Besluit van de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius 10.07.2025 no. 08 tot vaststelling van de Eilandsverordening Openbare Rechtspersoon voor het Openbaar Voortgezet Onderwijs Sint Eustatius (Eilandsverordening openbare rechtspersoon openbaar voortgezet onderwijs)

Geldend van 12-07-2025 t/m heden

Intitulé

Besluit van de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius 10.07.2025 no. 08 tot vaststelling van de Eilandsverordening Openbare Rechtspersoon voor het Openbaar Voortgezet Onderwijs Sint Eustatius (Eilandsverordening openbare rechtspersoon openbaar voortgezet onderwijs)

De eilandsraad van Sint Eustatius,

Gelezen het voorstel van het bestuurscollege;

Gelet op artikel 3.4, 3.11 en aanverwante bepalingen van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020), artikel 1.2 WVO 2020 (gelijkstelling eilandsraad aan gemeenteraad) alsmede de relevante bepalingen uit de WolBES;

Overwegende dat het noodzakelijk is een openbare rechtspersoon in te stellen ten behoeve van het openbaar voortgezet onderwijs op Sint Eustatius, dat de governance van de openbare scholen op Sint Eustatius dient te worden versterkt via de instelling van een Raad van Toezicht conform de wettelijke vereisten, en dat eerdere regelingen op dit terrein moeten worden geactualiseerd;

Besluit:

Tot het vaststellen van de onderhavige Eilandsverordening openbare rechtspersoon openbaar voortgezet onderwijs

Inhoudende:

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    de eilandsraad: de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius;

  • b.

    het bestuurscollege: het bestuurscollege van het openbaar lichaam Sint Eustatius;

  • c.

    het bestuur: het bestuur (uitvoerend orgaan) van de openbare rechtspersoon als bedoeld in deze verordening;

  • d.

    raad van toezicht: de Raad van Toezicht als ingesteld bij deze verordening;

  • e.

    openbare school: de scholen op Sint Eustatius als bedoeld in artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES, en artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs, derhalve de door de overheid in stand gehouden scholen op Sint Eustatius;

  • f.

    openbare rechtspersoon: de openbare rechtspersoon “Openbaar Onderwijs Sint Eustatius”, ingesteld krachtens deze verordening ten behoeve van de instandhouding van de openbare scholen op Sint Eustatius.

Hoofdstuk 2 Grondslag, doel, taak en bevoegdheden

Artikel 2 Grondslag van het onderwijs

Het onderwijs op de openbare scholen wordt verzorgd op openbare grondslag met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing, conform de ter zake geldende wettelijke bepalingen en de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs (algemene toegankelijkheid, levensbeschouwelijke pluriformiteit en non-discriminatie).

Artikel 3 Instelling openbare rechtspersoon; doel en bevoegdheden

  • 1. Bij deze verordening wordt de openbare rechtspersoon Openbaar Onderwijs Sint Eustatius ingesteld.

    • a.

      De openbare rechtspersoon heeft ten doel het oprichten en in stand houden van één of meer openbare scholen in Sint Eustatius, het behartigen van de belangen van die scholen en het verzorgen van openbaar onderwijs aan de scholen die onder haar gezag vallen.

    • b.

      De openbare rechtspersoon oefent – met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school – alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag van de onder haar vallende openbare school/scholen. Het besluit tot opheffing van een openbare school blijft voorbehouden aan de eilandsraad. De openbare rechtspersoon bezit rechtspersoonlijkheid krachtens publiekrecht.

  • 2. Het bestuur heeft tot taak het dagelijks bestuur en beheer over de onder zijn verantwoordelijkheid vallende openbare scholen. Daaronder wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      het voeren van het bestuurlijk en onderwijskundig beheer over de school of scholen;

    • b.

      het doen vervullen van alle taken die samenhangen met de verzorging van het onderwijs aan de scholen die onder het gezag van de openbare rechtspersoon vallen, waaronder het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs;

    • c.

      het samenwerken met andere organisaties en instanties die een soortgelijk doel nastreven;

    • d.

      het samenwerken met andere organisaties en instanties ten dienste van en in het belang van het openbaar onderwijs in het Caribisch gebied.

  • 3. Het bestuur is bevoegd tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 90 van de Wet primair onderwijs BES en artikel 11.74 van de WVO 2020.

Hoofdstuk 3 Het bestuur (uitvoerend bestuur)

Artikel 4 Samenstelling en profiel van het bestuur

  • 1. Het bestuur bestaat uit minimaal één en maximaal vijf leden. De raad van toezicht bepaalt – binnen deze bandbreedte – uit hoeveel leden het bestuur zal bestaan, rekening houdend met de omvang en behoeften van de school. Indien het bestuur uit meerdere leden bestaat, wijst de raad van toezicht één van hen aan als voorzitter.

  • 2. De raad van toezicht stelt een profielschets vast met eisen waaraan kandidaten voor het bestuurslidmaatschap dienen te voldoen, rekening houdend met aspecten als onderwijsdeskundigheid, bestuurlijke ervaring en financiële kennis.

  • 3. De leden van het bestuur worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 4. Op de leden van het bestuur is artikel 16 van de WolBES (inzake verboden handelingen voor politieke ambtsdragers) van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien in het bestuur, om welke reden dan ook, één of meer leden ontbreken, blijft het overgebleven lid (of blijven de overgebleven leden) niettemin bevoegd het bestuur te vormen en de taken waar te nemen (onverminderd de bevoegdheid van de raad van toezicht om zo spoedig mogelijk in de ontstane vacature(s) te voorzien).

Artikel 5 Zittingsduur en einde bestuurslidmaatschap

  • 1. De leden van het bestuur worden benoemd voor een zittingsperiode van drie (3) jaar. Zij kunnen aansluitend éénmaal worden herbenoemd voor nogmaals een periode van drie jaar.

  • 2. Een voordracht voor (her)benoeming van een bestuurslid gaat vergezeld van een rooster van aftreden, teneinde te bevorderen dat niet alle bestuursleden tegelijk aftreden.

  • 3. Voor benoeming tot bestuurslid komen niet in aanmerking:

    • -

      personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt;

    • -

      personen die in dienst zijn van de openbare rechtspersoon (werknemers van de school of anderszins onder het bevoegd gezag vallend personeel);

    • -

      leden van de eilandsraad.

  • 4. Het bestuurslidmaatschap eindigt door:

    • a.

      het overlijden van het bestuurslid;

    • b.

      bedanken (schriftelijk terugtreden) door het bestuurslid;

    • c.

      het verstrijken van de termijn waarvoor het lid is benoemd, tenzij hij of zij voor een aansluitende termijn is herbenoemd;

    • d.

      ontslag door de raad van toezicht op verzoek van het bestuur;

    • e.

      ontslag door de raad van toezicht om een andere gegronde reden (waaronder in ieder geval begrepen het geval dat een bestuurslid door handelen of nalaten het vertrouwen van de raad ernstig heeft geschaad);

    • f.

      ondercuratelestelling van het bestuurslid;

    • g.

      indiensttreding bij de openbare rechtspersoon (als werknemer), gedurende de bestuursperiode;

    • h.

      het verrichten van een verboden handeling zoals bedoeld in artikel 16 WolBES (op grond waarvan het lid ontheven kan worden).

  • 5. Alvorens de raad van toezicht overgaat tot ontslag op grond van het vierde lid onder d of e, hoort de raad van toezicht het betrokken bestuurslid en wint hij advies in van het geleding of orgaan dat betrokken was bij de oorspronkelijke voordracht van het bestuurslid (indien van toepassing).

Artikel 6 Functieverdeling binnen het bestuur

  • 1. Indien het bestuur uit meerdere personen bestaat, kiest de raad van toezicht een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, en het bestuur kiest uit zijn midden een secretaris en een penningmeester.

  • 2. Het bestuur kan besluiten tevens uit zijn midden een plaatsvervangend secretaris en/of een plaats-vervangend penningmeester te kiezen. Meerdere functies (secretaris/penningmeester) kunnen in één persoon worden gecombineerd zolang het bestuur uit minimaal drie personen bestaat.

  • 3. Bestaat het bestuur uit één persoon, dan vervult deze alle hier genoemde functies en taken van het bestuur. In dat geval is het bepaalde in dit artikel tweede lid niet van toepassing.

Artikel 7 Vertegenwoordiging

  • 1. Het bestuur vertegenwoordigt de openbare rechtspersoon in en buiten rechte.

  • 2. Indien het bestuur uit meer dan één lid bestaat, komt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging mede toe aan de voorzitter gezamenlijk met de secretaris, of gezamenlijk met de penningmeester van het bestuur. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter en/of genoemde functionarissen treden hun plaatsvervangers in de vertegenwoordiging.

  • 3. Het bestuur kan aan andere medewerkers of functionarissen van de openbare rechtspersoon een volmacht of machtiging verlenen om de openbare rechtspersoon te vertegenwoordigen, binnen de door het bestuur gestelde grenzen.

Hoofdstuk 4 De raad van toezicht

Artikel 8 Instelling en samenstelling van de raad van toezicht

  • 1. Er is een raad van toezicht bij de openbare rechtspersoon. De raad van toezicht houdt intern toezicht op het functioneren van het bestuur en de gang van zaken binnen de openbare rechtspersoon en de onder haar ressorterende school of scholen, en staat het bestuur met advies terzijde.

  • 2. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie (3) en ten hoogste vijf (5) leden. Het aantal leden van de raad van toezicht wordt door de eilandsraad bepaald bij de benoeming (rekening houdend met de minimale en maximale omvang).

  • 3. De leden van de raad van toezicht worden benoemd, geschorst en ontslagen door de eilandsraad. Bij de benoeming van de leden wordt rekening gehouden met een evenwichtige vertegenwoordiging van deskundigheden en belangen (bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs, bedrijfsvoering, financiën en de lokale gemeenschap). Ten minste eenderde gedeelte, doch niet de meerderheid, van de leden van de raad van toezicht wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven bij de openbare school (bij voorkeur via de oudergeleding van de medezeggen-schapsraad). De overige leden worden vrij benoemd door de eilandsraad, met inachtneming van de profielschets en zonder dat de overheid haar overwicht in de raad van toezicht verliest.

  • 4. Uit hun midden kiezen de leden van de raad van toezicht een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. De raad van toezicht kan een secretaris (niet noodzakelijkerwijs uit eigen midden) aanwijzen voor de verslaglegging en administratieve ondersteuning van zijn vergaderingen.

  • 5. Op de leden van de raad van toezicht is artikel 16 van de WolBES (verboden handelingen) van overeenkomstige toepassing. Daarnaast kunnen niet worden benoemd tot lid van de raad van toezicht:

    • -

      personen jonger dan 18 jaar;

    • -

      personen in dienst van of werkzaam bij de openbare rechtspersoon (waaronder begrepen directieleden, leraren en onderwijsondersteunend personeel van de school);

    • -

      leden van de eilandsraad;

    • -

      leden van het bestuur van de openbare rechtspersoon (er is strikte scheiding tussen toezichthoudend orgaan en uitvoerend bestuur).

  • 6. Indien tussentijds één of meerdere leden van de raad van toezicht ontbreken (bijvoorbeeld door ontslag of overlijden), behouden de overblijvende toezichthouders hun bevoegdheden, met dien verstande dat de eilandsraad zo spoedig mogelijk in de ontstane vacatures voorziet met inachtneming van het derde lid.

Artikel 9 Zittingsduur en einde lidmaatschap raad van toezicht

  • 1. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier (4) jaar. Zij kunnen aansluitend eenmaal worden herbenoemd voor nogmaals een periode van vier jaar, tenzij de eilandsraad anders besluit. Bij eerste benoeming van de leden kan de eilandsraad – in afwijking van de vorige volzin – verschillende termijnen vaststellen (bijvoorbeeld sommige leden 2 jaar, andere 4 jaar) om een geleidelijke doorstroming te bevorderen.

  • 2. Voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht maakt de eilandsraad een rooster van aftreden, zodat geregeld nieuwe vacatures ontstaan en continuïteit in het toezicht gewaarborgd blijft.

  • 3. Het lidmaatschap van de raad van toezicht eindigt door:

    • a.

      het verstrijken van de benoemingstermijn, behoudens eventuele herbenoeming zoals voorzien in het eerste lid;

    • b.

      bedanken door het lid (schriftelijk kenbaar gemaakte tussentijdse terugtreding);

    • c.

      overlijden van het lid;

    • d.

      ondercuratelestelling van het lid of het anderszins verliezen van de handelingsbekwaamheid;

    • e.

      benoeming van het lid in een functie of hoedanigheid die onverenigbaar is met het lidmaatschap (zoals genoemd in artikel 8 lid 5 van deze verordening);

    • f.

      ontslag door de eilandsraad.

  • 4. De eilandsraad kan te allen tijde – na overleg met de overige toezichthouders – een lid van de raad van toezicht ontslaan op grond van disfunctioneren, ernstige vertrouwensbreuk, structurele belangenverstrengeling, of andere gewichtige redenen. Alvorens daartoe te besluiten wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden tegenover (een vertegenwoordiging van) de eilandsraad.

Artikel 10 Taken en bevoegdheden van de raad van toezicht

  • 1. De raad van toezicht heeft tot taak toe te zien op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de openbare rechtspersoon en de scholen waarvoor de openbare rechtspersoon verantwoordelijk is. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van zijn taak op het belang van het openbaar onderwijs op Sint Eustatius en de naleving van wet- en regelgeving, en staat het bestuur met raad en daad terzijde.

  • 2. Tot de exclusieve bevoegdheden van de raad van toezicht behoren in ieder geval:

    • a.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur (conform artikel 4 lid 3 en artikel 5 lid 4 van deze verordening);

    • b.

      het vaststellen of goedkeuren van de begroting en de jaarrekening van de openbare rechtspersoon (conform de bepalingen van hoofdstuk 5 van deze verordening);

    • c.

      het goedkeuren van door het bestuur voorgenomen strategische beslissingen of investeringen die een waarde of verplichting te boven gaan van een door de raad van toezicht vast te stellen drempelbedrag;

    • d.

      het toezien op de naleving door het bestuur van de wet- en regelgeving, de statutaire doelstellingen en de verordeningen, en het in dat kader desgevraagd goedkeuren van door het bestuur vast te stellen reglementen, plannen of beleidsvoornemens van essentiële aard (zoals een meerjarig strategisch onderwijsplan, indien van toepassing).

  • 3. Het bestuur informeert de raad van toezicht tijdig en volledig over alle belangrijke ontwikkelingen en financieel-inhoudelijke aangelegenheden. De raad van toezicht is bevoegd tot inzage van alle relevante documenten en gegevens van de openbare rechtspersoon en kan zelf of via de eilandsraad aanvullende informatie opvragen die hij voor de uitoefening van zijn toezichthoudende taak nodig acht.

  • 4. De raad van toezicht vergadert zo vaak als nodig voor een goede uitoefening van zijn taak, doch ten minste twee (2) maal per jaar. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar, tenzij de raad in bijzondere gevallen anders beslist. De raad van toezicht kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle toezichthouders akkoord zijn en schriftelijk hun stem uitbrengen. Van elke vergadering en besluitvorming houdt de raad van toezicht een verslag bij.

  • 5. De raad van toezicht kan uit zijn midden commissies vormen of externe deskundigen raadplegen voor specifieke onderwerpen. De kosten hiervan komen ten laste van de openbare rechtspersoon, voor zover passend binnen de begroting of anders met instemming van het bestuurscollege.

  • 6. De leden van de raad van toezicht ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding voor reis- en verblijfskosten, alsmede een eventuele vergader- of presentievergoeding, overeenkomstig een besluit daartoe van de eilandsraad. Deze vergoedingen komen ten laste van de middelen van de openbare rechtspersoon, binnen de kaders van de onderwijsbekostiging.

Hoofdstuk 5 Werkwijze van het bestuur

Artikel 11 Vergaderingen van het bestuur

  • 1. Indien het bestuur uit meerdere leden bestaat, vergadert het bestuur zo vaak als de voorzitter dit nodig oordeelt, doch ten minste viermaal per jaar volgens een vooraf jaarlijks door het bestuur vast te stellen rooster. Voorts vergadert het bestuur binnen twee weken indien ten minste twee bestuursleden daartoe onder opgaaf van redenen schriftelijk verzoeken aan de voorzitter.

  • 2. De voorzitter draagt zorg dat – behoudens spoedeisende gevallen – de oproep en agenda voor een bestuursvergadering ten minste vijf (5) kalenderdagen vóór de vergadering aan alle bestuursleden wordt toegezonden.

  • 3. Elk bestuurslid is bevoegd om in spoedeisende gevallen ter vergadering voor te stellen een onderwerp aan de agenda toe te voegen. Het bestuur besluit bij aanvang van de vergadering of, en zo ja in hoeverre, aan een dergelijk voorstel gevolg wordt gegeven.

  • 4. Het bestuur kan zich in zijn vergaderingen door hem uitgenodigde deskundigen laten bijstaan. Deze deskundigen hebben een adviserende stem en nemen niet deel aan de besluitvorming.

  • 5. Het bestuurscollege kan aan de leden van het bestuur een redelijke tegemoetkoming toekennen voor het bijwonen van vergaderingen, alsmede een vergoeding van noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten.

Artikel 12 Openbaarheid en beslotenheid

  • 1. De vergaderingen van het bestuur worden in principe openbaar gehouden.

  • 2. Toehoorders kunnen door de voorzitter worden toegelaten tot de openbare vergaderingen. De voorzitter bepaalt de regels omtrent het spreekrecht van toehoorders of het publiek.

  • 3. Het bestuur kan besluiten met gesloten deuren te vergaderen indien de voorzitter of ten minste twee bestuursleden daartoe verzoeken. In dat geval worden de aanwezige toehoorders verzocht de zaal te verlaten en besluit het bestuur vervolgens met een meerderheid van ten minste tweederde van de stemmen of de vergadering daadwerkelijk besloten zal zijn. In een besloten vergadering kan het bestuur eveneens rechtsgeldige besluiten nemen, mits de vereiste quorum- en stemprocedures in acht zijn genomen.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid geldt dat indien in de vergadering over individuen/personen wordt gesproken, de voorzitter of ten minste twee leden kunnen verzoeken om achter gesloten deuren te vergaderen. Het bestuur mag alleen besloten vergaderen indien het belang van openbaarheid niet opweegt tegen één van de volgende belangen:

    • a.

      de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen;

    • b.

      de economische of financiële belangen van de openbare rechtspersoon;

    • c.

      de voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van individuele personen of derden.

  • 5. De gronden voor besloten vergaderen genoemd in lid 4 van dit artikel zijn limitatief. In de besloten vergadering overweegt het bestuur telkens of de reden voor beslotenheid gerechtvaardigd was en of eventuele besluiten alsnog openbaar gemaakt kunnen worden, met inachtneming van privacy en belangenbescherming.

Artikel 13 Geheimhouding

  • 1. Het bestuur kan aan de bestuursleden, alsmede aan eventuele aanwezigen zoals bedoeld in artikel 11 lid 4, geheimhouding opleggen omtrent het behandelde in een besloten vergadering en omtrent de inhoud van de stukken die in die vergadering aan hen zijn overgelegd.

  • 2. Een dergelijke geheimhoudingsplicht, opgelegd krachtens het eerste lid, dient door eenieder die bij de behandeling aanwezig was (of anderszins van de stukken kennis draagt) in acht te worden genomen, totdat het bestuur deze plicht opheft.

Artikel 14 Quorum en stemmingen

  • 1. Een vergadering van het bestuur kan alleen besluiten nemen indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende bestuursleden aanwezig is. Indien wegens gebrek aan quorum een vergadering niet tot besluitvorming kon komen, roept de voorzitter binnen twee weken een nieuwe vergadering bijeen om over de geagendeerde onderwerpen te besluiten (ongeacht het opkomen van een quorum in die nieuwe vergadering).

  • 2. De bestuursleden stemmen zonder last (d.w.z. zonder gebonden mandaat van derden). Tenzij in deze verordening anders bepaald, worden besluiten genomen bij volstrekte (gewone) meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 3. Over personele kwesties (benoemingen, voordrachten of aanbevelingen van personen) wordt schriftelijk en anoniem gestemd; over overige zaken openlijk (mondeling of handopsteking). Ingeval van stemmingen worden blanco stemmen aangemerkt als niet-uitgebracht.

  • 4. Indien bij een stemming over personen de stemmen staken, vindt – na heropening van de vergadering – herstemming plaats. Staken de stemmen opnieuw, dan beslist het lot terstond (bijvoorbeeld door middel van het trekken van een naam).

  • 5. Indien bij een stemming over een voorstel (niet zijnde een personele kwestie) de stemmen staken en de vergadering is voltallig, dan geldt het voorstel als verworpen. Indien de vergadering niet voltallig was en de stemmen staken, wordt de beslissing over het voorstel uitgesteld naar een volgende vergadering; bij eventuele staking der stemmen in die volgende (uitgestelde) vergadering geldt het voorstel alsnog als verworpen. Onder “voltallig” wordt verstaan: de aanwezigheid van alle zitting hebbende bestuursleden.

  • 6. Met betrekking tot het niet mogen deelnemen aan stemmingen door bestuursleden bij belangenverstrengeling is artikel 29 van de WolBES van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in dat een bestuurslid niet deelneemt aan de beraadslaging en stemming over een onderwerp dat hem of haar rechtstreeks en individueel aangaat vanwege een persoonlijk belang dat strijdig is met het belang van de openbare rechtspersoon.

Artikel 15 Huishoudelijk reglement

Het bestuur stelt voor zijn werkwijze en interne governance een huishoudelijk reglement vast, mits dat niet in strijd is met deze verordening of de wet. In dit reglement kunnen nadere procedures worden opgenomen over bijvoorbeeld de vergaderorde, taken van voorzitter/secretaris, informatievoorziening, etc. Het huishoudelijk reglement en eventuele wijzigingen daarvan worden ter kennisneming aan de raad van toezicht en de eilandsraad gezonden.

Hoofdstuk 6 Financiën: Begroting en jaarrekening

Artikel 16 Begroting

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op voor het komende kalenderjaar. Deze ontwerp-begroting wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van toezicht uiterlijk op een door de raad van toezicht te bepalen datum voorafgaand aan het begrotingsjaar. Na verkregen goedkeuring door de raad van toezicht, wordt de begroting door het bestuur definitief vastgesteld.

  • 2. Het bestuur besluit niet tot wijziging van de vastgestelde begroting dan na voorafgaande goedkeuring daarvan door de raad van toezicht.

