Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744052
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR744052/1
Geldend van 09-10-2025 t/m heden
Leeswijzer
Voor u ligt het projectbesluit Windpark Echteld-Lienden. Het projectbesluit is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het doel van het project opgenomen.
In hoofdstuk 2 zijn de permanente maatregelen beschreven die zien op de gebruiksfase van het windpark. Hoofdstuk 3 bevat de tijdelijke maatregelen die getroffen worden tijdens de aanlegfase van het windpark. In hoofdstuk 4 zijn de maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving beschreven. Hier worden maatregelen weergegeven die worden getroffen vanuit archeologie, natuur, (water)bodem en water. In hoofdstuk 5 is opgenomen als welke omgevingsvergunningen voorliggend projectbesluit geldt en op welke manier de omgevingsplannen van gemeente Neder-Betuwe en Buren met dit projectbesluit worden gewijzigd. Hoofdstuk 6 bevat de termijn waarbinnen het gemeentelijke omgevingsplan geen regels mag stellen die het uitvoeren van voorliggend project belemmeren. In hoofdstuk 7 zijn procedurele aspecten opgenomen.
De motivering met bijhorende bijlagen die zijn opgesteld ten behoeve van voorliggend besluit zijn te raadplegen via het provincieblad en de projectwebsite Energiepark Echteld - Lienden (gelderland.nl).
Hoofdstuk 1 Projectbeschrijving
1.1 Aanleiding en doel van het project
Windpark Echteld Lienden B.V. is voornemens om het windpark Echteld-Lienden te ontwikkelen in samenspraak met Energiecoöperatie Echteld-Lienden. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 (Artikel 9c Elektriciteitswet 1998) voert provincie Gelderland de ruimtelijke procedure om het windpark juridisch-planologisch mogelijk te maken binnen haar provincie.
Op 27 oktober 2022 is door gedeputeerde staten van Gelderland besloten een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) op te stellen voor de realisatie van het windpark Echteld-Lienden (in Statenbrief van 1 november 2022). Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: Ow) van kracht. Daardoor is het provinciaal inpassingsplan komen te vervallen en vervangen door het projectbesluit. Voor onderhavig project is daarom voorliggend Projectbesluit opgesteld.
1.2 Projectgebied
Het 'projectgebied' is het volledige regelingsgebied van dit projectbesluit. Hier worden naast de permanente maatregelen (zie Hoofdstuk 2: permanente maatregelen) ook tijdelijke maatregelen (zie Hoofdstuk 3: tijdelijke maatregelen) getroffen om het project uit te voeren.

Hoofdstuk 2 Permanente maatregelen
2.1 Beschrijving permanente maatregelen
2.1.1 Windturbines
Algemene weergave windpark
Ter plaatse van 'permanent ruimtebeslag - windpark' wordt een windpark gerealiseerd (zie ook Afbeelding 2). Elke windturbine krijgt:
-
●
een opstelplaats, op de kaart aangewezen als 'windturbine - opstelplaats';
-
●
een vrijwaringszone, op de kaart weergegeven als 'windturbine - vrijwaringszone';
-
●
een veiligheidszone, op de kaart weergegeven als 'windturbine - veiligheidszone';
-
●
bijhorende windparkinfrastructuur zoals:
-
○
toegangswegen ter plaatse van 'overige parkinfrastructuur - toegangswegen';
-
○
kabelverbindingen ter plaatse van 'overige parkinfrastructuur - kabelstroken';
-
○
een onderstation ter plaatsen van 'overige parkinfrastructuur - onderstation'.
De overige voorzieningen worden in de volgende paragrafen besproken. Het ontwerp van de windturbines is gecertificeerd conform de internationale ontwerpnorm voor windturbines: NEN-EN-IEC 61400-1.
-
○

Locatie
Op de locaties aangewezen als 'windturbine - middelpunt mast' worden zeven windturbines gerealiseerd, waarvan drie in de gemeente Buren (respectievelijk 'windturbine 5', 'windturbine 6', 'windturbine 7') en vier in de gemeente Neder-Betuwe (respectievelijk 'windturbine 1', 'windturbine 2', 'windturbine 3', 'windturbine 4') (zie Afbeelding 3).

Onderdelen per windturbine
Elke windturbine bestaat uit de volgende onderdelen (zie Afbeelding 4):
-
●
de mast, een cilindervormige toren waar de gondel op rust;
-
●
de gondel, het gedeelte waaraan de rotorbladen zijn bevestigd. In de gondel zit onder andere:
-
●
de rotorbladen, deze bladen zetten energie uit wind om in een draaiende beweging;
-
●
de fundering.

Afmetingen windturbine
De windturbines krijgen een rotordiameter tussen 160 - 175 meter, een ashoogte tussen
130 - 175 meter. De maximale tiphoogte bedraagt 255 meter (zie Afbeelding 5).

Vloeroppervlak en inhoud
De windturbines zijn niet bestemd voor het verblijf van personen, met uitzondering van het uitvoeren van inspectie-, controle en onderhoudswerkzaamheden. De maximale bruto vloeroppervlakte en bruto inhoud is opgenomen in Afbeelding 6.

Verbinding windturbine
De windturbine wordt via een ondergrondse elektriciteitskabel verbonden met een onderstation (zie 2.1.3 Onderstation). Door computerbesturing wordt de windturbine automatisch aangestuurd. Op afstand kan dit gevolgd en bijgestuurd worden.
Kraanopstelplaats
Een kraanopstelplaats wordt gebruikt door de kraan die nodig is voor de installatie van de windturbine. Deze opstelplaats wordt ook gebruikt voor voertuigen bij onderhoudswerkzaamheden. De kraanopstelplaatsen bestaan uit een permanent en tijdelijk deel en vallen binnen de permanente en tijdelijke verhardingen zoals genoemd onder 2.2.1 en 3.1. De afmetingen van de kraanopstelplaats zijn afhankelijk van het type windturbine. De exacte dimensionering ervan zal gezamenlijk met de keuze voor een windturbinetype drie maanden voor de start van de bouw aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Toegang windturbine
Ten behoeve van de toegang tot de windturbines beschikt elke turbine over een deur en een trap. De exacte invulling daarvan is echter afhankelijk van het turbinetype (en fabrikant) die uiteindelijk gekozen zal worden en is om die reden op dit moment nog niet in te vullen. De exacte detaillering ervan zal gezamenlijk met de keuze voor een windturbinetype aan het bevoegd gezag worden gemeld.
De turbines worden voorzien van een deur en een trap naar deze deur toe, eventueel met een hekwerk. De deuren in windturbines zijn standaard boven maaiveld gelegen. De exacte hoogte en locatie op de turbine is afhankelijk van het turbinetype/fabrikant. De uiteindelijke indeling wordt gezamenlijk met het turbinetype gemeld aan het bevoegd gezag.
Fundatie
De windturbine wordt bevestigd op een (betonnen) fundament (zie Afbeelding 7). Elk windturbinetype heeft een eigen principe ontwerp van de fundatie dat benodigd is voor de bouw van de windturbine. Ter voorbereiding op de bouw vindt detailengineering van de fundatie plaats. Deze wordt specifiek afgestemd op de locatie van elke individuele windturbine. De vereiste constructie- en sterkteberekeningen zullen dan ook – gezamenlijk met de exacte dimensies en detaillering van het fundament – uiterlijk drie maanden voor de start van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.

IJsdetectiesysteem
De windturbines worden voorzien van een ijsdetectiesysteem, om ijsvorming tegen te gaan. Het exacte ijsdetectiesysteem wordt uiterlijk drie maanden voor de start van de bouw ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
Obstakelverlichting
Conform de vereisten van de Inspectie Leefomgeving en Transport uit het Informatieblad over obstakelverlichting (2023) bestaat de verlichting aan de windturbines uit:
-
●
verlichting in de dag-, schemer- en nachtperiode;
-
●
de lichtintensiteit wordt aangepast op basis van zichtafstanden (gedimd);
-
●
mastverlichting op 1/3e en 2/3e van de mast.
Verder wordt er transpondertechniek toegepast als Inspectie Leefomgeving en Transport haar instemming daarvoor heeft afgeven. Dit is een techniek waarbij de verlichting aan gaat wanneer een vliegtuig of helikopter binnen bepaalde afstand nadert.
2.1.2 Saneren windturbines windpark Echteld
De realisatie van het windpark dat wordt mogelijk gemaakt met voorliggend projectbesluit, vangt pas aan nadat de windturbines van windpark Echteld, aangewezen op kaart als 'te saneren windturbines', in de gemeente Neder-Betuwe zijn gesaneerd en onderliggende vergunningen zijn ingetrokken. De funderingen mogen blijven zitten tot 2 meter onder maaiveld. Met dien verstande dat met de aanleg van de funderingen van de nieuwe windturbines mag worden aangevangen zodra de vergunningen van de te saneren turbines zijn ingetrokken.

2.1.3 Onderstation
Onderdeel van het projectbesluit betreft het onderstation ten behoeve van de aansluiting van het windpark Echteld-Lienden en andere (toekomstige) alternatieve aansluitingen (zoals het zonnepark, bedrijventerrein, Energieopslagsysteem). Dit is op de kaart aangewezen als 'overige parkinfrastructuur - onderstation'. Het onderstation is reeds ingepast middels het bestemmingsplan Panderweg-Oost ten behoeve van het zonnepark. Dit onderstation dient als aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk en wordt ook gebruikt ten behoeve van het windpark Echteld-Lienden.

2.2 Beschrijving overige maatregelen en voorzieningen
2.2.1 Verhardingen en ondergrondse kabels
Ten behoeve van de windturbines worden permanente verhardingen (opstelplaatsen) (zie 2.2.2 voor de afmetingen hiervan), permanente toegangswegen en kabelverbindingen aangebracht (zie Afbeelding 11 tot en met Afbeelding 17). De aanvoerroute voor materialen is circa 5 meter breed, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen. De windturbines worden met een ondergrondse kabels onderling verbonden en verbonden met het onderstation (zie Afbeelding 10).








2.2.2 Afmetingen permanente verhardingen
Ten behoeve van de windturbines worden permanente verhardingen aangebracht binnen het permanent ruimtebeslag. Tabel 1 geeft de oppervlakten van deze verhardingen weer.
2.2.3 Molenaarswoning
De functie van de woning aan Saneringsweg 3 te IJzendoorn wordt gewijzigd van ‘woning’ naar `overige zone - woning met functionele binding tot het windpark'. De woning wordt aangemerkt als woning met een functionele binding tot het windpark omdat de woning mede wordt bewoond met het oog op het toezicht en beheer van het windpark. Voor de woning geldt dat niet aan de normen voor geluid en slagschaduw wordt getoetst (artikelen 5.61 en 5.89d Besluit kwaliteit leefomgeving).
2.3 Milieunormen
Aangezien de nationale windturbinevoorschriften met betrekking tot geluid niet langer van toepassing zijn, kan het bevoegde gezag lokale normen vaststellen en motiveren. Om de gezondheid van omwonenden van het windpark te beschermen en onevenredige overlast te voorkomen stelt de provincie passende normen voor geluid. De milieunormen zijn hieronder opgenomen:
-
●
de geluidsnorm van de windturbines ter plaatse van gevoelige objecten bedraagt maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight;
-
●
er geldt een LAeq norm van 46 dB(A) op 255 meter;
-
●
In het bereik van 20 Hz tot en met 150 Hz mogen geen tonen voorkomen die meer dan 15 dB boven de ruisvloer uitkomen. Dit wordt vastgesteld met behulp van een immissiemeting conform methode II.1 uit de Handreiking meten en rekenen industrielawaai (HMRI), zij het dat deze meting ongewogen plaatsvindt. Indien tonaliteit is aangetoond, geldt er een toeslag van 5 dB op het jaargemiddelde geluidniveau Lden en dienen de windturbines te worden teruggeregeld totdat de tonaliteit is weggenomen;
-
●
de slagschaduwnorm is 0 uur per slagschaduwgevoelig object per jaar, niet zijnde woningen met een functionele binding tot het windpark. De slagschaduw die optreedt gedurende de tijd die nodig is voor het tot stilstand komen van de rotor, maximaal 20 minuten per jaar, wordt niet meegerekend bij toetsing aan de norm;
-
●
op de betreffende onderdelen van de windturbines moeten niet reflecterende materialen of coatinglagen worden toegepast. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
2.4 Flexibiliteit
De praktijk leert dat er soms onverwachte elementen in de ondergrond worden aangetroffen waardoor er toch problemen zijn met de locatie voor de windturbines (bijvoorbeeld grote stenen diep in de bodem). Rondom de windturbinelocaties, zoals omschreven in 2.1.1, zijn schuifruimtes toegevoegd (zie Afbeelding 19). Het middelpunt van de turbinemast kan schuiven binnen de locatie 'windturbine - schuifruimte middelpunt mast'.
De uitgangspunten voor schuifruimte zijn:
-
●
een maximale verschuiving van 10 m vanaf de positie van de windturbines;
-
●
de windturbines komen niet binnen de adviesafstanden en afstandseisen voor veiligheid;
-
●
de permanente verharding rondom de windturbines komen niet binnen (beschermingszones van de) watergangen.
De verplaatsing binnen de schuifruimtes leidt niet tot een relevante verandering van de effecten van natuur, (water)bodem, waterbelangen, cultureel erfgoed, landschap, geluid, slagschaduw, externe veiligheid en klimaatadaptatie.

Hoofdstuk 3 Tijdelijke maatregelen
3.1 Tijdelijke maatregelen
Binnen het 'tijdelijk ruimtebeslag - windpark' vinden tijdelijke maatregelen in verband met de uitvoering van dit projectbesluit plaats. Onder tijdelijke maatregelen wordt onder andere begrepen:
-
a.
ter plaatse van 'tijdelijke bouwwegen': tijdelijke toegangswegen;
-
b.
ter plaatse van 'tijdelijke verharding':
-
i.
Opslag van materieel en materiaal, werkplaatsen, installaties, bouwkraan, bouwketen en parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers;
-
ii.
Laad- en losplaatsen en gronddepots;
-
iii.
Aanleg van verhardingen (opstelplaatsen) (zie Tabel 2), en andere infrastructurele werken, energievoorzieningen en afrasteringen.
-
i.
Hoofdstuk 4 Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving
4.1 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen
4.1.1 Maatregelen ten behoeve van archeologie
Om nadelige gevolgen op archeologische (verwachtings)waarden te voorkomen of beperken worden maatregelen getroffen. Voorafgaand aan de uitvoeringsfase wordt verkennend onderzoek uitgevoerd op locaties waar ontgrondingen plaatsvinden, zoals weergegeven op Afbeelding 19. Voor de locaties met een rode contour geldt dat vervolgonderzoek nodig is bij verstoringen dieper dan 30 cm beneden het maaiveld. Voor de locaties met een groene contour is vervolgonderzoek nodig bij verstoringen dieper dan 3 m beneden het maaiveld. Afbeelding 20 geeft aan voor welke ingrepen op welke locatie vervolgonderzoek plaatsvindt voorafgaand aan de bouw van windpark Echteld-Lienden.


4.1.2 Maatregelen ten behoeve van natuur
Om negatieve effecten op de natuur te mitigeren worden maatregelen getroffen. Dit betreffen maatregelen ten aanzien van beschermde soorten (zie Tabel 3). Voor de maatregelen wordt eveneens verwezen naar paragraaf 5.1.4 waarin de vergunning Flora- en fauna-activiteit is opgenomen.
|
Soortgroep |
Soort |
Onderdeel |
Maatregel(en) |
|
Vogels (broedvogels) |
Grutto |
Doden van individuen |
- Alle windturbines ten noorden van de rijksweg A15 worden uitgerust met een stilstandvoorziening (SVZ); - De stilstandvoorziening is gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang) in werking; - De stilstandvoorziening is gedurende de periode in het jaar (half maart tot en met eind mei) dat veel baltsvluchten en andere risicovolle vluchten van de grutto op rotorhoogte plaatsvinden in werking; - Op basis van nadere ontwikkelingen ten aanzien van camera- of radardetectie van de grutto en toepassing daarvan op windturbines, kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd in die zin dat in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland om in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. |
|
Vogels (broedvogel) |
Zeearend |
Doden van individuen |
- Alle windturbines worden uitgerust met een stilstandvoorziening; - De stilstandsvoorziening is het gehele jaar actief; - Vóór het moment van ingebruikname van het windpark dient een protocol voor de aansturing van de SVZ via ca-mera- of radardetectie door de provincie te zijn goedge-keurd. Tenzij de SVZ wordt ingevuld op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag etc.) |
|
Vleermuizen |
|
Doden van individuen |
- De turbines worden voorzien van een stilstandvoorziening gedurende de gehele gebruiksfase overeenkomstig de voorschriften zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4 voorschriften vergunning Flora- en fauna-activiteit. - De stilstandvoorziening houdt in dat de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines verlaagd wordt tot 1 rpm of minder onder de volgende specifieke omstandigheden (die tegelijkertijd aan de orde moeten zijn): a. in de periode tussen half maart tot 1 november én b. Tussen zonsondergang en zonsopkomst én; c. Bij temperaturen hoger dan 10 graden én; d. Bij windsnelheden lager dan of gelijk aan 5 m/s op ashoogte én; e. Bij droog weer of lichte regen (<3 mm/hr). - Gedurende de eerste drie jaar na de ingebruikname van de turbines wordt de activiteit en migratie van vleermuizen gemonitord middels akoestische monitoringsmiddelen (zoals een batdetector met opnamefunctie) op gondelhoogte. Ook wordt conform het landelijke monitoringsprotocol voor windparken gemonitord op aanvaringsslachtoffers en wordt de activiteit en gebruik van het leefgebied in de omgeving van het projectgebied gemeten. - De nadere uitwerking van de monitoring wordt beschreven in een monitoringsprotocol, dat minimaal 1 maand voorafgaand aan de start van de exploitatie van het windpark aan de provincie Gelderland ter goedkeuring wordt overlegd. De resultaten van de monitoring worden na afloop van de monitoringsperiode, jaarlijks voor een periode van in totaal 3 jaar, gedeeld met het bevoegd gezag. Waar nodig kan er bijgestuurd worden op de gestelde voorschriften en maatregelen. |
|
Overige soorten |
Grote modderkruiper |
Verstoring |
- Aanleg van dammen in de voor deze soorten geschikte wateren worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode (augustus, september en andere maanden waarin de sloten droogstaan). |
|
Overige soorten |
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel |
Verstoring |
- Bij de aanlegfase worden tijdens de kwetsbare periode (maart-augustus) voortplantings- of rustplaatsen ontzien; - Om voldoende aanbod van verblijf en rustplaatsen te waarborgen worden in het leefgebied van deze soorten schuilmogelijkheden aangebracht vóór de aanleg van het windpark plaatsvindt. Het betreft een oppervlakte aan leefgebied van 50.000 m2. |
4.1.3 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op de (water)bodem
Volgende maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op de (water)bodem worden getroffen:
-
a.
om negatieve effecten op landbodem te voorkomen, wordt verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd ter plaatse van windturbines 1, 2, 4 en 6 en de locaties waar kabels en wegen komen voor deze turbines;
-
b.
om negatieve effecten op waterbodem te voorkomen wordt verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN5720 uitgevoerd ter plaatse van de watergangen tussen de wegen en agrarische percelen.
4.1.4 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op water
Om negatieve effecten door bemaling in de uitvoeringsfase op grondwateronttrekking te voorkomen wordt voorafgaand aan de realisatie van het windpark een bemalingsadvies opgesteld binnen de kaders van de Waterschapsverordening van het waterschap Rivierenland.
4.2 Maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen
4.2.1 Maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op natuur
Om negatieve effecten op de natuur te compenseren worden maatregelen genomen. Dit betreffen maatregelen ten aanzien van het leefgebied van beschermde soorten.
|
Aspect |
Totaal te compenseren |
Voorwaarden voor compensatie |
|
Aantasting leefgebied grutto |
11 ha |
de compensatieopgave wordt gerealiseerd vóór de aanleg van het windpark Echteld-Lienden van start gaat, volgens de uitgangspunten zoals hieronder geformuleerd. |
Uitgangspunten voor het compensatiegebied die gehanteerd moeten worden zijn:
-
●
Het gebied is in potentie geschikt of geschikt te maken voor grutto’s;
-
●
In de ruime omgeving van de compensatielocatie (binnen maximaal 4 km) is een populatie weidevogels aanwezig;
-
●
De compensatie dient binnen of aansluitend aan de provinciaal aangewezen weidevogelgebieden binnen de provincie Gelderland gerealiseerd te worden;
-
●
De compensatie dient in een aangesloten gebied te worden gerealiseerd;
-
●
Het compensatiegebied voldoet in zijn totaliteit aan de randvoorwaarden van Tabel 5;
-
●
Er worden ‘zware’ beheerpakketten ingesteld met rustperiode vanaf 1 april tot wanneer de vogels uitgebroed zijn en geen kuikens aanwezig zijn, indien nodig gecombineerd met kuikenvelden. In de notitie Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden is dit nader geduid (zie bijlage VII);
-
●
Indien plasdras reeds aanwezig is binnen een straal van 2 km vanaf de compensatielocatie, dan is het niet nodig om dit te realiseren;
-
●
Voorafgaand aan de start van de bouw is de compensatie op de gekozen locatie ingericht;
-
●
Bij tussentijdse wijziging van de locatie dan wel van de inrichting of beheer van het compensatiegebied gedurende de looptijd (30 jaar) dient een nieuw compensatieplan opgesteld te worden die voldoet aan de voorwaarden die in deze notitie zijn opgenomen.
|
Fase |
Functie gebied in fase |
Benodigd habitat |
|
Aankomstfase (februari-maart) |
Foerageren volwassen ouder-dieren |
Vochtig grasland en plasdras |
|
Vestigings- en nestfase (maart-april) |
Nestelen; zoeken van geschikt broedgebied |
Graslanden met hoge grondwaterstanden (bij voorkeur 20-40 cm beneden maaiveld in april); openheid (>200 m van bomen, >100 m lokale wegen, >250 m bebouwing) |
|
Broedfase (april-mei) |
Broeden |
Grasland zonder maaibeheer en beweiding, tot vogels zijn uitgebroed; grasland zoveel mogelijk vrij van predatoren |
|
Kuikenfase (mei-juni) |
Foerageren kuikens |
Kruidenrijk grasland met voldoende voedsel (insecten) en geen verstoring, geen maaibeheer. |
|
Voorbereiding trekfase (juni-augustus) |
Foerageren volwassen ouder-dieren en kuikens |
Vochtig grasland en plasdras |
4.2.2 Overige maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op water
Volgende overige maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op water worden getroffen:
Hoofdstuk 5 Integraal besluit
5.1 Projectbesluit geldt als omgevingsvergunning
Lid 1: Omgevingsvergunning activiteiten windpark
Dit projectbesluit geldt voor het windpark met zeven windturbines, binnen de bandbreedte van 5,5 tot 7,2 MW per turbine, een ashoogte van 130 tot 175 meter, een rotordiameter van 160 tot 175 meter en een tiphoogte van 210 tot 255 meter, voor een tijdelijke termijn van 30 jaren na commerciële ingebruikname[1], op grond van het bepaalde in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als omgevingsvergunning:
-
a.
bouwactiviteit conform artikel 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.1 gelden;
-
b.
omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken conform artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.2 gelden;
-
c.
milieubelastende activiteit conform artikel 5.1 lid 2 onder b Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.3 gelden;
-
d.
flora- en fauna activiteit conform artikel 5.1 lid 2 onder g Omgevingswet, voor het overtreden van de verbodsbepalingen genoemd in tabel 8, waarbij de voorschriften van 5.1.4 gelden.
|
Soort |
Verbod |
Betreft |
Belang1) |
|
Vogels |
|
|
|
|
Aalscholver |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Bergeend |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Blauwe reiger |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Boerenzwaluw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Boompieper |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Boomvalk |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Bosrietzanger |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Brandgans |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Buizerd |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Fitis |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Gaai |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Gele kwikstaart |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Gierzwaluw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Goudhaan |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grasmus |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Graspieper |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grauwe gans |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grauwe vliegenvanger |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Groenling |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grote gele kwikstaart |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grote zilverreiger |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Heggenmus |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Holenduif |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Houtduif |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Houtsnip |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Huiszwaluw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kauw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kievit |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kleine karekiet |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kleine mantelmeeuw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kneu |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kokmeeuw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kolgans |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Koolmees |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Koperwiek |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Krakeend |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kramsvogel |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Kuifeend |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Meerkoet |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Merel |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Oeverloper |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Oeverzwaluw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Ooievaar |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Pimpelmees |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Putter |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Rietgors |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Rietzanger |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Roodborst |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Sijs |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Smient |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Sperwer |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Spreeuw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Stormmeeuw |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Tafeleend |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Tapuit |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Tjiftjaf |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Toendrarietgans |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Torenvalk |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Tuinfluiter |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Tureluur |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Veldleeuwerik |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Vink |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Visdief |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Waterhoen |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Watersnip |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Wilde eend |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Winterkoning |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Wintertaling |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Witgat |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Witte kwikstaart |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Wulp |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Zanglijster |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Zwarte mees |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Zwartkop |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen |
A |
|
Grutto |
Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal en artikel 11.37 lid 1 onder b en d Bal |
a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; en b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van die vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; en; d. het opzettelijk storen van die vogels |
A |
|
Vleermuizen |
|
|
|
|
Gewone dwergvleermuis |
Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal |
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
B |
|
Laatvlieger |
Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal |
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
B |
|
Ruige dwergvleermuis |
Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal |
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
B |
|
Rosse vleermuis |
Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal |
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
B |
|
Zoogdieren |
|
|
|
|
Steenmarter |
Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal |
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
C |
|
Bunzing |
Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal |
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; |
C |
|
Hermelijn |
Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal |
b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. |
C |
|
Wezel |
Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal |
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; |
C |
|
|||
Lid 2: Omgevingsvergunning activiteiten onderstation
Dit projectbesluit geldt voor het onderstation voor een tijdelijke termijn van 35 jaar na commerciële ingebruikname op grond van artikel 5.52, tweede lid, onder a van de Omgevingswet als vergunning:
5.1.1 Voorschriften omgevingsvergunning bouwactiviteit windpark
De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning bouwactiviteit voor het windpark is opgenomen in bijlage II.
Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub a genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften:
1 Gegevens en bescheiden
-
Op basis van de voorschriften hieronder dienen nog gegevens en bescheiden verstrekt te worden. Hiervoor geldt dat deze uiterlijk 12 weken voor aanvang van de werkzaamheden ingediend worden ter goedkeuring bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart nadat goedkeuring door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen is afgegeven.
In aanvulling op 1 moet minimaal 3 maanden voor de start van de bouw -na selectie van de turbineleverancier- het TNO radaronderzoek zijn geactualiseerd en ter goedkeuring zijn aangeboden aan Defensie. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart na goedkeuring van Defensie.
Een afschrift van de brief aan Defensie met het verzoek dient te worden gestuurd aan de Omgevingsdienst Regio Nijmegen.
2 Constructie
-
Ten behoeve van de constructie moeten de volgende gegevens en bescheiden worden ingediend:
-
a.
Geotechnisch rapport met een beschouwing van de volgende onderdelen:·
-
b.
Gewichtsberekening, waarin opgenomen:
-
c.
Stabiliteitsberekening;
-
d.
Palenplan, waarop aangegeven:·
-
e.
Overzichtstekening van de fundering;
-
f.
Wapeningsberekeningen en-tekeningen van in het werk gestorte of prefab funderingsbalken, -stroken, –poeren en -palen;
-
g.
Wapeningsberekeningen en – tekeningen van in het werk gestorte en geprefabriceerde betonconstructies;
-
h.
Detailberekeningen en – tekeningen van staal-, hout-, steen- en glasconstructies;
-
i.
Detailberekeningen en –tekeningen van verbindingen en verankeringen van beton-, staal-, hout- en glasconstructies;
-
j.
Berekening van de brandwerendheid van beton-, staal-, steen-, hout- en glasconstructies;
-
k.
Berekeningen en tekeningen van de fundering van de bouwkraan.
3 Brandveiligheid
-
Verstrekken van gegevens waaruit de bluswatervoorziening blijkt, de bereikbaarheid voor hulpdiensten en een opstelplaats voor brandweervoertuigen;
Volgens het artikel 4.17 van het Bbl hebben de eisen aan de sterkte van de bouwconstructie bij brand betrekking op het brandcompartiment waar het niet brandt. Nu is de aanname dat de windturbines niet in meerdere brandcompartimenten worden opgedeeld. Initiatiefnemer dient informatie op tekening te plaatsen waaruit blijkt dat deze aanname juist is. In dat geval is er ook geen eis aan de sterkte van de bouwconstructie van de windturbine bij brand.
De trap, de bordessen van de trap en de trapleuning moeten voldoen aan artikelen 4.26 t/m 4.28 van het Bbl. Er zijn nog geen tekeningen met de trap, trapbordessen en trapleuning ingediend ter beoordeling. Deze dienen alsnog te worden ingediend. De afmetingen van de trap moeten voldoen aan tabel 4.46 van het Bbl. De trap sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m (trapbordes). De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.
Initiatiefnemer dient op tekening aan te geven aan welke brand- en rookklassen moet worden voldaan. Constructiematerialen moeten voldoen aan e vereiste brand- en rookklassen volgens de artikelen 4.43, 4.44 en 4.45 Bbl;
Afhankelijk van de grootte van het gebruiksoppervlakte dient voldaan te worden aan de eisen van brandscheiding(en) uit het Bbl;
In overeenstemming met artikel 4.215 van het Bbl moet een vluchtrouteaanduiding in de verkeersroute van de gondel via de trap naar buiten aanwezig zijn. Dit zal duidelijk worden aangegeven op de in te dienen tekeningen.
4 Bouwveiligheidsplan
-
In afwijking van de termijn gesteld onder Voorschrift 1 Gegevens en bescheiden moet een bouwveiligheidsplan tenminste drie weken vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden ingediend zijn bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Dit bouwveiligheidsplan moet de volgende onderdelen bevatten:
-
a.
ten minste een tekening waaruit de bouwinrichting blijkt met:
-
○
de toegang tot de bouw- of sloopplaats inclusief begrenzing, afscheiding en afsluiting van de bouw- of sloopplaats;
-
○
de ligging van het perceel waarop gebouwd wordt en de omliggende wegen en bouwwerken;
-
○
de situering van het te bouwen bouwwerk;
-
○
de aan- en afvoerwegen;
-
○
de laad-, los- en hijszones;
-
○
de plaats van bouwketen;
-
○
de in of op de bodem van het perceel aanwezige leidingen;
-
○
de plaats van machines, werktuigen en ander hulpmaterieel en opslag van materialen;
-
○
de bereikbaarheid van bluswater- en andere veiligheidsvoorzieningen; ·gegevens en bescheiden over de toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligings-middelen bij
-
○
-
b.
gegevens en bescheiden over de toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouw- of sloopwerkzaamheden;
-
c.
een rapport van een akoestisch onderzoek, indien aannemelijk is dat de dagwaarde vanwege het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden meer bedraagt of de maximale blootstellingsduur in dagen langer duurt dan de waarden zoals gesteld in het Bbl;
-
d.
een rapport van een trillingenonderzoek, indien aannemelijk is dat het uitvoeren van de·bouw- of sloopwerkzaamheden een grotere trillingssterkte veroorzaakt dan de trillingssterkte zoals gesteld in het Bbl;
5.1.2 Voorschriften omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken windpark
De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken voor het windpark is opgenomen in bijlage II.
Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub b genoemde activiteit gelden geen voorschriften.
5.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit windpark
De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning milieubelastende activiteit voor het windpark en bijhorende definities zijn opgenomen in bijlage III
Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub c genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften:
1 Afvalstoffen
-
Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:
De overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
Daarnaast dient op grond van hoofdstuk 19 van de Omgevingswet direct melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag via het provinciale meldloket www.milieuklachtgelderland.nl, of via het telefoonnummer 026-377 1800. Deze verplichte melding geldt niet enkel voor afval wat zich buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit heeft verspreid, maar ook voor ieder ander ongewoon voorval waarbij er gevolgen zijn voor de omgeving.
2 (Externe) Veiligheid
-
Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines.
Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld.
Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven.
Aan het voorgaande voorschrift wordt voldaan indien voor de windturbine een certificaat is afgegeven door een certificerende instantie waaruit blijkt dat de windturbine voldoet aan deze regels.
De certificerende instantie is geaccrediteerd voor het afgeven van certificaten, overeenkomstig de norm bedoeld in het voorgaande voorschrift bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende instantie die erkend is door een andere staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification.
3 Geluid
Lden en Lnight:
Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Meet- en rekenmethode geluid windturbines.
De geluidbelasting van alle windturbines van Windpark Echteld-Lienden samen moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van geluidsgevoelige objecten.
Uiterlijk 3 maanden voor de start van de bouw van de windturbines moet aan het bevoegd gezag meegedeeld worden welk type windturbine gerealiseerd wordt. Hierbij dient een akoestisch rapport te worden overgelegd waarin de geluidbelasting op de gevel van geluidsgevoelige objecten wordt weergegeven. Bij de berekening wordt stilstand als gevolg van mitigatie voor slagschaduw en de flora- en fauna activiteit niet betrokken. Uit het rapport moet blijken dat aan voorschrift 3 Geluid onder 2 wordt voldaan.
Uiterlijk 6 maanden na de commerciële ingebruikname van het windpark moet door vergunninghouder door middel van een bronsterktemeting worden beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de door de fabrikant verstrekte gegevens. Voor uitvoering van de bronsterktemeting wordt de standaard meetmethode als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines of de IEC 61400-11 methode toegepast. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting.
Jaarlijks voor 1 maart moet door vergunninghouder door middel van berekening van de jaargemiddelde bronsterkte over het voorgaande kalenderjaar worden aangetoond dat aan de geluidnormen, bedoeld in voorschrift 3 Geluid onder 2, is voldaan.
Het akoestisch onderzoek, bedoeld in voorschriften 3 Geluid onder 3 en 4, bevat de volgende gegevens:
-
●
de naam van de opdrachtgever van het onderzoek;
-
●
de naam van de instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd;
-
●
de datum van het onderzoek;
-
●
de aanleiding en het doel van het onderzoek;
-
●
de gegevens waarmee wordt aangetoond dat de betreffende situatie valt binnen het toepassingsbereik van de gebruikte methode;
-
●
indien een andere methode dan die is opgenomen in deze regeling wordt gebruikt, wordt de noodzaak daarvan aangegeven en wordt de toegepaste methode beschreven en verantwoord;
-
●
indien een rekenmethode wordt toegepast, alle ingevoerde gegevens en tevens de geraadpleegde windfrequentiegegevens;
-
●
één of meer kaarten of tekeningen op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt gegeven van bestaande of voorgenomen windturbines en van geluidsgevoelige objecten waarop het akoestisch onderzoek betrekking heeft;
-
●
de waarneempunten;
-
●
de situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de doorgerekende geluidsbeperkende of afschermende maatregelen, zowel op oorspronkelijk kaartmateriaal als in de vorm van de geschematiseerde computerinvoer;
-
●
de situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de overige geluidsreflecterende en -afschermende objecten of constructies;
-
●
de scheidingslijn of scheidingslijnen tussen akoestisch harde en zachte bodemvlakken, met een aanduiding van de aard van de bodem;
-
●
in akoestisch gecompliceerde situaties, een grafische weergave van de bij de berekeningen gehanteerde geometrische invoergegevens;
-
●
de bestaande en toekomstige geluidsbelastingen vanwege een windturbine of een combinatie van windturbines van de gevel van een geluidsgevoelig object voor de situatie waarin geen maatregelen zijn genomen ter vermindering van de geluidsemissie of ter beperking van de geluidsoverdracht.
Ten behoeve van de berekening en het akoestisch onderzoek, bedoeld in voorschriften 3 geluid onder 5 en 6, wordt bij de bepaling van de geluidsbelasting van de combinatie van windturbines rekening gehouden met:
-
●
de over een kalenderjaar energetisch gemiddelde bronsterkte volgens de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, en met gebruikmaking van het door het KNMI aangeleverde langjarig gemiddelde windprofiel op ashoogte, tenzij wordt aangetoond dat gegevens beschikbaar zijn die een beter beeld geven van de geluidsemissie van de combinatie van windturbines;
-
●
de invloed van de omgeving en de meteorologische omstandigheden op de geluidsoverdracht van de combinatie van windturbines naar het immissiepunt.
Indien de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege de combinatie van windturbines plaatsvindt op de gevel van een geluidsgevoelig object, bevindt het immissiepunt zich op het punt van de gevel, waar de geluidsbelasting het hoogst is.
Van de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken indien aannemelijk wordt gemaakt dat de toe te passen afwijking:
-
●
een belangrijke tijdbesparing of kostenbesparing oplevert en in de betreffende situatie nagenoeg even nauwkeurig is;
-
●
in de betreffende situatie belangrijk nauwkeuriger is, of
-
●
voldoende nauwkeurig is en de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, in de betreffende situatie niet leidt tot een voldoende representatieve geluidsbelasting.
Indien de gegevens over het, van de windsnelheid afhankelijke, bronvermogen van de combinatie van windturbines niet of niet volledig beschikbaar zijn, wordt dit bepaald volgens de methode, bedoeld in hoofdstuk 1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines
Indien in het kader van handhaving wordt beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de in het akoestisch onderzoek gebruikte waarden, wordt de methode, bedoeld in paragraaf 1.6 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines.
Vergunninghouder registreert de volgende gegevens:
-
●
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 2.4.1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar, en
-
●
de voor de duur van een handhavingsmeting, als bedoeld in paragraaf 1.6 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte.
Maximaal optredend equivalent geluidniveau LAeq:
