Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743533
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743533/1
Beleid radicalisering en extremisme Noord-Nederland 2024
Geldend van 27-08-2025 t/m heden
Intitulé
Beleid radicalisering en extremisme Noord-Nederland 20241. Inleiding
De Nederlandse samenleving bevindt zich in roerige tijden. Sinds het begin van deze eeuw heeft Nederland te maken gehad met een aantal crises die het vertrouwen in de overheid hebben doen afnemen, het wantrouwen jegens de ‘ander’ heeft doen groeien en de positieve kijk naar de toekomst, die het einde van de vorige eeuw zo kenmerkte, heeft ondermijnd. Niet alleen de kloof tussen overheid en burger is gegroeid, ook de kloof tussen burgers onderling. Deze maatschappelijke polarisatie maakt dat er in toenemend mate voedingsbodem is voor radicalisering, uit steeds meer diverse hoeken van de samenleving. Naast bekende politieke vormen als extreem-links en rechts, als ook religieuze radicalisering, is er heden ten dage ook sprake van een nieuwe, opkomende vorm van radicaal gedachtegoed welke met name anti-institutioneel van aard is.
Alvorens nieuw beleid te ontwikkelen is het verstandig een beeld te hebben van de actuele stand van zaken. Deze noodzaak is van extra belang wanneer men in overweging neemt dat de analyses die in de afgelopen twee decennia wel hebben plaatsgevonden, vrijwel altijd twee zaken gemeen hadden: een thematische focus op het jihadisme en een geografische focus op de Randstad. Om die reden is met behulp van de Versterkingsgelden eind 2021 opdracht gegeven tot een ‘lokale’ Fenomeenanalyse extremisme Noord-Nederland. Hierin is specifiek gekeken naar de drie Noordelijke provincies en gesproken met aandachtsfunctionarissen uit Drenthe, Fryslân en Groningen. Het rapport is in november 2022 gepubliceerd. Deze 0-meting vormt de basis van deze impuls om het beleid in Noord-Nederland te moderniseren, werkprocessen te standaardiseren en landelijke handvatten te voorzien van een couleur locale.
Middels dit memo nemen wij u mee in de uitdagingen van het heden en doen wij een aantal concrete voorstellen met betrekking tot het implementeren van beleid die iedere gemeente, en daarmee Noord-Nederland als geheel, weerbaarder zal maken voor nieuwe uitwassen van polarisatie. Samenvattend zijn deze gestoeld op de vier aanbevelingen van de Rijksuniversiteit:
- 1.
Een versterking van de bewustwording op zowel bestuurlijk als professioneel niveau
Radicalisering staat niet gelijk aan jihadisme en extremisme niet aan terrorisme. We leven in een nieuwe realiteit waar deze begrippen in het collectief bewustzijn toe zijn aan herijking ten behoeve van het vermogen casuïstiek te signaleren en thematiek te agenderen.
- 2.
Aanscherpen integrale aanpak
In veel delen van het Noorden ontbreken de gestandaardiseerde samenwerkingsvormen die elders wel zijn geïmplementeerd, dit veroorzaakt een onwenselijke scheefgroei.
- 3.
Vormgeven regionale coördinatie en aansturing
Radicalisering en extremisme hebben weinig op met gemeentegrenzen. Gelijk aan andere veiligheidsthema’s, neem ondermijning, is regionale samenwerking en coördinatie onmisbaar.
- 4.
Duurzame investering in capaciteit, expertise en onderzoek
Nieuwe vormen van radicalisering zijn vaak poreus en fluïde. Ook zijn de voedingsbodems voor deze vormen van radicalisering veel duidelijker aanwezig in Noord-Nederland dan de voedingsbodems van het fenomeen dat in het verleden de voornaamste aandacht genoot: jihadisme. Wij dienen hier als regio meer grip op te krijgen. Door ons kennisniveau op peil te houden en te investeren in ons collectief vermogen om maatschappelijke ontwrichting het hoofd te bieden, zorgen wij voor een veiliger en stabieler Noord-Nederland voor al haar inwoners.
1.1 Missie
Wij streven een samenleving na waarin burgers zo veel mogelijk aangesloten blijven bij, en geloven in, de functionerende rechtstaat. Om dit te bereiken bouwen wij een sterk signalerend vermogen opdat het radicaliseringsproces tijdig kan worden afgebogen en kan worden gewerkt aan herstel.
1.2 Visie
Wij willen een eenduidige Noord-Nederlandse aanpak die recht doet aan de coleur locale van onze regio. Bovendien streven wij een sterk verbonden (lokale) overheid na met een gezonde focus op interne en externe verbinding opdat in gezamenlijkheid een veerkrachtige keten ontstaat die zich, waar nodig, snel en effectief kan aanpassen aan nieuwe uitdagingen en doelgroepen.
2. Vormen van extremisme in Noord-Nederland
In dit beleidsdocument is ervoor gekozen om te focussen op vier subcategorieën van extremisme die voor de NoordNederlandse context het meest relevant zijn en op deze wijze zijn beschreven in de fenomeenanalyse. Deze categorieën zijn niet allesomvattend en vertonen overlap en kruisbestuiving1 .
1. Religieus extremisme
Religieus extremisme duidt breed geformuleerd op extremisten die de motivatie, legitimatie en betekenis van hun handelingen baseren op een religieuze traditie. Dit betekent nadrukkelijk niet dat het gedrag van religieuze extremisten uitsluitend vanuit religie verklaard moet worden, want de rol van religie hangt ook sterk samen met andere (politieke, sociale en culturele) factoren2 .
In de onderzoeksperiode van de fenomeenanalyse in Noord-Nederland is binnen de categorie religieus extremisme vooral het jihadisme op de voorgrond getreden. Nog altijd wordt het jihadisme door de NCTV en AIVD als de grootste dreiging voor de Nederlandse samenleving omschreven, met name vanwege gedetineerde jihadisten en teruggekeerde uitreizigers en ontwikkelingen in het buitenland. Op dit moment bestaat de ‘jihadistische beweging’ in Nederland volgens deze instanties uit circa vijfhonderd personen. Deze ‘beweging’ is in werkelijkheid echter geen vastomlijnd geheel, maar bestaat uit verschillende sociale netwerken die niet hiërarchisch zijn. Interne verdeeldheid, versnippering, het gebrek aan charismatische leiders en repressieve overheidsmaatregelen hebben de vorming van radicale netwerken verstoord en ervoor gezorgd dat de beweging de laatste jaren minder expliciet naar buiten treedt. Het is belangrijk om de wisselwerking tussen rechts-extremisme en jihadisme te volgen: de recente opleving van rechts-extremisme kan jihadistisch extremisme versterken en vice versa. Daarnaast vindt momenteel het overgrote deel van de radicalisering online plaats. Jihadistische groepen, evenals rechtsextremistische groepen, gebruiken het internet actief voor de werving van minderjarigen.
2. Rechtsextremisme
Rechtsextremisme wordt gekenmerkt door een ideologie waarbij een voorkeur voor het ‘eigene’ en afkeer van het ‘vreemde’ centraal staan en waarbij het onderscheid tussen beide gebaseerd is op ras, etniciteit, cultuur en/of religie. Veelgenoemde kenmerken van rechtsextremisme zijn dan ook antisemitisme, (ultra)nationalisme, nativisme, racisme en xenofobie. Verder kenmerkt deze ideologie zich door een hang naar het autoritaire. Zo staan rechtsextremistische actoren doorgaans voor een sterke en homogene staat, die geacht wordt de eigen groep, natie, cultuur of religie te beschermen.
Tot het begin van de eenentwintigste eeuw was rechtsextremisme relatief klein in Nederland. Dit veranderde na de aanslagen van 11 september 2001 en de moorden op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004). Als gevolg van de sterk gepolariseerde debatten rondom vluchtelingen, ‘islamisering’ en Zwarte Piet wisten rechtsextremistische formaties een steeds breder publiek aan te spreken. Toch is de actieve aanhang van rechtsextremisme in Nederland tot op heden relatief klein en versnipperd. Tegenwoordig kent rechtsextremisme vele verschijningsvormen, waaronder politieke partijen en ultranationalistische organisaties, maar ook diffuse online groeperingen, studiebewegingen, leesgroepen, protestbewegingen, sportteams en individuen. In Noord-Nederland is te zien dat lossere formaties, in plaats van klassiek rechtsextremistische organisaties, een opmars kennen. In Noord- Nederland zijn vier stromingen te onderscheiden:
- 1.
Klassieke neonazistische groepen: In de onderzoeksperiode van de fenomeenanalyse waren verschillende klassieke neonazistische formaties actief in Noord-Nederland. Deze groepen streven naar een herstel van een Groot-Germaans Rijk en geloven dat het blanke ras superieur is aan andere rassen.
- 2.
Alt-rightbewegingen: sinds de overwinning van Donald Trump bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2016 wint de vanuit Amerika overgewaaide alt-rightbeweging in Nederland aan populariteit. Alt-right staat voor ‘alternative right’ en is een verzamelnaam voor een nieuwe generatie van extreemrechtse denkers en activisten die een ‘zuivere’, ‘blanke’ etnostaat nastreven waarin geen plaats is voor andere ‘rassen’. De alt-rightbeweging vormt geen coherent geheel, maar bestaat uit losse individuen en groepen die vooral online actief zijn.
- 3.
Identitaire formaties: Daarnaast zijn ook zogenaamde identitaire formaties in Noord-Nederland actief. Zij streven naar een etnisch homogeen Nederlands volk en verzetten zich tegen de vermeende ‘islamisering van Europa’.
- 4.
Accelerationisten: Ook het zogenaamde ‘accelerationisme’ – het idee dat een onvermijdbare burgeroorlog tussen rassen versneld moet worden – lijkt de afgelopen jaren in populariteit toe te nemen, met name onder jongeren. Volgens Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) uit december 2023 is sprake van een paar honderd Nederlandse jongeren die online accelerationistisch gedachtegoed propageren. De AIVD en NCTV stellen dat het accelerationisme de extreemrechtse stroming is waar momenteel de meeste geweldsdreiging van uitgaat. NoordNederland lijkt hierop geen uitzondering te vormen. Dit beeld wordt bevestigd door regiodeskundigen binnen de AIVD, de NCTV, Reclassering en het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE).
De activiteiten van rechtsextremisten lijken zich in de afgelopen jaren te hebben verplaatst naar de onlinewereld. Vanwege de coronapandemie werd het lastiger voor rechtsextremistische organisaties om demonstraties en fysieke bijeenkomsten te organiseren. Mede hierdoor zoeken rechtsextremistische aanhangers steeds vaker aansluiting bij andere protesten, zoals demonstraties tegen de coronamaatregelen, Sinterklaasintochten en boerenprotesten. Daardoor is er sprake van kruisbestuiving. Na 1945 was er lang sprake van een sociale en maatschappelijke stigmatisering rondom rechtsextremistische formaties. Hierdoor werd het voor dergelijke groeperingen en individuen een overlevingsstrategie om hun gedachtegoed voor de ogen van het bredere publiek te matigen en te verhullen. In de afgelopen jaren lijkt dit te zijn verdwenen. Door de normalisering van rechtsextremistische gedachtegoed wordt deze betrokkenheid steeds vaker getolereerd3 .
3. Links-extremisme
In het algemeen wordt links-extremisme gekenmerkt door een streven naar radicale gelijkheid. Hierbij kan de nadruk liggen op sociaaleconomische gelijkheid tussen mensen en dus op een totale herverdeling van de welvaart. Dit is terug te zien in een marxistische of antikapitalistische houding of, op mondiaal niveau, in anti-globalisering. De nadruk kan ook liggen op gelijkheid tussen mensen in cultureel of etnisch opzicht, wat zich kan uiten in verzet tegen (strakke en gecontroleerde) asiel- en migratiebeleid. Hieraan gerelateerd manifesteren links-extremistische groepen zich de laatste jaren sterk op de thema’s antifascisme en antiracisme. Twee andere thema’s waar links-extremisten zich de afgelopen decennia op hebben geprofileerd, zijn dierenrechten en milieu.
Links-extremisme kent in Nederland een wisselende intensiteit en heeft een onvoorspelbaar, reactief karakter. Linksextremisten treden veelal op de voorgrond in reactie op actuele maatschappelijke thema’s, bijvoorbeeld omtrent klimaat en vluchtelingen. Ook is een sterke wisselwerking met de ontwikkeling van rechtsextremisme zichtbaar. Zo geven de AIVD en NCTV aan dat de confrontaties tussen rechts-extremisten en links-extremisten in Nederland de laatste jaren steeds grimmiger worden en dat het nieuwe elan van rechts er mogelijk voor zorgt dat links-extremisten vaker van zich zullen laten horen. Daarnaast is er sprake van ‘ontzuiling’ binnen de links-extremistische scene in Nederland. Waar linksextremisten zich aanvankelijk in kleinere groepen op specifieke thema’s richtten, is er het afgelopen decennium sprake van bredere samenwerking, ook in internationaal opzicht. In Noord-Nederland hebben linkse actoren zich vooral op reactieve en activistische wijze geuit. De in het kader van dit onderzoek geïdentificeerde acties vanuit radicaal- en extreemlinks in de drie noordelijke provincies betroffen voornamelijk demonstraties die binnen de wettelijke kaders vielen en gericht waren tegen individuen, partijen en organisaties die als rechts-extremistisch of fascistisch werden beschouwd.
Naast antifascisme heeft radicaal- en extreemlinks zich gemanifesteerd op de thema’s dierenwelzijn en klimaat. Op deze thema’s zijn de netwerken en acties echter (nog) minder regionaal van karakter: dierenrechten- en klimaatextremisme is vooral internationaal georiënteerd en bestaat uit brede internationale netwerken. In 2013 concludeerde de AIVD dat het aantal personen dat zich op illegale wijze inzet voor dierenrechten in Nederland maximaal enkele tientallen bedraagt. Hoewel de AIVD in 2010 nog waarschuwde voor de opmars van de antifascisten in Nederland, zijn de acties van radicaalen extreemlinkse groeperingen in de noordelijke provincies de afgelopen jaren dus beperkt en vooral reactief en activistisch van aard. Terwijl soms wordt vermoed dat links-extremisten wel aanwezig zijn maar ‘goed onder de radar’ blijven, worden de beperkte omvang en het reactieve en activistische karakter van radicaal- en extreemlinks bevestigd door regiodeskundigen binnen de AIVD, de NCTV en het OM.
4. Anti-institutioneel extremisme
Hoewel de hiervoor beschreven drie traditionele vormen van extremisme ook een bepaalde mate van anti-overheidsdenken in het gedachtegoed hebben geïntegreerd, kan de afgelopen jaren een nieuwe vorm van extremisme worden onderscheiden waarbij anti-institutioneel denken daadwerkelijk centraal staat in gedachtegoed en handelen. In de fenomeenanalyse wordt het label anti-overheidsextremisme4 gebruikt voor (de bereidheid tot) buitenwettelijke handelingen die voortvloeien uit een gedachtegoed waarin het afwijzen van de overheid, het overheidsbeleid en/of democratische procedures centraal staat. Deze houding kan gericht zijn tegen de overheid in het algemeen, bijvoorbeeld als de overheid gezien wordt als onderdeel van een breder complot van een (vermeende) elite die zijn macht wil versterken en uitbreiden. Deze houding kan ook gericht zijn tegen specifiek overheidsbeleid, bijvoorbeeld met betrekking tot corona, stikstof en windmolens5 .
De eerder beschreven opkomst van anti-institutioneel extremisme in Noord-Nederland past in het landelijke beeld zoals geschetst door onder andere de AIVD en NCTV. Hoewel complottheorieën en protestbewegingen van alle tijden zijn, kreeg anti-elitedenken in Nederland een impuls sinds de opkomst van Pim Fortuyn in 2001. Populistische politieke buitenstaanders wisten sindsdien toenemende aanhang te verwerven en gekozen populistische regeringsleiders in het buitenland wakkerden verzet tegen de politieke elite, maar ook tegen de wetenschap en (traditionele) media, verder aan. Verzet tegen de gevestigde orde in brede zin, en tegen de overheid in het bijzonder, is sinds de uitbraak van COVID-19 in een stroomversnelling geraakt. In de jaarverslagen van de AIVD van de afgelopen jaren wordt anti-institutioneel extremisme dan ook genoemd als één van de nationale dreigingen. Het gaat hierbij om een groep personen die sterk wantrouwen koestert tegen de overheid als onderdeel van een bredere ‘elite’, waar bijvoorbeeld ook kennisinstituties als de (traditionele) media, wetenschap en deskundigen onder worden geschaard. Deze groep ziet bepaalde denkbeelden vaak bevestigd in complotconstructies, misinformatie en desinformatie.
Anti-institutioneel extremisme is een diffuus verschijnsel waarbij de grens tussen legaal protest en extremistische gedragingen in beweging is. In de analyse van de coronaprotesten spreekt de NCTV van een brede ‘bovenlaag’ bestaande uit diverse personen die zich vanuit verschillende motivaties tegen de overheid en haar beleid verzetten. Het al langer sluimerende ongenoegen van deze ‘bovenlaag’ is tijdens de coronapandemie verbreed, verhard en meer aan de oppervlakte gekomen, zowel in offline als online contexten. Naast deze brede bovenlaag, die vooral een activistisch karakter heeft, is er volgens de NCTV sprake van een ‘radicale onderstroom’: een kleine groep die verzet door middel van demonstraties, juridische procedures en e-mailacties niet ver genoeg vindt gaan. In de praktijk is het onderscheid tussen de brede bovenlaag en de radicale onderstroom echter niet eenduidig, ook omdat de drempel om over te gaan tot extremistische gedragingen is verlaagd in een context van aanhoudende protestacties en felle (offline en online) antiinstitutionele uitingen.
Deze door de NCTV geschetste ontwikkelingen zijn ook in Noord-Nederland zichtbaar. Gedurende de onderzoeksperiode zijn op verschillende thema’s breder gedragen ongenoegen en (legitiem) activisme tegen de overheid, overheidsbeleid en/of democratische procedures zichtbaar. Deze onvrede was al langer aanwezig, maar is gedurende de coronapandemie verbreed en verhard en heeft geleid tot een toename in het aantal openbare-ordeverstoringen, bedreigingen en daadwerkelijke geweldsincidenten. Er zijn in Noord-Nederland in dit opzicht vier centrale thema’s te identificeren: complot denken, verzet tegen het coronabeleid, verzet tegen het stikstofbeleid en verzet tegen de bouw van windmolens. Daarbij moet worden opgemerkt dat verzet op deze thema’s duidelijk overlap vertoont en gedeeltelijk voortkomt uit vergelijkbare gevoelens van onvrede.
Buiten deze vier concretere thema’s is ook op andere terreinen een toename van anti-overheidssentimenten zichtbaar. Zo keren groepen burgers zich af van de overheid en de bredere samenleving door een zelfvoorzienend leven na te streven, wat bijvoorbeeld gepaard gaat met ideeën over autarkische voedselvoorziening en het oprichten van eigen scholen. Een radicale uiting hiervan wordt gevormd door de zogeheten ‘soevereinen’, die het gezag van de overheid in het geheel niet erkennen en bijvoorbeeld weigeren belastingen en boetes te betalen6 . Deze volgens de NCTV ‘ontluikende beweging’ is ook in Noord-Nederland aanwezig7 .
5. Online extremisme
Het internet is van groot belang voor extremistische organisaties. Online betrokkenheid leidt tot offlineactiviteiten en vice versa. Naast het dynamische karakter van de onlineactiviteiten van extremisten, blijkt dat ook in de onlinewereld veel kruisbestuiving optreedt tussen verschillende vormen van extremisme. De kruisbestuiving tussen rechtsextremistische groepen enerzijds en diverse anti-institutionele groepen anderzijds wordt bevestigd in de fenomeenanalyse. Er zijn in de fenomeenanalyse vier redenen beschreven waarom radicale en extremistische actoren online zo actief zijn:
- 1.
Aandacht genereren: de virtuele wereld als een uithangbord waarmee extremistische organisaties en individuen aandacht genereren voor hun zaak, bijvoorbeeld door propaganda te verspreiden of door radicale of extremistische content op sociale media te plaatsen. Beeldcultuur speelt bij het genereren van aandacht een belangrijke rol. Niet alleen video’s, maar ook memes zijn hiervan een illustratief voorbeeld.
- 2.
Rekruteren, mobiliseren en organiseren: waar extremistische organisaties doorgaans beperkt toegang hebben tot mainstream mediakanalen als radio en televisie, maken online platforms het eenvoudig om gelijkgestemden te bereiken. Zo kunnen organisaties proberen nieuwe aanwas te genereren en individuen te overtuigen om zich voor een bepaalde zaak in te spannen.
- 3.
Gemeenschaps- en identiteitsvorming: contact met gelijkgestemden via mediakanalen op zowel mainstream als fringe platforms kan het saamhorigheidsgevoel tussen leden versterken en kan bijdragen aan het ontwikkelen van een gezamenlijke identiteit.
- 4.
Het opdoen van internationale contacten: om netwerken te verbreden en aandacht te genereren8.
3. Welke preventieve activiteiten worden ingezet?
Preventieve activiteiten zijn van cruciaal belang bij het tijdig signaleren van radicalisering en kunnen helpen om de opkomst van radicalisering en gewelddadig extremisme te voorkomen. Enkele noodzakelijke redenen voor het nemen van preventieve maatregelen zijn:
- •
Voorkomen van geweld: Door preventieve activiteiten uit te voeren, kunnen de oorzaken van radicalisering worden aangepakt voordat het tot gewelddadig gedrag leidt. Door potentiële extremisten vroegtijdig te identificeren en hen hulp en ondersteuning te bieden, kunnen gewelddadige incidenten worden voorkomen.
- •
Bescherming van de samenleving: Preventieve activiteiten dragen bij aan het beschermen van de samenleving tegen terroristische aanslagen. Door radicalisering te voorkomen, wordt de veiligheid van burgers en hun eigendommen beter gewaarborgd.
- •
Voorkomen van stigmatisering: Door preventieve activiteiten uit te voeren, wordt risico op stigmatisering en discriminatie van bepaalde gemeenschappen verkleind.
- •
Bescherming van individuen: Preventieve activiteiten helpen individuen die het risico lopen te radicaliseren te beschermen. Door vroegtijdig signaleren en ondersteuning te bieden, kunnen individuen worden geholpen bij het vinden van alternatieve manieren om hun problemen op te lossen en zichzelf te ontwikkelen op een positieve en constructieve manier.
Het investeren aan de voorkant is essentieel. Er kan hierbij op verschillende niveaus aan preventie worden gedacht. Het wegnemen van de voedingsbodem voor radicalisering, het stimuleren van de algemene weerbaarheid, het ondersteunen en specifiek weerbaar maken van kwetsbaren individuen en groepen en het in de gaten houden welke individuen (op het punt staan te) radicaliseren. Deze preventieve activiteiten kunnen bijdragen aan het ombuigen dan wel stoppen van het radicaliseringsproces. Het is namelijk van belang, dat ook in relatief rustige tijden, het onderwerp preventie van radicalisering op de agenda blijft staan.
In het omgaan met de opkomende fenomenen werkt de gemeente samen met ketenpartners uit het sociaal - het veiligheidsdomein. Door het vroegtijdig herkennen van signalen van radicalisering en extremisme kan ervoor worden gezorgd dat er een aanpak wordt geformuleerd om het proces te stoppen of af te buigen. De rol van gemeenten binnen de aanpak radicalisering kan als volgt worden gevisualiseerd:
De inzet vanuit deze aanpak bestaat uit de volgende preventieve activiteiten:
- •
Het opdoen van kennis en expertise
- •
Bewustwording creëren
- •
Inzetten op risico’s
3.1 Opdoen van kennis en expertise
Gezien de opkomst van nieuwe vormen van extremisme en radicalisering is het belangrijk dat er ingezet wordt op kennisontwikkeling en expertise bij betrokken partijen en gemeenten. Hieronder wordt ingegaan op hoe er kennis en expertise wordt opgedaan.
De werkgroep radicalisering Noord-Nederland
Vanuit het Regionaal Beleidsplan Veiligheid Noord-Nederland is er een werkgroep radicalisering Noord-Nederland opgezet, met als bestuurlijke opdracht om een aanjagende functie te vervullen in Noord-Nederland op het thema. Jaarlijks vraagt de werkgroep Versterkingsgelden aan, organiseert trainingen en adviseert andere gemeenten over de aanpak van radicalisering. De werkgroep bestaat uit adviseurs van de gemeenten Groningen, Súdwest-Fryslân en Assen, alsmede vertegenwoordigers van de politie, het OM, de Reclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en de NCTV. Om andere gemeenten en betrokken partijen te betrekken bij de activiteiten van de werkgroep, vindt er regelmatig terugkoppeling plaats naar deze partijen.
Versterkingsgelden
Noord-Nederland krijgt, op aanvraag, jaarlijks Versterkingsgelden van de NCTV en het Ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (MinSZW) voor de versterking van de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme in Noord-Nederland. Met deze gelden kunnen projecten, onderzoeken en activiteiten op het thema worden gefinancierd9 . Daarnaast worden deze gelden ingezet om aandachtsfunctionarissen te scholen op het thema en (eerstelijns) professionals te trainen op het herkennen van signalen van radicalisering. De trainingen worden doorlopend uitgevoerd door het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR) en kunnen worden aangevraagd bij de gemeentelijk expert10.
Landelijke samenwerking
De gemeente Groningen vertegenwoordigd Noord-Nederland in landelijke overlegstructuren, voorgezeten door de NCTV. Tijdens deze overleggen delen gemeenten onder andere best practices en worden de laatste ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe en veranderende fenomenen besproken. Tevens organiseren ESS (Expertise unit Sociale Stabiliteit van MinSZW) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken activiteiten en overleggen op aan radicalisering verwante thema’s zoals maatschappelijke onrust en polarisatie, en versterking van de democratie. Vanuit de NCTV is voor de regio ook een Lokaal Adviseur beschikbaar voor vragen over fenomenen en landelijke ontwikkelingen, en die kan helpen bij het opzetten van en invulling geven aan de lokale aanpak.
Inzetten gemeentelijk expert
De gemeentelijke expert op het gebied van radicalisering staat klaar om gemeenten te helpen bij het opzetten van een signaleringsstructuur en invulling te geven aan de persoonsgerichte aanpak. Ook kan zij meedenken in preventieve projecten en structuren die kunnen worden ingezet. Daarnaast speelt ze een regionaal coördinerende rol in het toewijzen en organiseren van ROR trainingen en verzorgt zelf ook regelmatig trainingen om de kennis en vaardigheden van professionals te vergroten. Ze werkt actief aan het uitbreiden van het regionale netwerk en de verbinding met de wetenschap, andere regio’s en landelijke ontwikkelingen.
Zicht op lokale problematiek
Lokale prioritering en investering in de fenomenen leidt tot meer expertise binnen gemeenten. Door ervoor te zorgen dat er geïnvesteerd wordt op het duiden van signalen van radicalisering en extremisme, komt er casuïstiek boven tafel waarop geanticipeerd kan worden door betrokken partijen. Bijkomend effect is dat er hierdoor beter zicht komt op wat er speelt binnen de gemeente, zodat hier gerichter op kan worden ingezet. Daarnaast is het belangrijk om de aansluiting met burgers en gemeenschappen te behouden/verstevigen. Dit maakt dat zorgen eerder worden gedeeld en er eerder/laagdrempeliger kan worden ingezet op preventieve interventies en activiteiten.
3.2 Bewustwording creëren
Het is van belang dat erop zowel bestuurlijk, ambtelijk als uitvoerend niveau bewustwording wordt gecreëerd over de vormen van extremisme en radicalisering.
Bestuurlijk – investeren in signaleringsstructuren
De essentie van het vergroten van bewustwording op bestuurlijk niveau is het blijven investeren in signaleringsstructuren, zelfs in tijden waarin het relatief rustig lijkt. Met een signaleringsstructuur wordt bedoeld dat er richtlijnen zijn over waar en bij wie er een (mogelijk) signaal van radicalisering of extremisme gemeld kan worden. Om bestuurlijk draagvlak met betrekking tot radicalisering en extremisme te behouden, is het belangrijk om dit onderwerp regelmatig te agenderen tijdens bestuurlijke overleggen, zowel op lokaal als regionaal niveau. Op deze manier kan ervoor worden gezorgd dat de nadruk blijft liggen op preventieve maatregelen, zelfs wanneer er geen zichtbare signalen zijn.
Ambtelijk - Aanstellen aandachtsfunctionarissen radicalisering
Door de eerder geschetste ontwikkelingen op het gebied van radicalisering en extremisme, mede door de onevenredige focus op religieus extremisme, worden de opkomende ontwikkelingen beperkt (h)erkend op bestuurlijk niveau. Het is cruciaal dat er aandacht wordt besteed aan het creëren van bewustwording over deze nieuwe fenomenen. Hierbij valt te denken aan het aanstellen van aandachtsfunctionarissen bij betrokken partijen en de relevante bestuurlijke domeinen. Deze aandachtfunctionarissen worden uitgebreider getraind in radicaliseringsprocessen en de verschillende vormen van extremisme. Dit stelt hen in staat om voor de eigen organisatie een agenderende rol ten aanzien van het thema te spelen, bijvoorbeeld door informatiesessies te organiseren, en voor collega’s te dienen als een eerste aanspreekpunt om zorgen rondom radicalisering mee te bespreken.
Uitvoerend - Trainingen Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR)
Het zicht op de verschillende vormen van radicalisering en extremisme in Noord-Nederland is beperkt onder veel praktijkmedewerkers. Het is belangrijk dat zij die reeds getraind zijn in de oudere vormen van radicalisering, ook goed meegenomen worden in de nieuwe vormen, zoals anti-institutioneel- en (recentere vormen van) rechtsextremisme. Daarnaast maken de ontwikkelingen op dit thema dat er steeds meer partijen in aanraking komen met (mogelijk) geradicaliseerde personen, denk hierbij bijvoorbeeld aan de afdeling Burgerzaken van de gemeente, waardoor ook zij training op het gebied van signalering en omgang met deze casuïstiek nodig hebben.
De trainingen worden aangeboden door het ROR (Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering). Het ROR traint professionals werkzaam bij (semi-) overheid in preventie en aanpak van radicalisering en extremisme. Het aanbod bestaat uit leeractiviteiten die zijn onderverdeeld in basis- en verdiepingsmodules op thema en/of doelgroep. De trainingen bieden een ruime variatie van interactieve oefeningen (met casuïstiek), groepsuitwisseling en filmmateriaal. Vanuit de Versterkingsgelden voor Noord-Nederland is er budget beschikbaar gesteld voor het afnemen van deze trainingen.
Het is de ambitie om extremistisch gedrag te voorkomen en tegen te gaan. Hiervoor is een goed functionerend signaleringsnetwerk nodig. Hierbij is het van belang dat (eerstelijns-)professionals adequaat zijn getraind op het herkennen van signalen van radicalisering en extremisme, en op de hoogte zijn van de meldingsstructuren. Daarnaast is het belangrijk dat kernpartners, met name gemeente en politie, (laagdrempelig) kunnen worden bevraagd bij zorgen en de onderlinge contacten zijn gelegd.
3.3 Inzetten op risico’s
Naast het opdoen van kennis en expertise en investeren in bewustwording, is het belangrijk om operationeel in te zetten op risico’s die kunnen voortkomen uit geradicaliseerde personen of extremistische gedragingen van personen. Hieronder volgen enkele mogelijkheden om in te zetten op risico’s.
Verbinding zorg- en veiligheid
De verbinding tussen het zorg- en veiligheidscomponent speelt een cruciale rol in het preventieve optreden tegen radicalisering. Het is van essentieel belang om een holistische aanpak te hanteren waarbij zowel de zorgsector als de veiligheidsinstanties nauw samenwerken. De zorgcomponent richt zich op vroegtijdige identificatie en begeleiding van personen die vatbaar zijn voor radicalisering. De naadloze samenwerking tussen zorg- en veiligheidsinstanties stelt hen in staat om informatie te delen, risico's te beoordelen en gezamenlijke interventiestrategieën te ontwikkelen. Deze geïntegreerde benadering bevordert niet alleen de preventie van radicalisering, maar ook de bescherming van individuen en de samenleving als geheel, terwijl de rechten en waardigheid van alle betrokkenen worden gerespecteerd.
Radicaliseringsoverleg
Periodiek (gewoonlijk iedere 6 weken) wordt er op BT-niveau een radicaliseringsoverleg georganiseerd waaraan minimaal gemeente, OM en Politie deelnemen. Aanvullend kunnen andere relevante partners worden uitgenodigd om relevante kennis en ontwikkelingen te delen en bespreken. Tijdens het overleg worden er verschillende zaken behandelt:
- •
(Landelijke en/of Lokale) trends en fenomenen;
- •
Organisatorische zaken rondom het thema;
- •
Weegploeg (bespreking van signalen; tijdens dit onderdeel zijn alleen gemeente, OM en Politie aanwezig).
Persoonsgerichte aanpak CTER Noord-Nederland
Ten tijde van de uitreizigers na 2013 kwam het advies van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) om lokaal een multidisciplinaire casustafel in alle betrokken gemeenten op te zetten, dat is gericht op het voorkomen van radicalisering en op de- radicalisering van diegenen die er reeds extremistische denkbeelden op nahouden.
Ook de regio Noord-Nederland belegt lokaal casustafels voor de persoonsgerichte aanpak contraterrorisme, extremisme en radicalisering (PGA CTER). De PGA CTER vormt een belangrijk onderdeel van de nationale contraterrorisme strategie11. Deze aanpak maakt ook een wezenlijk deel uit van de lokale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme. Op lokaal niveau zijn gemeenten verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering van de PGA CTER. In de samenwerking met lokale ketenpartners nemen zij een coördinerende rol in. De betrokken partners bespreken in de PGA CTER personen die op basis van hun ideologische motieven een veiligheidsrisico vormen. De bespreking vindt plaats tijdens een multidisciplinaire casustafel met voor de casus relevante zorg- en veiligheidspartners.
Wanneer tijdens het wegen in de weegploeg is geconcludeerd dat er voldoende (zorgelijke) signalen van radicalisering aanwezig zijn, zal door de gemeente een casustafel worden belegd. Hierin werken de bij de casus betrokken landelijke en lokale partijen intensief samen. De deelnemende casuspartners wisselen daar, waar nodig en mogelijk, informatie uit en stellen aan de hand daarvan een integraal plan van aanpak op voor de betreffende casus. Voor de totstandkoming en uitvoering van het integraal plan van aanpak is het noodzakelijk en onvermijdelijk dat partners relevante gegevens, waaronder ook persoonsgegevens, verwerken.
Een methodiekbeschrijving (alleen voor interngebruik) ondersteunt nieuwe en huidige collega’s bij een adequate uitvoering van het werk. Het geeft overzichtelijk weer welke partijen betrokken zijn, wat de relevante procedures zijn en wat het wettelijk en bestuurlijk kader is van de PGA CTER. Een PGA CTER kan pas effectief zijn wanneer de relevante werkprocessen expliciet uiteengezet zijn. Deze methodiekbeschrijving biedt een leidraad voor deze werkprocessen, beschrijft de hoofdtaken van de PGA CTER, en onderbouwt het belang van deze taken.
Ondertekening
Noot
1Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 10
Noot
2Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 11
Noot
3Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 21-23
Noot
4Inmiddels wordt de term ‘anti-institutioneel extremisme’ gebruikt om deze stroming aan te duiden.
Noot
5Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 22-23
Noot
6Zie voor meer informatie over het soevereine gedachtengoed de ‘Fenomeenanalyse soevereine beweging in Nederland’, https://www.nctv.nl/documenten/publicaties/2024/04/09/fenomeenanalyse-soevereinenbeweging-in-nederland-met-de-rug-naar-de-samenleving
Noot
7Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 24-26
Noot
8Rijksuniversiteit Groningen, Fenomeenanalyse Noord-Nederland, Nanninga, de Jonge & Valk, november 2022, p. 26-32
Noot
9Neem voor meer informatie over de mogelijkheden voor financiering en/of procedures contact op met de gemeente Groningen, gemeentelijk expert of Lokaal Adviseur van de NCTV.
Noot
11De Nationale Contra Terrorisme Strategie (NCTS) heeft betrekking op het voorkomen van terrorisme en gewelddadig extremisme en richt zich op de periode 2022-2026, https://www.nctv.nl/onderwerpen/nationale-contraterrorismestrategie
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl