Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom inhoudende Participatieverordening 2025 gemeente Bergen op Zoom

Geldend van 26-08-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom inhoudende Participatieverordening 2025 gemeente Bergen op Zoom

De gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 mei 2025, RVB25-0026;

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Participatieverordening 2025 gemeente Bergen op Zoom Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

• beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

• bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

• college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom;

• inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

• inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

• inwonersparticipatie: het proces waarbij inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners op initiatief van het bestuursorgaan invloed kunnen uitoefenen op collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan en hierbij in co-creatie samenwerken;

• maatschappelijke partners: verenigingen, stichtingen, sociale ondernemingen en andere organisaties die een collectief vormen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

• ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

• overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partners in co-creatie samenwerken met de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, daaronder ook het uitdaagrecht begrepen;

• participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners, ondernemers of maatschappelijke partners, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen;

• Participatievisie: de Participatievisie van de gemeente Bergen op Zoom.

• toegankelijk: iedereen, met of zonder beperking, moet zelfstandig en volwaardig kunnen deelnemen aan participatieprocessen, zowel digitaal als fysiek.

• uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partners om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 - Kaders en uitgangspunten

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

a. duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is;

b. de samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners anderzijds te versterken;

c. de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

d. de saamhorigheid binnen de gemeente te versterken;

e. om tussen bestuursorgaan, inwoners en maatschappelijke partners dezelfde taal spreken en zorgvuldig handelen volgens dezelfde kernwaarden uit de Participatievisie;

f. kwaliteit van besluitvorming verhogen doordat inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners zich gezien en gehoord voelen; en

g. houvast bieden voor inwoners, maatschappelijke partners en ondernemers over wat zij kunnen verwachten van participatie.

Artikel 3. Reikwijdte

1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast.

2. Het bestuursorgaan past bij participatie onder de Omgevingswet zoveel mogelijk deze verordening toe. Het gaat onder meer het vaststellen of wijzigen van:

a. de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet;

b. het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

c. een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet.

Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.

3. Er vindt geen participatie plaats als:

a. participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

b. de uitkomst van participatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

c. de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

d. sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

e. het om interne aangelegenheden van de gemeente gaat;

f. het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat;

g. er sprake is van uitvoering van door de gemeenteraad vastgestelde regelgeving, waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; of

h. de beoogd participant geen of nauwelijks belang heeft bij de voorgenomen participatie.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

a. inwoners en maatschappelijke partners tijdig worden betrokken, als de meeste opties nog open staan;

b. zoveel mogelijk vooraf in het participatieplan inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruitziet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn, gebruikmakend van een cyclische planning;

c. maatwerk wordt geleverd in participatieprocessen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte, achtergrond en draagkracht van inwoners, ondernemers en maatschappelijk partners;

d. duidelijk is welke ruimte er is om mee te denken en waarop inwoners of maatschappelijke partners wel of geen invloed kunnen uitoefenen;

e. de voor het proces van participatie benodigde informatie openbaar is en toegankelijk;

f. tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

g. het proces van participatie zorgvuldig en inclusief verloopt;

h. duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partners terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie;

i. na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming.

Artikel 5. Participatieparagraaf en participatiejaarverslag

1. Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden.

2. Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening.

3. De leden 1. en 2. van dit artikel gelden vanaf het eerste jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

4. In de paragraaf in het jaarverslag evalueert het college:

a. de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd;

b. de rolinvulling door de gemeenteraad en het college;

c. de gebruikte instrumenten, resultaten en kosten van de participatieprocessen;

d. de belangrijkste ervaringen, lessen en de aanbevelingen die hieruit voortvloeien.

Hoofdstuk 3 – Participatie

Artikel 6. Plan voor participatie

1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, aan de hand van de door de gemeenteraad vastgestelde Participatievisie gemeente Bergen op Zoom, een plan met het proces en de planning van de participatie op en maakt dit openbaar.

2. Het plan bevat in elk geval:

a. een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

b. het doel van participatie per fase van het project of beleidsontwikkeling waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit de volgende doelen:

  • 1.

    kwaliteit of effectiviteit van het beleid verbeteren;

  • 2.

    draagvlak voor het beleid vergroten;

  • 3.

    zorgen voor betere besluiten, vaardigheden of financiële voordelen;

  • 4.

    democratische rechten en actief burgerschap bevorderen;

  • 5.

    zeggenschap en medeverantwoordelijkheid creëren;

  • 6.

    democratisch ideaal, legitimiteit of overbrugging van de politieke kloof nastreven; of

  • 7.

    een combinatie van deze doelen;

c. de deelnemers per fase en welke rol zij spelen, met nadrukkelijk oog voor representatie en de manier waarop zij betrokken en geïnformeerd worden gedurende en na afloop van het proces;

d. een omschrijving van de participatievorm per fase, afgezet tegen doel en doelgroep van de participatie waarbij een keuze wordt gemaakt uit de volgende mogelijkheden, zoals verder omschreven in de Participatievisie:

  • 1.

    informeren: inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen krijgen informatie op toegankelijke wijze;

  • 2.

    raadplegen: inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen kunnen hun mening geven via verschillende kanalen;

  • 3.

    adviseren: het bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen en betrekt hun adviezen bij het nemen van het besluit;

  • 4.

    coproduceren: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen een plan en besluit daarover;

  • 5.

    meebeslissen: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen een plan en zij besluiten daar samen over;

  • 6.

    beslissen: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen een plan en de inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen besluiten daarover;

  • 7.

    leiding vanuit initiatief: zoals een inwonersinitiatief of projectleiding over wijkprojectteams; of

  • 8.

    een combinatie van deze vormen;

e. een omschrijving van rollen en verantwoordelijkheden;

f. een cyclische planning, waarin ruimte wordt behouden om plannen bij te stellen op basis van ervaringen, inclusief momenten van formele besluitvorming; en

g. een omschrijving van de benodigde middelen.

3. Als sprake is van grote en complexe vraagstukken of trajecten met een grote maatschappelijke impact, wordt de raad geïnformeerd. Daarin staat het participatieplan beschreven.

Artikel 7. Inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de participatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

Artikel 8. Ondersteuning participatie

1. Het college zorgt voor ondersteuning van degene die aan participatie wil deelnemen of een verzoek om participatie wil indienen of heeft ingediend.

2. Het college zorgt dat er in de buurt op een laagdrempelige manier om deze ondersteuning kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 4 - Inwonersparticipatie

Artikel 9. Eindverslag inwonersparticipatie

1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar. Het eindverslag wordt gebruikt voor het leren van participatieprocessen en dient als input voor de evaluatie in het jaarverslag van artikel 5.

2. Het eindverslag bevat in elk geval:

a. een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

b. de uitkomsten van het proces;

c. een reactie op die uitkomsten waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; en

d. een evaluatie van het proces dat is gevolgd, zoals genoemd in de Participatievisie.

3. Als het college op grond van artikel 6, derde lid het plan heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud en deelt het eindverslag.

Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie

Artikel 10. Verzoek om overheidsparticipatie

1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen.

2. Het verzoek bevat:

a. een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

b. de reden dat de indiener het verzoek indient; en

c. het resultaat dat de indiener beoogt.

3. De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

a. wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

b. welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn; en

c. bij een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen.

4. De indiener maakt voor het verzoek gebruik van het door het college vastgestelde formulier.

5. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 11. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

3. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

a. het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van overheidsparticipatie verzet;

b. het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; of

c. het verzoek niet voldoet aan de in artikel 10, tweede lid gestelde eisen. Indien het verzoek niet voldoet aan de gestelde eisen, stelt het bestuursorgaan de verzoeker in de gelegenheid het verzoek aan te vullen binnen een termijn van zes weken.

4. Het bestuursorgaan kan een verzoek om overheidsparticipatie afwijzen als:

a. het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; of

b. de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt.

5. Het bestuursorgaan reageert binnen zes weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met zes weken verlengen en stelt de verzoeker hiervan onderbouwd op de hoogte.

6. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar.

Artikel 12. Uitvoering overheidsparticipatie

Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

a. het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;

b. het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

c. het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

d. de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en

e. de evaluatie van de overheidsparticipatie.

Hoofdstuk 6 - Slotbepalingen

Artikel 13. Nadere regels college

Het college kan over participatie nadere regels inzake de uitvoering van deze verordening vaststellen.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt.

Artikel 15. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De Inspraakverordening 2004 gemeente Bergen op Zoom wordt ingetrokken.

2. De Inspraakverordening 2004 gemeente Bergen op Zoom blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking vanaf de eerste dag na bekendmaking.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening 2025 gemeente Bergen op Zoom.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 juni 2025.

De griffier,

Mevr. E.P.M. van der Meer

De voorzitter,

Mevr. drs. M. Mulder MSc

TOELICHTING

Algemeen deel

Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.

Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.

Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.

Invulling participatieverordening

In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.

Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.

Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken.

Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook overheidsparticipatie, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van die overheidsparticipatie is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder overheidsparticipatie plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.

Aansprakelijkheid en aanbesteding

Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt.

Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen?

Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.

Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet

In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Beleid: Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.

Inwonersparticipatie: In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en ondernemers bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels.

Maatschappelijke partners: Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke partijen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Sociale ondernemingen kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding hebben. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, dorps-, buurt- of wijkcomités en inwonerscollectieven.

Overheidsparticipatie: Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie en omvat alle vormen van participatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht.

Participatie: Omdat insteek van de verordening is zowel inwonersparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt. De samenwerking staat voorop.

Participatievisie: In deze verordening wordt veelvuldig verwezen naar de Participatievisie. Deze visie bevat de handvatten voor de uitvoering. De verordening moet altijd in het licht van de Participatievisie worden gelezen.

Toegankelijk: Toegankelijkheid van processen en informatie geldt als een belangrijke basis van participatie. Het is de bedoeling dat iedere inwoner van de gemeente kan participeren.

Uitdaagrecht: Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.

Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten

Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van participatie gelden. Dit omvat zowel inwonersparticipatie, waaronder ook inspraak, als overheidsparticipatie, waaronder ook het uitdaagrecht.

Artikel 2. Doelstelling

Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes. De doelstelling is in lijn met de visie zoals deze is vastgesteld in de Participatievisie van de gemeente Bergen op Zoom.

Artikel 3. Reikwijdte

Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is.

Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids-)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van de gemeente betreft. In die gevallen heeft participatie geen toegevoegde waarde. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een acute situatie die om direct optreden van het bestuursorgaan vraagt. Ook met de uitzonderingsgrond onder h. moet terughoudend worden omgegaan. Het belang dat een participant beoogt, kan ook een algemeen belang zijn, zonder dat hij belanghebbende zou zijn volgens de Awb, maar waarbij participatie van toegevoegde waarde is. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht. De uitzonderingsgrond spoedeisendheid moet terughoudend worden toegepast.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Op bestuursorganen rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen worden betrokken als de meeste opties nog open liggen en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Bovendien bevat de verordening een verplichting om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand daarvoor een ambtelijk contactpersoon aan te wijzen. Toegankelijkheid van informatie en processen is een belangrijke kernwaarde. Zo moeten informatie en processen toegankelijk zijn ongeacht achtergrond of beperking. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verschillende manieren van openbaarmaking, bijvoorbeeld online.

Artikel 5. Participatieparagraaf

Doel van dit artikel is dat de gemeentebegroting inzichtelijk maakt welke ambities er voor dat begrotingsjaar ten aanzien van participatie zijn en dat het jaarverslag van de gemeente inzichtelijk maakt hoe de participatieprocessen verlopen zijn en wat er dus van de ambities terecht gekomen is. In het verlengde daarvan kan de gemeenteraad middels de paragraaf in de gemeentebegroting een budget aan participatie koppelen en middels de paragraaf in het jaarverslag nadere kaders stellen. Dit biedt de gemeenteraad mogelijkheden om middels de begroting en het jaarverslag op participatie te sturen.

Hoofdstuk 3 – Participatie

Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van participatie.

Artikel 6. Plan voor Participatie

In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de participatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie. Benadrukt is dat het plan in lijn moet zijn met het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid. Verder ijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld.

Wat betreft de te kiezen vorm van participatie is aangesloten bij de participatieladder zoals deze is opgenomen in de Participatievisie van de gemeente Bergen op Zoom waarbij elke trap op de ladder meer invloed op de besluitvorming betekent. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het plan zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat.

Artikel 7. Inspraak

Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.

Artikel 8. Ondersteuning participatie

Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan de degenen die aan de participatie willen deelnemen of een verzoek om participatie hebben ingediend. Dit om ervoor te zorgen dat dit voor alle inwoners mogelijk is. De ondersteuning kan bijvoorbeeld plaatsvinden door middel van een (buurt)loket.

Hoofdstuk 4 – Inwonersparticipatie

Dit hoofdstuk bevat bepalingen specifiek voor inwonersparticipatie.

Artikel 9. Eindverslag inwonersparticipatie

Het bestuursorgaan moet een eindverslag van de inwonersparticipatie opstellen dat een compleet overzicht geeft van het inwonersparticipatieproces. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is bijvoorbeeld genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan. In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten van de participatie is gedaan. Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Als dat mogelijk is, is het raadzaam om de deelnemers van het participatietraject ook bij het opstellen van het eindverslag te betrekken. Het eindverslag wordt openbaar gemaakt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het verslag zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat.

Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie

Dit hoofdstuk bevat specifieke bepalingen met betrekking tot overheidsparticipatie.

Artikel 10. Verzoek om overheidsparticipatie

Overheidsparticipatie begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval de overheidsparticipatie beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak. Denk bijvoorbeeld aan informatie over de kosten of andere middelen die daarmee gemoeid zijn. Voor het indienen van het verzoek is een formulier ontwikkeld. Dit moet het indienen van een verzoek om overheidsparticipatie vergemakkelijken. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat.

Artikel 11. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

Het college neemt alle verzoeken om overheidsparticipatie in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en ook openbaar maken.

Artikel 12. Uitvoering overheidsparticipatie

Als het verzoek om overheidsparticipatie wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over de overheidsparticipatie en ook over de stappen die volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst.

Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen

Artikel 13. Nadere regels college

Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken. Dit betreft nadrukkelijk de uitvoering van deze regels.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel nadrukkelijk onderbouwen waarom het afwijkt.