Het 1-minuutgemiddelde geluidsniveau (LAeq,1min), gemeten op een afstand gelijk aan de grootste toegestane tiphoogte van de windturbine, zijnde 255 m, bedraagt niet meer dan 46 dB(A). Dit betreft het totale A-gewogen geluidniveau, inclusief correctie voor drukverdubbeling als gevolg van meting op reflecterende plaat.
Geluidmetingen voor vaststelling van het LAeq, 1min geluidniveau worden uitgevoerd conform de standaard meetmethode uit de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, met de volgende aanpassingen:
-
●
In afwijking van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines volstaat een zesvoudige meting van ten minste 1 minuut.
-
●
Indien aannemelijk is dat geen sprake is van relevant stoorgeluid, hoeft de correctie voor stoorgeluid niet te worden toegepast.
-
●
Indien de gerealiseerde windturbines een kleinere tiphoogte hebben dan maximaal toegestaan wordt in zoverre van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines afgeweken dat de horizontale afstand van het meetpunt tot de verticale hartlijn van de windturbine groter is dan de tiphoogte.
Tonaal laagfrequent geluid
In het bereik van 20 Hz tot en met 150 Hz mogen geen tonen voorkomen die meer dan 15 dB boven de ruisvloer uitkomen. Dit wordt vastgesteld met behulp van een immissiemeting conform methode II.1 uit de Handreiking meten en rekenen industrielawaai (HMRI), zij het dat deze meting ongewogen plaatsvindt. De meting wordt uitgevoerd op een immissiepunt bij nabijgelegen gevoelig(e) object(en) gevolgd door een spectrale analyse (FFT) van die meting met een bingrootte kleiner of gelijk aan 0,2 Hz. De meting moet binnen 6 maanden na de commerciële ingebruikname van het windpark worden uitgevoerd. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting.
Indien tonaliteit is aangetoond, geldt er een toeslag van 5 dB op het jaargemiddelde geluidniveau Lden en dienen de windturbines te worden teruggeregeld totdat de tonaliteit is weggenomen.
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek, bedoeld in voorschrift 3 Geluid onder 16, en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het onderzoek gaan plaatsvinden. Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
4 Slagschaduw
-
Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig object. Dit voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van slagschaduwgevoelige objecten ramen bevinden. De slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine, wordt niet meegerekend. De windturbine dient uitgerust te zijn met een voorziening die bijhoudt waar en wanneer slagschaduw optreedt alsmede de tijd dat slagschaduw heeft plaatsgevonden. Deze informatie dient ten minste vijf jaar te worden bewaard. Op verzoek overlegt de vergunninghouder een overzicht daarvan aan het bevoegd gezag.
Begrippenlijst
Voor de toepassing van de voorschriften in 5.1.3 worden onderstaande begrippen gehanteerd. Voor begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij aan de definities zoals opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals Bal, Bkl, Ob, et cetera).
|
Begrip |
Definitie |
|
Afvalwater |
Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. |
|
BBT |
Best Beschikbare Techniek genoemd in een BBT document. |
|
Commerciële ingebruikname |
De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). |
|
Hemelwater |
Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel |
|
Lden |
De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. |
|
Lnight |
De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. |
|
MER |
Milieueffectrapportage. |
|
Meet- en rekenmethode geluid windturbines |
De meet- en rekenmethode geluid windturbines beschrijft de methode om de geluidsbelasting in de omgeving ten gevolge van windturbines en windturbineparken te bepalen. Het betreft de versie die als bijlage IVi is opgenomen bij de Omgevingsregeling. |
|
Slagschaduw |
Er is sprake van slagschaduw als de ingestraalde energie van de zon die bij het bewegen van de rotor van een windturbine slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw veroorzaakt, op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon hoger is dan 120 W/m2. |
|
Slagschaduwgevoelig object |
Ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen), voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). |
|
Verkeersbeweging |
Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. |
5.1.4 Voorschriften omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit windpark
De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning flora- en faunactiviteit is opgenomen in bijlage IV.
Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub d genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften:
1 Algemene voorschriften
-
De omgevingsvergunning geldt voor het 'projectgebied'.
De omgevingsvergunning geldt voor de aanlegfase (voor de periode januari 2025 tot en met december 2029) en de gebruiksfase van het windpark, die is voorzien voor een periode van 30 jaar (maximaal tot 1 september 2060).
De omgevingsvergunning geldt uitsluitend voor de soorten, verboden en belangen, zoals genoemd in 5.1 sub d tabel 7.
De vergunninghouder neemt direct contact op met de provincie Gelderland indien er verbodsbepalingen worden overtreden waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Dit kan het geval zijn als er negatieve effecten optreden op soorten waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend of als er onverwachte negatieve effecten van de activiteiten optreden. Dit kan via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313.
Deze omgevingsvergunning kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de vergunninghouder (Windpark Echteld Lienden B.V.) of in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van deze omgevingsvergunning.
De in voorschrift 1 Algemene voorschriften onder 5 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de activiteiten van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd over een (digitale) kopie van deze omgevingsvergunning, en tonen deze op verzoek aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren.
De in voorschrift 1 Algemene voorschriften onder 5 genoemde (rechts)personen zijn op de hoogte van de inhoud en het doel van deze omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.
Indien de vergunninghouder de omgevingsvergunning in zijn geheel wil overdragen dan dient voor deze naamswijziging toestemming te worden gevraagd bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313.
Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden moet melding worden gedaan bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313.
De voorgenomen werkzaamheden tijdens de aanlegfase worden uitgevoerd met in achtneming van de maatregelen, zoals opgenomen in het Ecologisch werkprotocol en op aanwijzing van de ecologisch deskundige[2] op het gebied van vogels, vleermuizen en (kleine) marterachtigen.
Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden wordt door de vergunninghouder een ondertekende opdrachtbevestiging van de ecologische begeleiding verstrekt aan de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313. In de opdrachtbevestiging wordt een omschrijving van de ecologische begeleiding, de naam en het telefoonnummer van de ecologisch deskundige vermeld.
Vanaf het moment dat verstorende werkzaamheden tijdens de aanlegfase plaatsvinden is de vergunninghouder ervoor verantwoordelijk dat de ecologisch deskundige tijdens de ecologische begeleiding alle bevindingen bijhoudt in een logboek. In het logboek wordt vermeld op welke data de deskundige aanwezig was, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en begeleid, en hoeveel exemplaren en verblijfplaatsen van welke beschermde soorten op welke locatie zijn waargenomen. Tevens worden er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen opgenomen in het logboek. Het logboek moet altijd aanwezig zijn op de projectlocatie en wordt door de vergunninghouder op verzoek van een toezichthouder direct overhandigd.
2 Soortspecifieke voorschriften
-
Alle maatregelen zoals genoemd in 4.1.2, tabel 3 moeten worden uitgevoerd.
Teneinde het jaarlijks aantal slachtoffers onder vleermuizen, met name de rosse vleermuis, te minimaliseren, dienen de turbines voorzien te worden van een stilstandvoorziening (SVZ) tijdens de gehele gebruiksfase. De SVZ houdt in dat de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines verlaagd wordt tot 1 rpm of minder onder de volgende specifieke omstandigheden (die tegelijkertijd aan de orde moeten zijn):
Indien ’s nachts werken bij aanleg- en mogelijke onderhoudswerkzaamheden onontkoombaar is, dan dient er – in de actieve periode van vleermuizen tussen half maart en 1 november – gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijk licht om verstoring bij vleermuizen (passerend en foeragerend) – zoveel mogelijk – te voorkomen.
Gedurende de eerste drie jaar na ingebruikname van de turbines moet de activiteit en migratie van vleermuizen gemonitord worden middels akoestische monitoringsmiddelen (zoals een batdetector) op gondelhoogte. Ook wordt conform het landelijke monitoringsprotocol voor windparken gemonitord op aanvaringsslachtoffers en wordt de activiteit en gebruik van het leefgebied in de omgeving van het projectgebied gemeten. De resultaten worden jaarlijks met de provincie Gelderland gedeeld. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze gecombineerde monitoring kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd, echter uitsluitend in afstemming met de provincie Gelderland.
De nadere uitwerking van de monitoring voor vleermuizen wordt beschreven in een monitoringsprotocol, dat minimaal 1 maand voorafgaand aan de start van de gebruiksfase van het windpark aan de provincie Gelderland ter goedkeuring wordt overlegd. De resultaten van de monitoring worden na afloop van de monitoringsperiode, jaarlijks voor een periode van in totaal 3 jaar, gedeeld met het bevoegd gezag.
Om de sterfte van grutto in de gebruiksfase te reduceren en daarmee een negatief effect op de populatie te voorkomen is een SVZ voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden om te verzekeren dat deze effectief is:
-
a.
Alle drie de windturbines ten noorden van de rijksweg A15 dienen te worden uitgerust met een SVZ;
-
b.
De periode waarin de SVZ actief dient te zijn, is van half maart tot en met eind mei, gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang);
-
c.
Op basis van nader ecologisch onderzoek naar wijzigingen in het voorkomen van de grutto in en rond het projectgebied kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd, mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland;
-
d.
Op basis van nadere ontwikkelingen ten aanzien van camera- of radardetectie van de grutto en toepassing daarvan op windturbines, kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd in die zin dat in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland om in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken.
Om de kans op sterfte van de zeearend weg te nemen is een SVZ voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden:
-
a.
Omdat vliegbewegingen van de zeearend in potentie in het gehele projectgebied kunnen plaatsvinden, worden alle windturbines uitgerust met een SVZ, die het gehele jaar in werking moet kunnen zijn;
-
b.
Vóór het moment van ingebruikname van het windpark dient een protocol voor de aansturing van de SVZ via camera- of radardetectie door de provincie te zijn goedgekeurd;
-
c.
In afwijking van sub b mag het windpark in gebruik worden genomen bij afwezigheid van een door de provincie goedgekeurd protocol voor camera- of radardetectie door de SVZ in te vullen op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag etc.).
Aangezien door het geplande windpark 11 ha leefgebied van de grutto negatief wordt aangetast, dient een vergelijkbaar oppervlak (11 ha) ingericht en beheerd te worden als een volwaardig leefgebied van de grutto (zie compenserende maatregelen in 4.2.1).
Het aan te leggen compensatiegebied dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:
-
a.
Het vervangende leefgebied wordt voorafgaande aan de aanleg van het windpark aangelegd;
-
b.
Voorafgaande aan de ingebruikname van het compensatiegebied dient een compensatieplan ingediend te zijn bij de provincie Gelderland, met daarin een beschrijving van de inrichtings- en beheermaatregelen, overzicht van contracten met grondgebruikers, overzicht van toezicht en handhavingsinspanningen en beschrijving van de monitoringsinspanningen;
-
c.
Vóór eind december van elk kalenderjaar moet een monitoringsrapport, waarin de ontwikkelingen in het compensatiegebied beschreven worden, gestuurd worden naar de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer van dit besluit;
-
d.
De inrichting dient plaats te vinden onder leiding van een ecologisch deskundige op het gebied van weidevogels;
-
e.
Het compensatiegebied is in potentie geschikt of geschikt te maken voor grutto’s;
-
f.
In de ruime omgeving van het compensatiegebied (binnen maximaal 4 km) is ten tijde van de aanleg van het compensatiegebied een populatie weidevogels aanwezig;
-
g.
Op het moment van aanleg van het compensatiegebied moet dit binnen of aansluitend aan de provinciaal aangewezen weidevogelgebieden binnen de provincie Gelderland gerealiseerd worden;
-
h.
Indien de compensatie plaatsvindt binnen een bestaand weidevogelgebied, dienen de af te sluiten contracten betrekking te hebben op percelen waarvoor op dit moment geen beheerovereenkomsten zijn afgesloten;
-
i.
De compensatie dient in een aangesloten gebied te worden gerealiseerd;
-
j.
Het compensatiegebied voldoet in zijn totaliteit aan de randvoorwaarden van tabel 1 uit de notitie “Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden van Waardenburg Ecology, 2025” (zoals opgenomen in bijlage VII);
-
k.
Er worden ‘zware’ beheerpakketten ingesteld met rustperiode vanaf 1 april tot het moment dat de vogels uitgebroed zijn en geen kuikens meer aanwezig zijn, indien nodig gecombineerd met de realisatie van kuikenvelden;
-
l.
Indien een gebied met plasdras reeds aanwezig is binnen een straal van 2 km vanaf het compensatiegebied, dan is het niet nodig om dit te realiseren;
-
m.
Bij tussentijdse wijziging van de compensatielocatie danwel van de inrichting of beheer daarvan gedurende de looptijd (30 jaar) dient een nieuw compensatieplan opgesteld te worden dat voldoet aan de voorwaarden die in de notitie “Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden van Waardenburg Ecology, 2025 (zoals opgenomen in bijlage VII).
De heiwerkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (1 maart tot 1 september) uitgevoerd worden. Heiwerkzaamheden mogen alleen overdag (tussen zonsopgang en zonsondergang) uitgevoerd worden.
De aanleg van het windpark (uitgezonderd de heiwerkzaamheden), dient bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels (1 maart tot 1 september) plaats te vinden. Als er toch in het broedseizoen gewerkt moet worden (uitgezonderd de heiwerkzaamheden), dan moet er eerst een veldcheck uitgevoerd worden en zal, voorafgaand aan het broedseizoen het gebied ongeschikt worden gemaakt (kort maaien van de aanwezige vegetatie tot max. 10 cm boven maaiveld) om te voorkomen dat er alsnog vogels tot broeden komen. Tijdens de aanlegfase zal er volgens een ecologisch werkprotocol gewerkt worden
Om effecten op de aanwezige jaarrond beschermde nesten in (de omgeving van) het projectgebied in de aanlegfase te voorkomen, moeten alle werkzaamheden (inclusief aanvoer- en transportactiviteiten) plaatsvinden op een minimale afstand van 75 meter van deze nesten. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een veldcheck plaatsvinden en kunnen afwijkingen van de genoemde 75 plaatsvinden op aanwijzing van de begeleidend ecoloog.
Om schadelijke handelingen tijdens de aanlegfase te voorkomen worden voortplantings- of rustplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel in de kwetsbare periode maart- augustus ontzien. Dit op aanwijzing van de ecologisch deskundige.
Om voldoende aanbod aan verblijfplaatsen én foerageergebied te waarborgen wordt in het leefgebied van de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel vooraf (aansluitend op bestaande structuren, op logische plekken, zoals langs de greppels en in bermen) takkenrillen, houtstapels, ruig grasland of andere plekken met schuilmogelijkheden aangebracht. 50.000m2 dient voorafgaand aan de aanleg van het windpark functioneel gemaakt te worden voor deze soorten.
De deskundige zoals genoemd in 1 Algemene voorschriften onder 10 begeleidt in elk geval het plaatsen of aanbrengen van mitigerende maatregelen.
Versnippering van leefgebied van (mogelijk) aanwezige soorten wordt voorkomen door geen hekken langs de werkwegen te plaatsen.
De werkzaamheden tijdens de aanlegfase mogen niet eerder starten nadat door een ecologisch deskundige vooraf in het veld een controle is uitgevoerd, waaruit blijkt dat er geen nesten in gebruik zijn of andere beschermde diersoorten in het projectgebied gedood en/of verstoord kunnen worden bij uitvoering van de werkzaamheden (red: natuurvrijverklaring).
5.1.5 Voorschriften omgevingsvergunning bouwactiviteit onderstation
De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning bouwactiviteit voor het onderstation is opgenomen in bijlage V.
Voor de uitvoering van de in 5.1, tweede lid, sub a genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften:
-
-
Op basis van de voorschriften hieronder dienen nog gegevens en bescheiden verstrekt te worden. Gegevens en stukken moeten uiterlijk zes weken voor aanvang van de werkzaamheden zijn ingediend ter goedkeuring bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, tenzij hieronder anders aangegeven. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart nadat goedkeuring door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen is afgegeven;
Ten behoeve van de constructie moeten de volgende gegevens en bescheiden worden ingediend:
-
1.
Geotechnisch rapport met een beschouwing van de volgende onderdelen:
-
2.
Gewichtsberekening, waarin opgenomen:
-
3.
Stabiliteitsberekening;
-
4.
Overzichtstekening van de fundering;
-
5.
Wapeningsberekeningen en-tekeningen van in het werk gestorte of prefab funderingsbalken, -stroken, –poeren en -palen;
-
6.
Wapeningsberekeningen en – tekeningen van in het werk gestorte en geprefabriceerde betonconstructies;
5.1.6 Voorschriften omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken onderstation
De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken voor het onderstation is opgenomen in bijlage V.
Voor de uitvoering van de in 5.1, tweede lid, sub b genoemde activiteit geldt het volgende voorschrift:
1
De start van de bouw van het onderstation, mag slechts worden aangevangen indien de hoofdelementen van de landschappelijke inpassing ( (verbreding van) watergangen en aanleggen natuurvriendelijke oevers) zoals aangeduid op de kaart in bijlage VIII voor minimaal 80% van de aangeduide oppervlakte zijn gerealiseerd.
2
Ten minste 3 weken vóór aanvang van de aanlegwerkzaamheden als bedoeld in 1. moet een uitgewerkt landschappelijk inpassingsplan ingediend worden bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, dat ten minste bestaat uit een gemaatvoerde tekening van de bestaande situatie en een gemaatvoerde tekening van de uitgewerkte nieuwe situatie. De genoemde maatvoering betreft de afmetingen van de watergangen en de afmetingen van de aan te leggen natuurvriendelijke oevers.
5.2 Wijziging omgevingsplan
Dit projectbesluit wijzigt de omgevingsplannen van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Deze wijzigingen zien op:
-
●
het verbod om nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in de veiligheidszones van windturbines mogelijk te maken;
-
●
het verbod om graafwerkzaamheden uit te voeren in kabelstroken ten behoeve van het windpark;
-
●
het wijzigen van de functie van de woning aan de Saneringsweg 3 in IJzendoorn van ‘woning’ naar functie ‘woning met functionele binding tot het windpark’;
-
●
een vrijstelling voor uitvoeren van werken en werkzaamheden in het kader van windpark Echteld-Lienden;
-
●
de functieaanduidingen van de te saneren windturbines van windpark Echteld komen te vervallen.
De wijzigingen zijn onderdeel van de betreffende omgevingsplannen zelf en zijn opgenomen in Bijlage B en Bijlage C van het Besluit op overheid.nl.
Hoofdstuk 6 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan
6.1 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan
Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot vijf jaar na vaststelling van het projectbesluit, of, wanneer het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in het omgevingsplan van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren geen regels opgenomen die het uitvoeren van het project belemmeren.
Hoofdstuk 7 Rechtsmiddelen
7.1 Rechtsmiddelen
7.1.1
Het projectbesluit is op grond van artikel 5.46 Omgevingswet opgesteld en vastgesteld door het Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Dit besluit is tot stand gekomen met toepassing van de regels over de openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 in de Algemene wet bestuursrecht. Het definitieve projectbesluit wordt, na de proceduretijd conform afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
7.1.2
Het projectbesluit en bijlagen zijn tevens digitaal te vinden op de projectwebsite: Energiepark Echteld - Lienden (gelderland.nl).
Bijlage I Overzicht informatieobjecten
Lijst met informatieobjecten
- Bijlage II: Aanvraag bouwactiviteit windturbines
-
/join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_II_aanvraag_bouwactiviteit_windturbines_vst/nld@2025‑09‑11;2
- Bijlage III: Aanvraag milieubelastende activiteit
-
/join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_III_aanvraag_milieubelastende_activiteit_vst/nld@2025‑09‑11;2
- Bijlage IV: Aanvraag florafauna activiteit
-
/join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_IV_aanvraag_florafaunaactiviteit_vst/nld@2025‑09‑11;2
- Bijlage V: Aanvraag bouwactiviteit onderstation
-
/join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_V_aanvraag_bouwactiviteit_onderstation_vst/nld@2025‑09‑11;2
- Bijlage VI_a: Gecombineerd plan- en projectMER (incl bijlagen)
- Bijlage VI_b: Samenvatting MER.pdf
-
/join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VIb_MER_Samenvatting_totaal/nld@2025‑09‑11;2
- Bijlage VI_c: Advies reikwijdte en detailniveau MER
- Bijlage VI_d: Voorlopig toetsingsadvies MER
- Bijlage VI_e: Toetsingsadvies MER.pdf
- Bijlage VII: Compensatie leefgebied grutto.pdf
- overige parkinfrastructuur - kabelstroken
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9b112bc688d645a8993b38a121a16479/nld@2025‑09‑10;1
- overige parkinfrastructuur - onderstation
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9570405fe00d47589eb0a47c61015ecd/nld@2025‑09‑10;1
- overige parkinfrastructuur - toegangswegen
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_73ae245aa8da49739950cc5bd7ced8fd/nld@2025‑09‑10;1
- overige zone - woning met functionele binding tot het windpark
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9169ddfa874a49d89507cd29a6302378/nld@2025‑09‑10;1
- permanent ruimtebeslag - windpark
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_a37302ea17f04fcba1d96331c4699f5e/nld@2025‑09‑10;1
- projectgebied
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_f7be01974e3847129f49932e71c2c7ac/nld@2025‑09‑10;1
- te saneren windturbines
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_014dc92b28aa4e25a1301e95068feb06/nld@2025‑09‑10;1
- tijdelijk ruimtebeslag - windpark
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_85fe80cf358a46a1bb6c468128a6969f/nld@2025‑09‑10;1
- tijdelijke bouwwegen
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_0af82fd038034c67a14fe2e8caf1fa86/nld@2025‑09‑10;1
- tijdelijke verharding
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_1b91acb5196047fe9bcc7850a56513f6/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine - middelpunt mast
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_1f5f46f432c449f1b78fa69c08baf49b/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine - opstelplaats
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_16baf8ffd00b4c21a0bc342676a5e767/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine - schuifruimte middelpunt mast
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9a996d1e07344ee7978dd2c58d298c16/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine - veiligheidszone
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_3282067dc4234177853d618181d7ae60/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine - vrijwaringszone
-
/join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_2459f1fc97b146479788c55da4dd144b/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 1
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_05bebfa988de4988aaa012c8c0dd4d1c/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 2
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_472a6be7e57446f9b14cbc701aa64bbd/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 3
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_21ce0646768c45f087dab0bbca615c4e/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 4
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_4019f7fc9fc04c4aa5d93db2f577eeaa/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 5
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_dd6a49176bc9445192b84653b6291ba3/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 6
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_63008ade61fb4844b5cf51de3d6f3875/nld@2025‑09‑10;1
- windturbine 7
-
/join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_cbd80390c2934716a197343b693c583b/nld@2025‑09‑10;1
Bijlage II Onderbouwing vergunning omgevingsplanactiviteit bouwen en technische bouwactiviteit windpark
1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN?
Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteiten:
-
●
Bouwactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (technisch bouwen), art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet;
-
●
Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (ruimtelijk bouwen), art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet.
De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN WINDPARK en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER).
De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan en technisch) betreft de zeven windturbines voor een duur van 30 jaar. De zeven windturbines en een onderstation maken onderdeel uit van het te realiseren Windpark Echteld-Lienden en zijn gelegen bij de A15 in het gebied ten noordoosten van de kern Echteld en ten zuiden van de kern Lienden in de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Het type windturbine wordt in een later stadium gekozen. De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
2 BOUWACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (TECHNISCH BOUWEN)
2.1 Wat staat er in de wet?
In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet).
Een omgevingsvergunning voor een “bouwactiviteit” (de technische bouwvergunning), voor zover die ziet op het ziet op het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk, wordt alleen verleend als aannemelijk is dat er wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 8.3b lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving).
2.2 Toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (en eventuele maatwerkregels in het omgevingsplan)
Op basis van de informatie bij het projectbesluit, is het aannemelijk dat het bouwplan, onder voorschriften, voldoet aan de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (en, voor zover van toepassing, aan maatwerkregels in het omgevingsplan). De aan deze vergunning gekoppelde voorschriften zijn opgenomen in 5.1.1 van de Regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden.
3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (RUIMTELIJK BOUWEN)
3.1 Wat staat er in de wet?
In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet).Een omgevingsplanactiviteit is, kort gezegd, een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten maar ook elke activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
In de “Bruidsschat” staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (art. 22.26 Bruidsschat). De regels van de Bruidsschat zijn te vinden in afdeling 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en maken onderdeel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan.
In artikel 22.29 van de Bruidsschat staat wanneer wij een aanvraag omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwen” verlenen. De vergunning wordt alleen verleend als:
-
a.
de activiteit voldoet aan de daaraan gestelde regels in het omgevingsplan. Als daar niet aan wordt voldaan dan wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving);
-
b.
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachte ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, en;
-
c.
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de bodemkwaliteit zich niet tegen de bouw en gebruik van het bouwwerk verzet.
Hieronder bespreken wij alle toetsingscriteria.
3.2 Toetsing aan de bouwregels in het omgevingsplan
Op basis van de ingediende stukken hebben wij de aangevraagde activiteit getoetst aan het omgevingsplan dat, kort gezegd, bestaat uit de regels uit de Bruidsschat en de regels uit de (voormalige) bestemmingsplannen op de locatie:
Windturbines boven de A15:
|
Bestemmingsplan |
Bestemming |
Conclusie |
|
Bestemmingsplan Buitengebied Buren |
Art. 4 --> agrarisch. |
Windmolens zijn niet toegestaan. Windturbine 5, 6 en 7 voldoen niet aan Bestemmingsplan Buitengebied Buren |
|
Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 |
art 10 --> Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5 |
Windturbine 5 en 6: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 5000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbines 5 en 6 voldoen aan het bestemmingsplan archeologie. |
|
Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 |
art 8 --> Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 |
Windturbine 7: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 2000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbine 7 voldoet aan het bestemmingsplan archeologie. |
Windturbines onder de A15:
|
Bestemmingsplan |
Bestemming |
Conclusie |
|
Parapluplan 2023 |
geen relevante aanduidingen |
--> bevat oa regels parkeren. andere regels geen invloed. Windturbines 1, 2, 3, 4 voldoen aan het parapluplan |
|
Parapluregeling Archeologie |
art 4 Waarde-Archeologie 2 |
Windturbine 1: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 1000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbines 2, 3, 4: geen relevante aanduiding/dubbelbestemming De windturbines voldoen aan het Parapluregeling Archeologie |
|
Parapluregeling Parkeren |
geen relevante aanduidingen |
Er is voldoende parkeergelegenheid. Windturbines 1, 2, 3, 4 voldoen aan Parapluregeling Parkeren |
|
Buitengebied Dodewaard en Echteld |
art 6 --> Agrarisch met waarden - 2 |
Ter plaatse van de aanduiding 'windmolen' zijn windmolens toegestaan. Bij de nieuwe windturbines 1, 2, 3 is geen aanduiding, dus strijdig. Windturbine 1, 2 en 3 voldoen niet aan bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld. |
|
Buitengebied Dodewaard en Echteld |
art 3 --> Agrarisch |
--> windmolens zijn niet toegestaan Windturbine 4 voldoet niet aan bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld. |
Projectbesluit windpark Echteld Lienden
Voor zover het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan (zie hierboven), geldt het projectbesluit in de overgangsfase van rechtswege als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 22.16, lid 1, tweede zin, Omgevingswet). In het projectbesluit is in de gemotiveerd dat het project geen evenwichtige toedeling van functies aan locaties belemmerd. Daarmee is de planologische borging van de (bouw van de) windturbines geregeld en kan de vergunning worden verleend.
3.3 Toetsing redelijke eisen welstand
Gezien het feit dat het plan een tijdelijk bouwwerk, dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, betreft, is er geen advies van Welstand noodzakelijk. Het plan is dan ook niet getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Hierdoor hebben wij (op dit punt) geen reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren.
DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN WINDPARK
Hieronder zijn de documenten uit de aanvraag voor het bouwen van het windpark toegevoegd. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL).
|
Titel document |
Kenmerk / versiedatum |
URL |
|
Aanvraag bijlagen bouwactiviteit windturbines.pdf |
3 juli 2024 |
Het MER is afzonderlijk toegevoegd in bijlage VI.
Bijlage III Onderbouwing vergunning milieubelastende activiteit windpark
1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN?
Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteit:
De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER).
De omgevingsvergunning ziet op de milieubelastende activiteit (hierna: mba) het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter. De omgevingsvergunning is verleend met een tijdelijke termijn en geldt voor een periode van 30 jaren. Daarna moet de toestand zijn hersteld zoals die was vóór de verlening van deze omgevingsvergunning of dient de toestand te voldoen aan de dan geldende wettelijk voorgeschreven regels. Als daarvoor een omgevingsvergunning is vereist moet die zijn verleend vóór het verstrijken van de hierboven genoemde termijn.
2 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT
WAT STAAT ER IN DE WET?
In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een mba te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1, tweede lid onder b Omgevingswet).
2.1 Advies ander bestuursorgaan of instantie
In de Ow en het Omgevingsbesluit (Ob) worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 16.15, eerste lid van de Ow en afdeling 4.2 van het Ob, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
-
●
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe;
-
●
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren;
-
●
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ).
Beide colleges hebben vervolgens geen aanleiding gezien om advies uit te brengen. De VRGZ heeft op 27 mei 2024 een advies uitgebracht en daarin ten aanzien van de mba aangegeven dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het windpark.
3 TOETSING VAN DE AANVRAAG
Op basis van de ingediende stukken hebben wij het aangevraagde plan getoetst aan de regels uit het Bal.
3.1 Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op een mba als bedoeld in artikel 3.11 van het Bal. Het gaat hier om de volgende mba: het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter.
3.2 Toetsing aanvraag
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordeeld of:
-
●
milieuverontreiniging door de activiteit geïntegreerd wordt voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt;
-
●
emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door die activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
-
●
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
-
●
de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
-
●
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
-
●
energie doelmatig wordt gebruikt;
-
●
maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken;
-
●
bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig hergebruik;
-
●
het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd.
Zo nodig zijn voorschriften die daartoe strekken opgenomen in 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden.
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
Bij een aantal milieuthema’s is uitgegaan van windturbines met de afmetingen, binnen de bandbreedtes, die het meest bepalend zijn voor het betreffende thema. De afmetingen kunnen dus per thema verschillen, maar steeds is een realistische worst case inschatting gemaakt voor de effectbeoordeling.
3.3 Besluit activiteiten leefomgeving
3.3.1 Algemeen
De mba waarvoor vergunning is aangevraagd, past binnen de reikwijdte van de aanwijzing van de vergunningplicht. Daarnaast vinden binnen de locatie geen mba’s plaats, die buiten de aanwijzing van de vergunningplicht vallen.
Op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening is paragraaf 22.3.8.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) van toepassing.
3.3.2 Specifieke zorgplicht
Voor mba’s zoals omschreven in het Bal geldt naast algemene regels of een eventuele vergunningplicht een specifieke zorgplicht.
Deze specifieke zorgplicht staat in artikel 2.11 van het Bal. Hij geldt voor de mba’s die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht ook geldt voor activiteiten, waarvoor in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden voorschriften zijn opgenomen.
Artikel 2.11 van het Bal bestaat uit twee delen. Het eerste deel verplicht degene die de activiteit verricht om zorg te dragen voor bepaalde milieubelangen. Hoewel de zorgplicht een open norm is en moet blijven, wordt in het tweede deel van het artikel nader geconcretiseerd waaruit die zorgplicht in ieder geval bestaat. Dit geeft een handvat aan degene die de activiteit verricht om de vereiste zorg in te vullen. Het betreft geen uitputtende concretisering.
In het algemeen zal de specifieke zorgplicht niet overtreden worden indien de activiteit op de gebruikelijke manier wordt uitgevoerd. De specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan duidelijk is dat deze niet toegestaan kunnen worden en iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen.
Aan deze vergunning zullen geen voorschriften worden verbonden voor activiteiten of aspecten, die reeds voldoende worden gedekt door de specifieke zorgplicht. Daar waar deze volgens ons in een specifiek geval onvoldoende duidelijkheid biedt, is de specifieke zorgplicht nader ingevuld met vergunningvoorschriften. Vergunningvoorschriften zijn ook gesteld als dat verplicht is op grond van paragraaf 8.5.2 van het Bkl. Dit is in de volgende hoofdstukken per milieuaspect uitgewerkt.
3.3.3 Uitspraak Raad van State d.d. 30 juni 2021
Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: Afdeling) geoordeeld dat de bepalingen voor windturbines in paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling (hierna: windturbinebepalingen) niet meer mogen worden gebruikt als onderbouwing voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windparken, omdat voor de windturbinebepalingen in strijd met Europees recht geen milieubeoordeling is gemaakt.
Voor nieuwe windparken gelden de rijksregels voor windturbines in het Bal en Bkl (nog) niet. Dit is juridisch vastgelegd in de overbruggingsregeling. Tot de nieuwe regels voor windturbineparken in werking treden, kan het bevoegd gezag voor nieuwe windparken voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning milieu. Bij besluitvorming over het al dan niet toestaan van een windpark is nu een zelfstandige milieubeoordeling benodigd ten aanzien van de aspecten waar de windturbinebepalingen op zagen.
Op grond van de gemaakte milieubeoordeling kunnen vervolgens milieunormen worden bepaald en voorschriften voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor de mba. De voorschriften moeten worden voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering.
4 BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
4.1 Toetsingskader
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de mba voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij het verrichten van de milieubelastende activiteit ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
4.2 Concrete bepaling BBT
De aanvraag heeft geen betrekking op één of meer IPPC-installaties.
Op grond van artikel 8.10 van het Bkl moet voor het bepalen van BBT een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de informatiedocumenten over BBT, zoals opgenomen in bijlage XVIII, onder A, van het Bkl. Ook zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 8.10, tweede lid, van het Bkl.
4.3 Conclusies BBT
De milieubelastende activiteit voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
5 AFVALSTOFFEN
5.1 Preventie
Preventie van afval is één van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.
5.2 Beoordeling
De hoeveelheid afval die bij de mba vrijkomt is niet vermeld in de aanvraag. Alleen bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden komt jaarlijks een minimale hoeveelheid afval vrij. De monteur zal deze afvalstoffen weer meenemen, waardoor van opslag bij de mba geen sprake is. Gelet hierop concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
6 AFVALWATER
Binnen het windturbinepark komt alleen niet-verontreinigd hemelwater vrij. Door het plaatsen van de windturbines wordt nieuw verhard oppervlak gecreëerd. Het hemelwater stroomt over het maaiveld en infiltreert in de bodem.
In paragraaf 22.3.8.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn hiervoor regels opgenomen. Deze hebben een rechtstreekse werking.
7 BODEM, ENERGIE, GEUR EN LUCHT
Het opwekken van elektriciteit met windturbines geeft geen milieubelasting naar de bodem en lucht. Ook ontstaat er geen geuremissie en wordt er geen energie verbruikt maar opgewekt.
8 EXTERNE VEILIGHEID
8.1 Algemeen
De aanwezigheid van windturbines kan effecten veroorzaken naar de omgeving. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen, maar ook om de risico’s die veroorzaakt worden door een windturbine of een combinatie van windturbines.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
-
●
het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;
-
●
de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het PR is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met een (combinatie van) windturbine(s), indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden.
De gehanteerde norm voor het PR in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in paragraaf 5.1.2.2 van het Bkl als grenswaarde voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en als standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter moet een grenswaarde voor het PR in acht genomen van ten hoogste 10-5 per jaar. De betreffende paragraaf van het Bkl is echter (tijdelijk) niet van toepassing op het toelaten van dit windpark.
Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen of met een windturbine. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren.
8.2 Normstelling
In hoofdstuk 5.10 van de ‘Motivering van het besluit’ en in hoofdstuk 6 van de notitie ‘Motivering milieunormen, Windpark Echteld-Lienden’ van Bosch & van Rijn (Bijlage XXII bij het MER - zie bijlage VI) is een uitgebreide onderbouwing gegeven voor de voor deze locatie te hanteren normen:
8.3 Beoordeling plaatsgebonden risico
In het MER (bijlage I bij de Motivering) is onderzocht of het plaatsen van windturbines effecten heeft op verschillende veiligheidsaspecten.
Om de veiligheid van het windturbinepark te beoordelen is gebruik gemaakt van de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) d.d. 20 mei 2020. Mogelijke risico's rond een windturbine zijn mastbreuk, het afbreken van de gondel of van een (deel van een) blad. De handreiking biedt een overzicht met de veiligheidsrisico’s van een windturbine of windturbinepark en hoe deze zich verhouden tot wet- en regelgeving en uitgangspunten omtrent het veiligheidsbeleid. Deze veiligheidsrisico’s kunnen worden berekend met de rekenmethode uit de Handleiding Risicoberekeningen Windturbines, meer specifiek Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid (Module IV – Windturbines, versie oktober 2020).
In de HRW2020 wordt ook de normstelling van de 10-6 per jaar contour voor kwetsbare objecten (thans kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties) en van de 10-5 per jaar contour voor beperkt kwetsbare objecten (thans beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties) gehanteerd.
Die regels geven aan hoe de kans moet worden berekend dat er een (stuk van een) blad van de windturbine afvalt of -breekt, een gondel valt of een mast breekt, en tot op welke afstand dit invloed kan hebben op de veiligheid. Om risico’s te beperken gelden er minimale afstanden voor het plaatsen van windturbines in de nabijheid van gebouwen en objecten, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor de PR 10-6 per jaar contour is maximaal 179 meter en voor de PR 10-5 per jaar contour is maximaal 69 meter berekend. Hieruit blijkt dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de risicocontouren zijn gelegen.
8.4 Beoordeling groepsrisico
In de HRW2020 wordt voor het groepsrisico geen beoordelingskader gehanteerd. In de praktijk blijkt namelijk dat een (combinatie van) windturbine(s) zelden of nooit tot een groepsrisico leidt. Hierdoor hoeft de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers niet nader beoordeeld te worden.
8.5 Relatie met het omgevingsplan
Bij het vaststellen van het projectbesluit is voor de locatiekeuze van de windturbines rekening gehouden met de directe veiligheidsrisico’s voor (infrastructurele) werken. Het betreft risicovolle installaties (propaantanks), buisleidingen, hoogspanningsinfrastructuur en infrastructuur (openbare wegen). Uit het MER (bij de aanvraag gevoegd) blijkt dat door de plaatsing van de windturbines geen significante veiligheidsrisico’s, -effecten of hinder worden veroorzaakt.
In de regels van het projectbesluit is geborgd dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen komen en binnen de PR 10-5 contour geen beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties mogen komen. Daarmee is afdoende geborgd dat externe veiligheid geen onaanvaardbare effecten voor het milieu opleveren. Nadere normering in deze omgevingsvergunning is dan ook niet nodig.
8.6 Conclusie
Ten aanzien van de risico’s als gevolg van een ongeval met een windturbine menen wij dat wanneer binnen het windturbinepark conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met (één van) de windturbines.
8.7 Ongewone voorvallen
In de voorschriften zijn eisen opgenomen ten aanzien van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen. Voor de te plaatsen windturbines zal door een daartoe geaccrediteerde certificerende instantie een certificaat afgegeven moeten worden waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de veiligheidseisen.
9 GELUID
9.1 Algemeen
Windturbines produceren geluid als de rotorbladen draaien. Dit geluid is voornamelijk afkomstig van de rotorbladen en is continu van aard. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidemissie die de windturbines onder normale omstandigheden veroorzaken). Kortstondige relevante verhogingen van het geluidniveau (piekgeluiden LAmax) komen niet voor.
9.2 Normstelling
In hoofdstuk 5.8 van de ‘Motivering van het besluit’ en in hoofdstuk 4 van de notitie ‘Motivering milieunormen, Windpark Echteld-Lienden’ van Bosch & van Rijn (Bijlage XXII bij het MER - zie bijlage VI) is een uitgebreide onderbouwing gegeven voor de voor deze locatie te hanteren norm voor Lden.
In de notitie is onderbouwd dat de normen van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight ter plaatse van gevoelige objecten gehanteerd moeten worden. Na de start van de exploitatie van het windpark dient er een controlemeting te worden uitgevoerd. Het vaststellen van een norm voor het maximale momentane geluidsniveau, in de vorm van LAeq norm, is mogelijk. Een LAeq,1min norm is een aanvullende geluidnorm die wordt gesteld vanuit het oogpunt van handhaving. Het betreft een norm waar te allen tijde aan moet worden voldaan, ongeacht windsnelheid of weersomstandigheden. Een LAeq,1min norm biedt geen (extra) milieubescherming, mits deze norm is gebaseerd op geluidwaarden die op grond van de kenmerken van de windturbine en het windaanbod op locatie worden verwacht.
Ten aanzien van tonaal laagfrequent geluid is het uitvoeren van een immissiemeting voorgeschreven.
Geluidsnorm
Voor het windpark Echteld Lienden geldt een geluidsnorm van 47 dB Lden en 41 Lnight. In de “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is aangetoond dat het park aan deze norm kan voldoen. Het gaat daarbij om het geluid dat alleen door het windpark Echteld Lienden wordt geproduceerd. Er geldt geen wettelijke norm voor de cumulatie van geluid (van bijvoorbeeld weg, spoor en windlawaai).
Cumulatie van geluid
Het is wel wettelijk verplicht om af te wegen of de cumulatie van geluid leidt tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. Daarvoor geldt echter geen norm. In de notitie “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is gekeken naar de cumulatie van geluid van windpark Echteld Lienden en het bestaande windpark Buren én naar de cumulatie met alle geluidsbronnen uit de omgeving.
Cumulatie met bestaande windpark
Slechts bij één woning (Zilverlandseweg 1) gelegen vlak bij windpark Buren komt de cumulatie van windgeluid van beide windparken boven 47 dB Lden. Dit object ondervindt een marginale geluidsbelasting door Echteld Lienden van 41 dB Lden.
De geluidsbelasting van (alleen) het windpark Buren op dezelfde woning bedraagt momenteel 47 dB Lden. In de notitie “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is berekend dat de cumulatieve geluidsbelasting van Zilverlandseweg 1 door het windpark Echteld Lienden met 1 dB stijgt van 47 naar 48 dB Lden. Deze marginale 1 dB is acceptabel. Dit is een vrijwel niet waarneembaar verschil. Daarmee verandert het woon- en leefklimaat niet. Wij beoordelen deze marginale 1 dB als acceptabel voor het leefklimaat.
Cumulatie met alle geluidsbronnen
In de omgeving zijn naast het bestaande windpark meer geluidsbronnen, zoals wegen en spoorwegen aanwezig. De woningen in het projectgebied met de hoogste geluidsbelasting (meer dan 60 dB) ondervinden die geluidsbelasting door de snelweg en/of het spoor. De windturbines dragen daar volgens het rapport Motivering Geluidsnormen niet aan bij. Voor die bewoners verandert de geluidssituatie niet.
Voor de omgeving van het windpark is aangegeven dat er een stijging van alle gecumuleerde (weg, spoor en wind) geluid zal optreden. In tabel 12 van het rapport Motivering Geluidsnormen is dit weergegeven. De daar berekende waarden vinden wij aanvaardbaar.
9.3 Beoordeling
De akoestische gevolgen van het in werking zijn van de windturbines zijn onderzocht en vastgelegd in de notitie ‘Akoestisch onderzoek Windpark Echteld-Lienden’ van Witteveen+Bos d.d. 29 mei 2024.
De geluidrapportage betreft de plaatsing van de aangevraagde zeven windturbines op het grondgebied van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren, nabij de snelweg A15. In de rapportage zijn twee verschillende types windturbines doorgerekend, zowel voor de ondergrens van de aangevraagde bandbreedtes als voor de bovengrens. De berekeningen zijn uitgevoerd met de maximale bronsterktes. De maximale bronsterkte is de geluidproductie die de turbine maximaal produceert, over het algemeen wanneer de turbine op maximaal (elektrisch) vermogen draait.
De geluidrapportage bevat alle elementen en gegevens die doorgaans van een dergelijke rapportage verwacht mogen worden. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Meet- en rekenmethode geluid windturbines (MRGW), zoals opgenomen in bijlage IVi van de Omgevingsregeling.
9.4 Resultaten en maatregelen
Lden en Lnight
In het rapport zijn de berekeningsresultaten van het geluid van de twee windturbinetypes weergegeven ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen. Beschreven is op welke woningen er overschrijdingen van de grenswaarde optreden en hoeveel er moet worden ‘teruggeregeld’ om aan de betreffende normen te kunnen voldoen.
Met ‘terugregelen’ wordt bedoeld dat windturbines een gedeelte van de tijd in een zogeheten ‘geluidreducerende modus’ kunnen draaien. Dit zorgt voor een lagere geluidproductie, maar ook voor een lagere energieopbrengst. Voor een representatief windturbinetype is een serie berekeningen uitgevoerd waarmee duidelijk wordt welke mitigatie er nodig is om de geluidbelasting op alle omliggende woningen te reduceren tot de normgrenzen. De geluidniveaus Lden en Lnight zijn bepaald ter plaatse van nabijgelegen woningen. Uit het geluidrapport blijkt dat de geluidnormen worden overschreden.
Alle moderne windturbines beschikken over geluidreducerende modi. Om te voldoen aan de geluidnormen is ervoor gekozen om voor bepaalde perioden per etmaal de instellingen van specifieke turbines te wijzigen. Met deze gewijzigde instellingen worden de bronsterkten van de turbines gereduceerd door bijvoorbeeld het toerental te verlagen en/of de bladhoek te verdraaien. Als deze maatregelen worden toegepast zal aan de geluidvoorschriften worden voldaan.
Met behulp van een bronsterktemeting die wordt uitgevoerd nadat de windturbines in bedrijf zijn genomen kan worden gecontroleerd of het bronvermogen van de windturbine overeenkomt met (gecertificeerde) technische specificaties die zijn aangeleverd door de fabrikant. Daarmee kan worden gecontroleerd of ter plaatse van ontvangerpunten in de omgeving aan de grenswaarden voor geluid wordt voldaan zoals die zijn vastgelegd in de vergunning. Daarom is voorgeschreven dat de vergunninghouder deze meting binnen 6 maanden na de start van exploitatie van het windpark dient uit te voeren. Met behulp van de bronsterktemeting kan tevens worden gecontroleerd of het geluidspectrum van de windturbine overeenkomt met de gegevens van de fabrikant.
LAeq
Tijdsinterval
De LAeq norm die voor dit windpark is gesteld heeft een bijbehorend tijdsinterval van 1 minuut, waarbinnen de geluidwaarde die is afgeleid van de gemeten fluctuerende geluidniveaus, in geen geval de norm mag overschrijden.Het doel van de geluidmeting voor vaststelling van het LAeq,1min geluidniveau is om op een relatief snelle en eenvoudige wijze vast te stellen of de kortstondig optredende geluidniveaus de geluidwaarde die op grond van de opgave van de fabrikant mag worden verwacht, niet te boven gaan. Toetsing aan de norm vindt plaats per windturbine. Tijdens de meting kan eenvoudig de bijdrage van overige windturbines en de bijdrage van achtergrondgeluid op het meetpunt worden bepaald. Deze gegevens worden verkregen door de metingen door te laten lopen en turbines in en af te schakelen.
Meetmethode
Voor uitvoering van de geluidmeting wordt aangesloten bij de meetprocedure in de MRGW. Daarin is onder meer voorgeschreven dat een geluidmeting benedenwinds moet worden uitgevoerd met een microfoon op een reflecterende plaat die wordt geplaatst op tiphoogte afstand van de windturbine. In de MRGW zijn vervolgens rekenregels opgenomen om met behulp van de meetgegevens het geluidvermogen per octaafband te berekenen en met behulp van lineaire regressie het geluidvermogen per windsnelheid op ashoogte te berekenen. Die berekeningen zijn niet nodig voor verwerking van de meetgegevens bij de LAeq meting, er hoeft immers geen geluidvermogen (bronsterkte) te worden bepaald. Er dient alleen een toets plaats te vinden van het momentane geluidniveau op tiphoogte afstand van de windturbine. Voor interpretatie van de meetgegevens, die worden verricht volgens de meetprocedure voor het bepalen van de bronsterkte, moet echter wel rekening worden gehouden met de rekenregels uit de MRGW die zijn gesteld voor verwerking van de meetgegevens. Die zijn immers inherent aan de meetprocedure. Dit betekent dat de verkregen meetwaarden moeten worden gecorrigeerd om deze te kunnen toetsen aan de normgrens (die is gesteld conform rekenregel 2.3 en 2.5 van de MRGW).
Meetlocatie
De geluidmetingen worden verricht op de voorgeschreven afstand van de turbine, te weten een afstand die gelijk is aan de maximale tiphoogte van de windturbine. Binnen de grenzen van de vergunde afmetingen kunnen ook windturbines worden gebouwd met een lagere tiphoogte dan de maximale tiphoogte. Wanneer windturbines worden gebouwd met een kleinere tiphoogte dan de maximale tiphoogte, worden metingen alsnog uitgevoerd op de voorgeschreven afstand van 255 meter. Het verschil in tiphoogte is niet zodanig dat het nodig is om aanvullende rekenregels te stellen voor overdrachtsberekeningen van het gemeten geluidniveau op het meetpunt naar een andere afstand tot de windturbine. Het is evenmin nodig om een bandbreedte aan te houden voor het maximale equivalente geluidniveau. De norm is gebaseerd op windturbines met maximale afmetingen en maximale bronsterkte.
Bronsterkte
Hoeveel geluid een windturbine maakt die op vol vermogen draait (‘maximale bronsterkte’) is niet 1-op-1 gerelateerd aan de jaargemiddelde bronsterkte van dat windturbinetype. De jaargemiddelde bronsterkte hangt namelijk ook af van hoe vaak die maximale bronsterkte in een jaar voorkomt. Zo zal een windpark bestaande uit windturbines van het type Nordex N163-6.X STE gemiddeld over een jaar een lagere jaargemiddelde bronsterkte hebben dan (bijvoorbeeld) windturbines van het type Enercon E-175 EP5, terwijl het voor de maximale bronsterkte juist andersom is. Onderstaande grafiek toont voor een shortlist van windturbinetypes beide waarden.

Ten behoeve van het voorschrift is het maximale toegestane 1-minuutgemiddelde geluidsniveau, gemeten op een afstand van 255 meter van de windturbine, berekend aan de hand van het onderzochte type met de hoogste maximale bronsterkte: de GE 6.1-164. Deze maximale bronsterkte bedraagt 107,0 dB(A), wat resulteert in een geluidsniveau van 46 dB(A) op 255 meter afstand. Dit geluidniveau wordt berekend met behulp van rekenformules 2.3 en 2.5 uit de MRGW.
Aanvullende gegevens
Het is voor gebruik en verwerking van de meetgegevens niet noodzakelijk om parallel aan de meting de beschikking te hebben over gegevens van de windturbine (zoals het opgewekte elektrisch vermogen, oriëntatie van de as van de turbine ten opzichte van de heersende windrichting etc.). Indien beschikbaar kunnen deze gegevens wel gebruikt worden voor analyse van de meetgegevens.
Overdrachtsberekening
Het getalsmatige verschil tussen Lden en de maximale LAeq-waarde is onafhankelijk van de afstand, omdat het effect van de geometrische uitbreiding (‘het geluidsniveau neemt af met toenemende afstand’) voor beide waarden hetzelfde is. Daarom volstaat voor de bescherming van de omgeving het neerleggen van een toetspunt op korte afstand van de windturbine, om zo aan te sluiten bij de standaard meetmethode uit de MRGW. Het is daarom niet noodzakelijk om, ter controle van de norm, met verkregen meetgegevens een overdrachtsberekening uit te voeren voor het bepalen van immissiewaarden nabij woningen in de omgeving van het windpark.
Ter illustratie zal het maximale momentane geluidsniveau afnemen zoals in onderstaande grafiek, die volgt uit de berekening van de geometrische uitbreidingsterm. Het niet meenemen van de diverse andere termen uit vergelijking 2.3 (zoals bodemabsorptie) leidt tot een worst-case inschatting van de maximale LAeq-waarde. De afvlakking op zeer korte afstand van de windturbine wordt veroorzaakt door de grote hoogte van de geluidsbron.

Mensen kunnen niet zelf vaststellen of een windpark voldoet aan de geluidsnormen. Geluidsnormen zijn namelijk jaargemiddelde normen (Lden en Lnight) die niet op 1 moment te meten zijn. Om tegemoet te komen aan de wens voor meetbare geluidsnormen is er in het projectbesluit een geluidsnorm opgenomen die op elk moment van de dag geldt (LAeq). Die LAeq norm moet gehandhaafd kunnen worden.
Daarom worden geluidsmetingen volgens het wettelijke Reken- en meetvoorschrift op
tiphoogte afstand van een windturbine uitgevoerd. Aanvullend, om aan de wens tegemoet
te komen, voert de provincie ook geluidsmetingen uit bij woningen. Het kan zijn dat
geluidsmetingen bij woningen geen bruikbare resultaten geven vanwege omgevingslawaai.
Maar dat zal blijken uit de metingen.
Tonaal laagfrequent geluid
Normaal functionerende moderne windturbines produceren een geluid dat omschreven kan worden als breedbandige ruis die in sterkte varieert in het ritme van de draaiende rotorbladen. Met behulp van geluidmetingen en analyses van die metingen is bij enkele bestaande windparken echter aangetoond dat sprake is van tonaal laagfrequent geluid. Bij andere geluidbronnen dan windturbines is tonaliteit een reden om een straffactor toe te passen op het gemeten geluidniveau. Bij de normering van geluid van windturbines is echter nooit rekening gehouden met de mogelijkheid dat windturbines laagfrequente tonen kunnen produceren. Tonaal geluid is namelijk iets dat niet mag voorkomen bij windturbines en wijst op een defect van de desbetreffende windturbine. Omdat het niet mag voorkomen wordt vooraf geen onderzoek naar gedaan naar tonaal geluid.
De ervaringen met enkele bestaande windparken geven wel aanleiding om voor te schrijven dat een controle moet plaatsvinden op de aanwezigheid van tonen. Het is deze tonaliteit die aandacht trekt en leidt tot hinder en in enkele gevallen tot slaapverstoring. Tonen zijn immers beter waarneembaar dan de breedbandige ruis waaruit geluid van windturbines normaal gesproken bestaat. Om handhavend te kunnen optreden in geval van tonaliteit is het noodzakelijk om in de omgevingsvergunning een aanvullend voorschrift op te nemen.
Een extra voorschrift in verband met tonaal laagfrequent geluid is nodig om:
-
●
de aanwezigheid van tonaal geluid op een adequate wijze vast te stellen;
-
●
te kunnen handhaven om hinder als gevolg van tonaliteit te beëindigen.
Daarom wordt een geluidmeting conform het Handboek Meten en Rekenen Industrielawaai voorgeschreven. De ongewogen geluidmeting moet worden uitgevoerd ter plaatse van nabijgelegen gevoelig(e) object(en).
De meetresultaten moeten worden geanalyseerd met behulp van Fast Fourier Transformation (FFT) als analysemethode. Met deze smalbandanalyse kan tonaliteit worden aangetoond die met grovere methoden zoals tertsbandanalyse niet kan worden gevonden.
Het is van groot belang dat de spectrale analyse met de juiste methode wordt uitgevoerd om tonaliteit te kunnen vaststellen. De resultaten van de meting moeten daarom worden geanalyseerd met behulp van een spectrale analyse waarbij gebruik wordt gemaakt van de FFT-methode. Het is van groot belang om daarbij een bingrootte van 0,2 Hz te hanteren. Bij andere bingroottes worden al gauw kenmerken over het hoofd gezien.
De spectrale analyse wordt doorgaans uitgevoerd voor het gehele spectrum en niet alleen het laagfrequente deel van het spectrum. Toezicht en handhaving richt zich echter wel op het laagfrequente deel van het spectrum (20 Hz tot en met 150 Hz) omdat tonaal laagfrequent geluid (bromtonen) het afwijkende geluid is dat bij windturbines leidt tot overlast.
9.5 Verkeersbewegingen
De exploitatie van het windturbinepark heeft geen verkeersaantrekkende werking. Een monteur zal het windturbinepark incidenteel bezoeken voor regulier onderhoud en voor incidentele reparaties. Dit beperkte aantal verkeersbewegingen veroorzaakt een verwaarloosbare geluidbelasting op woningen van derden.
10 SLAGSCHADUW
10.1 Algemeen
De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze zogenaamde slagschaduw kan onder bepaalde omstandigheden hinderlijk zijn doordat ze ervaren wordt als flikkering. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie en de intensiteit van de flikkering en de blootstellingduur. De afstand van de blootgestelde locatie tot de turbine, de stand van de zon en het al dan niet draaien van de turbine zijn daarbij bepalende aspecten.
10.2 Normstelling
In hoofdstuk 5.9 van de ‘Motivering van het besluit’ en in hoofdstuk 5 van de notitie ‘Motivering milieunormen, Windpark Echteld-Lienden’ van Bosch & van Rijn d.d. 13 augustus 2024 is een uitgebreide onderbouwing gegeven voor de voor deze locatie te hanteren norm.
In de notitie is onderbouwd dat de norm van 0 uur slagschaduw per jaar ter plaatse van slagschaduwgevoelige objecten gehanteerd moet worden. Deze norm nemen wij over in de voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden.
Technisch is het niet mogelijk om op 0,0 uur slagschaduw uit te komen, omdat de zonneschijnsensor (onderdeel van het systeem voor de stilstandregeling) van een windturbine eerst moet aangeven dat de zon schijnt en vervolgens pas de windturbine moet stilzetten. Hierdoor is het mogelijk dat in de tussenliggende tijd slagschaduw ontstaat ter plaatse van gevoelige objecten. De slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine, wordt echter niet meegerekend bij toetsing aan de gestelde norm.
Ook bij objecten waar gedurende langere tijd personen aanwezig kunnen zijn, maar niet permanent verblijven (zoals scholen, kantoren, horecagelegenheden en kampeerterreinen) kan slagschaduw voor hinder zorgen. Uit de notitie blijkt dat dat een aanvullende norm voor deze objecten niet nodig wordt geacht.
10.3 Beoordeling
De slagschaduwduur op slagschaduwgevoelige gebouwen in de omgeving van het windturbinepark ten gevolge van het in werking zijn van de twee windturbinetypes is onderzocht en vastgelegd in de notitie ‘Energieopbrengsten en slagschaduw energieverliezen voorkeursalternatief windpark Echteld-Lienden’ d.d. 29 mei 2024.
Het onderzoek is uitgevoerd voor alle slagschaduwgevoelige gebouwen in de omgeving van het windturbinepark. Omdat hiervoor ook het windturbinetype voor de bovengrens is beschouwd betreft de slagschaduwsituatie een worst case situatie. Hoe hoger de tiphoogte, hoe verder de slagschaduw namelijk reikt.
10.4 Resultaten en maatregelen
Ter plaatse van slagschaduwgevoelige gebouwen blijken overschrijdingen van de maximaal toegestane slagschaduwduur. Om te voldoen aan de normstelling is een automatische stilstandvoorziening noodzakelijk. Voor alle windturbines is een automatische stilstandvoorziening noodzakelijk om de hinderduur bij alle relevante slagschaduwgevoelige gebouwen weg te nemen.
In de turbinebesturing worden hiervoor blokken van dagen en tijden geprogrammeerd waarin de rotor wordt gestopt als de zonneschijnsensor aangeeft dat de zon schijnt en er zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen ramen bevinden.
Deze maatregel is technisch goed toepasbaar en wordt door de initiatiefnemers getroffen. Resultaat van de stilstandvoorziening is dat voldaan wordt aan het voorschrift voor slagschaduwhinder.
11 LICHTSCHITTERING
Ter voorkoming of beperking van lichtschittering en -hinder moeten de windturbines worden voorzien van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het treffen van deze maatregelen is in de voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden vastgelegd.
12 CONCLUSIE
Gelet op wat we hiervoor schrijven, verlenen wij de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit.
BEGRIPPENLIJST
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij aan de definities zoals opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals Bal, Bkl, Ob, et cetera).
|
Begrip |
Definitie |
|
Afvalwater |
Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen |
|
BBT |
Best Beschikbare Techniek genoemd in een BBT document. |
|
Commerciële ingebruikname |
De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). |
|
Hemelwater |
Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel. |
|
Lden |
De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. |
|
Lnight |
De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. |
|
MER |
Milieueffectrapportage |
|
Meet- en rekenmethode geluid windturbines |
De meet- en rekenmethode geluid windturbines beschrijft de methode om de geluidsbelasting in de omgeving ten gevolge van windturbines en windturbineparken te bepalen. Het betreft de versie die als bijlage IVi is opgenomen bij de Omgevingsregeling. |
|
Slagschaduwgevoelig object |
Ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen), voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). |
|
Verkeersbeweging |
Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. |
DOCUMENTEN AANVRAAG MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT
Hieronder zijn de documenten uit de aanvraag voor de milieubelastende activiteit toegevoegd. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL).
|
Titel document |
Kenmerk / versiedatum |
URL |
|
Aanvraag bijlagen milieubelastende activiteit.pdf |
3 juli 2024 |
Het MER is afzonderlijk toegevoegd in bijlage VI.
Bijlage IV Onderbouwing vergunning flora en fauna-activiteit windpark
1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN?
Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteiten:
-
●
flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1 lid 2 onder g van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG FLORA - EN FAUNA ACTIVITEIT en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER).
De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit geldt voor de soorten, verbodsbepalingen
en wettelijke belangen zoals weergegeven in tabel 7 van de Regeling Projectbesluit
Windpark Echteld-Lienden.
2 FLORA - EN FAUNA ACTIVITEIT
2.1 Wat staat er in de wet?
Het gaat om “een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten”. Met de beoogde flora- en fauna-activiteit worden de verbodsbepalingen van Artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal overschreden. Voor vogels gaat het om artikel 11.37 lid 1a: het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor vleermuizen betreft het artikel 11.46 lid a en d: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn en b. het opzettelijk verstoren van die dieren. Voor het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en leefgebied van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel, gaat het om artikel 11.54 lid a en b: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX; en b. om het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren als bedoeld onder a.
2.2 Toetsing
Het in de aanvraag beschreven project
Windpark Echteld Lienden B.V. heeft het voornemen om een energiepark met 7 windturbines en een zonnepark met een bruto oppervlakte van 35 hectare te realiseren bij de snelweg A15 ten noordoosten van de plaats Echteld Om de opwek van zonne-energie te realiseren is een separate procedure doorlopen bij de gemeente Buren. Voorliggende vergunningaanvraag richt zich op het realiseren en exploiteren van een nieuw windpark. Het projectgebied ligt binnen de gemeenten Buren en Neder-Betuwe en bestaat grotendeels uit agrarisch gebruikt grasland. Centraal door het projectgebied loopt de rijksweg A15, de Betuwelijn en in het zuiden de spoorlijn Elst-Geldermalsen. Aan de zuidkant van de snelweg A15 bevindt zich al een windpark (Windpark Echteld, verder te noemen WP Echteld) dat in het bezit is van Vattenfall. Dit windpark bestaat uit 4 turbines (uit 2008) en loopt tegen het einde van zijn levensduur. Dit is de reden dat er is gekeken naar mogelijke nieuwe ontwikkelingen, waarbij het bestaande windpark ten behoeve van de bouw van de nieuwe turbines wordt gesaneerd.
Het initiatief
In het PlanMER is een viertal alternatieven afgewogen. Het ontwikkelde Voorkeursalternatief (VKA) bestaat uit 7 windturbines: vier windturbines ten zuiden en drie windturbines ten noorden van de rijksweg A15 (Figuur 1, Bijlage 2).Het VKA voor Windpark Echteld-Lienden (verder: WP Echteld-Lienden) bestaat uit een windpark met zeven windturbines met een maximale tiphoogte van 255 meter en binnen een bandbreedte die in de huidige markt gangbaar is. De bandbreedte van de rotordiameter van de turbines ligt tussen 160 en 175 m en de ashoogte tussen 130 en 175 m. Dit zijn momenteel de gangbare afmetingen voor haalbare windprojecten in gebieden met dit windklimaat in Nederland. Hierbij zal te allen tijde de maximale tiphoogte van 255 meter als leidend worden beschouwd. Hierdoor kan binnen de aangegeven bandbreedte worden gevarieerd, waarbij de rotordiameter en ashoogte worden aangepast om tot een maximale hoogte van 255 meter te komen.
Onderdeel van het projectgebied is het huidige WP Echteld aan de zuidkant van de A15. Dit windpark bestaat uit vier windturbines (Figuur 2, Bijlage 2) die in 2008 in gebruik zijn genomen. De bestaande windturbines hebben een ashoogte van 78 m en een rotordiameter van 82 m en zijn daarmee een stuk kleiner dan de nieuw te plaatsen turbines. Als onderdeel van het WP Echteld-Lienden zal het huidige WP Echteld (4 windturbines aan zuidkant A15) gesaneerd worden.Op de grens van het projectgebied en ten oosten daarvan ligt het huidige Windpark Buren (4 windturbines, zie Figuur 2, Bijlage 2). Deze laatste 4 turbines worden niet in deze vergunningaanvraag betrokken, behalve in het bepalen van cumulatieve effecten.
Voor het WP Echteld-Lienden is een ontwerp opgesteld met de ligging en maatvoering van de tijdelijke bouwwegen, kraanopstelplaatsen, onderhoudswegen en andere (tijdelijke) infrastructuur (versie ontwerp 20 maart 2024).
Voor de funderingen van de windturbines is plaatselijk het vergraven van grond nodig. De funderingen zullen worden gerealiseerd op funderingspalen, die worden geheid. Om de windturbines te plaatsen wordt per windturbine een kraanopstelplaats gerealiseerd.Ten behoeve van de aanlegfase worden (tijdelijke) bouwwegen en opstelplaatsen aangelegd. De fundamenten en kraanopstelplaatsen blijven permanent aanwezig (voor de duur van de gebruiksfase (30 jaar) van het windpark). Iedere windturbine krijgt een eigen kraanopstelplaats; deze ligt aansluitend op het fundament van de windturbine. Tussen de kraanopstelplaatsen en lokale verkeerswegen worden toegangswegen aangelegd. De oppervlakte van de verhardingen bedraagt circa 55.000 m2 (5,5 ha), waarvan een deel na de bouw van het windpark weer wordt verwijderd. Bij de aanleg gaat derhalve in eerste instantie 5,5 ha van het projectgebied op de schop.
Ten behoeve van de aanleg van het windpark zijn aanpassingen aan de watergangen voorzien (zowel tijdelijk als permanent). Voor de tijdelijke en permanente toegangswegen en kraanopstelplaatsen moet een aantal duikers in watergangen worden aangelegd. Dit gaat om maximaal 17 duikers. Een deel van de duikers is tijdelijk ten behoeve van de aanleg van het windpark. Het is in dit stadium nog niet te bepalen hoeveel duikers permanent in het gebied aanwezig zullen blijven.
De planning is om de aanlegwerkzaamheden op 1 september 2025 te starten. De volledige ingebruikname van het windpark is uiterlijk voorzien op 1 september 2029. Uiterlijk in 2028, voorafgaande aan de bouw van WP Echteld-Lienden, wordt het bestaande WP Echteld (vier turbines) gesaneerd. De gebruiksfase loopt tot uiterlijk 1 september 2060, dus maximaal 30 jaar.
De zeven windturbines worden geplaatst op de coördinaten zoals weergegeven in tabel 1.
|
Windturbine |
X-coordinaat |
Y-coordinaat |
Kadastraal perceel |
|
WT1 |
163220,59 |
436733,70 |
Echteld I 718 |
|
WT2 |
163664,45 |
436539,02 |
Echteld I 1211 |
|
WT3 |
164020,94 |
436880,01 |
Echteld K 1388 |
|
WT4 |
165311,5 |
436718,33 |
Echteld K 72 |
|
WT5 |
163333,58 |
437213,29 |
Lienden N 961 |
|
WT6 |
164082,07 |
437323,75 |
Lienden N 238 |
|
WT7 |
164747,81 |
437494,10 |
Lienden N 225 |
In de rapportages “Verbeek, R.G., 2024. Activiteitenplan Omgevingswet voor project Windpark Echteld-Lienden. Vergunningaanvraag voor vogels, vleermuizen, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Rapport 24-116 Waardenburg Ecology, Culemborg”, Verbeek, R.G., 2024. Natuurtoets Windpark Echteld-Lienden. Achtergrondrapport natuur voor plan- en projectMER. Rapport 24-023. Waardenburg Ecology, Culemborg” , “Vergunningaanvraag flora- en fauna-activiteit, 22 maart 2024, Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., Deventer”, zijn opgenomen:
IN DE AANVRAAG BESCHREVEN ONDERZOEK
Er zijn in de periode 2021-2023 diverse onderzoeken uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten aan te tonen (Verbeek, 2024). De uitgevoerde veldbezoeken zijn in onderstaande tabel samengevat. Voor een nadere toelichting op de uitgevoerde veldonderzoeken wordt verwezen naar Verbeek (2024). Daarnaast is bronnenonderzoek uitgevoerd (teldata watervogels, raadpleging Nationale Databank Flora en Fauna, zie Verbeek, 2024).
|
Plant- / diergroep |
Onderzoeksmethodiek |
Data uitvoering onderzoek |
|
Vliegroutes van watervogels |
Radar, visueel |
dec 2021 – feb 2022 (3 bezoeken) |
|
Vliegroutes en gebiedsgebruik weidevogels |
Visueel |
27 mrt – 31 mei 2023 (5 bezoeken) |
|
Territoria weidevogels |
Visueel |
27 mrt – 31 mei 2023 (5 bezoeken) |
|
Gebiedsgebruik vleermuizen |
Batlogger |
16 jun – 28 sep 2021 (4 bezoeken) |
|
|
Continumeting vanuit bestaande windturbines |
5 mei – 29 nov 2021 |
|
Quick scan flora en fauna |
Visueel |
17 apr 2023 (1 bezoek) |
ECOLOGISCHE WAARDEN: VOGELS
Broedvogels in het projectgebied
Het projectgebied en omgeving bestaat voornamelijk uit agrarisch gebruikt grasland
en is een open gebied. Dit heeft gevolgen voor de soorten vogels die aangetroffen
worden.
Broedvogels
Als broedvogels die in het projectgebied voorkomen kunnen worden genoemd: de boerenzwaluw
en huismus, gerelateerd aan bebouwing en gerelateerd aan de graslanden de volgende
weidevogelsoorten (tussen haakjes het aantal territoria) grutto (7), kievit (35),
bergeend (1), gele kwikstaart (3), tureluur (5), graspieper (3) en gele kwikstaart
(3).
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Naast huismus en boerenzwaluw komen de volgende soorten met een (potentieel) beschermd nest (mogelijk) voor in en rond het projectgebied: boomvalk, kerkuil, buizerd, sperwer, steenuil. Voor havik en ransuil zijn potentiële broedlocaties in de bosjes en op de boerenerven aanwezig. Foeragerend (maar niet nestelend) zijn gezien: roek, havik, ooievaar en ransuil en gierzwaluw.
Koloniebroedvogels
In het projectgebied komen geen koloniebroedvogels voor. Sommige van deze soorten worden wel foeragerend in het gebied gezien: reiger, aalscholver, roek, lepelaar, visdief en oeverzwaluw. Van deze soorten zijn kolonies aanwezig in de (wijdere) omgeving van het projectgebied.
Overige broedvogels
In het projectgebied kunnen naast de reeds genoemde soorten ook landelijk algemene broedvogels verwacht worden. In de graslanden en watergangen gaat het om soorten zoals wilde eend en kuifeend. Op de boerenerven, bosjes en bomenlanen gaat het bijvoorbeeld om zwarte kraai, ekster, koolmees en winterkoning. Langs de Linge kunnen in de oevervegetatie kleine karekiet en rietgors verwacht worden.
Specifieke broedvogelsoorten met groot risico voor aanvaring
Zeearend
In de Betuwe wordt sinds 2021 jaarlijks door de zeearend gebroed. In 2023 is hier nog een extra broedgeval bijgekomen, op circa 6 km afstand van het projectgebied langs de Waal. In 2023 leidde dat tot het succesvol uitvliegen van resp. twee en één jong(en) (Werkgroep Zeearend Nederland, 2024).
Uit zendergegevens uit de periode 2019-2021 blijkt dat zeearenden in de omgeving van het projectgebied voornamelijk langs de Waal en in mindere mate langs de Nederrijn verblijven. Enkele keren is er in deze periode door het projectgebied gevlogen, maar de zeearenden hebben niet in het projectgebied gepleisterd (Werkgroep Zeearend Nederland, 2022). Met de vestiging van een broedpaar dichter bij het projectgebied is de kans dat zeearenden met enige regelmaat door het projectgebied vliegen vergroot. Het projectgebied ligt op een route tussen geschikte foerageergebieden langs de Waal en Nederrijn.
Grutto
De grutto komt met zeven territoria (waarvan één net ten oosten van projectgebied) in het projectgebied voor, met name in de oostelijke helft van het onderzochte gebied. Uit een vergelijking met een inventarisatie uit 2005 (34 territoria; NDFF, 2024) blijkt dat de populatie sterk in aantal achteruitgegaan is. In het projectgebied ten zuiden van de rijksweg A15 komen geen broedende grutto’s voor.
In 2023 is het vlieggedrag van grutto’s in het projectgebied in kaart gebracht. Gedurende vijf bezoeken werden van in totaal 57 grutto’s vliegbewegingen waargenomen. De meeste vliegbewegingen en dan met name die van meer dan 40 meter hoogte werden gezien in het voorjaar en hadden betrekking op baltsvluchten. Vliegbewegingen vonden sterk geconcentreerd in de nabijheid van de territoria plaats.
Niet-broedvogels in het projectgebied
Overdag aanwezige vogels
In zowel het noordelijk als het zuidelijk deel van het projectgebied komen in het winterhalfjaarenkele honderdenganzen (met name grauwegans enkolgans) voor.
Uit telgegevens uit 2015/2016 van het zuidelijk deel van het projectgebied en losse waarnemingen van de afgelopen 5 jaar (2016-2021) komt naar voren dat buiten het broedseizoen regelmatig groepen wulpen, kieviten, wilde eenden, meerkoeten, en kokmeeuwen in de graslanden in het gehele projectgebied foerageren. Het gaat om enkele honderden tot maximaal een duizendtal exemplaren. Ook foerageren soms grote groepenroeken(maximaalenkelehonderdenexemplaren)inhetprojectgebied.Inhet projectgebiedfoeragerenregelmatigéénofenkelebuizerds(voorallangsderijksweg A15) en ooievaars.
In de Lingemeren komen gemiddeld kleine aantallen eenden (enkele tot tientallen van krakeend, wintertaling) en gemiddeld een honderdtal kokmeeuwen voor.
Broedvogels uit Natura 2000-gebieden in relatie tot het projectgebied
Voor 22 niet-broedvogels zijn in het aanwijzingsbesluit Rijntakken doelstellingen geformuleerd. Het gaat om de volgende soorten: fuut, aalscholver, nonnetje, tafeleend, kuifeend, wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, bergeend en krakeend, kleine zwaan en wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans en de smient, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, tureluur en de wulp. Hieronder (in tabel 3) volgt een beschrijving van de relatie tot het projectgebied.
|
Soort |
Beschrijving mogelijke aanwezigheid |
|
fuut |
Niet of nauwelijks aanwezig |
|
aalscholver |
De slaapplaatsen binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken bevinden zich op verschillende plekken langs de Waal ten zuiden van het projectgebied en verwacht kan worden dat het projectgebied dagelijks gebruikt wordt door enkele aalscholvers. |
|
nonnetje |
Niet aanwezig |
|
tafeleend |
In het winterhalfjaar verblijven in de delen van het Natura 2000-gebied Rijntakken nabij het projectgebied veel eenden (NDFF, 2024). Deze vogels rusten op de wateren van onder andere bij IJzendoorn en Ochten (onder andere krakeend, wintertaling, tafeleend, smient en wilde eend). Van de tafeleend zijn geen waarnemingen in het projectgebied bekend. |
|
wintertaling |
Zie tekst tafeleend |
|
krakeend |
Zie tekst tafeleend. Op en nabij de Linge komen smient, kuifeend en krakeend voor. Dit gaat om gemiddeld enkele tientallen exemplaren van deze soorten. |
|
smient |
Zie tekst tafeleend. Op en nabij de Linge komen smient, kuifeend en krakeend voor. Dit gaat om gemiddeld enkele tientallen exemplaren van deze soorten. |
|
kuifeend |
Op en nabij de Linge komen smient, kuifeend en krakeend voor. Dit gaat om gemiddeld enkele tientallen exemplaren van deze soorten. |
|
wilde eend |
Zie tekst tafeleend. In het gehele gebied komen wilde eenden voor. Op en nabij de Linge komen smient, kuifeend en krakeend voor. Dit gaat om gemiddeld enkele tientallen exemplaren van deze soorten. |
|
pijlstaart |
Van de tafeleend en pijlstaart zijn geen waarnemingen in het projectgebied bekend. |
|
slobeend |
De slobeend en bergeend komen soms met kleine aantallen in het projectgebied voor. |
|
bergeend |
Idem als slobeend. |
|
kleine zwaan |
Van deze soort zijn geen recente waarnemingen bekend uit het projectgebied en omgeving (NDFF, 2024, veldonderzoek radar). Het is vrijwel uitgesloten dat kleine zwaan uit Rijntakken op regelmatige basis in het projectgebied foerageren of deze passeren op de route van of naar foerageergebieden en slaapplaatsen. |
|
wilde zwaan |
Idem als kleine zwaan |
|
toendrarietgans |
Toendrarietgans en brandgans komen op hooguit incidentele basis in het projectgebied voor (NDFF, 2024). Het is vrijwel uitgesloten dat toendrarietganzen en brandganzen uit de Rijntakken op regelmatige basis in het projectgebied foerageren of deze passeren op de route van of naar foerageergebieden en slaapplaatsen. |
|
brandgans |
Idem als toendrarietgans |
|
kolgans |
In het winterhalfjaar komen kolgans en grauwe gans in het projectgebied en omgeving voor en vliegen beide soorten regelmatig door het projectgebied. Het radaronderzoek wijst erop dat in ieder geval een deel van deze ganzen mogelijk overnacht in het Natura 2000-gebied Rijntakken. |
|
grauwe gans |
Idem als kolgans |
|
scholekster |
Buiten het broedseizoen zijn van de scholekster, goudplevier, kemphaan en tureluur uit het radaronderzoek geen vliegbewegingen geconstateerd die betrekking hebben op uitwisseling tussen het projectgebied en Natura 2000-gebieden. De goudplevier en kemphaan komen niet regelmatig voor in het projectgebied (NDFF, 2024). |
|
goudplevier |
Idem als scholekster |
|
tureluur |
Idem als scholekster |
|
kemphaan |
Idem als scholekster |
|
kievit |
De kievit komt overdag met gemiddeld enkele honderden exemplaren in het projectgebied voor (NDFF, 2024). Uit eerder radaronderzoek in het projectgebied is gebleken dat deze vogels ’s nachts richting weilanden en andere grasgebieden in de omgeving vliegen om te foerageren. Het ligt niet voor de hand dat op dagelijkse basis vanuit het projectgebied van en naar foerageergebieden binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken gevlogen wordt. Uit het radaronderzoek van 2021/2022 is hier geen aanwijzing voor verkregen en bovendien zijn geschikte foerageer- en slaapplaatsen binnen de Rijntakken op korte afstand van elkaar aanwezig. De daar aanwezige kieviten zullen daarom hooguit beperkt uitwisselen met gebieden die op meerdere kilometers buiten de Rijntakken liggen. |
|
grutto |
In het vroege voorjaar maken grutto’s gebruik van gemeenschappelijke slaapplaatsen. Deze slaapplaatsen liggen niet in het projectgebied en ook niet in nabijgelegen delen van Natura 2000-gebieden (zie slaapplaatsen in § 6.2.1). Grutto’s die in het vroege voorjaar foerageren in het projectgebied hebben daarom geen binding met Natura 2000- gebieden. |
|
wulp |
De wulp komt overdag buiten het broedseizoen met aantallen tot enkele tientallen exemplaren (winter) tot enkele honderden exemplaren (vroege voorjaar) voor in het noordelijk deel van het projectgebied. De wulpen die in het projectgebied aanwezig zijn overnachten zeer waarschijnlijk lokaal in het projectgebied en hebben dus geen binding met het Natura 2000-gebied Rijntakken. |
Seizoenstrek
Veel vogelsoorten trekken jaarlijks van broed- naar overwinteringsgebied en vice versa. Deze trek vindt vooral plaats in het voor- en najaar en wordt daarom geclassificeerd als seizoenstrek. Seizoenstrek vindt plaats in een brede range aan hoogtes, van enkele meters boven het maaiveld tot enkele kilometers hoogte. In diverse onderzoeken is aangetoond dat bij najaarstrek (als de trek in grote hoeveelheden plaatsvindt) ook grote aantallen vogels op rotorhoogte kunnen vliegen.
In de lijst met vogelsoorten waarvoor vergunning wordt aangevraagd (zie ook tabel 7), staat een groot aantal soorten die gevoelig worden geacht bij seizoenstrek, zoals spreeuw, kramsvogel, vink en veldleeuwerik.
ECOLOGISCHE WAARDEN: VLEERMUIZEN
Tijdens de onderzoeksrondes zijn waarnemingen gedaan van vijf verschillende vleermuissoorten in en rond het projectgebied. Dit betreft de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de tweekleurige vleermuis.
Verblijfplaatsen
Binnen het projectgebied, c.q. de locaties van de windturbines, zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld, aangezien het hier open agrarisch gebied betreft. Mogelijk zijn paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in de bomen of gebouwen in het projectgebied aanwezig, maar deze vallen niet samen met de locaties van de windturbines. De boerderijen in het projectgebied bieden daarnaast potentie voor kraam- en zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
Vliegroutes, migratieroutes en foerageergebied
In 2021 is middels transectonderzoek het gebiedsgebruik van vleermuizen in kaart gebracht. De meest talrijk waargenomen soort is de gewone dwergvleermuis, gevolgd door laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis (voor aantallen, zie tabel 4). De waargenomen aantallen zijn in het algemeen het hoogst in de nazomer.
Voor de meeste vleermuissoorten geldt dat de dichtheid aan waarnemingen het hoogst was langs bomenlanen en wegen langs bebouwing van het projectgebied (Saneringsweg, Veldsteeg, Pottumsestraat, Panderweg nabij Zilverlandseweg). Deze delen kunnen gebruikt worden als foerageergebied en migratieroute tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. De open delen (onder andere grote delen van de Panderweg) kennen betrekkelijk weinig vleermuisactiviteit. De rivier De Linge (gelegen net ten noorden van de Betuwelijn en A15) is niet onderzocht in het transectonderzoek, maar kan zeker van betekenis zijn voor vleermuizen als foerageergebied en migratieroute.
Het projectgebied heeft geen functie voor de meervleermuis als doelstellingsoort van de Rijntakken.
|
Waargenomen soort |
Onderzoeksdata `21 |
|
|
|
Totaal |
|
|
16 juni |
15 augustus |
5 september |
28 september |
|
|
Gewone dwergvleermuis |
38 |
100 |
83 |
95 |
316 |
|
Laatvlieger |
8 |
6 |
11 |
5 |
30 |
|
Rosse vleermuis |
|
5 |
8 |
|
13 |
|
Ruige dwergvleermuis |
2 |
|
4 |
1 |
7 |
|
Tweekleurige vleermuis |
|
|
1 |
|
1 |
|
Vespertilionidae |
2 |
|
1 |
|
3 |
|
Eindtotaal |
50 |
111 |
108 |
101 |
370 |
ECOLOGISCHE WAARDEN: GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In het projectgebied en de omgeving daarvan, zijn waarnemingen bekend van boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Het projectgebied heeft geen functie als vast leefgebied voor de boommarter.
De bosschages en de boerenerven in het projectgebied hebben mogelijk betekenis als vaste voortplantings- en rustplaats voor steenmarter en kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn). Van deze soorten zijn verspreid in de omgeving van het projectgebied waarnemingen bekend. In de open graslanden in het projectgebied ontbreken geschikte voortplantings- en rustplaatsen voor deze soorten. De graslanden maken mogelijk wel deel uit van hun foerageergebied. Met name de wat structuurrijkere perceelranden en oevers in het projectgebied vormen geschikt foerageergebied.
EFFECTEN OP ECOLOGISCHE WAARDEN: VOGELS
Effectbepaling vogels
In de beoordeling van de aanleg- en gebruiksfase is naar vier verschillende effecttypen voor vogels gekeken: verlies leef- en foerageergebied (incl. verblijfplaatsen), barrièrewerking, verstoring (en vermijding) en aanvaringsslachtoffers.
Verlies leef- en foerageergebied (incl. verblijfplaatsen) in aanlegfase
Broedvogels
Voor de bouw van de beoogde windturbines worden geen bomen gekapt en gebouwen gesloopt. Vernietiging van jaarrond beschermde nesten in bomen kan daarom worden uitgesloten. Schadelijke handelingen onder de Ow, zoals bijvoorbeeld het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, kan voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of, wanneer het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, het projectgebied voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken als broedlocatie (zie voorschriften 5.1.4 Regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden).
Niet-broedvogels
Voor vogels is het mogelijk om elders in (de directe omgeving van) het projectgebied een alternatieve foerageer- of rustplek te benutten als ze tijdens de aanleg van de windturbines van WP Echteld-Lienden in het projectgebied worden verstoord. Buiten het projectgebied gaat dit bijvoorbeeld om het agrarisch gebied direct ten noordwesten van projectgebied en ten zuiden van Saneringsweg. Er is daarom geen sprake van wezenlijke verstoring: vogels zullen (de directe omgeving van) het projectgebied niet verlaten. De varianten in ashoogte en rotordiameter zijn hierin niet onderscheidend.
Barrièrewerking in gebruiksfase
Barrièrewerking in gebruiksfase
Barrièrewerking treedt op wanneer vogels hun voedsel- of rustgebied niet kunnen bereiken door de aanwezigheid van de windturbines. Op basis van het gericht vogelonderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van een gestuwde vliegrichting (trekroute) door het windpark. De waargenomen vogelsoorten vlogen in verschillende richtingen, waarbij ook de ruime omgeving van het projectgebied werd gebruikt als overvlieggebied. De plaatsing van de turbines zorgt daarmee niet voor een obstructie van een vaste vliegroute. Er blijft ook na realisatie van het windpark voldoende overvliegruimte beschikbaar voor de soorten. Daarmee zijn negatieve effecten op vogelpopulaties als gevolg van barrièrewerking uitgesloten.
Verstoring (en vermijding) in gebruiksfase
Verstoring door geluid wordt vooral veroorzaakt doordat de wieken zich door de lucht bewegen, met de uiteinden als snelst bewegende delen. De geluidproductie is afhankelijk van het type turbine, de windsnelheid en de snelheid waarmee de wieken door de wind draaien. Gemiddeld reikt het geluid van een windturbine enkele honderden meters, waarbij de hoogste geluidverstoring (>50 dB) enkel in de eerste 50 m vanaf de turbinevoet optreedt. Voor niet-broedvogels wordt doorgaans een verstoringscontour van 50 dB gehanteerd. Op de locatie van de turbines is reeds sprake van een geluidsverstoring van 50-60 dB door de snelweg A15 en door piekgeluiden van de Betuweroute. Geluidsverstoring door de turbines valt hiermee in het achtergrondgeluid. Aannemelijk is dat de aanwezige soorten deze mate van ‘verstoring’ gewend zijn. Negatieve effecten op de aanwezige vogelsoorten als gevolg van geluidverstoring van het windpark zijn daarmee uitgesloten.
In theorie zou de (nacht)verlichting van de turbines – ten behoeve van de luchtvaart – kunnen interfereren met de waarneming van de sterrenhemel door vogels waarmee desoriëntatie op kan treden. Onderzoek toont echter aan dat verlichting van windturbines zeer minimaal qua sterkte en verspreid aanwezig is en daarmee geen verstorend effect heeft op vogels, anders dan bijvoorbeeld vuurtorens of platformen op zee. Effecten op vogels als gevolg van nachtverlichting zijn uitgesloten.
Aanvaringsslachtoffers in gebruiksfase
Sterfte van vogels als gevolg van aanvaringen met windturbines wordt gezien als het opzettelijk doden van vogels en dus een schadelijke handeling in het kader van de Ow.
Lokale vogelsoorten
Onder 14 lokale vogelsoorten worden gedurende de looptijd van het project één of meer slachtoffers voorzien in de gebruiksfase van geplande 7 windturbines in het WP Echteld-Lienden. Op basis van verspreidingsgegevens, gebiedskenmerken en deskundigenoordeel inschattingen gemaakt van de additionele sterfte onder lokale vogels. Voor bijna al deze soorten (met uitzondering van zeearend en grutto, zie tabel 5) blijft de sterfte ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm (getoetst aan landelijke (broed)populatie). De varianten in ashoogte en rotordiameter zijn hierin niet onderscheidend.
|
Soort |
Populatie-grootte |
Populatietype |
1%-mortaliteits-norm1) |
WP Echteld-Lienden |
Huidig WP Echteld |
Additionele sterfte |
|
3.120 |
Br Gelderland |
2 |
1-2 |
0 |
1-2 |
|
|
Zeearend3) |
72 |
Br NL |
<1 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Wulp |
155.000 |
NBr NL |
157 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Kievit |
290.000 |
NBr NL |
856 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Tureluur |
72.000 |
Br NL |
187 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Kokmeeuw |
400.000 |
NBr NL |
400 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Stormmeeuw |
390.000 |
NBr NL |
546 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Visdief |
54.000 |
Br NL |
54 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Smient |
900.000 |
NBr NL |
4.230 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Wilde eend |
700.000 |
NBr NL |
2.611 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Grauwe gans |
545.000 |
NBr NL |
927 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Kolgans |
925.000 |
NBr NL |
2.553 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Ooievaar |
5.000 |
Br NL |
5 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Grote zilverreiger |
7.200 |
NBr NL |
19 |
<1 |
0 |
<1 |
|
||||||
Winter(trek)vogels
Onder 63 soorten trekvogels worden gedurende de looptijd van het project één of meer slachtoffers voorzien in de gebruiksfase van geplande windturbines van het WP Echteld-Lienden (Tabel 6). Deze vogels passeren het projectgebied tijdens seizoenstrek en hebben geen binding met (de omgeving van) het projectgebied. Voor het merendeel van de soorten wordt slechts incidenteel of enkele slachtoffers op jaarbasis voorzien. Na toetsing van de sterfte van deze soorten aan de relevante flyway-populaties blijkt dat voor geen van de soorten sprake is van voorzienbare sterfte die de 1%- mortaliteitsnorm overschrijdt (Tabel 6). De varianten in ashoogte en rotordiameter zijn hierin niet onderscheidend.
|
Soort |
Populatiegrootte |
1%-norm |
WP Echteld-Lienden |
Huidig WP Echteld |
Addit ionele sterfte |
|
Brandgans |
1.400.000 |
1.260 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Toendrarietgans |
185.000 |
316 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Bergeend |
310.000 |
353 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Tafeleend |
150.000 |
525 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Kuifeend |
800.000 |
2.320 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Krakeend |
140.000 |
392 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Wintertaling |
670.000 |
3.149 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Holenduif |
1.000.000 |
4.500 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Houtduif |
1.000.000 |
3.930 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Gierzwaluw |
1.000.000 |
1.920 |
1-2 |
<1 |
<1 |
|
Waterhoen |
2.600.000 |
9.802 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Meerkoet |
1.200.000 |
3.588 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Blauwe reiger |
320.000 |
858 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Aalscholver |
610.000 |
732 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Kievit |
6.300.000 |
18.585 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Oeverloper |
1.100.000 |
1.716 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Witgat |
1.800.000 |
2.808 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Houtsnip |
15.000.000 |
58.500 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Watersnip |
7.000.000 |
36.330 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Kleine mantelmeeuw |
480.000 |
418 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Sperwer |
500.000 |
1.550 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Buizerd |
1.000.000 |
1.000 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Boomvalk |
100.000 |
255 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Torenvalk |
100.000 |
310 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Gaai |
1.000.000 |
4.100 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Kauw |
1.000.000 |
3.060 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Goudhaan |
1.000.000 |
8.510 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Pimpelmees |
1.000.000 |
4.680 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Koolmees |
1.000.000 |
4.580 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Zwarte mees |
1.000.000 |
5.700 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Veldleeuwerik |
1.000.000 |
4.870 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Oeverzwaluw |
1.000.000 |
7.000 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Boerenzwaluw |
1.000.000 |
6.260 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Huiszwaluw |
1.000.000 |
5.900 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Tjiftjaf |
1.000.000 |
6.940 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Fitis |
1.000.000 |
5.400 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Zwartkop |
1.000.000 |
5.640 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Tuinfluiter |
1.000.000 |
5.000 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Grasmus |
1.000.000 |
6.090 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Bosrietzanger |
1.000.000 |
5.300 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Kleine karekiet |
1.000.000 |
5.300 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Rietzanger |
1.000.000 |
7.760 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Winterkoning |
1.000.000 |
6.810 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Spreeuw |
1.000.000 |
3.130 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Merel |
1.000.000 |
3.500 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Kramsvogel |
1.000.000 |
5.900 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Zanglijster |
1.000.000 |
4.370 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Koperwiek |
1.000.000 |
5.700 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Grauwe vliegenvanger |
1.000.000 |
5.070 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Roodborst |
1.000.000 |
5.810 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Tapuit |
1.000.000 |
5.400 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Heggenmus |
1.000.000 |
5.270 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Gele kwikstaart |
1.000.000 |
4.670 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Grote gele kwikstaart |
100.000 |
467 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Witte kwikstaart |
1.000.000 |
5.150 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Boompieper |
1.000.000 |
5.800 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Graspieper |
1.000.000 |
4.570 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Vink |
1.000.000 |
4.110 |
3-6 |
1-2 |
2-4 |
|
Groenling |
1.000.000 |
5.570 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Kneu |
1.000.000 |
6.290 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Putter |
1.000.000 |
6.290 |
<1 |
0 |
<1 |
|
Sijs |
1.000.000 |
5.390 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Rietgors |
1.000.000 |
4.580 |
1-2 |
<1 |
1-2 |
Uit tabel 6 is af te leiden dat geen van de onderzochte vogelsoorten wat betreft te verwachten aantal aanvaringsslachtoffers in de buurt komt van de 1%-mortaliteitsnorm. De additionele sterfte (als van de aantallen van WP Echteld-Lienden) de aantallen van WP Echteld) worden afgetrokken, ligt nog verder onder de 1%-mortaliteitsnorm.
Cumulatieve effecten vogels
Cumulatie lokale vogelsoorten
Voor lokale vogelsoorten is de sterfte van WP Echteld-Lienden gecumuleerd met de sterfte van reeds gerealiseerde en geplande windparken binnen een straal van 30 km. Met uitzondering van de zeearend en grutto ligt de cumulatieve sterfte ruim onder de 1%-mortaliteitsnormen van de betrokken vogelsoorten. Dit betekent dat voor alle lokale soorten met binding met het projectgebied (met uitzondering van zeearend en grutto, die zonder cumulatie ook al boven de 1% uitkomen) geldt dat de sterfte veroorzaakt door de geplande windturbines niet zal leiden tot een negatief effect op de GSI van de desbetreffende populatie.
Voor de zeearend en grutto is de cumulatieve sterfte gelijk aan de 1%-mortaliteitsnorm of gaat hier overheen (Tabel 7). Voor het WP Echteld-Lienden zijn maatregelen (stilstandvoorziening) daarom nodig om de sterfte te reduceren zodat deze ook in cumulatie beneden de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Deze maatregelen zijn opgenomen in de voorschriften voor het WP Echteld-Lienden. Met inachtneming van deze maatregelen kunnen effecten op de GSI van de grutto en zeearend eveneens worden uitgesloten.
|
Windpark |
Bron |
Grutto1) |
Zeearend1) |
Kievit |
Tureluur |
Kokmeeuw |
|
Goyerbrug(Houten) |
Radstake et al. 2018 |
- |
- |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Deil(West-Betuwe) |
Verbeek2017 |
<12) |
- |
6-20 |
- |
6-20 |
|
Avri(Geldermalsen) |
Smits 2016a |
- |
- |
- |
- |
3-10 |
|
A2LageRooijen (Zaltbommel) |
Radstake & Verbeek 2020 |
- |
- |
1-2 |
- |
3 -6 |
|
Bommelerwaard-A2 |
VanderVliet2017 |
- |
- |
1-2 |
- |
1-2 |
|
DeGroeneDelta (Nijmegen) |
Smits2017etal. |
- |
- |
- |
- |
1-2 |
|
Koningspleij (Arnhem) |
Smits 2016b |
- |
- |
- |
- |
3-10 |
|
A15-Lingewaard |
Radstake & Verbeek 2023 |
<1 |
- |
1-2 |
- |
3-6 |
|
Elzenburg-DeGeer |
ODBN2020 |
- |
- |
3-10 |
- |
11-50 |
|
Rijnenburg(Utrecht) |
Jeninga&Verbeek 2023 |
<1 |
- |
1-2 |
- |
3-6 |
|
Echteld-Lienden(na saldering) |
|
1-2 |
<1 |
1-2 |
<1 |
2-4 |
|
Cumulatiefaantal |
|
2-5 |
<1 |
15-42 |
<1-1 |
37-118 |
|
1%-mortaliteitsnorm |
|
2 |
<1 |
856 |
187 |
404 |
|
||||||
|
Windpark |
Bron |
Visdief |
Smient |
Wilde eend |
Grauwe gans |
Kolgans |
|
Goyerbrug(Houten) |
Radstake et al. 2018 |
- |
- |
1-2 |
1-2 |
<1 |
|
Deil(West-Betuwe) |
Verbeek 2017 |
|
1-2 |
2-5 |
1-2 |
- |
|
Avri(Geldermalsen) |
Smits 2016a |
- |
- |
3-10 |
- |
- |
|
A2LageRooijen (Zaltbommel) |
Radstake & Verbeek 2020 |
- |
- |
1-2 |
- |
- |
|
Bommelerwaard-A2 |
Van der Vliet 2017 |
- |
1-2 |
1-2 |
- |
- |
|
DeGroeneDelta (Nijmegen) |
Smits et al. 2017 |
- |
- |
1-2 |
- |
- |
|
Koningspleij(Arnhem) |
Smits 2016b |
- |
- |
- |
- |
- |
|
A15-Lingewaard |
Radstake & Verbeek 2023 |
<1 |
- |
1-2 |
<1 |
1-2 |
|
Elzenburg-DeGeer |
ODBN2020 |
- |
- |
1-2 |
- |
11-50 |
|
Rijnenburg(Utrecht) |
Jeninga & Verbeek 2023 |
- |
- |
1-2 |
1-2 |
1-2 |
|
Echteld-Lienden(na saldering) |
|
<1 |
<1 |
2-4 |
1-2 |
<1 |
|
Cumulatiefaantal |
|
<1-1 |
2-4 |
14-33 |
4-8 |
14-56 |
|
1%-mortaliteitsnorm |
|
54 |
4.230 |
2.611 |
927 |
2.553 |
|
Windpark |
Bron |
Wulp |
Ooievaar |
Grote zilverreiger |
Stormmeeuw |
|
|
Goyerbrug (Houten) |
Radstake et al. 2018 |
<1 |
- |
- |
1-2 |
|
|
Deil (West-Betuwe) |
Verbeek 2017 |
- |
- |
- |
6-20 |
|
|
Avri (Geldermalsen) |
Smits 2016a |
- |
- |
- |
1-2 |
|
|
A2 LageRooijen (Zaltbommel) |
Radstake & Verbeek 2020 |
- |
- |
- |
3-6 |
|
|
Bommelerwaard-A2 |
Van der Vliet 2017 |
- |
- |
- |
1-2 |
|
|
De Groene Delta (Nijmegen) |
Smits et al. 2017 |
- |
- |
- |
1-2 |
|
|
Koningspleij (Arnhem) |
Smits 2016b |
<1 |
- |
- |
3-10 |
|
|
A15-Lingewaard |
Radstake& Verbeek 2023 |
- |
- |
- |
<1 |
|
|
Elzenburg-De Geer |
ODBN 2020 |
- |
1-2 |
- |
11-50 |
|
|
Rijnenburg (Utrecht) |
Jeninga & Verbeek 2023 |
- |
- |
- |
3-6 |
|
|
Echteld-Lienden(na saldering) |
|
1-2 |
<1 |
<1 |
<1 |
|
|
Cumulatief aantal |
|
1-2 |
1-2 |
<1 |
31-102 |
|
|
1%-mortaliteitsnorm |
|
157 |
5 |
19 |
546 |
|
Voor de zeearend en grutto is de cumulatieve sterfte gelijk aan de 1%-mortaliteitsnorm of gaat hier overheen (Tabel 7). Voor het WP Echteld-Lienden zijn maatregelen (stilstandvoorziening) daarom nodig om de sterfte te reduceren zodat deze beneden de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Deze maatregelen zijn onderdeel van het WP Echteld-Lienden. Met inachtneming van deze maatregelen kunnen effecten op de GSI van de grutto eveneens worden uitgesloten.
Cumulatie vogels seizoenstrek
Voor soorten waarvan aanvaringen gedurende seizoenstrek worden voorzien, zijn alle populaties (zeer) groot en is de voorziene sterfte (zeer) ruim beneden de 1%- mortaliteitsnorm (zie tabel 6). De cumulatieve sterfte van andere geplande en recent gerealiseerde plannen en projecten (waarvan de voorziene sterfte niet reeds in de achtergrondpopulatie is opgenomen) ligt samen met de sterfte van het WP Echteld-Lienden met zekerheid beneden de 1%- mortaliteitsnorm.
EFFECTEN OP ECOLOGISCHE WAARDEN: VLEERMUIZEN
Effectbepaling vleermuizen
De volgende effecten van de aanleg en het in gebruik hebben van windturbines op vleermuizen kunnen in theorie optreden:
-
a.
aantasting van verblijfplaatsen in gebouwen of bomen in de aanlegfase (inclusief doorsnijding van vliegroutes en vernietiging essentieel foerageergebied);
-
b.
verstoring van verblijfplaatsen in de aanlegfase;
-
c.
verstoring van verblijfplaatsen in de gebruiksfase;
-
d.
sterfte in de gebruiksfase als gevolg van aanvaring.
De mogelijke effecten in WP Echteld-Lienden worden hieronder besproken.
Aantasting van verblijfplaatsen of verstoring in de aanlegfase
Alle geplande turbinelocaties liggen op een afstand groter dan 50 m verwijderd van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zal daarom geen sprake zijn van aantasting of verstoring van verblijfplaatsen gedurende de aanleg het windpark. Wel zal er mogelijk sprake zijn van verstoring van foerageergebieden van vleermuizen in de aanlegfase, vanwege verstoring.
Aanvaringsslachtoffers vleermuizen WP Echteld-Lienden
Vleermuizen kunnen door aanvaring met de windturbines slachtoffer worden in de gebruiksfase van het windpark. Langs een deel van de wegen in het projectgebied staan laanbomen. Ook zijn er enkele bosschages en de Linge in het projectgebied aanwezig. Deze elementen kunnen door vleermuizen worden gebruikt om te foerageren. Wanneer windturbines binnen 200 m van deze lijnvormige landschapselementen worden geplaatst is er een verhoogd risico op aanvaring van vleermuizen met de windturbines. Hierbij wordt uitgegaan van 8 vleermuisslachtoffers per turbine per jaar, gebaseerd op de activiteitsmetingen vanuit het bestaande WP Echteld (op minder dan 200 m afstand van de Linge) en een berekening van het aantal te verwachten vleermuisslachtoffers met het softwareprogramma ProBat. Voor windturbines op meer dan 200 m van lijnvormige landschapselementen wordt aangenomen dat het aantal jaarlijkse slachtoffers 5 bedraagt; de bovengrens van wat in slachtofferonderzoek in andere windparken in halfopen (extensief) agrarisch land gevonden wordt. In de berekeningen van het aantal aanvaringsslachtoffers is de locatie van de turbines bepalend, welk getal er wordt gebruikt: 8 of 5 slachtoffers per turbine.
Bij plaatsing van 7 turbines in WP Echteld-Lienden leidt dit cf. bovenstaande uitgangspunten in totaal 44 aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen. Omdat gesaldeerd wordt met het bestaande WP Echteld (4 turbines, af te breken uiterlijk 2029), betekent dat het additioneel aantal slachtoffers uitkomt op 15 (zie tabel 8) .
|
|
Gewone dwergvleermuis |
Ruige dwergvleermuis |
Rosse vleermuis |
Laatvlieger |
|
Catchment area(aantal km2) |
2.828 |
2.828 |
2.828 |
2.828 |
|
Aantal ex. in catchment area |
33.936 |
8.484 |
283 |
1.980 |
|
1%-mortaliteitsnorm |
68 |
28 |
1 |
3 |
|
Voorziene sterfte WP Echteld-Lienden |
14 |
8 |
20 |
2 |
|
Voorziene sterfte huidig WP Echteld (4 turbines) |
9 |
5 |
13 |
2 |
|
Additionele sterfte 7 turbines (ná saldering) |
5 |
3 |
7 |
0 |
Cumulatieve effecten vleermuissterfte
Om inzichtelijk te maken hoe de sterfte van vleermuizen van het WP Echteld-Lienden en geplande windparken in de omgeving zich verhouden tot de 1%-mortaliteitsnorm, is van alle recent gerealiseerde en geplande (wel vergunde, maar nog niet gerealiseerde) windparken in de 30 km-zone (Tabel 9) een cumulatieberekening uitgevoerd. Van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis ligt de cumulatieve sterfte beneden de 1%- mortaliteitsnorm. Voor de rosse vleermuis is de gecombineerde sterfte ruim hoger dan de 1%-mortaliteitsnorm. De laatvlieger is in deze cumulatietoets niet meegenomen, omdat de additionele sterfte volgens tabel 8 al op 0 uitkomt, na saldering met WP Echteld.
|
Windpark |
Bron |
Gewone dwergvleermuis |
Ruige dwergvleermuis |
Rosse Vleermuis1) |
|
Goyerbrug (Houten)2) |
Radstake et al. 2018 |
3 |
<1 |
1 |
|
Deil (West-Betuwe) |
Verbeek 2017 |
5 |
<1 |
<1 |
|
Avri (Geldermalsen) |
Smits 2016a |
1 |
<1 |
<1 |
|
A2 Lage Rooijen (Zaltbommel) |
Radstake & Verbeek 2020 |
5 |
1 |
1 |
|
Bommelerwaard-A23)2) |
Van der Vliet 2017 |
2 |
0 |
0 |
|
De Groene Delta (Nijmegen) |
Smits et al. 2017 |
6 |
0 |
0 |
|
Koningspleij (Arnhem) |
Smits 2016b |
15 |
5 |
0 |
|
A15-Lingewaard |
Radstake & Verbeek 2023 |
12 |
2 |
1 |
|
Elzenburg-De Geer |
ODBN 2020 |
6 |
1 |
1 |
|
Rijnenburg (Utrecht)2) |
Jeninga & Verbeek 2023 |
2 |
<1 |
0 |
|
WP Echteld-Lienden (na saldering) |
|
5 |
3 |
7 |
|
Cumulatief aantal |
|
62 |
7-8 |
11-12 |
|
1%-mortaliteitsnorm |
|
68 |
28 |
1 |
|
||||
Uit tabel 9 blijkt dat het aantal aanvaringsslachtoffers van de rosse vleermuis ver uitstijgt boven de 1%-mortaliteitsnorm, zodat aanzienlijke mitigerende maatregelen nodig zijn om de bijdrage vanuit WP Echteld-Lienden te minimaliseren. Dit wordt besproken onder het kopje “Preventieve en mitigerende maatregelen vleermuizen”.
EFFECTEN OP ECOLOGISCHE WAARDEN: GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
Als gevolg van ruimtebeslag (max. 5,5 ha) kan de aanleg van het WP Echteld-Lienden leiden tot verlies van essentieel foerageergebied van de bunzing, de wezel, de hermelijn en/of de steenmarter. Voor de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is het effect van oppervlaktebeslag op foerageergebied relatief groter dan voor de steenmarter, omdat kleine marterachtigen kleinere territoria hebben. Door bij de planning en wijze van uitvoering/inpassing rekening te houden met genoemde soorten (zoals het mijden van werken in gebieden nabij verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en aanbrengen van alternatief leef- en foerageergebied), kunnen daarmee schadelijke handelingen onder de Ow voorkomen worden.
PREVENTIEVE EN MITIGERENDE MAATREGELEN VOGELS
Preventieve maatregelen vogels
Broedvogels
Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met het broedseizoen van algemene vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Dit kan door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. We rekenen daarbij dat het broedseizoen duurt van half maart tot half augustus. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, moeten potentiële broedplaatsen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen, uiterlijk begin maart, ontoegankelijk worden gemaakt. Het betekent tevens dat de heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd.
Mitigerende maatregelen vogels
Maatregelen sterfte grutto
Om de sterfte van grutto in de gebruiksfase te reduceren en daarmee een effect op de populatie te voorkomen is een stilstandvoorziening (SVZ) voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden om te verzekeren dat deze effectief is:
-
●
De 3 windturbines ten noorden van de rijksweg A15 worden uitgerust met een SVZ. Deze windturbines staan in de directe nabijheid territoria van broedvogels van grutto.
-
●
De SVZ is in werking gedurende de periode in het jaar dat veel baltsvluchten en andere risicovolle vluchten van de grutto op rotorhoogte plaatsvinden. Rekening houdend met variatie tussen broedseizoenen bedraagt deze periode half maart tot en met eind mei. Binnen deze periode vinden verreweg de meeste vluchten van grutto plaats (ter vergelijk: >80% in WP Den Tol) die bovendien voor een groter deel binnen het rotorbereik plaatsvinden dan voor en na deze periode.
-
●
De SVZ is gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang) in werking.
-
●
Naar aanleiding van nader ecologisch onderzoek en/of in te zetten technische maatregelen waaronder camera- of radardetectie kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd, echter uitsluitend in afstemming met en na goedkeuring van de provincie Gelderland.
Maatregelen zeearend
Om de kans op sterfte van de zeearend weg te nemen is een SVZ voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden om te verzekeren dat deze effectief is:
-
●
Omdat vliegbewegingen van zeearend in potentie in het gehele projectgebied kunnen plaatsvinden, worden alle windturbines uitgerust met een SVZ.
-
●
De SVZ is gedurende het gehele jaar in werking. De in de omgeving broedende zeearenden kunnen het gehele jaar aanwezig zijn en kunnen binnen en buiten het broedseizoen betrekking hebben op dezelfde individuen.
-
●
Bovenstaande voorwaarden gaan uit van een SVZ op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag). Er bestaan ook mogelijkheden zoals stilstandsystemen, die windturbines alleen stilzetten in geval een specifieke vogelsoort nabij de windturbines vliegt (op basis van radar of camera). Een dergelijk systeem kan mogelijk geschikt zijn voor de zeearend als gelijkwaardige maatregel.
Vervangend leefgebied van grutto
Als gevolg van verstoring door het geplande windpark wordt 11 ha leefgebied van de grutto negatief aangetast. Een gebied van gelijke omvang dient als onderdeel van het plan daarom ingericht en beheerd te worden als een volwaardig leefgebied van de grutto. Het vervangende leefgebied wordt voorafgaande aan de aanleg van het windpark aangelegd. De inrichting dient plaats te vinden onder leiding van een ecologisch deskundige op het gebied van weidevogels.
PREVENTIEVE EN MITIGERENDE MAATREGELEN VLEERMUIZEN
Stilstandvoorziening vleermuizen
Een stilstandvoorziening (SVZ) is bij het WP Echteld-Lienden nodig om een effect op de GSI van de rosse vleermuis met zekerheid te kunnen uitsluiten. Met een SVZ op de windturbines die is afgestemd op de lokale vleermuisactiviteit is 80% reductie van vleermuisslachtoffers mogelijk. Met een reductie van minimaal 80% bedraagt het aantal slachtoffers van rosse vleermuis in het WP Echteld-Lienden 4 per jaar. Hierbij dient de SVZ al vroeg in het actieve seizoen (vanaf half maart) ingezet te worden om aanvaringen met drachtige vrouwtjes te voorkomen. Na saldering met WP Echteld bedraagt de additionele sterfte nul (tabel 10). Er is geen sprake van een aantasting van de GSI van de rosse vleermuis als de hieronder genoemde SVZ wordt toegepast. Ook voor andere vleermuissoorten geldt dat de additionele sterfte nul bedraagt. In principe hoeft een cumulatietoets dan niet meer toegepast te worden.
Om het jaarlijks aantal slachtoffers onder vleermuizen, met name de rosse vleermuis, te minimaliseren, dienen de turbines voorzien te worden van een SVZ tijdens de gehele gebruiksfase. De SVZ houdt in dat de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines verlaagd wordt tot 1 rpm of minder onder de volgende specifieke omstandigheden (die tegelijkertijd aan de orde moeten zijn):
-
a.
Uitsluitend in de periode tussen half maart tot 1 november én;
-
b.
Tussen zonsondergang en zonsopkomst én;
-
c.
Bij temperaturen hoger dan 10 graden én;
-
d.
Bij windsnelheden lager dan of gelijk aan 5 m/s op ashoogte én;
-
e.
Bij droog weer of lichte regen (< 3 mm/hr).
|
Windpark |
WP Echteld-Lienden met SVZ |
Saldering met Echteld |
Additionele sterfte |
|
Totaal aantal slachtoffers per jaar |
9 |
29 |
0 |
|
Laatvlieger |
<1 |
2 |
0 |
|
Rosse vleermuis |
4 |
13 |
0 |
|
Gewone dwergvleermuis |
3 |
9 |
0 |
|
Ruige dwergvleermuis |
2 |
5 |
0 |
PREVENTIEVE EN MITIGERENDE MAATREGELEN OVERIGE SOORTEN
Maatregelen leefgebied steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel
Om schadelijke handelingen te voorkomen worden voortplantings- of rustplaatsen in de kwetsbare periode maart- augustus ontzien. Buiten het voortplantingsseizoen zijn de dieren flexibel in hun gebruik van verblijfplaatsen, mits er voldoende aanbod aan verblijfplaatsen is. Om voldoende aanbod aan verblijfplaatsen én foerageergebied te waarborgen wordt in het leefgebied van de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel vooraf (aansluitend op bestaande structuren, op logische plekken, zoals langs de greppels en in bermen) takkenrillen, houtstapels of andere plekken met schuilmogelijkheden aangebracht. Minimaal dezelfde oppervlakte aan leefgebied dat tijdelijk en permanent verloren gaat (netto 50.000 m2) dient voorafgaande aan de aanleg van het windpark functioneel gemaakt te worden voor deze soorten. Binnen deze oppervlakte kan ruig grasland meetellen als maatregel, mits het gecombineerd wordt met genoemde schuilelementen. Op deze manier wordt met zekerheid vastgesteld dat ruim voldoende leefgebied aangelegd voor de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Met deze maatregelen kunnen effecten op de lokale populatie(s) worden uitgesloten.
Grote modderkruiper
Zonder voorzorgsmaatregelen kan de aanleg van dammen in sloten leiden tot het doden van de beschermde soorten de grote modderkruiper. Door bij de planning en wijze van uitvoering rekening te houden met deze soort, kan sterfte en daarmee schadelijke handelingen onder de Ow voorkomen worden. De ingreep is lokaal en beslaat maar een zeer klein deel van de aanwezige sloten. Voor de grote modderkruiper dient de aanleg van dammen in de voor deze soort geschikte wateren buiten de kwetsbare periode plaats te vinden. De minst kwetsbare periode betreft augustus en september én in andere maanden indien deze sloten droog staan.
MONITORING
Gedurende de eerste drie jaar na de ingebruikname van de turbines wordt de activiteit en migratie van vleermuizen gemonitord middels akoestische monitoringsmiddelen (zoals een batdetector met opnamefunctie) op gondelhoogte. Ook wordt conform het landelijke monitoringsprotocol voor windparken gemonitord op aanvaringsslachtoffers en wordt de activiteit en gebruik van het leefgebied in de omgeving van het projectgebied gemeten.
De nadere uitwerking van de monitoring wordt beschreven in een monitoringsprotocol, dat minimaal 1 maand voorafgaand aan de start van de exploitatie van het windpark aan de provincie Gelderland ter goedkeuring wordt overlegd. De resultaten van de monitoring worden na afloop van de monitoringsperiode, jaarlijks voor een periode van in totaal 3 jaar, gedeeld met het bevoegd gezag. Waar nodig kan er bijgestuurd worden op de gestelde voorschriften en maatregelen.
BEOORDELINGSKADER
Tabel 11 geeft een overzicht weer van de relevante aspecten waarop getoetst is in
het kader van de Omgevingswet.
Op basis van de informatie bij het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden en bovenstaande tabel 11 is bepaald voor welke soorten de verbodsbepalingen worden overtreding. Deze zijn opgenomen in tabel 7, paragraaf 5.1 eerste lid sub d van de regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden. Hiervoor wordt vergunning verleend.
De aan deze vergunning gekoppelde voorschriften zijn opgenomen in 5.1.4. van de Regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden.
3 CONCLUSIE
Gelet op het voorgaande is de gevraagde omgevingsvergunning voor flora- en fauna activiteit verleend.
DOCUMENTEN AANVRAAG FLORA - EN FAUNA ACTIVITEIT
Hieronder zijn de documenten uit de aanvraag voor de flora en fauna activiteit toegevoegd. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL).
|
Titel document |
Kenmerk / versiedatum |
URL |
|
Aanvraag bijlagen flora en fauna activiteit.pdf |
22 maart 2024 |
Het MER is afzonderlijk toegevoegd in bijlage VI.
Bijlage V Onderbouwing vergunning omgevingsplanactiviteit bouwen en technische bouwactiviteit onderstation
1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN?
Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteiten:
-
●
Bouwactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (technisch bouwen), art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet;
-
●
Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (ruimtelijk bouwen), art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet.
De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN ONDERSTATION en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER) .
De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan en technisch) betreft het onderstation voor een duur van 30 jaar. Het onderstation maakt onderdeel uit van het te realiseren Windpark Echteld-Lienden. De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
2 BOUWACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (TECHNISCH BOUWEN)
2.1 Wat staat er in de wet?
In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet).
Een omgevingsvergunning voor een “bouwactiviteit” (de technische bouwvergunning), voor zover die ziet op het ziet op het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk, wordt alleen verleend als aannemelijk is dat er wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 8.3b lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving).
2.2 Toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (en eventuele maatwerkregels in het omgevingsplan)
Op basis van de informatie bij het projectbesluit, zijn wij van mening dat het aannemelijk is dat het bouwplan, onder voorschriften, voldoet aan de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (en, voor zover van toepassing, aan maatwerkregels in het omgevingsplan). De aan deze vergunning gekoppelde voorschriften zijn opgenomen in 5.1.5 van de Regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden.
3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (RUIMTELIJK BOUWEN)
3.1 Wat staat er in de wet?
In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet). Een omgevingsplanactiviteit is, kort gezegd, een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten maar ook elke activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
In de “Bruidsschat” staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (art. 22.26 Bruidsschat). De regels van de Bruidsschat zijn te vinden in afdeling 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en maken onderdeel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan.
In artikel 22.29 van de Bruidsschat staat wanneer wij een aanvraag omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwen” verlenen. De vergunning wordt alleen verleend als:
-
a.
de activiteit voldoet aan de daaraan gestelde regels in het omgevingsplan. Als daar niet aan wordt voldaan dan wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving);
-
b.
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachte ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, en;
-
c.
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de bodemkwaliteit zich niet tegen de bouw en gebruik van het bouwwerk verzet.
Hieronder bespreken wij alle toetsingscriteria.
3.2 Toetsing aan de bouwregels in het omgevingsplan
Op basis van de ingediende stukken hebben wij de aangevraagde activiteit getoetst aan het omgevingsplan dat, kort gezegd,bestaat uit de regels uit de Bruidsschat en de regels uit de (voormalige) bestemmingsplannen op de locatie:
|
Bestemmingsplan |
Bestemming of aanduiding |
Conclusie |
|
Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 |
Art 10 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5 |
Geen vergunning of bouwverbod. Het onderstation voldoet. |
|
Bestemmingsplan Lienden, zonnepark Panderweg |
Art 3 Agrarisch met waarden – Komgebied |
- Onderstation ten behoeve van het windpark: strijdig wat betreft gebruik, omdat het onderstation uitsluitend mag worden benut ten behoeve van het zonnepark. - Gebouw wordt binnen bouwvlak opgericht en is max 4m hoog. - Zonnepark mag max 30 jaar in gebruik zijn. Dit voldoet. - Voorwaardelijke verplichting: Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een inkoopstation binnen de aanduiding bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark', wordt slechts verleend indien de hoofdelementen van de landschappelijke inpassing (water en grondlichamen) conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage VIII voor minimaal 80% zijn gerealiseerd. -Geen aanleg Het onderstation voldoet niet aan Bestemmingsplan Lienden, zonnepark Panderweg. |
Projectbesluit Windpark Echteld Lienden
In het vigerende omgevingsplan is het onderstation al bestemd ten behoeve van het zonnepark. Voorliggend projectbesluit wijzigt het omgevingsplan op dit onderdeel, door het gebruik van het onderstation ook mogelijk te maken voor het windpark. Daarmee is de planologische borging van het onderstation geregeld en kan de vergunning worden verleend.
3.3 Toetsing aan redelijke eisen van welstand
Gezien het feit dat het plan een tijdelijk bouwwerk, dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, betreft, is er geen advies van Welstand noodzakelijk. Het plan is dan ook niet getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Hierdoor hebben wij (op dit punt) geen reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren.
DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN ONDERSTATION
Hieronder zijn de documenten uit de aanvraag voor het bouwen van het onderstation toegevoegd. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL). Het MER is afzonderlijk toegevoegd in bijlage VI.
Bijlage VI Gecombineerd plan- en project-MER
In deze bijlage is het milieueffectrapport (MER) toegevoegd. Het doel van dit rapport is dan ook om een gedegen en geïnformeerd besluitvormingsproces te faciliteren, waarbij de belangen van het milieu zorgvuldig worden afgewogen tegenover de ambitie om duurzame windenergie op te wekken. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL).
|
Titel document |
Kenmerk / versiedatum |
URL |
|
Bijlage VI a: Gecombineerd plan- en projectMER |
2 september 2025 |
Bijlage VI_a: Gecombineerd plan- en projectMER (incl bijlagen)
|
|
Bijlage VI b: Samenvatting MER |
27 juni 2025 |
|
|
Bijlage VI c: Advies reikwijdte en detailniveau MER |
13 juli 2023 |
|
|
Bijlage VI d: Tussenadvies commissie MER |
5 september 2024 |
|
|
Bijlage VI e: Eindadvies commissie MER |
27 november 2024 |
Bijlage VII Notitie compensatie leefgebied grutto
Bijlage VIII Landschappelijk inpassingsplan

Het volledige landschappelijk inpassingsplan is te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL).
- [1]
Commerciële ingebruikname start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Terug naar link van noot.
- [2]
De provincie Gelderland verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie, habitats en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en ((soort)specifieke) ecologische kennis heeft.
De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
●
op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of
-
●
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.
Met betrekking tot soorten of specifieke soorten kan als deskundige ook iemand worden aangemerkt die:
-
●
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt ecologie, natuurbeheer of vergelijkbaar; en/of
-
●
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
-
●
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl