Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744399
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744399/1
Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Gouda 2025
Geldend van 25-09-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Gouda 2025Het college van burgemeester en wethouders van Gouda en de burgemeester van Gouda;
Ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;
gelezen het voorstel van 8 juli 2025,
gelet op het feit dat de huidige Bibob-beleidslijn Gouda 2013 is verouderd. Door verschillende wetswijzigingen van de Wet Bibob en de invoering van de Omgevingswet in 2024 is een aanpassing van het beleid nodig;
gelet op het feit, dat daarvoor noodzakelijk is, dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester vooraf vaststellen in welke situaties zij het Bibob-instrumentarium gebruik willen maken;
dat zij hiervoor op 11 december 2012 een Bibob-beleidslijn hebben vastgesteld;
dat het instrumentarium van de wet BIBOB inmiddels op meerdere terreinen van toepassing kan worden verklaard;
overwegende, dat de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;
gelet op het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bepalingen in artikelen 3, 30a en 30b van de Alcoholwet, artikel 30b van de Wet op de kansspelen, artikel 5.1 en 5.37 van Omgevingswet, artikel 41 van de Huisvestingswet, de artikelen 2:5, 2:9, 2:49 en 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 (APV) met betrekking tot gemeentelijke vergunningen, artikel 2.11 van de Jeugdwet, artikel 2.1.1 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), artikel 4 van Algemene subsidieverordening Gouda 2003, artikel 1.1 van Aanbestedingswet 2012 en de artikelen ten aanzien van privaatrechtelijke overeenkomsten in Boeken 3, 5, 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek.
besluiten:
- 1.
de bijgevoegde BIBOB-beleidslijn Gouda 2025 vast te stellen en na publicatie in werking te laten treden.
- 2.
de Bibob-beleidslijn Gouda 2013 in te trekken op moment dat de Bibob-beleidslijn Gouda 2025 in werking treedt.
Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Gouda 2025
Deze beleidsregel legt uit hoe de gemeente Gouda de Wet Bibob gebruik maakt van het Bibob-instrument.
Wat is de Wet Bibob?
De gemeente Gouda wil weerbaar zijn tegen mogelijke criminele inmenging en wil uitsluitend zaken doen met integere partijen. Om te voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend geld mogelijk maakt, zet Gouda de Wet Bibob in.
Bibob staat voor “Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur”. De aanpak van ondermijning is een van de prioriteiten van het Goudse veiligheidsbeleid (Integraal Veiligheidsbeleid 2024-2027). De gemeente voert daarom een Bibob-onderzoek uit bij activiteiten die een verhoogd risico op crimineel misbruik hebben. De gemeente doet onderzoek naar de aanvrager, maar kan ook mensen uit iemands zakelijke omgeving onderzoeken. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit door te onderzoeken of de betrokken personen en ondernemingen niet betrokken zijn bij criminele activiteiten.
In deze beleidsregel staat omschreven wanneer en hoe de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoert.
Wanneer kan de gemeente een Bibob -onderzoek doen?
De gemeente mag een Bibob-onderzoek doen bij de volgende activiteiten:
- •
activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is
- •
activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd
- •
opdrachten voor de overheid
- •
vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.
Wat kunnen de gevolgen zijn van een Bibob -onderzoek?
De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik beslissen geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht te geven, of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om een vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te beëindigen.
Hoofdstuk 1: Algemeen
Artikel 1.1 Uitleg begrippen
In deze beleidsregel worden diverse begrippen en definities gebruikt. In deze beleidsregel zijn de definities zoals deze genoemd zijn in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob van overeenkomstige toepassing.
Daarnaast wordt in deze beleidsregel nog een aantal andere begrippen gebruikt.
- a.
Aanvraag: een aanvraag zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
- b.
APV: Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025;
- c.
Beschikking: een beschikking zoals bedoeld in artikel 1:3, tweede lid van de Awb;
- d.
Bibob: Bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
- e.
Bibob-vragenformulier: het formulier dat iemand in moet vullen bij de start van een Bibob-onderzoek (zie artikel 7a, vijfde lid van de Wet Bibob);
- f.
Coffeeshop: een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.8 van de APV, waar handel en gebruik in softdrugs plaatsvindt en waarvoor is verstrekt:
- 1.
een exploitatievergunning ex artikel 2.9 APV.
- 2.
een verklaring op grond waarvan de verkoop van softdrugs in de inrichting door het openbaar ministerie en de burgemeester wordt gedoogd.
- 1.
- g.
Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeente aanwezig is, bijvoorbeeld in documenten of digitaal. Of informatie die de gemeente in open of gesloten bronnen mag bekijken of aanvragen. De gemeente mag deze informatie gebruiken voor het eigen onderzoek;
- h.
Eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek dat de gemeente Gouda uitvoert, zoals bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob;
- i.
Gemeente: een bestuursorgaan van de gemeente Gouda, zijnde de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeente Gouda (als rechtspersoon);
- j.
Landelijk Bureau Bibob: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de wet. De gemeente kan dit bureau vragen om een Bibob-advies te geven. In de beleidsregel zal gebruik worden gemaakt van de afkorting LBB;
- k.
Overheidsopdracht: een opdracht, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingsweg 2012;
- l.
RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum zoals bedoeld in artikel 28, tweede lid onder d van de Wet Bibob;
- m.
De wet: de wet Bibob.
Artikel 1.2 Toepassing van de beleidsregel voor de wet Bibob
-
1. Deze beleidsregel is van toepassing op beslissingen van de gemeente in verband met:
- a.
een beschikking;
- b.
een vastgoedtransactie;
- c.
een overheidsopdracht, waaronder mede wordt begrepen een ‘open house- procedure’, waarbij een overeenkomst waarmee de gemeente zorg als bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet of artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inkoopt bij een ondernemer in het kader van een systeem waarbij de gemeente overeenkomsten sluit met iedere ondernemer die zich ertoe verbindt om diensten of goederen te leveren tegen vooraf vastgestelde voorwaarden zonder dat het aantal belangstellende ondernemers aan de hand van een gunningscriterium wordt beperkt.
- a.
Artikel 1.3 Eigen onderzoek in kader van de Wet Bibob
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek doen bij:
- a.
een beschikking;
- b.
een vastgoedtransactie;
- c.
een overheidsopdracht.
- a.
-
2. Het eigen onderzoek, als bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden gedaan als er voldoende concrete signalen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van een gevaar als bedoeld in artikel 3 en 9, eerste, tweede en derde lid, van de wet. In bijlage 2 staat vermeld hoe de gemeente uitvoering geeft aan het eigen onderzoek en vaststelt welke signalen relevant zijn voor nader onderzoek.
-
3. De signalen, als bedoeld in het tweede lid, kunnen gebaseerd zijn op vragen over de integriteit van betrokkene, dan wel degene die op grond van artikel 5.31, tweede lid van de Omgevingswet met hem gelijkgesteld kan worden, of van zijn huidige, potentiële of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet, of over de organisatiestructuur of wijze van financiering van betrokkene. De signalen kunnen afkomstig zijn van:
- •
eigen ambtelijke organisatie;
- •
informatie verkregen van het LBB of uit het Bibob-register;
- •
informatie verkregen van een van de partners van het RIEC;
- •
het OM, een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob verkregen Bibob-informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet Bibob;
- •
overige informatiebronnen, zoals openbare bronnen.
- •
Hoofdstuk 2: Beschikkingen
In dit hoofdstuk staat vermeld wanneer de gemeente de wet Bibob zal of kan gebruiken bij aanvragen om beschikkingen.
Artikel 2.1 Toepassingsbereik bij openbare inrichtingen, kansspelen, evenementen en aangewezen gebouwen, gebieden en activiteiten
-
1. Bij de volgende aanvragen om een beschikking start de gemeente een eigen onderzoek:
- a.
Artikel 3 van de Alcoholwet (Alcoholwetvergunning);
- b.
Artikel 2:9 van de APV, betreffende een exploitatievergunning openbare inrichting indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, wijziging van exploitanten van een bestaand bedrijf, de overname van aandelen van een bestaand bedrijf, wijziging in het bestuur van een bestaand bedrijf of wijziging van rechtsvorm van de onderneming (exploitatievergunning);
- c.
Artikel 2:49 van de APV, betreffende een exploitatievergunning voor gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten in het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat;
- d.
Artikel 2:5 van de APV, betreffende een evenementenvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op:
- -
een commercieel vechtsportevenement of
- -
ride-out van motorclub(s);
- -
- e.
Artikel 30b van de Wet op de kansspelen, betreffende een aanwezigheidsvergunning;
- f.
Artikel 3:1 van de Verordening Speelautomaten Gouda 2025 , betreffende een exploitatievergunning speelautomatenhal.
- a.
Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij overige publiekrechtelijke beschikkingen
-
1. Naar aanleiding van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, kan bij de volgende aanvragen om een beschikking een eigen onderzoek gestart worden:
- a.
Artikel 2:5 van de APV, betreffende een evenementenvergunning, die geen betrekking heeft op een commercieel vechtsportevenement of ride-out van motorclub(s);
- b.
Artikel 2:9 van de APV, betreffende een exploitatievergunning indien sprake is van het wijzigen of bijschrijven van leidinggevende(n);
- c.
Artikel 30a en 30b van de Alcoholwet, betreffende een bijschrijving (dag)leidinggevende op Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 30a en 30b van de Alcoholwet;
- d.
Artikel 2 van de Huisvestingsverordening Gouda 2023, betreffende een huisvestingsvergunning voor het wijzigen van de woonruimtevoorraad;
- e.
Artikel 39 van de Huisvestingsverordening Gouda 2023, betreffende een huisvestingsvergunning voor de opkoopbescherming.
- a.
Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij coffeeshops
-
1. De gemeente start een eigen onderzoek bij de aanvraag om een beschikking op grond van artikel 2:9 van de APV, betreffende een exploitatievergunning, door een coffeeshop.
-
2. In aanvulling op het eerste lid start de gemeente een eigen onderzoek, indien de aanvrager een coffeeshophouder is:
- a.
bij een nieuwe aanvraag om een exploitatievergunning;
- b.
bij een aanvraag die betrekking heeft op de overname van een bedrijf;
- c.
er sprake is van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid.
- a.
-
3. De gemeente voert bij een reeds verleende vergunning telkens na verloop van vier jaar een Bibob-toets uit.
Artikel 2.4 Toepassingsbereik bij seksbedrijf
-
1. De gemeente start een eigen onderzoek bij de aanvraag om een beschikking op grond van artikel 3:3 van de APV, betreffende een exploitatievergunning voor een seksbedrijf.
-
2. In aanvulling op het eerste lid start de gemeente een eigen onderzoek:
- a.
bij een nieuwe aanvraag om een exploitatievergunning seksbedrijf;
- b.
bij een aanvraag die betrekking heeft op de overname van een seksbedrijf;
- c.
er sprake is van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid.
- a.
-
3. De gemeente voert bij een reeds verleende vergunning na verloop van ieder vier jaar een Bibob-toets uit.
Artikel 2.5 Toepassingsbereik bij omgevingsvergunningen
-
1. Naar aanleiding van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, kan bij de aanvragen om een van de volgende omgevingsvergunningen een eigen onderzoek gestart worden:
- a.
een omgevingsplanactiviteit, op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet;
- b.
een bouwactiviteit, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet;
- c.
een milieubelastende activiteit, op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Omgevingswet;
- d.
de omgevingsplan-/ bouw- / milieubelastende activiteit, één of meer van de risicoactiviteiten als bedoeld in bijlage 1 van deze beleidsregel;
- e.
sprake is van een melding als bedoeld in artikel 5:37 van de Omgevingswet (wijziging tenaamstelling).
- a.
-
2. Een eigen Bibob-onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt in beginsel verricht bij ondernemingen en uitsluitend indien sprake is van voldoende concrete signalen als bedoeld in artikel 1.3, tweede en derde lid die duiden op bezwaren met betrekking tot de integriteit van betrokkene of zijn zakelijke relaties.
-
3. In het geval dat een aanvrager in het tijdvak van één jaar, gerekend vanaf de eerste aanvraag, drie (of meer) aanvragen voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit bouwen) indient, kan bij de derde aanvraag een eigen onderzoek worden gestart (indien dit bij de eerdere aanvragen dit nog niet is uitgevoerd).
-
4. In het geval dat voor eenzelfde pand/perceel in het tijdvak van één jaar, gerekend vanaf de eerste aanvraag, drie (of meer) aanvragen voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit) indient, kan bij de derde aanvraag een eigen onderzoek worden gestart (indien dit bij de eerdere aanvragen dit nog niet is uitgevoerd).
-
5. De gemeente voert in principe geen eigen Bibob-onderzoek in het geval een aanvraag afkomstig is van overheidsinstanties, semioverheidsinstanties of woning(bouw)corporaties die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting.
Artikel 2.6 – Toepassingsbereik bij subsidies
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek uitvoeren naar een subsidiebeschikking, zoals bedoeld in de Algemene subsidieverordening Gouda 2003:
- a.
voordat een subsidie is vastgesteld of verleend;
- b.
nadat een subsidie is vastgesteld of is verleend is aangegaan.
- a.
-
2. Naar aanleiding van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, kan bij subsidies, als bedoeld in het eerste lid, een eigen onderzoek gestart worden. De signalen kunnen afkomstig zijn van:
- •
eigen ambtelijke organisatie;
- •
informatie verkregen van het LBB of uit het Bibob-register;
- •
informatie verkregen van een van de partners van het RIEC;
- •
het OM, een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob verkregen Bibob-informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet Bibob;
- •
overige informatiebronnen, zoals openbare bronnen.
- •
-
3. Een eigen Bibob-onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt in beginsel verricht bij ondernemingen en uitsluitend indien sprake is van voldoende concrete signalen als bedoeld in artikel 1.3, tweede en derde lid die duiden op bezwaren met betrekking tot de integriteit van betrokkene of zijn zakelijke relaties.
Artikel 2.7 Toepassingsbereik bij verleende beschikkingen
-
1. De gemeente start een eigen onderzoek bij verleende beschikkingen als sprake is van voldoende concrete signalen over de integriteit van betrokkene, of zijn huidige, potentiële of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet, of over de organisatiestructuur of wijze van financiering van betrokkene. De signalen kunnen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, afkomstig zijn van:
- •
eigen ambtelijke organisatie;
- •
informatie verkregen van het LBB of uit het Bibob-register;
- •
informatie verkregen van een van de partners van het RIEC;
- •
het OM, een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob verkregen Bibob-informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet Bibob;
- •
overige informatiebronnen, zoals openbare bronnen;
- •
de gemeente de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning heeft toegevoegd aan de risicoactiviteiten (zie bijlage 1).
- •
Artikel 2.8 Weigeren van medewerking aan Bibob-onderzoek
-
1. Bij het weigeren om het Bibob-vragenformulier en bijbehorende documenten aan te leveren bij een aanvraag van een beschikking, kan de gemeente beslissen de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het niet behandelen van een vergunningaanvraag of subsidie naar aanleiding van het niet meewerken aan een Bibob-onderzoek is geregeld in artikel 4:5 van Awb.
-
2. Bij verleende beschikkingen zal een weigering tot medewerking op grond van artikel 4, eerste lid van de wet worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet. De verleende beschikking kan als gevolg hiervan ingetrokken worden.
Artikel 2.9 Gevolgen bij beschikkingen
-
1. De gemeente gaat in beginsel over tot een negatief besluit op de aanvraag op de beschikking, indien uit het eigen onderzoek en een eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt, dat sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.
-
2. Wanneer blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
-
3. De gemeente heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. De gemeente kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan de gemeente de beschikking intrekken.
-
4. Weigering en intrekking op grond van artikel 3, zesde lid, van de wet vindt slechts plaats voor zover dit tenminste evenredig is met in geval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
-
5. De gemeente kan een advies van het LBB en de gegevens uit het eigen onderzoek gedurende vijf jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.
Hoofdstuk 3: Privaatrechtelijke transacties
In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan gebruiken bij privaatrechtelijke transacties.
De gemeente kan de wet Bibob toepassen bij vastgoedtransacties of overheidsheidsopdrachten waarbij de gemeente partij is. Bij de start van onderhandelingen daartoe, zal de gemeente de wederpartij ervan in kennis stellen dat een eigen onderzoekdeel kan uitmaken van de procedure.
Artikel 3.1 Toepassing van de wet bij vastgoedtransacties
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek uitvoeren:
- a.
Voordat een beslissing wordt genomen over een vastgoedtransactie, onder andere tijdens onderhandelingen of besprekingen daarover;
- b.
Nadat een vastgoedtransactie is aangegaan.
- a.
Artikel 3.2 Eigen onderzoek bij vastgoedtransacties
-
1. Naar aanleiding van indicatoren en signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, kan bij een vastgoedtransactie een eigen onderzoek gestart worden:
- a.
er sprake is van een groot financieel risico voor de gemeente;
- b.
de transactie betrekking heeft op een beeldbepalende onroerende zaak of op een onroerende zaak die naar het oordeel van de gemeente symbolische waarde heeft;
- c.
het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meerdere activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten en/of gebeuren in één van de risicogebieden (zie bijlage 1);
- d.
uit eigen ambtelijke informatie hier aanleiding toe is;
- e.
informatie afkomstig is van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC;
- f.
er een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de wet is ontvangen;
- g.
er een tip van de officier van justitie en/of een tip van een ander bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze wet, als bedoeld in artikel 26 van de wet is ontvangen;
- h.
er sprake is van overige signalen, zoals openbare bronnen.
- a.
-
2. Indien is besloten tot het starten van een eigen onderzoek, komt in ieder geval geen overeenkomst dan wel andere vastgoedtransactie tot stand of wordt geen medewerking aan een vastgoedtransactie verleend, totdat het onderzoek volledig is afgerond en het onderzoek naar het oordeel van de gemeente geen aanleiding geeft tot het afbreken van de onderhandelingen dan wel het weigeren van of geen medewerking verlenen aan de vastgoedtransactie, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders overeenkomen.
-
3. Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, zijn hieromtrent ontbindende voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.
-
4. De gemeente zal de wederpartij ervan in kennis stellen dat een eigen onderzoek deel kan uitmaken van de procedure. In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.
-
5. De gemeente zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a,sub b van de wet is opgenomen én indien op grond van eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het LBB, en/of, informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob en/of overige signalen vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of wijze van financiering.
Artikel 3.3 Gevolgen bij vastgoedtransacties
-
1. De gemeente zal in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt dat ten minste één van de onderstaande situaties zich voordoet:
- a.
er is sprake van ten minste een ernstige mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;
- b.
er is sprake van ten minste een ernstige mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;
- c.
er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van een vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd, zoals gesteld in artikel 9 lid 3 onder c van de wet;
- d.
er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot ernstige strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);
- e.
er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;
- f.
In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.
- a.
Artikel 3.4 Toepassing van de wet bij overheidsopdrachten
-
1. De gemeente kan, naar aanleiding van signalen, zoals vermeld in artikel 1.3, tweede en derde lid, de wet toepassen bij het gunnen van overheidsopdrachten:
- a.
op grond van de Aanbestedingswet 2012;
- b.
die betrekking hebben op zorgovereenkomsten vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo);
- c.
voor één of meerdere activiteiten, die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1);
- a.
-
2. De gemeente moet de partijen die meedoen aan een aanbesteding of die een zorgovereenkomst willen sluiten met de gemeente, laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het LBB om advies vraagt. De gemeente zet deze informatie in (aanbestedings)documenten.
-
3. De gemeente neemt in het geval dat een Bibob-onderzoek uitgevoerd kan worden een integriteitsclausule op in het contract. Daarin zet de gemeente dat het onder het contract uit kan als uit een Bibob-onderzoek blijkt dat de uitvoerder van de opdracht niet integer is, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Wet Bibob.
-
4. Als één of meer van de situaties onder artikel 1.3, tweede en derde lid voorkomen tijdens het uitvoeren van het contract kan de gemeente ook een eigen Bibob-onderzoek starten.
Artikel 3.5 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij overheidsopdrachten
-
1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.
-
2. Bij overeenkomsten als bedoeld in de Jeugdwet en/ of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan de informatie uit het Bibob-onderzoek aanleiding zijn om de overeenkomst niet aan te gaan, dan wel te ontbinden.
Artikel 3.6 Weigeren van medewerking aan Bibob-onderzoek
-
1. Als iemand weigert om de Bibob-vragenformulieren (volledig) in te vullen en/of benodigde informatie aan te leveren, dan kan de gemeente beslissen om geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten met de wederpartij. Hetzelfde geldt als de wederpartij weigert om informatie te geven aan het LBB. De gemeente moet informatie hierover in documenten voor de vastgoedtransactie of de overheidsopdracht zetten, bijvoorbeeld in de Verkoopleidraad of aanbestedingsdocumenten.
Artikel 3.7 Gevolgen van het vermoedelijk door derde plegen van een strafbaar feit
-
1. In geval de gemeente vermoedt dat op enig moment een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging of behoud van een beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht, kan zij los van eventuele bestuursrechtelijke of civielrechtelijke consequenties, tevens strafrechtelijk aangifte doen.
Hoofdstuk 4: Slotbepalingen
Artikel 4.1 Overgangsrecht
-
1. Deze beleidsregel is van toepassing op na de datum van inwerkingtreding ontvangen aanvragen en na de datum van inwerkingtreding afgegeven beschikkingen en privaatrechtelijke transacties als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van deze beleidsregel.
-
2. Bij het uitvoeren van een Bibob-onderzoek ten aanzien van een bestaande vergunning, zoals bedoeld in artikel 2.3, derde lid en artikel 2.4, derde lid geldt dat dit onderzoek in ieder geval plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na inwerkingtreding van deze beleidsregel.
Artikel 4.2 Intrekking van beleidsregel
De Bibob-beleidslijn Gouda 2013 met kenmerk 792886, vastgesteld na 11 december 2012, wordt ingetrokken.
Artikel 4.3 Inwerkingtreding van de beleidsregel
-
1. Deze beleidsregel treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking.
-
2. Deze beleidsregel heet: “Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Gouda 2025”.
Ondertekening
Aldus besloten in de vergadering van 8 juli 2025.
Burgemeester en wethouders van Gouda,
de secretaris,
drs R.C. Bakker
de burgemeester,
mr drs P. Verhoeve
Gouda, 8 juli 2025
De burgemeester van Gouda
mr drs P. Verhoeve
Bijlage 1: Risicoactiviteiten
In deze bijlage zijn activiteiten opgenomen, waarbij risico bestaat dat met die activiteiten strafbare feiten worden gepleegd dan wel dat met die activiteiten onrechtmatig verkregen voordeel wordt benut. De lijst met categorieën is tot stand gekomen op basis van een verhoogd risico op misstanden bekend vanuit het RIEC.
Om de Wet Bibob toe te passen dient sprake te zijn van een beschikking (bijvoorbeeld een vergunning of subsidie) of van een privaatrechtelijke rechtshandeling (overheidsopdracht of vastgoedtransactie).
Het aanmerken van onderstaande activiteiten als risicoactiviteiten betekent niet dat voor deze activiteiten een vergunningplicht geldt of gaat gelden. Wanneer er activiteiten (gaan) plaatsvinden waarvoor geen beschikking zoals een vergunning is vereist of waarvoor geen overeenkomst wordt aangegaan, zal er geen Bibob-toets kunnen plaatsvinden.
In onderstaande lijst worden de activiteiten vermeld, die de gemeente Gouda als risicoactiviteiten aanmerkt. Deze activiteiten zijn onderverdeeld in categorieën.
Horeca-activiteiten
Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Alcoholwet of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente, zoals de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen.
- 1.
Horecabedrijven
- 2.
Hotel/pensions, of andere locaties om te overnachten
- 3.
Coffeeshops
- 4.
Shishalounges
- 5.
Zaalverhuur
De rechter heeft in verschillende uitspraken over horecabedrijven1 geoordeeld dat algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob2. Bij een reeds verleende vergunning voor een coffeeshop wordt aanvullend om de vier jaar een Bibob-toets uitgevoerd.
Recreatie en vrije tijd
Voor deze activiteiten kan een vergunning nodig zijn vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Ook kan er een combinatie zijn met andere activiteiten, bijvoorbeeld wanneer er horeca op een recreatiepark aanwezig is. Dan is er sowieso een vergunning nodig.
- 1.
Recreatieparken
- 2.
Jachthavens
- 3.
Evenementen, zoals
- ○
Vechtsportgala’s (of vergelijkbare evenementen)
- ○
Ride outs motorclubs (of vergelijkbare evenementen)
- ○
- 4.
Speelautomatenhallen/gamecenters/casino’s
- 5.
Fitnessbedrijven/sportscholen
- 6.
Sporthallen/-complexen
- 7.
Commerciële sportactiviteiten
Prostitutie
Voor deze activiteit is een vergunning nodig vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Soms is ook een wijziging van het omgevingsplan nodig om deze activiteit op een locatie mogelijk te maken.
- 1.
Prostitutie- en seksbedrijven
- 2.
Escortbedrijven
- 3.
Seksbioscopen
- 4.
Erotische massagesalons
De rechter heeft in verschillende uitspraken over prostitutiebedrijven3 geoordeeld dat het algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob4.
Detailhandel en dienstverlening
Voor deze activiteiten is meestal geen vergunning nodig, behalve als de gemeente een vergunningplicht heeft ingevoerd. Soms staat in het Omgevingsplan dat voor deze activiteiten een omgevingsplanactiviteit moet worden aangevraagd.
- 1.
Smartshops/headshops/giftshops
- 2.
Wellnesscentra/zonnestudio’s
- 3.
Kappers/barbershops/nagelstudio’s/tattooshops
- 4.
Belwinkels
- 5.
Goudinkoopbedrijven
- 6.
Pandjeshuizen
- 7.
Verhuur van transportmiddelen (auto’s, (bestel)bussen, deelvoertuigen)
- 8.
Darkstores
Wonen
Voor deze activiteiten is meestal een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. Ook kunnen er vergunningen nodig zijn vanuit de Huisvestingswet, de Wet goed verhuurderschap of regels van de gemeente.
- 1.
Kamerverhuurbedrijven (inclusief omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/of logiespanden)
- 2.
Omzetten/splitsen van woningen/panden voor kamerverhuur of realisatie van (meerdere) woonruimten
- 3.
Aanpassen kantoorpanden (naar woningen en/of kamers)
- 4.
Opvang vluchtelingen
- 5.
Huisvesting van arbeidsmigranten
Opslag
Als voor deze activiteiten gebouwd moet worden, is er vaak een omgevingsvergunning nodig. Ook moet het omgevingsplan misschien veranderd worden.
- 1.
Garageboxen/opslagruimtes
- 2.
Bedrijfsverzamelgebouwen
Milieubelastende activiteiten
Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Omgevingswet (vergunning voor een milieubelastende activiteit en/of omgevingsplanactiviteit):
- 1.
(gevaarlijke) Afvalbewerking en -verwerking
- 2.
Afvalrecycling
- 3.
Mestverwerking
- 4.
Sloop- en/ of asbestverwijdering
- 5.
Autodemontage
- 6.
Vuurwerkopslag/ transport
- 7.
Datacenters
Zorg, welzijn en opleiden
Deze activiteiten gebeuren soms via een overheidsopdracht en soms kan er een subsidie voor worden aangevraagd. Ook is er soms een vergunning voor nodig vanuit de Omgevingswet.
- 1.
Het aanbieden van zorg (inclusief aanbieden van zorgwoningen)
- 2.
Re-integratie-activiteiten
- 3.
Het aanbieden van particuliere schoolactiviteiten
- 4.
Religieuze instellingen
Duurzaamheid en transitie
Voor deze activiteiten is soms een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten. Ook kan er soms een subsidie voor worden aangevraagd.
- 1.
Energieproductie (inclusief (mest)vergisters, windmolens, zonneparken, enzovoort)
- 2.
Activiteiten voor uitkoop- en opkoopregelingen (in verband met onder andere stikstof)
Bijlage 2 Uitvoering eigen onderzoek door gemeente Gouda
Om inzichtelijk te maken hoe de gemeente Gouda signaal- en risicogestuurd werkt en het eigen onderzoek uitvoert zijn onderstaande stappen opgesteld. Met het eigen onderzoek wil de gemeente inzicht te krijgen in betrokkene(n) en eventuele relevante Bibob-relaties en de wijze van financiering. De gemeente behoudt zich het recht om het eigen onderzoek op een andere wijze uit te voeren, binnen de hiervoor gestelde wettelijke kaders en bevoegdheden.
De bepalingen vanuit de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Bibob, de Aanbestedingswet 2012, de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en het Burgerlijk Wetboek (ten aanzien van de privaatrechtelijke overeenkomsten) zijn uiteindelijk ook van toepassing bij het uitvoeren van het eigen onderzoek.
Ten aanzien van de privaatrechtelijke overeenkomsten zijn de bepalingen opgenomen in het (algemene) Inkoopbeleid van de gemeente, (algemene) verkoopvoorwaarden van de gemeente en bepalingen in (voorgenomen) overeenkomsten leidend.
Deze toelichting legt de stappen uit die de gemeente zet bij een Bibob-onderzoek.
Signalen en risico van mogelijk misbruik
Criminelen zijn in bepaalde gevallen afhankelijk van een gemeente, zoals bij een beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht voor de continuering en afscherming van criminele activiteiten. Het Bibob-instrument is mede ontwikkeld om vormen van (georganiseerde) criminaliteit te achterhalen.
Van belang is dat de gemeente weet met wie zij zaken doet. In sommige gevallen is dit niet inzichtelijk of bestaan er vragen over de integriteit of wijze van financiering van de wederpartij. De gemeente wil het Bibob-instrument signaalgestuurd en risicogericht inzetten op de plekken waar de kans op het onbewust faciliteren van criminele activiteiten het grootst is. In bijlage 1 staat vermeld welke risico-activiteiten redengevend kunnen zijn voor nader onderzoek naar betrokkene en zijn zakelijk netwerk.
Op verschillende manieren kan de gemeente signalen ontvangen over mogelijk misbruik van criminelen bij vergunningen, subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten. In artikel 1.3, tweede en derde lid van de Beleidsregel staat vermeld dat voldoende concrete signalen aanleiding kunnen zijn voor het starten van een Bibob-onderzoek.
Keuze maken op grond van signaal
Op grond van een signaal is het mogelijk om een keuze te maken welke (omgevings)vergunningen, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten de gemeente kan toetsen aan de wet Bibob. De aard van de signalen over mogelijk misbruik zijn gebaseerd op vragen over de integriteit van betrokkene of van zijn huidige, potentiële of voormalige Bibob-relaties, of over de organisatiestructuur of wijze van financiering van betrokkene. Voor deze aspecten kunnen verschillende indicatoren meespelen om tot de keuze te komen om een Bibob-onderzoek te starten.
In de praktijk betekent dit dat de gemeente de Wet Bibob zal toepassen om de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob te onderzoeken indien sprake is van:
- •
bezwaren met betrekking tot de integriteit van de betrokkene en zijn zakelijke relaties in de zin van de (vermoedelijke) betrokkenheid bij strafbare feiten;
- •
geen tot onvoldoende transparantie met betrekking tot de bedrijfsstructuur, de organisatiestructuur en/of de wijze van financiering;
- •
specifieke branche- en/of locatierisico’s.
Bij het toetsen van een vastgoedtransactie geldt volgens de Beleidsregel ook nog dat gekeken wordt naar het financiële risico voor de gemeente en de aard van de onroerende zaak, aangezien het om een beeldbepalende zaak dient te gaan. Als een van deze twee aspecten van toepassing is, is het mogelijk om een Bibob-onderzoek te starten.
Voor de toepassingsgebieden die onder de “kan” bepaling vallen, geldt dat de gemeente de Wet Bibob in stelling brengt als zij daartoe een tip van het Openbaar Ministerie, het LBB of een ander bestuursorgaan of een signaal van één van de partners binnen het RIEC-samenwerkingsverband ontvangt. Dit is een meer reactieve toepassing van de Wet Bibob.
Uiteraard is het niet altijd mogelijk of wenselijk om alle vergunningen in een bepaalde categorie te toetsen. De toetsing moet immers proportioneel zijn. Zo wil de gemeente niet iedere aanvraag voor de bouw van een dakkapel door particulieren onder de Bibob-toets brengen. Daarbij wordt gestreefd naar maximale beperking van de administratieve lastendruk voor ondernemers.
De gemeente meent daarom dat met betrekking tot subsidies kan worden volstaan met een “kan” bepaling, mede gelet op de wettelijk verplichte toetsen van rechtmatig en doelmatig gebruik van verstrekte subsidies.
Indicatoren
Voor het beoordelen van bovenstaande signalen en risico’s kan gebruik worden gemaakt van indicatoren van mogelijk misbruik. Een hulpmiddel voor de beoordeling is de indicatorenlijst van het Landelijk Bureau Bibob. Voor verschillende toepassingen van de Wet Bibob heeft het Landelijk Bureau Bibob een indicatorenlijst opgesteld waar de gemeente gebruik van kan maken. De indicatoren zien op de bedrijfsstructuur, financiën, de betrokkene, aanwijzingen van (betrokkenheid bij) criminaliteit, en branchespecifieke kenmerken.
Deze indicatorenlijsten zijn geschikt voor intern gebruik bij het bestuursorgaan om te bepalen of het zinvol is om een Bibob-onderzoek te starten ten aanzien van de aanvrager van een beschikking of gegadigde voor een vastgoedtransactie of overheidsopdracht. De beslissing om over te gaan tot een Bibob-onderzoek is dus het resultaat van de integrale afweging van de (verschillende) indicatoren door de behandelend ambtena(a)r(en).
Signalen van verschillende bronnen
De indicatoren die naar voren komen bij een aanvraag kunnen leiden tot een signaal om een Bibob-onderzoek te starten. De signalen dienen voldoende en concreet te zijn en het vermoeden te rechtvaardigen dat sprake is van een gevaar op misbruik van de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht. Deze signalen kunnen ook meerledig zijn. In de Beleidsregel zijn de volgende signalen redengevend om een Bibob-onderzoek te starten. De signalen kunnen afkomstig zijn van:
- •
eigen ambtelijke organisatie;
- •
informatie verkregen van het LBB of uit het Bibob-register;
- •
informatie verkregen van een van de partners van het RIEC;
- •
het OM, een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob verkregen Bibob-informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet Bibob;
- •
overige informatiebronnen, zoals openbare bronnen.
De aanleiding van een Bibob-onderzoek kan dan op grond van interne en/of externe signalen. De gemeente zet het instrument proportioneel in en daar waar de kans op het onbewust faciliteren van criminele activiteiten het grootst is.
Daarnaast werken alle gemeenten in de regio Den Haag samen met onder meer politie, OM en Belastingdienst in het RIEC. De verwachting is dat die samenwerking steeds vaker zal leiden tot signalen van georganiseerde criminaliteit binnen de gemeente. De gemeente wil adequaat op dergelijke signalen kunnen reageren.
Voor het starten van een Bibob-onderzoek ten aanzien van beschikkingen, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten, waar een ‘kan’- bepaling van toepassing is dient de gemeente dan ook voldoende (betrouwbare) signalen te hebben.
Interne signalen
Ten aanzien van signalen uit de eigen ambtelijke organisatie zal door het team ondermijning, onder leiding van de Bibob-coördinator, binnen de gemeente voor het Bibob-onderzoek een afweging gemaakt moeten worden of wordt voldaan aan de in artikel 1.3, tweede en derde lid van de Beleidsregel genoemde bezwaren en een beoordeling maken of de signalen voldoende concreet en betrouwbaar zijn. Signalen uit de eigen ambtelijke organisatie betreffen (niet limitatief):
- •
Aan betrokkene in de afgelopen vijf jaar een beschikking tot terugvordering van subsidie opgelegd dan wel met betrokkene binnen deze periode een schikking tot terugbetaling van de verkregen subsidiegelden overeengekomen is;
- •
Aan betrokkene in de afgelopen vijf jaar een handhavingsbeschikking is opgelegd;
- •
De gemeente Gouda, op grond van de wet, maatregelen treft of heeft getroffen in een andere procedure. Dit ten aanzien van dezelfde betrokkene, natuurlijk persoon of rechtspersoon die in relatie staat tot de betrokkene als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet;
- •
Er is sprake van melding(en) over vermoedens van betrokkenheid feiten van betrokkene, natuurlijk persoon of rechtspersoon die in relatie staat tot de betrokkene als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet;
- •
Er is sprake van informatie met betrekking tot specifieke branche- en/of locatierisico’s.
Externe signalen
Naast signalen uit de eigen organisatie is het op grond van de wet Bibob ook mogelijk om signalen van mogelijk misbruik te ontvangen van derden. Eveneens is het als gemeente mogelijk om het Bibob-register te bevragen.
In het Bibob-register kunnen overheidsinstanties en het LBB informatie over Bibob-onderzoeken registreren en opvragen. Het uitwisselen van deze informatie helpt de informatiepositie bij het doen van eigen Bibob-onderzoek te verstevigen en op die manier misbruik te voorkomen.
Indien signalen afkomstig zijn van het LBB, het Bibob-register, een ander bestuursorgaan of het OM zal de gemeente in beginsel een eigen onderzoek starten. Deze signalen zijn afkomstig van een betrouwbare bron en rechtvaardigen dat sprake is van een vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten, die kunnen leiden tot enige mate van gevaar.
Ook voor signalen afkomstig uit openbare bronnen dient door de gemeente een afweging gemaakt te worden of de signalen betrouwbaar zijn.
Onder relevante signalen kunnen een of meer van de volgende gevallen worden verstaan (niet limitatief):
- •
Aan betrokkene is in de afgelopen vijf jaar surseance van betaling verleend of ten aanzien van betrokkene is gedurende de genoemde periode een faillissement uitgesproken;
- •
Een ander bestuursorgaan, op grond van de wet, maatregelen treft of heeft getroffen in een andere procedure. Dit ten aanzien van dezelfde betrokkene, natuurlijk persoon of rechtspersoon die in relatie staat tot de betrokkene als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet;
- •
Er is sprake van melding in een openbaar toegankelijk register, bijvoorbeeld de inspectieresultaten van de Nederlandse Arbeidsinspectie, over vermoedens van betrokkenheid bij strafbare feiten van betrokkene natuurlijk persoon of rechtspersoon die in relatie staat tot de betrokkene als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet
- •
Er is sprake van negatieve berichtgeving in de media over dezelfde betrokkene natuurlijk persoon of rechtspersoon die in relatie staat tot de betrokkene als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet.
Eigen onderzoek
Wanneer de gemeente een eigen onderzoek start dient de betrokkene (en eventueel degene die met de betrokkene gelijk kan worden gesteld) het Bibob-vragenformulier in te vullen en in te leveren bij het de gemeente. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren ter onderbouwing van de gegeven antwoorden worden gevraagd.
In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag om beschikking.
Stap 1 – Bronnenonderzoek door de gemeente
Het eigen onderzoek behelst in ieder geval:
- -
de controle en analyse van de door de betrokkene aangereikte informatie/documenten bij het Bibob- vragenformulier, inclusief bijlagen;
- -
de controle en analyse van eventuele extra, op verzoek van de gemeente door betrokkene overgelegde documenten of informatie;
- -
“open bronnen” onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster, etc.) ten aanzien van de betrokkene en mogelijke relevante Bibob-relaties;
Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van de gemeente ondersteund worden door het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Ook kan de gemeente desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC bij het toepassen van de Wet Bibob;
Bibob-vragenformulier
Het Bibob-vragenformulier dient volledig en naar waarheid te worden ingevuld. Het opzettelijk verschaffen van onjuiste informatie is strafbaar, net als het opzettelijk weglaten van informatie (art. 227a en 227b, Wetboek van Strafrecht). De gemeente kan de vergunning in dat geval weigeren of intrekken. Indien er een vermoeden bestaat dat ter verkrijging of behoud van de vergunning een strafbaar feit, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte, is gepleegd kan de gemeente aangifte doen bij de politie.
Opvragen van gegevens bij gesloten bronnen
Op grond van de Wet Bibob kunnen in het kader van het eigen onderzoek de volgende gegevens opgevraagd worden:
- -
Basisregistratie Personen (BRP)
- -
Justitiële gegevens ten aanzien van de:
- ○
de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
- ○
degene die direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene;
- ○
degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over betrokkene;
- ○
degene die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan betrokkene;
- ○
degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager is of zal worden vermeld op de beschikking die is aangevraagd of is gegeven;
- ○
degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene.
- ○
- -
politiegegevens ten aanzien van de betrokkene(n) op grond van artikel 4.3 onder l van het Besluit politiegegevens;
- -
Informatie over de betrokkene(n) en relevante Bibob-relaties bij het Landelijk Bureau Bibob zoals bedoeld in artikel 11a van de wet;
- -
Informatie van de Rijksbelastingdienst over de betrokkene(n) en relevante Bibob-relaties als bedoeld in artikel 7c van de Wet;
Open bronnen
Op grond van artikel 7b van de wet is het ook mogelijk om in het eigen onderzoek van de gemeente gebruik te maken van openbare bronnen. Te denken valt aan openbare registers als het handelsregister, insolventie- en curateleregisters, het kadaster. Daarnaast kunnen gegevens van het internet gebruikt worden voor het eigen onderzoek.
Wijze van financiering
Ten aanzien van de financiering van het project/ activiteit geldt dat de financiering aannemelijk en inzichtelijk dient te zijn. Om de financiering aannemelijk en inzichtelijk te maken, gelden ten aanzien van de financiering nog de volgende bepalingen:
- ○
bij financiering door middel van eigen vermogen dient de aanwezigheid en de herkomst van dit eigen vermogen aangetoond te worden;
- ○
wanneer sprake is van financiering uit eigen vermogen door middel van contante gelden, dient de aanwezigheid en de herkomst van het contante geld aannemelijk en inzichtelijk te worden gemaakt door de betrokkene(n);
- ○
bij financiering door middel van vreemd vermogen dient altijd een (in het Nederlands dan wel vertaalde) lenings- of schenkingsovereenkomst overgelegd te worden waaruit de financiering blijkt en onder welke voorwaarden deze financiering is verstrekt;
- ○
bij financiering door middel van vreemd vermogen dient de identiteit van de (indirecte) vermogensverschaffer aangetoond te worden door middel van een geldig identiteitsbewijs, actuele adres- en woonplaatsgegevens en het BSN-nummer van de vermogensverschaffer. Bij financiering door rechtspersonen dienen de uiteindelijk natuurlijke personen (aandeelhouders) achter deze rechtspersonen inzichtelijk gemaakt te worden;
- ○
bij financiering door middel van vreemd vermogen dient door middel van bankafschriften aangetoond te worden dat deze gelden ontvangen zijn;
- ○
wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt door middel van contante gelden dient de geldstroom van de vermogensverschaffer naar betrokkene(n) volledig inzichtelijk en aannemelijk te worden gemaakt;
- ○
wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt door middel van crowdfunding dan wel vergelijkbare financiering, kan de gemeente het betreffende platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers kenbaar te maken aan de gemeente;
Terugtrekken uit procedure
Naar aanleiding van het eigen onderzoek is het mogelijk dat de betrokkene zich terugtrekt uit de Bibob-procedure. Dat betekent dat het eigen onderzoek eindigt. Op grond van artikel 7a lid 8 van de wet dient de gemeente dit te laten registreren bij het Bureau als redelijkerwijs is te vermoeden dat de terugtrekking te maken heeft met de Bibob-procedure.
Niet aanleveren van gegevens
Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, dan wel de gegevens zoals genoemd onder c (financiering) niet volledig zijn verstrekt, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld, nadat aanvrager in de gelegenheid is gesteld binnen een door de gemeente gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren kan leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag dan wel tot het intrekken van de verleende vergunning.
Eigen onderzoek bij privaatrechtelijke transacties
In het geval van een (voorgenomen) overheidsopdracht gunt de gemeente een overheidsopdracht niet, indien de betrokkene heeft nagelaten:
- 1.
de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;
- 2.
de wijze van financiering, zoals genoemd onder c van stap 1 (financiering) door de betrokkene(n) onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk is gemaakt ter beoordeling van de geschiktheidseis inzake financiële en economische draagkracht;
- 3.
de op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Landelijk Bureau Bibob zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.
In het geval van een (voorgenomen) vastgoedtransactie zal geen overeenkomst tot stand komen, wanneer:
- 1.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;
- 2.
de wijze van financiering, zoals genoemd onder c van stap 1 (financiering) door de betrokkene(n) onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk is gemaakt;
- 3.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Landelijk Bureau Bibob zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Landelijk Bureau Bibob gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;
- 4.
Bij reeds aangegane overeenkomsten ten aanzien van vastgoedtransacties wordt bij overeenkomst voorzien.
Besluitvorming naar aanleiding van het eigen onderzoek
Als de gemeente op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ernstige of mindere mate van gevaar als bedoeld in de Wet Bibob, kan het de gevraagde beschikking weigeren of de verleende beschikking intrekken dan wel aanvullende voorschriften verbinden aan de beschikking;
Als de gemeente op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ernstige of mindere mate van gevaar als bedoeld in de Wet Bibob, kan dit aanleiding zijn om de (voorgenomen) overheidsopdracht of vastgoedtransactie niet aan te gaan, dan wel de overeenkomst te ontbinden of op te schorten.
Op grond van artikel 7a, zevende lid van de Wet Bibob meldt de gemeente de uitkomst van de besluitvorming aan het Landelijk Bureau Bibob.
Als na het eigen onderzoek van de gemeente nog vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering., is het mogelijk om advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB).
Stap 2 – Advisering door het Landelijk Bureau Bibob
Aanvullend op eigen onderzoek kan een advies bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) worden gevraagd indien:
- a.
vragen ontstaan of bestaan over de integriteit van de betrokkene en/ of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob;
- b.
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en);
- c.
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;
- d.
het Landelijk Bureau Bibob de gemeente adviseert om ten aanzien van een betrokkene advies aan te vragen, zoals bedoeld in artikel 11 van de wet;
- e.
de gemeente van de officier van justitie of een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidsopdracht een tip heeft ontvangen als bedoeld in artikel 26 van de Wet.
Een toetsing aan de Wet Bibob met behulp van een advies van het Landelijk Bureau Bibob geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokkene en diens relaties te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy zal de gemeente de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat de gemeente eerst gebruik zal maken van de eigen instrumenten of de weigerings- en intrekkingsgronden van de onderliggende regelgeving.
De adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat derhalve geen bezwaar of beroep open. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.
Informatieplicht
De gemeente informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Landelijk Bureau Bibob.
Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de Wet. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Landelijk Bureau Bibob.
In geval een van het Landelijk Bureau Bibob ontvangen advies ten grondslag wordt gelegd aan een motivering om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, of wanneer op basis van dit advies voorschriften worden verbonden aan de beschikking, wordt aan betrokkene een afschrift van het advies ter hand gesteld.
Betrokkene wordt daarbij door de gemeente schriftelijk gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de wet;
Voornoemde is eveneens van toepassing op de in artikel 28 en 33 van de wet bedoelde derde, met dien verstande dat alleen die onderdelen uit het advies worden verstrekt wordt zover het op hem betrekking heeft.
Adviestermijn
Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Landelijk Bureau Bibob, wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Landelijk Bureau Bibob in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 van de wet.
Indien het Landelijk Bureau Bibob het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de wet.
De gemeente informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.
De verlenging van de adviestermijn van het Landelijk Bureau Bibob, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Landelijk Bureau Bibob in gevallen als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.
STAP 3 – Besluitvorming en informatieverstrekking door gemeente
Op grond van het eigen onderzoek en eventueel advies van het Landelijk Bureau Bibob neemt de gemeente een beslissing over de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht.
Besluitvorming
De beslissing over de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht is gebaseerd op artikel 3 van de wet. Aan de beslissing ligt een gevaarsbeoordeling ten grondslag. De gemeente kan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet Bibob aanwijzingen hebben om tot de volgende conclusies te komen.
- -
Er is sprake van een ernstige mate van gevaar op grond van artikel 3 van de wet;
- -
Er is sprake van een mindere mate van gevaar op grond van artikel 3 van de wet;
- -
Er is sprake van een situatie waarin het vermoeden bestaat dat ter verkrijging / behoud van de beschikking of vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd op grond van artikel 3, zesde lid of artikel 9, derde lid onder c van de wet.
- -
Er is geen sprake van gevaar.
Op grond van een ernstige of mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet Bibob, kan de gemeente de gevraagde beschikking weigeren, de verleende beschikking intrekken of extra voorschriften hieraan verbinden.
Wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, zesde lid, of artikel 9, derde lid onder c van de wet wordt in beginsel een beschikking geweigerd of ingetrokken dan wel wordt er geen vastgoedtransactie aangegaan of overheidsopdracht gegund.
Informatieverstrekking over besluit
Na besluitvorming over de beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht dient de gemeente informatie te verstrekken over het Bibob-onderzoek.
Bibob -register
Indien sprake is van een zelfstandige gevaarsbeoordeling (zonder advies van het Landelijk Bureau Bibob) of sprake is van een vermoeden dat de betrokkene(n) zich terugtrekt vanwege het toepassen van de Wet Bibob zal de gemeente hiervan melding maken in het Bibob-register zoals bedoeld in artikel 7a lid 7 en lid 8 van de Wet.
Tippen andere gemeenten en/ of rechtspersonen
De gemeente zal indien hier aanleiding toe is gebruik maken van haar tipbevoegdheid als bedoeld in artikel 26 van de Wet.
Verstrekken van gegevens aan andere gemeenten en/ of rechtspersonen
De gemeente zal op verzoek de informatie verkregen op grond van de Wet verstrekken aan andere gemeenten en/ of rechtspersonen met een overheidstaak zoals bedoeld en onder de voorwaarden als genoemd in artikel 28 lid 2 onder m van de Wet.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl