Beleidsregels reiskostenvergoeding trajecten Gemeente Almere

Geldend van 01-09-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels reiskostenvergoeding trajecten Gemeente Almere

Het college van burgemeester en wethouders van Almere,

gelet op: de artikelen 7, 9, en 10 van de Participatiewet, de artikelen 36 en 37 van respectievelijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), artikel 3 Wet Inburgering 2021, de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Participatiewet Almere 2024;

overwegende, dat het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden een vergoeding voor reiskosten vanuit het participatiebudget kan worden verstrekt;

BESLUIT:

vast te stellen de beleidsregels ‘reiskostenvergoeding trajecten Gemeente Almere’ onder intrekking van de op 2 januari 2025 vastgestelde beleidsregel ‘Procedure aanvraag en toekenning reiskosten’.

Beleidsregels reiskostenvergoeding trajecten Gemeente Almere

Normaal gesproken wordt iedere inwoner geacht eventuele kosten voor reizen zelf te bekostigen uit middelen voor levensonderhoud. Reiskosten worden zogezegd gezien als algemene kosten en niet als bijzondere kosten. Inwoners met inkomsten op bijstandsniveau die deelnemen aan een traject, kunnen tegen financiële uitdagingen aanlopen, vooral wanneer het inkomen beperkt is en er weinig of geen ruimte is voor reiskosten. Om hen in staat te stellen hun traject te volgen, kunnen zij een reiskostenvergoeding aanvragen.

Voor reiskosten in het kader van ondersteuning bij arbeidsinschakeling, het verrichten van maatschappelijk nuttige werkzaamheden en de plicht tot inburgering kan een vergoeding vanuit het participatiebudget worden verstrekt. Het gaat bij een vergoeding voor een belanghebbende om reiskosten die niet gedekt kunnen worden uit een voorliggende voorzieningen of het inkomen (draagkracht).

Artikel 1 Begripsomschrijving

Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    belanghebbende: degene die een reiskostenvergoeding aanvraagt;

  • b.

    bijstandsnorm: de normen zoals bedoeld onder artikel 5 aanhef en onder c van de wet;

  • c.

    draagkracht: het deel van het inkomen dat de belanghebbende geacht wordt te gebruiken om in de reiskosten te voorzien;

  • d.

    inkomen: inkomen zoals omschreven in de artikelen 32, 33 en 36b van de Participatiewet;

  • e.

    MSNP/WSNP: Wet schuldsanering natuurlijke personen of Minnelijk schuldsanering natuurlijke personen;

  • f.

    NIBUD-prijzengids: de richtprijzen voor uitgaven zoals opgesteld door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD), geldig op het moment van de aanvraag;

  • g.

    openbaar vervoer (OV): vervoer per trein 2e klas, tram, metro, stads- en streekbussen;

  • h.

    reisafstand: de kortste afstand tussen woonadres en werkplek;

  • i.

    reiskostenvergoeding: vergoeding voor de gemaakte of te maken reiskosten per openbaar vervoer, kilometervergoeding voor gebruik van de auto, scooter of bromfiets, of de aanschaf van een fiets;

  • j.

    traject: alle voorzieningen en activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, inburgering, scholingsplicht, vrijwilligerswerk en maatschappelijke nuttige werkzaamheden;

  • k.

    uitkering: Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO);

  • l.

    voorliggende voorziening: een reiskostenvergoeding verstrekt door een werkgever, vrijwilligersorganisatie of een andere organisatie waar een traject plaatsvindt. Ook een weesfiets, studentenreisproduct van DUO, stagevergoeding of een onkostenvergoeding is een middel om in de reiskosten te voorzien;

  • m.

    W&I: afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Almere;

  • n.

    werkplek: het gebouw, gebouwencomplex of terrein, waar de belanghebbende zijn traject volgt, of (gewoonlijk) zijn werkzaamheden verricht;

  • o.

    wet: Participatiewet;

  • p.

    woonadres: het adres binnen de gemeente Almere, waar de belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven.

Artikel 2 Uitgangspunten

  • 1. Een reiskostenvergoeding voor gemaakte of te maken reiskosten kan worden verstrekt aan:

    • a)

      belanghebbenden die een uitkering ontvangen en een traject volgen of;

    • b)

      niet- uitkeringsgerechtigden die op grond van de Participatiewet, IOAW en IOAZ-ondersteuning van de gemeente ontvangen gericht op arbeidsinschakeling of inburgeringsplichtig zijn volgens de Wet inburgering 2021 (WI 2021).

  • 2. Bij de beoordeling van de vergoeding moet het gaan om niet-incidentele periodieke reiskosten in verband met activiteiten binnen een traject. Als uitgangspunt wordt genomen: minimaal twee keer per maand naar de werkplek.

  • 3. Belanghebbende komt alleen voor reiskostenvergoeding in aanmerking, wanneer er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, of wanneer deze voorziening niet toereikend is.

  • 4. Als een reisafstand met de fiets minder dan 7 kilometer bedraagt, dan worden er in beginsel geen reiskosten vergoed. Voor de reisafstand wordt uitgegaan van de kortste route per fiets overeenkomstig de ANWB-routeplanner. Bij een reisafstand van minder dan 7 kilometer wordt het redelijk geacht dat de belanghebbende met de fiets of lopend naar de te bezoeken locatie kan gaan, tenzij:

    • a)

      belanghebbende om dringende (medische) redenen niet in staat is om te fietsen of te lopen; of

    • b)

      belanghebbende niet kan fietsen, ontvangt deze een reiskostenvergoeding totdat de aangeboden fietscursus is afgerond. Na het afronden van de cursus wordt de belanghebbende geacht te kunnen fietsen en is het de bedoeling dat gebruik wordt gemaakt van de fiets als vervoersmiddel.

  • 5. Belanghebbende, die niet over een fiets beschikt en een reisafstand heeft van minder dan 7 kilometer, kan mogelijk in aanmerking komen voor een weesfiets.

  • 6. Er kan met maximaal twee maanden terugwerkende kracht worden vergoed, te rekenen vanaf datum aanvraag.

Artikel 3 Hoogte vergoeding

  • 1. Als de enkele reisafstand met de fiets boven de 7 kilometer komt, worden alle kilometers volledig vergoed, inclusief de eerste 7 kilometer.

  • 2. Openbaar vervoer: de goedkoopste en meest praktische manier van reizen wordt vergoed, op basis van het tarief van het openbaar vervoer. Hierbij kan het ook gaan om een OV-abonnement indien dit goedkoper is. De kosten kunnen worden uitgerekend via 9292.nl.

  • 3. Auto, scooter of bromfiets: Indien de belanghebbende met de auto, scooter of bromfiets reist en dit de goedkoopste optie is, wordt er € 0,15 per kilometer vergoed op basis van de ANWB-routeplanner. Daarbij wordt gekozen voor de kortste route, waarbij de enkele reisafstand op hele kilometers naar boven wordt afgerond.

  • 4. Inburgeringstrajecten: De reiskosten worden vergoed naar de dichtstbijzijnde plaats waar de opleiding gevolgd kan worden. Als belanghebbende ervoor kiest de opleiding verder weg te volgen, dan worden de kosten vergoed tot de dichtstbijzijnde mogelijke opleidingslocatie.

  • 5. Fietsvergoeding: W&I heeft een regeling met Stadsreiniging voor het leveren van gebruikte fietsen. Als een belanghebbende een fiets nodig heeft, wordt eerst onderzocht of een fiets kan worden geleverd door Stadsreiniging. Als dat niet het geval is, dan kan een vergoeding voor een (tweedehands) fiets worden verstrekt, ter waarde van 50% van de prijs van een nieuwe fiets zoals aangegeven volgends NIBUD-prijzengids.

  • 6. Eventuele draagkracht, zie artikel 4, en een reiskostenvergoeding van bijvoorbeeld de werkgever wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vergoeding door W&I.

Artikel 4 Draagkracht uit inkomen

  • 1. De vergoeding voor reiskosten wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. Draagkracht is het gedeelte van het inkomen dat de belanghebbende bij een aanvraag zelf moet inzetten.

  • 2. Onder inkomsten verstaan we de inkomsten zoals we die meetellen in de bijstand met uitzondering van kinderbijslag, huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag, inkomsten uit arbeid van kinderen en vrijwilligersvergoedingen.

  • 3. Alleen inkomen waarover men feitelijk kan beschikken wordt meegenomen in de draagkrachtberekening. Wanneer er sprake is van een WSNP/MSNP/Ondersteuning Schuldstabilisatie (OSS)/schuldenbewind door convenant partner n.a.v. Mesis-screening, dan wordt ervan uitgegaan dat belanghebbende geen draagkracht heeft.

  • 4. Een niet-uitkeringsgerechtigde, met een inkomen van minder dan 140% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm, heeft geen draagkracht.

  • 5. Bij de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm.

Artikel 5 Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking op 1 september 2025 en is van toepassing op alle aanvragen vanaf die datum.

  • 2. Deze beleidsregel vervangt de op 2 januari 2025 vastgestelde beleidsregel ‘Procedure aanvraag en toekenning reiskosten’.

Artikel 6 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels reiskostenvergoeding trajecten Gemeente Almere’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld,

Almere, 24 juni 2025

Burgemeester en wethouders van Almere,

namens hen,

De afdelingsmanager Werk en Inkomen

T.F. Permentier

Bijlage 1. Toelichtingen op de beleidsregels

Artikel 2 Uitgangspunten

Lid 2

Belanghebbende ontvangt geen tegemoetkoming in reiskosten, wanneer naar het oordeel van de klantmanager de activiteit of het vrijwilligerswerk niet gericht is op het verkrijgen van een betaalde baan of het opdoen van werkervaring, bijvoorbeeld bij dagbesteding. Dit geldt ook voor zelfstandigen.

Lid 3

Zodra belanghebbende bij een werkgever of maatschappelijke organisatie betaald of onbetaald werk gaat verrichten, is het in principe de verantwoordelijkheid van de werkgever of organisatie om in de reiskostenvergoeding te voorzien. Dat kan vastgelegd zijn in een cao of individuele (arbeids)overeenkomst. Als dat niet is geregeld, bespreekt belanghebbende met de werkgever of maatschappelijke organisatie de mogelijkheid van een reiskostenvergoeding. Blijft de werkgever of organisatie erbij dat de belanghebbende geen reiskostenvergoeding krijgt, dan beoordeelt W&I of de belanghebbende ondersteuning van de gemeente kan krijgen.

Lid 4

Voor een belanghebbende die een traject volgt en hierdoor gebruik moet maken van kinderopvang, kan het noodzakelijk zijn om het kind naar een opvanglocatie buiten de eigen wijk te brengen. Dit kan leiden tot een langere reisafstand. Deze extra afstand dient in dat geval te worden meegenomen bij de beoordeling van een eventuele reiskostenvergoeding.

Lid 1 en lid 5

  • Voor openbaar vervoer of vervoer met de auto, scooter of brommer slechts tijdelijk is, kan belanghebbende daarna nog aanspraak maken op de fietsvergoeding. Echter, als belanghebbende gebruik maakt van de fietsvergoeding, is er in principe geen recht meer op een vergoeding voor het reizen met openbaar vervoer of de auto, scooter of brommer.

  • Geen vergoedingen worden verstrekt voor onderhouds- en reparatiekosten en aanverwante kosten van de fiets.

Artikel 3 Hoogte vergoeding

Lid 4

De reiskosten worden vergoed naar de dichtstbijzijnde locatie waar de opleiding gevolgd kan worden. Kiest de belanghebbende ervoor om de opleiding op een verder gelegen locatie te volgen, dan worden de reiskosten vergoed tot het bedrag dat nodig zou zijn voor de dichtstbijzijnde opleidingslocatie.

Als de opleiding bijvoorbeeld zowel in Almere als in Amsterdam wordt aangeboden, dan worden de reiskosten berekend op basis van de locatie in Almere, ook als de belanghebbende ervoor kiest om naar Amsterdam te reizen.