Welstandsnota

Geldend van 02-10-2025 t/m heden

Intitulé

Welstandsnota

Voorwoord

Het welstandstoezicht heeft in Nederland veelal een negatief imago gehad. Het werd subjectief, niet consequent of zelfs elitair gevonden. "De welstandscommissie keurt willekeurig plannen goed of af" werd vaak beweerd. En zo is het algemene beeld ontstaan van onbegrip voor welstandstoezicht, vaak nog versterkt door onduidelijkheid over de beoordelingsprocedure.

Moet welstandstoezicht dan worden afgeschaft? Ik ben van mening van niet. De negatieve gevolgen daarvan zullen snel zichtbaar worden. Het is voor niemand acceptabel dat een mooi historisch pand verknoeid wordt door een aanbouw uit een catalogus.

Het doet mij daarom genoegen u de welstandsnota van de gemeente Tholen te kunnen aanbieden. Een nota die gebruikt moet gaan worden als instrument in ons gezamenlijk streven om de kwaliteit van onze leefomgeving te bewaken.

Als gevolg van de nieuwe woningwet moet elke gemeente 1 juli 2004 een welstandsnota hebben vastgesteld en hiermee gaan werken. Maar wat verandert er dan zoal? Een belangrijke wijziging is dat de vergaderingen van de welstandscommissie voortaan openbaar zijn. Iedereen die een bouwplan heeft ingediend mag de vergadering bijwonen en zelf tijdens de zitting zijn voorstel toelichten. Maar ook belangstellenden kunnen de welstandsvergaderingen bijwonen.

Een ander groot verschil is dat men van te voren op kan zoeken waar men rekening mee moet houden bij een ontwerp van een bouwplan. In deze nota is een gebiedsindeling gemaakt van alle dorpen en het buitengebied. Daaraan is een welstandsniveau gekoppeld. Zo kan men zelf uitzoeken met welke toetsingscriteria men te maken heeft en waar het bouwplan uiteindelijk aan moet voldoen.

Leggen we met deze nota ons welstandbeleid voor een lange termijn vast?

Het antwoord hierop moet ontkennend zijn. Wanneer maatschappelijke ontwikkelingen en nieuwe gezichtspunten het praktisch werken met deze nota frustreren, zullen we de nota moeten en durven aan te passen.

Ik ben ervan overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage zal leveren aan de bevordering van het begrip tussen de burger en welstandscommissie, aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen en tevens een waardevolle bijdrage zal zijn aan een kwalitatief goede uitstraling van onze bebouwing .

Een woord van dank, aan allen die op enigerlei wijze hun inbreng hebben gehad in het tot stand komen van deze welstandsnota, is dan ook zeker op zijn plaats.

Wethouder W.C. van Kempen

Gemeente Tholen, mei 2004

1 Introductie

De rust, de ruimte en het water. Dit zijn de kenmerken die zo typerend zijn voor de gemeente Tholen. Kwaliteiten waar de Tholenaren, met recht, trots op zijn en die ook moeten worden gekoesterd, zonder je ogen te sluiten voor vernieuwing.

Met de invoering van de nieuwe Woningwet in januari 2003 dient een gemeente, indien zij een welstandsbeleid wil voeren, per 1 juli 2004 een welstandsnota te hebben vastgesteld. Zonder een gemeentelijke welstandsnota is er in de toekomst geen welstandstoezicht mogelijk.

In de, door de gemeenteraad vast te stellen, welstandsnota zijn de procedures rondom de welstandstoetsing en de beoordelingscriteria vastgelegd. Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie mogen hun oordeel uitsluitend baseren op deze welstandscriteria.

Vooruitlopend op de welstandsnota heeft de gemeente Tholen een toekomstvisie ‘Bestemming Tholen’ opgesteld, waarin de gewenste ontwikkelingskoers is beschreven. Nieuwe ontwikkelingen verwelkomen, met respect voor het bestaande, betekent vaak keuzes maken. De gemeente Tholen heeft deze keuzes verwoord in een inzichtelijk beleid met eenduidige, heldere en concrete criteria: de welstandnota.

De welstandsnota is niet zo zeer een verplichting voor de gemeente Tholen, maar vooral een mogelijkheid om de toekomstvisie op een praktische en inspirerende wijze om te zetten in een gewenste leefomgeving. Dit kan alleen wanneer de welstandsnota met veel zorg en enthousiasme is opgesteld, waarbij het belang van de gemeente Tholen en zijn inwoners steeds voorop staat.

1.1 Doel van de nota

De belangrijkste doelstelling van deze welstandsnota is om het maatschappelijk draagvlak voor de welstandszorg te vergroten. Door het proces van de welstandsbeoordeling en de toetsingscriteria duidelijk en inzichtelijk te maken, raken burgers, architecten en bestuurders meer betrokken bij het gemeentelijk welstandsbeleid.

Dit welstandsbeleid van de gemeente Tholen is er op gericht om de dagelijkse leefomgeving van haar inwoners zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Met de welstandsnota heeft de gemeente een instrument in handen om de schoonheid van de leefomgeving en kwaliteiten als de rust, de ruimte en het water te bewaken.

De nota informeert initiatiefnemers en ontwerpers over de achtergronden en uitgangspunten die betrekking hebben op hun bouwplannen. Wanneer zij in een vroeg stadium bekend zijn met de gestelde criteria bij de welstandsbeoordeling, kunnen zij hiermee in het ontwerp rekening houden. Dit voorkomt teleurstellingen en irritatie bij alle betrokken partijen.

De welstandsnota is in juridische zin een stelsel van beleidsregels. Bij geschillen rondom een uitspraak van de welstandscommissie biedt de nota voldoende handvatten voor een goede onderbouwing. Hiermee wordt een ongewenste verstoring van een aantrekkelijke leefomgeving voorkomen.

Met het opstellen van deze welstandsnota en het vaststellen ervan vóór 1 juli 2004 voldoet de gemeente Tholen aan de verplichting die de nieuwe Woningwet heeft gesteld. De gemeente kan nu ook na 1 juli 2004 de ingediende bouwplannen toetsen aan redelijk eisen van welstand.

1.2 Methodiek en totstandkoming van de welstandsnota

De welstandsnota is globaal op te splitsen in twee delen: beleid en criteria.

Het beleidsgedeelte vormt de basis voor het welstandstoezicht en beschrijft de relaties met andere ruimtelijke beleidsterreinen, de belangrijkste procedures en de organisatie van het welstandstoezicht in de gemeente Tholen.

Het criteriagedeelte omvat enerzijds de welstandskaders waarin de hantering van de criteria, de welstandsniveaus en de beoordelingsaspecten omschreven worden en anderzijds de welstandscriteria zelf. Deze zijn onderverdeeld in algemene criteria, gebiedsgerichte criteria, criteria voor bijzondere bouwwerken en sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Om tot de criteria te komen, is de gemeente Tholen in kaart gebracht en omschreven op basis van gebiedstypering, welstandsniveaus en bijzondere bouwwerken.

De welstandsnota is mede opgesteld aan de hand van de voor het welstandsbeleid van belang zijnde beleidsterreinen (Monumenten-, cultuurhistorische en ruimtelijke ordeningsbeleid) en planvormen (ruimtelijke ontwikkelingsplannen, bestemmingsplannen, groenstructuurplannen en plannen voor de inrichting van de openbare ruimte). Tevens is dankbaar gebruik gemaakt van de “Raamwerknota Welstandsbeleid” van Stichting Dorp, Stad & Land en het werkdocument “Naar een gemeentelijke welstandsnota”, opgesteld onder verantwoordelijkheid van De Rijksbouwmeester, de Federatie Welstand en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Bij het opstellen van deze welstandsnota zijn de verantwoordelijke afdelingen van de gemeente Tholen en Stichting Dorp, Stad & Land betrokken geweest. Zij hebben het tot stand komen van de nota begeleid, getoetst en daar waar nodig gestuurd. Op gezette tijden is de Raadscommissie geïnformeerd en geraadpleegd over de stand van zaken en inhoud.

Om het draagvlak van deze welstandsnota te vergroten, is deze in concept ter visie aan de inwoners en belanghebbenden van de gemeente Tholen gelegd en is er een informatie- en inspraakbijeenkomst gehouden.

1.3 Wijziging van de nota

Vier jaar na inwerkingtreding is de welstandsnota aangepast. Bij de evalatie van de welstandsnota is gebleken dat er behoefte bestond aan verruiming van de welstandscriteria van bepaalde bouwwerken. Tevens zijn er criteria toegevoegd voor reclame-uitingen, de rol van de klankbordgroep is nader omschreven en zijn er enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en onvolkomenheden aangepast. De aanpassingen zijn opgenomen in de eerste wijziging van de welstandsnota die in juni 2008 door de gemeenteraad is vastgesteld.

1.4 Leeswijzer

Deze welstandsnota dient als praktisch naslagwerk voor opdrachtgevers, architecten, bestuurders, leden van de welstandscommissie en andere belanghebbenden. De hoofdstukken 2 en 3 richten zich met name op het beleidsgedeelte. Hoofdstukken 4 tot en met 10 richten zich op het ‘criteria’-gedeelte.

In hoofdstuk 1 wordt het hoe en waarom van de welstandsnota toegelicht.

Hoofdstuk 2 geeft een beeld van de procedures en het beleid rondom de invoering van het nieuwe welstandsbeleid en de vaststelling van de welstandsnota.

De organisatie van het welstandstoezicht wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hier komen de taken en de samenstelling van de welstandscommissie, het welstandsadvies en de handhaving van het welstandstoezicht aan de orde.

In hoofdstuk 4 worden in hoofdlijnen de soorten criteria aangegeven en wanneer welke criteria gehanteerd dienen te worden. Tevens wordt uitgelegd waarom er welstandsniveaus zijn, welke niveaus er onderscheiden worden en welke beoordelingsaspecten bij de verschillende welstandsniveaus gehanteerd worden.

Hoofdstuk 5 gaat dieper in op de algemene welstandscriteria, die ten grondslag liggen aan elke planbeoordeling en ook fungeren als vangnet voor plannen die buiten de overige criteria vallen.

In hoofdstuk 6 zijn de gebiedsgerichte welstandscriteria vastgelegd. De gemeente Tholen is in de meest letterlijke zin in kaart gebracht door middel van een gebiedstypekaart en een welstandsniveaukaart. Beeldkarakteristiek, beleid en ontwikkeling worden per gebiedstype duidelijk gemaakt met beschrijvingen en foto’s. Door middel van waardebepaling per (deel)gebiedstype zijn de welstandsniveaus bepaald.

De welstandscriteria voor bijzondere bouwwerken zijn in hoofdstuk 7 omschreven. Hiertoe zijn monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en overige bijzondere bouwwerken op overeenkomstige wijze als hoofdstuk 6 omschreven.

Hoofdstuk 8 behandelt de zogenaamde sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen.

In hoofdstuk 9 wordt de regeling voor welstandsvrije bouwwerken beschreven.

In hoofdstuk 10 zijn criteria geformuleerd die betrekking hebben op reclame-uitingen.

In de bijlage, hoofdstuk 11, is een lijst met geraadpleegde literatuur en bronnen opgenomen. Tevens zijn de gebiedstypekaarten en de welstandsniveaukaarten als bijlage toegevoegd.

2 Welstandsbeleid van de gemeente Tholen

Hoofdstuk 2 beschrijft ten eerste de relatie tussen het welstandsbeleid en de andere ruimtelijke beleidsterreinen binnen de gemeente Tholen. De reikwijdte van de verschillende ruimtelijke beleidsterreinen en de verwevenheid met andere ruimtelijke beleidsterreinen worden toegelicht.

Ten tweede worden in dit hoofdstuk de te volgen procedures met betrekking tot het welstandsbeleid toegelicht: vaststelling, uitvoering, aanvulling, evaluatie en aanpassing, en verslaglegging.

2.1 Relatie tussen welstandstoezicht en andere ruimtelijke beleidsterreinen

2.1.1 Inleiding : Welstandstoezicht in de huidige situatie

De gemeente voert reeds lange tijd welstandstoezicht uit. Sinds 1992 zijn hiervoor algemene welstandscriteria opgenomen in de bouwverordening: ‘de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte en de stedenbouwkundige context, de massa, materiaal, maat, schaal, detaillering en kleurstelling mede in verband met de samenhang in het bouwwerk zelf’. Welstandstoezicht is echter slechts een van de instrumenten die de gemeente ten dienste staan bij het voeren van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Om dit kwaliteitsbeleid effectief en praktisch hanteerbaar te maken is het zaak zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende instrumenten. Van elk instrument moet duidelijk zijn wat de reikwijdte is en hoe het is verweven met andere beleidsinstrumenten.

2.1.2 Relatie met overig ruimtelijk kwaliteitsbeleid

In het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van een gemeente is het welstandstoezicht het ‘vangnet’, oftewel het instrument om de ondergrens van het aanvaardbare te bewaken. De hoogte van deze ondergrens hangt echter nauw samen met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dat de gemeente voert.

In de gemeente Tholen zijn in dit opzicht de volgende beleidsterreinen en planvormen van belang:

Monumentenbeleid en cultuur-historisch beleid;

Ruimtelijk ordeningsbeleid;

Ruimtelijke ontwikkelingsplannen:

  • Masterplan (toekomstvisie “Bestemming Tholen” ),

  • gemeentelijke structuurvisies,

  • stedenbouwkundige visies,

  • beeldkwaliteitplannen (vaak onderdeel van grotere ruimtelijke ontwikkelingsplannen);

Bestemmingsplannen;

Groenstructuurplannen;

Plannen voor de inrichting van de openbare ruimte.

2.1.3 Ruimtelijk beleid, stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen

Ruimtelijk beleid

De gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente is vastgelegd in de toekomstvisie “Bestemming Tholen”. Deze toekomstvisie beschrijft primair de hoofdlijnen van het door de gemeente voorgestane lange termijn beleid voor de gebiedsontwikkeling, de “bestemming”, van de gemeente Tholen.

Als zodanig is de toekomstvisie een leidend toetsingskader voor zowel gemeentelijke planontwikkeling als voor initiatieven van anderen. De planhorizon voor de toekomstvisie is 2025. De komende jaren zal een uitwerking van de toekomstvisie plaatsvinden in de vorm van deelnota's en/of concrete beleids- en uitvoeringsacties. Een eerste aanzet voor de uitwerking van de visie is gegeven in een bij deze toekomstvisie behorend rapport (Bestemming Tholen deel 2: kader voor de uitwerking).

stedenbouwkundige plannen

Stedenbouwkundige visies worden overwegend uitbesteed. Zij hebben vooral een globaal toetsende en strategische functie. De stedenbouwkundige visie legt een ambitieniveau neer voor welstand.

Voor grotere ontwikkelingsplannen wordt naast een stedenbouwkundige visie ook een beeldkwaliteitplan opgesteld dat er met name erop gericht is de kwaliteit van de architectonische vormgeving te waarborgen.

bestemmingsplannen

In het kader van deze nota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden.

De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan.

In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard levert de welstandsnota in zo’n geval de argumentatie.

2.1.4 Welstandszorg en architectuurbeleid

In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria uit andere beleidsdocumenten, zoals beeldkwaliteitplannen. Dergelijke documenten worden daardoor geacht deel uit te maken van de welstandsnota.

Uiteraard gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota:

vaststelling in de vorm van beleidsregels door de gemeenteraad, inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening en welstandscriteria die 'zo veel mogelijk' zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en die specifieke aspecten van het bouwwerk normeren.

De aanwezige beeldkwaliteitplannen zullen daarmee onderdeel gaan vormen van het welstandsbeleid in de gemeente en worden gebruikt in het kader van de welstandstoets.

Bij de gebiedsgerichte welstandscriteria wordt een verwijzing naar de beeldkwaliteitplannen opgenomen en deze worden beschouwd als bijlagen bij de welstandsnota. Beeldkwaliteitplannen zijn opgesteld voor de uitbreidingsplannen “Stadszicht” (Tholen), “Welhoek” (Oud-Vossemeer), “Graefnisse” (Sint Philipsland), “Vroonstede” (Sint-Annaland), “Muyepolder” (Sint-Maartensdijk) en “Poststraat Zuid” (Stavenisse).

2.1.5 Monumentenbeleid en cultuurhistorie

Het monumentenbeleid van de gemeente Tholen heeft als doelstelling het behoud van de cultuurhistorische waarden en het versterken van de identiteit van de gemeente. Aandachtspunten zijn naast monumenten, historisch belangwekkende omgevingen en archeologische vindplaatsen ook bouwhistorisch onderzoek, jongere bouwkunst, historische interieurs en historisch groen. De bijbehorende beleidsinstrumenten zijn in de monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Tholen 1995 vastgelegd.

De gemeente heeft totaal 150 rijksmonumenten en kent 2 door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten. Het betreft “Stadskern Tholen” en “Kom Sint- Maartensdijk”. Deze gebieden zijn beide aangewezen in 1991.

Aanvragen voor omgevingsvergunning voor het bouwen die advisering behoeven door de monumentencommissie worden door het voor Tholen gemandateerd lid van de welstandscommissie doorgeleid naar de monumentencommissie.

De monumentencommissie is een onafhankelijk adviesorgaan, dat gevraagd en ongevraagd het gemeentebestuur kan adviseren. Onderdeel van de vergaderingen zijn de planbeoordelingen voor wijzigingen aan rijks- en gemeentelijke monumenten. De monumentencommissie adviseert verder over allerlei beleidszaken met betrekking tot de gemeentelijke monumentenzorg. Voor Tholen is een geïntegreerde welstands/monumentencommissie werkzaam. Ten behoeve van behandeling van zaken die advisering door een monumentencommissie vereisen heeft in deze commissie een deskundige op het gebied van monumentenzorg zitting.

2.1.6 Openbare ruimte

Het opstellen van inrichtingsplannen wordt veelal uitbesteed, de uitvoering en het beheer geschieden overwegend door de gemeentelijke diensten.

Uit oogpunt van integrale ruimtelijke kwaliteitszorg wordt de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrokken. Immers straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.

2.1.7 Gemeentelijk groen

De gemeente voert een actief beleid ten aanzien van groenstructuren, parken en bomen. In dat kader worden groenstructuurplannen opgesteld en maakt de gemeente gebruik van de door de Nederlandse Bomenstichting jaarlijks uitgevoerde inventarisatie van monumentale bomen. Uit oogpunt van integrale ruimtelijke kwaliteitszorg wordt de welstandscommissie bij de opzet van groenstructuurplannen betrokken.

2.1.8 Landschap

In de toekomstvisie “Bestemming Tholen” zijn aanknopingspunten te vinden voor de ontwikkeling van een Thools landschapsbeleid. De toekomstvisie wil de ruimtelijke kernkwaliteiten Rust en Ruimte behouden en versterken en bijvoorbeeld bedrijfsterreinen landschappelijk beter in passen. Ook moet de mogelijkheid onderzocht worden van het (nieuw) realiseren van natuurgebieden. Daarnaast worden ook gedachten uitgesproken over het recreatief medegebruik van het agrarische landelijk gebied. Hoewel het behoud van de agrarische functie daarbij centraal staat, kan hierdoor toch spanning ontstaan tussen de verschillende componenten van deze ontwikkelingsrichting. Recreatief medegebruik legt extra druk op het buitengebied en kan leiden tot een sluipende verstedelijking van dit gebied waarbij de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing langzaam verdwijnt of wordt aangetast. Om die reden moeten cultuurhistorische aspecten een rol spelen bij de welstandsbeoordeling van ingrepen in het buitengebied.

Tot nu toe beoordeelt de welstandscommissie vooral het uiterlijk aanzien van de gebouwen als zodanig. Op het niveau van de kavel (lokalisatie) vindt een marginale beoordeling plaats, op het niveau van de structuur van het landschap vindt tot op dit moment nagenoeg geen beoordeling plaats.

2.2 Vaststelling en evaluatie van het welstandsbeleid

2.2.1 Vaststelling door de gemeenteraad

Met de nieuwe Woningwet wordt een gemeentelijke welstandsnota een voorwaarde voor het uitvoeren van welstandstoezicht. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog worden gebaseerd op de criteria die in de welstandsnota zijn genoemd.

Wijzigingen en aanvullingen na vaststelling van de welstandsnota worden ook door de gemeenteraad vastgesteld. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht.

2.2.2 Uitvoering van welstand door B&W

In de welstandsnota zijn de ‘redelijke eisen van welstand’ op een concrete en heldere wijze in gebieds- of objectgerichte criteria gevat. Deze criteria vormen een stelsel van beleidsregels waarbinnen de welstandscommissie het college van burgemeester en wethouders adviseert.

De nieuwe Woningwet verplicht burgemeester en wethouders om omgevings- vergunningplichtige bouwwerken te toetsen aan de welstandscriteria, zoals deze zijn opgenomen in de welstandsnota. Daarvoor wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke welstandscommissie. B&W zijn verantwoordelijk voor het besluit om de vergunning te verlenen. Binnen 8 weken moeten B&W op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen een beslissing hebben genomen.

Omgevingsvergunningsplichtige bouwwerkenworden door een gemandateerd ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht getoetst aan de ‘sneltoetscriteria’. Omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken die niet voldoen aan deze sneltoetscriteria, maar toch een kwalitatief goede aanvulling op de bestaande situatie lijken te vormen, alsmede omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken aan of nabij een monument of binnen de beschermde stadsgezichten die voldoen aan de sneltoetscriteria worden voor advies aan een welstandscommissie voorgelegd.

2.2.3 Aanvulling, evaluatie en aanpassingen op de welstandsnota

Na vaststelling van de welstandsnota zal de werking ervan jaarlijks in de gemeenteraad worden geëvalueerd. Naar aanleiding van deze evaluatie kan de gemeenteraad besluiten dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht.

Artikel 12b lid 3 van de Woningwet verplicht de welstandscommissie om eenmaal per jaar de gemeenteraad een verslag van de door haar verrichte werkzaamheden voor te leggen. In het verslag wordt tenminste uiteengezet op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria.

Na vaststelling van de welstandsnota kan de gemeenteraad ook tussentijds aanvullingen op de welstandsnota vaststellen. Dit is vooral het geval bij de grotere nieuwe projecten waarbij de welstandscriteria tezamen met de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden opgesteld. Voor dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding.

2.2.4 Verslag burgemeester en wethouders

Artikel 12c van de Woningwet verplicht B&W om tenminste eenmaal per jaar verslag aan de gemeenteraad uit te brengen over de wijze waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn omgegaan.

Het rapport beschrijft de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen. Daarnaast dient te worden aangegeven in welke categorieën van gevallen B&W de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen die voldoet aan de sneltoetscriteria niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen invulling hebben gegeven aan de welstandscriteria.

Verder wordt gerapporteerd in welke categorieën van gevallen B&W tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand’ (artikel 19 Ww) zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang.

Ook wordt in dit verslag melding gemaakt van het aantal malen dat burgemeester en wethouders gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verdagen (Ww artikel 46 lid 8).

3 De organisatie van welstandstoezicht

Dit hoofdstuk beschrijft de organisatie van welstandstoezicht in de gemeente Tholen. In de eerste paragraaf worden de samenstelling, taken en overlegvormen van de welstandscommissie uitgelegd. De tweede paragraaf gaat in op de verschillende soorten advies, die de welstandscommissie kan uitbrengen. En in de derde, vierde en vijfde paragraaf worden respectievelijk de handhaving van welstandstoezicht door de gemeente, de integrale welstands-monumentenadvisering en de indieningsvereisten voor beoordeling door de welstandscommissie beschreven.

3.1 De welstandscommissie

3.1.1 Inleiding

De bouwverordening van de gemeente Tholen bevat, volgens artikel 8 lid 6 Ww, voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.

3.1.2 Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie

Burgerleden in de commissie

De gemeente Tholen maakt gebruik van de mogelijkheid die de Woningwet biedt om een burgerlid op te nemen in de welstandscommissie. Het burgerlid heeft zitting in de welstandscommissie. Om een grotere maatschappelijke betrokkenheid te krijgen hebben burgers ook de mogelijkheid om de openbare welstandszittingen bij te wonen.

Klankbordgroep

Naast het burgerlid stellen B & W een klankbordgroep samen, waarin minimaal drie en maximaal 5 burgers van verschillende maatschappelijke groeperingen zitting kunnen nemen. Jaarlijks, tot tenminste drie jaar na inwerkingtreding van deze welstandsnota, betrekt de gemeente Tholen deze klankbordgroep bij de evaluatie van het welstandsbeleid. Van de klankbordgroep wordt verwacht dat zij vanuit hun achterban knelpunten en/of verbeterpunten, of opmerkingen aandragen ten aanzien van het welstandsbeleid. Jaarlijks wordt er, in het kader van de evaluatie van het welstandsbeleid, overleg gehouden, waarin de klankbordgroepleden knel- en/of verbeterpunten aandragen, die vanuit hun achterban naar voren zijn gekomen.

De taken van de klankbordgroep zijn als volgt vastgestled:

  • -

    inventariseren ervaringen met welstandscommissie en welstandsbeleid

  • -

    aandragen van verbeterpunten

De klankbordgroepleden krijgen het verslag van het 2-wekelijks overleg van de welstandscommissie toegestuurd en zijn vrij om zowel het openbare gedeelte als het niet openbare gedeelte van de commissievergaderingen bij te wonen.

Samenstelling welstandscommissie

De welstandscommissie heeft zitting in het gemeentehuis van Tholen en bestaat uit drie personen, te weten twee deskundigen op het terrein van architectuur, stedenbouw en/of aanverwante vakgebieden van de Stichting Dorp Stad en Land en een ingezetene van de gemeente Tholen, als burgerlid. De commissie kiest uit haar leden een voorzitter en een secretaris.

Bij afwezigheid van twee of meer leden treden plaatsvervangers op. Het burgerlid heeft geen plaatsvervanger. De leden zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De welstandscommissie beoordeelt alle omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen die niet aan de sneltoetscriteria voldoen. De welstandscommissie brengt advies uit aan het college van burgemeester en wethouders.

De integrale monumenten- en welstandscommissie adviseert in het geval van wijzigingsplannen voor monumenten en bouwplannen binnen de beschermde stadsgezichten. Deze commissie bestaat uit de welstandscommissie aangevuld met een monumentendeskundige van de Stichting Dorp Stad en Land. De monumentendeskundige en zijn/haar plaatsvervanger worden eveneens door het college benoemd.

De integrale commissie brengt bij wijzigingsplannen voor monumenten een advies uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet (welstandsbeleid), als aspecten op grond van de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen worden betrokken. In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op welstand en welke op de aanvraag om monumentenvergunning. De commissie forumuleert één gezamenlijke conclusie.

De welstandscommissie kan slecht adviezen uitbrengen indien minimaal twee leden aanwezig zijn. Voor de behandeling van monumentenplannen is daarnaast altijd de aanwezigheid van de monumentendeskundige of zijn/haar vervanger vereist.

Benoeming van de commissieleden

De welstandscommissie is volgens artikel 1 lid 1r Ww een door de gemeenteraad benoemde commissie van onafhankelijke deskundigen. De bevoegdheid van de raad tot het benoemen en ontslaan van leden van de welstandscommissie is bij besluit van 21 oktober 2004 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. De leden van de welstandscommissie worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging van nog eens drie jaar. Plaatsvervangende leden worden voor onbepaalde tijd benoemd. Bij de benoeming van een plaatsvervangend lid tot vast commissielid gaat de eerste benoemingstermijn van drie jaar in.

3.1.4 Taakomschrijving

De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de welstandscommissies worden uitgevoerd op grond van de Woningwet, de Monumentenwet 1988 en provinciale en gemeentelijke monumentenverordeningen. De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in deze welstandsnota.

De belangrijkste wettelijke taak is de toetsing van vergunningplichtige bouwwerken. Hiertoe brengt de welstandscommissie advies uit aan burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van omgevingsaanvragen voor het bouwen als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

De integrale monumenten- en welstandscommissie adviseert in het geval van wijzigingsplannen voor monumenten en bouwplannen binnen de beschermde stads- en dorpsgezichten.

De tweede wettelijke taak van de welstandscommissie is het opstellen van een jaarlijks verslag aan de gemeenteraad over de verrichte werkzaamheden (art. 12b lid 3 Ww). Naast de statistische gegevens over de hoeveelheid uitgebrachte welstandsadviezen, staat hierin ook omschreven hoe de commissie de welstandscriteria heeft toegepast.

Een niet wettelijk verplichte taak van de welstandscommissie is het voeren van vooroverleg met betrokkenen van een bouwplan. Daarnaast kan de welstandscommissie worden gevraagd burgemeester en wethouders te adviseren over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken.

De welstandscommissie beoordeelt alle omgevings-vergunningplichtige bouwplannen aan of nabij monumenten of binnen de beschermde stadsgezichten en de omgevings-vergunningplichtige bouwwerken die niet voldoen aan de sneltoetscriteria, maar toch een kwalitatief goede aanvulling op de bestaande situatie lijken te vormen.

Taken voorzitter

De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de grote commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij ziet erop toe dat de commissie adviseert op basis van de, in de welstandsnota gestelde, criteria.

De voorzitter leidt de discussie en geeft alle commissieleden de gelegenheid hun mening naar voren te brengen. Hij zorgt ervoor dat een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven op basis waarvan de secretaris het schriftelijke advies kan opstellen.

De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda en treedt op als gastheer voor de aanwezige opdrachtgevers, architecten en overige belangstellenden. Bij het overleg met de gemeenten (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten.

3.1.5 Openbaarheid

Voor wat betreft de formele omgevingsvergunningaanvragen vindt zowel de grote als de middelgrote commissievergadering in openbaarheid plaats. Op verzoek van de aanvrager en de gemeente kan hiervan, om redenen die in de Wet Openbaarheid van Bestuur, artikel 10 vermeld staan, van worden afgeweken.

Belanghebbenden (aanvrager en architect ) kunnen op verzoek in gelegenheid worden gesteld om in de middelgrote en grote commissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Dit dient van tevoren te worden gemeld bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht.

Belangstellenden kunnen de vergadering van de welstandscommissies bijwonen op de publieke tribune. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de welstandscommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling.

3.1.6 Vooroverleg

De gemeente Tholen biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Dit vooroverleg vindt niet in openbaarheid plaats.

De volgende zaken dienen te worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen.

Met het preadvies wordt verslag uitgebracht van het vooroverleg en eventueel gemaakte afspraken vastgelegd.

3.1.7 Stedenbouwkundige supervisie

Bij stedenbouwkundige planontwikkelingen kan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een supervisor worden aangesteld. Om de ruimtelijke kwaliteiten van het plangebied te bewaken begeleidt de supervisor initiatiefnemers. Hij informeert hen in een vroeg stadium van de planvorming over de criteria die bij de planbeoordeling worden gesteld.

3.2 Het welstandsadvies

3.2.1 Schriftelijk advies

Het advies van de welstandscommissie aan burgemeester en wethouders wordt altijd schriftelijk uitgebracht. Het geeft aan of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan' (art. 12 lid 1 Ww ), niet is strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Alle adviezen worden schriftelijk gemotiveerd.

Een behandeling van een plan in de grote of kleine commissie kan de volgende uitkomst hebben:

  • aanhouden

  • preadvies

  • niet strijdig

  • niet strijdig mits

  • strijdig tenzij

  • strijdig

  • aanvullend advies

3.2.2 Aanhouden

De welstandscommissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper of aanvrager gewenst of noodzakelijk is.

3.2.3 Preadvies

Voorafgaand aan een formele adviesaanvraag kan de ontwerper of aanvrager verzoeken om een vooroverleg. Van dit vooroverleg wordt middels een preadvies een notitie gemaakt.

Indien in het vooroverleg een plan ter sprake komt dat afwijkt van de gebiedsgerichte criteria maar niettemin niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand volgens de algemene criteria, dan zal dit expliciet in het preadvies worden vermeld, zodat het college zich daar een zelfstandig oordeel over kan vormen.

3.2.4 Niet strijdig

De welstandscommissie adviseert positief aan B & W omdat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand. De commissie legt haar advies vast in een notitie. Eventueel geeft de commissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord.

3.2.5 Niet strijdig mits

Een ‘niet strijdig mits’ houdt in dat de hoofdopzet en de plaatsing van de bouwmassa voldoen aan redelijke eisen van welstand. Het plan vraagt nog om een nadere uitwerking of tegen de voorgelegde uitwerking bestaan op grond van de criteria nog bezwaren. Het ‘mits’ kan niet als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Na een ‘niet strijdig mits’ wordt een gewijzigd of nader uitgewerkt plan altijd opnieuw aan de welstandscommissie voorgelegd.

3.2.6 Strijdig tenzij

Een 'strijdig tenzij' houdt in dat het plan strijdig is met de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de welstandscommissie die heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen. B & W kan ook besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

3.2.7 Strijdig

De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met de redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.

3.2.8 Aanvullend advies

Als er na een advisering een gesprek in de commissie volgt, dan wordt het verslag van dit gesprek, in geval van een negatief advies (strijdig met redelijke eisen van welstand), opgesteld door de secretaris, als aanvulling op het eerdere gegeven advies. Een aanvullend advies zal ook gegeven worden als het college om een nadere motivering of schriftelijke toelichting op het eerdere advies verzoekt.

3.2.9 Afwijken van welstandsadvies

Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden.

Afwijken van het advies op inhoudelijke grond / second-opinion:

Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie, indien de commissie, naar oordeel van B&W, de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of niet de juiste criteria heeft toegepast. Burgemeester en wethouders vragen in dat geval een second-opinion aan bij een andere adviescommissie. Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Afwijken van het advies om andere redenen

Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 44 lid 1 d Ww de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat bij een juridische afweging door een rechter de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen.

Afwijken van de criteria

De welstandscommissie kan bij haar advisering niet afwijken van het welstandsbeleid. Echter bij bouwplannen die weliswaar niet voldoen aan enige gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria, maar die niet strijdig zijn met redelijke eisen van welstand, kan de commissie door middel van een schriftelijke motivatie B & W adviseren toch een positief welstandsoordeel uit te brengen op basis van de algemene welstandscriteria.

De mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om af te wijken van vastgestelde welstandscriteria wordt aangeduid als de hardheidsclausule. Voor toepassing van de hardheidsclausule hanteert B&W de volgende algemene formulering:

“Het uiterlijk en plaatsing van een bouwwerk of standplaats is (niet) in strijd met redelijke eisen van welstand – beoordeeld naar de criteria, conform art. 12 van de Woningwet en verwoord in de door de gemeente vastgestelde welstandsnota – indien burgemeester en wethouders daartoe op basis van een gemotiveerd advies besluiten.”

Deze situatie kan zich voordoen wanneer een bouwplan (niet) strijdig is met de, in de welstandsnota gestelde criteria, maar toch, naar het oordeel van de welstandscommissie, (niet) strijdig is met redelijke eisen van welstand. De commissie dient daarbij te motiveren waarom afwijking van het gestelde criterium verantwoord is.

3.2.10 Indienen van bezwaar

Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftenprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen toelichten. Belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan.

Eventueel kunnen de planindiener en/of de ontwerper een toelichting door de welstandscommissie vragen. Op grond van de voor- en tegenargumenten kan de welstandscommissie het advies herzien. Deze herziening wordt in het uiteindelijke advies gemotiveerd.

3.3 Handhaving welstandstoezicht

De gemeente Tholen geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich inspannen voor de naleving daarvan. De gemeente zal prioriteit geven aan het handhavingsbeleid en illegale bouwwerken of gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan actief opsporen en daar tegen optreden. De gemeente Tholen heeft een Handhavingsnota opgesteld, waarin het handhavingsbeleid uiteengezet is.

3.3.1 Excessenregeling

De Woningwet (artikel 13a) biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om repressief (achteraf) tegen excessen op te treden.

Bij een exces gaat het altijd om een ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving. Voor de gemeente geldt het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid (exces) in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is.

Een exces is "in ernstige mate strijdig met redelijke eisen van welstand". De excessenregeling is gebaseerd op artikel 12 lid 1, artikel 12a en artikel 13 van de Woningwet.

De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. Indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijke eisen van welstand kan tot aanschrijving door burgemeester en wethouders worden besloten. Indien er door de gemeente besloten wordt tot aanschrijving zal de welstandscommissie en/of de monumentencommissie verzocht worden het bouwwerk in een gemotiveerd advies te beoordelen op uiterlijk en plaatsing. Bij wijzigingen aan een monument kan zowel de schade aan het gebouw en/of aan de monumentale waarden gewogen worden alsook een beoordeling op welstandsgronden plaatsvinden. In een gebied met een hoog welstandsniveau, zoals de beschermde stadsgezichten, zal eerder sprake zijn van een exces dan in een gebied met een laag niveau.

De excessenregeling geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken.

Onderstaande criteria worden gehanteerd in samenhang met de algemene welstandscriteria en eventueel de gebiedsgerichte criteria, de criteria bijzondere bouwwerken en de criteria voor reclame uitingen.

Van een exces (ernstige ontsiering) kan onder meer sprake zijn indien:

  • -

    een bouwwerk of een gedeelte daarvan in extreme staat van verwaarlozing verkeert;

  • -

    een bouwwerk of een gedeelte daarvan door het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en/of versieringen van de gevel, de samenhang van het (straat-) beeld verstoort;

  • -

    er op het bouwwerk niet bij het bouwwerk en/of zijn omgeving passende kleuren of schilderingen zijn aangebracht;

  • -

    er te opdringerige reclames zijn;

  • -

    een bouwwerk zich visueel of fysiek afsluit voor zijn omgeving en/of landschap en/of een perceel en/of ander bouwwerk (kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gesloten/niet doorzichtige erfafscheidingen en dichtgezette gevelelementen enz.);

  • -

    een bouwwerk of gedeeltelijk is afgebrand, ingestort, en/of gesloopt;

  • -

    er door gedeeltelijke afbraak, instorting verwaarlozing of het ritme in de gevel (-wand) is verstoord;

  • -

    het bouwwerk aan de buitenzijde geheel of gedeeltelijk in ernstige mate is beschadigd;

  • -

    bij aanpassing van een bouwwerk architectonische bijzonderheden worden/zijn vernietigd danwel ontkend (onzorgvuldig zijn bijvoorbeeld het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden door bijvoorbeeld het plaatsen van reclame voor ramen of het deels wegbreken van siermetselwerk en lijsten);

  • -

    er inferieur (armoedig) materiaal is gebruikt;

  • -

    er een grove inbreuk is op wat in de omgeving gebruikelijk is;

  • -

    de gevel (bijvoorbeeld detaillering en voegwerk) in ernstige mate wordt verstoord door (onderdelen van) installaties of door andere toevoegingen;

  • -

    er graffiti is aangebracht of het bouwwerk anderszins is beklad;

  • -

    er verflagen aan de buitenzijde zijn afgebladderd;

  • -

    de huisstijl van een bedrijf de gevel van het bouwwerk domineert (bijvoorbeeld door kleur, lichtlijnen, folie enz.).

De excessenregeling geldt niet indien:

  • -

    de gemeenteraad het gebied of de categorie van bouwwerken welstandsvrij heeft verklaard;

  • -

    indien het bouwwerk bestemd is om in een tijdelijke behoefte van maximaal 5 jaar te voorzien (tijdelijke vergunning voor maximaal 5 jaar).

3.4 Indieningsvereisten

Zowel de middelgrote als de grote commissie kunnen zich een goed oordeel vormen als tenminste de volgende zaken worden aangeleverd:

  • situatietekening inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1 :1000),

  • foto’s van de bestaande situatie en de omgeving,

  • tekeningen van plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100),

  • (bij verbouwingsplannen) tekeningen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100),

  • tekeningen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk,

  • kleurenschema’s,

  • materiaallijst.

Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen.

Daarnaast moet de welstandscommissie beschikken over de relevante criteria uit de welstandsnota. Wanneer het plan een monument betreft, dienen de redengevende beschrijving van het monument en de constructiegegevens bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn.

De kwaliteit van het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto’s etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving.

De rayonarchitect die de vergadering van de grote commissie voorbereidt, wordt hierbij ondersteund door een ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht zodat de vereiste informatie om het plan te kunnen beoordelen aanwezig is.

4 Welstandskaders

Dit hoofdstuk geeft uitleg over de soorten en toepassing van welstandsciteria, welstandsniveaus en de bij deze niveaus behorende beoordelingsaspecten. Het hoofdstuk vormt tevens de inleiding van hoofdstuk 5 tot en met 8, waarin de verschillende welstandscriteria voor de gemeente Tholen inhoudelijk zijn vastgelegd.

4.1 Welstandscriteria

Welstandscriteria zijn objectieve beoordelingsaspecten om het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of te verwachten ontwikkeling daarvan, te kunnen beoordelen. Vanwege de verscheidenheid in grootte van de te beoordelen bouwwerken en vanwege de karakteristieken en waarden van gebieden, gebouwen of samenstelsels van gebouwen waarin deze bouwwerken gerealiseerd worden, worden vier soorten welstandscriteria onderscheiden:

  • 1

    De algemene criteria vormen de onderlegger voor de overige drie soorten criteria en fungeren als vangnet voor plannen die buiten de overige drie soorten criteria vallen. In hoofdstuk 5 worden de algemene criteria nader omschreven.

  • 2

    De gebiedsgerichte criteria zijn gekoppeld aan specifieke gebiedstypen binnen de gemeente Tholen. Deze gebiedstypen hebben ieder een specifieke gebiedskarakteristiek, waarmee bij de toetsing van bouwplannen rekening gehouden dient te worden. Een gebiedstype kan bijvoorbeeld zijn een historisch dorpsgebied, een bedrijventerrein of een natuurgebied. De verschillende gebiedstypen van de gemeente Tholen zijn omschreven in hoofdstuk 6 en vastgelegd in een gebiedstypekaart. De gebiedstypekaart is als bijlage bij deze welstandsnota toegevoegd.

  • 3

    De criteria voor bijzondere bouwwerken richten zich op de specifieke waarden en kenmerken van monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en overige bijzondere bouwwerken in de gemeente Tholen. Deze specifieke waarden, kenmerken en criteria van bijzondere bouwwerken zijn omschreven in hoofdstuk 7. De monumenten in de gemeente Tholen zijn vastgelegd in de monumentenlijst.

  • 4

    Sneltoetscriteria zijn geformuleerd om veel voorkomende kleine bouwplannen, te toetsen. Het gaat hier om eenduidige en objectieve welstandscriteria, die planindiener en ontwerper vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dienen te geven. In hoofdstuk 8 wordt verder op de sneltoetscriteria ingegaan en zijn deze criteria inhoudelijk omschreven.

4.2 Welstandsniveaus

De gemeente Tholen omvat vele verschillende gebiedstypen die qua beeld, beleving en ruimtelijk ambitieniveau sterk uiteenlopen. Het is logisch dat de welstandstoetsing in deze karakteristieke gebieden op een daarbij passende wijze wordt ingezet. Er worden daarom 4 welstandsniveaus onderscheiden. In historisch waardevolle gebieden zal de welstandstoets tot doel hebben de specifieke kwaliteiten te bewaken en versterken. In reguliere woon- en werkgebieden zal de welstandstoets gericht zijn op het bewaken van de basiskwaliteiten. Hier zal een minder streng welstandstoezicht gevoerd worden.

4.2.1 Welstandsniveau 1: zware toetsing

Dit welstandsniveau wordt door de gemeente Tholen toegekend aan structuren, gebieden en objecten, die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de dorpen, de stad en het landschap. Ook gebieden met bijzonder cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige karakteristieken kunnen welstandsniveau 1 krijgen, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden. Dit is zeker het geval voor beschermde stads- of dorpsgezichten.

Dit niveau kan verder worden toegekend aan ontwikkelingsgebieden en reconstructiegebieden waarvoor een hoog ambitieniveau is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan of het beeldkwaliteitplan.

Voor individuele monumenten wordt altijd niveau 1 gehanteerd, ongeacht het niveau van het gebied waarin ze liggen.

Beleid

Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken. In beheersituaties gebeurt dit vooral door middel van regels en toetsing. Bij nieuwe ontwikkelingen ligt het accent voornamelijk op het stimuleren van kwaliteit.

Toetsing

Zware toetsing houdt in dat over alle vergunningplichtige plannen in eerste instantie advies wordt gevraagd aan de middelgrote commissie. Bij deze toetsing wordt met name gelet op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en de detaillering ervan en het kleur- en materiaalgebruik.

4.2.2 Welstandsniveau 2: reguliere toetsing

Onder welstandsniveau 2 vallen de gebieden die, vanuit het perspectief van de gemeente Tholen, om een zorgvuldige afstemming vragen van ontwikkelingen van de ruimtelijke kwaliteit en nieuwe bouwkundige ingrepen. Dit zijn onder andere gebieden rondom hoofdontsluitingswegen, dorps- en stadsranden en waardevolle woonbuurten, prominente bedrijventerreinen en delen van het buitengebied.

Beleid

De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van een gebied.

Toetsing

Over alle omgevingsvergunningplichtige bouwwerken die niet voldoen aan de sneltoetscriteria wordt een welstandsadvies van de middelgrote commissie gevraagd. Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken, die voldoen aan de sneltoetscriteria, worden door een bevoegd ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht afgehandeld.

Bij deze beoordeling wordt met name gelet op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en (indien van essentieel belang) de detaillering ervan en het kleur- en materiaalgebruik.

4.2.3 Welstandsniveau 3: lichte toetsing

Gebieden met een welstandsniveau 3 kunnen beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. Dit zijn met name de op zichzelf gelegen gebieden die niet of nauwelijks invloed uitoefenen op het silhouet of de beleving van de omgeving. De gemeente Tholen stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en voert geen expliciet kwaliteitsbeleid.

Beleid

Het welstandsbeleid is gericht op de handhaving van de basiskwaliteit van een gebied.

Toetsing

Omgevingsvergunningplichtige plannen worden door de middelgrote welstandscommissie beoordeeld. Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken, die voldoen aan de sneltoetscriteria, worden door een bevoegd ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht afgehandeld.

Bij deze beoordeling wordt met name gelet op de relatie met de omgeving en (indien van belang voor de basiskwaliteit van het gebied) het bouwwerk op zichzelf.

4.2.4 Welstandsniveau 4: welstandsvrije gebieden

In gebieden met welstandsniveau 4 worden plannen niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Niveau 4 kan gelden voor sommige niet-openbaar toegankelijke gebieden, zoals zuiveringsinstallaties, of voor een nieuw te ontwikkelen gebied waarin, bij wijze van experiment, geen beperkingen worden gesteld aan onderlinge afstemming en architectonische vormgeving. Na een proefperiode van 2 jaar zijn in 2010 recreatieparken en campings (gebiedstype G5) aangewezen als welstandsvrij gebied.

4.3 Beoordelingsaspecten

De beoordelingsaspecten waarop bouwwerken getoetst worden, zijn in drie groepen te verdelen: hoofdaspecten, deelaspecten en detailaspecten. Bouwwerken in welstandsniveau 1, zware toetsing, worden op de hoofd-, deel-, en detailaspecten getoetst. Bouwwerken in welstandsniveau 2, reguliere toetsing, worden op hoofd- en deelaspecten getoetst. Bouwwerken in welstandsniveau 3, lichte toetsing, worden alleen op hoofdaspecten getoetst.

4.3.1 Beoordelingsaspecten A: hoofdaspecten

Plaatsing / situering

  • afstemming van de plaats van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de plaats van het object op die van de belendingen.

  • overeenstemming van de plaats van het object op het kavel met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object.

  • wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: overeenstemming van de situering van de bouwdelen onderling met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object.

Massavorm

  • afstemming van de massavorm van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de massavorm van het object op die van de belendingen.

  • een evenwichtige compositie van de massavorm van het object.

  • wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: een evenwichtige en samenhangende compositie van de bouwdelen onderling

aandachtspunten:

schaal en maatverhoudingen (bijv. tussen gevelvlak en dakvlak), horizontaliteit-verticaliteit, nokrichting en oriëntatie, kapvorm en dakhellingshoek, profielvorm

Gevelopbouw

  • afstemming van de gevelopbouw van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de gevelopbouw van het object op die van de belendingen.

  • een evenwichtige compositie van de gevelopbouw.

aandachtpunten:

verhouding tussen verschillende gevelvlakken, open-dicht-verhouding

Materialen en kleuren hoofdvlakken

  • afstemming van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken op die van de belendingen.

  • consistente toepassing van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken in dienst van de architectonische expressie van massavorm en gevelopbouw.

  • evenwicht en samenhang in de materiaal- en kleurtoepassing op zich.

4.3.2 Beoordelingsaspecten B: deelaspecten

Compositie massa-onderdelen (geledingen)

  • afstemming van de compositie van de massa-onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de compositie van de massa-onderdelen op de belendingen.

  • evenwichtige verhouding van massa-onderdelen tot de hoofdmassavorm(en).

  • evenwicht en samenhang in de compositie van de massa-onderdelen op zich.

aandachtspunten:

structurele verwantschap (kenmerkende massaverhoudingen en hiërarchie), schaal en maat

Gevelindeling

  • afstemming van de gevelindeling op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de gevelindeling op de belendingen.

  • evenwichtig en samenhang in de gevelindeling op zich.

aandachtspunten: plaatsing gevelelementen in het vlak, open-dicht verhouding, verticaliteit-horizontaliteit, hiërarchische verhoudingen tussen gevelelementen onderling

Vormgeving gevelelementen

  • afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de belendingen.

  • vormgeving van de gevelelementen in dienst van de architectonische expressie van het gevelvlak.

  • evenwicht en samenhang in de vormgeving van de gevelelementen op zich

Materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing)

  • afstemming in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen op die van de belendingen.

  • consistente toepassing in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van massavorm en gevelopbouw.

  • evenwicht en samenhang in grote lijnen in de materiaalkeuze, kleurkeuze en detaillering op zich.

4.3.3 Beoordelingsaspecten C: detailaspecten

Materialen onderdelen

  • afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op die van de belendingen.

  • consistente materiaalkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object.

  • evenwicht en samenhang in de materiaalkeuze voor onderdelen op zich.

Kleuren onderdelen

  • afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op die van de belendingen.

  • consistente kleurkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object.

  • evenwicht en samenhang in de kleurkeuze voor onderdelen op zich.

Detaillering onderdelen

  • afstemming van de detaillering van onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen.

  • afstemming van de detaillering van onderdelen op die van de belendingen.

  • consistente detaillering van onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object.

  • evenwicht en samenhang in de detaillering van onderdelen op zich

5 Algemene welstandscriteria

De algemene welstandscriteria richten zich op de uitstraling en kwaliteit van het architectonisch ontwerp en gaan uit van een aantal basisprincipes. Deze algemene welstandscriteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en vormen de onderlegger voor de verdere uitwerking in specifieke gebiedsgerichte en objectgerichte criteria.

In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan inspiratieloos is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft, dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan strijdig is met de gestelde gebiedsgerichte of objectgerichte criteria, maar door zijn bijzondere schoonheid wél een kwalitatieve toevoeging aan zijn omgeving vormt, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren de hardheidsclausule toe te passen en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Er volgt dan een advies op basis van het beleid, aangevuld met de motivatie om af te wijken.

5.1 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Een ontwerp is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als de uiterlijke verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het is gemaakt. Daarnaast moet de vormgeving ook zijn eigen samenhang en logica hebben.

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. De vorm van het bouwwerk kan niet los worden gezien van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken.

Wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de uiterlijke verschijningsvorm tijdens het ontwerpproces bepalen, dient het uiteindelijke ontwerp een begrijpelijke relatie te houden met zijn oorsprong. Als de uiterlijke verschijningsvorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

5.2 Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.

Gevels en bouwvolumes vormen tezamen de wanden van de openbare ruimte. Daarnaast bepalen zij de externe begrenzing van een gebouw. Dit gebouw is een particulier object in een openbare context. Met andere woorden: het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Het bouwwerk moet een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

5.3 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als verwijzingen en associaties zorgvuldig zijn gebruikt en uitgewerkt. Hierdoor ontstaat een bouwwerk dat past binnen de actuele culturele ontwikkeling en maatschappelijke realiteit.

Voor architectonische vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Een bouwwerk is verwarrend of saai als die regels niet bewust of ongeïnspireerd worden gehanteerd.

Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Transparante gevels van glas en metaal roepen bijvoorbeeld associaties op met techniek en vooruitgang.

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht van een bouwwerk ligt vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Een passend ontwerp kan op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Een ontwerp kan zijn geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar moet geen imitatie worden van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden.

5.4 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren. Complexiteit in het architectonische ontwerp ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen. Bij een passend ontwerp zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie.

5.5 Schaal en maatverhoudingen

Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als de maatverhoudingen in ruimtes, volumes en vlakverdelingen een duidelijke samenhang vertonen.

leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of betekenis van de bouwopgave. De maatverhoudingen van het bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan. Ze moeten aangenaam, evenwichtig en spannend zijn.

De kracht van een compositie is groter naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Als toegevoegde elementen te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld van het object en van de omgeving waarin het is geplaatst.

5.6 Materiaal, textuur, kleur en licht

Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding is een bouwwerk zichtbaar en voelbaar. De keuze in materialen, texturen en kleuren is vrijwel onbeperkt. Materiaal- en kleurkeuze zijn gekoppeld aan de architectonische vormgeving en ondersteunen het ontwerp. Bij een willekeurige toepassing van kleuren en materialen ontstaat een onsamenhangend beeld dat afbreuk doet aan de uitstraling van het bouwwerk.

6 Gebiedsgerichte welstandscriteria

Binnen de gemeente Tholen zijn verschillende gebieden te onderscheiden, die een duidelijke karakteristiek hebben op grond van ontstaansgeschiedenis, ruimtelijke verschijningsvorm en functies. Om deze gebiedskarakteristiek te behouden of zonodig te versterken, zijn gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld.

Na een beschrijving van de ruimtelijke karakteristiek van de gemeente Tholen in zijn geheel worden in dit hoofdstuk de verschillende gebiedstypen beschreven en door middel van foto’s en plattegronden in beeld gebracht. Tevens zijn de gebiedstypen in kaart gebracht op een gebiedstypekaart, die als bijlage bij deze welstandsnota is gevoegd.

Vervolgens is per gebiedstype geïnventariseerd welke ontwikkelingen in de gemeente aan de gang zijn en welk ruimtelijk beleid de gemeente Tholen nastreeft met betrekking tot het gebiedstype of een specifiek deel daarvan.

Het ruimtelijk beleid en de ontwikkelingen vormen, samen met de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied, de historische waarde ervan, de gezichtsbepalendheid als geheel en de ligging, de uitgangspunten voor de waardebepaling per gebiedstype of een specifiek deel daarvan. Op basis van deze waardebepaling zijn de welstandsniveaus per (deel)gebiedstype vastgesteld en in kaart gebracht op de welstandsniveaukaart. Deze kaart is als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd. Het spreekt voor zich dat binnen een gebiedstype verschillende welstandsniveaus mogelijk zijn.

Tenslotte zijn per (deel)gebiedstype de gebiedsgerichte welstandscriteria vastgelegd, afgestemd op de welstandsniveaus.

6.1 De ruimtelijke karakteristiek van de gemeente Tholen

Polders, dijken, dorpen en twee stadjes. Akkerland. Ruimte. Rust. Een verre horizon en hoge luchten. Dat is, in wel heel kort bestek, de karakteristiek van het eiland Tholen.

Het is in sterke mate een door de mens gemaakt landschap en de wordingsgeschiedenis is uit het landschap af te lezen.

6.1.1 Het landschap

Wat hu het eiland Tholen is, bestond in de middeleeuwen uit vijf eilanden van opgewassen grond, sommige nog nauwelijks voor bewoning geschikt omdat ze bij erg hoog water nog onder kwamen te staan. De eilanden waren van elkaar gescheiden door stroomgeulen en bij eb droogvallende schorren. Vermoedelijk is men in de 12e eeuw begonnen met het aanleggen van dijken om het oudland beter tegen hoogwater te beschermen. Uiteindelijk lag dit oudland binnen een ringdijk. Daarna werden door achtereenvolgende bedijkingen de omringende schorren en geulen ingepolderd en de eilanden samengevoegd.

Zo werd in het begin van de 13e eeuw het eiland Sint-Maartensdijk door een dijk omgeven. Later, in de 14e en 15e eeuw is de bedijking voortgezet door de aan het eiland grenzende schorren in te polderen.

Uit de namen van de dijken is de geschiedenis van landwinning ook af te lezen. De “Eerste dijk” omgeeft de Oudeland polder, het vroegere eiland Sint-Maartensdijk. Met de “Tweede Dijk” werd in ongeveer 1310 de Middelland polder op het water gewonnen. Ongeveer 40 jaar later werd met de “Derde Dijk” de Noordpolder gevormd en tegen het midden van de 15e eeuw wierp men de “Vierde Dijk” op en ontstond de Uiterste Nieuwland polder. Hieruit is te zien hoe het Tholense landschap is verweven met de historie van de strijd tegen het water.

De laatste grote geul, de Pluimpot, die Tholen in een westelijke en oostelijke helft verdeelde werd in 1556 op twee plaatsen afgedamd. Een laatste deel van de Pluimpot, dat Scherpenisse en Sint-Maartensdijk tot in de 20e eeuw over water bereikbaar maakte, werd nog in 1957 afgesloten. De zo ontstane Pluimpotpolder was de laatste grote inpoldering op het eiland.

De ruimte van Tholen is daarmee een opgedeelde ruimte geworden. Een kleinschalig landschap van bedijkte inpolderingen. Vaak kleine polders, de Oudeland polder van Sint-Maartensdijk is 494 ha. groot, de Middelland polder maar ongeveer 274 ha. Waarheen je ook kijkt zie je dijken, in het landschap herkenbaar door de boombeplanting, die het lagere polderland omgeven. De verkaveling van het polderland is, als gevolg van de herverkaveling die na de watersnoodramp van 1953 plaatsvond, vrij modern en gericht op het agrarische gebruik, voornamelijk ten behoeve van de landbouw. Toch heeft niet al het land een agrarische functie, enkele kleinere gebieden zijn aangewezen als natuurgebied: de Pluimpot ten zuiden van Sint-Maartensdijk, de welen onder Stavenisse, het Stinkgat in de Van Haaftenpolder en het Rammegors bij Sint Philipsland. Ook de buitendijkse schorren en slikken hebben een grote natuurwaarde als fourageer- en pleisterplaats voor talrijke vogelsoorten.

6.1.2 Het gebruik en de invulling van het landschap

Dit landschap van polders en dijken vormt het decor voor talloze boerderijen, 4 buurtschappen, 7 dorpen en twee stadjes.

Het is een agrarisch gebied bij uitstek. Tholen leeft van het land. De voornaamste gewassen zijn tarwe, suikerbieten, aardappelen en uien. Daarnaast is er bij Sint-Annaland enige glastuinbouw. Een steeds belangrijker plaats neemt de teelt van gras en bloemzaad in. Vooral in de zomer geven de vele akkers met bloemen het eiland een kleurrijk aanzien. Ook is er wat bedrijvigheid. Sint-Maartensdijk, Tholen, Poortvliet, Sint Philipsland, Sint-Annaland en Oud-Vossemeer hebben een bedrijventerrein. De landschappelijke inpassing van deze terreinen had meer aandacht verdiend dan er bij de aanleg kennelijk aan gegeven kon worden.

De boerderijen

Het eiland Tholen heeft enkele monumentale boerderijen. Genoemd kunnen worden het Huys Vermuyden aan de Kettingdijk, de hofstede Nooitgedacht onder Sint-Annaland en de hofstede Reygersburgh uit 1680 aan de Provincialeweg van Sint-Maartensdijk naar Stavenisse.

Er is geen specifiek Tholens boerderijtype, daarvoor verschillen de boerderijen in uiterlijk en indeling teveel. Het algemene beeld is een woonhuis met een relatief grote schuur met een varkenshok, een bakkeet of -huis waar men vroeger brood bakte en ’s zomers ook woonde en een wagenschuur. Meestal staat het woonhuis vrij, soms is het aan de schuur gebouwd. De boerderijen liggen in de polders. Soms op korte afstand van de dijk, maar ook midden in de polder aan één van de polderwegen. Veel boerderijen hebben erfbeplanting.

De woonkernen

Tholen heeft 7 dorpen en 2 stadjes. De dorpen zijn: Anna Jacobapolder, Oud-Vossemeer, Poortvliet, Scherpenisse, Sint-Annaland, Sint Philipsland en Stavenisse; de stadjes zijn Sint-Maartensdijk en Tholen.

Daarnaast zijn er nog 4 buurtschappen: Botshoofd (ten noorden van de stad Tholen aan de Leguitse Dijk), Schakerloo of Oudeland (ten zuiden van Tholen), De Sluis (aan de Zeedijk ten oosten van Sint Philipsland) en Westkerke (ten zuiden van Scherpenisse).

Hoewel Tholen met zo’n 6600 inwoners de grootste woonkern is zijn de verschillen tussen stad en dorp niet zozeer de grootte als wel de historie. Tholen en Sint-Maartensdijk kregen respectievelijk in de 14e eeuw (1366) en in de 15e eeuw stadsrechten. Dat wil overigens niet zeggen dat ze veel ouder zijn dan de andere dorpen. Ook de plaatsjes Scherpenisse, Stavenisse en Poortvliet worden al in archiefstukken uit het begin van de 13e eeuw genoemd.

De dorpen Sint-Annaland, Scherpenisse, Stavenisse, Sint Philipsland en buurtschap De Sluis zijn ontstaan aan de zeedijk in de laaggelegen polder, waarbij er aan de andere kant van de zeedijk vaak een haventje is of geweest is. Deze dorpen zijn van het type voorstraatdorp (Stavenisse) of ringvoorstraatdorp (Sint-Annaland, Sint Philipsland). Ook Scherpenisse heeft enige kenmerken van een voorstraatdorp.

De dorpen Anna Jacobapolder, Oud-Vossemeer en Poortvliet liggen meer midden in het polderland, maar ook dan is de dijk nooit ver weg. Oud-Vossemeer en Poortvliet zijn ringdorpen, Anna Jacobapolder is een typisch wegdorp, in 1847 ontstaan aan de kruising van twee polderwegen.

6.2 Gebiedstypen

De bebouwde omgeving van de gemeente Tholen bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden zoals historische dorpscentra, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Vanuit de vaststelling dat er bij elke gemeente in Nederland min of meer sprake is van een aantal dezelfde gebiedstypen met dezelfde gebiedsomschrijvingen en gebiedstyperingen is landelijk een onderscheid gemaakt in een aantal hoofdgroepen. In het kader van een landelijke uniformiteit is de gemeentelijke gebiedsindeling hierop afgestemd. Dit heeft geleid tot de volgende gebiedsopdeling:

  • H

    Historisch gegroeide gebieden

  • W

    Planmatig ontworpen woongebieden

  • B

    Bedrijvengebieden

  • G

    Groene gebieden

  • T

    Gebieden met bijzondere bebouwingsthema’s

  • N

    Nieuwe ontwikkelingen

Hierna worden per hoofdgroep de gebiedstypen van de gemeente Tholen omschreven.

Gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan is opgesteld vallen buiten deze gebiedsindeling. Deze gebieden zijn in een apart omschreven.

6.3 Historisch gegroeide gebieden H

6.3.1 H1: historische dorpsgebieden (organisch gegroeid)

Beschrijving

Veel dorpen zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. Iedere regio heeft zijn eigen typen, zoals de brinkdorpen, de voorstraatdorpen, ringdorpen en wegdorpen bij jonge ontginningen. Daarnaast zijn er ook dorpen met een andere ontstaansgeschiedenis, zoals marktplaatsen, strategische vestigingen of nederzettingen met een meer industriële oorsprong.

De oude dorpsgebieden kenmerken zich door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Naast wonen zijn er functies als detailhandel en ambachten. In sommige gevallen treffen we nog oude molens, kerken en boerderijen aan.

De uiterlijke verschijningsvorm van de bouwwerken binnen de historische dorpsgebieden is zeer divers. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping of circa een meter daarboven ligt. Incidenteel komt hogere bebouwing voor. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. De woningen en winkels zijn meestal direct aan de weg of het trottoir gesitueerd.

In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van oranjerode pannen, soms ook wel grijsblauw. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van overwegend wit schilderwerk, soms aangevuld met een tweede, veelal donkere kleur.

Oorspronkelijke dorpsgebieden vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. Ze vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde, zijn belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H1:

• Anna Jacobapolder:

het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Oud-Vossemeer:

het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Poortvliet:

het centrum en het zuidoosten van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland:

het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Sint Philipsland:

het centrum en het zuidoosten van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Scherpenisse:

het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart)

• Stavenisse:

het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Voor de kommen van de dorpen geldt over het algemeen dat bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten het historische en dorpse karakter van de bestaande kern niet wordt aangetast. De bestemmingsplannen “Bebouwde kom Anna Jacobapolder”, “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint Annaland”, “Kern Sint Philipsland”, “Kom Scherpenisse” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze kernen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De historische dorpskernen zijn van cruciale betekenis voor het totaalbeeld van de gemeente Tholen. Met name de bebouwing en ruimtelijke structuur rondom de historische routes zijn vaak zeer karakteristiek en waardevol. Dit zijn bijvoorbeeld wegen van de kerk naar de haven, zoals de Voorstraat in Sint-Annaland, Stavenisse en Sint Philipsland. Daarnaast zijn er nog enkele fraaie pleinen en straatjes rondom de kerken van Poortvliet, Oud-Vossemeer en Sint-Annaland. Verder is de bebouwing langs de stationsstraat in Sint Philipsland zeer karakteristiek. Bovenstaande gebieden dienen ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria getoetst te worden op welstandsniveau 1. Bij ontwikkelingen en wijzigingen in de overige gebieden binnen het type H1 kan worden volstaan met een toetsing op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. Patronen en ritmiek binnen aaneengesloten gevels van een straatwand zijn gerespecteerd.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de veelal rijke detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.3.2 H2: historische dorpse bebouwingslinten (open, perceelsgewijze bebouwing)

Beschrijving

Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn vanuit de historische bebouwingskernen in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Ook ontstonden langs secundaire landwegen op strategische plekken bebouwing. Veel van deze bebouwingslinten zijn later opgenomen in nieuwe wijken. Vaak is de oorspronkelijke samenhang in het wegennet nog herkenbaar, maar soms zijn het slechts fragmenten in een nieuwe omgeving. Aan het beeld van deze routes is de ontstaansgeschiedenis van de gemeente binnen de oorspronkelijke landschappelijke omgeving af te lezen.

De historische dorpse lintbebouwing kenmerkt zich door kleinschaligheid. De veelal vrijstaande woningen staan op korte afstand van elkaar en vormen, door hun plaatsing tegen de voorgevelrooilijn, een redelijk gesloten gevelwand. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping of circa een meter daarboven ligt. De woningen hebben meestal een zadeldak voorzien van oranjerode pannen. Ook mansardekappen komen regelmatig voor. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop.

Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype H2 vallen:

• Oud-Vossemeer :

langs alle uitvalswegen (zie gebiedstypenkaart)

• Poortvliet :

langs de Paasdijkstraat, Hogeweg en Stoofstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland :

langs de Langeweg, Bierenstraat en Javadijk (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Maartensdijk :

langs Achter ’t bos, Westkerkseweg en de provinciale weg ten noorden van Sint-Maartensdijk (zie gebiedstypenkaart)

• Scherpenisse :

langs de Westkerkseweg, Platteweg en oude provinciale weg (zie gebiedstypenkaart)

• Stavenisse :

langs Havenpad, Stoofpad, Kerkstraat en Poststraat (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De dorpse bebouwingslinten komen in vrijwel alle dorpen verspreid over de kernen voor. Algemeen kan worden gesteld dat het beleid bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten is dat het historische en dorpse karakter van het bestaande bebouwingslint niet wordt aangetast. De bestemmingsplannen “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint- Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk”, “Achter ’t bos Sint-Maartensdijk”, “Kom Scherpenisse” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen rondom de bebouwingslinten.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De dorpse historische bebouwingslinten tonen in grote lijnen de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Tholen. Historische hoofdroutes worden geflankeerd door veelal vrijstaande kleinschalige bebouwing. Het behoud van deze historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van belang geacht. Langs een gedeelte van de Poststraat in Stavenisse en langs de Molenstraat, Onder de molen en de westzijde van de Dorpsweg in Oud-Vossemeer is de oorspronkelijke bebouwing zeer fraai behouden gebleven. Voor deze deelgebieden dient voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria te worden getoetst op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Bij ontwikkelingen en wijzigingen in de overige gebieden binnen het type H2 wordt getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische kleinschalige karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.3.3 H3: historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing)

Beschrijving

Historische steden hebben in vergelijking tot de meeste historische dorpen een hogere bebouwingsdichtheid, vaak omdat een relatief groot aantal panden binnen de verdedigingswerken werd gebouwd. De straatwanden waren daarom meestal gesloten over meerdere bouwlagen. Het stratenpatroon is vaak grillig en organisch gegroeid. Verspreid over de historische stad komen pleinen voor met daaraan grotere openbare gebouwen van maatschappelijke en culturele aard. Naast de echte historische stadjes hebben ook een aantal dorpskernen een relatief gesloten bebouwing. De bebouwing binnen de historische steden kenmerkt zich door diversiteit. De woningen en winkels zijn meestal tegen de voorgevelrooilijn langs de veelal smalle straatjes gesitueerd.

De gebouwen hebben voornamelijk twee volledige bouwlagen met een grote verdiepingshoogte. De panden hebben over het algemeen een gevelbreedte van twee of drie venstertraveeën. Incidenteel komen ook vier of vijf venstertraveeën voor. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van oranjerode pannen, soms ook wel grijsblauw. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop.

In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van overwegend wit schilderwerk, soms aangevuld met een tweede, veelal traditionele donkere kleur. De detaillering van de voorgevels is veelal rijk, met veel ornamenten, zoals bijvoorbeeld kroonlijsten.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H3:

• Sint-Maartensdijk :

beschermd stadsgezicht “Kom Sint-Maartensdijk”

• Tholen :

beschermd stadsgezicht “Stadskern Tholen” en het  deelgebied ten noorden van de Vossemeersepoort  (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Bij ontwikkelingen binnen de beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk, wordt de karakteristieke structuur en de ruimtelijke kwaliteit als zwaarwegend belang onderkent. De bestemmingsplannen “Stadskern Tholen” en “Kom Sint-Maartensdijk” vormen het beleidsmatige uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk hebben een belangrijke cultuurhistorische waarde. Het behoud van de historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van groot belang geacht. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient getoetst te worden op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De gevelbreedte en het aantal venstertraveeën van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken en venstertraveeën van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. Patronen en ritmiek binnen aaneengesloten gevels van een straatwand zijn gerespecteerd.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de veelal rijke detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.3.4 H4: gemengde bebouwing

Beschrijving

In en rondom historische kernen heeft in de loop der tijd een verdichting van de bebouwing plaatsgevonden. Omdat deze verdichting een langere periode besloeg, zijn uiteenlopende stedenbouwkundige en architectonische principes toegepast. Het resultaat daarvan is een gevarieerd bebouwingsbeeld met een rafelige stedenbouwkundige structuur. Hogere en lagere bebouwing wisselen elkaar af. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. De woningen en winkels zijn meestal direct aan de weg of het trottoir gesitueerd, maar ook plaatsing verder achter op het kavel komt voor. In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in diverse kleuren. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van pleisterwerk. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van dakpannen. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten.

afbeelding binnen de regeling

De gemeente Tholen kent de volgende gebieden met gebiedstype H4:

• Sint-Annaland :

het deelgebied rondom Streekmuseum “De Meestoof” (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Door de grote verscheidenheid in bebouwing, zowel qua bouwstijl als situering, dreigt een rommelig beeld te ontstaan. Het beleid in deze gebieden is er op gericht om een samenhangend en verzorgd gevelbeeld te behouden of te versterken. Hierbij wordt een evenwicht gezocht tussen eenheid en diversiteit. Het bestemmingsplan “Kom Sint Annaland” beschrijft de toegestane ontwikkelingen rondom deze gemengde bebouwing.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De gebieden met gemengde bebouwing zijn, door hun enigszins rafelige structuur, van geringe stedenbouwkundige betekenis. De waarde van deze gebieden zit met name in de individuele bebouwing. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient getoetst te worden op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en vertoont samenhang met de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object is ingetogen en afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, vertoont samenhang met de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

6.3.5 H5: dijkbebouwing

Beschrijving

In rivierengebieden en ten behoeve van inpoldering zijn in het verleden veel dijken aangelegd. De laatste jaren zijn veel dijken langs de grote rivieren verhoogd en verlegd in het kader van de dijkverbetering. In sommige gebieden worden dijken doorgestoken als bufferruimte voor de afvoer van het rivierwater.

Langs dijken waarover doorgaande wegen lopen komt van oorsprong tegen of onder aan het dijklichaam bebouwing voor. Bebouwing die tegen het dijklichaam is gelegen bezit een bijzondere typologie die is afgestemd op de verlopende peilmaat. Soms komt alleen de kap boven de kruin van de dijk uit en is de bebouwing volledig georiënteerd op de veldzijde. De laatste jaren zijn er nieuwe ontwikkelingen gaande met betrekking tot dijkbebouwing. Getracht wordt daarbij specifiek voor de dijksituatie te ontwerpen.

De dijkbebouwing is afwisselend en bescheiden van karakter. De aaneengesloten woningen zijn tegen de voorgevelrooilijn geplaatst en vormen een gesloten gevelwand. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping ligt. De woningen hebben meestal een zadeldak voorzien van oranjerode pannen, waarbij de nokrichting parallel met de weg is.

Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H5:

• Sint-Annaland :

langs de Molendijk en de Suzannaweg (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Maartensdijk :

tussen de Molendijk en de Sportlaan (zie gebiedstypenkaart)

• Stavenisse :

langs de Molendijk en Stoofdijk (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Het gemeentelijk beleid bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten is dat het ruimtelijk-historische karakter van de bestaande dijkbebouwing niet wordt aangetast.

De bestemmingsplannen “Kom Sint-Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen rondom de dijkbebouwing.

De dijkbebouwing bij Sint-Annaland is tevens opgenomen in de structuurvisie “Havengebied Sint-Annaland”. Deze visie omschrijft de ontwikkeling van het gebied tussen haven en dorp tot een gebied met een heldere ruimtelijke structuur die verbindingen tot stand brengt tussen dorpshart en buitendijks gebied.

Waardebepaling en welstandsniveaus

In landschappelijk opzicht is het dijklichaam een van de belangrijkste ruimtelijke elementen in de omgeving. Langs de Molendijk in Sint-Annaland, Sint-Maartensdijk en Stavenisse heeft de dijkbebouwing zijn historische uitstraling op zeer fraaie wijze behouden. De afwisselende, bescheiden dijkbebouwing straalt hier een zekere authenticiteit uit en wordt daarom hoog gewaardeerd. Het behoud van deze historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van groot belang geacht. Ontwikkelingen en wijzigingen langs de drie Molendijken dienen voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria te worden getoetst op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Overige ontwikkelingen en wijzigingen binnen gebiedstype H5 worden getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen onderdelen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.4 Planmatig ontworpen woongebieden W

6.4.1 W2: parkachtige woongebieden

Beschrijving

Met parkachtige woongebieden worden ruim in het groen opgezette woonwijken bedoeld. De samenhang in het omgevingsbeeld wordt met name bereikt door de breed opgezette en groen ingerichte woonstraten, de maat van de bouwmassa’s en de groen ingevulde ruimte daartussen, zoals vastgesteld in het stedenbouwkundig plan. In parkachtige woongebieden wordt de overgang tussen privé en openbaar meestal aangegeven via een hekwerk, haag of anderszins. Het erf heeft een groen karakter met soms forse bomen. Ook het straatprofiel is relatief ruim en voorzien van opgaande beplanting.

Elk gebied heeft zijn specifieke kenmerken m.b.t. de architectuurstijl, de grootte van kavels en woningen etc. De meeste parkachtige woongebieden zijn enigszins gemengd, waarbij soms ensembles van woningen aanwezig zijn met een sterke onderlinge visuele samenhang.

De traditionele parkachtige woongebieden (villaparken) zijn ontstaan tussen 1860 en 1940. De monumentale villa’s en herenhuizen bezitten vaak compacte hoofdmassa’s met aan de straatzijden incidenteel een luchtig vormgegeven erker of serre. De panden hebben elk een eigen gezicht waarbij veel aandacht is besteed aan de architectonische kwaliteit en uitstraling.

De bebouwing is over het algemeen hoger, met twee volledige bouwlagen. De woningen hebben meestal een schuine kap, voorzien van oranjerode pannen. De nokrichting varieert sterk. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. Grote dakoverstekken versterken de architectonische expressie van de gebouwen.

afbeelding binnen de regeling

De gemeente Tholen kent de volgende gebieden met gebiedstype W2:

• Scherpenisse :

langs de Langeweg (zie gebiedstypenkaart)

• Tholen :

de wijk tussen Molensingel/Hertenkamp en Jonkheer van Vredenburchlaan (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen streeft naar een gedifferentieerd woningaanbod. De parkachtige woongebieden hebben een heel eigen karakter en vormen met hun ruim opgezette structuur en statige, vaak grote villa’s een tegenpool van de kleine nauwe straatjes met relatief kleinschalige gesloten bebouwing van het stads- of dorpshart. Om de verscheidenheid aan woonmilieus te behouden of versterken, dient het karakter van de parkachtige woongebieden zorgvuldig bewaard te blijven. De bestemmingsplannen “Kom Scherpenisse” en “Buitenzorg Tholen” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze gebieden.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De parkachtige woongebieden vormen in de gemeente Tholen een uitzondering en zijn op zichzelf niet karakteristiek voor de gemeente. Wel zijn hier de rust en de ruimte, typische kenmerken voor de gemeente Tholen, in ruime mate aanwezig. Bovenstaande gebieden worden ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

6.4.2 W3-8: 20e eeuwse uitbreidingen in traditionele blokverkaveling met rijtjeshuizen

Beschrijving

In de loop van de 20e eeuw zijn er verschillende stromingen geweest in de volkswoningbouw. In het begin van de eeuw de tuindorpen, ontworpen in een zorgvuldige samenhang tussen stedenbouw en architectuur, met groen ingerichte straten en pleintjes. Later, in de 20er en 30er jaren worden tuinwijken gebouwd met een kenmerkende architectuur van forse kappen, ruime dakoverstekken en accenten in de vorm van erkers en loggia’s.

In de wederopbouwperiode na de 2e wereldoorlog versobert de architectuur. Ook de stedenbouwkundige opzet is sober en zakelijk en laat vaak een eenvoudig blokpatroon zien van rechte straten met een symmetrisch profiel. In het laatste kwart van de eeuw komt er een reactie op de soberheid van de wederopbouwperiode. Gedurende een korte periode worden de verkavelingen grilliger en intiemer, met veel doodlopende straten en woonerven, maar in de 80er jaren wordt de verkaveling weer overzichtelijker met echte woonstraten en bouwblokken. Ook de architectuur wordt minder sober en meer uitgesproken, waarbij soms wordt teruggegrepen op architectuurstijlen uit het verleden.

In de kleinere steden en dorpen zijn die verschillende stromingen vaak niet zo uitgesproken te herkennen. De schaal van de stads- of dorpsuitbreiding laat dat niet toe. Vandaar dat al deze categorieën worden samen gevat in één gebiedstype: 20e eeuwse uitbreidingen in traditionele blokverkaveling met rijtjeshuizen.

Dit gebied heeft een overwegend rechthoekige blokverkaveling en de woningen zijn in rijtjes van drie of meer aaneen gebouwd. Er komen architectuurkenmerken uit verschillende perioden van de 20e eeuw voor.

De bebouwing kenmerkt zich door een grote mate van herhaling. De woonblokken bestaan voornamelijk uit twee volledige bouwlagen met een zolder onder een schuine kap. Het dak, meestal een zadeldak, is voorzien van dakpannen. De nokrichting is vaak parallel met de weg. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een neutrale kleur. Een enkele maal is de gevel gedeeltelijk voorzien van een gevelbekleding in hout, plaat- of tegelwerk. Gevelonderdelen als kozijnen en boeiboorden zijn uitgevoerd in verschillende materialen, zoals hout of kunststof in diverse kleuren. De detaillering is veelal sober en ingetogen.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype W3-8:

• De Sluis :

alle bebouwing

• Oud-Vossemeer :

diverse woonwijken rondom de historische dorpskern en achter de uitvalswegen (zie gebiedstypenkaart)

• Poortvliet :

diverse woonwijken ten noorden en westen van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland :

diverse woonwijken rondom de historische dorpskern  (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Maartensdijk :

diverse woonwijken rondom het beschermde stadsgezicht (zie gebiedstypenkaart)

• Sint Philipsland :

diverse woonwijken ten westen van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart)

• Scherpenisse :

diverse woonwijken ten westen van de historische dorpskern en de woonwijk rondom de Laban Deurloostraat (zie gebiedstypenkaart)

• Stavenisse :

woonwijken rondom de Prinses Irenestraat en de schoolstraat  (zie gebiedstypenkaart)

• Tholen :

diverse woonwijken ten noordwesten van het beschermde stadsgezicht en de woonwijken Waterfront en Buitenzorg II (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Het beleid van de gemeente Tholen ten aanzien van de 20ste- eeuwse woonwijken is er met name op gericht de basiskwaliteiten van de wijken te behouden of te versterken. Een prettige leefomgeving binnen een grote verscheidenheid aan woonmilieus.

De bestemmingsplannen “Bebouwde kom Sluis”, “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint-Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk”, “Achter ‘t bos Sint-Maartensdijk”, “Kern Sint Philipsland”, “Kom Scherpenisse”, “Scherpenisse West”, “Kom Stavenisse”, “Buitenzorg II Tholen”, “Molenvliet Tholen” en “Waterfront Tholen” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze woonwijken.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De bebouwing in deze woongebieden is kenmerkend voor de tijd waarin het is ontstaan en niet zo zeer typerend voor de gemeente Tholen. In veel gevallen is de architectonische en stedenbouwkundige opzet van de voornamelijk kleine woonwijkjes nog intact. Er wordt gestreefd naar handhaving van dit beeld. Voor deze woongebieden geldt dat voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient te worden getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

6.4.3 W9: individuele woningbouw (vrije sector)

Beschrijving

Individuele woningbouw bestaat uit veelal vrijstaande, gevarieerde woningen van één of twee bouwlagen met kap. De woningen zijn meestal opgetrokken uit baksteen in een neutrale kleur en een schuin dak, voorzien van dakpannen. De nokrichting varieert. De straten en buurten hebben een groen, en vaak dorps karakter. In de loop der jaren zijn de invloeden van diverse stedenbouwkundige stromingen ook in de vrije sectorwijken ingebracht.

De woningen van rond de jaren vijftig zijn gesitueerd aan rechte straten met trottoir, straatbomen en heestervakken. Het kleurgebruik in de detaillering van deze woningen, zoals houtwerk in de gevel, is overwegend donker. In deze periode gaat het vaak om kleinere inbreidingsplannen.

De straten vanaf het eind van de 20e eeuw zijn veelal geknikt met korte zijstraatjes en loopstroken in plaats van echte trottoirs. Het openbaar groen bestaat uit heestervakken met straatbomen. Hier gaat het naast kleine inbreidingsplannen ook om hele wijken en buurten aan de rand van de bebouwde kom.

De woningen zijn veelal individueel ontworpen en hebben daardoor een eigen en herkenbaar gezicht. Als er voldoende ruimte tussen de panden aanwezig is, wordt een afwisseling in kleur- en materiaaltoepassing als prettig ervaren. Indien de kavels aan de krappe kant zijn en de ruimten tussen de woningen minimaal, werkt de diversiteit in het woningbeeld veelal negatief en ontstaan rommelige, onsamenhangende straten. De ruimere woongebieden zijn dan ook minder kwetsbaar dan compactere woongebieden. De laatste jaren wordt in de vrije sectorgebieden veel aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit o.a. in de vorm van beeldkwaliteitplannen.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype W9 vallen:

• Anna Jacobapolder :

de woonwijk Steintjeskreek (zie gebiedstypenkaart)

• Oud-Vossemeer :

woongebieden rondom de Prins Mauritsstraat, Marehoekstraat en Damasstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Poortvliet :

woongebied rondom de Burgemeet (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland :

diverse woongebieden ten zuiden van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Maartensdijk :

woonwijken ten noorden van de Meerkoetlaan en rondom de Gladiolenstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Sint Philipsland :

diverse woonwijken ten westen van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart)

• Scherpenisse :

diverse woonwijken rondom de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart)

• Stavenisse :

woongebieden rondom de Boswei, de Koning Haakonstraat en ten westen van de Prins Bernhardstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Tholen :

woongebied ten westen van de Ten Ankerweg en de woonwijken Buitenzorg III en Molenhoek (zie gebiedstypenkaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Binnen de woonwijken met individuele woningbouw wordt gestreefd naar een evenwicht tussen diversiteit en eenheid. De eenheid wordt met name gevonden in de plaatsing van de bebouwing op de percelen en de bebouwingsdimensies, zoals goot- en nokhoogte en het aantal bouwlagen. De bestemmingsplannen “Steintjeskreek Anna Jacobapolder”, Steintjeskreek 2e fase Anna Jacobapolder”, “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint-Annaland”, “Stoofweg Sint-Annaland”, “Achter ‘t bos Sint-Maartensdijk”, “Kern Sint Philipsland”, “Kom Scherpenisse”, “Scherpenisse West”, “Kom Stavenisse”, “Buitenzorg Tholen”, “Buitenzorg III Tholen” en “Molenhoek Tholen” geven richtlijnen waaraan nieuw te bouwen en te wijzigen objecten aan moeten voldoen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De individuele woningbouw kenmerkt zich door zijn diversiteit in bouwstijlen, kleur- en materiaalgebruik en situering. Om te voorkomen dat het totaalbeeld van de individuele woongebieden rommelig en onsamenhangend wordt, dient voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria getoetst te worden op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied.

  • Afhankelijk van de grootte van het perceel is de plaatsing van het object afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Bij zeer grote percelen is de plaatsing van de objecten op buurpercelen van ondergeschikt belang.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig.

  • In compacte woongebieden is de kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object afgestemd op die van objecten op belendende percelen. In ruim opgezette woongebieden is dit in mindere mate aan de orde.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw en de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

6.5 Bedrijvengebieden B.

6.5.1 B2: bedrijventerrein

Beschrijving

Bedrijventerreinen zijn er in veel vormen en maten. Van oorsprong kwam bedrijvigheid voor langs ontsluitingen over het water (rivieren, kanalen, weteringen) en het spoor. Later werd veel bedrijvigheid ontwikkeld langs provinciale en rijkswegen. De laatste jaren zien we enorme ontwikkelingen op de zogenaamde “zichtlocaties” langs de autosnelwegen.

In de kleinere kernen komt kleinschalige bedrijvigheid voor waar lokale ondernemers dicht bij huis hun bedrijf voeren in de ambachtelijke sfeer. De bebouwing bestaat veelal uit eenvoudige loodsen, uitgevoerd in een geprofileerde staalplaat, met een klein kantoor- en kantinegedeelte. Dikwijls is de gevel van het kantoorgedeelte geheel of gedeeltelijk opgetrokken uit metselwerk. De gebouwen zijn voorzien van een plat of flauw hellend dak.

Het kleurgebruik is sober, variërend van grijs tot bruin en groen, met af en toe een accentkleur.

In de grotere kernen en in de buurt van de autosnelwegen hebben zich de laatste decennia de zogenaamd logistieke transportcentra ontwikkeld. Immense opslagloodsen met rijen “loadingdocks” bepalen het beeld van deze grootschalige bedrijventerreinen.

De laatste jaren wordt meer zorg en aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen. De vormgeving van de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte en de bedrijfspercelen kan goed worden geregisseerd door middel van beeldkwaliteitplannen.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype B2:

• Oud-Vossemeer :

“Bedrijfsterrein Oud-Vossemeer” (zie gebiedstypekaart)

• Poortvliet :

gedeelte van “Bedrijfsterrein Poortvliet” en de bedrijventerreinen langs de Paasdijkstraat en de Hogeweg (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Annaland :

“Bedrijfsterrein Sint-Annaland” en het bedrijventerrein rondom de Havenweg (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Maartensdijk :

“Bedrijfsterrein Sint-Maartensdijk” en het bedrijventerrein rondom de Wouthoekweg (zie gebiedstypekaart)

• Sint Philipsland :

“Bedrijfsterrein Provinciale weg” (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

bedrijventerrein langs de pilootweg

• Tholen :

“Bedrijventerrein Welgelegen”, “Bedrijventerrein Noord”, “Bedrijfsterrein Slabbekoornpolder” en het bedrijventerrein aan de Postweg (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Het beleid van de gemeente Tholen ten aanzien van de bedrijventerreinen is met name gericht op het behoud of het versterken van de basiskwaliteit van de werkomgeving.

De bestemmingsplannen “Bedrijfsterrein Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Bedrijfsterrein Poortvliet”, “Kom Sint-Annaland”, “Bedrijfsterrein Sint-Annaland”, “Bedrijfsterrein Sint-Maartensdijk”, “Buitengebied”, “Bedrijfsterrein Provinciale weg Sint Philipsland”, “Kom Stavenisse”, “Bedrijventerrein Welgelegen Tholen”, “Bedrijventerrein Noord Tholen”, “Bedrijfsterrein Slabbekoornpolder Tholen” en “Buitenzorg Tholen” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen van de bedrijventerreinen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De bedrijventerreinen liggen allen buiten de kernen van de steden en dorpen en zijn eenvoudig van opzet en vormgeving. Functionaliteit speelt een belangrijkere rol dan de uiterlijke verschijningsvorm. Het welstandstoezicht garandeert handhaving en/of versterking van de basiskwaliteit van het bedrijventerrein.

De kleinere bedrijventerreinen liggen vaak aan de rand van de bebouwde kom en zijn in meer of mindere mate verweven met de randbebouwing. Dit is het geval bij de bedrijventerreinen langs de Hogeweg in Poortvliet, rondom de Havenweg in Sint-Annaland, langs de Pilootweg in Stavenisse en rondom de Wouthoekweg in Sint-Maartensdijk.

Deze terreinen worden ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van de gebiedsgerichte criteria getoetst op welstandsniveau 2. De overige, grotere bedrijventerreinen worden getoetst op welstandsniveau 3.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied.

  • Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de plaatsing van het object afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Bij grote afstanden is de plaatsing van de objecten op buurpercelen van ondergeschikt belang.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • Het bouwvolume op zichzelf is evenwichtig van compositie.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld een hal en kantoorgedeelte) van het object zijn in evenwicht.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw en de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang. Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de gevelopbouw van het object afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

  • Het kleurgebruik is ingetogen en niet fel of contrasterend.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, is evenwichtig en vertoont samenhang. Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het gevelvlak en de gevelplint) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang. Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

6.5.2 B4: perifere detailhandel

Beschrijving

Aan de rand van grotere kernen treffen we vaak gebieden aan waar grootschalige detailhandel is gevestigd. De grotere doe-het-zelf- en kluswinkels, alsook diverse groothandels zijn hier gevestigd. Op deze terreinen zijn grote parkeerterreinen aanwezig om te voorzien in de grote toestroom van winkelend publiek.

De bebouwing bestaat veelal uit grote stalen hallen, voorzien van geprofileerde staalplaatbekleding. De basiskleur van de hal is ingetogen, lichtgrijs of beige. Ter plaatse van de entree is veelal een verbijzondering aangebracht met behulp van afwijkend materiaal of kleurgebruik. De gebouwen zijn voorzien van een plat dak.

In de gemeente Tholen is ten noorden van de stad Tholen een perifere detailhandelslokatie in ontwikkeling. Bij de procedure van de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden tevens de gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld (zie ook § 2.2.3).

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype B4:

• Poortvliet :

gedeelte van “Bedrijfsterrein Poortvliet” (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

het bedrijventerrein in ontwikkeling ten noorden van de Nieuwe postweg (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Het beleid van de gemeente Tholen ten aanzien van de bedrijventerreinen met perifere detailhandel is gericht op het aantrekken van lokale en bovenlokale publieksgerichte bedrijven. Het bestemmingsplan “Bedrijfsterrein Poortvliet” geeft inzicht in de toegestane ontwikkelingen van het bedrijventerrein in Poortvliet.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Het “bedrijfsterrein Poortvliet” is, ondanks zijn publiekstrekkende functie, behoudend vormgegeven. Dit bedrijventerrein worden ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van de gebiedsgerichte criteria getoetst op welstandsniveau 3. Hiermee wordt de basiskwaliteit van het bedrijventerrein gehandhaafd en/of versterkt .

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied.

  • Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de plaatsing van het object afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Bij grote afstanden is de plaatsing van de objecten op buurpercelen van ondergeschikt belang.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. Bij de plaatsing van het object is rekeningen gehouden met parkeervoorzieningen.

massavorm:

  • Het bouwvolume op zichzelf is evenwichtig van compositie.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld een hal en winkelgedeelte) van het object zijn in evenwicht.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw en de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang. Afhankelijk van de afstand tot buurobjecten is de gevelopbouw van het object afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

  • Het kleurgebruik is ingetogen en niet fel of contrasterend.

6.6 Groene gebieden G

6.6.1 G1: parken, groengebieden en sportcomplexen

Beschrijving

Stadsparken komen in veel gevallen voor op voormalige verdedigingslinies die aan het eind van de 19de eeuw zijn geslecht. Ook voormalige landgoederen zijn in het verleden als wandelpark voor het publiek opengesteld.

Groengebieden komen verspreid in de dorpen en steden voor. Met name vanaf de jaren zestig werden ruime groene lobben in de stedenbouwkundige structuur opgenomen als scheiding tussen verschillende wijken of buurten.

Sportcomplexen komen van oudsher voor aan de randen van kernen. Oudere sportcomplexen zijn later ingebouwd door nieuwere uitleggebieden en daardoor midden in de bebouwde kom komen te liggen. Op deze complexen is meestal bebouwing aanwezig in de vorm van kantines met kleedlokalen, sporthallen en tribunes. Deze bebouwing is veelal sober en doelmatig vormgegeven. Metselwerk gevels overheersen, maar ook materialen als hout en beton komen regelmatig voor. Het kleurgebruik is zeer divers.

Een bijzondere groep gebieden binnen categorie G1 vormen de begraafplaatsen. Deze liggen vrijwel overal verspreid aan de randen van de kommen van de dorpen en steden. In sommige gevallen is er bebouwing in de vorm van een rouwcentrum of een poortgebouwtje op het terrein aanwezig. Deze bouwwerken hebben een stemmig en ingetogen karakter.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype G1:

• Oud-Vossemeer :

sportvelden aan de Bou Kooijmanstraat (zie gebiedstypekaart)

• Poortvliet :

sportvelden ten noorden van de Deestraat (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Annaland :

sportvelden aan de Dorpsweg en de ijsbaan aan de Annewas (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Maartensdijk :

sportcomplex Haestinge (zie gebiedstypekaart)

• Sint Philipsland :

groengebied langs de Luijsterlaan (zie gebiedstypekaart)

• Scherpenisse :

ijsbaan langs de Westzeedijk (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

sportvelden langs de Pilootweg (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

sportcomplex Zoekweg (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen is van mening dat sport- en spelvoorzieningen voor iedereen bereikbaar dienen te zijn. Een geactualiseerde inventarisatie maakt deel uit van de ontwikkelingsplannen per kern. In de bestemmingsplannen “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint-Annaland”, “Buitengebied”, “Kern Sint Philipsland”, “Bedrijfsterrein Sint-Maartensdijk”, “Kom Stavenisse” en “Sportcomplex Zoekweg Tholen” zijn de uitgangspunten voor deze ontwikkelingen opgenomen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Parken, groengebieden en sportcomplexen hebben een grote toegevoegde waarde in de beleving van de dagelijkse leefomgeving. De sportcomplexen liggen met name aan de randen van de stads- en dorpskernen. Deze gebieden kunnen beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria kan worden volstaan met een toetsing op welstandsniveau 3.

Parken en groengebieden liggen meer verspreid binnen de kommen. Soms rondom een kerk en soms als natuurlijke grens tussen twee woongebieden. Dergelijke groengebieden vragen om een zorgvuldige afstemming van ontwikkelingen van de ruimtelijke kwaliteit en nieuwe bouwkundige ingrepen. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria wordt getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied.

  • De plaatsing van het object verstoort de landschappelijke inrichting van het gebied niet.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw en de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en passen binnen de gebiedskarakteristiek.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

6.6.2 G3: boerenerven – agrarisch buitengebied

Beschrijving

In Zuid-Holland en Zeeland treffen wij een rijke verzameling van gebieden aan die zijn ontstaan vanuit verschillend agrarisch grondgebruik. Diverse methoden van akkerbouw en veeteelt zijn in de loop der eeuwen in de vorming van het landschap tot uitdrukking gekomen en worden nu als cultuurhistorische waardevolle gebieden beschermd. Denk hierbij aan het veenweidegebied in de waarden, het slagenlandschap in midden Holland en de akkerbouwgebieden op de Zeeuwse eilanden.

De oudere erven nemen een eigen positie in binnen het landschap. Meestal liggen ze op de overgang van hoge naar lage gronden. Het zijn clusters van relatief forse bouwmassa’s; onregelmatig ten opzichte van elkaar geplaatst. In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit metselwerk en voorzien van een met pannen gedekte schuine kap. Gevelonderdelen als kozijnen, luiken, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van overwegend wit schilderwerk, soms aangevuld met een tweede, veelal donkere kleur.

Veel oude erven zijn daarnaast belangrijke schakels in de landschappelijke structuur. De oude gebouwen vormen een waardevol en cultuurhistorisch erfgoed.

De “jongere” erven liggen vaak langs een weg. Meestal is het voorhuis naar de weg gekeerd en liggen daarachter de schuren in een rechthoekig patroon. Sommige erven maken deel uit van een bebouwingslint.

De laatste jaren vindt er een ingrijpende schaalvergroting plaats in de agrarische bebouwing. De oudere, bakstenen schuren maken plaats voor grote loodsen in geprofileerd staalplaat. Deze verhouden zich vaak moeizaam met de van oudsher aanwezige bebouwing en de schaal van het landschap. Ook vindt er op voormalige boerenerven een functieverschuiving plaats naar wonen en andersoortige bedrijvigheid. De oorspronkelijke karakteristiek van de erven staat hierdoor eveneens onder druk.

afbeelding binnen de regeling

Het agrarische buitengebied is qua oppervlakte het grootste gebiedstype van de gemeente Tholen. In grote lijnen kan worden gesteld dat het gehele gebied buiten de kernen van de steden en dorpen, met uitzondering van de natuur- en recreatiegebieden, valt onder gebiedstype G3. Op de gebiedstypekaart, die als bijlage aan deze nota is toegevoegd, is dit terug te vinden.

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Voor het buitengebied wordt door de gemeente Tholen differentiatie nagestreefd. Door gebieden aan te wijzen waar het accent op de agrarische sector, natuur of recreatie ligt, wordt voorkomen dat deze functies voor elkaar belemmeringen opwerpen.

In het grootste gedeelte van het Thoolse buitengebied staat de agrarische functie centraal. Hier worden aan de ontwikkelingsmogelijkheden van deze sector, voor zover het grondgebonden teeltvormen betreft, zo min mogelijk beperkingen opgelegd.

Het bestemmingsplan “Buitengebied” geeft inzicht in de toegestane ontwikkelingen in het agrarische buitengebied. In de 5e herziening van dit bestemmingsplan is de regeling voor teeltondersteunende voorziening verruimd, passend in het stimuleringsbeleid gericht op intensivering van de grondgebonden landbouw. Teeltondersteunende voorzieningen zijn te onderscheiden in tijdelijke en permanente voorzieningen.

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zoals b.v. plastic boog- en gaaskassen zijn vanwege de tijdelijkheid niet onderhevig aan een welstandstoets.

Voor wat betreft de welstandstoets van permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals b.v. tunnelkassen met een permanente constructie wordt aangesloten bij de planologische randvoorwaarden. Zo dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inbedding afhankelijk van de agrarische zone; in agrarisch gebied (zone I volgens bestemmingsplan Buitengebied) is een landschappelijke inbedding van minder belang. Verder is een permanente teeltondersteunende voorziening welstandshalve aanvaardbaar indien deze logisch en functioneel in het agrarische bouwvlak is geplaatst. Een gebogen hoofdvorm is toegestaan.

Bij de welstandstoets van nieuwe agrarische bedrijfsloodsen is het van belang dat een overwegend donkere kleurstelling wordt gekozen voor de gevel- en dakvlakken. Ook secundaire gevelonderdelen zoals (overhead)deuren dienen bij voorkeur in een donkere kleurstelling te worden uitgevoerd, echter een lichte kleurstellng is eveneens acceptabel aangezien vele loodsen met lichte deuren zijn uitgevoerd.

Ook veel in het buitengebied voorkomende bouwwerken, geen gebouw zijnde, bijvoorbeeld bij paardenpakken dienen bij voorkeur in een donkere kleurstelling te worden uitgevoerd. Gelet op de omvang en de aanwezigheid van dergelijke bouwwerken in het buitengebied, wordt een lichte kleurstelling niet uitgesloten.

Daken van agrarische bedrijfswoningen en burgerwoningen in het buitengebied zijn veelal afgedekt met keramische pannen. In voorkomende gevallen zijn deze pannen voorzien van een mat-geglazuurde afwerklaag. Af en toe wenst men geglazuurde dakpannen toe te passen. Deze glanzende pannen komen slechts incidenteel voor. In 2012 heeft de gemeenteraad besloten om - hoewel afwijkend van de gebiedskarakteristiek - deze geglazuurde pannen toe te staan in het buitengebied. Dit is ook ingegeven door het feit dat sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 het vervangen van dakpannen sec een vergunningsvrije handeling is geworden en daarmee niet onderhevig meer is aan een welstandstoets

Waardebepaling en welstandsniveaus

De gemeente Tholen is bij uitstek een agrarische gemeente. De boerenerven en de omliggende landerijen bepalen voor een groot gedeelte het aanzien van de eilanden. Door de ontwikkelingen in de agrarische sector in de afgelopen decennia is er een veranderende behoefte voor wat betreft de inrichting en het gebruik van de erven. Om de ruimtelijke kwaliteit van het agrarisch buitengebied te handhaven dient er zorgvuldig te worden gekeken naar nieuwe bouwkundige ingrepen op en rondom de boerenerven. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria wordt getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en is, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie is, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken zijn, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de karakteristiek van het plangebied en is, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken zijn, indien het object deel uitmaakt van een bebouwingslint, afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

6.6.3 G4: natuurgebieden

Beschrijving

In Zeeland is vrijwel iedere vierkante meter een keer door mensenhanden bewerkt. De diversiteit in het landschap is door de verschillende wijzen van bewerking erg groot. De complexe en afwisselende geologische opbouw van Zeeland draagt aan deze diversiteit sterk bij. Nu de laatste jaren de waardering voor “de natuur” stijgt en het voor de agrariërs steeds moeilijker wordt gemaakt in Nederland bedrijf te voeren, worden steeds meer gebieden bestempeld tot natuurgebied. Instanties als Staatsbosbeheer, Stichting Natuurmonumenten en bijvoorbeeld het Brabants Landschap hebben thans een groot aantal gebieden in beheer. Veelal zijn deze gebieden voor het recreërend publiek toegankelijk gemaakt door fiets- en wandelpaden.

In deze gebieden komt sporadisch bebouwing voor. Het toevoegen van nieuwe bebouwing wordt van overheidswege tegengegaan. Uitgangspunt hierbij is dat natuur en bebouwing slecht samengaan en een scheiding daartussen gehandhaafd moet blijven.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype G4:

• ‘Pluimpot’ ten zuiden van Sint-Maartensdijk

• ‘Rammegors’ tussen Oud-Vossemeer en Sint Philipsland

• ‘de welen’ ten zuiden van Stavenisse

• ‘Stinkgat’ in de van Haaftenpolder, tussen Oud-Vossemeer en Sint-Annaland

• ‘Zuidweihoek’ bij Poortvliet

• ‘Bruintjeskreek’ bij Anna Jacobapolder

• ‘Eendenkooi Sint Philipsland’

• de Thoolse dijkbeemden

• de buitendijkse slikken en schorren

• Sint-Annaland :

langs de Nieuwelandseweg (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Maartensdijk :

rondom het Stenepad (zie gebiedstypekaart)

• Scherpenisse :

langs de Stoofdijk (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

langs de Oudelandsedijk (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

langs de Gemaalweg (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen streeft naar een verdere versteking van de natuurwaarden. Het beleid is er op gericht om het landschappelijk-cultuurhistorisch erfgoed, waarvan met name de dijken een duidelijke exponent zijn, meer zichtbaar en beleefbaar te maken. Nieuwe bebouwing wordt niet of nauwelijks toegelaten.

Enkele gebieden, zoals ‘Pluimpot’, ‘Rammegors’, ‘de welen’ en ‘Stinkgat’, zijn aangewezen als natuurgebied. In de bestemmingsplannen “Buitengebied” en “Buitengebied Sint Philipsland” zijn de toegestane ontwikkelingen in de natuurgebieden terug te vinden.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De natuurgebieden van de gemeente Tholen hebben een grote ornithologische en botanische waarde. De buitendijkse slikken en schorren zijn foerageerplekken en pleisterplaatsen voor talrijke vogelsoorten. Op de begroeide schorren komen de typisch Zeeuwse gewassen als zeekraal en lamsoor voor.

Deze gebieden, met zijn bijzondere landschappelijke karakteristieken, krijgen ten behoeve van de welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte criteria welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de landschappelijke structuur van het plangebied.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het perceel gesitueerd.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied.

  • De vorm, richting en oriëntatie van het bouwvolume is afgestemd op de landschappelijk elementen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de landschappelijke karakteristiek.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de landschappelijke gebiedskarakteristiek.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.6.4 G5: recreatieparken en vakantiewoningen.

Beschrijving

Op verschillende plekken in de gemeente Tholen komen recreatieparken voor, bijvoorbeeld bungalowparken die projectmatig zijn opgezet. Ook komen gebieden voor waar in eigen beheer vakantiewoningen kunnen worden gebouwd. De laatste jaren is veel ophef ontstaan omdat veel vakantiewoningen permanent worden bewoond. Deze ontwikkeling wordt aangewakkerd door de ruime mogelijkheden die de bestemmings-plannen bieden voor het bouwen van ruime “vakantiewoningen”.

Recreatieparken en zogenaamde bungalowparken zijn meestal rondom een klein centrum met voorzieningen gelegen. De parken zijn meestal op zichzelf gelegen en naar binnen gekeerd. De woonbebouwing is veelal geclusterd in kleinere eenheden die ontsloten worden door kronkelende wegen en wandelpaden. De woningen zijn veelal opgetrokken uit houten of metselwerk gevels of een combinatie ervan. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag, met de goothoogte op circa 2,5 meter. De daken zijn overwegend schuin, met diverse dakbedekkingen. Gevelonderdelen als kozijnen en boeiboorden zijn vaak in hout uitgevoerd, maar ook wel in meer onderhoudsvrije materialen als aluminium.

Een aparte groep binnen de categorie G5 vormen de woonwagencentra. De bouwwerken staan in kleine groepjes bij elkaar op terreinen die soms in het buitengebied liggen en soms ingebed zijn in de bebouwde kom van de dorpen en steden. De éénlaagse woningen zijn veelal uit hout opgetrokken en hebben een platte of flauw hellende kap.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype G5 vallen:

• Poortvliet :

kampeerterreinen langs het Tholense Gat (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland :

langs de Nieuwelandseweg (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Maartensdijk :

rondom het Stenepad (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

langs de Oudelandsedijk (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

langs de Gemaalweg (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen streeft naar een versteking van de recreatieve sector, met behoud van de kwaliteiten rust en ruimte. De gemeente richt zich met name op de natuur- en cultuurliefhebber. De dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen worden beperkt tot een aantal specifiek daarvoor aangewezen gebieden. In de bestemmingsplannen “Buitengebied”, “Buitengebied Sint Philipsland”, “Kampeerterreinen”, “Recreatiegebied Suzannapolder”, “Camping de Muye”, “Kampeerterrein Muyepolder”, “Wulpdal”, “Recreatieterrein Buurtweg” en “Woonwagencentrum Tholen” zijn de toegestane ontwikkelingen in de recreatieparken en woonwagencentra weergegeven.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De recreatiesector is een potentiële inkomstenbron voor de gemeente Tholen. Voor een aangenaam verblijf dienen de bezoekers van de recreatieparken en kampeerterreinen in een verzorgde en aantrekkelijke omgeving te verkeren. Deze parken en terreinen kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De recreatieparken en campings zijn veelal omgeven door groengordels en vormen daarmee een op zichzelf staand gebied, waarin veel standaard recreatiewoningen in de loop der jaren zijn vernieuwd dan wel zijn uitgebreid. Hierdoor is een bebouwingskarakteristiek ontstaan met een diversiteit, zij het dat dit verschilt per park. Na een proefperiode van twee jaar zijn deze gebieden in 2010 dan ook aangewezen als welstandsvrij gebied (welstandsniveau 4).

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de landschappelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied.

  • De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de landschappelijke karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

6.7 Gebieden met bijzonder bebouwingsthema’s T

6.7.1 T1: hoogbouwaccenten

Beschrijving

De bebouwing in de gemeente Tholen bestaat uit laagbouw. Alleen in de stad Tholen is sprake van de (toekomstige) ontwikkeling van wat hogere bebouwing. Wordt onder hoogbouw meestal verstaan bebouwing hoger dan 20 meter, in Tholen wordt bij een hoogte vanaf 15 meter al van hoogbouw gesproken. De geplande incidentele hoogbouwaccenten zijn gesitueerd buiten de historische binnenstad op karakteristieke zichtlocaties aan het water en/of aan belangrijke verkeerswegen. De impact van hoogbouw op het beeld van stad of dorp is zeer groot.

afbeelding binnen de regeling

Momenteel zijn in de gemeente Tholen geen gebieden die vallen onder gebiedstype T1. Wel is incidentele hoogbouw gepland in de stad Tholen.

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen streeft naar een gedifferentieerd, evenwichtig en toekomstgericht woningaanbod. De ontwikkeling van hoogbouwaccenten vormt een onderdeel van dit beleid. Bij deze nieuwe ontwikkelingen staan duurzaam bouwen en aanpasbaar bouwen hoog op de agenda.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Hoogbouw heeft een grote invloed op het beeld van de stad Tholen. Het geeft de stad een wat meer ‘werelds’ karakter in plaats van die van een plattelandsstadje. Hoogbouwaccenten kunnen, mits op de juiste wijze toegepast, een toegevoegde waarde hebben voor de gemeente Tholen. Ze dienen met name als oriëntatiepunt.

Vanwege de grote impact van hoogbouwaccenten op de beleving van de stad worden nieuwe ontwikkelingen, ten behoeve van de welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte criteria, getoetst op welstandsniveau 1.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig.

  • De oriëntatie van het object past binnen de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur van het plangebied.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de karakteristiek van het plangebied.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de gebiedskarakteristiek.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

6.7.2 T3: instituten

Beschrijving

Onder instituten worden grotere bebouwingscomplexen verstaan die min of meer solitair zijn gelegen, zoals opleidingsinstituten, scholen, verzorgingstehuizen en solitair gelegen bedrijven. De bebouwing is veelal naar binnen gekeerd en ingebed in een groene en soms parkachtige terreininrichting. De bouwwerken bestaan vaak uit een combinatie van éénlaagse bebouwing en gebouwen met meerder bouwlagen en zijn in veel gevallen opgetrokken uit metselwerk. De daken zijn veelal plat. Het kleur- en materiaalgebruik is zeer divers.

afbeelding binnen de regeling

In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype T3 vallen:

• Oud-Vossemeer :

basisscholencomplex aan de Burgemeester Versluijsstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Poortvliet :

scholencomplex aan de Schoolstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Scherpenisse :

scholencomplex aan de Watertorenstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Annaland :

zorgcentrum ‘de Schutse’, gemeenschapscentrum “De Wellevaete” en het basisscholencomplex aan de Schoolstraat (zie gebiedstypenkaart)

• Sint-Maartensdijk :

het Scheldecollege en zorgcentrum ‘Maartenshof’  (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

complex rondom de “Rehobothschool” en oud gereformeerde kerk aan de Prins Bernhardstraat en het scholencomplex aan de Schoolstraat (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

het scholencomplex aan de Molenvlietsedijk en het complex rondom zorgcentrum ‘Ten Anker’, met o.m. het politiebureau en kinderdagverblijf “Puk en Muk” (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen heeft geen expliciet ruimtelijk beleid ten aanzien van instituten. Bovenstaande complexen en centra vallen beleidsmatig onder de bestemmingsplannen van aangrenzende gebieden. In dit geval zijn dit de bestemmingsplannen “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Scherpenisse”, “Kom Sint-Annaland”, “Achter ’t bos Sint-Maartensdijk”, “Kom Sint-Maartensdijk”, “Kom Stavenisse”, “Molenvliet Tholen” en “Sportcomplex Zoekweg Tholen”.

Waardebepaling en welstandsniveaus

De complexen en centra die onder gebiedstype T3 vallen hebben voornamelijk een grote maatschappelijke waarde. De gebouwen hebben vaak een beschermende, naar binnen gekeerde opzet. Hierdoor zijn wijzigingen en ontwikkelingen in de ruimtelijke structuur en architectonische vormgeving slechts in beperkte mate van invloed op de omgeving. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria wordt getoetst op welstandsniveau 2.

Gebiedsgerichte criteria

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied

  • Bij de plaatsing van het object is rekening gehouden met de plaatsing van objecten op belendende percelen.

  • Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig.

  • Bij de kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is rekening gehouden met objecten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • De gevelopbouw van het object is evenwichtig.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Bij het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object is rekening gehouden met de karakteristieken van aangrenzende plangebieden en het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen.

  • Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • Bij de compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, is rekening gehouden met de karakteristiek van het aangrenzende plangebied en de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang.

  • De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

6.8 Nieuwe ontwikkelingen N

In de gemeente Tholen zijn (nog) geen gebieden die als ‘nieuwe ontwikkeling’ kunnen worden aangemerkt.

6.9 Woongebieden met een beeldkwaliteitplan BKP

Beschrijving

Naast incidentele nieuwbouw van woningen heeft de gemeente Tholen momenteel zes grote(re) woongebieden in ontwikkeling en/of in aanbouw. Deze woonwijken hebben een duidelijke stedenbouwkundige structuur, waarbij de wijk wordt opgedeeld in herkenbare deelgebieden. Het woningaanbod is gevarieerd, van vrijstaande woningen tot bebouwingslinten. De hoofdstructuur van de wijk wordt versterkt door bebouwingsaccenten. Groen en water spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de openbare ruimte. Verder is er veel aandacht voor verkeersveiligheid en duurzaam bouwen.

In de gemeente Tholen zijn 6 uitbreidingsgebieden met een beeldkwaliteitplan:

• Oud-Vossemeer :

“Welhoek” (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Annaland :

“Vroonstede” (zie gebiedstypekaart)

• Sint-Maartensdijk :

“Muyepolder” (zie gebiedstypekaart)

• Sint Philipsland :

“Graefnisse” (zie gebiedstypekaart)

• Stavenisse :

“Poststraat Zuid” (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

“Stadszicht” (zie gebiedstypekaart)

• Tholen :

“Stadszicht II” (zie gebiedstypekaart)

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

Het beeldkwaliteitplan vormt een leidraad voor de ruimtelijke vormgeving en de inrichting van de woongebieden. Het doel ervan is een goede onderlinge communicatie en afstemming te bewerkstelligen tussen alle bij het planproces betrokken disciplines.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Bij de realisatie van de woongebieden wordt bijzondere aandacht besteed aan de ruimtelijke belevingskwaliteit. In de beeldkwaliteitplannen staan de ambitieniveaus die de gemeente Tholen voor ogen heeft in deze gebieden omschreven. De welstandsbeoordeling geschiedt op basis van de criteria, zoals omschreven in het beeldkwaliteitplan. De bouwplannen worden getoetst op welstandsniveau 2.

Toetsingscriteria

Het beeldkwaliteitplan bevat de toetsingscriteria voor de welstandsbeoordeling. De beeldkwaliteitplannen zijn daarmee onderdeel van het welstandsbeleid. Tevens dienen de bouwplannen te voldoen aan de gebiedsgerichte criteria van gebiedstype W3-8.

7 Welstandscriteria bijzondere bouwwerken

In dit hoofdstuk zijn de welstandscriteria voor bijzondere bouwwerken in de gemeente Tholen vastgelegd. Bijzondere bouwwerken zijn bouwwerken, die vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van groot belang zijn voor de gemeente Tholen. Er zijn drie soorten bijzondere bouwwerken te onderscheiden: monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en overige bijzondere bouwwerken.

Omdat van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten vanuit de Monumentenwet 1988 reeds gedetailleerde redengevende beschrijvingen zijn, wordt in de betreffende paragrafen naar deze beschrijvingen verwezen. Van de overige bijzondere bouwwerken zijn de karakteristieken wel in deze nota opgenomen.

7.1 Monumenten

Beschrijving

Monumenten zijn bouwwerken die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Een monument kan door het Rijk worden aangewezen tot rijksmonument als het bouwwerk daarnaast ook een nationale, unieke waarde heeft en ouder is dan vijftig jaar. De gemeente Tholen kent 150 rijksmonumenten.

Bij de aanwijzing tot rijksmonument worden de kwaliteiten van het betreffende bouwwerk zeer nauwkeurig vastgelegd in een redengevende beschrijving. Het gaat hierbij om algemene vorm- en stijlkenmerken en de specifieke kenmerken van het exterieur, zoals bijvoorbeeld kroonlijsten, en het interieur. Hierbij valt te denken aan een bijzondere tegelvloer of een karakteristiek plafond.

afbeelding binnen de regeling

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De Monumentenwet 1988 regelt de wettelijke bescherming van de afzonderlijke monumenten. Deze wet beschrijft de taken en bevoegdheden van de overheid en de regels, waaraan de eigenaar van een beschermd monument zich dienen te houden. Eén van de taken van de gemeente Tholen is het informeren en begeleiden van eigenaren, beheerders en andere betrokkenen bij wijzigingen aan of rondom een monument.

Voor monumenten geldt dat alle vergunningvrije bouwwerken, zoals genoemd in de AmvB, licht-vergunningplichtig zijn. Dat houdt in dat kleine bouwplannen die normaal gesproken vergunningvrij zijn vooraf getoetst worden aan redelijke eisen van welstand.

Bij ontwikkelingen aan of rondom een monument worden de karakteristieke kenmerken en de ruimtelijke kwaliteit als zwaarwegend belang onderkent. De bestemmingsplannen vormen het beleidsmatige uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Het behoud van de historische en ruimtelijke karakteristieken van een monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, wordt van groot belang geacht. Voor de welstandsbeoordeling dient getoetst te worden op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Welstandscriteria

Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten vormt de redengevende beschrijving van het monument de basis voor onderstaande welstandscriteria.

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een monument, past de plaatsing van het object binnen de historisch-ruimtelijke karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object is dit object logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een monument is de kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object afgestemd op die van het monument en, indien van toepassing, op monumenten op belendende percelen.

gevelopbouw:

  • Bij wijzigingen aan een monument of een nieuw op te richten object nabij of aan een monument is de gevelopbouw afgestemd op de karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een monument zijn de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van het monument.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een monument past de compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, binnen de historische karakteristiek van het monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, en is de compositie, indien van toepassing, afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van monumenten op belendende percelen.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen van het object op zichzelf staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume en passen binnen de historische karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • Bij wijzigingen aan een monument of een nieuw op te richten object nabij of aan een monument zijn de indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische karakteristiek, zoals omschreven in de redengevende beschrijving van het monument.

  • Bij wijzigingen aan een monument of een nieuw op te richten object nabij of aan een monument is de indeling en vormgeving van de gevelvlakken en venstertraveeën van het object, indien van toepassing, afgestemd op die van monumenten op belendende percelen. Patronen en ritmiek binnen aaneengesloten gevels van een straatwand zijn gerespecteerd.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl van het monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • Bij wijzigingen aan een monument of een nieuw op te richten object nabij of aan een monument past de materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object binnen de historische karakteristiek van het monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, en is het materiaal- en kleurgebruik, indien van toepassing, afgestemd op die van de bouwvolume-onderdelen van monumenten op belendende percelen.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • Bij wijzigingen aan een monument of een nieuw op te richten object nabij of aan een monument past de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object binnen de historische karakteristiek van het monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, en is de detaillering, indien van toepassing, afgestemd op de veelal rijke detaillering van de bouwvolume-onderdelen van monumenten op belendende percelen.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl van het monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving, en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

7.2 Beschermde Stads- en Dorpsgezichten

Delen van een stad of een dorp kunnen door het Rijk worden aangewezen als beschermd stad- of dorpsgezicht. Het gaat hier om groepen van bouwwerken die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde en tenminste één monument bevatten. De Monumentenwet 1988 regelt de wettelijke bescherming van de stads- en dorpsgezichten. Met de bescherming wordt geprobeerd de historisch gegroeide structuur van een stad of dorp te handhaven.

De gemeente Tholen kent twee beschermde stadsgezichten, te weten “Stadskern Tholen” en “Kom Sint-Maartensdijk”. Bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht zijn de kwaliteiten van de betreffende stadskern zeer nauwkeurig vastgelegd in een redengevende beschrijving. Deze toelichting gaat in op de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van de kern. Voorts is een nadere typering gegeven van de te beschermen waarden en worden verschillende gebiedsdelen met hun specifieke kwaliteiten benoemd. Daarnaast is, op grond van het bepaalde in artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor beide beschermde stadsgezichten het bestaande bestemmingsplan aangepast. Het gaat hier om de bestemmingsplannen “Stadskern Tholen” en “Kom Sint-Maartensdijk”.

afbeelding binnen de regeling

De beschermde stadsgezichten vallen beiden onder gebiedstype H3, de historische stedelijke bebouwing. In paragraaf 6.3.3 H3: historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing) van hoofdstuk 6 komen het ruimtelijk beleid, de waardebepaling, het welstandniveau en de beoordelingscriteria van deze beschermde stadsgezichten aan de orde. Voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt dat alle vergunningvrije bouwwerken, zoals genoemd in de AmvB, licht-vergunningplichtig zijn. Dat houdt in dat kleine bouwplannen, die normaal gesproken vergunningvrij zijn, vooraf getoetst worden aan redelijke eisen van welstand.

afbeelding binnen de regeling

7.3 PV-systemen in de beschermde stadsgezichten en op monumenten

Maatschappelijke ontwikkelingen zoals klimaatverandering, stijgende energieprijzen, energiearmoede en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen hebben ervoor gezorgd dat zonnepanelen een vast onderdeel van onze gebouwde omgeving zijn geworden. Zonnepanelen horen vanzelfsprekend bij verduurzaming, want isoleren en het duurzaam opwekken van energie vullen elkaar aan. Het verruimen van het beleid voor PV-systemen in de beschermde stadsgezichten is daarom wenselijk.

Tegelijkertijd is het Thoolse erfgoed, wat we van onze voorouders hebben geërfd, van belang voor de identiteit van de gemeente en vooral van haar inwoners. De beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk en de monumenten binnen de gemeente zijn onderdeel van dit erfgoed en verdienen het om beschermd te worden. Met de landelijke doelstelling om in 2030 een reductie van 60% te hebben van onze CO2 uitstoot en in 2050 van 95% minder uitstoot, is verduurzaming van onze gebouwen echter benodigd, waaronder het gebouwd erfgoed.

Om het plaatsen van PV-systemen binnen de beschermde stadsgezichten mogelijk te maken met respect voor de cultuurhistorische waarden zijn de beschermde gezichten in twee zones verdeeld. Deze zones zijn hieronder opgenomen en worden toegelicht in het rapport ‘Zonering zonnepanelen: beschermde stadsgezichten Tholen en Sint-Maartensdijk’, opgesteld door Erfgoed Zeeland. Door het opstellen van afzonderlijke uitgangspunten voor gebieden met hoge cultuurhistorische waarde en gebieden met minder hoge cultuurhistorische waarde kunnen PV-systemen worden toegestaan waar het kan en uitgesloten waar het moet. Daarnaast zijn uitgangspunten opgesteld voor het plaatsen van PV-systemen op monumenten, waarmee meer duidelijkheid wordt gegeven en meer mogelijkheden ontstaan voor eigenaren.

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

7.3.1 Algemeen

7.3.1.1 Begripsbepalingen

  • -

    Openbaar toegankelijk gebied: een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is;

  • -

    PV-systemen: Fotovoltaïsche-systemen. Zonne-energie installaties zoals zonnepanelen en -collectoren met alle bijbehorende buizen en leidingen;

7.3.1.2 Toepassingsbereik

De uitgangspunten voor het plaatsen van PV-systemen zijn van toepassing op alle bebouwing binnen de beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk zoals opgenomen in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan en voor alle monumenten binnen de gemeente Tholen, waarbij het gaat om alle (voor)beschermde rijksmonumenten en (voor)beschermde gemeentelijke monumenten.

7.3.2 Uitgangspunten

Voor het plaatsen van PV-systemen binnen de beschermde gezichten en op monumenten gelden de algemene uitgangspunten uit paragraaf 7.3.2.1. Daarnaast gelden de zone specifieke uitgangspunten van paragraaf 7.3.2.2 voor de bebouwing, met uitzondering van monumenten, in zone 1 en de zone specifieke uitgangspunten van paragraaf 7.3.2.3 voor de bebouwing, met uitzondering van monumenten, in zone 2. Voor alle monumenten binnen de gemeente gelden naast de algemene uitgangspunten de uitgangpunten van paragraaf 7.3.2.4.

7.3.2.1 Algemene uitgangspunten

  • 1.

    Er wordt geen kapvergunning verleend indien deze wordt aangevraagd om de opbrengst van zonnepanelen te vergroten;

  • 2.

    De energieopwekking is ten bate van het eigen pand of de panden op één perceel, tenzij hogere wetgeving anders bepaalt;

  • 3.

    PV-systemen worden op het dak geplaatst (niet aan gevels en wanden of in voortuinen);

  • 4.

    Op schuine daken worden PV-systemen met een hellingshoek gelijk aan het dakvlak gelegd;

  • 5.

    De PV-systemen steken niet uit voorbij de nok, de dakvoet of de dakranden;

  • 6.

    Op daken met een bijzondere vorm of afwerking (zoals ronde, spitse of veelhoekige daken, daken met een bijzonder decoratief patroon of daken van bijzondere materialen, zoals zeldzame dakpannen, sommige leien daken, de meeste daken van riet, koper, zink of lood) is het plaatsen van PV-systemen ongewenst, tenzij onderzoek uitwijst dat de omgevingskwaliteit niet wordt aangetast;

  • 7.

    PV-systemen worden reversibel aangebracht waarbij zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande leidingentracés.

7.3.2.2 Uitgangspunten zone 1 – hoge cultuurhistorische waarde

Zone 1 bestaat uit de gebieden binnen de beschermde gezichten met hoge cultuurhistorische waarde. PV-systemen zijn in deze zone toelaatbaar met een zorgvuldig ontworpen plan. Voor deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de zone specifieke uitgangspunten hieronder. Voor monumenten binnen deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de uitgangspunten voor monumenten (paragraaf 7.3.2.4).

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 1 is vergunningsvrij (meldingsplichtig) indien niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied en wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    De PV-systemen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

  • 3.

    De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 1 in het zicht vanaf openbaar toegankelijk gebied is met vergunning toegestaan, mits er wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven PV-systemen op de historisch waardevolle bebouwing. Alternatieven elders op het perceel of uit het zicht zijn afgewogen en leveren geen rendabele installatie op;

  • 3.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 30 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 4.

    Behoud van historische dakbedekking is leidend, daarom zijn geen geïntegreerde zonnecellen in dakpannen of dakleien toegestaan. Als de dakbedekking op dit moment al niet (meer) van monumentale waarde is, kunnen er in specifieke gevallen meer mogelijkheden zijn.

  • 5.

    Panelen op hoofdgebouwen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.). Voor panelen op bijgebouwen geldt geen minimale afstand;

  • 6.

    Er is een zorgvuldig ontworpen plan voor het aanbrengen van de PV-systemen, zodat er geen sprake is van een onevenredige visuele verstoring van het pand of zijn omgeving. Dit blijkt onder meer uit:

    • a.

      De panelen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

    • b.

      De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

  • 7.

    Op hellende daken (m.u.v. mansardekappen) worden PV-systemen zo veel mogelijk op de onderste helft van het dakvlak geplaatst, tenzij andere plaatsing de omgevingskwaliteit minder aantast;

  • 8.

    Op mansardekappen worden panelen alleen op het bovenste dakvlak geplaatst, tenzij plaatsing op het onderste dakvlak de omgevingskwaliteit minder aantast.

7.3.2.3 Uitgangspunten zone 2 – minder hoge cultuurhistorische waarde

Zone 2 bestaat uit de gebieden binnen een beschermd gezicht met minder hoge cultuurhistorische waarde. PV-systemen zijn onder ruimere voorwaarden toelaatbaar. Voor deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de zone specifieke uitgangspunten hieronder. Voor monumenten binnen deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de uitgangspunten voor monumenten (paragraaf 7.3.2.4).

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 2 is vergunningsvrij (meldingsplichtig), mits er wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven PV-systemen op de historisch waardevolle bebouwing;

  • 2.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 50 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 3.

    Panelen op hoofdgebouwen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.). Voor panelen op bijgebouwen geldt geen minimale afstand;

  • 4.

    De panelen worden zo veel mogelijk in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

  • 5.

    De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

7.3.2.4 Uitgangspunten monumenten

Het plaatsen van PV-systemen op monumenten is met vergunning toegestaan, mits wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven panelen op de historisch waardevolle bebouwing. Alternatieven elders op het perceel of uit het zicht zijn afgewogen en leveren geen rendabele installatie op;

  • 3.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 30 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 4.

    Aantasting van historische dakbedekking is niet toegestaan, daarom zijn geen geïntegreerde zonnecellen in dakpannen of dakleien toegestaan. Als de dakbedekking op dit moment al niet meer van monumentale waarde is, kunnen er in specifieke gevallen meer mogelijkheden zijn.

  • 5.

    Panelen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.);

  • 6.

    Er is een zorgvuldig ontworpen plan voor het aanbrengen van de PV-systemen, zodat er geen sprake is van een onevenredige visuele verstoring van het monument of zijn omgeving. Dit blijkt onder meer uit:

    • a.

      Historische dakelementen of opbouwen (schoorstenen, dakkappellen, decoraties, et cetera) worden behouden;

    • b.

      De panelen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan) dat ondergeschikt blijft aan de hoofdvorm van het dak en de daarop aanwezige elementen;

    • c.

      De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak;

    • d.

      Maximeren van de opbrengst (aantal panelen of keuze dakvlak) mag niet ten koste gaan van de monumentale waarden;

Zonering zonnepanelen

Beschermde stadsgezichten Tholen en Sint-Maartensdijk  

Erfgoed Zeeland, 2024 

1 Inleiding 

1.1 Aanleiding 

De gemeente Tholen kent twee beschermde stadsgezichten: Sint-Maartensdijk en Tholen. Na de invoering van de Monumentenwet in 1988 zijn de binnensteden van deze plaatsen in 1991 door het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aangewezen als beschermd stadsgezicht. De gemeente Tholen heeft nog geen specifiek beleid voor zonnepanelen in de beschermde stadsgezichten waardoor de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit per aanvraag moet beoordelen of zonnepanelen aanvaardbaar zijn. In 2022 heeft de gemeente een onderzoek laten uitvoeren naar de behoeften m.b.t. zonnepanelen in de beschermde stadsgezichten.1 Hieruit bleek dat twee op de vijf inwoners van de stadsgezichten hinder ervaren van de eis dat zonnepanelen niet vanaf de openbare weg zichtbaar mogen zijn en dat twee van de drie inwoners dit geen goede eis vinden. In 2020 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn adviesbeleid voor zonnepanelen versoepeld.2

Omdat de behoefte naar zonnepanelen de afgelopen jaren toegenomen is, wil de gemeente Tholen beleid opstellen voor zonnepanelen binnen de beschermde stadsgezichten. De gemeente heeft Erfgoed Zeeland gevraagd een overzichtelijke zonering binnen de stadsgezichten aan te brengen op basis van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op verzoek van de gemeente is gekozen voor twee zones: één van hoge cultuurhistorische waarde, waarin een omgevingsvergunning in principe benodigd blijft voor het plaatsen van zonnepanelen. In de zone met minder hoge cultuurhistorische waarde zouden de beleidsregels versoepeld kunnen worden.

 1.2 Probleemstelling 

In de huidige situatie gelden voor de volledige beschermde stadsgezichten dezelfde regels m.b.t. zonnepanelen. De uitgangspunten voor de beschermingen worden gevormd door de toelichtingen bij de besluiten tot aanwijzing.3 In deze toelichtingen zijn de geschiedenis en het ruimtelijke karakter beschreven. Hierin wordt wel aangegeven welke straten het meest bepalend zijn voor de ruimtelijke structuur, maar een waardering van welke delen de hoogste cultuurhistorische waarde hebben ontbreekt. Wel zijn op de historisch-ruimtelijke waarderingskaarten, die bijlagen vormen bij de toelichtingen, de zones aangegeven waar de historische structuur ingrijpend gewijzigd is. Ook is hier op aangegeven waar de rooilijnen zijn verlegd of gesloopt. Deze toelichtingen en kaarten zijn gepubliceerd in 1987 en 1988 en niet langer actueel. Zo hebben nieuwe veranderingen van de historische bebouwing plaatsgevonden en zijn eerdere verstoringen inmiddels weer gesloopt. De toelichtingen bij de aanwijzingsbesluiten voldoen dus niet om te bepalen welke delen van de stadsgezichten hogere en lagere cultuurhistorische waarde hebben. Als de gemeente Tholen wil differentiëren binnen de beschermde stadsgezichten, is dus nader onderzoek nodig.

 1.3 Werkwijze 

Het onderzoek bestaat uit twee delen: een bureauonderzoek en veldwerk. In het bureauonderzoek zijn de historische structuren van de steden onderzocht, in welke zones zich oudere en jongere bebouwing bevindt en waar monumenten aanwezig zijn. In het veldwerk is op locatie onderzocht waar zich bebouwing van cultuurhistorische waarde bevindt, waar de ruimtelijke kwaliteit en samenhang (ensemblewaarde) hoog zijn en waar de dakvlakken goed zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Op basis van deze gegevens is een zonering opgesteld. Deze conceptzonering is met de gemeente Tholen besproken en naar aanleiding van de opmerkingen op enkele punten aangepast.

 1.4 Leeswijzer 

In het volgende hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. Eerst wordt ingegaan op het beschermd stadsgezicht Tholen, daarna op Sint-Maartensdijk. Per stad wordt ingegaan op de resultaten uit het bureauonderzoek. Dit bestaat uit een onderzoek naar het beschermd stadsgezicht, de historische bebouwing en de monumenten. Daarna worden de bevindingen uit het veldwerk besproken, geïllustreerd met foto’s. Dit alles leidt tot een voorstel voor een zonering, bestaand uit een zone met hoge cultuurhistorische waarde en een zone met minder hoge cultuurhistorische waarde. In hoofdstuk drie wordt ingegaan op daktypen en plaatsing van zonnepanelen. In het laatste hoofdstuk worden conclusies getrokken op basis van het onderzoek.

Tot slot zijn in bijlage 1 de kaartbeelden vergroot weergegeven. In bijlage 2 is het raadsbesluit ingevoegd dat voorziet in een wijziging van de welstandsnota op het onderwerp PV-systemen in de beschermde stadsgezichten en op monumenten.

 2 Resultaten 

 2.1 Tholen 

 2.1.1 Bureauonderzoek 

 Beschermd stadsgezicht 

Het beschermd stadsgezicht Tholen omvat de volledige oude binnenstad, inclusief de vestingwerken en grachten. De begrenzing is aangebracht aan de buitenzijde van de grachten, waar deze nog aanwezig zijn. Deze zijn niet langer aanwezig in het uiterste noordoosten (bij de Eendrachtsdijk) en in het zuiden (bij het scoutingcentrum). Hier is de begrenzing iets verder doorgetrokken dan de voormalige gracht. In het zuiden valt een open terrein, wat doorloopt tot de Gemaalweg en het Hertenkamp, onder de bescherming vanwege het belang van het zicht op de stad.

 Historische bebouwing 

De nederzettingsgeschiedenis van de stad Tholen kan grofweg in vier deelgebieden ingedeeld worden. Het begint met bebouwing op een dijk uit ca. 1220 die tegenwoordig de Hoogstraat en Verbrandestraat vormt. De stad ontwikkelde zich ten zuidwesten van deze dijk. Dit deel wordt daarom ook de Oudestad genoemd. Vervolgens werd eind veertiende eeuw de Dalempolder ingepolderd. Deze bedijking vormt tegenwoordig de Dalemsestraat. De Dalempolder, het gebied tussen de Dalemsestraat en de Verbrandestraat, heet daarom de Nieuwe Stad of Nieuwstad. Na deze bedijking nam de verzanding van de haven (bij de huidige Visstraat) toe, waarna deze werd verplaatst richting de huidige haven. Het deel van de stad wat tussen de Hoogstraat, Dalemsestraat en de haven ligt, staat bekend als de Buitenstad. In de Tachtigjarige Oorlog werden rond de stad vestingwerken aangelegd. Deze zijn later in de meeste gevallen bebouwd. De ruimte binnen de vestingwerken werd ook pas in de loop van de geschiedenis opgevuld. Op oude kaarten is te zien hoe een aanzienlijk deel van de stad uit moestuinen bestaat.

De oudste plattegrond van de stad is die van Jacob van Deventer uit het derde kwart van de zestiende eeuw. Als de straten van deze plattegrond ingetekend worden op de moderne kaart van Tholen, is te zien dat een groot deel van het huidige stratenpatroon in de zestiende eeuw ook al bestond. Deze straten vormen een belangrijke stedenbouwkundige basis van de stad.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 1: Het stratenpatroon van Tholen uit het derde kwart van de zestiende eeuw ingetekend op de huidige kaart 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie: CC-BY-4.0  

Dat het stratenpatroon redelijk gaaf is gebleven zegt weinig over de historische bebouwing zelf. Deze kan immers vervangen zijn door moderne bebouwing. Op basis van adresgegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is weergegeven waar zich historische bebouwing concentreert. Hierbij moet de opmerking worden geplaatst dat het bouwjaar in deze basisregistratie niet altijd correct is. Wel kan hier in grote lijnen een beeld van de bouwjaren geschetst worden. Uit deze gegevens blijkt dat de bebouwing van voor 1800 zich concentreert in de Oudelandsestraat, Markt, Stoofstraat, Hoogstraat, Kerkstraat, Bakstraat en Brugstraat. Deze concentratie vormt een zone die van zuidwest naar noordoost door het centrum loopt.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 2: Gebouwen met bouwjaren voor 1800 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

Het grootste deel van de gebouwen heeft een bouwjaar tussen 1800 en 1965. Hierin zitten weinig opvallende verschillen tussen zones binnen het beschermd stadsgezicht. In de moderne bebouwing (1965 tot heden) valt wel een aantal concentraties op:

  • het appartementencomplex uit de jaren 1970 tussen de Verbrandestraat en het Schuttershof;

    de bungalows uit de jaren 1960 op de hoek van de Regentessestraat;

    het appartementencomplex uit de jaren 1980 aan de Kaaij;

    verspreide moderne bebouwing aan de Doelweg, Dalemsestraat en Eendrachtweg;

    nieuwbouw van na 2020 op het Bastion;

    historiserende bebouwing in de omgeving Venkelstraat-Bosstraat;

    verschillende garages. Deze bevinden zich overwegend uit het zicht achter rijen huizen en zijn dus niet heel relevant in dit onderzoek.

 afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 3: Gebouwen met bouwjaren na 1965 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 Monumenten 

Het beschermd stadsgezicht Tholen kent 52 rijksmonumenten. In deze monumenten kan ook een zonering aangebracht worden:

  • de vestingwerken aan de randen van het centrum zijn als complex beschermd;

    de overige monumenten, behalve de twee molens, bevinden zich sterk geconcentreerd in het gebied Markt, Stoofstraat, Hoogstraat, Kerkstraat, Brugstraat, Botermarkt, Dalemsestraat en Bakstraat.

De zone waar de monumenten zich sterk concentreren komt grotendeels overeen met de zone waar zich gebouwen bevinden die ouder zijn dan het jaar 1800. De gemeente Tholen is daarnaast bezig met het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. Omdat dit proces op het moment van dit onderzoek nog bezig is, is dit niet meegenomen in dit rapport. De aan te wijzen gemeentelijke monumenten bevinden zich iets meer verspreid over het centrum dan de rijksmonumenten.

 afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 4: Rijksmonumenten in het beschermd stadsgezicht Tholen 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 2.1.2 Veldwerk 

Tijdens het veldwerk in het beschermd stadsgezicht Tholen is de cultuurhistorische waarde en omgevingskwaliteit van de bebouwing onderzocht. Tijdens dit veldwerk viel een aantal zaken op:

  • Het centrum van Tholen heeft een overwegend monumentaal karakter.

    Een aantal zones heeft geen monumentaal karakter en een lage beeldkwaliteit. Dit betreft de zone met bungalows aan de Regentessestraat, doorlopend in de Plantagestraat, de appartementencomplexen aan de Kaaij, Hoogstraat, Schuttershof, Verbrandestraat, Doelweg en Bastion (Kruittoren).

    Veel moderne bebouwing is historiserend gebouwd en bevindt zich tussen historische bebouwing. Hoewel deze gebouwen geen cultuurhistorische waarde hebben, dragen ze evengoed bij aan de beeld- en omgevingskwaliteit.

    In grote delen van de Nieuwstad (het noordelijke deel tussen de Dalemsestraat en de Verbrandestraat) is de bebouwing rommelig te noemen. Hier wisselen oude en nieuwe, gave en aangetaste panden elkaar af. Er is veel afwisseling tussen daktypen en bebouwing wijkt in veel gevallen af van de rooilijn. Hoewel zich hier historische panden bevinden, is de beeldkwaliteit laag door het gebrek aan samenhang. Uitzonderingen hierop vormen ensembles aan de Hofstraat en de Vossemeersepoort.

    Vanaf de singels zijn relatief weinig dakvlakken te zien door de bebossing op de bolwerken.

    Vanaf de vestingwerken zijn met name vanaf de zuidoostelijke zijde (Cromvliet en Contre Escarpe) veel dakvlakken zichtbaar, omdat het wandelpad hier vlak langs de bebouwing loopt en het zicht niet belemmerd wordt door bomen.

    Vanaf de jachthaven en de overzijde van het water (Schelde-Rijnweg) zijn veel dakvlakken te zien van de straten achter de haven. Dit aanzicht wordt wel gedomineerd door het moderne appartementencomplex aan de Kaaij.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 5: Veel dakvlakken zijn zichtbaar vanaf de vestingwerken, met name aan de zuidzijde 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 6: Modern appartementencomplex aan de Kaaij 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 7: Rij woningen met dezelfde bouwstijl en daktypen aan de Vossemeersepoort, een deel van de Nieuwestad waar wel sprake is van samenhang en ensemblewaarde 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 8: Woningen op de hoek van de Vossemeersepoort en de Doelweg. De afwisseling tussen oude en moderne panden en verschillende daktypen zorgt voor een lage beeldkwaliteit. 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 9: Modern appartementencomplex aan de Verbrandestraat 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 10: Ensemble van woningen met dezelfde bouwstijl en dakoverstekken in de Hofstraat 

 2.1.3 Zonering 

Op verzoek van de gemeente Tholen is het beschermd stadsgezicht opgedeeld in twee zones: één met bebouwing van hoge cultuurhistorische waarde en één met minder hoge cultuurhistorische waarde. Omdat het centrum een overwegend hoge cultuurhistorische waarde heeft, is het grootste deel als zodanig aangemerkt. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat een deel van het beschermd stadsgezicht (bolwerken, gracht, haven en weide aan de zuidzijde) onbebouwd is. De gemeente Tholen gaat uit van het principe ‘van zon op grond, naar zon op dak’. Dat wil zeggen dat de gemeente alleen nog zonnepanelen wil toestaan op daken, niet langer op de grond. De onbebouwde delen van het beschermd stadsgezicht vallen dan per definitie in een zone waar de gemeente het vergunningsvrij plaatsen van zonnepanelen niet wil toestaan. Deze onbebouwde gebieden zijn daarom, ongeacht de cultuurhistorische waarde, in de zone geplaatst waar de vergunningsplicht gehandhaafd blijft. Op de gebouwen in deze zone wil de gemeente Tholen zonnepanelen toestaan, mits dit gebeurt op basis van een zorgvuldig ontworpen plan. De uitgangspunten hiervoor vindt u in de beleidsregel in bijlage 2. Voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten binnen deze zone gelden aanvullende uitgangspunten. Deze vindt u in dezelfde beleidsregel.

In zone 2 bevinden zich de gebieden van minder hoge cultuurhistorische waarde. Hierin zijn de zones met moderne(re) bebouwing opgenomen. Dit betreft de omgeving van het Bastion met daarop de Kruittoren (punt 1), de appartementencomplexen aan de Kaaij en Hoogstraat (punt 2), de bungalows en rijtjeshuizen aan de Regentessetraat en Plantagestraat (punt 3) en de appartementencomplexen aan de Doelweg, Verbrandestraat en Schuttershof (punt 4). De wat rommelige zone in de Nieuwestad en tussen de Dalemsestraat en Eendrachtsweg, die weliswaar historische panden kent, maar een lage beeldkwaliteit vanwege het gebrek aan samenhang, is na overleg met de gemeente ook aan deze zone toegevoegd. De uitgangspunten voor het plaatsen van zonnepanelen binnen deze zone vindt u in de beleidsregel in bijlage 2. Voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten binnen deze zone gelden aanvullende uitgangspunten. Deze vindt u in dezelfde beleidsregel.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 11: Zonering beschermd stadsgezicht Tholen 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 2.2 Sint-Maartensdijk 

 2.2.1 Bureauonderzoek 

 Beschermd stadsgezicht 

Het beschermd stadsgezicht Sint-Maartensdijk omvat de volledige oude binnenstad. Dit gezicht wordt begrensd door de voormalige vest (Westvest en Wal) en aan de oostelijke zijde door de voormalige singel (Oostsingel). In het originele aanwijzingsbesluit viel het voormalige kasteelterrein ten noorden van de stad ook binnen het beschermd stadsgezicht. Tegenwoordig valt dit terrein volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed niet langer binnen de begrenzing. Ook in het Bestemmingsplan Kommen Gemeente Tholen valt dit terrein niet binnen het beschermd stadsgezicht. Het volledige kasteelterrein is wel beschermd als rijksmonument, waardoor het dus alsnog bescherming geniet. Het terrein is dus niet relevant voor dit onderzoek.

 Historische bebouwing 

De stad Sint-Maartensdijk ontstond aan de geul de Haastee, tegenwoordig de Pluimpot geheten. Aan deze geul ontstond een haven en noordelijker werd een kasteel gebouwd. De tussenliggende nederzetting groeide uit tot een kleine stad. De plaats waar ooit de stadsvest lag, is nog goed herkenbaar in het stratenpatroon. De Pluimpot en de haven zijn ingepolderd. De haven is nog wel herkenbaar als plein aan de zuidkant van het centrum. De stedenbouwkundige opzet van het beschermd gezicht wordt verder gedomineerd door een groot marktplein en een open ruimte rond de kerk.

De oudste kaart van de stad is gemaakt door Jacob van Deventer in het derde kwart van de zestiende eeuw. Als het stratenpatroon van deze kaart vergeleken wordt met de huidige plattegrond, valt op dat dit nagenoeg gelijk is. De haven en grachten zijn weliswaar gedempt, maar alle straten uit de zestiende eeuw bestaan nog. Alleen De Ark en de Blauwstraat zijn nieuw aangelegde straten.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 12: De kaart van Sint-Maartensdijk van Jacob van Deventer 

Dat het stratenpatroon redelijk gaaf is gebleven zegt weinig over de historische bebouwing zelf. Deze kan immers vervangen zijn door moderne bebouwing. Op basis van adresgegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is weergegeven waar zich historische bebouwing concentreert. Hierbij moet de opmerking geplaatst worden dat het bouwjaar in deze basisregistratie niet altijd correct is. Wel kan hier in grote lijnen een beeld van de bouwjaren geschetst worden. Uit deze gegevens blijkt dat de bebouwing van voor 1800 zich concentreert rond de Markt en enkele huizen rond de Sint-Maartenskerk en de Haven.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 13: Gebouwen met bouwjaren voor 1800 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

Het grootste deel van de gebouwen heeft een bouwjaar tussen 1800 en 1965. Hierin zitten weinig opvallende verschillen tussen zones binnen het beschermd stadsgezicht. In de moderne bebouwing (1965 tot heden) vallen twee concentraties op: aan de vesten (Oostsingel, Westvest en Wal) en het gebied Korte Vest, De Ark en Blauwstraat.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 14: Gebouwen met bouwjaren na 1965 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 Monumenten 

Het beschermd stadsgezicht Sint-Maartensdijk kent 20 rijksmonumenten. In deze monumenten kan ook een zonering aangebracht worden. Ze bevinden zich allemaal aan de Markt en rond de Sint-Maartenskerk. De gemeente Tholen is daarnaast bezig met het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. Omdat dit proces op het moment van dit onderzoek nog bezig is, is dit niet meegenomen in dit rapport. De aan te wijzen gemeentelijke monumenten bevinden zich iets meer verspreid over het centrum dan de rijksmonumenten.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 15: Rijksmonumenten in het beschermd stadsgezicht Sint-Maartensdijk 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 2.2.2 Veldwerk 

Tijdens het veldwerk in het beschermd stadsgezicht Sint-Maartensdijk is de cultuurhistorische waarde en omgevingskwaliteit van de bebouwing onderzocht. Tijdens dit veldwerk viel een aantal zaken op:

  • De ruimtelijke structuur van het stadscentrum wordt sterk bepaald door twee pleinen: de Markt en de Haven.

    De Markt en de omgeving van de Sint-Maartenskerk hebben een hoge cultuurhistorische waarde.

    De buitenrand (vesten en singels) van het beschermd gezicht en de omgeving van de Korte Vest, De Arke en Blauwstraat hebben een lage cultuurhistorische waarde.

    De westelijke zijde van de Oostvest heeft een karakteristieke uitstraling door een rij oudere schuren.

    De Kaaistraat heeft een monumentale uitstraling, maar de meeste dakvlakken zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg.

    Er zijn veel locaties waar zich doorkijkjes richting de Sint-Maartenskerk bevinden. Eventuele zonnepanelen beïnvloeden het zicht op dit monument.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 16: De Markt is een belangrijke ruimtelijke structuur met veel monumentale panden 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 17: In het midden van het centrum bevindt zich een zone met moderne bebouwing 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 18: De Haven vormt net als de Markt een belangrijke ruimtelijke structuur. De bebouwing is minder monumentaal 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 19: Binnen het beschermd stadsgezicht bevinden zich veel doorkijkjes naar de Sint-Maartenskerk 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 20: Rij van oude schuren aan de Oostvest 

 2.2.3 Zonering 

Op verzoek van de gemeente Tholen is het beschermd stadsgezicht opgedeeld in twee zones: één met bebouwing van hoge cultuurhistorische waarde en één met minder hoge cultuurhistorische waarde.

Er zijn twee zones met een hoog monumentaal karakter: de Markt (punt 1) en de omgeving van de Sint-Maartenskerk (punt 2). Ook zijn er twee zones die door hun open ruimte een belangrijk onderdeel vormen van de ruimtelijke structuur: de Markt (punt 1) en de Haven (punt 3). Deze zones zijn aangemerkt als gebied van hoge cultuurhistorische waarde. Op de gebouwen in deze zone wil de gemeente Tholen zonnepanelen toestaan, mits dit gebeurt op basis van een zorgvuldig ontworpen plan. De uitgangspunten hiervoor vindt u in de beleidsregel in bijlage 2. Voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten binnen deze zone gelden aanvullende uitgangspunten. Deze vindt u in dezelfde beleidsregel.

De buitenrand (vesten, punten 4), de bebouwing óp het terrein van de voormalige haven (punt 5) en het midden van het gezicht (Korte Vest, Blauwstraat en De Ark, punt 6) zijn aangemerkt als zone van minder hoge cultuurhistorische waarde. Een deel van de Kaaistraat (punt 7) is ook aan deze zone toegevoegd omdat de dakvlakken hiervan niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. De uitgangspunten voor het plaatsen van zonnepanelen binnen deze zone vindt u in de beleidsregel in bijlage 2. Voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten binnen deze zone gelden aanvullende uitgangspunten. Deze vindt u in dezelfde beleidsregel.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 21: Zonering beschermd stadsgezicht Sint-Maartensdijk 

Bron: PDOK: BRT Achtergrondkaart Grijs. Licentie:  CC-BY-4.0  

 3 Daken en zonnepanelen 

 3.1 Daktypen 

De beste plaats voor zonnepanelen in een beschermd stadsgezicht is uit het zicht. Of een dakvlak uit het zicht is vanaf de openbare weg, hangt af van de dakvorm en de ligging van het dakvlak ten opzichte van de straat. Hieronder worden kort enkele veel voorkomende dakvormen behandeld.

 Zadeldak 

Een van de meest voorkomende daktypen is het zadeldak. Het bestaat uit twee dakvlakken die in het midden, op het hoogste punt, bij elkaar komen. Deze daken zijn, afhankelijk van de ligging op het zuiden, zeer geschikt voor zonnepanelen, omdat de dakvlakken rechthoekig zijn en dus eenvoudig kunnen worden voorzien van enkele aaneengesloten rijen zonnepanelen. Als het dakvlak evenwijdig aan de huizenrij/straat ligt (langskap), is het voordakvlak, afhankelijk van de hoogte van het gebouw en de hellingshoek van het dakvlak, goed zichtbaar vanaf de straat. In dit geval zijn eventuele zonnepanelen goed zichtbaar vanaf de straat en kunnen ze de beeldkwaliteit verstoren. Als dit het geval is, hebben zonnepanelen op de achterdakvlakken, mits niet zichtbaar vanaf een andere openbare weg, de voorkeur.

Als de dakvlakken loodrecht op de straat staan, is er sprake van een dwarskap. In dit geval bevindt de voorgevel zich aan de straat. De dakvlakken zijn, afhankelijk van de hellingshoek en hoogte van het gebouw, deels zichtbaar vanaf de straat. In dit geval is het wenselijk dat de zonnepanelen zo ver mogelijk naar achter op de onderste helft van het dakvlak worden geplaatst, zodat ze niet/zo min mogelijk zichtbaar zijn vanaf de straat. Als een gebouw met een zadeldak zich op de hoek van twee straten bevindt, kan een dakvlak zowel als een langskap als dwarskap gezien worden.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 22: Schematische weergave van een zadeldak 

Bron: Wikipedia Commons. Licentie:  CC BY-SA 3.0  

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 23: Woningen met zadeldaken (langskappen). De voordakvlakken zijn goed zichtbaar vanaf de straat. 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 24: Schuren met zadeldaken (dwarskappen). De voorste stukken van de zijdakvlakken zijn zichtbaar vanaf de straat. 

 Schilddak 

Een schilddak heeft dezelfde basis als een zadeldak, alleen zijn de dakvlakken aan beide kanten afgeknot met een driehoekig schild. Deze schilden bevinden zich aan de korte zijden van het gebouw. Net als bij een zadeldak zijn de dakvlakken aan de straatzijde vaak het best zichtbaar. Daarom geldt ook hier dat zonnepanelen bij voorkeur op het achterdakvlak en de achterste en onderste (minder zichtbare) delen van de zijdakvlakken geplaatst worden.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 25: Schematische weergave van een schilddak 

Bron: Wikipedia Commons. Licentie:  CC BY-SA 3.0  

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 26: Schilddaken. Bij het witte huis met schilddak valt door de hoogte van het gebouw ook het zijdakvlak op vanaf de straat. 

 Mansardedak 

Een mansardedak is een variant op een zadeldak, waarbij de dakvlakken geknikt zijn. De delen van dakvlakken hebben zodoende een andere hellingshoek: de onderste steiler dan de bovenste. Zodoende zijn de onderste delen van de dakvlakken beter zichtbaar vanaf de straat. Het plaatsen van zonnepanelen op de bovenste helft van het dakvlak heeft daarom altijd de voorkeur. Als de dakvlakken dwars gepositioneerd zijn ten opzichte van de straat, geldt hetzelfde als bij een zadeldak: hoe verder naar achter de zonnepanelen liggen, hoe minder zichtbaar ze zijn. Als het dak evenwijdig aan de straat loopt, worden zonnepanelen bij voorkeur op het achterdakvlak geplaatst.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 27: Mansardekappen in de dwarsrichting ten opzichte van de straat met zonnepanelen op het bovenste helft van het dakvlak. 

afbeelding binnen de regeling

 Afbeelding 28: Mansardekappen in de langsrichting ten opzichte van de straat. Doordat de woningen relatief laag zijn, zijn zowel de boven- als onderkant van het voordakvlak goed zichtbaar. 

 Plat dak 

Op platte daken worden zonnepanelen doorgaans schuin op een stellage geplaatst, zodat ze op de zon gericht staan. Als deze ‘staande’ zonnepanelen vanaf de openbare weg zichtbaar zijn, kan dit beeld verstorend werken.

 Bijzondere dakvormen 

Naast deze opsomming van veel voorkomende daktypen, zijn er ook nog bijzondere dakvormen, bijvoorbeeld met rondingen of aaneenschakelingen van meerdere dakvormen. Bij deze bijzondere gevallen wordt geadviseerd om deze per casus te beoordelen.

afbeelding binnen de regeling

 Afbeelding 29: Een ensemble van woningen met een bijzonder daktype. In dit geval zouden zonnepanelen op alle voordakvlakken zichtbaar zijn vanaf de straat. 

 3.2 Zonnepanelen 

Naast de plaatsing kan ook in het type zonnepanelen worden gevarieerd. De keuzes die hierin worden gemaakt,hebben ook invloed op de beeldkwaliteit en monumentale waarden. Een aantal criteria zijn:

  • Eenduidigheid. Het heeft de voorkeur om zonnepanelen van hetzelfde type (grootte, kleur, enz.) op een dak te plaatsen. Het gebruik van verschillende types verlaagt de beeldkwaliteit.

    Legpatronen. Het heeft de voorkeur om zonnepanelen in rechthoekige formatie te plaatsen. Een L-vormig of willekeurig patroon verlaagt de beeldkwaliteit. Wanneer er zich meerdere woningen onder een dak bevinden, is het wenselijk dat de legpatronen op elkaar zijn afgestemd.

    Afstand tot dakranden en elementen. Het heeft de voorkeur om zonnepanelen op voldoende afstand van de dakranden en elementen zoals ramen, dakkapellen en schoorstenen te plaatsen.

    Kleur. Om het contrast tussen het dak en de panelen zo klein mogelijk te houden hebben rode zonnepanelen de voorkeur op rode daken en zwarte zonnepanelen op zwarte of grijze daken.

    Randen. Een egaal zonnepaneel valt het minst op. Daarom hebben deze zonnepanelen de voorkeur boven zonnepanelen met randen of kaders in een afwijkende kleur. Ook kabels en andere onderdelen moeten zo onopvallend mogelijk worden aangebracht.

    Reversibiliteit. Om de cultuurhistorische waarde van de gebouwen binnen beschermde stadsgezichten te behouden, dienen de gebouwen zo min mogelijk beschadigd te worden bij het aanbrengen en verwijderen van zonnepanelen.

afbeelding binnen de regeling

 Afbeelding 30: De dicht op de dakranden geplaatste zonnepanelen van verschillende grootte, zorgen voor een lage beeldkwaliteit. 

afbeelding binnen de regeling

 Afbeelding 31: Egale zonnepanelen (midden rechts) vallen minder op dan panelen met randen (midden links). 

 4 Conclusie 

De gemeente Tholen heeft erfgoed en beeldkwaliteit hoog in het vaandel staan. Het is een gemeente met ambitieuze doelstellingen voor het beschermen, benutten en beleven van erfgoed, zoals blijkt uit de in 2021 vastgestelde Erfgoedvisie Trots op Tholen. De gemeente wil echter van erfgoed geen hindermacht maken. In tijden waarin grote maatschappelijke opgaven spelen, zoals de energietransitie, moet een afweging worden gemaakt tussen behoud en ontwikkeling van erfgoed. De gemeente heeft bovendien doelstellingen op het gebied van duurzaamheid en wil burgers die hun steentje willen bijdragen zo weinig mogelijk in de weg zitten. Dit past in het ‘Omgevingswetdenken’: van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’. Zeker in de beschermde stadsgezichten Tholen en Sint-Maartensdijk is er daarom ruimte voor versoepeling van het beleid voor zonnepanelen.

Uit het onderzoek blijkt dat in de beide stadsgezichten een onderverdeling in zones te maken is waarbij de cultuurhistorische waarde als uitgangspunt is genomen, naast beeldkwaliteit en ensemblewaarde. Om deze onderverdeling niet onnodige ingewikkeld te maken, is op verzoek van de gemeente Tholen gekozen voor een tweedeling, een zone met een hoge en minder hoge waarde, waarin verschillend met plaatsing van zonnepanelen en de beoordeling daarvan wordt omgegaan. Dit laatste is vastgelegd in een beleidsregel die als bijlage is toegevoegd.

 Bijlage 1: Kaarten zonering 

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

 Bijlage 2: Raadsbesluit 

De raad van de gemeente Tholen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2024;

b e s l u i t :

  • 1.

    de Welstandsnota gemeente Tholen als volgt te wijzigen:

A

Onder hoofdstuk 7 ‘Welstandscriteria bijzondere bouwwerken’ wordt na paragraaf 7.2 ‘Beschermde Stads- en Dorpsgezichten’ een nieuw onderdeel ingevoegd luidende als volgt:

 7.3 PV-systemen in de beschermde stadsgezichten en op monumenten 

Maatschappelijke ontwikkelingen zoals klimaatverandering, stijgende energieprijzen, energiearmoede en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen hebben ervoor gezorgd dat zonnepanelen een vast onderdeel van onze gebouwde omgeving zijn geworden. Zonnepanelen horen vanzelfsprekend bij verduurzaming, want isoleren en het duurzaam opwekken van energie vullen elkaar aan. Het verruimen van het beleid voor PV-systemen in de beschermde stadsgezichten is daarom wenselijk.

Tegelijkertijd is het Thoolse erfgoed, wat we van onze voorouders hebben geërfd, van belang voor de identiteit van de gemeente en vooral van haar inwoners. De beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk en de monumenten binnen de gemeente zijn onderdeel van dit erfgoed en verdienen het om beschermd te worden. Met de landelijke doelstelling om in 2030 een reductie van 60% te hebben van onze CO2 uitstoot en in 2050 van 95% minder uitstoot, is verduurzaming van onze gebouwen echter benodigd, waaronder het gebouwd erfgoed.

Om het plaatsen van PV-systemen binnen de beschermde stadsgezichten mogelijk te maken met respect voor de cultuurhistorische waarden zijn de beschermde gezichten in twee zones verdeeld. Deze zones zijn hieronder opgenomen en worden toegelicht in het rapport ‘Zonering zonnepanelen: beschermde stadsgezichten Tholen en Sint-Maartensdijk’, opgesteld door Erfgoed Zeeland. Door het opstellen van afzonderlijke uitgangspunten voor gebieden met hoge cultuurhistorische waarde en gebieden met minder hoge cultuurhistorische waarde kunnen PV-systemen worden toegestaan waar het kan en uitgesloten waar het moet. Daarnaast zijn uitgangspunten opgesteld voor het plaatsen van PV-systemen op monumenten, waarmee meer duidelijkheid wordt gegeven en meer mogelijkheden ontstaan voor eigenaren

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

 7.3.1 Algemeen 

 7.3.1.1 Begripsbepalingen 

  • -

    Openbaar toegankelijk gebied: een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is;

  • -

    PV-systemen: Fotovoltaïsche-systemen. Zonne-energie installaties zoals zonnepanelen en -collectoren met alle bijbehorende buizen en leidingen;

 7.3.1.2 Toepassingsbereik 

De uitgangspunten voor het plaatsen van PV-systemen zijn van toepassing op alle bebouwing binnen de beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk zoals opgenomen in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan en voor alle monumenten binnen de gemeente Tholen, waarbij het gaat om alle (voor)beschermde rijksmonumenten en (voor)beschermde gemeentelijke monumenten.

 7.3.2 Uitgangspunten 

Voor het plaatsen van PV-systemen binnen de beschermde gezichten en op monumenten gelden de algemene uitgangspunten uit paragraaf 7.3.2.1. Daarnaast gelden de zone specifieke uitgangspunten van paragraaf 7.3.2.2 voor de bebouwing, met uitzondering van monumenten, in zone 1 en de zone specifieke uitgangspunten van paragraaf 7.3.2.3 voor de bebouwing, met uitzondering van monumenten, in zone 2. Voor alle monumenten binnen de gemeente gelden naast de algemene uitgangspunten de uitgangpunten van paragraaf 7.3.2.4.

 7.3.2.1 Algemene uitgangspunten 

  • 1.

    Er wordt geen kapvergunning verleend indien deze wordt aangevraagd om de opbrengst van zonnepanelen te vergroten;

  • 2.

    De energieopwekking is ten bate van het eigen pand of de panden op één perceel, tenzij hogere wetgeving anders bepaalt;

  • 3.

    PV-systemen worden op het dak geplaatst (niet aan gevels en wanden of in voortuinen);

  • 4.

    Op schuine daken worden PV-systemen met een hellingshoek gelijk aan het dakvlak gelegd;

  • 5.

    De PV-systemen steken niet uit voorbij de nok, de dakvoet of de dakranden;

  • 6.

    Op daken met een bijzondere vorm of afwerking (zoals ronde, spitse of veelhoekige daken, daken met een bijzonder decoratief patroon of daken van bijzondere materialen, zoals zeldzame dakpannen, sommige leien daken, de meeste daken van riet, koper, zink of lood) is het plaatsen van PV-systemen ongewenst, tenzij onderzoek uitwijst dat de omgevingskwaliteit niet wordt aangetast;

  • 7.

    PV-systemen worden reversibel aangebracht waarbij zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande leidingentracés.

 7.3.2.2 Uitgangspunten zone 1 – hoge cultuurhistorische waarde 

Zone 1 bestaat uit de gebieden binnen de beschermde gezichten met hoge cultuurhistorische waarde. PV-systemen zijn in deze zone toelaatbaar met een zorgvuldig ontworpen plan. Voor deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de zone specifieke uitgangspunten hieronder. Voor monumenten binnen deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de uitgangspunten voor monumenten (paragraaf 7.3.2.4).

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 1 is vergunningsvrij (meldingsplichtig) indien niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied en wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    De PV-systemen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

  • 3.

    De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 1 in het zicht vanaf openbaar toegankelijk gebied is met vergunning toegestaan, mits er wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven PV-systemen op de historisch waardevolle bebouwing. Alternatieven elders op het perceel of uit het zicht zijn afgewogen en leveren geen rendabele installatie op;

  • 3.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 30 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 4.

    Behoud van historische dakbedekking is leidend, daarom zijn geen geïntegreerde zonnecellen in dakpannen of dakleien toegestaan. Als de dakbedekking op dit moment al niet (meer) van monumentale waarde is, kunnen er in specifieke gevallen meer mogelijkheden zijn.

  • 5.

    Panelen op hoofdgebouwen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.). Voor panelen op bijgebouwen geldt geen minimale afstand;

  • 6.

    Er is een zorgvuldig ontworpen plan voor het aanbrengen van de PV-systemen, zodat er geen sprake is van een onevenredige visuele verstoring van het pand of zijn omgeving. Dit blijkt onder meer uit:

    • a.

      De panelen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

    • b.

      De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

  • 7.

    Op hellende daken (m.u.v. mansardekappen) worden PV-systemen zo veel mogelijk op de onderste helft van het dakvlak geplaatst, tenzij andere plaatsing de omgevingskwaliteit minder aantast;

  • 8.

    Op mansardekappen worden panelen alleen op het bovenste dakvlak geplaatst, tenzij plaatsing op het onderste dakvlak de omgevingskwaliteit minder aantast.

 7.3.2.3 Uitgangspunten zone 2 – minder hoge cultuurhistorische waarde 

Zone 2 bestaat uit de gebieden binnen een beschermd gezicht met minder hoge cultuurhistorische waarde. PV-systemen zijn onder ruimere voorwaarden toelaatbaar. Voor deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de zone specifieke uitgangspunten hieronder. Voor monumenten binnen deze zone gelden de algemene uitgangspunten en de uitgangspunten voor monumenten (paragraaf 7.3.2.4).

Het plaatsen van PV-systemen binnen zone 2 is vergunningsvrij (meldingsplichtig), mits er wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven PV-systemen op de historisch waardevolle bebouwing;

  • 2.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 50 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 3.

    Panelen op hoofdgebouwen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.). Voor panelen op bijgebouwen geldt geen minimale afstand;

  • 4.

    De panelen worden zo veel mogelijk in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan);

  • 5.

    De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak.

 7.3.2.4 Uitgangspunten monumenten 

Het plaatsen van PV-systemen op monumenten is met vergunning toegestaan, mits wordt voldaan aan de algemene en onderstaande uitgangspunten:

  • 1.

    Installatie dient te gebeuren door een vakspecialist om een verhoogd brandrisico te voorkomen, bij voorkeur door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Erkenningsregeling voor zonnestroomsystemen of vergelijkbaar. Gecertificeerde bedrijven zijn opgenomen in het Centraal Register Techniek en/of Techniek Nederland;

  • 2.

    Het plaatsen van PV-systemen op platte daken of bijgebouwen heeft de voorkeur boven panelen op de historisch waardevolle bebouwing. Alternatieven elders op het perceel of uit het zicht zijn afgewogen en leveren geen rendabele installatie op;

  • 3.

    Het hoogste punt van panelen op een plat dak mag maximaal 30 cm boven de dakrand uitsteken;

  • 4.

    Aantasting van historische dakbedekking is niet toegestaan, daarom zijn geen geïntegreerde zonnecellen in dakpannen of dakleien toegestaan. Als de dakbedekking op dit moment al niet meer van monumentale waarde is, kunnen er in specifieke gevallen meer mogelijkheden zijn.

  • 5.

    Panelen worden geplaatst op minimaal 50 centimeter afstand tot de dakranden en bouwkundige onderdelen (ramen, dakkapellen, schoonstenen etc.);

  • 6.

    Er is een zorgvuldig ontworpen plan voor het aanbrengen van de PV-systemen, zodat er geen sprake is van een onevenredige visuele verstoring van het monument of zijn omgeving. Dit blijkt onder meer uit:

    • a.

      Historische dakelementen of opbouwen (schoorstenen, dakkappellen, decoraties, et cetera) worden behouden;

    • b.

      De panelen worden in een ononderbroken rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan) dat ondergeschikt blijft aan de hoofdvorm van het dak en de daarop aanwezige elementen;

    • c.

      De panelen hebben een egale matte kleur zonder contrasterende randen of onderdelen, zwart of afgestemd op de kleur van het dak;

    • d.

      Maximeren van de opbrengst (aantal panelen of keuze dakvlak) mag niet ten koste gaan van de monumentale waarden;

B

In het opschrift van paragraaf 7.3 wordt ‘7.3’ vervangen door ‘7.4’.

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking daarvan.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Tholen in zijn openbare vergadering van 12 december 2024.

, voorzitter

, griffier

7.4 Overige bijzondere bouwwerken

Beschrijving

Naast de 150 rijksmonumenten en 2 beschermde stadsgezichten kent de gemeente Tholen nog 11 overige bijzondere bouwwerken. Dit zijn bouwwerken die (nog) geen monument zijn, maar die door hun schoonheid, bijzondere maatschappelijke functie of grote culturele waarde van algemeen belang zijn voor de gemeente Tholen.

In de gemeente Tholen kunnen we de volgende overige bijzondere bouwwerken onderscheiden:

• Anna Jacobapolder:

kerkgebouw, Langeweg 51

• Poortvliet:

molenstomp, Zanddreef 2 voormalig gemeentehuis, Langestraat 16

• Sint-Annaland:

kerkgebouw, Ring 1 voormalig weeshuis, Bierensstraat 22 museum De Meestoof, voormalig gemeenthuis, Bierensstraat 6/8

• Sint-Maartensdijk:

gemaal De Noord, Noordpolder van Sint-Maartensdijk, Gemaalweg N1

• Sint Philipsland:

watertoren, hoek Rijksweg - Kwekerijweg

• Tholen:

kerkgebouw, uitbreidingsgebied "Stadszicht", ds. G.H. Kerstenstraat pompgemaal, Gemaalweg 24   molenstomp, Vlasmarkt

Toelichting

Per bijzonder bouwwerk wordt hierna toegelicht wat de specifieke kenmerken van het bouwwerk zijn.

kerkgebouw, Anna Jacobapolder

afbeelding binnen de regeling

Deze gereformeerde kerk uit 1959 aan de Langeweg 51 is aan de rand van Anna Jacobapolder gesitueerd. Het gebouw ligt, vanaf de weg gezien, terug ten opzichte van de woningen van de bebouwde kom. De kerk heeft een rechthoekige bouwmassa van één bouwlaag en is voorzien van een zadel/schilddak, dat haaks op de Langeweg staat. De gevels zijn opgetrokken uit rood metselwerk en het dak is voorzien van grijsblauw genuanceerde dakpannen. De entree aan de oostzijde wordt gemarkeerd door een gemetselde klokkentoren met betonnen verbindingselementen en een ijsblauw geschilderd entreeportaal. De houten puien van de kerkzaal hebben een vierkante vlakverdeling en zijn rozerood van kleur. Het laatste raam in de westgevel heeft een wit betonnen omlijsting en steekt boven de dakrand uit. De gevel aan de straatzijde is deels voorzien van verticale puien met gekleurd glas. In de langsgevels zijn vierkante sierelementen boven in het metselwerk opgenomen.

molenstomp, Poortvliet

afbeelding binnen de regeling

De molenstomp aan de Zanddreef 2 in Poortvliet dateert uit 1851 en was oorspronkelijk als getailleerde stellingmolen beeldbepalend.De ronde stenen romp in gelige baksteen met rode baksteen rond vensters en deuren heeft een ruineus uiterlijk (m.n. de bovenrand van het metselwerk). Verder bestaat de molenstomp uit rondboog vensters en rechthoekige dubbele deuren in een rondboog opening.

voormalig gemeentehuis, Poortvliet

afbeelding binnen de regeling

Dit voormalig gemeentehuis aan de Langestraat 16 in Poortvliet was oorspronkelijk een woonhuis.Gezien de zijgevels is er een nieuwe lijstgevel voor een (18e eeuws) oud pand gezet. Deze lijstgevel met zijrisalieten, waarvan de rechter als topgevel is uitgevoerd, is in kruisverband gemetseld met rode machinale baksteen. Opvallend zijn de wit geschilderde, horizontale gevelbanden. Bogen en fries zijn uitgevoerd in grijs kunststeen en de lateien hebben een granito effect. De plint van de voorgevel is gepleisterd. De twee-maal-drie ruits schuiframen zijn uitgevoerd in hout. De entreepartij is geheel vernieuwd. Het dak bestaat uit een zadeldak met rechts een dwarskap en een lager gedeelte achter de topgevel. Het dak is gedekt met grijze gesmoorde kruispanen. Overige bijzonderheden: sierlijk gesmede gevelankers; groene geglazuurde topgevel afdekstenen; op de nok een houten, open dakruitertje met zinken spits en windhaan.

kerkgebouw, Sint-Annaland

afbeelding binnen de regeling

Deze Nederlands Hervormde kerk aan Ring 1 in Sint-Annaland is een sober, maar interessant uitgevoerde en harmonisch uitgebreide kerk van rond 1900.

De kerk is oorspronkelijk gebouwd als zaalkerk met vierkante fronttoren, waartegen entree-uitbouwen geplaatst zijn. Onder het topgeveltje bevindt zich een rondboogentree geflankeerd door natuursteen kolommen. Het schip is voorzien van boogfriezen met aanzetblokjes van natuursteen. Het metselwerk is uitgevoerd van roodbruine baksteen in kruisverband, echter de dwarsbeuk-aanbouwen zijn in halfsteens verband gemetseld. De achtergevel van de kerk is gepleisterd.

Tussen de topgevels zijn zadeldaken geplaatst. Oorspronkelijk één zadeldak, sinds de uitbreidingen in kruisvorm. Alle daken zijn gedekt met gesmoorde grijze kruispannen en op het hoofddak staan nog twee oorspronkelijke dakkapellen. De entree-uitbouw is voorzien van houten rondboog entreedeuren en ijzeren rondboog glas-in-lood ramen in stenen sponningen. De later aangebrachte dwarsbeukuitbouwen zijn uitgevoerd met entrees van houten rondboogdeuren in een getrapte nis in een uitbouwtje onder het zadeldak. De rondboogramen van deze uitbouwen zijn in staal uitgevoerd. In enkele architectuurdetails is de invloed van de Jugendstil te bespeuren (o.a. rond de entree). Overige bijzonderheden: in de topgevels zijn natuurstenen dekplaten verwerkt; de toren is voorzien van een uurwerk, heeft een opengewerkte houten spits, een met leien gedekt dak, luidklokken en een bekroning van de torenspits met een metalen windhaan.

voormalig weeshuis, Sint-Annaland

afbeelding binnen de regeling

Dit voormalig weeshuis aan de Bierensstraat 22 in Sint Annaland dateert uit 1897 en heeft een eclectische bouwstijl. De voorgevel staat in één lijn met de linkerburen. De hoofdmassa bestaat uit twee bouwlagen, is rechthoekig van vorm en met een gebroken tentdak gedekt met grijze, gesmoorde pannen. De gevels zijn opgebouwd uit roodbruine machinale vormbakstenen in kruisverband en in de voorgevel (lijstgevel) zijn witte pleisterwerk banden, gerotste blokken, rijk gedetailleerde kroonlijst, een waterlijst en plint opgenomen. Aan weerszijden van de entree en aan de zijkanten van de lijstgevel springt de gevel over de volle hoogte iets naar voren. De achtergevel is gepleisterd met schijnvoegen. De hoge, iets getoogde houten T-vensters zijn eenduidig van vormgeving en per bouwlaag op gelijke hoogte geplaatst. De omlijsting van de vensters zijn wit; de overige delen donker gekleurd. De houten dubbele entreedeuren met ruiten zijn eveneens donker gekleurd. Boven de voordeur zijn jaartal en oorspronkelijke functie in de gevel opgenomen.

museum De Meestoof, Sint-Annaland

afbeelding binnen de regeling

De oorspronkelijke functie van museum De Meestoof aan de Bierensstraat 6/8 in Sint Annaland was gemeentehuis met veldwachterswoning, brandspuithuis en arrestantenlokaal. Het is in 1940 gebouwd en uitgebreid in 1965. Het gebouw bestaat uit één bouwlaag van een samenstelsel van rechthoekige plattegronden met zadeldaken en eindschoorstenen. De hoofdmassa is evenwijdig aan de straat gesitueerd en de iets lagere massa’s dwars daarop met op de samenkomst van beide massa’s in de voorgevel een sobere vierkante toren. De gevels zijn gemetseld in een gele vrij dunne machinale baksteen in klezorenverband. De hoofdmassa heeft een hoge terugliggende plint in dezelfde steen, boven eindigend met een staand verband. De 9- en 12 (vierkant-)ruits witte stalen kozijnen zijn op regelmatige wijze in de gevels geplaatst. In de lagere massa aan de voorzijde zijn brede, witte houten kozijnen met kruisroeden en hogere ruiten geplaatst. De zadeldaken zijn gedekt met enigszins genuanceerde, gesmoorde, holle grijze pannen.

De wit geschilderde, getimmerde en geprofileerde bakgoten rusten op kleine, donker geschilderde houten klossen. De kleine dakkapellen liggen in één lijn met de gevel onderin het dakvlak. Ter plaatse van de dakkapellen zijn de bakgoten onderbroken en loopt het metselwerk tot aan de onderzijde van de dakkapellen door. De kozijnen in de dakkapellen zijn 9-ruits en met hout afgewerkt. Ze worden afgedekt met een flauwhellend zadeldak dwars op het steilere hoofddak.Op de toren staat een zeer opengewerkte houten bekroning.

gemaal De Noord, Sint-Maartensdijk

afbeelding binnen de regeling

Het gemaal “De Noord” in de Noordpolder van Sint-Maartensdijk is in 1958 in gebruik genomen. Het gemaal pompt overtollig water uit het gebied De Noord in de Oosterschelde. Het gebouw is tegen de dijk gesitueerd, waardoor de voorgevel circa 2.5 meter hoger ligt dan de achtergevel. De gevels zijn opgetrokken uit lichtrood metselwerk. Aan de dijkzijde zijn vier grote blank geanodiseerde aluminium puien opgenomen in een schoon grindbetonnen omlijsting. Hier bevindt zich ook de hoofdentree in de vorm van dubbele metalen deuren in een turkooizen kleur. De enkele zijdeur is eveneens van metaal en turkoois van kleur. Het dak heeft een afgeknotte schildkap met een bitumineuze dakbedekking. Onder het dak zit een betonnen geprofileerde daklijst die enigszins uitkraagt.

watertoren, Sint Philipsland

afbeelding binnen de regeling

De watertoren aan de Rijksweg 4 in Sint Philipsland dateert uit 1925 en is een bijzonder (in Art Deco stijl) vormgegeven object van beeldbepalende en architectuurhistorische waarde.

De watertoren kenmerkt zich door de vierkante betonnen schacht met iets dikkere, gedecoreerde kop en het acht-vlakkig, gebroken tentdak met verticale aanzetvlakken met koperen beplating. In de gevelsleuven zijn zeer kleine lichtopeningen opgenomen. De entree bestaat uit een sobere ingangsdeur in een strakke omlijsting.

kerkgebouw, Tholen

afbeelding binnen de regeling

Dit kerkgebouw van de gereformeerde gemeente aan de Ds. G.H. Kerstenstraat aan de rand van Tholen, nabij de wijk “Stadszicht”, is in 2003 gereedgekomen. Het markante bouwwerk staat langs de Postweg, een uitvalsweg van Tholen, en is georiënteerd op het kruispunt met de Ten Ankerweg en de Jonkheer van Vredenburchlaan. Het bouwvolume bestaat uit drie onderdelen: een onderbouw in rood metselwerk, een antracietgrijze bovenbouw en een groen koperen klokkentoren. De bovenbouw is ‘losgemaakt’ van de onderbouw door een glasstrook tussen beide volumeonderdelen. Het dak van de kerkzaal loopt schuin op richting de klokkentoren. In de wigvormige torenspits zijn verticale sleuven aangebracht en een opening ten behoeve van de klokken.

De gevelopeningen in de onderbouw hebben een verticaal karakter en zijn in een regelmatig patroon gerangschikt. De kozijnen zijn antracietgrijs van kleur. In de bovenbouw zijn verticale sleuven met glasopeningen en roosters aangebracht. Deze sleuven zijn aan de onderzijde voorzien van koperen blokken die onder het bouwvolume uitsteken.

pompgemaal, Tholen

afbeelding binnen de regeling

Het elektrische gemaal “De Eendracht” aan de Gemaalweg 24 te Tholen dateert van 1957. Het gebouw is tegen de dijk gesitueerd, waardoor de voorgevel circa 2.5 meter hoger ligt dan de achtergevel. De gevels zijn opgetrokken uit lichtrood metselwerk. Het zadeldak is voorzien van grijs genuanceerde holle dakpannen. In de zijgevels zijn lange verticale puien aangebracht met kleine glasopeningen en lichte grijs-witte elementen ter hoogte van de tussenvloer.

molenstomp, Tholen

afbeelding binnen de regeling

De molenstomp aan de Vlasmarkt in Tholen is opgebouwd uit metselwerk van gelige baksteen, waarvan de bovenrand iets uitsteekt. De stomp is aan de onderzijde tot circa 2,5 meter hoogte wit geschilderd. De in rollaag gemetselde lateien boven de rondboogvensters en de metselwerk raamdorpels zijn rood geschilderd. De metalen rondboogkozijnen zijn wit van kleur en verdeeld in kleine ruiten. Uitzondering hierop vormt de grote halfronde boog op de begane grond: de indeling van het bovenlicht is hier radiaal en is groen geschilderd.

Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid

De gemeente Tholen heeft geen expliciet ruimtelijk beleid ten aanzien van de categorie overige bijzondere bouwwerken. Bovengenoemde bouwwerken vallen daarom beleidsmatig binnen de bestemmingsplannen van het gebied waarin ze zijn gesitueerd.

Waardebepaling en welstandsniveaus

Het behoud van de specifieke kenmerken van een bijzonder bouwwerk, zoals omschreven in de ‘toelichting bijzonder bouwwerk’, wordt van groot belang geacht. Voor de welstandsbeoordeling dient getoetst te worden op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden.

Welstandscriteria

Voor bouwplannen op, aan of nabij overige bijzondere bouwwerken vormt de toelichting bij het bijzondere bouwwerk de basis voor onderstaande welstandscriteria.

hoofdaspecten

plaatsing / situering:

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een bijzonder bouwwerk, past de plaatsing van het object binnen de ruimtelijke karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object is dit object logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst.

massavorm:

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een bijzonder bouwwerk is de kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object afgestemd op die van het bijzondere bouwwerk.

gevelopbouw:

  • Bij wijzigingen aan een bijzonder bouwwerk of een nieuw op te richten object nabij of aan een bijzonder bouwwerk is de gevelopbouw afgestemd op de karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een bijzondere bouwwerk zijn de open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van het bijzondere bouwwerk.

materialen en kleuren hoofdvlakken:

  • Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

deelaspecten

compositie massa-onderdelen (geledingen):

  • Bij oprichting van een nieuw te bouwen object nabij of aan een bijzonder bouwwerk past de compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, binnen de karakteristiek van het bijzondere bouwwerk, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen van het object op zichzelf staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume en passen binnen de karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

gevelindeling / vormgeving gevelelementen:

  • Bij wijzigingen aan een bijzonder bouwwerk of een nieuw op te richten object nabij of aan een bijzonder bouwwerk zijn de indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de karakteristiek, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing):

  • De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl van het bijzondere bouwwerk, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk, en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object.

detailaspecten

materialen / kleuren onderdelen:

  • Bij wijzigingen aan een bijzonder bouwwerk of een nieuw op te richten object nabij of aan een bijzonder bouwwerk past de materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object binnen de karakteristiek van het bijzondere bouwwerk, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

detaillering onderdelen:

  • Bij wijzigingen aan een bijzonder bouwwerk of een nieuw op te richten object nabij of aan een bijzonder bouwwerk past de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object binnen de karakteristiek van het bijzonder bouwwerk, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang.

  • De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl van het bijzondere bouwwerk, zoals omschreven in de toelichting van het bijzondere bouwwerk, en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object.

8 Welstandsvrije bouwwerken

In de loop van de jaren zijn de mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen keer op keer verruimd. Sinds de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 zijn vooral de vergunningsvrije mogelijkheden aan de achterkant toegenomen. De wetgever hanteert hierbij de voor- en achterkant benadering.

Achterkanten hebben minder invloed op de openbare ruimte, waarbij het bouwen meer als een individuele verantwoordelijkheid wordt gezien, ook ten aanzien van het aspect beeldkwaliteit. Veel voorkomende bouwwerken zoals bijgebouwen, aan- en uitbouwen en dakkapellen kunnen om deze reden dan ook zonder vergunning worden gebouwd.

Voorkanten hebben meer invloed op de openbare ruimte, maar gemeenten hebben de bevoegdheid om welstandsvrije bouwwerken of welstandsvrije gebieden aan te wijzen.

In dit hoofdstuk worden de bouwwerken omschreven die zonder welstandstoets kunnen worden opgericht.

8.1 Inleiding

In vorige versies van de welstandsnota (vóór 2012) waren sneltoetscriteria opgenomen voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Ook was er een regeling opgenomen voor welstandsvrije bouwwerken aan de achterkant. Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn nagenoeg al hieronder vallende bouwwerken vergunningsvrij geworden. In 2012 is heroverwogen in welke mate welstandsvrije bouwmogelijjkhden worden geboden. Dit heeft geresulteert in onderhavig hoofdstuk waarin criteria zijn opgenomen voor welstandsvrije bouwwerken

8.2 Overwegingen

Van het oogpunt van vermindering van administrieve lasten voor burgers en bedrijven is overwogen in welk mate welstandsvrij bouwen kan worden verruimd zonder dat dit ten koste gaat van een goede beeldkwaliteit van de bebouwde omgeving. Hierbij is uitgegaan van de voor- en achterkantbenadering. Ook is aangesloten bij de gebiedstypen zoals genoemd in hoofdstuk 6

Het gemeentebestuur is van mening dat hoofdmassa's een grote invloed hebben op de openbare ruimte, die om deze reden dan ook onderhevig moeten blijven aan een welstandstoets. De welstandsvrije bouwmogelijkheden dienen zich dan te beperken tot de bijmassa's.

Aan de achterkant zijn als gevolg van de verruiming van vergunningsvrij bouwen de administratieve lasten al in een zekere mate verlicht. Verruiming van maatvoering van veel voorkomende bouwwerken aan de achterkant die nog vergunningsplichtig zijn, heeft tot gevolg dat de hoofdmassa wordt aangetast hetgeen een ongewenst effect heeft op de beeldkwaliteit.

De mogelijkheden zijn gezocht bij de veel voorkomende kleine bouwwerken aan de voorkant. Het betreft dan toevoegingen aan een hoofdgebouw, die vanwege de ligging aan de voorkant vergunningsplichtig zijn, maar vanwege de ondergeschikte afmetingen een acceptabele impact hebben op de beeldkwaliteit.

Tevens is in ogenschouw genomen dat het grondgebied van de gemeente is verdeeld in verschillende gebiedstypen (hoofdstuk 6). De veel voorkomende bouwwerken worden met name gebouwd in de woonkernen die voor het grootste gedeelte worden onderscheiden in Historische gebieden (H) en Planmatig ontworpen woongebieden (W).

Welstandsvrij bouwen verdraagt zich het beste in de Planmatig ontworpen woongebieden die zich in het algemeen kenmerken door een eenduidige bouwstijl. Vanwege het historische karakter wordt het welstandsvrij bouwen in Historische gebieden niet toegestaan.

8.3 Criteria

Bij de hieronder opgestelde criteria moet worden uitgegaan van bouwwerken op het voorerfgebied. In het Besluit omgevingsrecht zijn de begrippen 'achtererfgebied' en 'voorerfgebied' gedefinieerd en worden van toepassing verklaard in de welstandsnota.

De volgende bouwwerken zijn aangewezen als welstandsvrij:

Aan- en uitbouwen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • gelegen in gebiedstype W

  • gelegen in het voorerfgebied

  • de zijgevel wordt niet overschreden

  • de hoogte is niet meer dan 3 meter

  • de breedte is niet meer dan 75% van de gevelbreedte

  • de diepte is niet meer dan 3 meter

Dakkapellen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • gelegen in gebiedstype W

  • gelegen in het voorerfgebied

  • de hoogte is niet meer dan 1,75 meter

  • de breedte is niet meer dan 50% van het betreffende dakvlak

  • de onderzijde van de dakkapel bevindt zich op minder dan 1 meter boven de dakvoet

Kozijn- en gevelwijzigingen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • gelegen in gebiedstype W

  • gelegen in het voorerfgebied

  • de wijziging vindt plaats binnen een bestaande gevelopening

9 Reclame-uitingen

Reclames aan gevels of vrijstaand in de openbare ruimte bepalen in grote mate het aanzien en beleving van een gebied. Reclames hebben echter de neiging, onder de druk van de concurrentie, steeds groter en opzichtiger te worden. Zeker kwetsbare gebieden, zoals de historische gebieden, zijn daarvoor gevoelig.

Voor de ondernemer heeft reclame een belangrijke betekenis: hij wil een groot publiek bereiken. De consument moet de zaak makkelijk kunnen vinden. Ondernemers onderkennen steeds meer het belang van een aangename verblijfskwaliteit en beseffen dat het reguleren van reclame-uitingen daarop van positieve invloed kan zijn. Het kan zelfs een uitdaging zijn om iets extra’s aan de gevel toe te voegen, dat werkelijk een meerwaarde is; dat bewijst dat reclame mooi en tegelijk functioneel kan zijn.

Het gemeentebestuur is zich bewust van de economische belangen van reclamevoering voor de ondernemer, maar hecht ook waarde aan de kwaliteit en de uitstraling van de bebouwde omgeving. De gemeente is er van overtuigd dat een aantrekkelijk en goed verzorgde omgeving het vestigingsklimaat versterkt. Dat betekent niet direct dat reclamevoering tot het minimum beperkt moet worden. Een beperking van reclame kan namelijk ook leiden tot een omgeving die wordt ervaren als saai, niet openbaar en onherkenbaar. De aantrekkelijkheid neemt dan af wat invloed heeft op het koopgedrag van mensen. Een bepaalde mate aan drukte en diversiteit aan reclame kan juist een gezellige omgeving bevorderen.

Om balans te krijgen tussen enerzijds een verzorgd straatbeeld en anderzijds het economisch belang is dit hoofdstuk in de welstandsnota opgenomen. Heldere richtlijnen voor reclame-uitingen moeten aantasting van het straatbeeld voorkomen en bijdragen aan de kwaliteit van de bebouwde omgeving, en moeten gelijktijdig ruimte bieden voor economische levendigheid zodat ondernemers zich kunnen ontwikkelen.

9.1 Algemene criteria

De algemene criteria gelden ongeacht het gebied of type reclame-uiting en vormen de basis bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor alle reclame-uitingen en bij handhaving van buitensporigheden.

9.1.1 Functioneel/technisch

Reclames staan niet los van de activiteiten die met de reclame wordt aangeprezen. Zo is een reclame voor een automerk niet gepast op de gevel van een bakker. Uitgangspunt is dat een reclame altijd een rechtstreeks verband moet hebben met de activiteiten die in het pand of op het perceel plaatsvinden.

Een reclame-uiting heeft een duidelijke bedoeling en wordt voor langere periode gebruikt om een product of dienst aan te prijzen. Het is dan ook logisch dat een reclame-uiting voldoet aan deugdelijke technische en constructieve eisen.

  • In het algemeen geldt dat reclametekens alleen aanvaardbaar zijn indien de reclame een rechtstreeks verband heeft met de activiteiten die in het pand of op het perceel plaatsvinden.

  • Bij meerdere functies in één pand zijn op de verdiepingen met een woonbestemming of verdiepingen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie geen reclame-uitingen toegestaan, tenzij dit voor een bepaald gebiedstype nadrukkelijk mogelijk wordt gemaakt.

  • Een reclameobject moet vervaardigd zijn van deugdelijk en weerbestendig materiaal.

9.1.2 Verkeersveiligheid en hinder

Uitgangspunt is dat een reclame-uiting geen (fysiek of visueel) overlast of hinder mag veroorzaken voor derden en de verkeersveiligheid niet in het geding mag brengen. Er is sprake van verkeersonveiligheid als de zichtbaarheid (van de kleuren) van de openbare ruimte, de verkeerslichten of -borden en andere -aanduidingen wordt aangetast en als uitstallingen op de weg een belemmering vormen voor doorgaand verkeer en hulpverlenende diensten.

  • Reclame-uitingen die geluidshinder veroorzaken, verblindend zijn, te veel knipperen en/of bewegen zijn niet toegestaan; lichtkranten en lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht en lichtprikkabels zijn niet toegestaan.

  • Bij lichtbakken is het raadzaam een donker fond te kiezen met heldere letters, ook in verband met de verkeersveiligheid (verblindingseffecten).

  • Reclameobjecten op de weg mogen slechts maximaal tot 1,25 meter buiten de gevel worden geplaatst tenzij de

  • breedte van de weg dit niet toestaat in verband met een vrije doorgangsstrook van minimaal 4.00 meter breed ten behoeve van het verkeer en hulpverlenende diensten.

  • Uitstekende reclameobjecten aan de gevel mogen niet lager dan 2.30 meter boven het trottoir worden geplaatst, gemeten vanaf de onderzijde van het reclameobject (i.v.m. doorloophoogte).

  • Uitstekende reclameobjecten aan de gevel moeten 0,60 meter vanaf de rijbaan worden geplaatst.

  • Reclames op of boven de weg mogen de zichtbaarheid van de kleuren van verkeerslichten of andere verkeersaanduidingen niet aantasten.

9.1.3 Uiterlijke verschijningsvorm (welstand)

Een reclame-uiting dient een verrijking te zijn van de gevel of openbare ruimte, of tenminste qua plaatsing, kleurstelling, materiaalgebruik en/of detaillering niet ontsierend te zijn voor het gevelbeeld en geen afbreuk doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat geldt overigens ook voor ‘huisstijlreclames’.

  • De vormgeving, afmetingen en kleuren van een reclame-uiting moeten afgestemd zijn op het karakter van de directe omgeving.

  • Gevelreclames dienen qua vormgeving, afmetingen en plaatsing op de gevelopzet afgestemd te worden. De samenhang en structuur van de gevel dienen behouden te blijven (geen scheiding winkelpui en verdieping).

  • Bij nieuwbouw dient de reclame-uiting geïntegreerd te worden in het ontwerp/architectuur (wel apart vergunning aanvragen). Hierdoor is de kans op ontsiering van de gevel door later aangebrachte reclames een stuk kleiner.

  • Bij bestaande bebouwing is de bestaande samenhang en ritmiek van de gevel en straatwand essentieel voor een passende reclame. Indien de (historische) architectuur van bestaande bebouwing reeds voorziet in specifieke reclamemogelijkheden, zoals koofboorden of velden tussen raamkozijnen en -bogen, zijn dat de aangewezen plaatsen waar reclame-uitingen aangebracht dienen te worden.

  • Te veel en frequente herhaling van dezelfde tekst of te grote hoeveelheid tekst per reclame dient voorkomen te worden. Tekst beperken tot de hoofdboodschap (productaanduiding, bedrijfsnaam of andere aanduiding).

  • De reclame-uiting zelf dient ook grafisch goed verzorgd te zijn. De opschriften, eventueel in combinatie met afbeeldingen, van reclame-uitingen moeten zijn samengesteld uit esthetisch verantwoorde letters en tekens. Het reclameteken mag niet groter zijn dan voor een goede leesbaarheid voor die situering noodzakelijk is.

  • Gevelbeschildering is alleen mogelijk als er sprake is van oorspronkelijk in het metsel- of stucwerk van de gevel verwerkte belettering of als er sprake is van herstel van een historisch geschilderde gevelreclame.

  • Geen reclames in reflecterende en/of fluorescerende kleuren.

9.2 Gebiedsgerichte criteria

9.2.1 Historisch gegroeide gebieden H

Historisch dorpsgebieden, bebouwingslinten en dijkbebouwing vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente (gebiedstype H1, H2, H4 en H5). Ze vormen de historische context van veel opbjecten van cultuurhistorische waarden, zijn belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente.

Met name beschermde stads- of dorpsgezichten zijn gebieden die als samenhangend geheel van algemeen belang zijn door schoonheid of geschiedenis en een cultuurhistorische betekenis hebben. Deze gebieden zijn door het Rijk als zodanig aangewezen, en genieten daarmee een beschermde status waarvoor extra regels gelden met betrekking tot bouwen en verbouwen. Uitgangspunt voor het beoordelen van vergunningaanvragen is het behoud van het karakteristieke historische straatbeeld.

Bij de toetsing aan de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt tussen de historische stedelijke bebouwing, zijnde de beschermde stadsgezichten in Sint-Maartensdijk en Tholen (gebiedstype H3) en de overige historische gegroeiden gebieden (gebiedstypen H1, H2, H4 en H5).

H3: historische stedelijke bebouwing

Per bedrijf/winkel zijn in totaal maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is geen reclame toegestaan, tenzij er sprake is van een hoekpand met twee winkelpuien. Dan is er sprake van twee voorgevels. De reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

enkelzijdig reclamebord of -object en plat op de gevel

  • maximaal 1

  • boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • niet boven een luifel, zonwering of markies

  • bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord

  • maximaal 0.30 meter hoog en maximaal 60% breed t.o.v. de totale gevel-/luifelbreedte met een maximum van 3.00 meter;

  • maximaal 0.15 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters in één enkele regel of een passend vormgegeven reclamebord

dubbelzijdig reclamebord of -object loodrecht op de gevel

  • maximaal 1

  • passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen geplaatst onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • maximaal 0.60 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.10 meter dik

  • maximaal 0.60 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met belettering opengewerkte (gestanst) plaat en een thematische benaming van het ter plaatse uitgeoefende ambacht, of in de vorm van ambachtelijke elementen zoals bijvoorbeeld een gaper bij een apotheker of een schaar bij een kapper.

vlag, vaandel, wimpel of banier

  • maximaal 2 per 6 meter gevelbreedte

  • vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping

  • banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • banier maximaal 1.20 meter hoog, 0.40 meter breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 0.60 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie;

  • bij meerdere exemplaren identiek uitgevoerd (geen verschillende vlaggen)

raamplakkaten of plakfolie

  • tot maximaal 15% van de ramen is bedekt

  • geplaatst aan de binnenkant van de ramen op de begane grond

  • uitgevoerd met losse plakbelettering van maximaal 0.15 meter hoog en/of semi-transparante plakfolie

reclame op zonwering en markiezen

  • maximaal 1 reclameopdruk (tekst) per zonwering/markies

  • geplaatst op de volant of op onderste segment van de markies

  • bestaande uit de bedrijfsnaam of een thematische benaming van het ter plaatse uitgeoefende ambacht

  • uitgevoerd in éénkleurige letteropdruk van maximaal 0.15 meter hoog

H1, H2, H4 en H5: overige historische gegroeide gebieden

Per bedrijf/winkel zijn in totaal maximaal 3 zichtbare reclame-uitingen aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is geen reclame toegestaan, tenzij er sprake is van een hoekpand met twee winkelpuien. Dan is er sprake van twee voorgevels. De reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

enkelzijdig reclamebord of -object en plat op de gevel

  • maximaal 1

  • boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord

  • maximaal 0.60 meter hoog en maximaal 60% breed t.o.v. de totale gevel-/luifelbreedte met een maximum van 4.00 meter

  • maximaal 0.15 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters in één enkele regel of een passend vormgegeven reclamebord

dubbelzijdig reclamebord of -object loodrecht op de gevel

  • maximaal 1

  • passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen geplaatst onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • maximaal 0.60 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.30 meter dik

  • maximaal 0.80 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord of lichtbak

lichtgevende of aangelichte reclame

  • maximaal 1

  • overeenkomstig de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel

  • door het aanlichten van een reclamebord op de gevel

  • door een lichtbak of verlichte losse letters (geen neon) die voldoen aan de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel

  • verlichting in de vorm van geprojecteerde losse letters op de gevel, geprojecteerd in wit licht, niet bewegend en maximaal 0.30 meter hoog en 1.00 meter breed

  • kokers, uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies, zijn geschilderd in een donkere kleur of in dezelfde kleur als het gevelvlak

vlag, vaandel, wimpel of banier

  • maximaal 1 per 4 meter gevelbreedte

  • vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping

  • banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • banier maximaal 1.80 meter hoog, 0.60 meter breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 0.80 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie;

  • bij meerdere exemplaren identiek uitgevoerd (geen verschillende vlaggen)

raamplakkaten of plakfolie

  • tot maximaal 30% van de ramen is bedekt

  • geplaatst aan de binnenkant van de ramen op de begane grond

  • bij verticale raamopeningen aan de bovenste velden tussen raamkozijnen en -bogen over de volle breedte

  • uitgevoerd met losse plakbelettering van maximaal 0.15 meter hoog of plakfolie

reclame op zonwering en markiezen

  • geplaatst op de volant of op onderste segment van de markies

  • maximaal 0.15 meter hoog

9.2.2 Planmatig ontworpen woongebieden W

Het uitgangspunt is dat in gebieden met hoofdzakelijk een woonfunctie geen reclame-uitingen passen. Een uitzondering hierop zijn de kleinere praktijkruimten. Voor deze gevallen is een bescheiden aanduiding aan de gevel of in de tuin aanvaardbaar. Voor grotere panden met een positieve bedrijfs-, winkel- of horecabestemming in een woonomgeving gelden andere richtlijnen. Uitgangspunt is dat voor woongebieden de reclame-uitingen beperkt moeten zijn tot wat minimaal nodig wordt geacht. Onderstaande richtlijnen gelden voor zowel de parkachtige woongebieden (gebiedstype W2), 20e eeuwse uitbreidingen (gebiedstype W3-8) en individuele woningbouw (gebiedstype W9).

Richtlijnen voor kleinere praktijkruimten aan huis

Per woning met praktijkruimte is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting aan de voorgevel of in de voortuin toegestaan. Deze reclame-uiting kan bestaan uit:

reclamebordje op de gevel

  • maximaal 1

  • naast de voordeur of entree van de praktijkruimte; in ieder geval onder de vloer van de eerste verdieping

  • maximaal 0.30 meter hoog en 0.30 meter breed

  • maximaal 0.30 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters of een passend vormgegeven naambord

permanente reclamezuil of -constructie

  • maximaal 1

  • geplaatst in de voortuin op minimaal 1 meter afstand van de erfafscheiding

  • maximaal 1.20 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.20 meter dik

  • bestaande uit een naam- en/of beroepsaanduiding van de aanwezige praktijk en één beeldmerk of logo van maximaal 0.20 meter hoog en 0.20 meter breed

Richtlijnen voor bedrijven, winkels en horeca in woongebieden

Per bedrijf, winkel of horecagelegenheid zijn maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is geen reclame toegestaan, tenzij er sprake is van een hoekpand met twee winkelpuien. Dan is er sprake van twee voorgevels. De reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

reclamebord of -object op de gevel

  • maximaal 1

  • boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • niet boven een luifel, zonwering of markies

  • bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord

  • enkelzijdig en plat op de gevel, maximaal 0.40 meter hoog, 2.00 meter breed en maximaal 0.15 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie

  • dubbelzijdig en loodrecht op de gevel maximaal 0.40 meter hoog, 0.40 meter breed en 0.15 meter dik en maximaal 0.60 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie; minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • uitgevoerd met losse letters of een passend vormgegeven reclamebord/-object

vlag, vaandel, wimpel of banier

  • maximaal 1

  • vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping

  • banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • banier maximaal 1.20 meter hoog, 0.40 meter breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 0.60 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

raamplakkaten of plakfolie

  • tot maximaal 30% van de ramen is bedekt

  • geplaatst aan de binnenkant van de ramen op de begane grond

  • bij verticale raamopeningen aan de bovenste velden tussen raamkozijnen en -bogen over de volle breedte

  • uitgevoerd met losse plakbelettering van maximaal 0.15 meter hoog of plakfolie met het beeldmerk of logo van het bedrijf

reclame op zonwering en markiezen

  • geplaatst op de volant of op onderste segment van de markies

  • maximaal 0.15 meter hoog

reclamezuil of -constructie

  • maximaal 1

  • uitsluitend geplaatst op eigen terrein

  • maximaal 1.20 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.20 meter dik

  • bestaande uit een naam- en/of beroepsaanduiding van de aanwezige praktijk en een beeldmerk of logo van maximaal 0.20 meter hoog en 0.20 meter breed

9.2.3 Bedrijvengebieden B

De bedrijventerreinen inclusief de perifere detailhandel (gebiedstypen B2 en B4) laten zich kenmerken door grootschalige gebouwen en een functionele uitstraling. In deze gebieden is de ruimtelijke beeldkwaliteit vaak ondergeschikt aan de functionaliteit of de gebruikswaarde van de ruimte. Gezien de grote schaal van de bebouwing en het utilitaire karakter is een ruime hoeveelheid reclame mogelijk. Uitgangspunt blijft dat de reclame op een logische plaats tegen het gebouw of op eigen terrein geplaatst dient te worden. De architectonische samenhang van het gebouw dient niet aangetast te worden. Dat betekent onder andere dat gestreefd wordt naar uniforme afmetingen van reclame-uitingen per gebouw.

B2: Bedrijventerreinen en B4: perifere detailhandel

Per bedrijf/winkel of bedrijfsverzamelgebouw zijn in totaal maximaal 4 zichtbare reclame-uitingen aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is maximaal 1 zichtbare reclame toegestaan. Reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

enkelzijdig reclamebord of -object en plat op de gevel

  • maximaal 2

  • boven de entree of passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord

  • boven de vloer van de eerste verdieping uitsluitend uitgevoerd met losse letters

  • onder de vloer van de eerste verdieping uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord of lichtbak

  • maximaal 2.00 meter hoog en 4.00 meter breed

  • maximaal 0.30 meter vanuit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

dubbelzijdig reclamebord of -object loodrecht op de gevel

  • maximaal 2

  • passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • maximaal 1.00 meter hoog, 1.00 meter breed en 1.00 meter dik

  • maximaal 1.20 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord, -object of lichtbak

reclamebord of -object op het dak

  • maximaal 1

  • op de dakrand alleen bij de hoofdentree van grotere gebouwen waarin meerdere bedrijven zijn gevestigd

  • alleen de naam van het gehele complex in losse letters

  • niet breder dan entreepartij met een maximum van 4.00 meter, 0.50 meter diep en 1.50 meter hoog, inclusief bevestigingsconstructie

lichtgevende of aangelichte reclame

  • maximaal 2

  • overeenkomstig de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel of op het dak

  • door het aanlichten van een reclamebord op de gevel

  • door een lichtbak of verlichte losse letters die voldoen aan de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel of op het dak

  • verlichting in de vorm van geprojecteerde losse letters op de gevel, niet bewegend en maximaal 0.60 meter hoog en 1.20 meter breed

  • kokers, uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies, zijn geschilderd in een donkere kleur of in dezelfde kleur als het gevelvlak

vlag, vaandel, wimpel of banier

  • maximaal 4

  • vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping

  • banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping

  • banier maximaal 2.40 meter hoog, 0.80 meter breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 1.00 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie;

  • bij meerdere exemplaren identiek uitgevoerd (geen verschillende vlaggen)

reclamedoek

  • maximaal 1

  • geplaatst in een daarvoor bestemde vaste frameconstructie op blinde gevels, aangepast aan de architectuur

  • maximaal 15 m2 aan oppervlakte

raamplakkaten of plakfolie

  • tot maximaal 50% van de ramen is bedekt

  • geplaatst aan de binnenkant van de ramen

  • uitgevoerd met losse plakbelettering, plakfolie of een plakkaat/reclamebord

reclame op zonwering en markiezen

  • geplaatst op de hele zonwering of markies

  • maximaal 0.15 meter hoog op volant

  • maximaal 1.20 hoog en 2.40 meter breed op zonwering zelf of passend in 1 segment van markies

permanente reclamezuil of -constructie

  • maximaal 1

  • geplaatst voor de hoofdentree van het bedrijf

  • geplaatst als gezamenlijke presentatie bij de hoofdentree van het bedrijventerrein

  • bij een gebouw maximaal 2.00 meter hoog, 1.00 meter breed en 0.30 meter dik

  • bij de hoofdentree van het bedrijventerrein maximaal 3.50 meter hoog, 2.00 meter breed en 0.30 meter dik

vlaggenmasten

  • maximaal 6

  • bij de hoofdentree van het bedrijventerrein of langs de hoofdweg naar het gebied toe

  • bij de hoofdentree van grotere gebouwen met meerdere bedrijven

  • alle masten even hoog en niet hoger dan het pand of complex waarbij de vlaggenmasten komen te staan met een maximum van 6.00 meter

reclamemast

  • maximaal 1 per bedrijventerrein

  • geplaatst als gezamenlijke presentatie bij de hoofdentree of langs de snelweg

  • uitsluitend met vermeldingen van bedrijven die ook daadwerkelijk op het terrein gevestigd zijn

  • maximaal 10.00 meter hoog

9.2.4 Groene gebieden G

Groene gebieden zijn heel divers. Er zijn enkel richtlijnen opgesteld voor sportcomplexen (gebiedstype G1), het buitengebied (gebiedstype G3) en recreatieparken (gebiedstype G5). Voor de overige groene gebieden zijn geen richtlijnen opgesteld; vanwege aard, karakter en uitstraling dienen reclame-uitingen in de overige groene gebieden (parken, groen- en natuurgebieden) te worden geweerd.

G1: Sportcomplexen en G5: recreatieparken en vakantiewoningen

Onder deze gebiedstypen vallen de sportcomplexen en de recreatiegebieden die verspreid over de gemeente zijn gesitueerd. De openbare ruimte is overdag algemeen toegankelijk maar het gebruik van de voorzieningen is veelal gelimiteerd tot leden en toeschouwers. Naamsaanduidingen voor de sportvereniging zelf zijn goed mogelijk. Overige reclame-uitingen dienen beperkt te blijven tot enkele objecten aan de gevel van het verenigingsgebouw of de kantine en reclameborden langs sportvelden die gericht zijn op het veld.

Per gebouw (geen kleedruimten en andere ondergeschikte bijgebouwen) zijn maximaal 2 zichtbare reclame-uitingen aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is maximaal 1 reclame-uiting toegestaan. De reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

reclamebord of -object op de gevel

  • maximaal 1

  • uitsluitend bij het hoofdgebouw van het terrein

  • boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel/winkelpui

  • bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • niet boven een luifel, zonwering of markies

  • bij plaatsing op een luifel binnen de contouren van het boeiboord

  • enkelzijdig en plat op de gevel, maximaal 0.60 meter hoog, 2.00 meter breed en maximaal 0.15 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie

  • dubbelzijdig en loodrecht op de gevel maximaal 0.60 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.30 meter dik en maximaal 0.80 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie; minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord/-object of lichtbak

lichtgevende of aangelichte reclame

  • maximaal 1

  • overeenkomstig de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel

  • door het aanlichten van een reclamebord op de gevel

  • door een lichtbak of verlichte losse letters (geen neon) die voldoen aan de richtlijnen voor reclameborden/-objecten aan de gevel

  • verlichting in de vorm van geprojecteerde losse letters op de gevel, geprojecteerd in wit licht, niet bewegend en maximaal 0.30 meter hoog en 1.00 meter breed

  • tijdens openingsuren uitgeschakeld

  • kokers, uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies, zijn geschilderd in een donkere kleur of in dezelfde kleur als het gevelvlak

vlag, vaandel, wimpel of banier

  • maximaal 1 per 4 meter gevelbreedte

  • vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping

  • banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van de kozijn op de eerste verdieping

  • minimaal 0.50 meter van zijmuur, naburige pand of perceelsgrens geplaatst

  • banier maximaal 1.20 meter hoog, 0.40 meter breed en bij loodrechte plaatsing maximaal 0.60 meter uit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie

reclamezuil of -constructie

  • maximaal 1

  • geplaatst voor de hoofdentree van een groter sportcomplex

  • bij de hoofdentree van het terrein maximaal 2.50 meter hoog, 1.50 meter breed en 0.30 meter dik

  • bij een gebouw maximaal 2.00 meter hoog, 1.00 meter breed en 0.30 meter dik

vlaggenmasten

  • maximaal 4

  • geplaatst voor de hoofdentree van een groter sportcomplex

  • geplaatst bij de hoofdentree van het terrein of langs de hoofdweg naar het terrein toe

  • alle masten even hoog en niet hoger dan het pand of complex waarbij de vlaggenmasten komen te staan met een maximum van 6.00 meter

reclameborden

  • geplaatst langs en georiënteerd op het sportveld of -baan

  • in de vorm van scoreborden mag slechts 1.00 m2 gebruikt worden voor reclamedoeleinden

  • in de vorm van borden langs het sportveld of -baan met een maximum van 1.20 meter hoog vanaf maaiveld

G3: boerenerven- agrarisch buitengebied

Het buitengebied heeft een open en landelijk karakter. Reclame-uitingen worden dan ook snel als storend ervaren. Zeker nu het recreatieve karakter van het buitengebied meer aandacht krijgt is het belangrijk de uitstraling tussen bebouwde kom en het buitengebied te bewaken.

Ook voor niet-agrarische bedrijven is het beperken van reclameuitingen van belang. Voor bouwvergunningvrije reclame-uitingen is de Provinciale verordening van toepassing. In deze verordening worden al eisen gesteld aan allerlei vormen van reclame, zoals borden, vlaggen en dergelijke. Voor de bouwvergunningplichtige reclame-uitingen zal de aanvraag beoordeeld worden aan de hand van onderstaande richtlijnen. Uitgangspunt is een zeer terughoudend beleid waarbij de reclame-uitingen tot het minimum (hoeveelheid en afmetingen) wordt beperkt.

Per gebouw is maximaal 1 zichtbare reclame-uiting aan de voorgevel toegestaan. Aan de zijgevel is geen reclameuiting toegestaan. De reclame-uitingen kunnen bestaan uit:

reclamebord of -object op de gevel

  • maximaal 1

  • uitsluitend bij het hoofdgebouw van het perceel

  • boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel

  • bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping

  • niet boven een luifel, zonwering of markies

  • enkelzijdig en plat op de gevel, maximaal 0.60 meter hoog, 2.00 meter breed en maximaal 0.15 meter vanuit de gevel, inclusief bevestigingsconstructie

  • uitgevoerd met losse letters, een passend vormgegeven reclamebord/-object of lichtbak

reclamezuil of -constructie

  • maximaal 1

  • geplaatst voor de hoofdentree het gebouw of perceel

  • bij een gebouw maximaal 3.00 meter hoog, 1.00 meter breed en 0.30 meter dik

  • ingetogen kleurgebruik met donkere fond en lichte opdruk.

10 Bijlagen

Ondertekening

10.1 Gebiedstypenkaarten

  • De volgende gebiedstypenkaarten zijn als bijlage toegevoegd:

    Overzichtskaart gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Anna Jacobapolder gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Oud Vossemeer gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Poortvliet gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Scherpenisse gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    St. Annaland gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Stavenisse gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    St. Maartensdijk gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    St. Philipsland gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Tholen 1 gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Tholen 2 gebiedstypen d.d. 27-05-2004

    Tholen 3 gebiedstypen d.d. 27-05-2004

10.2 Welstandsniveaukaarten

  • De volgende welstandsniveaukaarten zijn als bijlage toegevoegd:

    Overzichtskaart welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Anna Jacobapolder welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Oud Vossemeer welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Poortvliet welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Scherpenisse welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    St. Annaland welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Stavenisse welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    St. Maartensdijk welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    St. Philipsland welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Tholen 1 welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Tholen 2 welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

    Tholen 3 welstandsniveaus d.d. 15-11-2011

10.3 Literatuur en bronnen

  • Programma van Eisen “Welstandsbeleid gemeente Tholen”, Gemeente Tholen i.s.m. Inkoopbureau West-Brabant versie 2.1 d.d. 28.08.’03

  • Bestemming Tholen – een toekomstvisie voor Tholen 2025, deel 1: de visie en deel 2: kader voor de uitwerking, Rothuizen van Doorn ’t Hooft, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Tholen d.d. 24 april 2003

  • Naar een gemeentelijke welstandsnota: werkdocument met model en toelichting, Marijke Beek en José van Campen, VNG Uitgeverij, 2000

  • Welstand op een nieuwe leest, Sdu Uitgevers, Den Haag 1999

  • Teksten en commentaar – Woningwet 2003 en verwante wetgeving, editie 2003, drs. J. in ’t Hout en mr. ing. B. Rademaker, Sdu uitgevers, Den Haag 2003

  • Welstandsnota’s: de eerste oogst, Negen van de eerste welstandsnota’s vergeleken, Projectbureau Welstand op een nieuwe leest / Federatie Welstand, 2003

  • Raamwerknota Welstandsbeleid, Deel A: algemene bepalingen en Deel B: welstandscriteria, 2002/2003, Stichting Dorp, Stad en Land

  • Raamwerknota Welstandsbeleid, werkdocument, Welstandszorg Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch, december 2001

  • Informatiemap Welstandsnota, concept oktober 2001, Gelders Genootschap, november 2001

  • Kleurtoepassing Welstandsnota, 31-07-2002, Gelders Genootschap 2002

  • Tevens is gebruik gemaakt van een aantal gemeentelijke conceptnota’s en edities van de “Nieuwsbrief Welstand op een nieuwe leest” van het Projectbureau Welstand op een nieuwe leest.


Noot
1

Citisens (2022). Onderzoek Duurzaamheid en zonnepanelen.

Noot
2

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2020). Advieslijn zonnepanelen op rijksmonumenten.

Noot
3

Rijksdienst voor de Monumentenzorg (1987). Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van St. Maartensdijk als beschermd stadsgezicht; Rijksdienst voor de Monumentenzorg (1988). Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Tholen als beschermd stadsgezicht.