolle-ge, om een weg of weggedeelte geblokkeerd te houden.

  • 4. Het is eenieder verboden, anders dan met ontheffing of vergunning, om als bestuurder van een motorrijtuig personen te vervoeren en de eigenaar of houder verboden daarmee per-sonen te doen of te laten vervoeren anders dan op de daartoe door de fabrikant van het toegelaten motorrijtuig aangebrachte zitplaatsen.

  • 5. De verboden in het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor of namens het bestuurs-college in de uitoefening van de publieke taak.

  • 6. Het verbod in het vierde lid is niet van toepassing voor:

    • a.

      voertuigen die worden gebruikt door strijdkrachten;

    • b.

      vervoer van ambtenaren van politie in de uitoefening van hun functie en van personen onder geleide van politie of justitie;

    • c.

      vervoer met vrachtauto’s in gebruik bij utiliteitsbedrijven, voor zover dit vervoer ge-schiedt in de uitoefening van de werkzaamheden van de genoemde bedrijven;

    • d.

      vervoer van zieken of gewonden en hun begeleiders met in het bijzonder daartoe inge-richte vrachtauto’s;

    • e.

      vervoer van personen met motorrijtuigen, waarvoor door of vanwege het bevoegde ge-zag aan de eigenaar of houder een vergunning is verleend.

  • 7. Een vergunning bedoeld als in het zesde lid onderdeel e, kan voor een bepaalde rit of doorlopend op schriftelijke aanvraag worden verleend aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig voor een periode van ten hoogste één jaar, indien het motorvoertuig vol-doet aan de bij beschikking van het bevoegde gezag te stellen bijzondere eisen met be-trekking tot de inrichting van het motorvoertuig. In de vergunning wordt vermeld het aan-tal personen, dat ten hoogste met het motorvoertuig mag worden vervoerd.

Artikel 20

  • 1. Het is de bestuurder verboden een weg of weggedeelte, waarvoor het verkeer in de tegengestelde richting het recht van doorgang heeft, in te gaan, wanneer een voer-tuig, rij- of trekdier of vee uit bedoelde richting die weg of dat weggedeelte is gena-derd dan wel zich daarop bevindt. Het is hem bovendien verboden zich zodanig voor die weg of weggedeelte op te houden, dat het uit de tegengestelde richting naderend verkeer hinder ondervindt bij het verlaten daarvan.

  • 2. Het is verboden een niet rijklaar of anderszins defect voertuig, een aanhangwagen of oplegger langer dan tweemaal 24 uur op een openbare weg te laten staan.

  • 3. Bij overtreding van het tweede lid, alsmede indien enig voertuig, aanhangwagen of oplegger op een voor het verkeer hinderlijke wijze op een weg wordt aangetroffen, zijn de in artikel 123 genoemde personen bevoegd het voertuig voor rekening en ri-sico van de eigenaar of houden naar een plaats van berging of herstel te vervoeren of te doen vervoeren.

Artikel 21

  • 1. Het is degene, die een motorvoertuig bestuurt verboden te rijden zonder het stuur met tenminste één hand vast te houden.

  • 2. Het is bestuurders van fietsen en bromfietsen verboden:

    • a.

      zich door een ander voertuig te doen of te laten voortbewegen;

    • b.

      te rijden zonder het stuur met tenminste één hand vast te houden;

    • c.

      gedurende het rijden de voeten anders dan op de trappers of op de andere daartoe bestemde plaatsen te hebben;

    • d.

      meer dan één dier te geleiden;

    • e.

      voor zover het tweewielige fietsen betreft, meer dan één persoon daarop te vervoeren. Dit is slechts toegestaan indien voor deze personen vaste voetsteunen op doeltreffen-de wijze op het rijwiel aangebracht zijn. De meerijder, die op het tweede zadel van een tandemrijwiel gezeten is, wordt voor de toepassing van dit artikel niet als meegevoer-de persoon beschouwd.

Artikel 22

Achter een aanhangwagen mag geen andere aanhangwagen zijn gekoppeld.

Artikel 23

Het is de bestuurder van een motorrijtuig, fietsen, bromfiets of invalidenvoertuig uitge-rust met een motor, verboden tijdens het rijden een mobiel communicatie apparaat vast te houden.

Paragraaf 2 Bekwaamheid van de bestuurder

Artikel 24

Het is een bestuurder verboden een voertuig te besturen op de weg indien de bestuurder door ouderdom, ziekte, zwakte, vermoeidheid of anderszins wegens enige andere oorzaak klaar-blijkelijk daartoe onbekwaam is.

Artikel 25

  • 1. Het is eenieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen ter-wijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat het gebruik ervan, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, de rijvaardigheid zodanig kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

  • 2. Het is eenieder verboden om een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na de inname van een alcoholhoudende drank, waardoor:

    • a.

      het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 micro-gram alcohol per liter uitgeademde lucht, of;

    • b.

      het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milli-gram per millimeter bloed.

Artikel 26

Bij verdenking dat de bestuurder van een motorrijtuig, daaronder begrepen degene die het motorrijtuig onder zijn onmiddellijke toezicht doet besturen, heeft gehandeld in strijd met artikel 25, tweede lid, kan de opsporingsambtenaar bedoeld in artikel 123 onderscheidenlijk de officier van justitie of de hulpofficier van justitie hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES.

Paragraaf 3 Gedragsregels

Artikel 27

  • 1. Het is eenieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

  • 2. Weggebruikers mogen een kruispunt niet blokkeren.

  • 3. Het is eenieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de ver-keersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De volgende gedragingen vallen hier in ieder geval onder:

    • a.

      onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;

    • b.

      gevaarlijk inhalen;

    • c.

      negeren van een rood kruis;

    • d.

      negeren van verkeersborden en verkeerstekens;

    • e.

      inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;

    • f.

      niet verlenen van voorrang;

    • g.

      overschrijden van de krachtens deze verordening vastgestelde maximumsnelheid;

    • h.

      zeer dicht achter een ander voertuig rijden;

    • i.

      door rood licht rijden;

    • j.

      tegen de verkeersrichting inrijden;

    • k.

      niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze verordening bevoegde personen, en;

    • l.

      overtreden van andere verkeersregels uit deze verordening.

  • 4. Het is eenieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk let-sel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezighe-den ontstaat.

Artikel 28

  • 1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een ver-keersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

    • a.

      bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht of schade is toegebracht aan enig goed van een ander dan de bestuurder, voordat de identiteit van zijn persoon of het voertuig behoorlijk is vastgesteld;

    • b.

      daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

  • 2. Strafvervolging op grond van het eerste lid, onderdeel a, is uitgesloten tegen dege-ne, die binnen drie uur na het ongeval, voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het ongeval kennis geeft aan een in artikel 123 bedoelde persoon en daarbij tevens de opgaven doet, die vereist zijn voor de vaststelling van de identiteit van zijn persoon en het voertuig.

Artikel 29

Het is een bestuurder of degene die een voertuig doet besturen verboden daarmee over een weg te rijden gedurende de tijd, dat de bestuurder een rijverbod als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaar-digheid BES is opgelegd.

Artikel 30

Het is verboden opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend motorrijtuig op de weg te gebruiken.

Artikel 31

  • 1. Het is verboden op een weg, zonder een vergunning van de gezaghebber, een wedstrijd met voertuigen of dieren te houden of daaraan deel te nemen.

  • 2. Onder wedstrijd wordt, voor de toepassing van dit artikel mede verstaan, elk rijden of voortbewegen van voertuigen of dieren ter vergelijking van prestaties hetzij van de dieren, hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen.

  • 3. Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig en de berijder van een dier, waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig of dier, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen.

Paragraaf 4 Plaats op de weg

Artikel 32

  • 1. Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

  • 2. Indien een rijbaan bestaat uit twee of meer rijstroken, zijn bestuurders gehouden gebruik te maken van die rijstrook, welke daartoe, gezien hun rijrichting, is bestemd.

Artikel 33

Bestuurders van motorrijtuigen zijn verplicht, daar waar het verkeer moet stilstaan, zich in volgorde van aankomst aansluitend op te stellen op het voor hen bestemde ge-deelte van de weg en het voor het verkeer uit tegengestelde richting bestemde gedeel-te van de weg vrij te laten. Daarbij dienen bestuurders van wagens, invalidenvoertui-gen, bromfietsen en fietsen, zich zodanig op te stellen, dat motorrijtuigen niet gehin-derd worden.

Artikel 34

  • 1. Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

  • 2. Zij gebruiken het fietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

  • 3. Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad ontbreekt.

  • 4. Zij mogen rijbanen en fietspaden slechts haaks op de verkeersrichting, voorzichtig en zonder nodeloze onderbreking oversteken. Waar binnen een straal van 30 meter voetgangers- oversteekplaatsen aanwezig zijn, zijn zij verplicht daarvan gebruik te maken.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op militaire colonnes.

Artikel 35

  • 1. Fietsers gebruiken het fietspad of de fietsstrook.

  • 2. Indien een fietspad of fietsstrook ontbreekt houden zij zoveel mogelijk rechts op de rijbaan.

Artikel 36

Bestuurders van een invalidenvoertuig gebruiken de rijbaan, het fietspad of de fiets-strook, het voetpad of het trottoir. Bij het gebruik van het voetpad of het trottoir die-nen zij stapvoets te rijden.

Artikel 37

  • 1. Ruiters gebruiken de berm.

  • 2. Zij gebruiken het fietspad of de fietsstrook indien de berm ontbreekt en bij gebreke van een fietspad gebruiken zij de uiterste zijde van de rijbaan

Artikel 38

Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 35 tot en met 37 gebruiken uitsluitend de rijbaan.

Paragraaf 5 Inhalen

Artikel 39

  • 1. Inhalen geschiedt links, fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuur-ders rechts inhalen.

  • 2. Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

  • 3. Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

  • 4. Het is verboden tijdens het inhalen op het voor het verkeer uit de tegengestelde richting bestemde gedeelte van een weg te komen, indien daardoor gevaar of be-lemmering ontstaat of kan ontstaan voor het tegemoetkomend verkeer.

  • 5. Het is verboden een voertuig vlak voor of op een kruispunt in te halen indien daarbij gebruik moet worden gemaakt van het voor het tegemoetkomende verkeer be-stemde weggedeelte.

Artikel 40

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

Paragraaf 6 Verlenen van voorrang en voorrangsregels

Artikel 41

  • 1. Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan de voor hen van rechts komende bestuurders.

  • 2. Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:

    • a.

      bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders die zich bevinden op een voorrangsweg;

    • b.

      bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verhar-de weg;

    • c.

      bestuurders geven voorrang aan bestuurders van motorrijtuigen;

    • d.

      bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor la-ten gaan;

    • e.

      bestuurders die een kruispunt naderen en zich op de weg bevinden die ter plaatse ein-digt, verlenen voorrang aan bestuurders op de doorlopende weg.

Artikel 42

  • 1. Bestuurders moeten blinden en slechtzienden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en alle andere personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

  • 2. Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een invalidenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

  • 3. Het tweede lid geldt niet, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een invalidenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van toepassing is.

Artikel 43

  • 1. Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

  • 2. Als voorrangsvoertuigen zijn aan te merken de motorrijtuigen in gebruik bij politie en brandweer en motorrijtuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en ziekenvervoer, voor zover zij een blauwkleurig zwaai-, flits- of knipperlicht én sirene voeren.

  • 3. De in het eerste en tweede lid genoemde categorieën hebben in de volgorde, waarin zij opgesomd zijn, voorrang boven elkaar.

  • 4. Het is de bestuurders van voorrangsvoertuigen toegestaan om af te wijken van de voorschriften van deze verordening en de daarop berustende bepalingen, voor zo-ver de uitoefening van hun taak dat vereist.

Artikel 44

Weggebruikers dienen bestuurders van voorrangsvoertuigen, vrije doorgang te verlenen.

Artikel 45

Bestuurders die zich op een rotonde bevinden, hebben voorrang boven het verkeer dat de rotonde nadert.

Paragraaf 7 Colonnes

Artikel 46

  • 1. Het is zonder vergunning of ontheffing verboden voor voetgangers die een optocht of marscolonne vormen, de rijbaan te gebruiken.

  • 2. Verkeer mag een begrafenisstoet, een processie of een militaire colonne niet doorsnijden.

Artikel 47

  • 1. Een colonne, die vergunning of ontheffing is verleend en die een rijbaan volgt, dient te voldoen aan:

    • a.

      de leider dient een meerderjarige persoon te zijn;

    • b.

      zij mag, de leider meegerekend, een breedte van ten hoogste drie personen en een leng-te van ten hoogste dertig personen hebben;

    • c.

      de deelnemers moeten in gesloten verband lopen;

    • d.

      met een voor zich bevindende colonne dient een afstand van tenminste 30 meter te worden bewaard;

    • e.

      bij nacht moet er een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn vóór de co-lonne en een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn achter de colonne worden meegevoerd.

    • f.

      Voor overtredingen van het eerste lid is de leider van de colonne aansprakelijk.

Paragraaf 8 Afslaan en bijzondere manoeuvres

Artikel 48

  • 1. Bestuurders van motorrijtuigen die willen afslaan moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer geven en de overige bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun arm geven.

  • 2. Bestuurders van motorrijtuigen die willen afslaan, moeten voorsorteren door:

    • a.

      indien zij naar rechts willen afslaan, tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijbaan te gaan rijden;

    • b.

      indien zij naar links willen afslaan, tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden, of bij rijbanen bestemd voor verkeer in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.

Artikel 49

  • 1. Bestuurders die afslaan, moeten bestuurders die hen op dezelfde weg tegemoet komen of die zich op dezelfde weg naast, dan wel links of rechts dicht achter hen bevinden, voor laten gaan.

  • 2. Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan, voor laten gaan.

  • 3. Bij een kruispunt moet het afslaande verkeer de bocht naar links ruim en de bocht naar rechts kort maken.

Artikel 50

  • 1. Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, oversteken, van de in-voegstrook de doorgaande rijbaan oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

  • 2. Bestuurders van voertuigen mogen slechts stapvoets en langs die zijde van de rijbaan waar het voertuig zich vóór het achteruitrijden bevond, achteruitrijden, indien daardoor geen gevaar of hinder voor andere weggebruikers kan ontstaan of schade kan worden toegebracht.

Artikel 51

Bestuurders van motorrijtuigen moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van motorrijtuigen willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisse-len alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

Artikel 52

  • 1. Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer, zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van voorrangsvoertuigen.

Artikel 53

  • 1. Bestuurders moeten in geval zij voornemens zijn te stoppen of plotseling snelheid te verminderen, tijdig en op duidelijk zichtbare wijze dat voornemen kenbaar maken aan het verkeer, dat zich achter hen bevindt.

  • 2. Een bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

Paragraaf 9 Snelheid

Artikel 54

Tenzij anders aangegeven, gelden binnen de bebouwde kom de volgende maximumsnelhe-den:

  • a.

    voor motorrijtuigen 40 km/u;

  • b.

    voor bromfietsen 30 km/u;

  • c.

    voor invalidenvoertuigen die de rijbaan gebruiken 30 km/u.

Artikel 55

Tenzij anders aangegeven, gelden buiten de bebouwde kom de volgende maximumsnelheden:

  • a.

    voor motorrijtuigen 60 km/u;

  • b.

    voor bromfietsen 55 km per/u;

  • c.

    voor invalidenvoertuigen die de rijbaan gebruiken 30 km per/u.

Artikel 56

Tenzij anders aangegeven, gelden voor zelfrijdende werktuigen de volgende maxi-mumsnelheden:

  • a.

    binnen de bebouwde kom 25 km/u;

  • b.

    buiten de bebouwde kom 40 km/u.

Paragraaf 10 Stilstaan en parkeren van voertuigen

Artikel 57

  • 1. De bestuurder mag zijn voertuig slechts laten stilstaan op het rechts van de weg ge-legen afzonderlijke weggedeelte bestemd voor stilstaande voertuigen en bij gebreke hiervan aan de uiterste rechterzijde van de weg, in een richting evenwijdig hieraan.

  • 2. De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

    • a.

      op een kruispunt of binnen een afstand van acht meter van de snijpunten van de rij-baankanten;

    • b.

      op of binnen een afstand van vijf meter van een oversteekplaats;

    • c.

      bij een bord bushalte ter hoogte van de markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan twaalf meter van het bord;

    • d.

      langs een gele doorgetrokken streep;

    • e.

      op wegen of weggedeelten, waar een stopverbod geldt;

    • f.

      op een brug;

    • g.

      in of nabij een bocht en op of nabij het hoogste punt van een helling, een en ander ten-zij het uitzicht voor het overige verkeer voldoende vrij blijft;

    • h.

      naast of op een afstand van minder dan vijf meter van een verkeersheuvel, tenzij de breedte van de rijbaan naast de verkeersheuvel tenminste zes meter bedraagt.

  • 3. Onderdeel c van het tweede lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstap-pen van passagiers.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, mogen bestuurders van voertuigen het door hen be-stuurde voertuig laten stilstaan aan de linkerzijde van rijbaan of pad in een richting evenwijdig daaraan:

    • a.

      op wegen, welke voor het verkeer, waartoe de bestuurders behoren, in tegenge-stelde richting zijn gesloten;

    • b.

      op wegen, waar een stop- of wachtverbod voor de rechterzijde bestaat.

Artikel 58

  • 1. De bestuurder parkeert zijn voertuig op het rechts van de weg gelegen afzonderlijke weggedeelte bestemd voor geparkeerde voertuigen en bij gebreke hiervan aan de uiterste rechterzijde van de weg.

  • 2. Met uitzondering van fietsen mag een bestuurder zin voertuig niet parkeren:

    • a.

      bij een kruispunt op een afstand van minder dan acht meter daarvan;

    • b.

      voor een inrit of een uitrit;

    • c.

      daar, waar vanwege het bevoegde gezag een parkeermeter of parkeerautomaat is ge-plaatst, en hij de aanwijzingen gegeven voor het gebruik van de parkeermeter of par-keerautomaat, niet op volgt;

    • d.

      daar, waar vanwege het bevoegde gezag een parkeer zone is aangewezen en hij de voor

    • e.

      die zone geldende voorwaarden niet op volgt;

    • f.

      buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

    • g.

      op een parkeerplaats voor zover zijn voertuig niet behoort tot de categorie, waarvoor deze parkeergelegenheid is bedoeld;

    • h.

      langs een gele onderbroken of doorgetrokken streep;

    • i.

      op of binnen een afstand van acht meter van een waterwinplaats;

    • j.

      op of binnen een afstand van vijf meter van een oversteekplaats;

    • k.

      op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

  • 3. De bestuurder mag zijn voertuig voorts niet op zodanige wijze parkeren dat het wegrijden van andere voertuigen daardoor wordt belemmerd.

  • 4. Door het bestuurscollege kunnen parkeerzones worden aangewezen. Bij eilandelijk besluit, houdende algemene maatregelen, stelt het bestuurscollege regels inzake de aanduiding en het gebruik hiervan.

Artikel 59

  • 1. Op een invalidenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

    • a.

      een invalidenmotorrijtuig;

    • b.

      een motorrijtuig op meer dan twee wielen, waarin een geldige invalidenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht; of

    • c.

      indien de invaliden parkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere regels gegeven worden voor hel gebruik van invalidenparkeerplaatsen en de invalidenparkeerkaart.

Artikel 60

Fietsen, bromfietsen en invalidenvoertuigen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaat-sen, met dien verstande dat op trottoirs en voetpaden minimaal één meter en twintig centimeter overblijft voor voetgangers om hiervan gebruik te maken.

Paragraaf 11 Signalen

Artikel 61

  • 1. Ter afwending van dreigend gevaar mogen bestuurders van motorrijtuigen en brom-fietsen een van de volgende signalen geven:

    • a.

      bij dag een geluidssignaal met de hoorn;

    • b.

      bij nacht knippersignalen door zeer snel herhaald in- en uitschakelen van het groot licht.

  • 2. Zij mogen bovendien bij dag een geluidssignaal als bedoeld in het eerste lid, onder a, geven om andere weggebruikers kenbaar te maken, dat zij hen wensen in te halen.

  • 3. Zij zijn verplicht bij het geven van signalen te vermijden om rij- of trekdieren of vee op de weg te laten schrikken.

  • 4. Bestuurders van motorrijtuigen en bromfietsen mogen met hun voertuig geen on-nodig geluid veroorzaken, hieronder begrepen het zonder noodzaak opvoeren van het toerental van de motor.

Artikel 62

  • 1. Bestuurders van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 43, tweede lid, voeren uitslui-tend blauw zwaai- of knipperlicht en sirene om kenbaar te maken dat zij een drin-gende taak vervullen.

  • 2. Bestuurders van motorrijtuigen, die voor nader aan te geven werkzaamheden wor-den gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden tijdens deze werk-zaamheden geel of oranje zwaai- of knipperlicht.

  • 3. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de in de voorgaande leden be-doelde signalen, over het gebruik van de signalen en de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden en omstandigheden.

Artikel 63

  • 1. Bestuurders van fietsen mogen wanneer door hun nadering voor een weggebruiker gevaar dreigt, een belsignaal of een ander mechanisch signaal geven.

  • 2. Zij mogen buiten de bebouwde kom bovendien een signaal geven om aan andere weggebruikers kenbaar te maken, dat zij hen wensen in te halen.

Paragraaf 12 Gebruik van lichten en gevarendriehoek

Artikel 64

  • 1. Bestuurders van motorrijtuigen en bromfietsen moeten dimlicht voeren bij nacht en bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd.

  • 2. Het voeren van grootlicht in plaats van dimlicht is toegestaan behalve in de volgende geval-len:

    • a.

      bij het tegenkomen van een andere weggebruiker, en

    • b.

      bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig;

  • 3. Achterlichten en de verlichting van de achter-nummerplaat moeten steeds gelijktij-dig met groot licht of dimlicht branden.

  • 4. Fietsers en bestuurders van invalidenvoertuigen en wagens moeten voor- en achter-licht voeren bij nacht en bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd.

Artikel 65

  • 1. Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belem-merd, en bij nacht achterlichten en verlichting van de achter-nummerplaat voeren.

  • 2. Losgekoppelde aanhangwagens en opleggers of stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd en bij nacht, voorzien zijn van:

    • -

      aan de achterzijde: twee rode driehoekige reflectoren met zijden van tenminste 15 cm;

    • -

      aan de voorzijde: twee witte ronde of vierhoekige reflectoren, en

    • -

      aan beide zijden : twee oranje ronde of vierhoekige reflectoren.

Artikel 66

Bestuurders van voertuigen op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom op de rijbaan stilstaan, moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd en bij nacht parkeerlicht voeren.

Artikel 67

  • 1. Bestuurders van motorrijtuigen mogen tegelijk met grootlicht of gedimd licht aan de voorzijde bermlicht, richtlicht of verlichting ter aanduiding van de omtrek van het motorrijtuig of van de lading voeren.

  • 2. Het is bestuurders verboden andere verlichting te voeren dan in deze paragraaf is voorgeschreven of toegestaan.

Artikel 68

  • 1. Stilstaande motorrijtuigen op meer dan twee wielen, aanhangwagens en opleggers en wagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voer-tuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

  • 2. De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een af-stand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

  • 3. Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

Paragraaf 13 Rotondes

Artikel 69

Het is bestuurders van motorrijtuigen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.

Artikel 70

Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

Paragraaf 14 Vee

Artikel 71

  • 1. Het is verboden rij- of trekdieren of vee onbeheerd of onder toezicht van personen beneden de zestien jaar op het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg te laten bevinden.

  • 2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die daartoe door het bevoegd gezag zijn aangewezen.

Artikel 72

  • 1. Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd en bij nacht, aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

  • 2. Geleiders van rij- of trekdieren of vee moeten, wanneer zij zich op een weg bevinden, de dieren voldoende aanvaardbaar in hun macht hebben en mo-gen die binnen de bebouwde kom niet anders dan stapvoets geleiden of drijven.

Paragraaf 15 Slepen

Artikel 73

Het is bestuurders van motorrijtuigen verboden een ander motorrijtuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

Paragraaf 16 Autogordels en helmen

Artikel 74

  • 1. Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald, dienen bestuurders van mo-torrijtuigen en passagiers gebruik te maken van de voor hen beschikbare autogor-del.

  • 2. Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald dienen passagiers van 3 jaar of jonger gebruik te maken van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat voldoet aan internationaal aanvaardbare veiligheidsnormen en is voorzien van een goedkeuringsmerk.

  • 3. Bestuurders en passagiers ouder dan 3 jaar met een lengte van minder dan 1,50 me-ter moeten een driepuntsgordel gebruiken als heupgordel.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op bestuurders van motorrijtuigen:

  • a. op twee wielen met of zonder zijspanwagen;

    • a.

      waarvoor blijkens een aantekening in het daarvoor afgegeven goedkeuringsbe-wijs de verplichting niet geldt;

    • b.

      waarvoor blijkens een aantekening in het aan de bestuurder afgegeven rijbewijs de bestuurder als gevolg van een lichamelijk gebrek niet in staat is een autogor-del in de sluiting te bevestigen; of

    • c.

      tijdens het vervoer van personen als bedoeld in de verordening personenvervoer Sint Eustatius 2022.

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing op passagiers:

    • a.

      van motorrijtuigen als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b;

    • b.

      van motorrijtuigen die in bezit zijn van een ontheffing voor het dragen van een gordel, en,

    • c.

      die krachtens een vergunning in de laadbak worden vervoerd.

Artikel 75

Het is de bestuurder en passagiers verboden zich op een bromfiets, een motorfiets of een ander motorrijtuig zonder carrosserie te bevinden zonder dat hij een goed passen-de helm draagt, die:

  • a.

    door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd;

  • b.

    voldoet aan internationaal aanvaardbare veiligheidsnormen en is voorzien van een goedkeuringsmerk, en;

  • c.

    in goede staat verkeert.

Paragraaf 17 Belading van voertuigen

Artikel 76

Indien de lading van een motorrijtuig, aan de voor- of achterzijde meer dan een meter of aan zijkanten meer dan 10 centimeter buiten de omtrekken van het voertuig uit-steekt, dient aan het uiteinde van de lading bij dag een rode vlag van 0,40 meter x 0,40 meter en bij nacht aan de voorzijde een wit licht uitstralende lantaarn en aan de ach-terzijde een rood licht uitstralende lantaarn te zijn bevestigd.

Artikel 77

  • 1. De lading mag aan de voorzijde niet meer dan 3,50 meter voor het hart van het stuurwiel uitsteken.

  • 2. De lading mag aan de achterzijde niet meer dan 5 meter achter het hart van de ach-terste as van het motorrijtuig uitsteken.

  • 3. Het voertuig mag met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 3 meter.

  • 4. Het voertuig mag met inbegrip van de lading niet hoger zijn dan 4 meter.

Artikel 78

  • 1. Uitsluitend voorwerpen met een langgerekte vorm, welke uit één deel bestaan mo-gen buiten het voertuig uitsteken.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorwerpen moeten zodanig op het laadvlak zijn on-dersteund en bevestigd, dat zij niet kunnen kantelen of verschuiven.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde voorwerpen mogen noch grote trillingen teweeg kun-nen brengen, noch de stabiliteit van het voertuig nadelig beïnvloeden.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde voorwerpen mogen het wegdek niet raken.

  • 5. Bij het vervoeren van diabaas, grind, zand of andere losse lading, dient deze zoda-nig afgedekt of bevestigd te zijn dat dit geen gevaar oplevert voor het op de weg val-len van de lading.

Artikel 79

  • 1. Een voertuig of een combinatie van voertuigen met aanhangwagen of oplegger mag niet worden overbeladen. De maximale toegestane aslast bedraagt 10 ton. De maximaal toegestane maximum massa bedraagt 50 ton.

  • 2. Een voertuig mag niet zodanig beladen worden dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren, terzijde of, al dan niet met behulp van spiegels, op het links achter hem gelegen weggedeelte heeft.

  • 3. De bestuurder mag bij het besturen niet op enigerlei wijze door de lading worden gehin-derd.

Hoofdstuk 4 TECHNISCHE EISEN

Paragraaf 1 Motorfietsen

Artikel 80

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van motorfietsen gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        Zij mogen niet hoger zijn dan 2 meter;

      • 2.

        Zij mogen niet breder zijn dan 1,50 meter;

      • 3.

        Zij mogen niet langer zijn dan 3 meter.

    • b.

      Merktekens:

    • Zij moeten zijn voorzien van de volgende aanwijzingen, die op een behoorlijk leesbare plaats in eenvoudig leesbare onuitwisbare tekens zijn aangebracht:

      • 1.

        de naam of handelsmerk van de fabrikant;

      • 2.

        op het onderstel of het koetswerk het fabrieksnummer of serienummer;

      • 3.

        op de motor het motornummer.

    • c.

      Zitplaatsen:

    • zij mogen ten hoogste van twee zitplaatsen zijn voorzien;

    • d.

      Stuurinrichting:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting;

    • e.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te heb-ben van tenminste 1,6 millimeter.

    • f.

      Draagveren:

    • zij moeten zijn voorzien van goed werkende draagveren;

    • g.

      Remmen:

    • zij moeten zijn voorzien van twee deugdelijke remmen. De remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij gebruik van beide remmen tezamen, tenminste 3.86 m/sec2 bedragen.

    • h.

      Hoorn:

    • zij moeten voorzien zijn van één hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd.

    • i.

      Inrichting:

    • de inrichting dient zodanig te zijn dat gevaar voor brand, ontploffing en hinder voor andere weggebruikers door rook, damp of walm zoveel mogelijk wordt voorkomen.

    • j.

      Uitlaat:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke uitlaat waardoor de afgewerkte gassen ge-luiddempend worden afgevoerd;

    • k.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van tenminste één remlichtlicht;

    • l.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste een koplamp die dimlicht uitstraalt;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste een koplamp die grootlicht uit-straalt;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste één achterlicht;

      • 4.

        zij moeten zijn voorzien van een rode reflector aan de achterzijde;

      • 5.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

    • m.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten zijn voorzien van richtingaanwijzers.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 2 Motorrijtuigen op drie wielen

Artikel 81

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van motorrijtuigen op drie wielen, niet zijnde motor-fietsen, gelden de volgende eisen. Voor de bepaling van het aantal wielen worden twee naast elkaar aangebrachte wielen van gelijke afmeting als één wiel be-schouwd, indien de afstand tussen de binnenzijde van de op die wielen gemonteer-de banden niet meer bedraagt dan de breedte van een van die banden in normale spanningstoestand en in onbelaste staat.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 3,50 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 6 meter;

      • 4.

        met een aangekoppelde aanhangwagen mag de totale lengte maximaal 10 meter be-dragen.

    • b.

      Merktekens:

    • zij moeten zijn voorzien van de volgende aanwijzingen, die op een behoorlijk leesbare plaats in eenvoudig leesbare onuitwisbare tekens zijn aangebracht:

      • 1.

        naam of handelsmerk van de fabrikant;

      • 2.

        op het onderstel of het koetswerk het fabrieksnummer of serienummer;

      • 3.

        op de motor het motornummer.

    • c.

      Spiegels:

    • zij moeten zijn voorzien van een spiegel waardoor de bestuurder de linker ach-ter hem gelegen weggedeelte kan overzien;

    • d.

      Ruitenwissers:

    • zij moeten zijn voorzien van ruitenwissers tenzij zij niet voorzien zijn van een voorruit;

    • e.

      Stuurinrichting:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting;

    • f.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van ten-minste 1,6 millimeter.

    • g.

      Draagveren:

    • zij moeten zijn voorzien van goed werkende draagveren; dit geldt niet ten aanzien van het in het symmetrievlak aangebracht wiel.

    • h.

      Remmen:

    • zij moeten zijn voorzien van deugdelijke remmen. De remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, tenminste 3.86 m/sec2 bedragen.

    • i.

      Hoorn:

    • zij moeten voorzien zijn van een hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd.

    • j.

      Inrichting:

    • de inrichting dient zodanig te zijn dat gevaar voor brand, ontploffing en hin-der voor andere weggebruikers door rook, damp of walm zoveel mogelijk wordt voorkomen.

    • k.

      Uitlaat:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk uitlaat waardoor de afgewerkte gassen ge-luiddempend worden afgevoerd.

    • l.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van tenminste één remlicht in het midden of aan de lin-kerzijde aangebracht;

    • m.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten zijn voorzien van richtingaanwijzers;

    • n.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van een tenminste één goed werkende koplamp die gedimd licht uitstraalt en een goed werkende koplamp die groot licht uitstraalt;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste één achterlicht;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste twee rode niet driehoekige reflectoren;

      • 4.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder wit-licht uitstraalt;

      • 5.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 3 Motorrijtuigen

Artikel 82

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van motorrijtuigen waarvan het ledig gewicht, ver-meerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 3500 kilogram en die zijn ingericht voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, de be-stuurder daaronder niet begrepen, gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 3,50 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 10 meter;

      • 4.

        met een aangekoppelde aanhangwagen mag de totale lengte maximaal 18 meter be-dragen.

    • b.

      Merktekens:

    • zij moeten zijn voorzien van de volgende aanwijzingen, die op een behoorlijk leesbare plaats in eenvoudig leesbare onuitwisbare tekens zijn aangebracht:

      • 1.

        naam of handelsmerk van de fabrikant;

      • 2.

        op het onderstel of het koetswerk het fabrieksnummer of serie-nummer;

      • 3.

        op de motor het motornummer.

    • c.

      Ruiten:

      • 1.

        het motorrijtuig dient voorzien te zijn van een voorruit;

      • 2.

        de voor-, zij- en achterruiten moeten uit veiligheidsglas bestaan en vervaardigd zijn van duurzaam, zowel van binnen als van buiten goed doorzichtig materiaal en mogen geen barsten of verkleuringen vertonen die het uitzicht van de bestuurder belemme-ren. Personen en voorwerpen moeten door dit materiaal goed herkenbaar worden gezien;

      • 3.

        het is zonder ontheffing verboden enig materiaal aan, op of tegen de voor- en zijrui-ten te hechten, te plakken of aan te brengen, waardoor het uitzicht van de bestuur-der kan worden belemmerd dan wel personen of voorwerpen van binnen of van bui-ten vaag, verwrongen of in het geheel niet kunnen worden gezien.

      • 4.

        fabrieksmatig verdonkerde voor-, zij- en achterruiten dienen te voldoen aan een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70%.

    • d.

      Ruitenwissers:

    • zij moeten zijn voorzien van tenminste één ruitenwisser die de gehele voorruit bestrijkt.

    • e.

      Spiegels:

    • zij moeten zijn voorzien van een binnenspiegel en een linker buitenspiegel. Indien het zicht in de binnenspiegel wordt belemmerd, is tevens een rechter buitenspiegel vereist.

    • f.

      Inrichting personencabine:

      • 1.

        indien naast de bestuurder één of meer personen gezeten zijn, moet de vrije ruimte van de zitplaatsen tenminste 0,60 meter bedragen voor de bestuurder en 0,40 meter voor elk der andere personen;

      • 2.

        naast of achter de bestuurder mogen zich uitsluitend personen bevinden die op daarvoor bestemde zitplaatsen zijn gezeten;

      • 3.

        motorrijtuigen van een bouwjaar na 1986 moeten voor de aanwezige en in gebruik zijnde zitplaatsen op de voorbank, zijn voorzien van deugdelijke be-vestigingspunten en van in goede staat verkerende en degelijk bevestigde au-togordels

      • 4.

        motorrijtuigen van een bouwjaar na 1996 moeten zijn voorzien van een inrichting welke condensvorming aan de binnenzijde van de voorruit tegengaat;

      • 5.

        zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke snelheidsmeter en een deugde-lijke kilometerteller die bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar zijn zon-der dat deze daarvan hinder ondervindt.

    • g.

      Stuurinrichting;

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting;

    • h.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van tenminste 1,6 millimeter.

    • i.

      Draagveren:

    • zij moeten zijn voorzien van goed werkende draagveren;

    • j.

      Remmen:

    • zij moeten zijn voorzien van twee deugdelijke remmen: één rem, de bedrijfsrem, moet alle wielen remmen; de remkracht moet zodanig over de wielen verdeeld zijn, dat de kans op slippen van het voertuig zo gering mogelijk is; bij samenstellen van trekker en op-legger moeten de wielen van de oplegger tegelijk met of eerder dan en in gelijke mate met de wielen van de trekker geremd worden. De andere rem moet ten minste twee wielen remmen, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden; zij moet in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij het voertuig van een afzonderlijk vaste in-richting is voorzien. Remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en on-geveer horizontaal liggende weg, bij uitsluitend gebruik van de bedrijfsrem ten minste 3.86m/sec2 bedragen, en 1m//sec2 bij uitsluitend gebruik van de andere rem;

    • k.

      Hoorn:

    • zij moeten voorzien zijn van één hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd.

    • l.

      Inrichting:

    • de inrichting dient zodanig te zijn dat gevaar voor brand, ontploffing en hinder voor an-dere weggebruikers door rook, damp of walm zoveel mogelijk wordt voorkomen.

    • m.

      Uitlaat:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk uitlaat waardoor de afgewerkte gassen ge-luiddempend worden afgevoerd.

    • n.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van twee aan weerszijden aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte remlichten.

    • o.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten zijn voorzien van richtingaanwijzers aan weerszijden zowel aan de voor- als achterzijde van het voertuig.

    • p.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aangebrachte koplampen, die voorwaarts gedimd en groot helder wit of geel licht uitstralen;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aangebrachte achterlichten, van niet driehoekige vorm, die achterwaarts een helder rood licht uitstralen;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden aan de achterzijde van het motorrijtuig aangebrachte goed werkende rode reflectoren van een niet driehoekige vorm, welke al of niet in de rode achterlichten zijn inge-bouwd.

      • 4.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder witlicht uit-straalt;

      • 5.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 4 Vrachtauto’s

Artikel 83

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van vrachtauto's gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 4 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 10 meter;

        • -

          met een aangekoppelde aanhangwagen mag de totale lengte maxi-maal 18,75 meter bedragen;

        • -

          met een aangekoppelde oplegger mag de totale lengte maximaal 17,30 me-ter bedragen.

    • b.

      Merktekens:

    • Zij moeten zijn voorzien van de volgende aanwijzingen, die op een behoorlijk leesbare plaats in eenvoudig leesbare onuitwisbare tekens zijn aangebracht:

      • 1.

        naam of handelsmerk van de fabrikant;

      • 2.

        op het onderstel of het koetswerk het fabrieksnummer of serienummer;

  • 3. op de motor het motornummer.

    • c.

      Ruiten:

      • 1.

        de vrachtauto dient voorzien te zijn van een voorruit.

      • 2.

        de voor-, zij- en achterruiten moeten uit veiligheidsglas bestaan en vervaar-digd zijn van duurzaam, zowel van binnen als van buiten goed doorzichtig ma-teriaal en mogen geen barsten of verkleuringen vertonen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Personen en voorwerpen moeten door dit mate-riaal goed herkenbaar worden gezien.

      • 3.

        het is zonder ontheffing verboden enig materiaal aan, op of tegen de voor- en zijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen, waardoor het uitzicht van de bestuurder kan worden belemmerd dan wel personen of voorwerpen van binnen of van buiten vaag, verwrongen of in het geheel niet kunnen worden gezien.

      • 4.

        fabrieksmatig verdonkerde voor-, zij- en achterruiten dienen te voldoen aan een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70%.

    • d.

      Ruitenwissers:

    • Zij moeten zijn voorzien van tenminste één ruitenwisser die de gehele voorruit be-strijkt.

    • e.

      Spiegels:

    • Zij moeten zijn voorzien van een linker en een rechter buitenspiegel.

    • f.

      Inrichting personencabine:

      • 1.

        indien naast de bestuurder een of meer personen gezeten zijn, moet de vrije ruimte van de zitplaatsen tenminste 0,60 meter bedragen voor de bestuur-der en 0,40 meter voor elk der andere personen;

      • 2.

        naast of achter de bestuurder mogen zich uitsluitend personen bevinden die op daarvoor bestemde zitplaatsen zijn gezeten;

      • 3.

        motorrijtuigen van een bouwjaar na 1986 moeten voor de aanwezige en in gebruik zijnde zitplaatsen op de voorbank, zijn voorzien van deugdelijke be-vestigingspunten en van in goede staat verkerende en degelijk bevestigde autogordels;

      • 4.

        motorrijtuigen met een bouwjaar na 1996 moeten zijn voorzien van een in-richting welke condensvorming aan de binnenzijde van de voorruit tegen-gaat;

      • 5.

        zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk snelheidsmeter en een deugde-lijk kilometerteller die bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar zijn zon-der dat deze daarvan hinder ondervindt.

    • g.

      Stuurinrichting:

    • Zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

    • h.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van tenminste 1,6 millimeter.

    • i.

      Draagveren:

    • Zij moeten zijn voorzien van goed werkende draagveren.

    • j.

      Remen:

    • Zij moeten zijn voorzien van twee deugdelijke remmen: één rem, de bedrijfsrem, moet alle wielen remmen; de remkracht moet zodanig over de wielen verdeeld zijn, dat de kans op slippen van het voertuig zo gering mogelijk is; bij samenstel-len van trekker en oplegger moeten de wielen van de oplegger tegelijk met of eerder dan en in gelijke mate met de wielen van de trekker geremd worden. De andere rem moet ten minste twee wielen remmen, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden; zij moet in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij het voertuig van een af-zonderlijk vastzetinrichting is voorzien.

    • Remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij uitsluitend gebruik van de bedrijfsrem ten minste 3.86m/sec2 bedragen, en 1m//sec2 bij uitsluitend gebruik van de andere rem.

    • k.

      Hoorn:

    • Zij moeten voorzien zijn van één hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd.

    • l.

      Inrichting:

    • De inrichting dient zodanig te zijn dat gevaar voor brand, ontploffing en hinder voor andere weggebruikers door rook, damp of walm zoveel mogelijk wordt voor-komen.

    • m.

      Uitlaat:

    • Zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk uitlaat waardoor de afgewerkte gassen ge-luiddempend worden afgevoerd.

    • n.

      Remlichten:

    • Zij moeten zijn voorzien van twee aan weerszijden zowel aan de voor- als ach-terzijde van het voertuig aangebrachte remlichten.

    • o.

      Richtingaanwijzers:

    • Zij moeten zijn voorzien van richtingaanwijzers aan weerszijden zowel aan de voor- als achterzijde van het voertuig.

    • p.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aan-gebrachte koplampen, die voorwaarts gedimd en groot helder wit of geel licht uitstralen;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aan-gebrachte achterlichten, van niet driehoekige vorm, die achterwaarts een hel-der rood licht uitstralen;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden aan de achterzijde van het motorrijtuig aangebrachte goed werkende rode reflectoren van een niet driehoekige vorm welke al of

      • 4.

        niet in de rode achterlichten zijn ingebouwd.

      • 5.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder wit-licht uitstraalt;

      • 6.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 5 Autobussen

Artikel 84

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van autobussen gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 4 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 12 meter;

      • 4.

        met een aangekoppelde aanhangwagen mag de totale lengte maximaal 18,75 meter bedragen.

    • b.

      Merktekens:

    • zij moeten zijn voorzien van de volgende aanwijzingen, die op een behoorlijk leesbare plaats in eenvoudig leesbare onuitwisbare tekens zijn aangebracht:

      • 1.

        naam of handelsmerk van de fabrikant;

      • 2.

        op het onderstel of het koetswerk het fabrieksnummer of serienummer;

      • 3.

        op de motor het motornummer.

    • c.

      Ruiten:

      • 1.

        het motorrijtuig dient voorzien te zijn van een voorruit.

      • 2.

        de voor-, zij- en achterruiten moeten uit veiligheidsglas bestaan en vervaar-digd zijn van duurzaam, zowel van binnen als van buiten goed doorzichtig ma-teriaal en mogen geen barsten of verkleuringen vertonen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Personen en voorwerpen moeten door dit mate-riaal goed herkenbaar worden gezien.

      • 3.

        het is zonder ontheffing verboden enig materiaal aan, op of tegen de voor- en zijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen, waardoor het uitzicht van de bestuurder kan worden belemmerd dan wel personen of voorwerpen van binnen of van buiten vaag, verwrongen of in het geheel niet kunnen worden gezien.

      • 4.

        fabrieksmatig verdonkerde voor-, zij- en achterruiten dienen te voldoen aan een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70%.

    • d.

      Ruitenwissers:

    • zij moeten zijn voorzien van tenminste één ruitenwisser die de gehele voorruit bestrijkt.

    • e.

      Spiegels:

    • zij moeten zijn voorzien van een linker- en rechterbuitenspiegel.

    • f.

      Inrichting personencabine:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk snelheidsmeter en een deugdelijk ki-lometerteller die bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar zijn zonder dat deze daarvan hinder ondervindt.

    • g.

      Stuurinrichting:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

    • h.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van ten-minste 1,6 millimeter.

    • i.

      Draagveren:

    • zij moeten zijn voorzien van goed werkende draagveren.

    • j.

      Remmen:

    • zij moeten zijn voorzien van twee deugdelijke remmen: één rem, de bedrijfsrem, moet alle wielen remmen; de remkracht moet zodanig over de wielen verdeeld zijn, dat de kans op slippen van het voertuig zo gering mogelijk is; bij samenstel-len van trekker en oplegger moeten de wielen van de oplegger tegelijk met of eerder dan en in gelijke mate met de wielen van de trekker geremd worden. De andere rem moet ten minste twee wielen remmen, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden; zij moet in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij het voertuig van een af-zonderlijk vastzetinrichting is voorzien. Remvertraging moet op een droge of na-genoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij uitsluitend gebruik van de bedrijfsrem ten minste 3.86m/sec2 bedragen, en 1m//sec2 bij uitsluitend ge-bruik van de andere rem.

    • k.

      Hoorn:

    • zij moeten voorzien zijn van één hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd;

    • l.

      Inrichting:

    • de inrichting dient zodanig te zijn dat gevaar voor brand, ontploffing en hinder voor andere weggebruikers door rook, damp of walm zoveel mogelijk wordt voor-komen.

    • m.

      Uitlaat:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk uitlaat waardoor de afgewerkte gassen ge-luiddempend worden afgevoerd.

    • n.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van twee aan weerszijden aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte remlichten.

    • o.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten zijn voorzien van richtingaanwijzers aan weerszijden zowel aan de voor- als achterzijde van het voertuig.

    • p.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aan-gebrachte koplampen, die voorwaarts gedimd en groot helder wit of geel licht uitstralen;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden van het motorrijtuig aan-gebrachte achterlichten, van niet driehoekige vorm, die achterwaarts een helder rood licht uitstralen;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden aan de achterzijde van het motorrijtuig aangebrachte goed werkende rode reflectoren van een niet drie-hoekige vorm welke al of niet in de rode achterlichten zijn ingebouwd.

      • 4.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder witlicht uit-straalt;

      • 5.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter=nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 6 Aanhangwagens

Artikel 85

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van aanhangwagens gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 4 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 10 meter;

      • 4.

        de som van de oppervlakten van het laadvlak van twee- of meerassige aan-hangwagens, gelegen voor de vooras en achter de achteras mag niet groter zijn dan de oppervlakte van het laadvlak gelegen tussen de voor en de achter-as;

      • 5.

        de as van een éénassige aanhangwagen moet ongeveer in het midden onder het laadvlak zijn aangebracht.

    • b.

      Koppeling:

    • zij moeten zijn voorzien van een voldoende sterke deugdelijk werkende koppeling.

    • c.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van gelijke verlichting als vereist voor het voertuig waarachter zij zijn gekoppeld;

      • 2.

        zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee driehoekige rode re-flectoren.

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder wit-licht uitstraalt;

      • 4.

        de achterverlichting en de verlichting van de nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

    • d.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van twee remlichten die gelijktijdig werken met de rem-lichten van het trekkende voertuig.

    • e.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van richtingaanwijzers die gelijktijdig werken met en moeten voldoen aan de eisen voor de richtingaanwijzers van het trekkende voertuig.

    • f.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te heb-ben van tenminste 1,6 millimeter.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 7 Opleggers

Artikel 86

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van opleggers gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 4 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        zij mogen niet langer zijn dan 13,60 meter;

      • 4.

        zij moeten zodanig zijn ingericht, dat bij gelijkmatige normale belading van het laadvlak tenminste een vierde (1/4) deel van de massa van de lading op de koppe-ling drukt;

    • b.

      Koppeling:

    • zij moeten zijn voorzien van een voldoende sterke deugdelijk werkende koppeling.

    • c.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van gelijke verlichting als vereist voor het voertuig waarachter zij zijn gekoppeld;

      • 2.

        zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee driehoekige rode reflectoren;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder witlicht uit-straalt;

      • 4.

        de achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan gelijktijdig aan.

    • d.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van twee remlichten die gelijktijdig werken met de remlichten van het trekkende voertuig;

    • e.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten aan de achterzijde zijn voorzien van richtingaanwijzers die gelijktijdig werken met en moeten voldoen aan de eisen voor de richtingaanwijzers van het trekkende voertuig.

    • f.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van ten-minste 1,6 millimeter.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 8 Bromfietsen

Artikel 87

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van bromfietsen gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen, de lading meegerekend, niet breder zijn dan 0,75 meter;

      • 2.

        bromfietsen op meer dan twee wielen, ingericht voor het vervoer van goe-deren of andere personen dan de bestuurder en bromfietsen met zijspan mogen, de lading meegerekend, niet breder zijn dan 1,50 meter.

    • b.

      Stuurinrichting:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurin-richting.

    • c.

      Hoorn, bel:

    • zij moeten zijn voorzien van één hoorn met vaste toonhoogte en voldoende ge-luidssterkte of een goed werkende bel of een andere voorziening die een mecha-nisch geluidssignaal geeft. Een samenstel van hoorns die tegelijk werken wordt als één hoorn beschouwd of;

    • d.

      Remmen:

    • zij moeten zijn voorzien van twee deugdelijke remmen. De remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij gebruik van beide remmen tezamen, tenminste 3.86 m/sec2 bedragen.

    • e.

      Richtingaanwijzers:

    • zij moeten aan de voor- en achterzijde zijn voorzien van richtingaanwijzers. Dat geldt niet indien de bestuurder een zodanige zitplaats inneemt, waardoor de door hem met de arm gegeven seinen zowel voor het achteropkomende als voor het tegemoetkomende verkeer duidelijk zichtbaar zijn.

    • f.

      Uitlaat:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk uitlaat waardoor de afgewerkte gas-sen geluiddempend worden afgevoerd.

    • g.

      Remlichten:

    • zij moeten zijn voorzien van minstens één aan de achterzijde van het voer-tuig aangebracht remlicht.

    • h.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van een deugdelijk werkende koplamp;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste een deugdelijk werkende achterlicht;

      • 3.

        zij moeten zijn voorzien van achter-nummerplaatverlichting die helder witlicht uit-straalt;

      • 4.

        de voor- en achterverlichting en de verlichting van de achter-nummerplaat gaan ge-lijktijdig aan.

    • g.

      Banden:

      • 1.

        de wielen moeten zijn voorzien van deugdelijke luchtbanden;

      • 2.

        de luchtbanden dienen een profieldiepte van de hoofdgroeven te hebben van ten-minste 1,6 millimeter.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Paragraaf 9 Fietsen

Artikel 88

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van fietsen gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen, de lading meegerekend, niet breder zijn dan 0,75 meter;

      • 2.

        fietsen op meer dan twee wielen, ingericht voor het vervoer van goederen of andere personen dan de bestuurder en fietsen met zijspan mogen, de lading meegerekend, niet breder zijn dan 1,50 meter.

    • a.

      Stuurinrichting:

    • zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.

    • b.

      Bel:

    • zij moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of een andere voorziening die een mechanisch geluidssignaal geeft.

    • c.

      Rem:

    • zij moeten zijn voorzien van deugdelijke remmen.

    • d.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van een deugdelijke werkende koplamp;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van tenminste een deugdelijke werkende achterlicht.

      • 3.

        Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden ge-steld.

Paragraaf 10 Wagens

Artikel 89

  • 1. Ten aanzien van de inrichting van wagens gelden de volgende eisen.

    • a.

      Afmetingen:

      • 1.

        zij mogen niet hoger zijn dan 3,50 meter;

      • 2.

        zij mogen niet breder zijn dan 2,50 meter;

      • 3.

        wagens niet bestemd om te worden aangespannen mogen, de lading meegerekend, niet breder zijn dan 1,50 meter;

    • b.

      Verlichting:

      • 1.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden aan de voorzijde van de wagen aangebrachte niet driehoekige gele of witte reflectoren;

      • 2.

        zij moeten zijn voorzien van twee, aan weerszijden aan de achterzijde van de wagen aangebrachte driehoekige rode reflectoren.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.

Hoofdstuk 5 KEURINGSBEWIJZEN EN TEKENS VOOR VOERTUIGEN IN HET INTERNATIONAAL VERKEER

Paragraaf 1 Goedkeuringsbewijs

Artikel 90

Het is de bestuurder verboden met een motorrijtuig of een bromfiets over een weg te rijden, tenzij hij een voor dat motorrijtuig of die bromfiets afgegeven geldig goedkeu-ringsbewijs bij zich heeft.

Artikel 91

  • 1. Voor motorrijtuigen in de zin in de verordening personenvervoer Sint Eustatius 2022, vrachtauto's en zelfrijdende werktuigen is het goedkeuringsbewijs geldig ge-durende één jaar na dagtekening.

  • 2. Voor andere voertuigen dan de in het eerste lid vermelde is het goedkeuringsbewijs geldig gedurende twee jaren na dagtekening.

  • 3. Op het goedkeuringsbewijs kunnen, mede in verband met de aard van het vervoer waarvoor het voertuig is bedoeld, beperkende voorwaarden worden gesteld.

  • 4. Bij gegrond vermoeden dat een voertuig waarvoor een geldig goedkeuringsbewijs is afgegeven niet aan de gestelde eisen voldoet, is de eigenaar verplicht op vordering van of vanwege de gezaghebber binnen een door deze te stellen termijn het voer-tuig te laten herkeuren.

  • 5. Indien bij herkeuring blijkt dat het voertuig niet voldoet aan de in deze verordening gestelde eisen, wordt het goedkeuringsbewijs ongeldig verklaard.

Artikel 92

Door of vanwege het bestuurscollege kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent:

  • a.

    de aanvraag en afgifte van keuringsbewijzen;

  • b.

    het aanleggen, inrichten en beheren van registers betreffende afgegeven keuringsbewijzen;

  • c.

    het verschaffen van inlichtingen uit de sub b bedoelde registers en de kosten van die inlich-tingen.

Artikel 93

  • 1. Indien een motorrijtuig of een bromfiets overgaat op een andere eigenaar of hou-der, is die nieuwe eigenaar of houder verplicht binnen dertig dagen na de overgang hiervan, met overleg van een deugdelijk bewijs van eigendom, aantekening te laten houden in het in artikel 95, sub b bedoelde register en het desbetreffende goedkeu-ringsbewijs dienovereenkomstig te laten wijzigen.

  • 2. de eigenaar of houder heeft een overeenkomstige verplichting, indien het nummer-plaat van een motorrijtuig of een bromfiets is veranderd.

Paragraaf 2 Tekens en onderscheidingstekens

Artikel 94

  • 1. Bij motorrijtuigen, met uitzondering van bromfietsen en motorfietsen, dient het nummerplaat duidelijk zichtbaar te worden aangebracht aan de voor- en achterzij-de van het motorrijtuig.

  • 2. Bij bromfietsen en motorfietsen dient het nummerplaat duidelijk leesbaar te wor-den aangebracht aan de achterzijde van het voertuig.

  • 3. Wordt door het motorrijtuig een aanhangwagen voortbewogen dan dient aan de voorzijde van het trekkende voertuig en aan de achterzijde van de aanhangwagen het nummerplaat duidelijk zichtbaar te worden aangebracht.

  • 4. Bij verordening kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent:

    • a.

      de aanvraag en afgifte van nummerplaat;

    • b.

      het aanleggen van registers betreffende afgegeven nummerplaat;

    • c.

      het verschaffen van inlichtingen uit de sub b bedoelde registers en de kosten van die inlichtingen;

Artikel 95

Door of vanwege het bestuurscollege kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent:

  • a.

    het inrichten en beheren van registers betreffende afgegeven nummerplaatbewijzen;

  • b.

    nadere gegevens omtrent het nummerplaat, waaronder de nummerreeksen, de kleur en verdere bijzonderheden;

  • c.

    de wijze waarop het nummerplaat op het voertuig moet worden aangebracht.

Hoofdstuk 6 Rijbewijzen

Artikel 96

  • 1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 108, 109, 111 onderdelen b en c is het de bestuurder verboden met een motorrijtuig over een weg te rijden, tenzij hij een op zijn naam gesteld geldig rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de aard als door hem bestuurd in bezit heeft, welk rijbewijs door of vanwege de gezag-hebber uitgereikt is en ingericht is volgens een bij deze verordening door de gezag-hebber vast te stellen behorend model.

  • 2. Het is een bestuurder van een bromfiets verboden over een weg te rijden, tenzij hij, de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt en;

    • a.

      een op zijn naam gesteld door of vanwege de gezaghebber afgegeven geldige vergunning bij zich heeft welke vergunning ingericht is volgens een bij deze ver-ordening door de gezaghebber vast te stellen behorend model of,

    • b.

      in het bezit is van een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 97 lid 1.

  • 3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op militaire bestuurders voor zover deze bestuurders een door de bevoegde militaire autoriteit afgegeven geldig rijbe-wijs of geldige vergunning voor het besturen van het soort militaire motorrijtuig of bromfiets als door hen bestuurd, bij zich hebben.

  • 4. Het is de bestuurders verboden met een zelfrijdende werktuig over een weg te rij-den, tenzij hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een geldig rijbewijs B, C, of D, ingericht volgens een bij deze verordening behorend model bij zich heeft.

  • 5. Door of vanwege het bestuurscollege, kunnen nadere regels worden vastgesteld ten aanzien van de vergunningen bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 97

  • 1. Rijbewijzen als bedoeld in artikel 96, eerste lid, worden afgegeven voor het bestu-ren van de volgende categorieën motorrijtuigen:

    • a.

      bromfietsen met of zonder zijspan, op twee of drie wielen: rijbewijs A1;

    • b.

      Motorfietsen met of zonder zijspan, op twee of drie wielen: rijbewijs A2;

    • c.

      Motorrijtuigen niet zijnde voertuigen genoemd onder a. bestemd voor het ver-voer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen buiten die van de bestuur-der en motorrijtuigen, bestemd voor goederenvervoer, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg (7700 lbs). De motorrijtuigen van deze categorie mogen een lichte aanhangwagen voortbewegen : rijbewijs B;

    • d.

      Motorrijtuigen, voor het vervoer van goederen bestemd en waarvan de toege-stane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg (7700 Ibs). De motorrijtuigen van deze categorie mogen een lichte aanhangwagen voortbewegen: rijbewijs C;

    • e.

      Motorrijtuigen, bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen buiten die van de bestuurder. De voertuigen van deze categorie mogen een lichte aanhangwagen voortbewegen: rijbewijs D;

    • f.

      Motorrijtuigen van de categorieën vermeld onder sub b, c en d, waarvoor de bestuurder een rijbewijs heeft, met een aanhangwagen anders dan een lichte aanhangwagen: rijbewijs B-E, C-E of D-E.

  • 2. Voor het besturen van een motorrijtuig door een bestuurder, die in verband met een lichamelijk gebrek slechts een motorrijtuig kan besturen dat voldoet aan be-paalde eisen, wordt een rijbewijs als bedoeld in het eerste lid afgegeven, uitsluitend voor het besturen van een aan die eisen voldoend motorrijtuig. In het rijbewijs wordt deze beperking aangeduid.

  • 3. Het is verboden om motorrijtuigen niet zijnde een motorrijtuig als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e te besturen zonder een door of vanwege de gezag-hebber afgegeven vergunning. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de vereisten om in aanmerking te komen voor een dergelijke vergunning.

  • 4. “Lichte aanhangwagens" zijn die, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (1650 Ibs).

  • 5. Voor het besturen van motorrijtuigen, bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan vijftien zitplaatsen buiten die van de bestuurder, dient bestuurder naast een rijbewijs zoals bedoeld in onderdeel d van het eerste lid, in bezit te zijn van een vergunning afgegeven door of vanwege de gezaghebber.

  • 6. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de vereisten om in aanmerking te komen voor een vergunning als be-doeld in het vijfde lid.

Artikel 98

Een rijbewijs als bedoeld in artikel 96, eerste lid, wordt voor de eerste keer slechts afge-geven aan hem, die:

  • a.

    de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, met dien verstande, dat de bestuurder van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 97, eerste lid, onderdeel c en d, de leeftijd van 21 jaren moet hebben bereikt;

  • b.

    een door of namens het hoofd van de instantie welke door het bestuurscollege is belast met het beoordelen van rijvaardigheid, afgegeven verklaring overlegt, waaruit bekwaamheid en vaardigheid blijkt om op te treden als bestuurder van een motorrij-tuig van de aard als waarvoor hij een rijbewijs verlangt.

  • c.

    een verklaring overlegt van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid, afgegeven door een tot de uitoefening van de geneeskunde op Sint Eustatius bevoegd persoon. Deze verklaring mag niet eerder dan twee maanden vóór het afeggen van het exa-men bedoeld in onderdeel b afgegeven zijn en is ingericht volgens een bij deze ver-ordening behorend model.

Artikel 99

Door of vanwege het bestuurscollege wordt bepaald aan welke eisen van bekwaamheid de aanvrager van een rijbewijs dient te voldoen ter verkrijging van de in artikel 98, on-derdeel b bedoelde verklaring en worden regels gegeven met betrekking tot de samen-stelling en werkwijze van de instantie bedoeld in artikel 98, onderdeel b.

Artikel 100

  • 1. Het is verboden opzettelijke onjuiste opgave te doen bij de aanvraag of bij het geven van inlichtingen voor het verkrijgen van een rijbewijs, duplicaat rijbewijs of een ver-gunning.

  • 2. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen verklaart een door hem afgegeven rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig, indien naar zijn oordeel is gebleken dat het rijbewijs voor die categorie of categorieën van motorrij-tuigen is afgegeven op grond van onjuiste opgave van inlichtingen en indien de on-juistheid van de opgave ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest, het rij-bewijs niet zou zijn afgegeven.

  • 3. Degene die het rijbewijs ongeldig verklaart voor een of meer categorieën, doet daar-van aan de betrokkene bij aangetekende brief onverwijld mededeling.

  • 4. De ongeldigverklaring bedoeld in het tweede lid is van kracht met ingang van de zevende dag na die van dagtekening van de mededeling.

  • 5. Hij wiens rijbewijs ongeldig is verklaard, is verplicht dit binnen zeven dagen na die van de dag van de mededeling in te leveren bij de gezaghebber of een door hem aangewezen instantie.

Artikel 101

  • 1. Door of vanwege de gezaghebber wordt een register bijgehouden waarin wordt vermeld:

    • a.

      de dag waarop en de aard van het motorrijtuig of de motorrijtuigen waarvoor, het rijbewijs wordt afgegeven;

    • b.

      van de naam, de woonplaats, en de dag en plaats van geboorte van de houder van het rijbewijs;

    • c.

      de dag, waarop het rijbewijs wordt ingetrokken, zijn geldigheid verliest of weder-om geldigheid verkrijgt.

  • 2. Het verschaffen van inlichtingen uit het in het eerste lid bedoelde register geschiedt slechts aan de instanties belast met justitiële onderzoek.

Artikel 102

Door de gezaghebber, kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de door de aanvrager van een rijbewijs te overleggen bescheiden.

Artikel 103

Geen rijbewijs wordt afgegeven aan degene:

  • a.

    wiens rijbewijs is ingetrokken, voor de duur der intrekking en voorts zolang de reden van de intrekking niet heeft opgehouden te bestaan;

  • b.

    die de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij onherroepelijk geworden rechter-lijke uitspraak is ontzegd, voor de duur van die ontzegging;

  • c.

    tegen wie een gegrond vermoeden bestaat, dat hij strafrechtelijk vervolgbaar is we-gens een feit, op grond waarvan ingeval van veroordeling hem bij rechterlijke uit-spraak de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen kan worden ontzegd;

  • d.

    aan wie ingevolge artikel 3 van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegd-heid en rijvaardigheid BES de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig is ontzegd, voor de duur van die ontzegging;

  • e.

    van wie, ingevolge artikel 121 de afgifte van het rijbewijs is gevorderd en aan wie dit rijbe-wijs niet is teruggeven.

Artikel 104

Van de weigering van afgifte van een rijbewijs geeft de gezaghebber of een door hem aangewezen instantie of persoon aan de betrokkene schriftelijk kennis met opgave van de reden, waarop de weigering gegrond is.

Artikel 105

Een ingevolge artikel 96, eerste lid, afgegeven rijbewijs is geldig voor de duur van vijf jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte.

Artikel 106

  • 1. Bij uitgifte van rijbewijzen aan personen, die in het bezit zijn van een rijbewijs afge-geven ingevolge artikel 108, derde lid, dient een verklaring als bedoeld in artikel 98, sub c overlegd te worden.

  • 2. Indien de aanvrager van een rijbewijs in het bezit is van een ingevolge deze verorde-ning afgegeven rijbewijs, dan wel afgegeven in de openbare lichamen Saba of Sint Eustatius, het Land Aruba, Curaçao, Nederland of Sint Maarten, waaraan de geldig-heidsduur meer dan twee jaar is verstreken, dient een in artikel 98, onderdeel b, be-doelde verklaring worden overlegd.

Artikel 107

  • 1. Voor verloren geraakte, versleten, geheel of ten dele onleesbaar geworden of te-nietgegane rijbewijzen en vergunningen kunnen door of vanwege de gezaghebber duplicaten worden afgegeven.

  • 2. Versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden rijbewijzen en vergunningen waarvoor vervangende rijbewijzen en vergunningen worden afgegeven, moeten worden ingeleverd. De rijbewijzen en vergunningen waarvoor vervangende rijbewij-zen worden afgegeven, verliezen hun geldigheid.

Artikel 108

  • 1. 0p de buiten het openbaar lichaam Sint Eustatius woonachtige bestuurder van een motorrijtuig, die als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal rij-bewijs afgegeven buiten het openbaar lichaam Sint Eustatius ingevolge artikel 24 van het Verdrag van Génève van de 19 september 1949 nopens het wegverkeer, is artikel 97, eerste lid, niet van toepassing.

  • 2. Met een internationaal rijbewijs, als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld een rijbewijs, afgegeven door het bevoegde gezag van staten of samenstellende de-len daarvan, aangesloten bij voormeld Verdrag, voor zover door de gezaghebber niet anders wordt bepaald.

  • 3. Rijbewijzen afgegeven in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Sint Eustatius of Saba door het aldaar bevoegd gezag, worden gelijkgesteld met ingevolge artikel 96, eerste lid, afgegeven rijbewijzen.

Artikel 109

Aan tijdelijk in het openbaar lichaam Sint Eustatius vertoevende personen, die voldoen aan het gestelde in artikel 102, onderdeel a, kan op vertoon van een op hun naam af-gegeven geldig buitenlands rijbewijs door de gezaghebber voor een periode van ten hoogste drie maanden een vergunning worden verleend om als bestuurder van motor-rijtuigen op te treden.

Artikel 110

  • 1. Door of vanwege de gezaghebber kan een oefenvergunning om zich op de weg te bekwamen in het besturen van een brom- of motorfiets worden afgegeven voor een periode van drie maanden.

  • 2. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de oefenvergunning.

Artikel 111

Geen rijbewijs wordt vereist ten aanzien van:

  • a.

    bestuurders van motorrijtuigen, die zich moeten onderwerpen aan een onderzoek naar hun rijvaardigheid, op de dag en omstreeks de tijd waarop het onderzoek wordt afgenomen. Zij dienen in het bezit Ie zijn van een oproep voordat onderzoek. Deze oproep moet op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage worden afgegeven;

  • b.

    bestuurders van motorfietsen die in bezit zijn van een door de gezaghebber afgege-ven oefenvergunning om zich op de weg te bekwamen in het besturen van een mo-torfiets;

  • c.

    bestuurders van motorrijtuigen op meer dan twee wielen gedurende de tijd dat de aan de bestuurder rijonderricht wordt gegeven, mits de bestuurder geen andere personen vervoert dan degene die hem rijonderricht geeft;

  • d.

    militaire bestuurders voor het besturen van militaire voertuigen, mits deze bestuur-ders een door de bevoegde militaire autoriteit afgegeven geldig militair rijbewijs bij zich hebben voor hel besturen van de categorie militair motorrijtuig als door hen wordt bestuurd.

Artikel 112

  • 1. Degene, onder wiens toezicht een ander een motorrijtuig bestuurt, dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

    • a.

      dat hij ten opzichte van degene, die het motorrijtuig onder toezicht bestuurt, een zodanige plaats inneemt, dat hij voldoende kan ingrijpen.

    • b.

      dat degene, die het motorrijtuig onder toezicht bestuurt:

      • -

        de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

      • -

        niet de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd;

      • -

        noch diens rijbewijs is ingevorderd of ingetrokken;

  • 2. Het is verboden een motorrijtuig op de weg onder toezicht te besturen, indien de toezichthouder in strijd handelt met het eerste lid.

  • 3. Door of vanwege het bestuurscollege kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 113

De afgifte van rijbewijzen en vergunningen, als in dit hoofdstuk bedoeld, alsmede van duplicaten daarvan, vindt plaats tegen betaling van een door of vanwege het bestuurs-college te bepalen bedrag.

Artikel 114

  • 1. Het rijbewijs verliest zijn geldigheid en wordt ingetrokken door de gezaghebber in-dien bij opname van de houder in een krankzinnigengesticht, medisch is vastgesteld dat de houder wegens zijn geestelijk toestand niet in staat is een voertuig van de ca-tegorie waarop het rijbewijs betrekking heeft, te besturen.

  • 2. De gezaghebber is bevoegd met schriftelijk opgave van reden aan de betrokkene het rijbewijs in te trekken bij redelijk vermoeden dat de houder daarvan:

    • a.

      ongeschikt of onbekwaam is in het besturen van een motorrijtuig van een catego-rie of van motorrijtuigen van categorieën als in dat rijbewijs aangegeven;

    • b.

      zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, waarbij ingeval van veroorde-ling hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is of kan worden ontzegd.

  • 3. De intrekking van het rijbewijs kan geschieden voor één of meer categorieën.

  • 4. Gelijke bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid heeft de gezaghebber met betrek-king tot in het buitenland afgegeven rijbewijzen gedurende de periode van ontzeg-ging van de rijbevoegdheid, doch nimmer langer dan gedurende het verblijf van de houder in het openbaar lichaam.

Artikel 115

De intrekking blijft van kracht voor de duur waarvoor het rijbewijs is afgegeven tenzij:

  • a.

    In het geval vermeldt in artikel 114, eerste lid, na ontslag uit het krankzinnigenge-sticht op grond van een medisch rapport blijkt dat de intrekking niet langer noodza-kelijk is.

  • b.

    In het geval vermeldt in artikel 114, tweede lid, onderdeel a, uit een na de intrekking afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 98, onderdeel b of c, blijkt dat de be-stuurder geschikt en bekwaam is;

  • c.

    In het geval vermeldt in artikel 114, tweede lid, onderdeel b, door de rechter bij on-herroepelijk geworden uitspraak is beslist, dat de persoon onschuldig is of het Open-bare Ministerie volgens schriftelijke mededeling aan de gezaghebber van de vervol-ging van de bestuurder op grond waarvan de intrekking is geschied afziet.

Artikel 116

Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vrijwillige voldoening aan de voorwaarde, door de bevoegde ambtenaar van het Openbaar Ministerie, krach-tens artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gesteld, gelijkgesteld met een onher-roepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

Artikel 117

  • 1. Van de intrekking van het rijbewijs wordt door of namens de gezaghebber aan de instanties belast met de handhaving en toezicht op deze verordening schriftelijk mededeling gedaan.

  • 2. Van de intrekking van het rijbewijs wordt door of namens de gezaghebber bij aangetekend schrijven onder vermelding van redenen onverwijld mededeling gedaan aan betrokkene.

Artikel 118

  • 1. Hij, wiens rijbewijs is ingetrokken, is verplicht dit onmiddellijk af te geven en voor zover hij dit niet bij zich heeft, binnen 2 maal 24 uur bij de gezaghebber of een daar-toe aangewezen instantie af te geven.

  • 2. Het is degene, die weet of redelijkerwijze moet weten, dat zijn rijbewijs is ingetrok-ken of ongeldig is verklaard als bedoeld in artikel 100, verboden gedurende de tijd dier intrekking op een weg een motorrijtuig te besturen.

  • 3. Een overeenkomstige verplichting tot inlevering van het rijbewijs bestaat:

    • a.

      indien dit zijn geldigheid heeft verloren ingevolge artikel 3 van de Wet aansprake-lijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES, Degene die het rijbe-wijs heeft afgegeven is verplicht dit, nadat de termijn van de ontzegging is ver-streken, terug te geven aan degene op wiens naam het is gesteld.

    • b.

      indien dit rijbewijs ingevolge artikel 100 voor een of meer categorieën motorrij-tuigen ongeldig is verklaard.

Artikel 119

  • 1. Indien een redelijk vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs de kennis of bedrevenheid dan wel de lichamelijke of geestelijke gesteldheid mist voor het bestu-ren van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, kan van hem worden gevorderd dat hij zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardig-heid dan wel naar zijn geschiktheid onderwerpt. De gezaghebber kan nadere regels geven met betrekking tot het uitoefenen van deze bevoegdheid.

  • 2. In geval van weigering om aan het in het eerste lid bedoelde onderzoek mee te werken, dan wel indien uit dit onderzoek blijkt dat de houder van een rijbewijs de kennis of de bedre-venheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke gesteldheid mist voor het besturen van één of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, wordt het rijbewijs door de gezaghebber ingetrokken.

Artikel 120

  • 1. Indien het rijbewijs niet voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven ongeldig is verklaard als bedoeld in artikel 100, dan wel is ingetrokken voor één of meer catego-rieën, wordt door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen een rijbewijs af-gegeven dat geldig is voor die categorie of categorieën waarvoor de ongeldig verkla-ring of intrekking geen betrekking heeft.

  • 2. Aan de houder van een geldig rijbewijs die niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrij-tuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, dan wel die gesteldheid bezit voor een termijn die korter is dan de tijdsduur waarvoor dat rijbewijs nog geldig is, wordt op diens verzoek, een nieuw rijbewijs afgegeven dat geldig is voor de categorieën mo-torrijtuigen waarvoor betrokkene de lichamelijke of geestelijke gesteldheid bezit dan wel dat geldig is voor de tijdsduur waarvoor betrokkene die gesteldheid bezit. Het rijbewijs waarvoor een nieuw rijbewijs wordt afgegeven, moet worden ingeleverd en verliest zijn geldigheid.

Artikel 121

  • 1. Op eerste vordering van de opsporingsambtenaar als vermeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES, is de bestuurder tegen wie proces-verbaal wordt opgemaakt terzake van overtreding van artikel 24 of 25 verplicht tot afgifte van het hem, ingevolge deze verordening afgegeven rijbewijzen, vergunning dan wel rijbe-wijzen als bedoeld in artikel 114.

  • 2. Het ingevorderde rijbewijs, vergunning of rijbewijs als bedoeld in artikel 114, wordt tegelijk met het proces-verbaal, binnen 48 uur, verzonden aan de Officier van Justi-tie. Deze is bevoegd dat rijbewijs of die vergunning onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak de bestuurder de bevoegdheid, motorrijtuigen te besturen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In het laatste geval levert de Officier van Jus-titie, na het bovenbedoelde tijdstip, het rijbewijs, vergunning of rijbewijs als bedoeld in artikel 114 in bij degene, die dat bewijs of die bewijzen heeft afgegeven.

  • 3. In het buitenland afgegeven rijbewijzen worden nimmer langer ingehouden dan ge-durende het verblijf van de houder in het openbaar lichaam.

  • 4. Ingeval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig of bromfiets door de opsporingsambtenaar die het proces-verbaal opmaakt, in beslag worden genomen. In dat geval wordt het motorrijtuig of bromfiets voor rekening van de verdachte overgebracht naar een plaats van bewaring en aldaar bewaard totdat het door of vanwege de eigenaar of houder tegen betaling van de kosten van overbrenging en bewaring wordt afgehaald. Met betrekking tot deze kosten zijn de leden 3 tot en met 10 van artikel 125 van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De opsporingsambtenaar die gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde be-voegdheid en de Officier van Justitie die gebruik maakt van de in het tweede lid be-doelde bevoegdheid, doen daarvan onverwijld mededeling aan de beheerder van het in artikel 101 bedoelde register. Indien de Officier van Justitie het rijbewijs aan de houder teruggeeft, doet hij daarvan op gelijke wijze mededeling.

Artikel 122

Het is de houder van een rijbewijs die weet of behoort te weten dat zijn rijbewijs ongel-dig is verklaard als bedoeld in artikel 100 of is ingetrokken voor één of meer categorie-en, verboden op een weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën te besturen, tenzij hem een ander rijbewijs geldig voor de categorie voertuig dat hij bestuurt, is af-gegeven.

Hoofdstuk 7 STRAFBEPALINGEN

Artikel 123

De opsporingsambtenaren bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES zijn met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening be-last.

Artikel 124

  • 1. Op de eerste vordering van de in artikel 123 bedoelde ambtenaren is de bestuurder van een voertuig, verplicht het voertuig te doen stilhouden en deze ambtenaren in de gelegenheid te stellen zich te vergewissen omtrent de naleving van deze verorde-ning.

  • 2. Indien de bestuurder van een voertuig in strijd handelt met de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften, kan de in artikel 123 bedoelde ambtenaar, het voertuig in beslag nemen.

  • 3. In geval van inbeslagname wordt het voertuig, indien nodig door de opsporingsamb-tenaar betreden en overgebracht naar een plaats van bewaring en aldaar bewaard.

  • 4. Het betreden, het overbrengen en de bewaring van het voertuig geschieden voor rekening en risico van de verdachte. De bewaring van het voertuig op een plaats van bewaring geschiedt totdat tot teruggave door de officier van justitie of gerechtelijke uitspraak is besloten. Met betrekking tot de kosten van het overbrengen en de inbe-waringstelling is het vermelde in artikel 125, zevende lid van toepassing.

Artikel 125

  • 1. Een voertuig, aanhangwagen of oplegger, dat staande op een weg;

    • -

      gevaar veroorzaakt;

    • -

      de vrijheid van het verkeer belemmert;

    • -

      op een niet daarvoor bestemde plaats staat;

    • -

      niet voldoet aan de voor een parkeerzone als bedoeld in artikel 58, tweede lid, sub 2, geldende voorwaarden, of

    • -

      in de gevallen vermeld in artikel 20 leden 2 en 3;

  • kan door de opsporingsambtenaar bedoeld in artikel 123 in beslag genomen worden en naar een door de gezaghebber aangewezen plaats overgebracht en in bewaring gesteld worden.

  • 2. In afwachting van de overbrenging van een voertuig, aanhangwagen of oplegger krachtens het bepaalde in het eerste lid kan door de opsporingsambtenaar aan het voertuig, aanhangwagen of oplegger een wielklem worden aangebracht.

  • 3. Alvorens met de overbrenging van het voertuig, aanhangwagen of oplegger naar de in het eerste lid vermelde plaats wordt aangevangen, kan de wielklem op verzoek van de eigenaar of houder van het voertuig, aanhangwagen of oplegger door de op-sporingsambtenaar worden verwijderd na betaling van de kosten voor het aanbren-gen en verwijderen van de wielklem aan een door de gezaghebber aangewezen per-soon of instantie.

  • 4. Het wegslepen, de inbewaringstelling van het voertuig, aanhangwagen of oplegger en het aanbrengen van een wielklem geschiedt voor rekening en risico van de eige-naar of houder.

  • 5. Door of namens de gezaghebber wordt in een daartoe aangelegd register aanteke-ning gemaakt van de gevallen, waarin de in het eerste of tweede lid bedoelde be-voegdheid wordt uitgeoefend.

  • 6. Door of namens de gezaghebber wordt zorggedragen voor de bewaring van de inge-volge het eerste lid in bewaring gestelde voertuigen.

  • 7. Door of namens de gezaghebber wordt het voertuig, aanhangwagen of oplegger aan de eigenaar of houder ten tijde van de overbrenging ten gebruiken onder zich had, teruggegeven tegen betaling van de kosten van overbrenging en bewaring.

  • 8. Wanneer het voertuig, aanhangwagen of oplegger binnen 48 uur na het in bewaring stellen niet is afgehaald, geeft de gezaghebber zo mogelijk binnen zeven dagen van de overbrenging en bewaring kennis aan de eigenaar of houder of aan degene die aangifte heeft gedaan van vermissing.

  • 9. Bij eilandelijk besluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels wor-den gesteld ten aanzien van;

    • -

      het overbrengen en de kosten van het overbrengen;

    • -

      de inbewaringstelling en de kosten van de inbewaringstelling;

    • -

      de kosten van het aanbrengen en verwijderen van wielklemmen;

    • -

      de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet en de vernietiging;

    • -

      de in het derde lid bedoelde register, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoe-ring van dit artikel noodzakelijk is.

Artikel 126

  • 1. Indien met een motorrijtuig, bromfiets of invalidenvoertuig een bij deze verordening strafbaar gesteld feit is begaan door een onbekend gebleven bestuurder van dat voertuig en de eigenaar of houder van dat voertuig niet reeds naast de bestuurder voor de overtreding strafbaar is gesteld, is de eigenaar of houder van dat voertuig of degene op wiens naam het nummerplaat staat geregistreerd, verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar binnen 48 uur de identiteit van de bestuur-der bekend te maken.

  • 2. Niet strafbaar is hij, die indien hij niet in staat is de identiteit van de bestuurder be-kend te maken, de identiteit bekend maakt van degene aan wie hij het motorrijtuig of bromfiets ter beschikking heeft gesteld.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de eigenaar of houder of degene op wiens naam het nummerplaat staat geregistreerd, niet heeft kunnen vaststellen wie de be-stuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 127

  • 1. Handelen in strijd met de artikelen 9, eerste lid, onderdeel c, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 93, 96, eerste lid, 111, onderdeel b, en 118 worden beschouwd als een overtreding en gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie

  • 2. Handelen in strijd met de overige bepalingen van deze verordening wordt be-schouwd als een overtreding en gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 128

  • 1. Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens een bij deze verordening strafbaar gesteld feit.

  • 2. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn de aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen:

    • a.

      door middel van welke het feit is gepleegd;

    • b.

      waarmee het feit is gepleegd.

Hoofdstuk 8 ONTHEFFINGEN EN VERGUNNINGEN

Artikel 129

  • 1. Door de gezaghebber kan ontheffing of vergunning worden verleend van artikel19, vierde lid, artikel 6, eerste lid voor zover het betreft de verkeersborden CI, C2, C4, C6 tot en met C16, D2, D4 tot en met D7, El en E2, E6, E7 F7, Gl en G3 en de verkeerste-kens genoemd in de artikelen 15, 16, 17 voor zover het grote autobussen betreft zo-als bedoeld in verordening personenvervoer Sint Eustatius 2022 alsmede van de arti-kelen 57, tweede lid, onderdelen b, d en e, 58, tweede lid, onderdelen a, b, e, d en f, en 79 en voor zover het motorrijtuigen betreft, artikel 31, eerste lid, artikel 46, eerste lid en artikel 74 en artikel 82 eerste lid, onderdeel c, sub 3.

  • 2. De gezaghebber kan van de bepalingen van deze verordening vrijstelling verlenen ten behoeve van openbare diensten of bedrijven die daarmee zijn gelijkgesteld.

  • 3. Aan bij of krachtens deze verordening verleende ontheffingen, vrijstellingen en ver-gunningen kunnen voorwaarden worden verbonden.

  • 4. De afgifte van ontheffingen en vergunningen als bedoeld in deze verordening vinden plaats tegen betaling van een door of vanwege het bestuurscollege te bepalen be-drag.

Hoofdstuk 9 OVERGANGS- en SLOTBEPALINGEN

Artikel 130

Alle maatregelen, bevelen, aanwijzingen en aanduidingen nopens het wegverkeer, wel-ke van kracht of aangebracht zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze veror-dening, worden geacht ingevolge deze verordening te zijn uitgevaardigd of aangebracht totdat deze door nieuwe maatregelen, bevelen, aanwijzing en aanduidingen, welke op deze verordening zijn gebaseerd, zijn vervangen

Artikel 131

De in de rechterkolom genoemde borden blijven van kracht totdat zij door de in de linke ko-lom genoemde borden zijn vervangen.

TRANSPONERINGSTABEL Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Nummering borden conform Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Nummering borden conform Wegenverkeersverordening Bovenwindse Eilanden

A1

1

B1

3

B2

4 en 5

B3

6

B4

7

B5

8

C1

9

C2

10

C3

10a

C4

81

C5

13

C7

19

C8

14

C9

16

C10

15

C13

20

C14

22

C16

23

D2

12 en 47

D3

48

E1

35-44

E2

29-34

E4

76

E6

45

F1

26

F5

27

F6

28

G3

46

J1

75

J4 + J5

66

J8

67

J10

68

J11

69

J14

70

J15

71

J16

72

J21

72a

J23

73

Artikel 132

  • 1. Keurings-, nummerplaat- en rijbewijzen en vergunningen, afgegeven vóór de inwer-kingtreding van deze verordening. worden geacht overeenkomstig de bepalingen van deze verordening te zijn afgegeven en behouden hun geldigheid voor de duur, waar-voor zij zijn verleend.

  • 2. Aanvragen en procedures die reeds onder de ingetrokken regeling zijn gestart, worden be-handeld en afgehandeld conform de ingetrokken regeling. Drie maanden na inwerkingtre-ding van deze verordening worden de dan nog lopende aanvragen of procedures onder de-ze verordening behandeld en afgehandeld. Drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening is de werkwijze van deze verordening, voor zover dat niet bij inwerkingtreding mogelijk is, geïmplementeerd.

Artikel 133

Ontheffingen, verleend bij of krachtens de Wegenverkeersverordening de Bovenwindse Eilanden, worden geacht op grond van deze verordening te zijn verleend.

Artikel 134

Na de inwerkingtreding van deze verordening berust de in de Legesverordening Sint Eustatius 2020 vastgestelde rechten welke ingevolge de Wegenverkeersverordening de Bovenwindse Eilanden worden geheven, op deze verordening

Artikel 135

De verordening van 31 december 1962 tot vaststelling van de Wegenverkeersverordening de Bovenwindse Eilanden wordt ingetrokken voor zover deze regels stelt voor het eiland Sint Eus-tatius.

Artikel 136

Deze verordening treedt in werking de dag na haar publicatie.

Artikel 137

Deze verordening wordt aangehaald als de Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022.

Ondertekening

Sint Eustatius, 27 september 2022

De regeringscommissaris Sint Eustatius,

M.A.U. Francis

De eilandgriffier,

H. Andeweg

BIJLAGE 1, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Bijlage 1, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius, hier te raadplegen.

BIJLAGE 2, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Bijlage 2, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius, hier te raadplegen.

BIJLAGE 3, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Bijlage 3, behorend bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius, hier te raadplegen.

Toelichting behorende bij de Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

Deze verordening reguleert het verkeer en de verkeersveiligheid op Sint Eustatius (hierna: de verordening).

Een BES-wet met betrekking tot verkeer en verkeersveiligheid ontbreekt, daarom is de verordening de primaire regeling met normen voor verkeer en verkeersveiligheid op Sint-Eustatius. De oude verordening Wegenverkeersverordening de Bovenwindse Eilanden dateerde uit 1962 en was sterk verouderd.

Gelet op het sterk veranderde verkeersbeeld, veranderd wegenstelsel, veranderde voertuigen en veranderde mentaliteit is na meer dan vijftig jaar een algehele herziening van de wegenverkeersverordening onvermijdelijk.

De grondslag voor deze verordening is de Wegenverkeerswet 1994, echter gezien de grote verschillen in beleid en plaatselijke situaties si gekozen voor een meer praktisch werkbare uitwerking. Verder is het streven om een zo uniform mogelijke regeling te hebben tussen de BES-eilanden. Dit is met name van belang voor de handhaving van de regeling. Naar aanleiding van vorenvermelde punten is besloten om voor de uitwerking de Wegenverkeersverordening Bonaire (2019) te hanteren.

Bij de opstelling van de regels is getracht aansluiting te vinden bij de verkeerspraktijk. De praktijk leert dat men met de aanpassing van de weg vaak meer bereikt dan met het plaatsen van een bord. Met dat feit zal de wegbeheerder rekening moeten houden.

Voor de opbouw van de nieuwe verordening is in grote lijnen aansluiting gezocht bij de oude verordening. Met opzet is hiervoor gekozen zodat teruggegrepen kan worden naar de oude routine. De nieuwe verordening bevat uiteraard nieuwe regels voor situaties waarin in 1957 nog geen sprake was. Een voorbeeld hiervan is het verbod om mobiele communicatie apparatuur vast te houden. Ook zijn er bepalingen bijgekomen die in grote mate de veiligheid bevorderen, zoals het gebruik van valhelmen en autogordels.

Ook is de verordening aangepast aan de huidige praktijk. Een voorbeeld hiervan is het verplicht voorsorteren. Dit was onder de oude verordening een keuze voor de bestuurder. In de praktijk echter sorteert iedereen voor. Te denken valt aan bepalingen inzake invalidenvoertuigen, zebrapaden en rotondes.

Artikelsgewijze toelichting.

Hoofdstuk I.

Artikel 1

In artikel 1 zijn de op deze verordening van toepassing zijnde definities in alfabetische volgorde opgenomen. Daarbij is getracht behalve de begrippen die, reeds in de bestaande verordening voorkwamen, tevens definities op te nemen van die begrippen die in het verleden aanleiding hebben gegeven tot misverstanden of waarbij definiëring bijdraagt aan een kortere, bondiger en bijgevolg duidelijker formulering van de voorschriften. Daarnaast zijn een aantal nieuwe definities opgenomen.

Aanhangwagen:

Deze definitie is sterk vereenvoudigd. Thans vaIlen alle voortuigen hieronder die door een ander voertuig worden voortbewogen of die hiertoe bestemd zijn. Opleggers, te beschouwen als aanhangers, zijn afzonderlijk gedefinieerd.

Autobus:

Alle motorrijtuigen, ongeacht of ze gebruikt worden voor openbaar vervoer vallen onder deze categorie.

bestuurder:

In deze definitie wordt een uitzondering gemaakt voor voetgangers. Zij zijn wel weggebruikers doch geen bestuurders.

Bromfiets:

Voorheen gold de fiets met hulpmotor als “bromfiets”. De bromfiets diende dan ook kenmerken te bezitten die ook golden voor fietsen, zoals trappers. Dit is thans niet meer het geval. Gebleken is dat de maximumsnelheid van 55 km/u betrekking heeft op het maximale snelheidsvermogen van de motor. Ook in het geval een bromfiets is uitgerust met een elektromotor zou het maximale vermogen begrensd moeten zijn. De grens voor het vermogen van een elektromotor wordt vastgesteld op 4 KW

Dag:

Teneinde de bepalingen ter zake van het gebruik van lichten zo kort en duidelijk mogelijk te formuleren, worden daarin kortweg de termen dag en nacht gebruikt. In verband daarmede is het noodzakelijk de begrippen dag en nacht te definiëren.

Fiets:

Teneinde voertuigen op meer dan twee of drie wielen als fietsen aan te kunnen merken is het

vereiste met betrekking tot het aantal wielen vervallen. Er is verder gekozen om de definitie van fietsen uit te breiden. Fietsen met trapondersteuning met een maximale snelheid van 30 km per uur worden nu ook als fietsen beschouwd. Dit betreffen bijvoorbeeld E-bikes en snorfietsen. Bij het bepalen van de maximale snelheid van fietsen met trapondersteuning is er rekening gehouden met het feit dat deze fietsen gebruik kunnen maken van het fietspad.

Fietspad of fietsstrook:

Teneinde bepalingen ten aanzien van de plaats op de weg zo helder en zo kort mogelijk te houden, is gekozen voor een omschrijving van het begrip fietspad of fietsstrook die zowel juridisch als infrastructureel duidelijk aangeeft dat er een aangewezen apart deel van de weg bestaat waar slechts fietsers gebruik van mogen maken.

Haaientanden:

De term haaientanden is gebezigd omdat de betrokken wegmarkering in de volksmond veelal zo wordt genoemd.

Inhalen:

Gezien het feit dat in het verleden misverstand bestond omtrent het begrip inhalen, is ervoor gekozen om een definitie hiervan op te nemen.

Inrit:

Hoewel de begrippen in- en uitrit in diverse bepalingen in de oude verordening werd gebruikt was hiervan geen definitie opgenomen. Hierdoor ontstonden in de praktijk problemen, met name in de gevallen waarin een bestuurder aan een andere bestuurder geen voorrang verleende.

Kenteken:

Hoewel er geen sprake is van kentekenregistratie en een kentekenregister op Bonaire, wordt de belastingnummerplaat in de praktijk wel als zodanig genoemd.

Kruispunt:

Kruisingen en splitsingen van wegen worden in het dagelijkse spraakgebruik vaak kruispunten genoemd. Reden om deze term in de verordening op te nemen.

Rotonde:

Gelet op de aanwezigheid van rotondes op Bonaire en de daarvoor geldende voorrangsregels, is het gewenst de definitie op te nemen.

Trottoir:

Voetpad kan trottoir inhouden maar het behoeft niet altijd zo te zijn. Trottoir is verhoogd en volgt de weg.

Voertuigen:

In de verordening wordt het woord voertuig in verschillende betekenissen gebruikt. Uit de context van het desbetreffende artikel zal blijken welke betekenis eraan gegeven dient te worden.

Voetpad:

Zoals voor de fietsers een eigen gedeelte van de weg is gedefinieerd, zo krijgen ook de voetgangers hun plaats toegewezen. Dat een voetpad, ondanks de traditie in de wegenbouw, niet altijd verhoogd behoeft te zijn blijkt uit de redactie van deze definitie.

Voorrang verlenen:

In de nieuwe verordening is gekozen voor een expliciete omschrijving van het begrip voorrang verlenen. In plaats van de ”doorgang vrijlaten" wordt nu gesproken van de bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen.

Weggebruikers:

Zoals de definitie duidelijk aangeeft valt een ieder die zich in het verkeer begeeft onder dit begrip. Van belang is dit met name bij de voorrangsregels.

Artikel 2

Aan bestuurders van een invalidenvoertuig zijn een aantal faciliteiten toegekend zoals het mogen volgen van een voetpad of trottoir. Het eerste lid van artikel 2 strekt ertoe dat op hen, indien zij van het voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken, ook de rechten of verplichtingen van voetgangers van toepassing zijn. Zo zal de bestuurder van een invalidenvoertuig de bescherming genieten als hij op een voetgangersoversteekplaats oversteekt. In andere gevallen volgen bestuurders de regels voor fietsers, tenzij de verordening anders bepaald.

Het tweede lid van artikel 2 beoogt de onduidelijkheid op te heffen met betrekking tot de vraag of personen die zich verplaatsen met bijvoorbeeld rolschaatsen, skateboards en dergelijke niet voor normale verplaatsing bestemde en derhalve niet als voertuigen aan te merken voorwerpen, als bestuurder moeten worden beschouwd. Personen die een voertuig, zoals een fiets, een bromfiets of motorfiets, aan de hand meevoeren worden als voetgangers aangemerkt.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen, bevelen en verkeerstekens

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 6

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen aanwijzingen die aan individuele weggebruikers worden gegeven en aanwijzingen die aan het gehele verkeer worden gegeven. Ambtenaren die met verkeersregeling zijn belast dienen slechts aanwijzingen te geven zoals deze in bijlage 2, behorende bij de verordening zijn aangeduid. Deze benadering vergroot de duidelijkheid voor de weggebruiker met welke aanwijzingen hij kan worden geconfronteerd en voorkomt bewijsproblemen als daarvan afwijkende gebaren of tekens worden toegepast.

De bepaling in het vijfde lid van artikel 6 is nieuw. Ingeval een aanwijzing, die overeenkomt met een verkeersteken ter plaatse of een verkeersregel, wordt genegeerd, zal het negeren van de aanwijzing en niet het negeren van het verkeersteken of de verkeersregel aan de verdachte moeten worden verweten.

De bepaling in het zesde lid voorkomt problemen met betrekking tot de voorrang als een van rechts komende bestuurder het rode licht negeert. Als er in werking zijnde verkeerslichten zijn, is de voorrangsregel ter plaatse niet van toepassing. Zulks is in overeenstemming met het rechtsgevoel van de meeste verkeersdeelnemers.

In artikel 6, zevende lid wordt bepaald dat verkeerstekens boven verkeersregels gaan, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Te denken valt hierbij aan afwijkende maximum snelheden dan de grondregels omtrent de maximum snelheden in en buiten de bebouwde kom. Discussies die in het verleden hierover zijn gevoerd worden aldus overbodig.

Paragraaf 2 Verkeersborden

Artikel 8.

Het eerste lid drukt het beginsel uit dat verkeersborden over de gehele breedte van de weg of rijbaan gelden. Een uitzondering hierop is als een rijbaan is verdeeld in rijstroken, dan kan de toepassing door middel van onderborden worden beperkt tot een of meer rijstroken.

Ook het tweede lid bevat een uitzondering. Borden die het parkeren of stilstaan van voertuigen op de rijbaan betreffen gelden slechts voor de zijde van de weg waar zij zijn geplaatst, Vanzelfsprekend is het parkeren van voertuigen toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.

Het derde lid drukt uit dat onder verkeersborden kunnen onderborden worden geplaatst. Stroomlijning van de onderborden vergt dat zoveel mogelijk van symbolen op onderborden gebruik wordt gemaakt.

Om de betekenis van de symbolen vast te leggen is het vierde lid opgenomen. In sommige gevallen gelden borden slechts voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers, dan wel zijn borden voor bepaalde categorieën juist niet van toepassing. Ten einde de wijze waarop dat aan de verkeersdeelnemers wordt kenbaar gemaakt te harmoniseren en om het aantal aanduidingen op onderborden te beperken, is het vijfde lid opgenomen. De aanwezigheid van een symbool zonder verdere aanduidingen houdt in dat het bord slechts voor de betrokken categorie geldt.

Paragraaf 3 Verkeerslichten

De regeling inzake de verkeerslichten is nieuw voor Sint Eustatius. Echter is besloten om dit toch vooruitlopend op toekomstige verkeerssituaties alvast op te nemen, zodat op het moment dat deze inderdaad worden aangebracht de regeling niet hiervoor gewijzigd hoeft te worden en zijn de voorschriften zoals neergelegd Belangrijk is hierbij te vermelden dat zij als verkeersteken een zelfstandige positie innemen en niet meer vallen onder de door of vanwege de gezaghebber te geven aanwijzingen.

Artikel 9

Nieuw is dat in het tweede lid van artikel 9 uitdrukkelijk wordt bepaald dat pijlen zowel in het driekleurige verkeerslicht als in het toegevoegde eenkleurig verkeerslicht kunnen worden aangebracht.

Artikel 10

De tweekleurige verkeerslichten blijken een grote praktische waarde te hebben. Ze kunnen bij bruggen worden toegepast om aldus een overgangssignaal te geven of ook bij weinig gebruikte geïsoleerd opgestelde voetgangerslichten.

Artikel 11

De bus-lichten, hoewel nog niet in de praktijk voorkomend, zijn ook reeds opgenomen. De redactie is eenvoudig gehouden. Evenals verkeersborden kunnen ook verkeerslichten betrekking hebben op een deel van de rijbaan.

Paragraaf 4 Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 15

Hier wordt op nauwkeurige wijze de betekenis geschetst van de doorgetrokken streep. Voorts maakt het verschil uit of de doorgetrokken streep wordt toegepast op rijbanen met verkeer in één richting, dan wel op rijbanen met verkeer in beide richtingen. In het Iaatste geval zullen de verkeersdeelnemers aan de verkeerde kant van de streep zo snel mogelijk terug moeten naar de juiste rijstrook.

Artikel 16

Verdrijvingsvlakken zijn gedeelten van de rijbaan waarop schuine witte strepen zijn aangebracht. Met name in situaties waarin het aantal rijstroken wordt teruggebracht vormt deze aanduiding een uitstekende methode om bestuurders op de afvallende rijstrook tijdig naar de beschikbare rijstrook te krijgen.

Artikel 17

Met de nieuwe tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteer vak wisselt daarop kan worden aangesproken, zelfs indien ter plaatse geen doorgetrokken streep is toegepast. Hiermee wordt een rustig verkeersbeeld bevorderd. Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermede worden beperkt.

Artikel 18

In lid 1 van dit artikel hoewel de haaientanden (zo worden de voorrangsdriehoeken op het wegdek in de volksmond genoemd) sinds jaar en dag op de wegen worden toegepast is er in de oude verordening daaraan geen enkel woord gewijd. De reden voor dat Iaatste is dat haaientanden altijd in combinatie met voorrangsborden geacht werden te worden gebruikt. Haaientanden blijken echter - zij het incidenteel - ook zonder gelijktijdige toepassing van voorrangsborden te worden toegepast.

De tekst in lid 2 is een vereenvoudigde versie van de diverse artikelen van de oude verordening die het stoppen voor stoplijnen regelen. Dit wordt in dit artikel tot uitdrukking gebracht door te spreken van een “voor hen bestemde" stoplijn.

Hoofdstuk 3 Verkeersgedrag

Paragraaf 1 Veiligheid op de weg

Deze artikelen waren reeds opgenomen in de oude verordening.

Artikel 23

Dit artikel is opgenomen ter bevordering van de veiligheid. Het bellen en ander gebruik van mobiele communicatie apparatuur tijdens het rijden is van grote invloed op het rijgedrag. Het bedienen van dergelijke apparatuur leidt immers de aandacht af van de bestuurder of rijder.

Om de handhaving te vereenvoudigen is er voor gekozen het vasthouden van de mobiele apparatuur tijdens het besturen of rijden te verbieden. Er hoeft derhalve geen sprake te zijn dat er daadwerkelijk een telefoongesprek wordt gevoerd of op andere wijze wordt gecommuniceerd.

Het verbod geldt derhalve niet voor het gebruik van apparatuur waarvan “handsfree” gebruik kan worden gemaakt.

Paragraaf 2 Bekwaamheid van de bestuurder

Artikelen 24

Naast het gebruik van de in artikel 25 genoemde stoffen zijn er nog vele andere omstandigheden denkbaar die de rijvaardigheid sterk negatief kunnen beïnvloeden. Artikel 24 is om die redenen geschreven. Hierdoor is het niet noodzakelijk onmiddellijk te moeten terugvallen op artikel 27 lid 1. Wel dient de onbekwaamheid te blijken en niet slechts te bestaan in het vermoeden van de verbalisant. De woorden ”of door enige andere oorzaak” benadrukken dat de in artikel 24 opgesomde oorzaken niet limitatief zijn.

Artikel 25 en 26

Het gebruik van alcohol en andere geestverruimende middelen is vaak een zeer belangrijke zo niet de belangrijkste ongeval-factor. Als gevolg van door de oude wettekst ingegeven tijdrovende en omslachtige opsporingsmethode, is de opsporing ver achtergebleven bij het excessief alcoholgebruik in het verkeer.

De opsporingsbevoegdheden en verplichte medewerking van een verdachte aan onderzoeken, zijn echter geen bevoegdheden van het openbaar lichaam. Deze dienen bij formele wet geregeld te worden. Eerst na het opnemen van artikel 5a in de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES, werd het mogelijk verdachten te verplichten mee te werken aan een blaastest of hel afstaan van bloed. (zie artikel 26).

Het eerste lid van artikel 5a van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES bepaalt bovendien dat bepalingen omtrent het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen bij verordening vastgesteld worden. Deze bepalingen zijn opgenomen in artikel 25 van de verordening. Voor de bewoording van het nieuwe "alcoholartikel" is aansluiting gezocht bij de redactie van artikel 8 van de Nederlandse Wegenverkeerswet 1994. In Nederland is immers reeds lange tijd ervaring opgedaan met de aldaar gehanteerde promillages en percentages en de gehanteerde opsporingsmethoden. Uitvoeringsmaatregelen zijn bij het Besluit rijden onder invloed BES vastgesteld, dit besluit is per 1 juli 2020 inwerking getreden voor de BES-eilanden. Dit betreft regels omtrent onder andere de te gebruiken apparatuur en de onderzoeksmethoden en het de mogelijkheid tot het doen van tegenonderzoek.

Paragraaf 3 Gedragsregels

Artikel 27

In lid 1 van dit artikel is de reikwijdte iets uitgebreid. Aldus bestrijkt deze bepaling nu ook gedragingen waardoor het verkeer op de weg kan worden gehinderd. Het oude artikel 5 verbood slechts het daadwerkelijk zonder noodzaak belemmeren van de vrijheid van het verkeer. Voorts verbiedt het artikel 27 nu ook gedragingen buiten de weg die tot gevaar etc. op de weg leiden of kunnen leiden. In de praktijk bestaat behoefte aan deze uitbreiding.

Lid 2 geeft in eenvoudige woorden weer dat kruispunten en splitsingen slechts mogen worden opgereden indien de kruising of splitsing kan worden vrijgemaakt dan wel de mogelijkheid bestaat dat de bestuurder zich tussen de verkeersstromen kan opstellen.

Artikel 28

Een dergelijke bepaling was reeds opgenomen in de oude verordening. In het tweede lid is een regeling getroffen die de bestuurder kan vrijwaren van strafvervolging, indien hij binnen 3 uur voordat hij is aangehouden, vrijwillig melding doet van het ongeval. Voorheen had hij 24 uur de tijd om aangifte te doen. De periode is verkort gelet op de omvang van Bonaire en om te voorkomen dat er bewust voor wordt gekozen om zo laat mogelijk melding te doen in verband met het gebruik van alcohol.

Artikel 29

De bevoegdheid om een rijverbod op te leggen ingeval van rijden onder invloed, is geregeld in artikel 5a, tweede lid, Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES. Gelet op de strafbaarstelling wordt het verbod om na het opleggen van een rijverbod een motorvoertuig te besturen, geregeld in de Wegenverkeersverordening.

Artikel 30

Voorheen was joyriding mogelijk alleen bij motorrijtuigen, thans is dit uitgebreid tot alle voertuigen.

Paragraaf 4 Plaats op de weg

De in hoofdstuk 3 paragraaf 4 opgenomen bepalingen met betrekking tot de plaats op de weg zijn ten opzichte van de te vervangen zake aanzienlijk vereenvoudigd. Tevens is het aantal bepalingen op dit punt teruggedrongen. Per categorie weggebruiker wordt aangegeven welk weggedeelte voor hem bestemd is. Daarbij is gekozen voor de term "gebruiken" om tot uitdrukking te brengen dat het om ieder gebruik van de weg gaat; bijvoorbeeld ook het stilstaan en parkeren. Een aantal voorschriften is in deze verordening niet overgenomen. Zo zijn de regels voor het voorbijrijden van vluchtheuvels en die terzake van de keuze van de rijbaan bij wegen die meer dan een rijbaan bevatten komen te vervallen. Deze bepalingen hebben in het verleden dikwijls aanleiding gegeven tot onduidelijkheden.

Artikel 32

Dit artikel bevat de basisregel ten aanzien van de plaats op de weg voor bestuurders. Zij houden op het voor hen bestemde weggedeelte zoveel mogelijk rechts. Wat onder "zoveel mogelijk" dient te worden verstaan, wordt bepaald door de concrete situatie. In geval een rijbaan is verdeeld in rijstroken zal ingevolge dit artikel in beginsel de meest rechts gelegen rijstrook moeten worden gevolgd. Is de weg verdeeld in twee of meer rijstroken, dan zal in beginsel die rijstrook, welk gezien hun rijrichting, daarvoor is bestemd of aangewezen worden gekozen.

Artikel 34

Het eerste lid van dit geeft de hoofdregel dat de voetganger het trottoir of het voetpad gebruikt, terwijl het tweede lid het fietspad als plaats op de weg voor de voetganger aanwijst, indien trottoir en voetpad ontbreken. Het derde lid, bepaalt dat bij het ontbreken van een trottoir, voetpad en fietspad de voetganger gebruik maakt van de berm of de uiterste zijde van de rijbaan. Deze regeling voor voetgangers is vereenvoudigd ten opzichte van oude regeling.

Artikel 36

Een regeling met betrekking tot invalidenvoertuigen is nieuw. Bestuurders van invaliden- voertuigen worden ingevolge dit artikel geheel vrij gelaten in de keuze van de plaats op de weg. De bestuurders van invalidenvoertuigen dienen zich aan te passen aan het verkeer waartussen zij zich begeven. Op het trottoir of voetpad, bijvoorbeeld rijden zij stapvoets.

Artikel 38

Dit artikel vormt het sluitstuk voor de bepalingen ter zake van de plaats op de weg. Nadat is aangegeven welke weggedeelten -voor zover aanwezig- door bepaalde aangewezen categorieën bestuurders worden gebruikt, wordt de rijbaan voor de niet genoemde bestuurders aangewezen. De grootste categorie betreft uiteraard de bestuurders van motorrijtuigen. Echter ook geleiders van rij- en trekdieren of van vee en bestuurders van bespannen of onbespannen wagens gebruiken ingevolge deze bepaling de rijbaan.

Paragraaf 5 Inhalen

De oude regeling bevatte bepalingen die aangaven hoe de bestuurder zich diende te gedragen.

Deze bepalingen zijn in deze paragraaf niet opgenomen. De instructienormen hiervoor dienen bij de rijopleiding, voorlichting en educatie aan bod te komen. Daarom is de bepaling waarin werd beschreven hoe bestuurders moeten handelen bij het tegenkomen van een voertuig en de beschrijvingen hoe moet worden ingehaald en hoe de bestuurder die wordt ingehaald zich dient te gedragen, vervallen. Dat inhalen zonder gevaar of hinder voor andere weggebruikers dient te geschieden, blijkt uit artikel 27 lid 1. Het geven van een teken met de richtingaanwijzer of met de arm bij het inhalen, is nu geregeld in artikel 51 (uitsluitend voor bestuurders van motorrijtuigen).

De bepalingen met betrekking tot het inhalen nabij onoverzichtelijke bochten of hellingen zijn niet opgenomen. Daar zal met doorgetrokken strepen of inhaalverbodsborden gewerkt moeten worden. In de praktijk is dit overigens vrijwel standaard.

Artikel 39

Het eerste lid van dit artikel geeft de hoofdregel: inhalen geschiedt links.

Het tweede deel van dit lid staat fietsers toe andere bestuurders dan die van fietsen en bromfietsen, rechts in te halen. Deze bepaling komt tegemoet aan de praktijk waarbij fietsers het - langzaam rijdende - overige verkeer gewoonlijk rechts inhalen.

Het vierde lid regelt de positie van de in- of uitvoegende bestuurder. In het verleden was onduidelijkheid of de in- of uitvoegende bestuurder bestuurders op de doorgaande rijbaan rechts mochten inhalen.

Artikel 40

Bestuurders dienen bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats hun aandacht te richten op de mogelijke aanwezigheid van voetgangers die daar oversteken of op het punt staan dit te gaan doen. De aandacht zou te veel worden afgeleid ingeval inhalen aldaar zou worden toegestaan.

Paragraaf 6 Verlenen van voorrang en voorrangsregels

De wijzigingen in de voorrangsregeling zijn hoofdzakelijk van technische aard. Daartoe behoort ook de bij deze verordening ingevoerde mogelijkheid een van de hiervoor genoemde hoofdregel afwijkende voorrangsregeling te treffen door het aanbrengen van haaientanden op het wegdek.

In het verleden kon dit slechts door middel van borden terwijl de haaientanden daarbij slechts een ondersteunende functie hadden. Deze wijziging is bij de toelichting op artikel 18 lid 1, waarin de haaientanden zijn geregeld, reeds aan de orde gekomen.

Artikel 41

Teneinde artikel 41 zo duidelijk mogelijk te formuleren zijn de twee kernbegrippen in de voorrangsregeling: het begrip kruispunt en het begrip voorrang in artikel 1 gedefinieerd. Het begrip kruispunt omvat zowel de kruisingen als de splitsingen van wegen en wijkt daarmee niet af van de te vervangen regeling.

Het begrip voorrang verlenen omvat meer dan het enkel vrijlaten van voldoende ruimte om de voorrangsgerechtigde bestuurder door te laten. Het heeft betrekking op het gehele gedrag dat van een goed bestuurder mag worden verwacht die een andere bestuurder voorrang verleent. Hij dient niet slechts de feitelijke ruimte die daarvoor nodig is vrij te laten, maar hij dient het kruispunt ook zodanig te naderen dat bij de voorrangsgerechtigde ook het vertrouwen wordt gewekt dat hem voorrang wordt verleend.

Het tweede lid van artikel 41 bevat de uitzonderingen op de hoofdregel “rechts gaat voor". Het betreffen de uitzonderingen die thans ook reeds gelden, doch eenvoudiger geformuleerd.

Artikel 42

Het eerste lid van dit artikel is nieuw. Hierin is de - in dit verband veel gebruikte - term "ongehinderde doorgang verlenen" met opzet niet gebruikt doch vervangen door ”voor laten gaan". Het ongehinderde doorgang verlenen, dat lijkt op de betekenis van voorrang, wordt gereserveerd voor bestuurders die elkaar op een kruispunt naderen. Voor andere gevallen waarbij prioriteit van de één boven de ander moet worden vastgelegd verdient de term “voor laten gaan” de voorkeur. De ”zebra bescherming" geldt niet als ter plaatse voetgangerslichten aanwezig zijn. Dan dienen de voetgangers zich te richten naar deze lichten. Dit is verwoord in het derde lid,

Artikel 43

In de oude verordening wordt op diverse plaatsen aangegeven dat bepaalde verplichtingen niet gelden voor bepaalde categorieën voertuigen als ze de voorgeschreven signalen voeren. Consistent was de oude regeling hierin zeker niet. Het vierde lid van artikel 43 bepaalt eenvoudig dat bestuurders van voorrangsvoertuigen mogen afwijken van de voorschriften van deze verordening voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

Artikel 45

Bevat een eenduidige voorrangsbepaling geldend voor rotondes.

Paragraaf 7 Colonnes

Artikel 46

Uit het oogpunt van verkeersveiligheid is het wenselijk de voorrechten voor (militaire) colonnes te regelen. Dit om de colonne tijdens verplaatsingen in stand te kunnen houden. De bepaling in het tweede lid dat (militaire) colonnes niet mogen worden doorsneden levert daaraan een wezenlijke bijdrage. Het voorgaande geld eveneens voor een processie en begrafenisstoet.

Artikel 47

De vereisten waaraan een colonne dient te voldoen worden thans reeds in de praktijk toegepast.

Paragraaf 8 Afslaan en bijzondere manoeuvres

Artikel 48

In het tweede lid wordt voorsorteren verplicht gesteld. Dit sluit aan bij de thans voorkomende praktijk in het verkeer.

Artikel 49

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wijkt inhoudelijk niet af van de regeling zoals deze reeds gold. Wel is hier in plaats van het begrip hinderen gekozen voor de term “voor laten gaan”.

Het tweede lid is nieuw. In het aldaar beschreven geval blijken bestuurders die op een kruispunt naar links afslaan rechts afslaande bestuurders op dat kruispunt voor te laten gaan. Deze informele praktijk wordt thans juridisch ondersteund.

Artikel 50

De bepaling opgenomen in het eerste lid is nieuw. Het is noodzakelijk uitdrukkelijk te bepalen dat bestuurders die bepaalde bijzondere manoeuvres uitvoeren -zoals omschreven in dit lid- bestuurders die op een normale wijze aan het verkeer deelnemen voor moeten laten gaan. Zonder deze bepaling zou het immers niet vanzelfsprekend zijn dat de bestuurder, die bijvoorbeeld uit stilstand wegrijdt, een ondergeschikte positie inneemt ten opzichte van het overige verkeer ter plaatse.

Artikel 52

Dit artikel bepaalt dat binnen de bebouwde kom de bestuurders van een bus de gelegenheid moet worden geboden van een bushalte weg te rijden.

Artikel 53

Hoewel het in het tweede lid beschreven gedrag ook onder de in artikel 27 opgenomen algemene bepaling valt, is tot het opnemen van de bepaling besloten met het oog op de handhaving daarvan.

Paragraaf 9 Snelheid

Algemeen.

De bepalingen terzake van de snelheid zijn ten opzichte van de te vervangen regeling aanzienlijk verminderd en vereenvoudigd. In de eerste plaats kon ook hier een aantal bepalingen vervallen omdat het daarin geregelde aan de eigen verantwoordelijkheid van de weggebruiker kan worden overgelaten. Het gaat daarbij met name om beschrijvingen hoe een bestuurder zijn snelheid moet regelen en met welke factoren hij daarbij rekening moet houden. Uiteraard blijft het essentieel dat de bestuurders hun snelheid zodanig regelen dat geen gevaar of hinder voor andere weggebruikers kan ontstaan. Bij het verkeersonderwijs, de rijinstructie, de voorlichting etc. zal dit een wezenlijk uitgangspunt moeten vormen.

Voorts worden de gevallen waarbij door middel van verkeerstekens een van de hoofdregel afwijkende maximumsnelheid geldt, niet meer vermeld. De systematiek van artikel 6, waarbij verkeerstekens boven verkeersregels gaan, brengt mee dat een door borden aangeven, afwijkende, maximumsnelheid in de voorschriften van deze paragraaf niet behoeft te worden opgenomen.

Artikel 55 en 56

Artikel 55 Ook hier geldt weer dat, nu ingevolge artikel 6 de verkeerstekens boven verkeersregels gaan, de wegbeheerder met behulp van borden de ter plekke te rijden maximumsnelheid kan variëren, afhankelijk van de situatie ter plaatse.

Zoals uit de tekst van artikel 56 blijkt is een veel eenvoudiger en daardoor toegankelijker bepaling met betrekking tot bestuurders van tractoren en zelfrijdende werktuigen opgesteld. Zij mogen niet sneller rijden dan 25 km per uur binnen de bouwde kom en 40 km per uur buiten de bebouwde kom.

Paragraaf 10 Stilstaan en parkeren van voertuigen

Algemeen

Zowel ten aanzien van het stilstaan als het parkeren konden een aantal bepalingen worden geschrapt. Artikel 57 bevat een verbod te stoppen voor die gevallen waar dat uit een oogpunt van verkeersveiligheid of doorstroming absoluut noodzakelijk is.

Het verbod te stoppen op trottoirs, voetpaden en fietspaden is in artikel 57 niet opgenomen. Dit verbod vloeit namelijk reeds voort uit de bepalingen ter zake van de plaats op de weg. Voorts is een aantal algemeen geldende verboden stil te staan vervallen voor plaatsen waarvan niet steeds gezegd kan worden dat daar een dergelijk verbod noodzakelijk is. Waar de noodzaak daartoe wel aanwezig is, kan het verbod door middel van verkeerstekens -een bord of een doorgetrokken gele streep- worden aangegeven.

Behalve de gevallen waarin het verboden is te stoppen en waar het parkeren bijgevolg ook is verboden, bevat deze paragraaf een aantal bepalingen waarbij het parkeren wordt verboden of waarbij het parkeren aan voorwaarden is gebonden. Wat onder parkeren wordt verstaan blijkt uit de in hoofdstuk I opgenomen definitie.

Parkeren is toegestaan tenzij dit uitdrukkelijk is verboden of een dergelijk verbod uit de systematiek van deze verordening voortvloeit en voor zover dit parkeren niet in strijd is met de in artikel 27 lid 1 opgenomen algemene bepaling.

Artikel 57

Het in het tweede lid onder b vervatte verbod heeft betrekking op zowel voetgangersoversteekplaatsen als op oversteekplaatsen voor fietsers. Het verbod waarmee wordt beoogd overstekende voetgangers en fietsers voldoende uitzicht te bieden, geldt voor bestuurders van alle voertuigen. Nieuw in deze verordening is het verbod te stoppen langs doorgetrokken gele strepen.

Artikel 58

Het tweede lid, onderdeel a is in zoverre nieuw dat in de vervallen regeling het stilstaan binnen 5 meter van een, kortweg gezegd, kruispunt reeds verboden was, de verordening thans bepaalt dat het parkeren aldaar op een afstand van acht meter verboden is. Het kort stilstaan op deze plaatsen zal in het algemeen de verkeersveiligheid en de doorstroming niet zozeer nadelig beïnvloeden. Het parkeren echter wel. Onderdelen d, e en f zijn nieuw. Onderdeel g is eveneens nieuw. Het schept de mogelijkheid om op duidelijker wijze een parkeerverbod aan te geven. Zeker daar waar het een parkeerverbod betreft dat over langere afstand geldt, is voor de verkeersdeelnemer een gele streep beter herkenbaar dan een bord aan het begin van de weg.

Het derde en vierde lid zijn eveneens nieuw, Het is gewenst dat tegen het dubbel parkeren kan worden opgetreden aan de hand van een daarop toegespitste bepaling en dat gelet op de huidige parkeer problematiek een parkeerzone kan worden ingesteld.

Artikel 59

Dit artikel heeft betrekking op parkeerplaatsen bestemd voor invaliden, zowel voor bestuurders van invalidenmotorrijtuigen als voor motorrijtuigen bestuurd door of ten behoeve van een invalide. Een dergelijke parkeerplaats wordt aangegeven door middel van een verkeersbord. Voor beide soorten invalidenparkeerplaatsen is nu een bord beschikbaar. Betreft het een bijzondere invalidenparkeerplaats dan wordt zulks door middel van een onderbord uitgedrukt.

Artikel 60

Dit artikel is opgenomen teneinde het plaatsen van fietsen te reguleren. Het woord "parkeren" is hier vermeden en in plaats daarvan wordt "plaatsen" gebruikt aangezien het gebruik van het begrip parkeren wordt beperkt tot het stallen van voertuigen op de rijbaan.

Om te voorkomen dat als gevolg van het plaatsen van fietsen, voetgangers belemmerd worden in het gebruik van trottoirs en voetpaden, dient minimaal een ruimte van 1.20 meter vrij te blijven.

Op sommige plaatsen is het wenselijk dat de wegbeheerder toestaat dat fietsen op de rijbaan - bijvoorbeeld in fietsenrekken op een parkeervak - worden geplaatst. Dit artikel houdt hiermee rekening door toevoeging van "andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen".

Paragraaf 11. Signalen

Algemeen

Bestuurders mogen ingevolge deze verordening signalen geven onder meer ter afwending van dreigend gevaar. Dat geldt voor zowel de geluids- als de knippersignalen. Deze regeling opgenomen in deze verordening is nagenoeg identiek aan de oude regeling.

Artikel 61

Bij het vierde lid, waarin bepaald wordt dat het verboden is om onnodig geluid te veroorzaken, moet men met name denken aan het telkens geven van gas bij het stilstaan. Het hierdoor veroorzaakte kabaal is hinderlijk voor medeweggebruikers en omwonenden.

Artikel 62

Het eerste lid van dit artikel geeft een opsomming van bestuurders die gerechtigd zijn bijzondere signalen, bestaande uit zwaai- of knipperlicht en een twee- of drietonige hoorn, te voeren. Het gaat daarbij behalve om motorrijtuigen ten dienste van politie en brandweer en ziekenauto's, ook om motorrijtuigen van andere hulpverleningsdiensten voor zover deze door de gezaghebber zijn aangewezen. Dit artikellid geeft de basis voor een dergelijke aanwijzing.

Het derde lid geeft de gezaghebber vervolgens de bevoegdheid nadere regels te stellen over deze signalen, het gebruik daarvan en de kleur van het licht.

Bestuurders van vorenbedoelde motorrijtuigen mogen deze bijzondere signalen slechts gebruiken om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. Zodra zij er gebruik van maken behoren zij tot de, afzonderlijk gedefinieerde, categorie voorrangsvoertuigen en genieten zij de daaraan verbonden voorrechten.

Het tweede en het derde lid bepaalt dat tijdens het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voor andere weggebruikers gevaar kunnen opleveren, bestuurders van bij die werkzaamheden gebezigde voertuigen zwaai- of knipperlicht dienen te voeren. Hierbij kan worden gedacht aan motorrijtuigen waarmee werkzaamheden aan de weg worden verricht, motorrijtuigen die sleep- of takelwerkzaamheden op de weg verrichten maar ook motorrijtuigen van hulpverleningsdiensten ter plaatse van bijvoorbeeld een ongeval.

Paragraaf 12 Het gebruik van lichten en gevarendriehoek

Algemeen.

Deze paragraaf bepaalt het gebruik van lichten en de gevarendriehoek. De bepalingen zijn eenvoudig gehouden.

Artikel 65

Losgekoppelde stilstaande aanhangwagens en opleggers moeten op de in het tweede lid van dit artikel genoemde plaatsen gedurende de daar vermelde omstandigheden voorzien zijn van reflectoren.

Artikel 66

De verplichting parkeerlicht op de rijbaan te ontsteken is slechts aanwezig als de rijbaan buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor rijbanen binnen de bebouwde kom bestaat de verplichting derhalve niet. De grond hiervoor is dat in de regel binnen de bebouwde kom voldoende straatverlichting aanwezig is om voertuigen bij donker op te merken. Voorts wordt binnen de bebouwde kom langzamer gereden dan daarbuiten zodat ook bij slechte weersomstandigheden overdag stilstaande voertuigen sneller zullen worden waargenomen.

Artikel 68

Onder al die omstandigheden die de gemiddelde bestuurder als gevaarlijk zal aanmerken is het gebruik van de gevarendriehoek geboden. Het derde lid bepaalt dat in plaats van de gevarendriehoek knipperende waarschuwingslichten kunnen worden gevoerd. Deze lichten zijn voldoende om naderende bestuurders te attenderen op het op de weg stilstaande voertuig.

Paragraaf 14. Vee

Artikel 71

Het tweede lid bevat een verruiming van het in het eerste lid vermelde verbod. Hiermee wordt beoogd de mogelijkheden voor de begrazing van kuddes te vergroten. In de gevallen waarin dit met name uit veiligheidsoverwegingen verantwoord is, kan het bevoegde gezag besluiten een weg - meestal een onbelangrijke landweg - niet een juridische scheiding te Iaten zijn voor een ter plaatse grazende kudde.

Paragraaf 15. Slepen

Artikel 73

Deze bepaling richt zich uitsluitend tot de bestuurder van het trekkende voertuig en derhalve niet tevens tot de eigenaar of houder daarvan.

Paragraaf 16, Autogordels en helmen

Artikel 74

Met deze nieuwe tekst wordt uitgedrukt dat inzittenden van motorrijtuigen een autogordel moeten dragen indien in het voertuig een autogordel beschikbaar is. Is een autogordel ten onrechte - te weten in strijd met de desbetreffende technische bepaling- niet in het voertuig aanwezig, dan dient de bestuurder te worden aangepakt wegens schending van dat voorschrift. Het volgende verdient aandacht. De bestuurder is niet strafrechtelijk verantwoordelijk voor het niet dragen van de autogordel door de passagier. Met de verplichting voor de passagier zelf dient te worden volstaan. De constatering dat de bestuurder of passagier geen autogordel droeg is voldoende.

Deze redactie brengt voorts mee dat ingeval in een voertuig autogordels zijn bevestigd zonder dat de Wegenverkeersverordening daartoe noopt, de bestuurder verplicht is daarvan gebruik te maken. Het dragen van autogordels geldt zowel voor zitplaatsen op de voorbank als op de achterbank. De technische voorschriften voor motorrijtuigen beperken zich overigens tot bevestigingspunten voor gordels voor de voorbank. (artikel 82, eerste lid, sub f.)

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat kinderen jonger dan 3 jaar gebruik dienen te maken van een geschikt kinderbeveiligingssysteem, een zogenaamd kinderzitje. Dit kan zowel op de voor bank als de achterbank geschieden. Kinderen ouder dan 3 of volwassenen doch kleiner dan 1,5 meter dienen de driepuntsgordel te dragen als heupgordel.

Artikel 75

Bestuurders van bromfietsen, motorfietsen en andere motorrijtuigen zonder carrosserie op meer dan twee wielen, zijn dermate kwetsbaar dat bescherming door middel van een helm geboden is. De bestuurder en de passagier zijn ieder voor zich strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld voor het negeren van de helmdraagplicht. De helmen dienen te voldoen aan internationaal aanvaardbare veiligheidsnormen en dienen voorzien te zijn van een goedkeuringsmerk.

HOOFDSTUK IV Technische eisen

Algemeen

In de nieuwe verordening zijn de noodzakelijke aanpassingen aan de huidige tijd doorgevoerd. De meeste betreffen een weergave van reeds bestaande, in de loop der tijden zo gegroeide situaties. Nieuw is de eis dat motorrijtuigen voorzien moeten zijn van bevestigingspunten voor autogordels en, indien deze aanwezig zijn, van autogordels. Nieuw zijn ook de eisen aan de minimale profieldiepte van de banden en minimale eisen aan de lichtdoorlatendheid van fabrieksmatig verdonkerde ruiten. Ruiten mogen niet voorzien van niet fabrieksmatig aangebrachte materialen die het uitzicht naar buiten belemmeren dan wel van buitenaf het zicht op de inzittenden verhinderen. Voor wat betreft dit laatste kan overigens een ontheffing worden verleend. Ook voor wat betreft de eisen aan de remmen zijn naar huidige maatstaven normen gesteld.

Er is voor deze redactie gekozen teneinde de kluwen van technische eisen zoals deze in de loop der jaren voor de diverse voertuigen is ontstaan, enigszins te ontwarren. Daarom is nu, per categorie voertuig opgesomd wat de minimale eisen zijn. De daarin voorkomende doublures zijn, ten behoeve van de leesbaarheid en de nagestreefde overzichtelijkheid geaccepteerd.

Artikelsgewijze toelichting.

Paragraaf 1. motorfietsen

Artikel 80.

Met betrekking tot de motorfietsen zijn de technische eisen, met uitzondering van de afmetingen niet veranderd. Dat de afmetingen zijn aangepast bleek noodzakelijk daar de maximale afmetingen voor vrachtwagens onverkort van toepassing waren op motorfietsen.

Paragraaf 3. motorrijtuigen

Artikel 82.

In lid 1, onderdeel d, is het minimale aantal ruitenwissers waarvan een motorvoertuig moet zijn voorzien teruggebracht tot een. Reden daartoe is dat steeds meer autofabrikanten er toe overgaan slechts één ruitenwisser te monteren die het gehele oppervlak van de voorruit bestrijkt.

De eisen voor spiegels zijn aangepast aan de praktijk, waarbij de aanwezigheid van zowel een binnen- als een linker buitenspiegel wordt vereist. Voor het geval het zicht in de binnenspiegel wordt belemmerd, is ook een rechter buitenspiegel verplicht.

In lid 1, onderdeel f, de inrichting van de personencabine, is de in het algemene deel van de toelichting bij dit hoofdstuk, reeds genoemde autogordels, als veiligheid verhogende eis gesteld. Een volgende voorziening is als eis gesteld in sub 4 van onderdeel f. Nu nagenoeg alle auto’s van fabriekswege standaard uitgevoerd worden met een zogenoemde blower, om condensvorming op de voorruit tegen te gaan, is gemeend deze voorziening als eis in de Wegenverkeersverordening op te nemen.

Paragraaf 4. vrachtauto’s

Artikel 83.

Eerste lid, onderdeel a. Nu het voor de maximale doorrijhoogte van viaducten en verkeers- lichtinstallaties geen bezwaar vormt, is in dit artikelonderdeel tegemoet gekomen aan het beroepsvervoer van scheepscontainers op trekkers met oplegger. AI te vaak bleek dat de maximale hoogte van 3,50 meter moest worden overschreden, louter als gevolg van de keiharde, niet aanpasbare afmetingen van container plus voertuig. De maximale hoogte is thans gesteld op 4 meter.

Paragraaf 6. Aanhangwagens

Artikel 85.

In zijn algemeenheid zal een aanhangwagen beschouwd kunnen worden als een uitbreiding van het voertuig waardoor deze wordt voortbewogen. Het is derhalve niet meer dan logisch dat aan een aanhangwagen, afgezien van de specifieke aspecten van het motorische gedeelte en de daarvoor in de plaats tredende eisen ten aanzien van de koppeling, beremming e.d., zal moeten voldoen aan dezelfde technische eisen als het trekkende voertuig. Nieuw is het gestelde in het eerste lid, onder a, ten vierde.

Paragraaf 8. Bromfietsen

Artikel 87.

Nu, gelet op de definitie in onderdeel j. van artikel 1, de bromfiets de status van “rijwiel met hulpmotor" inmiddels ontgroeid is, is het logisch dat er een aparte paragraaf is gewijd aan de technische eisen van de bromfiets.

HOOFDSTUK V: Keuringsbewijzen en tekens voor voertuigen

Paragraaf 1 Goedkeuringsbewijs

Deze artikelen zijn nieuw en kwamen niet voor in de Wegenverkeersverordening Bovenwindse Eilanden. Momenteel vinden er geen voor particulier gebruik bestemde motorrijtuigen verpIichte keuringen plaats. Deze artikelen zullen op een later bij eiland-besluit te bepalen tijdstip in werking treden.

Paragraaf 2 Tekens en onderscheidingstekens

Artikel 94

Met betrekking tot dit artikel kan worden vermeldt dat er wijziging heeft plaats gevonden om de gangbare praktijk weer te geven. Met name het voormalige term “kenteken” is aangepast naar nummerplaat. Er is op Sint Eustatius namelijk sprake van een nummerplaatregistratie, waarbij een nummerplaat aan een motorvoertuig gekoppeld wordt en aan een daarbij behorende houder of eigenaar van het motorvoertuig.

HOOFDSTUK VI Rijbewijzen

Algemeen

De voorheen geldende regeling inzake rijbewijzen heeft in het algemeen naar behoren gefunctioneerd en is derhalve integraal overgenomen. Waar nodig zijn er bepalingen aan voornoemde artikelen toegeyoegd of voor bepaalde modernere formuleringen gekozen. De terminologie is wel aangepast aan de gehanteerde terminologie in het onderhavige ontwerp.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 96

Dit artikel komt grotendeels overeen met de bestaande regeling. Nieuw is dat voor bromfietsen het reeds in de praktijk gehanteerde minimum leeftijd van 16 18 jaar uitdrukkelijk is opgenomen, ook voor de vergunningen. De reden hiervoor is omdat de verzekeringsmaatschappijen geen kinderen jonger dan 16 met een vergunning dekken. Het gevolg hiervan is dat deze kinderen (die regelmatig) in aanrijdingen of ongevallen betrokken zijn, maar niet verzekerd zijn, met alle gevolgen van dien. Verder is er de vereiste voor het rijden van zelfrijdende voertuigen een minimum leeftijd van 18 jaar geëist voor het berijden van deze voertuigen en dient men in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs B, C, of D.

Artikel 97

Dit artikel is nagenoeg identiek aan de ingetrokken regeling. In het eerste lid, onderdeel a is de vereiste van het hebben van een bepaald gewicht vervallen aangezien tegenwoordig veel zwaardere motorfietsen gebouwd worden. Verder worden motorfietsen en bromfietsen voldoende omschreven waardoor het gewicht geen onderscheidingscriteria meer is en derhalve kan vervallen.

In het verleden is er gebleken dat er onduidelijkheid bestond omtrent de inhoud van het begrip “bestemd voor". Bestemming van een voertuig is de bestemming die de eigenaar aan geeft en die voldoet aan de veiligheidseisen die voor zodanige bestemming zijn vereist. De bestemming die de fabrikant in een dergelijk geval aan het voertuig geeft is irrelevant.

Artikel 100

Het opzettelijk geven van onjuiste informatie is verboden wanneer aanvrager in aanmerking wil komen voor een rijbewijs of vergunning. In vergelijking met de vervallen regeling versoepelt het tweede lid de sanctie op het geven van onjuiste informatie. De nieuwe regeling bepaalt dat het rijbewijs alleen ongeldig is voor die categorie waarvoor onjuiste informatie is gegeven, mits deze informatie heeft geleid tot het afgeven van een categorie rijbewijs.

Artikel 106

Dit artikel is aangepast aan de huidige staatkundige situatie. Indien een bestuurder reeds in het bezit is van een rijbewijs van een van de landen binnen het Koninkrijk of van Sint Eustatius of Saba, dan kan volstaan worden met het overleggen van een geneeskundige verklaring (artikel 98, onderdeel c) voor de uitgifte van een nieuw rijbewijs.

Indien een in de voorgaande alinea vermeld rijbewijs reeds langer dan 2 jaar haar geldigheid heeft verloren, dient er een verklaring als bedoelt in artikel 98 onderdeel b, overlegd te worden dat men over voldoende rijvaardigheid beschikt. Voorheen was dit onduidelijk en werd de vraag of een dergelijke verklaring overlegd diende te worden overgelaten aan het oordeel van het bevoegd gezag.

Artikel 115

Dit artikel regelt de duur van de intrekking. Tenzij er sprake is van de omstandigheden zoals vermeld in de onderdelen a, b en c geldt de intrekking voor de duur waarvoor het rijbewijs is afgegeven.

Door toevoeging van het derde lid kunnen door middel van algemeen geldende voorschriften voorwaarden worden gesteld aan hen die rijlessen verzorgen.

Artikel 117

De verplichting om de intrekking bekend te maken middels publicatie in de bladen waarin officiële bekendmakingen worden geplaatst, wordt vervangen door een schriftelijke melding aan de instantie die belast is met het toezicht en de handhaving van deze verordening en aan de betrokkene.

Artikel 118

De periode om het ingetrokken rijbewijs in te leveren, is ingekort van 8 tot 2 dagen. In het derde lid zijn tevens de verplichting tot inlevering opgenomen ingeval het rijbewijs ongeldig is verklaard conform artikel 100 en indien het rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren als vermeld in het derde lid sub a.

Artikel 119

Dit artikel is nieuw. Het vermoeden dat de houder van een rijbewijs de kennis of bedrevenheid dan wel de lichamelijke of geestelijke gesteldheid mist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, kan gedragen worden door feiten of omstandigheden die er op wijzen dat betrokkene niet in staat is met bedoelde motorrijtuigen aan het verkeer deel te nemen, zonder de verkeersveiligheid in gevaar Ie brengen.

Artikel 120

Naast het hiervoor behandelde artikel 119 bevat dit artikel de mogelijkheid dat indien de houder van een rijbewijs vrijwillig meldt dat hij niet meer de geschiktheid bezit een motorrijtuig te besturen van de categorie welke in dat rijbewijs is vermeld, aan hem een nieuw rijbewijs wordt afgegeven dat de beperkingen bevat zoals deze op dat moment toepasselijk zijn.

Artikel 121

Wanneer een opsporingsambtenaar het sterke vermoeden heeft dat een bestuurder van een motorrijtuig artikel 24 of 25 heeft overtreden, hij hiervoor proces-verbaal opmaakt en van mening is dat verder rijden een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid zal opleveren is hij bevoegd het rijbewijs in te vorderen en onder zich te houden.

Dit rijbewijs dient onverwijld doch binnen 2 x 24 uur, vergezeld van een proces-verbaal van bevindingen opgezonden te worden naar de officier van Justitie. Deze functionaris zal niet alleen kunnen nagaan of de opsporingsambtenaar niet al te lichtvaardig is overgegaan tot het invorderen van het rijbewijs, doch is tevens in staat, aan de hand van de onder zijn beheer staande justitiële documentatie, te beoordelen of het in belang van de verkeersveiligheid geacht moet worden het rijbewijs onder zich te houden tot dat de zaak aan de rechter is voorgelegd en deze kan oordelen over het al of niet op leggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid.

HOOFDSTUK VII Strafbepalingen

Artikel 124

Dit artikel geeft de opsporingsambtenaar nu tevens de mogelijkheid ook fietsers staande te houden ter controle op de naleving van de bij deze verordening gegeven bepalingen. Zij zijn thans verplicht des gevorderd dezelfde medewerking te verlenen als voorheen de bestuurders van motorrijtuigen.

Artikel 125

In dit artikel wordt naast de bestaande regeling voor strafrechtelijke inbeslagname, zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering, de bevoegdheden van de gezaghebber in het kader van de handhaving van de openbare orde en het verkeer, om voertuigen weg te laten slepen en in bewaring te stellen, nader geregeld. Tevens wordt de mogelijkheid gegeven om door middel van het plaatsen van wielklemmen handhavend op te treden.

Artikel 131

Aan het strafmaximum van de onderscheidene overtredingen is niet getornd. Wel zijn enige nieuwe strafbare feiten opgenomen. De strafbaarstellingen zijn aangepast aan de huidige praktijk waarbij boetes zijn ingedeeld in categorieën.

Artikel 132

Naast de in artikel 131 genoemde sancties als hechtenis en geldboete blijkt er in de dagelijkse rechtspraktijk de behoefte te bestaan om het voorwerp waarmede het verkeersmisdrijf/- overtreding is begaan aan de feitelijke macht van de overtreder (blijvend) te onttrekken.

HOOFDSTUK VIII Ontheffingen en vrijstellingen

Artikel 129

In verband met het laten vervallen van diverse bepalingen in de oude verordening komen er in de huidige verordening minder bepalingen voor ontheffing in aanmerking.

Het tweede lid van dit artikel regelt speciaal voor de openbare diensten het regime van vrijstellingen. In plaats van "ontheffing" wordt hier gesproken van "vrijstelling". Laatst bedoelde term is meer geschikt het karakter van dit voorschri8 uit te drukken. De gezaghebber blijft de bevoegde autoriteit om vrijstellingen te verlenen ten behoeve van openbare diensten en daarmee gelijk te stellen diensten. Degene aan wie de vrijstelling is verstrekt en het personeel ten behoeve waarvan de vrijstelling is verleend zullen het document, waaruit de vrijstelling blijkt bij zich moeten dragen zodat de politie een en ander kan controleren.

HOOFDSTUK IX Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 130

Ter zake van de vervanging van de verkeersborden ingevolge de oude verordening is gekozen voor een uitsterf constructie.

Artikel 131

In de toelichting op bijlage 1, wordt uiteengezet waarom diverse verkeersborden in een nieuw jasje zijn gestoken. In die gevallen waar het niet gaat om de vaststeIIing van een nieuw model, doch de modernisering van de huidige modellen, is het niet bezwaarlijk deze borden hun geldigheid te laten behouden totdat zij zijn vervangen.

Artikel 132

Alle keurings-, rijbewijzen en wat dies meer zij, afgegeven onder de oude verordening blijven hun geldigheid behouden tot op het moment van hun vervaldatum. Op die manier wordt een zo soepel mogelijke overgang gecreëerd zonder overbelasting van de administraties die de nieuwe bewijzen zouden moeten uitgeven. Tevens worden aanvragen die onder de oude regeling zijn ingediend conform die regeling afgehandeld.

Artikel 133

Evenals de in artikel 132 genoemde bewijzen zullen ook ontheffingen welke zijn verleend onder de oude vergunning vanaf de inwerkingtredingdatum van de nieuwe verordening gewoon door blijven lopen. Ook hier is de reden de ontlasting van de administraties die de nieuwe ontheffingen en vergunningen moeten afgeven.

Artikel 134

De Wegenverkeersverordening Bovenwindse eilanden wordt ingetrokken voor zover het regels stelt voor het eiland Sint Eustatius.

Artikel 141

Er is besloten om ter onderscheiding van de Wegenverkeersverordening Bovenwindse eilanden uit 1963 aan de huidige wegenverkeersverordening een jaartal toe te voegen. Normaliter is dit slechts gebruikelijk bij regelingen die zeer regelmatig worden vervangen. Echter is besloten om dit toch te doen en zodoende duiding te geven van het aanbreken van een nieuw momentum.

Toelichting Bijlages bij Wegenverkeersverordening Sint Eustatius 2022

BIJLAGE I Verkeersborden

Algemeen.

In de bijlage bij de Wegenverkeersverordening Bovenwindse eilanden was een globale indeling gemaakt in borden die een gebod of een verbod aanduiden, borden die een gevaar aanduiden, borden die informatie bevatten en aanwijzingen. Deze, op zich logische doch starre indeling leidde tot problemen wanneer een nieuw bord moest worden tussengevoegd. Voor de opzet van een bordenbijlage bij de nieuwe verordening is gekozen voor een flexibele indeling in afzonderlijke hoofdstukken. Deze indeling is overzichtelijk en daardoor eenvoudig toegankelijk en tevens biedt hij de mogelijk om modellen in te voegen zonder de logica van de indeling geweld aan te moeten doen. De indeling is als volgt:

  • A.

    snelheid; B. voorrang; C. geslotenverklaringen; D. rijrichtingen; E. parkeren en stoppen; F. overige geboden; G. gedragsborden; H. bebouwde kom; I. informatieborden J. waarschuwingsborden; en K. overige borden.

Elk in deze hoofdstukken opgenomen bord wordt aangeduid met het desbetreffende hoofdstuk corresponderende, hoofdletter en een volgnummer. De wijzigingen strekken zich niet slechts uit tot de indeling, doch ook tot de tekens zelf, de modellen en configuratie en de daarbij behorende beschrijvingen. Getracht is om de zichtbaarheid, de opvallendheid, de herkenbaarheid en de begrijpbaarheid te optimaliseren. Geschreven tekst wordt zoveel mogelijk vermeden.

Teneinde de kostprijs van de te plaatsen borden zo laag mogelijk te houden is aansluiting gezocht bij de in Europa gangbare en in Internationale verdragen voorgeschreven modellen. Deze zijn uit voorraad leverbaar en wordt de noodzaak van het aanmaken van een speciaal maatwerk product vermeden.

Toelichting per hoofdstuk

Hoofdstuk A: Snelheid

In dit hoofdstuk zijn de tekens opgenomen, die de maximumsnelheid dan wel de beëindiging daarvan aangeven. De vermelde getallen, die als voorbeeld dienen, geven de snelheid aan in kilometers per uur.

Onder nummer A3 en A4 zijn nieuwe borden opgenomen die het begin of einde aangeven van meerdere wegen of een wijk waarbinnen een aangepaste snelheid geldt.

Hoofdstuk B: Voorrang

Van de tekens B1 en B2 zijn bij model B2 de beëindigingstrepen verduidelijkt. Van het oude is geen equivalent opgenomen. Mocht de wegbeheerder de behoefte gevoelen het einde van een voorrangsweg van te voren aan te kondigen, dan is dat met een onderbord op eenvoudige wijze duidelijk te realiseren. Model B3 verschilt weinig van het oude model.

Van het bord B5 is het model veranderd.

Nieuw zijn de borden B6 en B7. Deze borden, welke in combinatie met B1 of B3 worden geplaatst, duiden een afbuigende voorrangsweg aan. Op de borden kunnen verschillende verkeerssituaties worden weergegeven, waarbij de brede streep de voorrangsweg weergeeft en de smalle streep of strepen de zijweg of zijwegen.

Hoofdstuk C: Gesloten verklaring

De tekens die een gehele of gedeeltelijke geslotenverklaring aanduiden zijn in dit hoofdstuk ondergebracht.

Teken C4 komt overeen met het oud model, doch heeft nu in plaats van aanwijzingsbord de status van gebodsbord gekregen. Dit is noodzakelijk om verwarring te voorkomen, die door de invoering van de tekens D4 t/m D8 zou kunnen ontstaan.

Het teken C5 komt overeen met het oud model. Het teken C6 komt in betekenis overeen met C5 doch geldt slechts voor de daarop vermelde categorie voertuig. C7 is weer een moderne versie van het oude model. Ook opleggers vallen onder de werking van bord C7.

Modellen C8 t/m C11. betreft modernisering van het symbool van de oude modellen.

Het bord G1 sluit uit de toelating van andere verkeerscategorieën dan voetgangers. De beperkingsborden ten aanzien van de breedte, lengte, hoogte en massa van de toe te laten voertuigen zijn terug te vinden in de reeks C12 t/m C16. Nieuw in deze serie is de beperking van de aslast, model C15. De in de borden vermelde getallen dienen uiteraard als voorbeeld.

Hoofdstuk D: Rijrichting

In dit hoofdstuk zijn de tekens verzameld, die een verplichte rijrichting aangeven, dan wel een of meer verplichte of toegelaten richtingen.

Met het nieuwe bord D1 wordt de verplichte rijrichting op een rotonde weergegeven.

D2 komt overeen met het oude model. Het teken houdt de verplichting in het bord voorbij te gaan aan de door de pijl aangegeven zijde.

Na de bespreking van bord D2 behoeft bord D3 nauwelijks nadere toelichting. Het bord kan worden toegepast voor de markering van splitsingen in de rijbaan. Beide borden vervangen de zogenoemde verkeerszuilen van de oude verordening.

De invoering van de tekens D4, D5, D6, D7en D8 volgt uit de keuze voor positieve aanduidingen en sluit aan op wat elders in de wereld gebruikelijk is.

Hoofdstuk E: Parkeren en stoppen

Ook hier is het uitgangspunt de positieve aanduiding. Bord E4 staat dan ook centraal. Er kan een symbool of aanduiding aan worden toegevoegd om aan te geven dat de parkeergelegenheid bedoeld is voor bepaalde categorieën of voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Aangezien ingevolge artikel 8, tweede lid de verkeersborden EI en E2 slechts gelden voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst en ingevolge artikel 8 derde t/m vijfde lid de borden kunnen worden voorzien van onderborden kan voortaan worden volstaan met een model EI voor een parkeerverbod en een model voor het verbod om te stoppen. De hele reeks varianten uit de oude verordening is hiermede overbodig geworden.

Om aan te geven dat er sprake is van een parkeerzone, waarbinnen beperkingen aan de duur van het parkeren zijn verbonden, zijn bord E7 en E8 opgenomen. Met deze borden wordt het begin of einde van een parkeerzone weergegeven.

Hoofdstuk F: Overige geboden en verboden.

Teken FI wordt geplaatst in situaties waarin het bij inhalen ongewenst is dat voertuigen op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer gaan rijden. Er wordt er vanuit gegaan dat bij het inhalen van motorrijtuigen van rijstrook moet worden gewisseld.

Het teken van F7 is nieuw. Ook teken F8 is nieuw, echter het begrip dat erachter schuilt niet. Voorheen werd door middel van een tekstbord aangegeven dat de door verkeersborden aangegeven verboden waren beëindigd.

Het teken F9 kan in velerlei situaties, al of niet van tijdelijke aard worden toegepast. Gemonteerd op het stokje van verkeersbrigadiertjes of bij een staande controle van de politie op de naleving van de verkeersvoorschriften, In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast.

Hoofdstuk G: Gedragsregels

Dit hoofdstuk bevat de tekens waarmee voet- en fietspaden worden aangeduid en waaraan één of meer verkeersregels zijn verbonden. Elk van deze tekens heeft ook zijn eigen einde teken.

Hoofdstuk H: Bebouwde kom

Hoewel er op Sint Eustatius de mogelijkheid bestaat bepaalde gedeelten aan te wijzen als bebouwde kom, bleef de aanduiding ervan meestal achterwege. De tekens HI en H2 geven de mogelijkheid om aan de aanduiding van de bebouwde kom tevens de uit deze verordening voortvloeiende gedragsregels te koppelen. Ook bestaat thans de mogelijkheid om het teken te voorzien van een geografische aanduiding.

Hoofdstuk I: informatie borden

In dit hoofdstuk worden de oude tekens vernieuwd.

Hoofdstuk J: waarschuwing

De tekens J2, J3, J4 en JS houden een verfijnder aanduiding in van de algemene waarschuwing van het oude bord. J6 en J7 zijn nieuw. Gekozen is voor twee modellen daar het wenselijk wordt geacht duidelijk onderscheid te maken in een waarschuwing voor een gevaarlijke daling en die voor een steile helling.

Ook model J9 is nieuw en kan uitsluitend worden toegepast als vooraankondiging voor een rotonde. Teken J10 komt overeen met de oude modellen met dien verstande dat het symbool gemoderniseerd is.

J11, J12 en J13 geven een verfijning in de aanduiding aan.

J14 t/m J16 zijn modernisering van de oude modellen

De tekens J17, J18, J19, J20, J21 en J22 zijn nieuw doch spreken voor zich. J21 waarschuwingsbord dat geschikt is voor alle soorten vee.

Nieuw is het bord J24 wat waarschuwt voor laagvliegende vliegtuigen. Eveneens nieuw is bord J25 wat waarschuwt voor verkeersdrempels.

Hoofdstuk K: Overige borden

Het Iaatste hoofdstuk van bijlage 1 is een verzameling van tekens die belangrijke informatie bieden voor de weggebruiker,

Het teken K1 is opgenomen om in die gevallen waarin dat nodig blijkt de bestuurders informatie te verschaffen omtrent de vrije hoogte in een onderdoorgang.

Nieuw is K2 wat een voetgangersoversteek aanduidt.

K3 en K4 zijn nieuw en voorzien in een behoefte de weggebruiker tijdig te infomeren dat hij niet voort kan gaan op de ingeslagen weg c.q. de weg die hij voornemens was in te slaan.

Teken K5 duidt de ligging aan van een waterwinplaats ten behoeve van de brandweer. Ingevolge artikel 58, lid 2 onder h, is aan deze informatie het verbod tot parkeren binnen een afstand van 8 meter verbonden.

Om aan te geven dat er een verkeersdrempel is aangebracht is het nieuwe bord K6 opgenomen.

Met de borden K7 en K8 worden bestuurders gewezen op de mogelijkheid dat er kinderen aan het spelen zijn. Bijvoorbeeld in de buurt van scholen of speelplaatsen.

Op plaatsen waar een fietspad of fietsstrook begint of eindigt en waar fietsers de rijbaan verlaten of juist zullen, kunnen de borden K9 en K10 worden geplaatst.

BIJLAGE II Aanwijzingen

De figuren geven de voor het verkeer meest essentiële houdingen van deze verkeersregelaars weer. Verdwenen is het aloude stopbord bijlage omdat deze in de praktijk allang niet meer werd toegepast. Nieuw is de afbeelding van de verkeersbrigadier. Het stopteken dat hij hanteert is weergegeven in teken bijlage 1, model F9.