  • 3. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt de begroting niet is goedgekeurd (en derhalve niet definitief vastgesteld), treft de eilandsraad de maatregelen die hij noodzakelijk acht om de continuïteit van het onderwijsproces op de openbare school te waarborgen.

Artikel 17 Jaarrekening en jaarverslag

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks, na afloop van het kalenderjaar, een jaarverslag en de jaarrekening (inclusief toelichting) van de openbare rechtspersoon voorlopig vast.

  • 2. Uiterlijk vóór 1 juli volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, zendt het bestuur de in lid 1 genoemde stukken ter goedkeuring aan de raad van toezicht. Het bestuur voegt daarbij het verslag van een onafhankelijk accountant omtrent de getrouwheid van de financiële verantwoording.

  • 3. Na verkregen goedkeuring door de raad van toezicht wordt de jaarrekening door het bestuur definitief vastgesteld. Het jaarverslag en de goedgekeurde jaarrekening worden vervolgens ter kennisneming aangeboden aan de eilandsraad en openbaar gemaakt.

Hoofdstuk 7 Toezicht en verantwoording

Artikel 18 Toezicht door de eilandsraad

  • 1. De eilandsraad is, in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur van de openbare rechtspersoon of van functioneren van het bestuur in strijd met de wet, bevoegd om zelf in het bestuur van de scholen te voorzien en zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden. Dit ingrijpende recht van de eilandsraad vloeit voort uit de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de overheid voor het openbaar onderwijs.

  • 2. Van ernstige taakverwaarlozing of onrechtmatig bestuur is in ieder geval sprake indien:

    • -

      het bestuur of de raad van toezicht bij herhaling wettelijke voorschriften niet naleeft;

    • -

      het bestuur nalaat te voorzien in een deugdelijke financiële huishouding of het onderwijs in zijn voortbestaan in gevaar brengt;

    • -

      het bestuur ondanks waarschuwingen van de inspectie of aanwijzingen van het bevoegd gezag van het openbaar lichaam structureel in gebreke blijft bij het vervullen van zijn taak.

  • 3. Alvorens de eilandsraad gebruik maakt van zijn in het eerste lid genoemde bevoegdheid, pleegt hij overleg met de raad van toezicht en het bestuurscollege, en – indien mogelijk – met het bestuur, teneinde te onderzoeken of middels minder verstrekkende maatregelen in het onderwijsbestuur kan worden voorzien. Indien de situatie naar het oordeel van de eilandsraad dermate urgent of ernstig is dat onmiddellijk ingrijpen geboden is, kan de eilandsraad direct tot tijdelijke overname van het bestuur besluiten. In dat geval zal de eilandsraad zo spoedig mogelijk de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in kennis stellen en een langeretermijnoplossing (zoals vervanging van bestuur en toezichthouders) in gang zetten.

Artikel 19 Overige bevoegdheden van de eilandsraad

Onverminderd het bepaalde elders in deze verordening, blijven aan de eilandsraad de volgende bevoegdheden expliciet voorbehouden:

  • a.

    het benoemen en ontslaan van de leden van de raad van toezicht (conform artikel 8);

  • b.

    het instellen, wijzigen of intrekken van deze eilandsverordening en daarmee de inrichting van het openbaar onderwijsbestuur (zie artikel 22);

  • c.

    het besluiten tot opheffing van (een) openbare school/scholen binnen het openbaar lichaam;

  • d.

    het in geval van crisis of bij langdurig ontbreken van een behoorlijk functionerend bestuur, voorzien in het tijdelijk bestuur (zie artikel 18).

Hoofdstuk 8 Evaluatie, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20 Archiefbeheer

Het bestuur draagt zorg voor een ordentelijk beheer van de archiefbescheiden van de openbare rechtspersoon en de school, met inachtneming van de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit BES 2010, alsmede de daarop gebaseerde regelingen.

Artikel 21 Onvoorziene gevallen

In alle gevallen betreffende de openbare rechtspersoon waarin deze verordening niet voorziet, beslist het bestuur, met dien verstande dat het bestuur verplicht is de raad van toezicht en – indien van wezenlijk belang – de eilandsraad, zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van de beslissing en de aanleiding daartoe.

Artikel 22 Evaluatie

Binnen twee (2) jaar na inwerkingtreding van deze verordening voert het bestuur – in overleg met de raad van toezicht – een evaluatie uit van de werking van de verordening en het functioneren van het bestuursmodel. Uiterlijk in het derde jaar na inwerkingtreding brengt het bestuur schriftelijk verslag uit van deze evaluatie aan de eilandsraad. Dit verslag kan indien nodig vergezeld gaan van voorstellen tot wijziging van de verordening of het nemen van andere maatregelen die de kwaliteit van bestuur en toezicht ten goede komen.

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na die van haar afkondiging in het Af-kondigingsblad van het openbaar lichaam Sint Eustatius, dan wel op een nader te bepalen datum.

Artikel 24 Intrekking eerdere regelingen

Met het in werking treden van deze verordening worden alle voorgaande eilandsverordeningen en besluiten van de eilandsraad die betrekking hebben op het instellen van dan wel het bestuur over het openbaar onderwijs op Sint Eustatius – voor zover die nog van kracht zijn – ingetrokken. In het bijzonder vervallen eventuele oude eilandsverordeningen inzake de instelling van een schoolbestuur of enige regeling die daarmee strijdig is.

Artikel 25 Citeertitel

Deze eilandsverordening kan worden aangehaald als “Eilandsverordening openbare rechtspersoon openbaar voortgezet onderwijs”.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van het Eilandsraad Sint Eustatius van 10 juli 2025,

de voorzitter,

Mw. M.A.U. Francis

de eilandgriffier,

Mw. M. Robins-Spanner

Memorie van toelichting

Algemeen

Inleiding en aanleiding

Deze eilandsverordening strekt tot formalisering en verbetering van het bestuur van het openbaar voortgezet onderwijs op Sint Eustatius, in het bijzonder van de Gwendoline van Putten school (de enige school voor voortgezet onderwijs op het eiland). De directe aanleiding voor deze verordening is een reeks go-vernance-problemen en bestuurlijke zorgen rond de Gwendoline van Putten school die in de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen. Uit inspectierapporten van de Inspectie van het Onderwijs – met name het “Rapport Specifiek Onderzoek Gwendoline van Putten school 2025” d.d. 2 april 2025 – is gebleken dat de school op verschillende punten in strijd met de wet functioneert en dat de onderwijskwaliteit en bestuurlijke continuïteit onder druk staan. Zo ontbrak onder meer een Raad van Toezicht (intern toezicht-houdend orgaan) bij de school, terwijl artikel 3.1 van de WVO 2020 de scheiding tussen bestuur en intern toezicht als uitgangspunt stelt voor goed onderwijsbestuur. Daarnaast is gebleken dat bemiddelingspogingen om de verhouding tussen het schoolbestuur en het personeel (vertegenwoordigd door de All For 1 vakbond) te verbeteren zijn mislukt, en dat er bij het personeel en de vakbond sprake was van een ernstig vertrouwensverlies in het zittende schoolbestuur (zoals onderstreept in nieuwsberichten en brieven van mei 2025).

De geschetste situatie heeft geleid tot grote bezorgdheid bij de lokale overheid en de gemeenschap over het welzijn van de school, de leerprestaties van de leerlingen en de werkomgeving voor het personeel. Op 19 mei 2025 heeft de eilandsraad unaniem Motie nr. 004/2025 (“Escalating situation at the Gwendoline van Putten School”) aangenomen. In deze motie wordt geconstateerd dat: (a) de huidige governance-structuur van de school tekortschiet (onder andere door het ontbreken van een Raad van Toezicht en onvoldoende transparantie en verantwoording), (b) de school volgens de inspectie handelt in strijd met de wet, en (c) er dringend ingegrepen moet worden om de kwaliteit van het openbaar onderwijs veilig te stellen. De motie verzocht het Bestuurscollege onder meer om uit te zoeken of ooit een eilandsverordening was vastgesteld voor het instellen van een openbare rechtspersoon voor het openbaar onderwijs op Statia, en – indien dat niet het geval is – om met bekwame spoed zélf een ontwerpverordening op te stellen en aan de eilandsraad voor te leggen, strekkende tot de oprichting van een dergelijk verzelfstandigd openbaar onderwijsbestuur met een deugdelijk intern toezicht. Tevens riep de motie op tot overleg met het Ministerie van OCW over de te nemen stappen (inclusief mogelijke hervorming of vervanging van het zittende schoolbestuur) en het in gang zetten van eventuele interventies krachtens de onderwijswetgeving (zoals een aanwijzing of ingreep door de minister ex artikel 3.38 WVO 2020 bij wanbeheer).

Wettelijk kader

De voorliggende verordening is opgesteld binnen het kader van de WVO 2020. De WVO 2020 vervangt de oude Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel 1.2 WVO 2020 bepaalt dat waar in die wet gesproken wordt van “gemeenteraad” of “college van B&W”, in de context van Caribisch Nederland gelezen moet worden “eilandsraad” respectievelijk “bestuurscollege”. Dit impliceert dat de eilandgebieden vergelijkbare bevoegdheden hebben als gemeenten in Europees Nederland ten aanzien van het openbaar onderwijs. Hoofdstuk 3 van de WVO 2020 (artikelen 3.1 tot en met 3.16) regelt de bestuurlijke inrichting van het funderend onderwijs, waaronder de vereisten van goed bestuur (art. 3.1, waaronder de plicht tot scheiding van bestuur en intern toezicht), de mogelijkheid voor gemeenteraad/eilandsraad om het openbaar onderwijs op afstand te plaatsen in een openbare rechtspersoon of stichting (artikelen 3.4 e.v.), alsmede de nadere voorwaarden daarvoor. Ook de WolBES (Wet openbare lichamen BES) bevat algemene bepalingen over autonomie en taakuitoefening door de eilandsraad, en integriteitsvoorschriften (zoals het verbod voor functionarissen om bepaalde transacties met het eigen openbaar lichaam aan te gaan, zie artikel 16 WolBES).

Bestaande situatie

Tot op heden was op Sint Eustatius – voor zover bekend – géén specifieke eilandsverordening vastgesteld voor het beheer van het openbaar voortgezet onderwijs. Historisch werd de Gwendoline van Putten school in stand gehouden door de particuliere “Stichting tot Bevordering van het Voortgezet Onderwijs op Sint Eustatius”. Deze stichting functioneerde in de praktijk als bevoegd gezag van de school sinds de Nederlandse transitie van 10-10-2010 (en daarvoor onder de overheid van de Nederlandse Antillen), maar had niet de juridische status van een openbare rechtspersoon ingesteld door de eilandsraad. Feitelijk werd daarmee niet ten volle gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 3.4 WVO 2020 dat expliciet voorschrijft dat de eilandsraad bij verordening een openbaarrechtelijk bestuurslichaam kan instellen voor openbaar onderwijs. Bovendien was de governance van die stichting niet op alle punten in lijn met de Nederlandse wetgeving – met name ontbrak een Raad van Toezicht-model en directe betrokkenheid van de overheid bij benoemingen en begrotingsgoedkeuring. Dit heeft bijgedragen aan de gesignaleerde problemen: het schoolbestuur opereerde te geïsoleerd en zonder voldoende tegenspraak of toezicht, wat leidde tot gebrekkige verantwoording en spanningen met personeel/ouders.

Doelstellingen van de verordening

Met deze verordening wordt beoogd:

  • (1)

    Formele legalisering en structurering van het schoolbestuur: Er wordt een openbare rechtspersoon genaamd “Openbaar Onderwijs Sint Eustatius” opgericht. Dit betekent dat het bevoegd gezag van de Gwendoline van Putten school voortaan niet langer bij een private stichting of direct bij het bestuurscollege ligt, maar bij een zelfstandig publiekrechtelijk lichaam, ingesteld door de eilandsraad. Deze constructie verzelfstandigt het bestuur van de school, maar borgt tegelijkertijd de publieke verantwoordelijkheid via kaderstelling en toezicht vanuit de overheid. De openbare rechtspersoon krijgt alle bevoegdheden die een schoolbestuur mag hebben, maar kan geen school opheffen zonder eilandsraad – dat laatste blijft uitdrukkelijk in handen van de volksvertegenwoordiging, conform de wet.

  • (2)

    Invoering van een Raad van Toezicht: In overeenstemming met artikel 3.1 WVO 2020 en de principes van good governance wordt er een Raad van Toezicht (RvT) ingesteld. Deze RvT vormt het intern toezichthoudend orgaan dat onafhankelijk toezicht houdt op het handelen van het (uitvoerende) bestuur van de openbare rechtspersoon. Door dit two-tier bestuursmodel wordt voldaan aan artikel 3.1 WVO 2020 dat aangeeft hoe de functiescheiding moet worden vormgegeven indien een RvT is ingesteld. De RvT neemt een aantal bevoegdheden over die voorheen bij de eilandsraad lagen (in het geval zonder RvT): zo benoemt de RvT voortaan de bestuursleden, keurt de begroting en jaarrekening van de school goed, en kan het bestuur schorsen/ontslaan indien noodzakelijk. Hiermee ontstaat een professionele tegenhanger voor het bestuur, wat moet leiden tot betere kwaliteit van besluitvorming en naleving van wet- en regelgeving. Belangrijk is dat de invloed van de overheid van overwegende aard gewaarborgd blijft: alle toezichthouders worden immers door de eilandsraad benoemd, en een deel op bindende voordracht van ouders zodat de gemeenschap ook inspraak heeft. De overheid (eilandsraad) behoudt via deze constructie grip op de kaders (zij kan immers toezichthouders benoemen en ontslaan, en ultiem ingrijpen bij wanbeheer), terwijl de dagelijkse bemoeienis op afstand blijft.

  • (3)

    Duidelijke rolverdeling en terminologie: De verordening geeft expliciet aan welke rol de eilandsraad behoudt. In artikel 19 is opgesomd welke beslissingen te allen tijde aan de eilandsraad zijn voorbehouden (benoeming toezichthouders, opheffing school, wijziging verordening, ultimum remedium ingrijpen). Dit beantwoordt aan de aanbeveling uit het advies van de eilandsraadsgriffier d.d. 2 juli 2025 om de autoriteit van de eilandsraad helder in de verordening te verankeren. Ook is in de tekst consistent de term “eilandsraad” gebruikt in plaats van “gemeenteraad” of “raad” om misverstanden te voorkomen – hiermee is de documentatie terminologisch in lijn met het staatsbestel van Caribisch Nederland (zoals verzocht onder punt 1 van genoemd griffiersadvies). De term “Platform eilandelijk toezicht”, die in een eerdere concepttekst voorkwam, is komen te vervallen. Die constructie was ontleend aan een situatie met meerdere gemeenten die gezamenlijk een openbaar onderwijsbestuur vormen (zoals in Europees-Nederlandse regio’s), maar is niet van toepassing op Sint Eustatius waar slechts één openbaar lichaam deelneemt. In plaats daarvan is het toezicht direct bij de eilandsraad belegd (zie artikel 18 en 19), respectievelijk intern via de RvT. Er is dus geen apart platform nodig; de eilandsraad zelf coördineert zijn toezicht op macro-niveau (bijvoorbeeld via rechtstreekse rapportages van de RvT aan de raad).

  • (4)

    Herstel van vertrouwen en verbetering kwaliteit: Uiteindelijk dient deze nieuwe governance-structuur ertoe bij te dragen dat het vertrouwen van personeel, ouders en de gemeenschap in het bestuur van de Gwendoline van Putten school wordt hersteld. De school krijgt met een RvT een extra waarborg voor transparantie en kwaliteit: het bestuur moet zich verantwoorden aan de RvT (en indirect aan de eilandsraad), begrotingen en jaarrekeningen worden tegen het licht gehouden, en er is externe deskundigheid beschikbaar om het bestuur bij te sturen waar nodig. Tevens voorziet de verordening in periodieke evaluatie (art. 22): na twee jaar zal bezien worden of deze opzet naar behoren functioneert of dat verdere wijzigingen gewenst zijn. Dit sluit aan bij de motie van de eilandsraad, waarin werd gevraagd om terugkoppeling binnen afzienbare tijd.

  • (5)

    Wet- en regelgeving naleving: De verordening is opgezet om volledige compliance met de WVO 2020 te verzekeren. Zo zijn bepalingen inzake de begroting, jaarrekening, openbaarheid van vergaderingen en archivering opgenomen die rechtstreeks voortvloeien artikel 3.11 WVO 2020. Ook is in artikel 18 het sanctiemechanisme van artikel 3.9 WVO 2020 (taakverwaarlozing) overgenomen, zodat de eilandsraad formeel kan ingrijpen bij wanbestuur. Verder is expliciet vastgelegd (in artikel 24) dat eventuele eerdere eilandsverordeningen op dit gebied worden ingetrokken – hiermee wordt voorkomen dat er strijdigheid of onduidelijkheid blijft bestaan. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn dat zo’n eerdere verordening ooit is aangenomen voor de GvP-school; desalniettemin sluit artikel 24 elke twijfel uit.

  • (6)

    Correcte verwijzingen en terminologie: Zoals vermeld zijn verwijzingen naar de onderwijswetgeving gecontroleerd en geactualiseerd. Waar oorspronkelijk in de concepttekst bijvoorbeeld sprake was van “Wet voortgezet onderwijs (WVO)” zonder jaartal, is dit verduidelijkt naar Wet voortgezet onderwijs 2020, de geldende wettelijke basis. Ook de citeerbepalingen zijn afgestemd op de situatie per 2025. In dezelfde geest is de verwijzing naar de WolBES opgenomen bij integriteitsvoorschriften: artikel 16 WolBES, dat een reeks verboden handelingen voor politieke gezagdragers opsomt (zoals het aangaan van bepaalde overeenkomsten met het eigen overheidslichaam), wordt van toepassing verklaard op zowel de bestuursleden als de toezichthouders. Hiermee onderstrepen we dat ook deze functionarissen zich moeten onthouden van belangenverstrengeling en onwenselijke transacties – een belangrijk signaal in het kader van goed bestuur.

Transitie en uitvoeringsaspecten

De invoering van deze verordening betekent in de praktijk dat het huidige bestuur zijn bevoegdheden zal overdragen aan de nieuwe openbare rechtspersoon. Het is de intentie van de eilandsraad en het Bestuurscollege om deze transitie ordelijk en in overleg met het Ministerie van OCW te laten verlopen. Verwacht wordt dat de zittende leden van het stichtingsbestuur hun functies zullen neerleggen of in elk geval bereid zullen zijn plaats te maken voor het nieuw te benoemen bestuur en de RvT. In het kader van deze overdracht zal mogelijk de Minister van OCW gebruik maken van zijn bevoegdheid om – indien noodzakelijk – het huidige bestuur te ontslaan of een interim-bestuurder te benoemen, zodat de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar komt. Het Bestuurscollege heeft inmiddels de bewindsvertegenwoordigers bij Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN/OCW) geïnformeerd en om ondersteuning verzocht. Er zal bijvoorbeeld moeten worden gezorgd dat de personeels- en financiële administratie van de school per overdracht soepel overgaat naar de nieuwe entiteit. De bestaande stichting zal, na effectuering van de overdracht, worden ontbonden of krijgt een nieuwe (ondergeschikte) rol, zodat er geen twee kapiteins op het schip zijn.

Gezien het belang van continuïteit is in artikel 23 een bepaling opgenomen die de inwerkingtreding van deze verordening flexibel laat (“dag na afkondiging, dan wel een nader te bepalen datum”). Het streven is om de nieuwe structuur met ingang van het nieuwe schooljaar in werking te laten treden, maar dit zal afhangen van hoe snel de RvT en nieuw bestuur kunnen worden samengesteld en benoemd. De eilandsraad zal hier nauw bij betrokken blijven.

Verwachte effecten

De verordening zal op korte termijn extra werk met zich brengen – met name het vinden van geschikte RvT-leden (waarbij gedacht wordt aan personen met onderwijservaring, financiën en lokale betrokkenheid) en het benoemen van een adequaat bestuur (bijvoorbeeld een interim-directeur). Op de middel-lange en lange termijn zijn de verwachtingen echter positief: een beter functionerende schoolleiding, meer transparantie richting ouders en personeel, hogere onderwijskwaliteit en een structureel partnerschap tussen school en overheid in het belang van de leerlingen. De Inspectie van het Onderwijs heeft positief gereageerd op het voornemen om een Raad van Toezicht in te stellen; dit was een expliciete aanbeveling vanuit de inspectie om de bestuurlijke problemen aan te pakken. Ook voldoet Sint Eustatius hiermee aan zijn wettelijke plicht om te zorgen voor goed bestuur van het openbaar onderwijs.

Financiële consequenties

De invoering van een RvT en (mogelijk professionele) bestuursleden brengt enige kosten met zich mee (zoals vergadervergoedingen, eventuele salariskosten van een nieuw dagelijks bestuurder, en kosten voor accountantscontrole, etc.). Deze kosten dienen primair te worden gedekt uit de bestaande onderwijsbekostiging (lumpsum) die de school van OCW ontvangt. In de statuten van de huidige stichting was al bepaald dat de rijkssubsidie operationele kosten dekt en het Openbaar Lichaam verantwoordelijk is voor gebouwen; dat blijft ongewijzigd. Het is denkbaar dat, indien een professioneel schoolleider als eenhoofdig bestuur wordt aangesteld, een deel van de formatie of managementbekostiging hieraan besteed zal worden. OCW heeft te kennen gegeven bereid te zijn op korte termijn – in het kader van de verbetertrajecten op de BES – incidenteel extra ondersteuning te bieden voor bestuurlijke versterking. De eilandsraad zal in elk geval bij de jaarlijkse begrotingsgoedkeuring kritisch letten op de financiering van bestuurs- en toezichtlasten, opdat dit niet ten koste gaat van de onderwijskwaliteit.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 (Begripsbepalingen):

Bevat definities. Onder (e) is “openbare school” gedefinieerd volgens de relevante onderwijswetten. Hiermee wordt duidelijk dat deze verordening zowel het primair als (voortgezet) speciaal onderwijs zou kúnnen omvatten indien Sint Eustatius dat zou organiseren; in de praktijk betreft het nu primair de Gwendoline van Putten school (voortgezet onderwijs). De term “raad van toezicht” is toegevoegd in de begripsbepalingen voor duidelijkheid.

Hoofdstuk 2 (Grondslag, doel, taak):

Artikel 2 benadrukt de openbare grondslag van het onderwijs, conform de artikelen van de WVO 2020, en de kernwaarden (toegankelijkheid etc.).

Artikel 3 lid 1 formaliseert de instelling van de openbare rechtspersoon.

Lid 1 sub a en b geven doel en bevoegdheid: sub b bepaalt dat het bevoegd gezag is overgedragen, behalve voor schoolopheffing – dat is uitdrukkelijk om de WVO 2020 te volgen.

Artikel 3 lid 2 somt de taken van het bestuur (dagelijks bestuur) op; dit is ontleend aan standaard taak-omschrijvingen in onderwijsstichtingen.

Lid 3 van artikel 3 geeft aan dat het bestuur bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot registergoederen, echter binnen de beperkingen die de onderwijswetten stellen. In de genoemde artikelen is geregeld dat voor grote investeringslasten of vastgoedtransacties doorgaans instemming van BZK/OCW nodig is, wat hier impliciet in acht moet worden genomen.

Hoofdstuk 3 (Het bestuur):

Regelt de inrichting van het uitvoerend bestuur (in andere woorden: de schoolleiding/het bevoegd gezag in dagelijkse zin).

Ten opzichte van de vorige situatie (stichtingsbestuur van 5-7 vrijwilligers) is flexibiliteit ingebouwd: artikel 4 laat toe dat het bestuur uit één of meerdere personen bestaat, afhankelijk van wat de raad van toezicht beslist. Dit biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld een eenhoofdig bestuur (een directeur-bestuurder) aan te stellen voor professionele continuïteit, in plaats van een vrijwilligersbestuur. Tegelijk kan men kiezen voor een klein meervoudig bestuur als de situatie daarom vraagt.

Artikel 4 lid 3 legt de benoemingsbevoegdheid bij de raad van toezicht. Dat is een wezenlijk verschil: voorheen benoemde de eilandsraad (althans in theorie) de bestuursleden, maar bij de keuze voor een RvT-model schuift dit door naar de RvT (zie ook memorie van toelichting bij art. 3.14 WVO 2020: be-voegdheden schuiven door).

Artikel 4 lid 4 past de integriteitsregels toe: art. 16 WolBES wordt analoog toegepast, dus een bestuurslid mag bijvoorbeeld niet persoonlijk opdrachten aannemen van de overheid of het openbaar lichaam – zou dat wel gebeuren, dan kan de eilandsraad (vergelijkbaar met wat zij bij een raadslid zou doen) ingrijpen.

Artikel 5 bevat bepalingen over zittingsduur (3 jaar met 1 herbenoeming voor bestuurders – dit was overgenomen uit de voorbeeldverordening en is als goede praktijk gehandhaafd). Ook bevat artikel 5 een opsomming van gronden waarop het bestuurslidmaatschap eindigt. Deze lijst is grotendeels overgenomen en aangepast: belangrijk is dat in sub d en e nu de raad van toezicht genoemd is (niet langer de gemeenteraden zoals in de oude tekst). De raad van toezicht kan een bestuurder ontslaan.

In lid 5 onder g is opgenomen dat als een bestuurslid in loondienst treedt bij de openbare rechtspersoon, zijn bestuurslidmaatschap eindigt. Dit voorkomt een ongewenste vermenging van een toezichthoudende rol en een werknemer-rol binnen dezelfde organisatie. (Mocht in de toekomst ervoor worden gekozen een betaalde directeur als bestuurder te hebben, dan zal de rechtspositie anders vormgegeven worden, vermoedelijk via een arbeidsovereenkomst; in dat scenario geldt die persoon als werknemer én bestuurder – de verordening kan dan worden aangepast of er wordt afgesproken dat lid 5 onder g niet van toepassing is op de directeur-bestuurder. Vooralsnog gaan we uit van een extern te benoemen bestuurder die niet elders in de organisatie werkzaam is.)

Lid 5 onder h koppelt wederom aan de WolBES: een “verboden handeling” plegen is reden voor ontslag. Lid 6 en 7 van het oude concept (over schorsing door medebestuurders en consultatie van B&W bij ontslag) zijn geschrapt, omdat in de nieuwe structuur de raad van toezicht direct optreedt. In plaats daarvan regelt artikel 5 lid 4 dat de raad van toezicht sowieso de betrokken partijen hoort voor men tot ontslag overgaat, wat voldoende waarborgt dat niet lichtvaardig iemand wordt ontslagen.

Het huidige lid 6 eist dat de RvT advies inwint van het geleding of orgaan dat betrokken was bij de oorspronkelijke voordracht van het bestuurslid. Dit is bijvoorbeeld van toepassing indien een bestuurslid was benoemd op voordracht van een oudergeleding; dan zal die geleding zoveel mogelijk worden gehoord over een voorgenomen ontslag.

Hoofdstuk 4 (Raad van Toezicht):

Dit hoofdstuk is nieuw toegevoegd om te voldoen aan artikel 3.14 WVO 2020.

Artikel 8 richt de raad van toezicht in en garandeert “overheersende invloed van de overheid” doordat de eilandsraad de toezichthouders benoemt en kan ontslaan. Ook is de wettelijke eis opgenomen dat ten minste eenderde op voordracht van ouders wordt benoemd. In de praktijk zal het huidige of nieuw te vormen ouderorgaan (medezeggenschapsraad van de school) een of meerdere kandidaten voordragen. Bijvoorbeeld: als er 3 RvT-leden komen, zal 1 op ouders’ voordracht zijn; bij 5 leden zouden er 2 via ouders moeten komen. Dit stimuleert ouderbetrokkenheid in het toezicht en is een kenmerk van openbaar onderwijs.

Artikel 8 lid 5 bevat de onverenigbaarheden: geen personeelsleden, geen politici en geen minderjarigen in de RvT, en uiteraard geen bestuurders tegelijk. Deze waarborgen de onafhankelijkheid.

Artikel 9 bepaalt de benoemingstermijn (4 jaar, iets langer dan bestuur om niet tegelijk te hoeven wisselen, conform veel RvT-termijnen elders). Ook kunnen er bij de eerste benoeming kortere termijnen gegeven worden om een rooster van aftreden op te stellen. De beëindigingsgronden zijn analoog aan die voor bestuurders, met dien verstande dat de eilandsraad de toezichthouder kan ontslaan (en dat een toezichthouder zelf kan opstappen of er uiteraard uitgaat bij termijnverloop).

Artikel 10 beschrijft de kerntaken van de RvT: toezicht houden op het beleid en adviseren. Dit artikel somt expliciet enkele bevoegdheden op: (a) benoeming/ontslag bestuur, (b) goedkeuring begroting/jaarrekening, (c) goedkeuring van strategische besluiten boven een zekere omvang. Daarmee is aan artikel 3.8 WVO 2020 voldaan: dat artikel verlangde juist een bepaling over de wijze waarop de eilandsraad toezicht houdt – in dit geval gebeurt dat indirect via de RvT die bovenstaande bevoegdheden uitoefent. Daarnaast ziet de eilandsraad er zelf op toe dat de RvT zijn werk doet; de RvT zal de eilandsraad desgevraagd informeren.

Lid 3 van artikel 10 regelt de informatielijn: het bestuur moet de RvT alle info geven die nodig is. Dit voorkomt situaties van informatieachterstand.

Lid 4 bepaalt dat de RvT in principe besloten vergadert – dit is gebruikelijk, aangezien intern toezicht meer vrijuit moet kunnen spreken. Wel kan de RvT uiteraard ervoor kiezen om bijv. een jaarverslag openbaar te presenteren aan de raad.

Lid 6 regelt de vergoedingen voor de RvT-leden: de eilandsraad kan daar een beslissing over nemen, zodat goede toezichthouders gevonden kunnen worden zonder hen op kosten te jagen.

Hoofdstuk 5 (Werkwijze bestuur):

Dit is grotendeels overgenomen uit het concept en betreft interne procedures voor het bestuur. Deze artikelen zijn nuttig om – zeker als er een meervoudig bestuur is – te waarborgen dat men regelmatig vergadert, besluiten goed vastlegt en openbaarheid betracht.

Op enkele punten is tekstueel aangepast voor singular/plural, maar de strekking blijft: ten minste 4 keer per jaar vergaderen (art. 11), en vaker indien nodig; agenda vooraf, mogelijkheid tot spoedpunten (art. 11-12).

Openbaarheid van vergaderen is hier expliciet als norm opgenomen (art. 12 lid 1) tenzij privacy of andere zwaarwegende belangen gesloten deuren rechtvaardigen. Dit vloeit voort uit artikelen 3.5 en 3.6 WVO 2020, dat voorschrijft dat de vergaderingen van het bestuur openbaar zijn tenzij de verordening anders bepaalt – vandaar dat wij in art. 12 lid 4 de gronden expliciet noemen voor beslotenheid. Het geeft bur-gers en pers de gelegenheid om de beraadslagingen over het openbaar onderwijs te volgen, wat past bij de publieke status.

Uiteraard kan bij persoonskwesties of gevoelige onderwerpen besloten vergaderd worden, zie lid 4 sub a-c.

Art. 13 regelt geheimhouding – als iets in beslotenheid is behandeld, mag dat niet uitlekken.

Art. 14 bevat de stemprocedures. In lid 6 hiervan is het relevante artikel (artikel 29) uit de WolBES genoemd inzake niet meestemmen bij belangenverstrengeling. Strikt genomen geldt de WolBES alleen voor decentrale overheden, niet direct voor deze rechtspersoon, maar we hebben dit principe toch opgenomen om te tonen dat bestuursleden objectief moeten stemmen en zich terugtrekken bij persoonlijke belangen (bijv. als een contract met zichzelf of familie aan de orde is).

Art. 15 regelt dat het bestuur een huishoudelijk reglement kan vaststellen voor allerlei praktische zaken. Dit hoeft de eilandsraad niet te keuren, maar de raad van toezicht zal er uiteraard op letten dat zo’n reglement niet strijdig is met de verordening.

Hoofdstuk 6 (Financiën):

Artikel 16 en 17 zijn cruciaal voor de financieel-administratieve verantwoording. De begroting moet jaarlijks door het bestuur worden opgesteld en ter goedkeuring worden voorgelegd aan de raad van toezicht (in de oude situatie was het idee dat gemeenteraden goedkeurden, maar nu doet RvT dat dus). Pas na RvT-goedkeuring wordt de begroting definitief – dit waarborgt dat het bestuur niet ongecontroleerd geld kan toewijzen.

Artikel 16 lid 3 is interessant: hoewel de RvT nu bevoegd is, hebben we bepaald dat als vóór 1 februari de begroting niet rond is, de eilandsraad maatregelen neemt om de continuïteit te waarborgen. Dit is rechtstreeks ontleend aan artikel 3.7 WVO 2020. Het betekent in de praktijk dat de eilandsraad dan mogelijk een noodbudget kan aanwijzen of andere ingrepen doet, omdat na 1 februari zonder begroting de school financieringsproblemen zou krijgen. Verwacht wordt overigens niet dat dit nodig zal zijn, aangezien de RvT tijdig zal handelen. Dat betekent dat hoewel de RvT primair over de begroting gaat, behoudt de eilandsraad in laatste instantie de verantwoordelijkheid om bij impasse of nalatigheid tijdig in te grijpen ten behoeve van de school.

Artikel 17 regelt de jaarrekening: opstellen door bestuur, keuren door RvT vóór 1 juli, daarna definitief vaststellen. Hier is een extra stap ingebouwd dat de accountant een verklaring moet afgeven, wat ook een wettelijke eis is voor de jaarverslaglegging. Uiteindelijk wordt de goedgekeurde jaarrekening openbaar gemaakt en aan de eilandsraad aangeboden ter kennisneming, zodat volledige transparantie naar de volksvertegenwoordiging bestaat. Dit sluit aan bij artikel 3.7 WVO 2020 (goedkeuring jaarrekening) – hoewel formeel niet meer door de raad, vindt nu wel een vorm van verantwoording plaats.

Hoofdstuk 7 (Toezicht en verantwoording):

Artikel 18 herhaalt de bevoegdheid van de eilandsraad om in te grijpen. Dit is letterlijk de strekking van artikel 3.15 WVO 2020: de gemeenteraad/eilandsraad blijft eindverantwoordelijk voor continuïteit van openbaar onderwijs en kan het bestuur opzij zetten en de rechtspersoon opheffen als het écht mis gaat.

We hebben in lid 2 en 3 van artikel 18 enige richtlijnen gegeven wanneer dat speelt (bijv. bij structurele wetsovertreding of financiële wanorde). Ook staat erin dat men voor zo’n dramatische stap liefst OCW en de RvT raadpleegt. Dit is echter geen harde procedurele eis, want bij een noodsituatie moet de eilandsraad kunnen handelen.

Artikel 19 is toegevoegd naar aanleiding van het griffieradvies om de “rol en bevoegdheden van de eilandsraad” te verduidelijken. Het artikel noemt een aantal voorbehouden bevoegdheden, deels overlappend met eerdergenoemde punten: de eilandsraad gaat immers over de verordening zelf (wijzigen of intrekken), over benoeming/ontslag van RvT, over opheffing van scholen en over ultiem ingrijpen. Met deze opsomming is voor iedereen (inclusief de RvT en het bestuur) helder waar de lijnen liggen: de overheid (eilandsraad) stelt de kaders en trekt aan de noodrem indien nodig, maar bemoeit zich niet met de dagelijkse gang van zaken of kleinere beslissingen. De eilandsraad is dus geen direct bestuursraad meer over de school, maar behoudt op hoofdlijnen de kaderstellende en controlerende rol zoals opgesomd. Zo wordt gewaarborgd dat de overheidsinvloed van overwegende aard blijft, ook bij een verzelfstandigd openbaar onderwijsbestuur met een interne raad van toezicht.

Hoofdstuk 8 (Slotbepalingen):

Artikel 20 en 21 zijn standaard: archiefplicht (zodat bij eventueel later toezicht/dossier alle stukken vindbaar zijn) en een regeling voor onvoorziene gevallen (het bestuur beslist, maar moet bij belangrijke zaken de RvT/raad informeren – dit voorkomt dat men zich op onbekende situaties kan beroepen om de raad niet te informeren).

Artikel 22 schrijft een evaluatie voor na 2 jaar. Dit is belangrijk omdat de nieuwe constructie wellicht bijgesteld moet worden op basis van praktijkervaring. Het bestuur moet zichzelf evalueren en verslag daarover aan de eilandsraad doen. Dit geeft de raad handvatten om eventueel de verordening te wijzigen of de samenstelling van bestuur/RvT aan te passen.

Artikel 23 regelt de inwerkingtreding. Er is voor gekozen enige flexibiliteit te laten: mocht het nog niet lukken per 1 augustus 2025 alles rond te hebben, kan in het afkondigingsblad een latere datum worden genoemd. Idealiter echter gaat de verordening meteen na vaststelling en bekendmaking in, waarna een korte transitieperiode loopt.

Artikel 24 – zoals toegelicht – zorgt ervoor dat eventuele oude regelingen niet meer gelden. Dit is ook relevant voor bijvoorbeeld een oude “Landsverordening voortgezet onderwijs” van voor 2010 die wellicht in enige vorm doorwerkte; hoewel die materie nu allemaal door WVO 2020 wordt bestreken, benadrukken we hiermee de eigen regelgeving van het openbaar lichaam.

Artikel 25 geeft de citeertitel.