Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743400
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743400/1
Geldend van 15-08-2025 t/m heden
Gezonde buitenplaats in de metropool
Voorwoord
Voor u ligt de omgevingsvisie ‘Rijswijk; gezonde buitenplaats in de metropool’. De omgevingsvisie is onze visie op de toekomst van de leefomgeving van Rijswijk. Daarbij gaat het om de lange termijn (2050) en om de ‘fysieke leefomgeving’. Dit gaat over de ruimte om ons heen: ruimte voor bijvoorbeeld wonen, werken, infrastructuur en natuur, maar ook voor gezondheid en cultureel erfgoed.
Rijswijk heeft al heel veel om trots op te zijn, maar ook om onze bestaande kwaliteiten te behouden moeten we aan de slag. De wereld is namelijk continu in verandering: er komen allerlei trends en ontwikkelingen op ons af. Dit vraagt om een heldere visie op de toekomst waar we als Rijswijk naartoe willen. Omdat de ruimte beperkt is, moeten we scherpe keuzes maken: niet alles kan overal. Het gaat om keuzes over waar we ruimte zien voor ontwikkelingen, maar ook wat we waardevol vinden en willen beschermen.
Ik ben ontzettend blij met het grote enthousiasme waarmee de samenleving heeft meegedacht. Inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere (semi)overheden hebben meerdere malen intensief meegedacht, zoals over de verschillende ontwikkelrichtingen over de toekomst. Mede op basis daarvan kiezen we ervoor dat in 2050 de hele samenleving van Rijswijk een brede welvaart heeft. Dit gaat over het welzijn van mensen. Naast materiële welvaart zijn zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale samenhang, persoonlijke ontplooiing en veiligheid daarvoor minstens even belangrijk. We stellen alle ontwikkelingen tot 2050 in dienst van die brede welvaart. Dat betekent dat bijvoorbeeld economische groei of bereikbaarheid geen doelen op zich zijn, maar moeten bijdragen aan het welzijn van de Rijswijkers.
Om de groei van de stad te combineren met die gewenste groei in kwaliteit, moeten we een innovatieve (vernieuwende) ontwikkelrichting inslaan. Daarom kiezen we er ook voor om te verdichten én te vergroenen en gaandeweg naar een andere, duurzamere vorm van mobiliteit te gaan. De milieueffectrapportage die we hebben laten uitvoeren bevestigt dat zo de kwaliteit van de omgeving omhoog gaat. Wel zullen we samen onze schouders eronder moeten zetten om deze ambities te realiseren.
Sandra van de Waart
Wethouder Stadsontwikkeling, mobiliteit, grondzaken en participatiebeleid
1 Inleiding
1.1 De omgevingsvisie van Rijswijk
Wat is de omgevingsvisie?
Deze omgevingsvisie is onze integrale visie op de toekomst van de fysieke leefomgeving van Rijswijk. Hierin beschrijven we als gemeente ons strategisch beleid voor de gehele fysieke leefomgeving op de lange termijn (2050). De ‘fysieke leefomgeving’ is het centrale begrip uit de Omgevingswet (zie 1.2 De Omgevingswet), en gaat in feite over de ruimte om ons heen: ruimte voor bijvoorbeeld wonen, werken, infrastructuur, natuur, maar ook aspecten als milieu en cultureel erfgoed.
Fysieke en sociale leefomgeving
De fysieke leefomgeving is niet los te zien van de sociale leefomgeving. De omgevingsvisie gaat over de plek waar mensen wonen en werken, hun vrije tijd besteden en elkaar ontmoeten. De manier waarop we onze gebouwde omgeving en buitenruimte vormgeven is van grote invloed op de sociale samenhang en manier waarop we samen leven. Zeker in een stad die de komende jaren nog verder zal groeien, betekent dat een grote verantwoordelijkheid. De omgevingsvisie laat zien waar we de ruimte vinden om goed samen te kunnen wonen, werken en recreëren.

Afbeelding 1.1: de fysieke en sociale leefomgeving (bron: KuiperCompagnons).
Een stip op de horizon
Rijswijk heeft al heel veel om trots op te zijn, maar ook om onze bestaande kwaliteiten te behouden moeten we aan de slag. De wereld is namelijk continu in verandering: er komen allerlei trends en ontwikkelingen op ons af. De kwaliteit van onze leefomgeving hangt af van de manier waarop we inspelen op die veranderingen. Dit vraagt om een heldere visie op de toekomst waar we als Rijswijk naartoe willen. Omdat de ruimte beperkt is, moeten we scherpe keuzes maken: niet alles kan overal. Het gaat om keuzes over wat we waardevol vinden en willen beschermen, maar ook over waar we kansen kunnen benutten om de kwaliteit in een gebied te verhogen.
Met deze omgevingsvisie zetten we een ‘stip op de horizon’: hoe willen we dat Rijswijk er in 2050 uitziet? Daarbij beschrijven we de keuzes die we vandaag moeten maken om daar te komen. De omgevingsvisie geeft op die manier richting aan ruimtelijke ontwikkelingen en de kwaliteit van gebieden. Wij gaan aan de slag met de handvatten die de omgevingsvisie biedt. We voeren beleid uit en gebruiken de visie tegelijk als inspiratie- en afwegingskader voor initiatieven van anderen die aan ons toekomstbeeld kunnen bijdragen. De omgevingsvisie is een zelfbindend document. Dat wil zeggen dat het alleen het bestuursorgaan bindt dat de omgevingsvisie heeft vastgesteld.
1.2 De Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Deze wet bundelt verschillende wetten en regels voor onder meer ruimtelijke ordening, bouwen, natuur, water en milieu. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving, en activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit is een breed begrip, en omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water en watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur en erfgoed. Daarbij bepaalt de wet uitdrukkelijk dat gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook gevolgen voor de mens zijn; het gaat dus ook over onderwerpen als gezondheid en veiligheid.
De Omgevingswet is gericht op het in onderlinge samenhang ‘bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’; en ‘doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving’ (artikel 1.3). De wetgever beoogt daarmee een balans tussen het bieden van ruimte voor ontwikkeling en het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving.
Een belangrijk uitgangspunt van het nieuwe stelsel is om de fysieke leefomgeving integraal te benaderen. De bundeling van wetgeving zorgt voor inzichtelijkere regels. Daarbij moet de wet zorgen voor snellere besluitvorming en meer ruimte bieden voor lokaal maatwerk. Het idee daarachter is om meer ruimte te bieden aan initiatieven, volgens het principe van ‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’. Dit vraagt om een andere denk- en werkwijze van ons als gemeente, andere overheden, burgers en bedrijven.
De Omgevingswet kent een aantal ‘kerninstrumenten’ waarmee overheden de doelen van de wet in de praktijk kunnen brengen. Één van de verplichte instrumenten voor gemeenten is de omgevingsvisie. De Omgevingswet bepaalt dat iedere gemeente voor het gehele eigen grondgebied een omgevingsvisie moet hebben. De omgevingsvisie is een vormvrij instrument, maar bevat volgens de wet (artikel 3.2):
-
een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving;
-
de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied; en
-
de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid.
Deze onderdelen komen in de volgende hoofdstukken van deze omgevingsvisie, toegespitst op Rijswijk, aan bod.
1.3 Proces
Welke stappen hebben we gezet?
Om tot deze omgevingsvisie te komen hebben we verschillende stappen doorlopen, te zien in afbeelding 1.2. Inhoudelijk zijn we gestart met een ‘verkenning’ van de huidige staat van de gemeente. Het bestaande beleid was hiervoor belangrijke input, aangevuld met geografische en andere data, actuele trends en ontwikkelingen en de inbreng vanuit alle vakgebieden binnen de gemeente. Gelijktijdig hebben we voor het MER (zie kader) in deze fase de Leefomgevingsfoto laten opstellen. Dit is een inventarisatie van de ‘huidige situatie en autonome ontwikkelingen’ (dat wat er zal gebeuren als er geen nieuw beleid komt). De leefomgevingsfoto gaat specifieker in op de indicatoren voor het MER en helpt bij het beoordelen van de effecten van de omgevingsvisie.
|
Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project
in beeld. De verwachte gevolgen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER).
Zo kan (het bestuur van) de gemeente de milieueffecten meenemen bij haar besluit over
het plan of project. In Rijswijk hebben we gekozen voor een ontwerpende mer, wat inhoudt
dat niet alleen de milieueffecten van de ontwerpomgevingsvisie worden beschreven maar
ook die van de alternatieven. |

Afbeelding 1.2: Stappenplan omgevingsvisie.
In de volgende fase hebben we onze koers (visie) voor de toekomst bepaald. Met de informatie en aandachtspunten uit de verkenning hebben we alternatieve ontwikkelrichtingen bepaald. Die zijn vervolgens getoetst op milieueffecten (deel I van het MER). Daarnaast hebben we hier inwoners, organisaties en experts laten meedenken. Op basis van alle input hebben we onze voorkeur geformuleerd: welke kant willen we als Rijswijk op? Daarin komen onze kwaliteiten, aandachtspunten en ambities samen. Deze visie op de toekomst van Rijswijk hebben we vervolgens verder uitgewerkt per thema en per deelgebied binnen de gemeente.
Participatieronde I
In het najaar van 2023 hebben we een eerste participatieronde georganiseerd. Daarin hebben inwoners, organisaties en experts hun meningen en ideeën gegeven over Rijswijk nu en in de toekomst. Dat hebben we allereerst gedaan met een vragenlijst, die door 772 mensen is ingevuld. In een aparte bijeenkomst was er de gelegenheid voor inwoners om meer verdiepend het gesprek aan te gaan over de toekomst van de stad. Afbeelding 1.3 toont een beeldverslag met de belangrijkste uitkomsten van dit stadsgesprek. Op vergelijkbare manier zijn we in twee sessies het gesprek aangegaan met experts van (regionale) ketenpartners, en met (maatschappelijke) organisaties en ondernemers die in Rijswijk actief zijn. Om ook de Rijswijkers van de toekomst aan te spreken, hebben we in twee sessies met kinderrechtenambassadeurs onze jeugd naar hun ideeën voor de stad gevraagd.
Participatieronde II
In de tweede participatieronde, gehouden van april tot juni 2024, werd het concept-ontwerp van de omgevingsvisie verder uitgewerkt en teruggekoppeld aan de stad. Via online consultaties, buurtbakfietsdagen, expertsessies en de ‘Rijswijkse Remix’ werden aanvullende ideeën en wensen verzameld. De input uit deze ronde hielp bij het verrijken en aanscherpen van de omgevingsvisie. De focus lag in deze ronde op het aanvullen van de participatie in de wijken en leeftijdsgroepen die de eerste ronde minder bereikt waren.
Resultaten en toepassing
De resultaten van beide participatierondes bieden een duidelijk beeld van de prioriteiten van de inwoners van Rijswijk. Er is een sterke voorkeur voor een groene en leefbare stad met voldoende speel- en beweegruimte, en beperkte lokale bedrijvigheid. Historische waarde en leefbaarheid worden hoog gewaardeerd, evenals mobiliteit en toegang tot groen. De diversiteit in prioriteiten per wijk benadrukt de noodzaak van een wijkgerichte benadering bij beleidsbeslissingen. De waardevolle inzichten uit deze participatierondes zijn gebruikt om de omgevingsvisie verder te ontwikkelen en te implementeren. De betrokkenheid van de Rijswijkse inwoners en ondernemers heeft gezorgd voor een beter gedragen visie, wat bijdraagt aan een soepeler ontwikkelings- en besluitvormingsproces. Een uitgebreider participatieverslag is te vinden in losse Bijlage VI Participatieverslag omgevingsvisie Rijswijk (2024‑10‑30).

Afbeelding 1.3: Beeldverslag stadsgesprek.
1.4 Leeswijzer
In deze paragraaf hebben we de opbouw van de omgevingsvisie beschreven. De omgevingsvisie is een instrument dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Daarom spreken we in de ‘wij-vorm’ waarbij we de gemeenteraad bedoelen. Hoofdstuk 2 Verkenning: waar staat Rijswijk nu? omvat een beschrijving van de identiteit van de gemeente Rijswijk vanuit historisch en geografisch perspectief. Ook hebben we in dit hoofdstuk de opgaven voor de toekomst benoemd. Dit hoofdstuk vormt het vertrekpunt voor de toekomst. In hoofdstuk 3 Visie op de toekomst van Rijswijk is de langetermijnvisie beschreven. Dit is de stip op de horizon waar we op koersen. In hoofdstuk 4 Uitwerking visie per thema hebben we die visie thematisch uitgewerkt. Hier worden de belangrijkste ambities per thema of onderwerp beschreven. In dit hoofdstuk staat de omgevingsvisiekaart. Op deze kaart zijn de voornaamste ambities, kansen en uitdagingen voor onze gemeente weergegeven. In hoofdstuk 5 Uitwerking visie per deelgebied hebben we de langetermijnvisie uitwerkt voor de verschillende deelgebieden. Dit is belangrijk als opmaat voor het omgevingsplan. Hoofdstuk 6 Uitvoering: werken met de omgevingsvisie geeft een toelichting op de manier waarop we de ambities uit de omgevingsvisie kunnen realiseren. We beschrijven de doorwerking in andere Omgevingswetinstrumenten en de wijze waarop de omgevingsvisie jaarlijks wordt gemonitord en geactualiseerd. Verder zijn in dit hoofdstuk de programma’s opgenomen waar we aan werken.
2 Verkenning: waar staat Rijswijk nu?
2.1 Inleiding
Rijswijk heeft veel om trots op te zijn, maar er liggen ook serieuze vraagstukken die om aandacht vragen. Om te kunnen bepalen waar we in de toekomst naartoe willen, moeten we eerst weten waar we vandaan komen en waar we nu staan. Dit hoofdstuk gaat daarop in. Eerst schetsen we de context: hoe is Rijswijk ontstaan en door de jaren heen gegroeid (2.2 Historie van Rijswijk)? En hoe verhoudt Rijswijk zich tot de regio om ons heen (2.3 Rijswijk in de regio)? Vervolgens beschrijft dit hoofdstuk de bestaande situatie en kwaliteiten van Rijswijk (2.4 Bestaande situatie en kwaliteiten van Rijswijk). Hoe staan we er nu voor? Wat zijn de kwaliteiten van Rijswijk die we willen behouden of versterken? Op basis van de bestaande situatie identificeren we per thema de aandachtspunten voor de toekomst (2.5 Aandachtspunten voor de toekomst).
2.2 Historie van Rijswijk
De ontwikkeling van Rijswijk tot méér dan zomaar een dorp begint in de Gouden Eeuw. Langs de toenmalige Zandweg en het water van de Vliet waren het lawaai en de stank van de grote stad ver weg. Dus bouwden de nieuwe rijken uit Den Haag, Delft en Rotterdam hier – op de strandwal – hun buitenplaatsen, landhuizen, die meestal waren omringd door een mooie tuin volgens de laatste mode. Rijswijk heeft nog steeds die kwaliteit, als groen alternatief voor de drukte van de grote stad.
Indirect was het ook die ligging die Rijswijk na de Tweede Wereldoorlog zijn stadse gezicht gaf. In de jaren ’50 gaf burgemeester Bogaardt, om te voorkomen dat het dorp door Den Haag zou worden ingelijfd, de aanzet tot een ongekende bouwgolf die het aantal inwoners van Rijswijk verdubbelde tot meer dan 50.000. Vanuit het oude dorp breidde Rijswijk in de decennia na de oorlog gestaag richting het zuidwesten uit: van de naoorlogse woonwijken zoals Stervoorde, bedrijventerrein Plaspoelpolder, het nieuwe centrum In de Bogaard (nu Bogaard stadscentrum) tot de laatste uitbreiding van RijswijkBuiten. Daarmee is de stad gegroeid tot aan de west- en zuidgrens van de gemeente.
Deze ontwikkeling maakte van Rijswijk een stad met twee gezichten: enerzijds de historische dorpskern en de landgoederenzone, anderzijds de verstedelijking van de naoorlogse en latere uitbreidingswijken, Plaspoelpolder en het nieuwe Bogaard stadscentrum. De sterke groei heeft er ook voor gezorgd dat Rijswijk altijd zelfstandig heeft kunnen blijven, en definieert ons profiel tot de dag van vandaag. Deze uitersten karakteriseren het DNA van Rijswijk: het is modern én historisch, druk én rustig, grijs én groen, stad én dorp.

Afbeelding 2.1: Ontwikkeling van Rijswijk tussen 1900 en 2015 (bron: Stadsvisie, 2016).
2.3 Rijswijk in de regio
2.3.1 Regionale ligging en ruimtelijke structuren
Rijswijk maakt deel uit van de Haagse regio, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en de zuidvleugel van de Randstad. De stad ligt aan de Oude Lijn[1] en aan de ‘kennisas’ Rotterdam-Leiden. Verder ingezoomd, ligt de stad ingeklemd tussen het stedelijk gebied van Den Haag en Delft.
Rijswijk wordt doorkruist door verschillende infrastructurele lijnen, veel met een regionale functie. Van zuidwest naar noordoost loopt de rijksweg A4, met haaks daarop de Prinses Beatrixlaan en spoorlijn als verbindingen tussen Den Haag en Delft. Aan de oostkant loopt het Rijn-Schiekanaal (de Vliet) van zuid naar noord. In het zuidoosten grenst Rijswijk aan de rijksweg A13.
Ten noorden van de A4 bevinden zich de twee centra van Rijswijk: het oude dorpscentrum van Oud-Rijswijk in het noordoosten, het nieuwere stadscentrum Bogaard stadscentrum richting het westen. Globaal daartussen ligt het grote en regionaal belangrijke bedrijventerrein Plaspoelpolder. Ten zuiden van de A4 is Rijswijk met de grootschalige uitbreidingswijk RijswijkBuiten inmiddels doorgegroeid tot aan Delft. Het bebouwd gebied van Rijswijk wordt gemarkeerd door twee grote groenstructuren: de Landgoederenzone aan de noordkant en de stadsparkzone in het zuiden.
Afbeelding 2.2: Schematische weergave Rijswijk in de regio (bron: KuiperCompagnons).

[1] De oudste spoorlijn van Nederland tussen Amsterdam en Rotterdam; tegenwoordig wordt hiermee de spoorlijn tussen Leiden en Dordrecht aangeduid.
2.3.2 Rijswijk in regionale context
Rijswijk staat niet op zichzelf, maar is onlosmakelijk verbonden met de regio. Rijswijk ligt midden in de metropoolregio, het stedelijk gebied van Rotterdam tot en met Den Haag. In dit gebied is de behoefte aan extra woningen en bedrijfsruimte erg groot. Er worden de komende jaren dan ook veel woningen gebouwd en bedrijfsruimte toegevoegd. Tegelijk willen we in de regio de bestaande kwaliteiten behouden en waar mogelijk kwaliteit toevoegen. Het groene buitengebied willen we open houden, we moeten ons voorbereiden op klimaatverandering en de milieukwaliteit, leefbaarheid en sociale samenhang in steden verbeteren. Deze opgaven overstijgen de gemeentegrenzen. Ook voor opgaven zoals de drinkwatervoorziening en energienetwerken (zoals het warmtetransportnet) zijn relaties met de omgeving van groot belang. Rijswijk wil daarom ook samen optrekken met de regio om deze uitdagingen aan te pakken.
De gemeenten in de metropoolregio vullen elkaar aan en voegen allemaal kwaliteit toe aan het geheel. Regionaal wordt daarom ingezet om de gemeenten nog beter met elkaar te verbinden. Rijswijk biedt de regio zowel dorps als stedelijk wonen, met daarbovenop ruimte voor de verwachte bevolkingsgroei door een forse woningbouwopgave op zich te nemen. Rijswijk is met de huidige programmering zelfs één van de sterkst groeiende gemeentes van het land. Daarbij bieden we een plek om te recreëren met onze groene buitenplaatsen, op één van de drukste plekken van Nederland. Daarnaast biedt Rijswijk ruimte voor kleine en grote bedrijven om te ondernemen in een regio die steeds minder ruimte heeft. Zeker in verhouding tot zijn omvang heeft Rijswijk veel bedrijven en arbeidsplaatsen en daarmee een belangrijke economische functie in de regio.
2.3.3 Regionale samenwerking
Op regionaal niveau vindt veel overleg plaats over de opgaven op het gebied van de fysieke leefomgeving. Zo is er overleg met de MRDH over de regionale ontwikkeling op het gebied van mobiliteit en economie, met de provincie over het Ruimtelijk voorstel en de vervolgstappen die daarbij worden gezet, met de zuidelijke Randstad over het NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad en met de Haagse regio over de handreiking voor de ruimtelijke puzzel en de agendapunten die voor de Haagse regio van belang zijn. Rijswijk neemt actief deel aan deze overleggen en de agendapunten die daarbij aan de orde komen zijn ook van invloed op de opgaven voor de fysieke leefomgeving in Rijswijk. Ze zijn daarmee ook van invloed op de Rijswijkse omgevingsvisie. In de bijlage staan we stil bij deze opgaven die verwerkt zijn in onze omgevingsvisie.
2.4 Bestaande situatie en kwaliteiten van Rijswijk
2.4.1 De staat van de fysieke leefomgeving
Om onze ambities voor de toekomst vorm te kunnen geven, is het noodzakelijk om de bestaande situatie in beeld te hebben. Dat is ons vertrekpunt. We hebben dat in twee sporen gedaan. Ten eerste hebben we een zogenaamde ‘Leefomgevingsfoto’ gemaakt. Hierin zijn de huidige situatie en autonome ontwikkelingen in kaart gebracht. Samen vormen die de ‘referentiesituatie’: wat de situatie is en wordt zónder deze omgevingsvisie. In de milieueffectrapportage wordt dit dan ook gebruikt om de effecten van de omgevingsvisie mee te vergelijken. De Leefomgevingsfoto bevat verschillende indicatoren om de staat van de fysieke leefomgeving meetbaar te maken. Hierin wordt de fysieke leefomgeving breed beschouwd, met een nadruk op diverse milieuaspecten. De Leefomgevingsfoto is te vinden in als onderdeel van het milieueffectrapport in de losse Bijlage IV PlanMER. De belangrijkste aandachtspunten die daaruit naar voren komen waarmee we in deze omgevingsvisie rekening moeten houden, komen aan de orde in paragraaf 2.5 Aandachtspunten voor de toekomst.
Daarnaast hebben we een ‘Verkenning’ gemaakt van de bestaande situatie en kwaliteiten van Rijswijk. Daarin zitten raakvlakken met de Leefomgevingsfoto, maar hebben we vooral gefocust op de ruimtelijke en kwalitatieve aspecten. Hoe ziet Rijswijk er nu uit, wat zijn de belangrijkste kwaliteiten van onze fysieke leefomgeving en wat is er nodig om die te behouden? Op basis van die analyse zien we een aantal onderscheidende kernkwaliteiten van Rijswijk. Het zijn eigenschappen die onze kracht aangeven en onze identiteit bepalen: ze maken Rijswijk tot Rijswijk en onderscheiden ons van andere gemeenten. Dit zijn dan ook de kwaliteiten die we in de toekomst in ieder geval willen behouden.
2.4.2 De kernkwaliteiten van Rijswijk
Buitenplaats, dorp, stad: historische groei geeft meerdere gezichten
Rijswijk is sinds de jaren ’50 uitgegroeid van een dorp tot een stad (zoals beschreven in paragraaf 2.2 Historie van Rijswijk), met ongeveer 60.000 inwoners[2]. De ontwikkeling van Rijswijk is mooi terug te zien in de bebouwing van de stad.
De sterke groei die de stad heeft doorgemaakt is ook bepalend voor het profiel van Rijswijk vandaag. Enerzijds het dorpse karakter van de historische dorpskern Oud-Rijswijk. Anderzijds het stedelijke karakter van de naoorlogse wijken, bedrijventerrein Plaspoelpolder, Bogaard stadscentrum en RijswijkBuiten. Tegelijk is Rijswijk van oorsprong al een heel groene stad, met zijn buitenplaatsen en parken. Deze uitersten karakteriseren Rijswijk: het is modern én historisch, druk én rustig, grijs én groen, stad én dorp.
Rijswijk kent daardoor ook een mix van verschillende woonmilieus. Die maken Rijswijk voor veel mensen tot een aantrekkelijke woonplaats. Door het grote aandeel naoorlogse bouw heeft Rijswijk een relatief betaalbare en toegankelijke woningvoorraad, die al van oudsher veel mensen naar Rijswijk trekt. Ook spelen daarbij de goede werkgelegenheid, uitstekende verbindingen met de regio, de voorzieningen in de twee centra en wijken, en het vele groen in de buitenplaatsen, parken en wijken een rol.
Hoewel niet altijd even bekend en zichtbaar, heeft Rijswijk een rijkdom aan cultureel erfgoed (gebouwde en aangelegde groene monumenten en archeologische monumenten en waarden). Het erfgoed levert een belangrijke bijdrage aan de beleving van Rijswijk en is bepalend voor de identiteit van de Rijswijkers. Zo is er de historische dorpskern met fraaie middeleeuwse kerk en oud-Hollandse gevels. We hebben de Landgoederenzone met de statige landhuizen met het weelderige groen eromheen. Er zijn archeologische vindplaatsen zoals de fundamenten van Huis ter Nieuburch, het paleis van de Oranjes waar de Vrede van Rijswijk werd gesloten en waar het Rijswijkse Bos en de Naald van Rijswijk nog aan refereren. Maar ook de stadsparkzone en royale aanleg van de naoorlogse wijken met groenstroken, waterlopen en plantsoenen zijn waardevol erfgoed. De buitenplaatsen en parken zijn ook landschappelijk en recreatief van waarde. Samen zorgt dit in Rijswijk voor een gevoel van ‘buiten’ leven.
Groene longen van de stad
Rijswijk is van oorsprong, met zijn buitenplaatsen en parken, een heel groene stad. Nog steeds behoort Rijswijk tot de groenste gemeenten van deze sterk verstedelijkte regio. Bijna één vijfde van Rijswijk bestaat uit parken en plantsoenen. Al dat groen maakt Rijswijk tot een prettige leefomgeving voor mens, plant en dier. Naast de vele groen opgezette wijken, kent Rijswijk twee grote groengebieden:
-
De Landgoederenzone aan de noordkant, met onder andere Park de Voorde en Overvoorde, landgoed Te Werve, het Julianapark en het Rijswijkse Bos.
-
De stadsparkzone aan de zuidkant, met onder andere het Hoekpolderpark, het Wilhelminapark, Elsenburgerbos en de Zweth-Vlietzone.
Deze groengebieden vormen een duidelijke tegenhanger van de bebouwde delen van de stad.
De Rijswijkers waarderen de buitenplaatsen en parken enorm. Het zijn de longen van onze stad, en is al van oudsher een kwaliteit en onderdeel van onze identiteit. Verspreid door de stad liggen bomenlanen, oude buitenplaatsen, wijkparken, buurtgroen, begraafplaatsen, singels, volkstuinen, verbindingszones, binnentuinen, losse groenelementen en monumentale bomen. Deze elementen verbinden de twee grote groengebieden met elkaar en met de stad. Het vele groen is iets waarmee Rijswijk zich in de – sterk verstedelijkte – regio onderscheidt.
Ondernemende werkstad
Rijswijk is een echte werkgemeente, met relatief veel banen ten opzichte van Nederland en de regio[3]. Er is een ruim aanbod aan werkgelegenheid voor zowel theoretisch als praktisch opgeleiden. Rijswijk kent verschillende economische kerngebieden:
-
diverse werklocaties (bedrijventerreinen, kantoorlocaties en gemengde werklocaties);
-
twee hoofdcentra (Oud-Rijswijk en Bogaard stadscentrum);
-
verschillende buurt(winkel)centra.
Gezamenlijk bieden ze een compleet en divers aanbod aan voorzieningen en werkgelegenheid.
Die diversiteit van de Rijswijkse economie is een gevolg van de centrale ligging in de metropoolregio. Met de werkgelegenheid die deze werklocaties bieden, heeft Rijswijk een belangrijke economische functie in de regio. Voor zijn omvang huisvest Rijswijk veel bedrijven en zijn er veel arbeidsplaatsen. De beschikbare ruimte voor werken is een belangrijke kwaliteit van Rijswijk in de regio, waar veel vraag maar de ruimte schaars is.
Het middelpunt van de economische activiteit is bedrijventerrein Plaspoelpolder, een van de grootste werklocaties van de metropoolregio. Daar en elders in Rijswijk zijn er uitstekende plekken beschikbaar voor start-ups, mkb en grote bedrijven. Rijswijk ondersteunt de doorgroei van bedrijven.
Rijswijk is aantrekkelijk voor bedrijven om zich te vestigen door onze werklocaties en centrale ligging. Maar ook bijvoorbeeld de goede ondergrond voor geothermie, de goede voorzieningen in de verschillende centra, het vele groen in een drukke regio en de aantrekkelijke woonmilieus voor werknemers dragen hieraan bij.
Goed verbonden midden in de metropoolregio
Rijswijk is uitstekend bereikbaar en verbonden met de regio. Er lopen door en rondom Rijswijk verschillende grote infrastructurele verbindingen. Zo vormen de rijkswegen A4, A13, op korte afstand A12 en de Prinses Beatrixlaan voor goede autobereikbaarheid en -verbindingen met de regio (o.a. Den Haag, Delft en Rotterdam). Met een treinstation op de spoorlijn Den Haag – Delft is Rijswijk ook goed per openbaar vervoer bereikbaar. Ook is Rijswijk aangesloten op het tramnetwerk van Den Haag. Dit maakt Rijswijk voor veel mensen een aantrekkelijke plaats om te wonen. Ook voor veel bedrijven is het een onderscheidende kwaliteit om zich hier te vestigen.
Naast de grote (auto)verbindingen kent Rijswijk ook een fijnmaziger netwerk voor langzaam verkeer, van fiets- en wandelroutes. Deze zorgen onder meer voor verbindingen binnen de stad en met de verschillende groengebieden.
[2] 59.642 inwoners op 1 januari 2024; 60.544 op 1 december 2024 (voorlopige cijfers). Bron: CBS, januari 2025.
[3] Bron: Rijswijk in cijfers / LISA (2022).
2.5 Aandachtspunten voor de toekomst
2.5.1 Inleiding
Uit de vorige paragraaf blijkt dat we veel kwaliteiten bezitten die de moeite waard zijn om te behouden. Tegelijk zien we ook de nodige aandachtspunten, waar we richting de toekomst nog mee aan de slag moeten. Het kan zijn dat er kwaliteiten ontbreken of ruimte voor verbetering is, maar ook dat trends en ontwikkelingen bestaande kwaliteiten onder druk zetten of juist kansen bieden om kwaliteiten toe te voegen. Daar waar meerdere ontwikkelingen samenkomen kunnen ook dilemma’s of koppelkansen aan het licht komen. Kortom: alles waar we in de volgende hoofdstukken een antwoord op moeten formuleren.
2.5.2 Wonen en samenleving
Demografische ontwikkelingen
Rijswijk en de regio groeien fors. We verwachten op dit moment een bevolkingsontwikkeling van ongeveer 60.000 inwoners (29.000 huishoudens) in 2024[4], tot ongeveer 84.000 inwoners (41.000 huishoudens) in 2040[5].
Enerzijds wonen in Rijswijk gemiddeld wat meer ouderen dan in veel andere gemeentes. Bovendien worden mensen ouder door betere zorg en levensomstandigheden. Voor Rijswijk is de verwachting dat het aantal inwoners van 75 jaar en ouder verdubbelt tussen 2022 en 2050. Deze vergrijzing brengt op diverse vlakken uitdagingen met zich mee. Anderzijds is het aandeel kinderen (tot 14 jaar) in Rijswijk iets hoger dan het landelijk gemiddelde, nu en in 2050. Naast de autonome demografische ontwikkelingen kunnen ook andere factoren van invloed zijn op de inwonerssamenstelling van Rijswijk. Met de bouw van grote aantallen kleine woningen gericht op studenten, young professionals en kenniswerkers trekt Rijswijk jongere éénpersoonshuishoudens aan. Grote internationale werkgevers in Rijswijk en de regio zorgen voor een relatief grote internationale gemeenschap in Rijswijk.
Woningbouwopgave
In Nederland is sinds de kredietcrisis de woningbouw achtergebleven bij de groei van het aantal huishoudens. Hierdoor is er nu een groot tekort aan woonruimte. In de afgelopen jaren heeft het Rijk de regie weer naar zich toegetrokken om de woningbouw te versnellen, onder meer met de Nationale Woon- en Bouwagenda en de aankomende Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv).
In de regio (Haaglanden) is een regionaal woningbouwprogramma afgesproken en vastgelegd in de Regionale realisatieagenda Wonen (RRA Wonen). Voor Rijswijk (en de regio) ligt er een forse opgave om hieraan te voldoen. Deze regionale afspraken geven we de komende periode meer vorm, in overleg met provincie en andere gemeenten. Ons actuele woningbouwprogramma tot 2040 bestaat uit circa 10.000-11.000 woningen. In ons actuele woningbouwprogramma streven we naar een totale voorraad sociale huurwoningen van 30% van de totale woningvoorraad.
Hoofdvraag op dit punt is in hoeverre we na 2040 blijven inzetten op groei of op een bepaald aantal woningen stabiliseren. Onze huidige woningbouwopgave is gebaseerd op de beschikbare locaties voor woningbouw. Gezien onze beperkte ruimte en wens om het groen te behouden, ligt er voornamelijk een opgave voor transformatie en verdichting van de bestaande stad. Belangrijk is om daarbij een balans te houden tussen de ontwikkeling van het aantal inwoners en de leefbaarheid van de stad.
Kwalitatieve woningbehoefte
We zien landelijk en in Rijswijk een veranderende vraag naar woonvormen. De grootste vraag in de toekomst komt van kleinere huishoudens. Er zijn meer inwoners die alleen wonen, en meer ouderen (vergrijzing) die langer zelfstandig blijven wonen. Hierdoor is er steeds meer behoefte aan woningen en appartementen voor kleinere huishoudens die geschikt zijn voor alle leeftijden (levensloopbestendig). Er is ook een groeiende behoefte aan woonruimte voor bijzondere doelgroepen en aandachtsgroepen; dat kan bijvoorbeeld door flexibele en tijdelijke woonvormen.
Om te zorgen voor een evenwichtige bevolkingsopbouw is het realiseren van verschillende woonmilieus van belang. Op basis van ons woonbeleid (en dat van hogere overheden) ligt de opgave in het bijzonder in het bouwen van betaalbare koop- en huurwoningen in het middensegment en het toevoegen van sociale huurwoningen.
Er is steeds meer behoefte aan goede, betaalbare en duurzame woningen waar ouderen en mensen met een beperking zelfstandig in een veilige omgeving kunnen wonen. Dit heeft te maken met de vergrijzing, maar ook met (landelijke) veranderingen in de zorg. Uitgangspunt van het landelijk beleid is dat senioren langer zelfstandig thuis wonen, en kwetsbare mensen die nu in instellingen verblijven uitstromen naar zelfstandige woningen. Onze actuele opgave om te zorgen voor voldoende woonzorgaanbod voor ouderen en andere aandachtsgroepen is opgenomen in onze lokale woonzorgvisie en in regionale afspraken. Voor deze groeiende groepen zijn ook voldoende en toegankelijke voorzieningen, zorg en ondersteuning nodig. Dit vraagt ook om wijken, woningen en voorzieningen die hierop zijn ingericht.
Maatschappelijke voorzieningen
Een belangrijke opgave is om de maatschappelijke voorzieningen (zorg en welzijn, onderwijs, sport, andere maatschappelijke voorzieningen) in wijken en buurten op peil te houden, en mee te laten groeien met de groei van de stad. Er is in ieder geval sprake van een tekort aan eerstelijnsvoorzieningen (zoals huisartsen) in bepaalde wijken. Dit tekort zal tot 2030 in sommige wijken nog groter worden. De ruimtevraag voor basisonderwijs en sportvoorzieningen hebben we in beeld, voor andere voorzieningen wordt die ruimtevraag op het moment van schrijven onderzocht. Aandachtspunt voor nieuwe ontwikkelingen is ruimte voor voldoende voorzieningen en sturing op welke voorzieningen waar landen, rekening houdend met een veranderende doelgroep. Dit geldt ook voor winkelvoorzieningen (zie 2.5.4 Economie en vrije tijd).
Leefbaarheid
Rijswijkers zijn over het algemeen redelijk tot zeer tevreden met hun buurt, maar we zien wel dat in sommige buurten dit achteruitgaat en de leefbaarheid onder druk staat. De bevolkingsgroei en verdichting (meer mensen die gebruik maken van dezelfde ruimte) in relatie tot de leefbaarheid en veiligheid is een aandachtspunt, met name in de kwetsbare wijken. Daarom is belangrijk dat gebouwen en openbare ruimte zo ingericht worden dat mensen zich veilig voelen en zo min mogelijk overlast ervaren van elkaar en andere functies. Verdichting en transformatie kunnen zo ook de stedelijke kant van Rijswijk kansen bieden om de leefbaarheid in een gebied te verbeteren. Wel zullen mensen, gezien de toenemende drukte, een beperkte mate van overlast ook moeten accepteren. De aanwezigheid van ontmoetingsruimten, al dan niet met begeleiding is van groot belang voor wijken waar veel verschillende doelgroepen bij elkaar komen.
Gezondheid en milieukwaliteit
Gezondheidsbescherming en -bevordering staan hoog op de agenda, ook in Rijswijk. Preventie en positieve gezondheid krijgen op dit gebied steeds meer aandacht. Daarvoor is onder meer van belang dat de leefomgeving uitnodigt tot gezond gedrag, mogelijkheden biedt om elkaar te ontmoeten (binnen en buiten) en voor iedereen bereikbaar en toegankelijk is. Ook de voedselomgeving speelt een rol. Zo’n 50% van de volwassen inwoners van Rijswijk kampt met (ernstig) overgewicht (Gezondheidsgids GGD Haaglanden, 2022). Naast consequenties voor de kwaliteit van leven leiden overgewicht en obesitas ook tot kosten voor de maatschappij. Hierbij spelen verschillende leefstijlfactoren een rol, waaronder het voedingspatroon. Vanaf juni 2024 is Rijswijk een JOGG-gemeente (jongeren op gezond gewicht, 0-23 jaar) geworden. Hiermee proberen we onder meer de fysieke en sociale leefomgeving van kinderen en jongeren gezonder te maken. Voor het weren van bepaalde voedselaanbieders vanwege gezondheid en het stellen van regels daarover in het omgevingsplan biedt de Omgevingswet echter geen wettelijke grondslag. Dit gaat vooral over gezondheidsbevordering.
Voor gezondheidsbescherming is de milieukwaliteit in Rijswijk een aandachtspunt, met name de effecten van luchtkwaliteit en geluidhinder. Dit blijkt ook uit de Leefomgevingsfoto. De groei van de stad brengt op dit gebied extra opgaven met zich mee. Omgevingsfactoren zoals slechte luchtkwaliteit en geluidbelasting, maar ook externe veiligheid, hebben invloed op de leefbaarheid en de ontwikkelmogelijkheden van Rijswijk. Het is daarom zoeken naar een balans tussen enerzijds de groei van de stad en anderzijds het toewerken naar een gezonde leefomgeving. Groei van de stad kan betekenen dat niet overal dezelfde milieukwaliteit kan worden behaald.
De kwaliteit van de lucht waarin we leven is van invloed op onze volksgezondheid. Een slechte luchtkwaliteit leidt onder andere tot luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. De luchtkwaliteit in Rijswijk voldoet aan de Europese normen en is de afgelopen jaren al wel verbeterd, maar is nog steeds slecht vergeleken met veel andere delen van Nederland. Dit komt mede door de rijksweg A4 en veel andere doorgaande wegen die Rijswijk doorkruisen. Andere lokale bronnen zijn houtstook en de inzet van mobiele werktuigen. Als ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord hebben we een blijvende inspanningsverplichting om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Blootstelling aan hoge geluidsniveaus kan invloed hebben op de gezondheid. Dit beïnvloedt hoe mensen hun woonomgeving ervaren en kan nadelige gezondheidseffecten veroorzaken. Met name de verschillende (spoor)wegen vormen bronnen van overlast (verkeerslawaai). Uit de geluidbelastingkaart opgesteld in 2022 blijkt dat meer dan 7.000 inwoners in Rijswijk ernstige hinder ondervinden van het wegverkeer en dan met name van de gemeentelijke wegen. De verdere groei van de stad vormt een extra opgave door zowel de toename van het aantal blootgestelden als de groei van het aantal verplaatsingen. Ook het mengen van functies wonen en werken vraagt extra aandacht op het aspect van geluid. Het voorkomen of beperken van geluidhinder is in de bestaande woonomgeving en bij alle bouwprojecten een belangrijk aandachtspunt.
Sociaaleconomische gezondheidsverschillen zijn fors. Het verschil in levensverwachting tussen mensen met een lage en hoge sociaaleconomische positie is ongeveer zes jaar. Het verschil in het aantal jaren dat mensen in goed ervaren gezondheid leven bedraagt vijftien jaar. Dat geldt ook voor Rijswijk. Bovendien blijken de plekken waar mensen met een lage sociaaleconomische positie wonen in de praktijk onevenredig vaak een relatief hoge milieubelasting en slechte omgevingskwaliteit te hebben. Het bestrijden van deze situatie is ook een opgave vanuit ruimtelijke ordening en omgevingsbeleid.
Omgevingsveiligheid
Onder de Ow is een veilige leefomgeving een belangrijk onderwerp; externe veiligheid is daarvan een onderdeel. Externe veiligheid gaat over activiteiten met gevaarlijke stoffen die tot rampen kunnen leiden met potentiële schade voor mens en maatschappij. In Rijswijk betreft het de opslag van vuurwerk en LPG, de aanwezigheid van hoge druk aardgasleidingen en het transport van gevaarlijke stoffen over aangewezen routes waaronder de A4 en A13. Omgevingsveiligheid is breder en kan ook gaan om risico’s van andere branden, rampen en crises. Te denken valt aan brandgevaar bij elektrische auto’s of buurtbatterijen – zaken die in aantallen zullen toenemen.
Ruimte voor woningbouw en bedrijvigheid is schaars. Dit betekent dat meer mensen dicht op elkaar wonen en werken, en mogelijk niet altijd op grote afstand tot risicobronnen. Ook omgevingsveiligheid is daarom een aandachtspunt in relatie tot de groei van de stad.
[4] Bron: CBS/PBL (2024).
[5] Deze prognose is gebaseerd op het actuele aantal inwoners en huishoudens, het actuele woningbouwprogramma en op basis daarvan een professionele inschatting van de gemiddelde huishoudensgrootte.
2.5.3 Groen en natuur
Groen en verstedelijking
Groengebieden en -structuren zijn belangrijk voor een goede balans tussen verstedelijkte ruimte en groene ruimte, en een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het bestaande groen is een belangrijke kwaliteit van Rijswijk (zie 2.4.2 De kernkwaliteiten van Rijswijk). In Rijswijk is de geplande groei van de stad met de bijbehorende bouwopgave een grote ontwikkeling. Daardoor kan de ruimte voor groen en natuur onder druk komen te staan. Om een groene woonstad te blijven, is het daarom zaak om een balans te vinden tussen het groene karakter en de verstedelijkingsopgave van Rijswijk. Tegelijk bieden verdichting en gebiedsontwikkeling ook kansen om extra groen aan de stad toe te voegen, en om bij het bouwen van gebouwen en het inrichten van de buitenruimte rekening te houden met natuur in de stad (natuurinclusief bouwen). Dat gaat bovendien hand in hand met het aanpassen aan klimaatverandering.
Aandachtspunten in ons huidige raamwerk van groen en water zijn het invullen van ontbrekende schakels en het versterken van groene verbindingen (te beginnen met primaire natuurverbindingen); het versterken van de boomstructuur; en het verbeteren van de groenkwaliteit (ten behoeve van mens en natuur).
Biodiversiteit en klimaatverandering
Er is sprake van een afname van de biodiversiteit (variatie in planten en dieren) in heel Nederland en in Rijswijk. Dit wordt mede veroorzaakt en versterkt door klimaatverandering. Toenemende hitte, droogte en extreme neerslag hebben ook gevolgen voor groengebieden en natuur.
Groenkwaliteit
Nog meer dan het vergroten van de groenkwantiteit, is het versterken van de kwaliteit van groen een belangrijke opgave. Door de afnemende biodiversiteit is het verbeteren van natuurwaarden van belang; want ook de natuur maakt onderdeel uit van de stad. Dit kan onder meer door gebouwen en de buitenruimte natuurinclusief in te richten. Voor de groenkwaliteit is ook de levensduur van straatbomen en beplanting van belang. Die wordt vaak verkort door beperkende groeiomstandigheden, zoals de toenemende drukte in de ondergrond (zoals kabels, leidingen en warmtenetten). Met voldoende ondergrondse groeiruimte kunnen bomen uitgroeien tot volwassen exemplaren, wat belangrijk is voor een klimaatbestendige stad. Ook door rekening te houden met de groeiomstandigheden van de locatie (grondsoort, grondwaterstand, wind en zonbelasting) kunnen we de levensduur van beplanting verlengen. Beide zijn belangrijk voor de klimaatbestendigheid van de stad. Daarnaast is het voor de groenkwaliteit belangrijk te zorgen voor diversiteit in het groen (variatie aan bomen, heesters, planten). De kwaliteit van groen is ook afhankelijk van de locatie en functie van het groengebied. Voor het gebruik en de belevingswaarde van groen is ook de bereikbaarheid en toegankelijkheid voor iedereen een belangrijk aandachtspunt.
Water en bodem
Het water- en bodemsysteem loopt steeds vaker tegen zijn grenzen aan. De kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem staan op veel plekken onder druk. De kwaliteit van de bodem gaat hand in hand met de biodiversiteit onder en boven de grond. Bodemdaling is geen wijdverspreid probleem in Rijswijk, maar kan lokaal wel voorkomen en schade veroorzaken aan gebouwen. Het veranderende klimaat zet alles verder op scherp. Het Rijk en de provincie maken juist daarom water en bodem sturend bij keuzes over de inrichting van de ruimte. In ieder geval betekent het dat de aanwezige bodemkenmerken en waterhuishouding doorwerken in ontwerpkeuzes ‘bovengronds’.
In 2027 moet de waterkwaliteit voldoen aan de Europese normen (KRW 2027). De vraag is of dit haalbaar is; dit lijkt niet haalbaar, en kan tot een nieuwe crisis gaan leiden omdat bouwprojecten kunnen worden geblokkeerd of stilgelegd. Er ligt dan ook een belangrijke taak om de waterkwaliteit te verbeteren.
Het Hoogheemraadschap van Delfland monitort de waterkwaliteit om de actuele situatie op het gebied van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit in beeld te brengen en de ontwikkeling hiervan in de tijd te volgen. De parameters stikstof en fosfaat en doorzicht zijn een probleem. Ook overschrijden een aantal metalen, bestrijdingsmiddelen, PFAS en ammonium de norm. Op basis van het "one-out-all-out-principe" voldoet geen van de waterlichamen aan de KRW-normen voor chemische waterkwaliteit.
Voor een aantal waterlichamen voldoet de ecologische toestand bijna aan de doelstelling, maar voor andere waterlichamen ligt nog een forse opgave. De ontwikkeling van de ecologische parameters verloopt traag. Belangrijke gebiedsbrede knelpunten voor het behalen van de ecologische doelen zijn de beperkte leefruimte voor soorten (structuur/habitat) en menselijke verstoring. Daarnaast is de hoeveelheid meststoffen te hoog en kan de zuurstofhuishouding lokaal verbeterd worden.
De vraag naar drinkwater zal de komende jaren blijven stijgen. Door klimaatverandering en verontreiniging staat het aanbod onder druk. Nu al komen er regionaal tekorten voor, waaronder in het westelijk deel van Zuid-Holland.
2.5.4 Economie en vrije tijd
Snelle economische en technologische ontwikkelingen
De economie heeft een grote invloed op de maatschappij, maar is onvoorspelbaar. Dit werd vanaf 2020 zicht- en voelbaar toen de coronapandemie uitbrak. Maar ook nieuwe crises (denk aan de oorlog in Oekraïne, energieprijzen, inflatie, et cetera) hebben gevolgen voor de economie. Wat de lange termijneffecten hiervan zijn, is nog onbekend.
Technologische ontwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op, en zijn direct of indirect van invloed op onze manier van leven en ondernemen. Denk aan digitalisering, automatisering, robotisering, artificial intelligence (AI). Nieuwe technologieën hebben invloed op de bedrijvigheid in Rijswijk, maar ook op de manier waarop we winkelen, met elkaar omgaan, onze vrije tijd besteden en hoe we voor elkaar zorgen.
Daarnaast is er steeds meer aandacht voor verduurzaming, zoals de overgang naar duurzame (hernieuwbare) bronnen van energie en een circulaire economie (waarin gebruikte producten en materialen opnieuw worden gebruikt als grondstof voor nieuwe productie). Ook hebben trends in mobiliteit, zoals de groei van duurzame mobiliteit en stadsdistributie, invloed op de economie.
Werklocaties
We zien steeds vaker transformaties van werklocaties en -functies (bijvoorbeeld bedrijventerreinen en kantoren) naar wonen, mede door de grote woningvraag. Maar er blijft ruimte voor stadsverzorgende bedrijven en werken nodig, in lijn met de groei van inwoners en woningen.
Er is sprake van afnemende vraag naar ruimtes voor detailhandel en kantoren. Dit leidt soms tot (structurele) leegstand. In winkelgebieden speelt de opkomst van internetwinkelen daarbij een rol, en komt de focus steeds meer te liggen op ontmoeten in plaats van winkelen.
Op de kantorenmarkt zien we een verandering in huisvestingswensen van bedrijven. Zo verandert de behoefte aan kantoorruimte van traditionele kantoorlocaties naar steeds meer gemengde gebieden met verschillende functies. Bereikbaarheid speelt daarin ook een belangrijke rol. Ook is er een groei van flexibele kantoorconcepten zichtbaar (bijvoorbeeld verzamelgebouwen met meerdere en wisselende huurders).
Om met onze economie in te spelen op actuele trends en ons regionaal te kunnen blijven profileren, is het van belang om ons diverse aanbod aan werklocaties te behouden, en innovaties en bedrijven te stimuleren. Voor toekomstbestendige werklocaties hebben we per werklocatie al een ontwikkelrichting bepaald[6]. Een grote actuele opgave is de gedeeltelijke transformatie van Plaspoelpolder tot gemengd werk-woongebied. Revitaliseren van andere bedrijventerreinen is een opgave voor een langere periode, net als het onderzoeken of we meer ruimte kunnen vinden voor bedrijven door bestaande terreinen beter te benutten of door uitbreidingslocaties aan te wijzen.
Horeca en detailhandel
Voor toekomstbestendige horeca en detailhandel is de belangrijkste opgave het bieden van een compleet en divers voorzieningenaanbod, dat aansluit bij de behoefte van de groeiende bevolking. Dat geldt zowel voor de twee grote centra met hun eigen profiel (Oud-Rijswijk en Bogaard stadscentrum) als voor de verschillende buurtwinkelcentra. Aandachtspunt is dat voorzieningen voor iedereen toegankelijk zijn. Het recent vastgestelde retail- en horecabeleid[7] gaat hier nader op in.
Cultuurhistorie, beleving en recreatie
Voor de presentatie van ons erfgoed is beheer en onderhoud belangrijk. Om te komen tot beter beleid en beheer heeft de gemeenteraad in 2024 de Erfgoednota vastgesteld.
Qua beleving en recreatie is de opgave een breed aanbod aan mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding te bieden, aansluitend bij de groeiende bevolking. Aandachtspunten zijn de toegankelijkheid voor iedereen en specifiek het aanbod voor jeugd en jongeren.
Circulariteit
De circulaire economie (economie waarin gebruikte producten en materialen opnieuw worden gebruikt als grondstof voor nieuwe productie) zal naar verwachting extra ruimte vragen, vooral op werklocaties. Om kringlopen te sluiten is extra energie nodig. Nieuwe ontwikkelingen vormen een kans om op een circulaire manier te bouwen en de openbare ruimte in te richten. Op dit vlak moeten we nog beleid ontwikkelen in Rijswijk. Ook in het beleid van Rijk en provincie krijgt dit steeds nadrukkelijker een plaats. Doel van het Rijk is een volledig circulaire economie in 2050.
[6] Toekomstbestendige werklocaties – Economische analyse en strategie (2023).
[7] Gemeente Rijswijk – Retail- en horecabeleid (2023).
2.5.5 Klimaat en energie
Klimaatverandering
Klimaatverandering vormt een uitdaging in combinatie met de huidige en geplande verdichting van onze stad richting 2050. Het wordt heter, natter én droger. Dit verhoogt het risico op schade aan gebouwen en infrastructuur en heeft een impact op de natuur en de biodiversiteit. Al deze ontwikkelingen vormen risico’s voor de leefbaarheid van Rijswijk.
Door de temperatuurstijging en de toename van hittegolven zijn de klimaatrisico's voor Rijswijk urgent. De afgelopen jaren zien we steeds warmere zomers en periodes van extreme (record-)hitte. De verwachting is dat dergelijke hittegolven in de toekomst steeds vaker gaan voorkomen. Bovendien worden de periodes van hitte langer, wat kan leiden tot periodes van droogte en watertekorten. Door de stijging van de temperatuur neemt de hoeveelheid waterdamp in de lucht toe, wat uiteindelijk leidt tot meer neerslag. Dit veroorzaakt vaker extreme regenval, vooral in kustprovincies en dus ook in Rijswijk. Deze weersextremen zullen in de toekomst vaker optreden.
Lokale effecten en aandachtspunten
De Leefomgevingsfoto (als onderdeel van het MER) beschrijft voor Rijswijk de autonome ontwikkelingen op het gebied van wateroverlast, droogte en hittestress.
Wateroverlast
Wateroverlast door hevige neerslag levert op een aantal plekken een aanzienlijke waterdiepte op. Het risico op water in panden is zeer beperkt aanwezig. Hoewel wateroverlast door klimaatverandering vaker zal voorkomen wordt de autonome ontwikkeling in de Leefomgevingsfoto als goed beoordeeld; dat vraagt van ons wel dat we de doelen en maatregelen uit ons bestaande beleid op dit punt uitvoeren. Aandachtspunt hierbij is ook de geplande groei van de stad, en de bebouwing en infrastructuur die daarvoor nodig is.
Droogte
In 2050 is naar verwachting heel Rijswijk onderhevig aan droogtestress, het zuidoostelijk deel heeft een hoog risico. Gebieden met in de bestaande situatie matige kans op droogte, zullen zonder maatregelen in omvang en aantal toenemen. Een aantal gebieden heeft kans op wegzakkend grondwater met gevolgen voor funderingen. Het kan ook leiden tot grotere behoefte aan bewatering van groen door verdorring.
Hitte
Aanhoudende hitte kan leiden tot serieuze gezondheidsklachten zoals uitdroging en hittestress, soms met sterfte tot gevolg. Een toenemend aantal hittegolven vormt vooral voor broze ouderen (75+), chronisch zieken, mensen met overgewicht, mensen in een sociaal isolement, zwangeren en jonge kinderen een risico. De komende jaren neemt bovendien in Rijswijk het aantal ouderen en jonge kinderen toe, groepen die extra gevoelig zijn voor hittestress. Hittestress is daarom in Rijswijk een grote uitdaging, zeker in de delen van de stad met veel bebouwing, weinig groen en gebrek aan koelteplekken. Deze zogenaamde ‘hitte-eilanden’ brengen extra gezondheidsrisico’s met zich mee. Het zijn tegelijk de gebieden waar veel nieuwe bouwontwikkelingen plaatsvinden. Dit biedt ook kansen om de inrichting hierop aan te passen. Hiernaast zorgen mildere winters ervoor dat bepaalde planten die gezondheidsproblemen veroorzaken beter gedijen. Samen met hogere temperaturen en hogere concentraties van CO2 in de lucht kan dat leiden tot een langer pollenseizoen en hogere pollenconcentraties in de lucht. Om hittestress te voorkomen, is het belangrijk om tijdens zomerperiodes de woningen 's nachts goed te ventileren. Mensen met hooikoortsallergie doen dit echter vaak niet en blijven ook overdag binnen. Dit verhoogt het risico op hittestress. Daarnaast heeft Rijswijk te maken met veel verouderde bestaande appartementencomplexen, die slecht geïsoleerd zijn en slecht aangepast om hittestress te voorkomen, denk aan gebrek aan zonwering, koeling en ventilatie. Dat maakt vooral de kwetsbare doelgroepen die daar wonen extra kwetsbaar. Veel van deze wooncomplexen worden de komende jaren verduurzaamd en gerenoveerd, en dit biedt ook kansen voor klimaatadaptatie.
Klimaatadaptatie
Klimaatverandering vraagt om aanpassing, vooral aan de toename van weersextremen zoals hitte, droogte en wateroverlast. Dit heet klimaatadaptatie. In Nederland zorgen waterschappen al eeuwenlang voor veilige en stevige dijken. Maar klimaatopwarming brengt nieuwe uitdagingen zoals hittestress, droogte en wateroverlast door hevige neerslag met zich mee. Naast het waterschap is klimaatadaptatie tegenwoordig een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en medeoverheden, waarbij gemeenten ook een rol hebben.
Ons gezamenlijk doel is een waterrobuuste en klimaatbestendige omgeving, zoals vastgelegd in de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Deze landelijke ambitie komt voort uit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van 2015, waarin werd besloten dat het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen samen ervoor zorgen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Dat is ook voor Rijswijk de opgave. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten klimaatbestendig zijn om te zorgen dat risico’s door extreem weer en overstromingen niet verder toenemen, terwijl ook de bestaande ruimte zo beheerd en onderhouden moet worden dat de kans op schade en slachtoffers afneemt.
Energietransitie
We kunnen ons aanpassen aan klimaatverandering, maar ook bijdragen aan het afremmen ervan. Een van de belangrijkste ontwikkelingen en opgaven is dan ook de energietransitie: het verkleinen van de energiebehoefte en de overgang van fossiele naar duurzame (hernieuwbare) bronnen van energie en warmte. In een Regionale Energie Strategie (RES) vertalen gemeenten in energieregio’s (voor ons: Rotterdam Den Haag) afspraken uit het landelijke Klimaatakkoord in regionale ambities en oplossingsrichtingen. De RES is de basis om lokaal beleid uit te werken.
Nederland heeft de doelen van het klimaatverdrag vertaalt in het Klimaatakkoord 2019. Één van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat er in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af moeten zijn. Als eerste stap staat in het klimaatakkoord dat in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd moeten zijn. Het Klimaatakkoord legt de regie voor de uitvoering bij gemeenten, zo ook bij Rijswijk.
Onderdeel van de energietransitie is de noodzaak tot het duurzaam verwarmen van woningen en andere gebouwen. Belangrijk aandachtpunt voor de toekomst is het aardgasvrij maken van de bebouwde omgeving. Die opgave is groot en complex. Onze Transitievisie Warmte beschrijft al op welke wijze, stapsgewijs richting 2050, wijken worden afgeschakeld van het aardgas en worden voorzien van een duurzame warmtebron (warmtetransitie).
Circa 70%[8] van de woningen in Rijswijk heeft een geregistreerd energielabel, de verdeling daarvan is duidelijk weerspiegeld in de leeftijd van de bebouwing. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde ligt Rijswijk nog wat achter op dit vlak, met name in de naoorlogse wijken en Oud-Rijswijk. Woningcorporaties zijn hier wel bezig met een inhaalslag.
Voor de energietransitie is het ook van belang om zoveel mogelijk energie duurzaam op te wekken, binnen onze beperkte fysieke ruimte. Het aandeel hernieuwbare[9] energie in Rijswijk blijft nu nog achter bij het landelijk gemiddelde. Lag onze focus in het verleden vooral bij opwek door zonnepanelen, we willen nu meer naar inzicht in de potentie en risico’s van bodemenergie en geothermie.
Belangrijk aandachtspunt is dat het elektriciteitsnet zwaar onder druk staat. In de regio is al sprake van netcongestie[10], wat betekent dat het elektriciteitsnet vol is. In Rijswijk is dat op dit moment nog niet het geval, maar de komende tijd zal de druk op ons net alleen maar toenemen.
Bij de uitvoering van de energietransitie zijn verdere aandachtspunten onder andere de toegankelijkheid en betaalbaarheid voor iedereen (het voorkomen energiearmoede) en de benodigde ruimte in de ondergrond. Ook actuele ontwikkelingen zoals de aanleg van WarmtelinQ (die per 2025 langs de Prinses Beatrixlaan komt te lopen) en overige energie-infrastructuur zoals de verdere aanleg van warmtenetten, het doortrekken van WarmtelinQ naar Leiden, de aanleg van geothermie/ hoge temperatuuropslag en de uitbreiding van het Stedin-netwerk spelen hierbij een belangrijke rol. Verder wordt onderzoek gedaan naar een goede plaatsing van een warmteoverdrachtsstation (WOS), en naar meekoppelkansen: bijvoorbeeld het combineren van de aanleg van nieuwe energiebronnen of -netwerken met herinrichting van de openbare ruimte, groen en klimaatadaptatie.
[8] Rijswijk in Cijfers - Woningen - Rijswijk [https://rijswijk.incijfers.nl/dashboard/woningen].
[9] DASHBOARD - Energie-installaties - Rijswijk [https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energie-installaties].
[10] https://capaciteitskaart.netbeheernederland.nl/.
2.5.6 Mobiliteit
Trends in mobiliteitsvormen
We zien een trend dat autogebruik vooralsnog blijft toenemen, autobezit groeit wel minder hard dan voorheen. De elektrische auto is in opmars. Ook het fiets- en openbaar vervoergebruik groeit. De elektrische fiets of e-bike is als alternatief naar voren gekomen, en wordt steeds vaker gebruikt voor woon-werkverkeer. Ook wordt steeds meer gebruik gemaakt van deelmobiliteit en vervoer op afroep via digitale platforms.
Negatieve effecten van mobiliteit
Autoverkeer heeft negatieve effecten op de milieukwaliteit en gezondheid. Rijswijk kent een relatief slechte luchtkwaliteit en op verschillende plekken geluidhinder, waar (vracht)autoverkeer een belangrijke rol in speelt (zie ook 2.5.2 Wonen en samenleving).
Met het oog op klimaatdoelen[11] en leefbare steden is er steeds meer aandacht voor duurzaam vervoer, bijvoorbeeld door het weren van auto’s (autoluwe zones, zero emissie milieuzones), het stimuleren van elektrisch rijden of andere duurzame mobiliteitsvormen. Nieuwe en elektrische mobiliteitsvormen zorgen voor minder CO2-uitstoot en een schonere lucht. Wel brengen ze opgaven in infrastructuur met zich mee. Denk aan ruimte voor laadpalen, deelmobiliteit en betere fietsvoorzieningen. Ook stadsdistributie is een aandachtspunt, zeker gezien de groei in internetverkopen en bezorgdiensten.
Brede en doorgaande wegen vormen ruimtelijke barrières en knelpunten qua veiligheid en leefbaarheid. We zijn al bezig met herinrichten van wegen om dit aan te pakken, afschalen van wegen onderzoeken we als optie. Aandachtspunt is de bereikbaarheid voor bedrijven/ondernemers.
We zien een toenemende verkeersonveiligheid: het aantal verkeersslachtoffers neemt de laatste jaren toe, mede door de toename van autoverkeer en snellere typen (brom)fietsen. Rijswijk scoort relatief hoog op het aantal ongevallen per inwoner. Zeker gezien de groeiende verkeersdruk is het verbeteren van de verkeersveiligheid een opgave.
Groei in inwoners en verplaatsingen
Mobiliteit groeit mee met de groei van de bevolking en economie. In Rijswijk nam het verkeer de afgelopen jaren daardoor al toe. De bereikbaarheid komt daardoor steeds meer onder druk te staan. Met name tijdens de spits zorgt de drukte bij kruisingen en verkeerslichten soms al voor lange wachttijden, zeker bij toegangswegen naar de stad zoals de Prinses Beatrixlaan en Haagweg.
Door de forse groei in inwoners en banen in Rijswijk en de regio wordt het drukker in de stad. Dit zorgt voor meer verplaatsingen, ook met de auto. Door de verwachte groei zal het totale aantal auto’s in de gemeente toenemen. Dit heeft niet per se gevolgen voor de parkeerdruk (bij nieuwbouw worden ook parkeerplaatsen aangelegd), maar wel voor het wegennetwerk.
Bovendien maken weggebruikers van omringende steden en dorpen gebruik van onze infrastructuur (en andersom). Ook in de omliggende gemeenten wordt een flink aantal woningen bijgebouwd (onder andere grote aantallen in Den Haag Zuidwest, CID/Binckhorst, Delft, Leidschendam-Voorburg en Westland). Deze toename van mensen zorgt ervoor dat het drukker wordt in een gebied waar de ruimte schaars is. Grote ontwikkelingen in de regio zijn dus ook van invloed op de infrastructuur en bereikbaarheid van Rijswijk.
Onze bestaande infrastructuur veroudert, terwijl het gebruik toeneemt. Bovendien stelt klimaatverandering andere eisen aan de infrastructuur door hevige neerslag, droogte en hitte. Dit zorgt voor een opgave op het gebied van vervanging en renovatie.
Groei zet mobiliteit onder druk
Bij ongewijzigd beleid zal de verwachte groei en dus verkeerstoename ervoor zorgen dat knelpunten en negatieve effecten van mobiliteit toenemen; zoals een verminderde doorstroming en langere reistijd met de auto (vooral tijdens spitstijden), relatief groot extra ruimtebeslag voor parkeren, grotere verkeersonveiligheid, verslechtering van luchtkwaliteit en toename van hinder. Dit vraagt om maatregelen in infrastructuur en ander mobiliteitsgebruik. Er is een spanningsveld tussen de ruimte voor verstedelijking en nieuwe functies (wonen, economie, groen, etc.) en ruimte voor autoverkeer. In een groeiende stad moeten we daarom een nieuw evenwicht vinden tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid.
Om Rijswijk bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor iedereen zullen alternatieven voor de auto (lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit) aantrekkelijker moeten worden. Een verschuiving naar andere vervoerswijzen gaat niet vanzelf. Het vraagt om verschillende maatregelen, zoals alternatieven voor de auto te verbeteren en te zorgen voor een gedragsverandering bij bewoners, werknemers en werkgevers. Om mensen daartoe te verleiden zijn goede verbindingen en voorzieningen voor voetgangers, fietsers en openbaar vervoer noodzakelijk. Openbaar vervoer en voorzieningen voor langzaam verkeer moeten betaalbaar en toegankelijk zijn voor ouderen en mensen met een beperking.
Ontwikkelingen rondom OV
Rondom station Rijswijk is het van belang om de stationsomgeving aantrekkelijker en veiliger in te richten met name voor voetganger en fietser, en hier een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied te ontwikkelen. Zodoende kan het station zijn centrale rol spelen in het mogelijk maken van de mobiliteitstransitie en het opvangen van de groei aan reizigers. Ook een opgave is het realiseren van een ov-station RijswijkBuiten als hub voor het nieuwe woongebied. Daarnaast is een nieuwe tramverbinding tussen Den Haag en Delft via Rijswijk als voorkeursalternatief naar voren gekomen uit een MIRT-verkenning voor het project CID-Binckhorst. Dit wordt in de planning- en studiefase nog verder uitgewerkt en onderzocht.
[11] In het Klimaatakkoord (2019) is de doelstelling de totale CO2-uitstoot in Nederland met 49% te verminderen in 2030 en toe te werken naar een uitstootvrije samenleving in 2050. Voor Rijswijk is dit o.a. vertaald in het Actieplan CO2 reductie Mobiliteit Rijswijk 2020- 2021.
3 Visie op de toekomst van Rijswijk
3.1 Inleiding
Om te zorgen dat Rijswijk ook in 2050 een prettige stad is om te wonen, werken en verblijven willen we in ieder geval de kwaliteiten die we al hebben (paragraaf 2.4 Bestaande situatie en kwaliteiten van Rijswijk) behouden en versterken. Tegelijk willen we ook kwaliteiten toevoegen en moeten we inspelen op de trends en ontwikkelingen die op ons afkomen (paragraaf 2.5 Aandachtspunten voor de toekomst). De groei van de stad biedt daarvoor veel kansen, maar zorgt ook voor uitdagingen. Om een bijdrage te leveren aan het oplossen van de grote woningnood, bouwen we nieuwe woningen. Bovendien pakken we leegstand en verloedering aan door leegstaande winkels en kantoren te transformeren naar woningen en voorzieningen. Daardoor zal de stad verder groeien. Dat kunnen we aangrijpen om tegelijk het welzijn van de Rijswijkers te verbeteren, bijvoorbeeld door de stad mooier, groener en veiliger te maken met meer voorzieningen en beter openbaar vervoer.
3.2 Kern van de visie
Brede welvaart
In 2050 kent de hele samenleving van Rijswijk een brede welvaart. Met het begrip ‘brede welvaart’ wordt bedoeld dat welvaart niet alleen draait om materiële welstand, maar ook om zaken als een goede gezondheidszorg, een veilige leefomgeving, een schoon milieu en goed onderwijs. Het is een maatstaf voor alles wat mensen van waarde vinden. Brede welvaartsontwikkeling vertoont overeenkomsten met het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ dat de VN hanteert (Sustainable Development Goals (SDG)). We stellen alle ontwikkelingen tot 2050 in dienst van die brede welvaart. Dat betekent dat bijvoorbeeld economische groei of bereikbaarheid geen doelen op zich zijn, maar moeten bijdragen aan het welzijn van de inwoners van Rijswijk en omgeving.
Vernieuwing met de geplande woningbouw
In de Stadsvisie stond nog de vraag centraal in welke mate we ruimte willen bieden voor hoogstedelijke ontwikkelingen en een sterke groei van het aantal woningen in de stad. In deze omgevingsvisie leggen we de nadruk meer op de kwalitatieve ontwikkeling van de stad. Om de groei van de stad te combineren met die gewenste groei in kwaliteit, moeten we een innovatieve (vernieuwende) ontwikkelrichting inslaan. Dit sluit aan bij de resultaten uit de participatie en effectbeoordeling in de milieueffectrapportage (zie kader). Die innovatieve ontwikkelrichting uit zich niet zozeer in het stellen van nieuwe beleidsdoelen. Veelal vastgestelde sectorale doelen zijn nog steeds actueel. Het uit zich in de prioritering van die doelen. De innovatie uit zich ook in het meer integraal werken aan het behalen van de beleidsdoelen. In deze omgevingsvisie is voor het eerst het sectorale beleid tot op een hoog detailniveau naast elkaar gezet. Daardoor vormt het een integraal toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. De verdere groei van de stad is alleen mogelijk als de ruimtelijke kwaliteit op orde is. Om te zorgen dat de groei niet ten koste gaat van onze kwaliteiten, richten we ons op het uitvoeren van het geplande woningbouwprogramma tot 2040.
Tegelijk is er een grote behoefte aan woningen in Rijswijk die mogelijk ook daarna nog aanhoudt, zoals ook werd erkend in de participatie. Juist het voorzien in die behoefte aan betaalbare woningen is een belangrijk onderdeel van het streven naar brede welvaart. Ook kunnen nieuwe ontwikkelingen juist een middel zijn om andere – innovatieve – ambities te realiseren. Om hieraan recht te kunnen doen en op alle situaties voorbereid te zijn, pinnen we ons op voorhand niet op een harde bovengrens voor een verdere groei van het aantal woningen na 2040 vast. Wél pinnen we ons vast op kwaliteit: ontwikkelingen zijn alleen mogelijk binnen duidelijke randvoorwaarden (bijvoorbeeld voor groen en milieu) die we daarvoor stellen. Daarmee maken we de groei in kwaliteit leidend.
|
Hoe we tot de kern van de visie gekomen zijn Twee hoofdkeuzes, vier ontwikkelrichtingen Op basis van onze analyses van waar Rijswijk nu staat, zien we twee belangrijke strategische keuzes voor onze koers richting de toekomst. Al in de Stadsvisie (2016, de voorganger van deze omgevingsvisie) stelden we onszelf een forse woningbouwopgave tot doel. Omdat de behoefte in Rijswijk en de regio sindsdien alleen maar is toegenomen, hebben we in ons actuele woningbouwprogramma tot 2040 een opgave van circa 10.000-11.000 woningen afgesproken. Maar wat als daarná de vraag naar woningen nog steeds aanhoudt: willen en kunnen we daar dan aan tegemoet komen, of is Rijswijk na het realiseren van het huidige programma ‘af’? Een tweede keuze die we moeten maken is hoe we invulling gaan geven aan deze groeiopgave, samen met alle aandachtspunten voor de toekomst die we constateren (paragraaf 2.5). Zetten we de lijn van ons bestaande beleid voort of gaan we op een vernieuwender manier te werk? Dat wil niet zeggen dat ons bestaande beleid helemaal niet innovatief is, maar op sommige vlakken is een stap verder mogelijk. Vier ontwikkelrichtingen Door deze strategische vragen te plaatsen op kruisende assen ontstaan vier kwadranten, die staan voor mogelijke ontwikkelrichtingen van Rijswijk (zie afbeelding 3.1). Samen vormen ze als het ware de ‘uitersten van het speelveld’. Per ontwikkelrichting hebben we (in kaart en tekst) uitgewerkt wat dit op hoofdlijnen voor verschillende onderwerpen zou betekenen. Om deze goed te kunnen beoordelen en vergelijken zijn de ontwikkelrichtingen ook beoordeeld op de effecten op de omgeving (deel I van het MER). |




Afbeelding 3.1: Vier ontwikkelrichtingen (bron: KuiperCompagnons).
|
Naar één ontwikkelrichting: gesprek over de toekomst van Rijswijk De vier ontwikkelrichtingen hebben we vervolgens gebruikt om met elkaar het gesprek aan te gaan over de toekomst van Rijswijk, intern maar ook met de samenleving. In een eerste participatieronde hebben inwoners, organisaties en experts meegedacht en hun ideeën en voorkeuren voor de toekomstige ontwikkeling van de stad aangegeven. De uitkomsten daarvan zijn terug te vinden in het participatieverslag (zie Bijlage VI Participatieverslag omgevingsvisie Rijswijk (2024‑10‑30)). Het doel was om te komen tot een breed gedragen ‘voorkeursrichting’: van vier mogelijke ontwikkelrichtingen tot dé ontwikkelrichting voor Rijswijk. Die vormt vervolgens de basis voor de kern van de omgevingsvisie. Uit de inbreng van de deelnemers komt duidelijk een voorkeur voor een innovatieve ontwikkelrichting naar voren, als de beste manier om onze aandachtspunten voor de toekomst aan te pakken. Dat uit zich bijvoorbeeld in een verdergaande vergroening van de stad, in het extra stimuleren van ov en andere maatregelen om negatieve effecten van autoverkeer te beperken of in het zoeken naar nieuwe en slimme oplossingen voor klimaatbestendige gebouwen en buitenruimte. Deelnemers zagen in een innovatieve ontwikkelrichting de beste manier om onze aandachtspunten voor de toekomst aan te pakken. Dit strookt ook met de resultaten uit de effectbeoordeling (zie Bijlage IV PlanMER), waarin deze richtingen (in het bijzonder in combinatie met de geplande groei) overwegend het beste scoren. Daarnaast was onder de deelnemers een voorkeur zichtbaar om in principe te richten op de nu geplande woningbouw, waarbij we allereerst moeten zorgen voor een kwalitatieve ontwikkeling van de stad. Kortom, het behouden en versterken van onze kwaliteiten en het aanpakken van aandachtspunten gaat voor op een kwantitatieve groei. Maar ook gingen er, mede gelet op de grote woningbehoefte in Rijswijk en de regio, geluiden op om de optie voor verdere groei in de toekomst wel open te houden. Dit kan namelijk ook bijdragen aan het realiseren van andere ambities. Wel werd hierbij opgemerkt dat extra groei ook kan leiden tot extra aandachtspunten op het gebied van groen, milieu en verkeer. Naast het realiseren van de geplande woningbouw zal daarom goed bekeken moeten worden of, wanneer en waar meer groei mogelijk is. |
3.3 Drie kernambities
Een duurzame balans
Brede welvaart en een kwalitatieve verbetering van onze fysieke leefomgeving is alleen maar mogelijk als er sprake is van een duurzame balans tussen onze samenleving, onze leefomgeving en onze (materiële) welvaart. Nu, maar ook in de toekomst. Binnen, maar ook buiten de gemeentegrenzen. Dit vatten we samen onder de noemer ‘Gezonde buitenplaats in de metropool’. Met onze kwaliteiten als vertrekpunt en onze blik op de toekomst vertalen we dit in de volgende drie kernambities:
Samen vormen deze drie kernambities onze koers voor Rijswijk tot 2050. Afbeelding 3.2 geeft de kernambities in een diagram weer. Die hebben we daaronder verder uitgewerkt.

Afbeelding 3.2: Drie kernambities voor Rijswijk in 2050.
Gezonde buitenplaats voor iedereen
Rijswijk is in 2050 een gezonde buitenplaats voor iedereen. Ooit was dit de plek waar de adel, regenten en rijke kooplieden uit Den Haag vanwege het fraaie landschap op de strandwal en de gezonde lucht hun buitenplaatsen vestigden. In 2050 is Rijswijk uitgegroeid tot een gezond ‘buiten’ met plaats voor iedereen. Het ‘buiten’ zie je terug in het enorm groene karakter van de stad. ‘Voor iedereen’ betekent dat in Rijswijk het voor alle verschillende doelgroepen mogelijk is om geschikte en betaalbare woonruimte te vinden en te wonen, werken en recreëren in een prettige en gezonde leefomgeving. Ook kwetsbare Rijswijkers hebben de mogelijkheid om in de stad te (blijven) wonen door een woon- en zorgaanbod dat aansluit op de vraag van de (toekomstige) inwoners.
Bij de groei van de stad stond en staat altijd de brede welvaart centraal. Rijswijk heeft in 2050 veilige en leefbare wijken waar inwoners zich prettig en voor elkaar verantwoordelijk voelen. Daarbij hebben alle Rijswijkers in hun directe omgeving voldoende en goed toegankelijke maatschappelijke voorzieningen en ontmoetingsplekken. De openbare ruimte is zo ingericht dat ook mensen met een beperking zich zelfstandig kunnen verplaatsen. De afgelopen jaren hebben we, binnen onze mogelijkheden in een drukke en groeiende stedelijke regio, ons ook sterk ingezet voor een veilige en gezonde leefomgeving. Door verschillende maatregelen en de grotere rol voor schone vormen van mobiliteit en bouw is de gezondheidsschade door luchtvervuiling en geluidhinder zo veel mogelijk beperkt. Tegelijk stimuleert de inrichting van de leefomgeving iedereen tot een gezonde leefstijl, beweging en ontmoeting.
Groene stad voor nu en later
Met het oog op de brede welvaart is Rijswijk een groene stad voor nu en later. Rijswijk was lang alleen een groen dorp. Die groene identiteit heeft het dankzij Oud-Rijswijk en de landgoederenzone nog steeds. Daar is na de Tweede Wereldoorlog een heel eigen stadse identiteit aan toegevoegd. Belangrijk onderdeel zijn ook de grote stadsparken aan de andere kant van de A4. In 2050 zijn deze parken (stadsparkzone) en de landgoederenzone nog altijd de ‘groene longen’ van de stad. De verschillende groene netwerken daartussen maken Rijswijk extra groen tot diep in de haarvaten van wijken en buurten. Door het natuurinclusief bouwen en inrichten van buitenruimtes (zo veel mogelijk rekening houdend met natuurwaarden) zijn de groenkwaliteit en biodiversiteit (variatie in plant- en diersoorten) aanzienlijk verbeterd. Hierdoor is Rijswijk een goed functionerende stadsbiotoop: een stad waar mensen, planten en dieren een thuis hebben.
Onze rijke geschiedenis, van de eeuwenoude buitenplaatsen tot de moderne stedenbouw, is bepalend voor de identiteit van Rijswijk. Ons erfgoed hebben we beter toegankelijk en beleefbaar gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen hebben we bovendien zorgvuldig ingepast in de ruimtelijke structuur van de stad: binnen bestaand bebouwd gebied (om ons groen en erfgoed te sparen) en met stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit (waaronder hoogbouw) die bijdraagt aan de betekenis van de plek.
In 2050 is Rijswijk klimaatbestendig: onze leefomgeving is goed bestand tegen lokale weersextremen, zoals hittestress en droogte maar ook langdurige en zware regenval. Dat hebben we gedaan door de inrichting van de buitenruimte en alle nieuwe (her)bouwontwikkelingen daarop aan te passen. Waar vernieuwende oplossingen zich aandienden hebben we die ingezet. Tegelijk dragen we bij aan het tegengaan van klimaatverandering: in 2050 is Rijswijk klimaatneutraal. Dat realiseren we door het verkleinen van de energiebehoefte en een overgang van fossiele naar duurzame (hernieuwbare) bronnen van warmte en energie. Zo is onze gebouwde omgeving aardgasvrij, zijn grote delen van de stad aangesloten op een warmtenet en wekken we duurzame elektriciteit op passend binnen de compacte stad. In deze energietransitie hebben we als gemeente de regie genomen en gezorgd dat iedereen mee kan doen.
Creatieve werkplaats voor de regio
Rijswijk is in 2050 een ‘creatieve werkplaats voor de regio’. Hier worden innovaties uit de ‘kennisas’ Leiden-Rotterdam in de praktijk toegepast, en vinden mensen een baan die bij hen past. Rijswijk heeft een belangrijke economische functie, niet alleen voor inwoners van de stad, maar voor de hele regio. Onze werklocaties huisvesten verschillende soorten bedrijven en daarmee banen, met de nadruk op innovatie, techniek en energie. Samen met bedrijven, kennisinstellingen en onderwijs hebben we de krachten gebundeld om met de toepassing van kennis en slimme technieken de verschuiving naar duurzame warmte en energie te realiseren en kansen te zoeken voor circulariteit. De Plaspoelpolder heeft een unieke positie als broedplaats voor toegepaste innovatie. Die hebben we versterkt door de doorontwikkeling van de campus Kessler Park / At the Park in combinatie met het middengebied met (uitvoerende) bedrijvigheid gekoppeld aan een duurzaam werk-, verblijfs- en woonklimaat. Het middengebied van de Plaspoelpolder is geïntensiveerd en beter benut. De randen van de Plaspoelpolder zijn verkleurd van bedrijven naar woningbouw.
Rijswijk heeft in 2050 zijn strategische economische positie versterkt, mede door onze strategische ligging in de regio en onze uitstekende bereikbaarheid. We hebben onze kwaliteit als aantrekkelijke woon- en werkstad kunnen behouden doordat we de Rijswijkse mobiliteit toekomstbestendig hebben gemaakt. Zo is het aantrekkelijk geworden om vervoermiddelen te gebruiken die schoon zijn en weinig ruimte innemen. We nemen allerlei (gebiedsgerichte) maatregelen volgens het ‘STOMP-principe’ (Stappen – Trappen – Openbaar vervoer – ‘Mobiliteit als dienst’ – Privéauto). In dat principe krijgen de meer duurzame vormen van mobiliteit meer nadruk dan de minder duurzame vormen. Dat past bij een compacte stad. Zo staat de mens centraal. Het gevolg is dat veel Rijswijkers ervoor kiezen om te lopen, te fietsen, het openbaar vervoer en andere collectieve vormen van vervoer te gebruiken. Dit is ook dankzij het nieuwe station RijswijkBuiten en de opwaardering van station Rijswijk. Omdat er meer mensen rondom de stations wonen, stoppen er ook meer treinen. Daardoor hebben we negatieve effecten (vastlopen van wegen, overlast, gezondheidsschade, ongevallen) zo veel mogelijk voorkomen, en meer ruimte overgehouden om de stad te vergroenen. Dit heeft bijgedragen aan een brede welvaart.
Ruimte is schaars. Om alle ambities een plek te kunnen geven, moeten we ook kritisch kijken naar de beschikbare ruimte en het gebruik daarvan. Voor vier locaties is er nog geen visie uitgewerkt, maar zien we wel nadrukkelijk kansen om deze beter te benutten voor opgaven waarvoor Rijswijk aan de lat staat, zoals de achteruitgang van de biodiversiteit en een tekort aan ruimte voor werken. Het gaat om de TNO-locatie aan de Lange Kleiweg, het golfbaanterrein, Event Plaza en Hof van Elsenburg. Beter benutten kan in theorie met behoud van de huidige functie (door de golfbaan meer biodivers in te richten), maar ook andere functies zoals een natuurgebied of economische functie kunnen worden onderzocht.
We hebben onze ambities voor 2050 verbeeld in onderstaande collage en kaart. Daarin zijn die ambities nog niet heel specifiek gemaakt. De kaart geeft op hoofdlijnen ons toekomstbeeld van de stad weer. De verdere uitwerking hiervan is te zien op de omgevingsvisiekaart en beschreven in het volgende hoofdstuk.


Afbeelding 3.3: Toekomstvisie voor Rijswijk op hoofdlijnen (bron: KuiperCompagnons).
4 Uitwerking visie per thema
4.1 Inleiding
Drie kernambities, negen thema’s
In hoofdstuk 3 Visie op de toekomst van Rijswijk hebben we de kern van onze visie op de toekomst van Rijswijk bepaald, vertaald in drie kernambities. Al onze doelen en uitgangspunten om die kernambitie te kunnen realiseren, hebben we in verschillende thema’s nader uitgewerkt. Afbeelding 4.1 geeft de negen thema’s in een diagram weer. Gezamenlijk dragen de doelen op die thema’s bij aan een duurzame balans tussen onze drie kernambities – en daarmee de brede welvaart van onze samenleving.
In afbeelding 4.1 staan de drie kernambities in de ‘binnenring’, met daaromheen een ‘buitenring’ van negen thema’s. Een thema draagt niet uitsluitend bij aan één van de kernambities, maar kan aan meerdere kernambities bijdragen. Soms zal een thema wel meer raakvlakken hebben met de ene kernambitie dan met de andere. In afbeelding 4.1 heeft de buitenring daarom een startpositie, maar kan die als het ware flexibel draaien rondom de binnenring van de kernambities. De pijl in het diagram illustreert de draaiende buitenring. Bijvoorbeeld: een duurzame energievoorziening is belangrijk voor onze creatieve werkplaats en verbindingen met de regio, maar klimaatneutraliteit draagt samen met klimaatbestendigheid ook bij aan een groene stad voor nu en later.


Afbeelding 4.1: Diagram met de drie kernambities (binnenring) en negen thema’s (buitenring).
Toelichting op de visiekaarten
Onze ambities en doelen in dit hoofdstuk hebben we vertaald in een omgevingsvisiekaart. De kaart verbeeldt de tekst, de tekst geeft uitleg bij de kaart. Tekst en kaart moeten dan ook in samenhang worden gelezen. De omgevingsvisiekaart geeft het beoogde toekomstbeeld van Rijswijk weer. Het is dus een combinatie van bestaande dingen die we willen behouden, en ontwikkelingen en veranderingen die we willen realiseren. Voor elk van de negen thema’s hebben we een thematische kaart uitgewerkt, die staat aan het eind van de paragraaf. De kaarten per thema hebben we samengevoegd tot één integrale omgevingsvisiekaart, die is te vinden in paragraaf 4.11 Integrale omgevingsvisiekaart. De themakaarten bevatten soms meer en gedetailleerdere informatie. Omdat dit samen op één kaart onleesbaar zou worden, hebben we in de integrale omgevingsvisiekaart de belangrijkste elementen daaruit opgenomen.
4.2 Passend woon- en zorgaanbod
Woningbouw en woningvoorraad
Onze ambitie is dat het in Rijswijk voor verschillende doelgroepen mogelijk is om geschikte en betaalbare woonruimte te vinden en te wonen in een prettige en gezonde leefomgeving. Oftewel, een ‘gezonde buitenplaats voor iedereen’.
Gezien de grote vraag naar woningen in Rijswijk realiseren we een woningbouwprogramma van circa 10.000-11.000 woningen tot 2040, zoals afgesproken binnen de regio (zie ook 3.1 Inleiding). Omdat de ruimte beperkt is en we ons groen willen behouden, ligt de focus bij het realiseren van nieuwe woningen op binnenstedelijk verdichten en transformatie, zoveel mogelijk nabij ov-knooppunten. Ons huidige woningbouwprogramma zal voornamelijk op een aantal locaties terecht komen: transformatie van Bogaard stadscentrum en omgeving, delen van de Plaspoelpolder (Havenkwartier, Kessler Park, Te Werve-Oost en overige locaties), het stationskwartier en de afronding van RijswijkBuiten. Afbeelding 4.2 geeft de belangrijkste ontwikkellocaties weer (kaart: ‘transformatie- en ontwikkellocaties’ | ‘kwaliteitsverbetering Prinses Beatrixlaan’). De gevulde kleur daarbinnen geeft de toekomstige functie weer. Deze ontwikkelingen zijn deels al gaande, veelal op basis van daarvoor opgestelde masterplannen of ontwikkelkaders. Hoofdstuk 5 Uitwerking visie per deelgebied) gaat specifieker op verschillende deelgebieden in.
Door de realisatie van verschillende woonmilieus willen we zorgen voor een evenwichtige bevolkingsopbouw in leeftijden, achtergronden en inkomens. Daarom zetten we in het bijzonder in op het bouwen van betaalbare koop- en huurwoningen in het middensegment, en het toevoegen van sociale huurwoningen. Hiermee volgen we ook de beleidslijn die door het rijk en de provincie zijn uitgezet. In het totale woningaanbod sturen we op 30% sociale huur. De nadruk ligt hierbij op betaalbaarheid.
We streven naar een diverse woningvoorraad. De toename van eenpersoonshuishoudens betekent een grotere behoefte aan betaalbare kleinere woonruimten en appartementen. Om tegemoet te komen aan de woonbehoeften van verschillende doelgroepen, willen we naast kleine appartementen voor alleenstaanden ook grotere woonruimten voor bijvoorbeeld gezinnen toevoegen. Dat bevordert ook de doorstroming op de woningmarkt. Ook het toevoegen van middeldure en duurdere woningen in bestaande wijken met een hoog percentage betaalbare woningen kan bijdragen aan gemêleerde wijken.
De precieze gewenste differentiatie in woningbouwcategorieën werken we in onze nieuwe woonvisie of het volkshuisvestingsprogramma nader uit. Daarnaast zorgen we voor meer regulering binnen de volkshuisvesting van Rijswijk, onder meer door opkoopbescherming, zelfbewoningsplicht en toepassing van de beleidsregel ‘Wijzigen samenstelling woonruimtevoorraad’ bij omzetting, splitsing of samenvoeging van woonruimten.
Huisvesting aandachtsgroepen
We zien een groeiende woonvraag van een aantal doelgroepen met een specifieke huisvestingsbehoefte, ook wel aangeduid als ‘aandachtsgroepen’. Dat zijn onder meer ouderen en mensen met een zorgbehoefte, maar ook onder andere uitstromers uit instellingen, arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. Ook zullen in Rijswijk meer urgent woningzoekenden gehuisvest moeten worden (mede vanuit de Wet Versterking regie volkshuisvesting). Om aan deze huisvestingsvraag tegemoet te komen, bouwen we voor verschillende doelgroepen, voegen we sociale nieuwbouw toe en zorgen we voor flexibele en tijdelijke woonvormen/huisvesting en collectieve woonvormen (een gebouw waarbij meerdere zelfstandige huishoudens samenwonen en/of voorzieningen met elkaar delen)
Er worden een regionale afspraken opgesteld die zich breed zullen richten op deze aandachtsgroepen. Hierin wordt onder meer regionaal een verdeling afgesproken voor de huisvesting van deze doelgroepen en maken we afspraken om in samenwerking en met uitruil van opgaves te komen tot een regionaal aanbod en efficiënte spreiding. Dit werken we lokaal uit in onze nieuwe woonvisie. Die zal te zijner tijd weer worden verwerkt in de omgevingsvisie 2.0.
Wonen en zorg
Op het gebied van wonen en zorg is onze ambitie om kwetsbare Rijswijkers de mogelijkheid te bieden om in Rijswijk te (blijven) wonen. Om dit te realiseren willen we zorgen voor voldoende woonzorgaanbod, dat anticipeert op de woon- en zorgvraag van (toekomstige) inwoners. Voor de huisvestingsbehoefte van senioren, mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychische kwetsbaarheid hebben we onze doelen opgenomen in een lokale woonzorgvisie.
Voor de groeiende vraag naar seniorenhuisvesting willen we onder meer geclusterde woonvormen voor senioren toevoegen (vrije sector en sociale huur), en moeten er nieuwe zorgwoningen bij komen. Ook voor mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychische kwetsbaarheid moeten wooneenheden worden bijgebouwd. Bij de plannen voor nieuwbouw moet in dit licht worden beoordeeld of er bijzondere doelgroepen in gehuisvest kunnen worden. Daarnaast is het belangrijk om de doorstroming van ouderen en andere aandachtsgroepen te bevorderen.
In dit kader moeten nieuw te bouwen woonruimten aanpasbaar en levensloopbestendig worden ontworpen. We vinden het belangrijk dat woningen en gebouwen toegankelijk zijn voor iedereen. Voor nieuwe bouwprojecten schrijven we daarom de nieuwe bouwnorm NEN9120 voor.
Senioren die langer zelfstandig wonen en kwetsbare mensen die vanuit instellingen uitstromen naar zelfstandige woningen hebben (toegang tot) voorzieningen, zorg en ondersteuning nodig. Bij de inrichting van wijken en gebiedsontwikkelingen moet hiermee rekening worden gehouden. Aan de Woonzorgtafel komen gemeente, woningcorporaties, zorgaanbieders en marktpartijen periodiek bij elkaar om kansrijke locaties voor woonzorgaanbod te bespreken. Hiertoe is onder andere een 'kansenkaart' opgesteld naar aanleiding waarvan mogelijke locaties onderzocht worden. Onder andere deze kaart zal de komende jaren de leidraad vormen voor de zoektocht naar geschikte locaties voor wonen en zorg[12].
|
Doelen |
|
Een gezonde buitenplaats voor iedereen: voor verschillende doelgroepen een geschikte en betaalbare woonruimte in een prettige en gezonde leefomgeving. |
|
Realiseren van verschillende woonmilieus, met een diverse woningvoorraad. |
|
Tegemoetkomen aan de huisvestingsvraag van doelgroepen met een specifieke huisvestingsbehoefte
(‘aandachtsgroepen’). Dit wordt verder uitgewerkt in regionale afspraken en de lokale
woonzorgvisie. |
|
Wonen en zorg: kwetsbare Rijswijkers de mogelijkheid bieden om in Rijswijk te (blijven)
wonen, door voldoende woonzorgaanbod dat anticipeert op de woon- en zorgvraag van
(toekomstige) inwoners. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Realiseren van woningbouwprogramma van circa 10.000-11.000 woningen tot 2040, met
focus op binnenstedelijk verdichten en transformatie (nabij ov-knooppunten); voornamelijk
op een aantal ontwikkellocaties. |
|
Inzet op bouwen van betaalbare koop- en huurwoningen in het middensegment en toevoegen
van sociale huurwoningen; sturen op 30% sociale huur in het totale woningaanbod; precieze
gewenste differentiatie in woningbouwcategorieën worden uitgewerkt in nieuwe woonvisie
/ volkshuisvestingsprogramma. |
|
Huisvestingsvraag aandachtsgroepen: bouwen voor verschillende doelgroepen, toevoegen
sociale nieuwbouw, zorgen voor flexibele en tijdelijke woonvormen/huisvesting en collectieve
woonvormen. |
|
Wonen en zorg: toevoeging geclusterde woonvormen en nieuwe zorgwoningen voor senioren,
en wooneenheden voor mensen met verstandelijke beperking en psychische kwetsbaarheid, |
|
Nieuw te bouwen woonruimten worden aanpasbaar en levensloopbestendig ontworpen. |
|
Woningen en gebouwen zijn toegankelijk voor iedereen; bouwnorm NEN9120 bij nieuwe
bouwprojecten. |
|
Bij de inrichting van wijken en gebiedsontwikkelingen wordt rekening gehouden met
(toegang tot) voorzieningen, zorg en ondersteuning. |

Afbeelding 4.2: Thematische visiekaart ‘Passend woon- en zorgaanbod’.
[12] De genoemde kansenkaart is niet de kaart hiernaast; dit is de thematische visiekaart ‘Passend woon- en zorgaanbod’.
4.3 Gezonde leefomgeving
Een gezonde leefomgeving door gezondheidsbevordering en -bescherming
We streven naar een gezonde leefomgeving door het:
-
a.
beperken van gezondheidsschade door milieufactoren (gezondheidsbescherming);
-
b.
bevorderen van welbevinden en verleiden tot een gezonde leefstijl door de inrichting van de leefomgeving (gezondheidsbevordering);
-
c.
vergroten van het gezondheidspotentieel (dat wil zeggen de gezondheidswinst die behaald kan worden of het gezondheidsverlies dat vermeden kan worden) van kwetsbare groepen (gezondheidsbevordering).
Substantiële gezondheidsbescherming en -bevordering vragen om ambitie boven wat wettelijk is vereist. Werken aan gezondheid vergt inzet vanuit zowel het fysieke als het sociale domein: enerzijds zorgdragen dat de fysieke leefomgeving de juiste randvoorwaarden biedt voor mensen en anderzijds het ondersteunen van mensen en stimuleren van gezond gedrag. Bijvoorbeeld: we kunnen wel fietspaden aanleggen maar als mensen niet kunnen fietsen of zich geen fiets kunnen veroorloven gaan ze nog steeds niet fietsen. Of: het is goed om te zorgen voor ontmoetingsplekken voor meer sociale cohesie, maar om eenzame mensen uit een isolement te halen is meer nodig. Hiervoor is een integrale blik en ontschotting van middelen nodig. Gezondheid is dan ook een thema dat in alle beleidsterreinen en ambities van deze omgevingsvisie een rol speelt.
Milieukwaliteit (gezondheidsbescherming)
We streven naar een schone, veilige en gezonde leefomgeving waarbij gezondheidsschade door milieufactoren (geluid- en geurhinder, onvoldoende lucht-, bodem- en waterkwaliteit en ontoereikende omgevingsveiligheid) – binnen onze mogelijkheden in een drukke en groeiende stedelijke regio – wordt beperkt.
Met onze verstedelijkingsopgave is het zoeken naar een balans tussen enerzijds de groei van de stad en anderzijds het toewerken naar een gezonde leefomgeving. Onze inzet is een toename van milieuhinder zoveel mogelijk te voorkomen en waar nodig maatregelen te treffen om de milieukwaliteit te verbeteren. Daarbij zien we dat er locaties zijn waar ruimte is voor verdichting maar waar nieuwe functies qua milieuhinder niet ideaal zijn. De keuze voor groei van de stad kan betekenen dat niet overal dezelfde milieukwaliteit kan worden nagestreefd, maar dat het kwaliteitsniveau wordt bepaald op basis van de situatie in het gebied. We voeren daarom een gebiedsgericht milieubeleid, waarbij de milieukwaliteit passend is voor de functie van het gebied. In de overwegingen heeft gezondheid een belangrijke rol. De wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen vormen daarbij het minimale niveau voor de gemeente. Bij de bescherming en verbetering van het milieu hanteren we een ketenbenadering: aanpak bij de bron heeft in principe de voorkeur. Daarom streven we bijvoorbeeld in regionaal verband naar een vermindering van het autogebruik. Maatregelen in het overdrachtsgebied en bij de ontvanger worden bij de afweging over de te bereiken milieukwaliteit integraal meegewogen.
Luchtkwaliteit
Zoals blijkt uit paragraaf 2.5.2 Wonen en samenleving en de Leefomgevingsfoto is de luchtkwaliteit in Rijswijk relatief slecht. Belangrijke bronnen zijn de rijksweg A4 en andere doorgaande wegen en lokaal onder meer houtstook en de inzet van mobiele werktuigen. Daarom hebben we een Actieplan luchtkwaliteit opgesteld met maatregelen die bijdragen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.
Ons streven is om de luchtkwaliteit de komende jaren te blijven verbeteren. Als ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord zien we het verbeteren van de luchtkwaliteit als een blijvende inspanningsverplichting, en werken we aan het uitvoeren van de gemaakte afspraken en behalen van de doelen uit het akkoord. Dit gaan we doen door maatregelen te treffen die de lokale bijdrage aan stikstofdioxide en fijnstof in de lucht verminderen. Ondanks alle inspanningen lukt het niet om op korte termijn aan de WHO-advieswaarden te voldoen. Niettemin blijft dit de ambitie voor de langere termijn.
Onze ambitie in 2050 is geen uitstoot door mobiliteit door het verschonen van vervoer. Hieraan geven we invulling door het uitbreiden van de milieuzones, het onderzoeken van mogelijkheden voor stapsgewijze invoering van zero-emissiezones, het stimuleren van elektrificatie van het wagenpark en brede uitrol van laadinfrastructuur (kaart: ‘zero-emissiezone’).
We stellen samen met de GGD richtlijnen op om te voorkomen dat gevoelige functies voor zeer kwetsbare personen zoals scholen en kinderdagverblijven zich te dicht bij drukke wegen vestigen. Met betrekking tot houtstook zetten we in op het beperken van overlast en het ontmoedigen van houtkachels in nieuwe woningen.
Omgevingslawaai
Met name wegverkeer vormt een belangrijke bron van omgevingslawaai, zoals blijkt uit paragraaf 2.5.2 Wonen en samenleving en de Leefomgevingsfoto. In het Actieplan geluid zijn de locaties met een te hoge geluidsbelasting aangegeven. Onze inzet is om geluidbelasting te verlagen door verlaging van de maximale snelheid binnen de wijken en de wegen daarop aan te passen. Voor de doorgaande wegen wordt bij groot onderhoud en bij nieuwe ontwikkelingen bezien of het aanbrengen van een stiller wegdek technisch en financieel doelmatig is. De criteria hiervoor worden nader uitgewerkt. We ontwikkelen een plan om de aanpak van plekken met een te hoge geluidbelasting te versnellen. Verder stellen we een afwegingskader op om bij nieuw te bouwen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren met inachtneming van het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.
Voor de verstedelijkingsopgave stellen we waar nodig gebiedsgericht beleid op. Uitgangspunt daarbij is het vinden van een balans tussen het behouden van geluidsruimte voor geluidhinder veroorzakende functies zoals bedrijvigheid enerzijds en het waarborgen van de leefbaarheid voor de geluidgevoelige functies zoals wonen anderzijds. Dit speelt met name daar waar functiemenging is voorzien (zoals het Havenkwartier en de woon-werkranden van de PPP). Bij woningbouw sturen we op bronmaatregelen, slim ontwerp van gebouwen, maatregelen in de woonomgeving en bij de woningen zelf.
Omgevingsveiligheid
Doel van ons veiligheidsbeleid is om te zorgen dat onnodige risico’s worden geëlimineerd, grote risico’s worden vermeden en het aanvaardbaarheidsniveau van risico’s wordt benoemd. Met de gemeenten in de regio Haaglanden hebben we bouwstenen voor beleidsvorming opgesteld; nadere beleidskeuzes vormen de basis voor regels in het omgevingsplan.
Sommige ontwikkellocaties bevinden zich in de aandachtsgebieden van risicobronnen. Binnen de aandachtsgebieden wordt het groepsrisico afgewogen, waarbij rekening wordt gehouden met externe veiligheid door bewaren van voldoende afstand tot de risicobron, vrije doorgang voor hulpdiensten en extra aandacht voor zeer kwetsbare personen. In de concrete uitwerking van plannen worden maatregelen meegenomen die de negatieve effecten verminderen. Bij het realiseren van nieuwe functies voor zeer kwetsbare personen zorgen we dat deze zoveel mogelijk buiten een aandachtsgebied worden gerealiseerd. Daar waar dit gelet op de schaarse ruimte niet mogelijk is worden deze functies binnen het aandachtsgebied zo ver mogelijk van de risicobron af gesitueerd.
Bodemkwaliteit
Veel locaties in Rijswijk waar de bodem (door historisch gebruik en bedrijfsactiviteiten) verontreinigd is geraakt, zijn al aangepakt door deze te saneren of gebiedsgericht te beheren. Gebiedsontwikkeling is een natuurlijk moment om nog aanwezige historische verontreiniging te saneren. Ons milieuhygiënische bodembeleid is vastgelegd in de Nota Bodembeheer uit 2023. Dit beleid zoekt een balans tussen benutten en beschermen van de bodem. Hoofddoel is dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit niet mag verslechteren (‘standstill’-principe).
De aanwezigheid van lood in de grond kan effect hebben op de gezondheid van met name jonge kinderen. We minimaliseren daarom de blootstelling aan lood door gevoelige functies (kinderspeelplaatsen, moestuinen et cetera) alleen toe te laten op plekken met een gezondheidskundig voldoende tot matige bodemkwaliteit. Op openbare plekken waar kinderen (tot 7 jaar) kunnen spelen en bij volkstuinen is de bodem onderzocht op lood, waar nodig zijn of worden sanerende maatregelen getroffen. Voor nieuw aan te leggen speelplaatsen wordt aangesloten bij de advieswaarden van de GGD. Hieraan verwant starten we ook een gemeentelijke aanpak om loden leidingen in kindlocaties en huurwoningen op te sporen en te verwijderen, vooruitlopend op een wettelijk verbod.
We volgen de ontwikkelingen met betrekking tot ‘nieuwe’ stoffen die mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid (zoals recent PFAS), en passen waar nodig ons beleid daarop aan.
Geur
Binnen Rijswijk zijn er maar enkele bedrijven waar sprake is van significante verspreiding van geur. Ook bij DSM in Delft en de afvalwaterzuivering Harnaschpolder naast Rijswijkbuiten is sprake van geuremissie. De verwachting is dat de geuremissie in de tijd afneemt door verplichte toepassing van de best beschikbare technieken. Als geurbeleid voor nieuwe ontwikkelingen hanteren we nu het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland. In lijn met de Omgevingswet ontwikkelen we onze eigen regels die landen in het integrale omgevingsplan.
Gezondheidsbevordering
Door een gezond ingerichte leefomgeving bevorderen we het welbevinden van mensen en verleiden we hen tot een gezonde leefstijl. Een gezonde leefomgeving is een veilige, beweegvriendelijke en groene omgeving, die mensen stimuleert om te bewegen, sporten, spelen en uitnodigt tot ontmoeten en contact. Dat vraagt onder meer om aantrekkelijke, toegankelijke en gevarieerde openbare ruimten, maar ook bereikbare voorzieningen, toegankelijke zorg, voldoende ontmoetingsplaatsen en aanbod van sport en cultuur (kaart: ‘sportterrein’ | ‘sporthal’ | ‘belangrijke ontmoetingsruimte’) (zie 4.4 Leefbare en veilige wijken). Dit betekent ook dat het budget voor bijvoorbeeld welzijnswerk moet meegroeien met het aantal inwoners. Daarnaast stellen we schone en actieve vormen van mobiliteit voorop, door lopen en fietsen te stimuleren (zie 4.10 Goede bereikbaarheid).
Bij de inrichting van een gezonde leefomgeving hebben we ook aandacht voor de (mogelijke) gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie en met name het tegengaan van hittestress (verminderen van het hitte-eilandeffect) is van belang voor de gezondheid van inwoners (zie 4.6 Groene stadsbiotoop).
Een gezonde leefomgeving betekent ook gezonde woningen. Dat betekent onder meer dat woningen een gezond binnenklimaat moeten hebben met goede luchtkwaliteit, ventilatie en koeling.
Met de inrichting van de leefomgeving houden we in het bijzonder rekening met de behoefte van specifieke en kwetsbare doelgroepen (zoals kinderen of ouderen), om hun gezondheid en welbevinden te bevorderen. Dat kan bijvoorbeeld door toegankelijke voorzieningen in de directe nabijheid van de woonomgeving of door sociale maatregelen om eenzaamheid te voorkomen te ondersteunen met fysieke inrichtingsmaatregelen zoals ruimte voor ontmoeting.
|
Doelen |
|
Gezondheidsbescherming: een schone, veilige en gezonde leefomgeving waarbij gezondheidsschade
door milieufactoren – binnen onze mogelijkheden in een drukke en groeiende stedelijke
regio –wordt beperkt. |
|
Gezondheidsbevordering: bevorderen van welbevinden en verleiden tot een gezonde leefstijl
van mensen door de inrichting van een gezonde leefomgeving. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Inzet om toename milieuhinder zoveel mogelijk te voorkomen, waar nodig maatregelen
treffen om milieukwaliteit te verbeteren. |
|
Gebiedsgericht milieubeleid: milieukwaliteit is passend bij de situatie en functie
van het gebied. In de overwegingen heeft gezondheid een belangrijke rol. |
|
Wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen vormen het minimale niveau voor de gemeente. |
|
Ketenbenadering: aanpak bij de bron heeft de voorkeur; maatregelen in overdrachtsgebied
en bij ontvanger worden bij de afweging over de milieukwaliteit integraal meegewogen. |
|
Luchtkwaliteit: voorkomen dat gevoelige functies (zoals scholen en kinderdagverblijven)
te dicht bij drukke wegen vestigen; we stellen samen met de GGD richtlijnen op. |
|
Omgevingslawaai: balans tussen behouden van geluidruimte voor geluidhinder veroorzakende
functies en waarborgen van leefbaarheid voor geluidgevoelige functies. Bij woningbouw
sturen op bronmaatregelen, slim ontwerp van gebouwen, maatregelen in woonomgeving
en bij woning zelf. |
|
Omgevingsveiligheid: ontwikkellocaties binnen aandachtsgebieden: afweging groepsrisico,
in uitwerking van plannen worden maatregelen meegenomen die negatieve effecten verminderen. |
|
Omgevingsveiligheid: nieuwe functies voor zeer kwetsbare personen zoveel mogelijk
buiten een aandachtsgebied, of waar niet mogelijk zo ver mogelijk van de risicobron
af. |
|
Bodemkwaliteit: de milieuhygiënische bodemkwaliteit mag niet verslechteren (‘standstill’-principe).
Gevoelige functies alleen toelaten op plekken met gezondheidskundig voldoende tot
matige bodemkwaliteit. Op openbare plekken waar kinderen kunnen spelen en bij volkstuinen
is de bodem onderzocht op lood. Advieswaarden GGD voor nieuw aan te leggen speelplaatsen. |
|
Geur: voor nieuwe ontwikkelingen hanteren we nu het geurhinderbeleid van de provincie. |
|
Gezonde leefomgeving: aantrekkelijke, toegankelijke en gevarieerde openbare ruimten,
bereikbare voorzieningen, toegankelijke zorg, voldoende ontmoetingsplaatsen en aanbod
van sport en cultuur. |
|
Schone en actieve vormen van mobiliteit voorop: stimuleren lopen en fietsen. |
|
Woningen moeten een gezond binnenklimaat hebben met goede luchtkwaliteit, ventilatie
en koeling. |
|
Aandacht voor de gevolgen van klimaatverandering (zoals hittestress) bij de inrichting
van een gezonde leefomgeving. |
|
Rekening houden met de behoefte van kwetsbare doelgroepen met de inrichting van de
leefomgeving; bijvoorbeeld door toegankelijke voorzieningen in de directe nabijheid
of fysieke inrichtingsmaatregelen zoals ruimte voor ontmoeting. |

Afbeelding 4 . 3 : Thematische visiekaart ‘Gezonde leefomgeving’.
4.4 Leefbare en veilige wijken
Leefbaarheid en veiligheid als gezamenlijke verantwoordelijkheid
Rijswijk blijft groeien in inwoneraantal maar niet in oppervlakte. Hierdoor maken meer inwoners gebruik van dezelfde ruimte. Door het intensievere gebruik van de ruimte is het nodig om extra aandacht te schenken aan het leefbaar en veilig houden van de stad. Leefbaarheid en veiligheid in onze groeiende stad is ieders verantwoordelijkheid. Inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen en de overheid dragen allen naar eigen kennis, kunde en draagkracht bij om Rijswijk vertrouwd, leefbaar en veilig te houden. Een leefbare stad is een aangename plek om te leven (oftewel: die bijdraagt aan de brede welvaart van inwoners). Dit raakt aan veel van de andere thema’s in dit hoofdstuk. In ieder geval betekent het een omgeving waar alle inwoners prettig samen kunnen wonen. Daaronder scharen we ook alle maatschappelijke voorzieningen onder de woonomgeving. Belangrijk onderdeel ervan is ook de fysieke en sociale veiligheid van de leefomgeving[13].
Sociale betrokkenheid en prettige woonomgeving
Goed wonen in leefbare wijken vraagt om sociale betrokkenheid en een prettige woonomgeving. We stellen de mens centraal: we streven naar leefbare wijken waar inwoners zich prettig voelen, betrokken zijn en zich verantwoordelijk voelen voor elkaar. We willen dat mensen zich verbonden voelen aan Rijswijk, er gelukkig zijn en graag kunnen blijven wonen. We richten de leefomgeving op zo’n manier in dat het de gezondheid van inwoners bevordert en dat iedereen mee kan doen. Dat betekent onder meer dat de buitenruimte en gebouwen fysiek toegankelijk zijn, ook voor mensen met een beperking. Zo zorgen we samen voor een inclusieve samenleving.
We stimuleren inwoners om naar vermogen actief deel te nemen aan het maatschappelijk leven (verenigingen, sport en bewegen, betaald en/of onbetaald werk). We bevorderen de eigen kracht en regie van mensen en bieden waar nodig ondersteuning. Dit doen we op maat en in samenhang: we bieden individuen lichte hulp waar mogelijk en zwaardere hulp waar nodig. Hierbij hebben we extra aandacht voor mensen met een sociaaleconomische achterstand en zetten we in op een toekomstbestendig, fijn en veilig thuis voor kwetsbare mensen. Zo willen we ook ervoor zorgen dat er geen kwetsbare wijken zijn of ontstaan in Rijswijk. Ons doel is dat de leefbaarheids- of veiligheidsindexen tenminste ‘voldoende’ blijven voor alle wijken in Rijswijk. We onderzoeken de mogelijkheden die de Wet Versterking regie volkshuisvesting biedt om hierbij te helpen.
We onderkennen het belang van samenwerking om de vraagstukken en de maatschappelijke opgaven van de toekomst de baas te zijn. De gemeente Rijswijk is een toegankelijke, betrouwbare partner om mee samen te werken, zowel voor de strategische partners in het veiligheidsdomein als voor inwoners die met eigen initiatieven komen. Samen maken we de stad.
Sociale en fysieke veiligheid
Fysieke en sociale veiligheid zijn bepalend voor de leefbaarheid van woonomgeving. Toename van de bevolking moet gepaard gaan met extra capaciteit voor de hulpdiensten zodat fysieke en sociale veiligheid gewaarborgd kan zijn. Ook de handhavingscapaciteit van de gemeente moet op orde zijn om het gewenste niveau qua veiligheid en leefbaarheid te kunnen waarborgen.
Meer bewoners en bezoekers binnen dezelfde (openbare) ruimte kan meer geluid- en woonoverlast betekenen. Dit raakt de gezondheid, leefbaarheid en veiligheid van bewoners. Door een toename van gemengde woon- en werkfuncties komen de leefwerelden van de gebruikers in die gebieden samen, wat mogelijk leidt tot een toename van klachten van bewoners over hinder door bedrijfsactiviteiten. Het is hierbij van belang dat bewoners en bedrijven oog hebben voor elkaars belangen. Bedrijven moeten onnodige overlast voorkomen en bewoners moeten een bepaalde mate van hinder accepteren passend binnen de voor de bedrijven geldende normen. Dit vraagt om zorgvuldige communicatie en eenduidige regels. Bij renovatie van bestaande woningen en bouw van nieuwe woningen zullen isolerende maatregelen worden toegepast zodat voldaan wordt aan het binnenniveau dat bij nieuwbouw geldt.
Om de fysieke veiligheid te bewaken zijn verschillende maatregelen mogelijk. Allereerst vergroot de afstand tot risico’s de veiligheid, waarbij speciaal aandacht moet zijn voor kwetsbare groepen[14]. Er kan gedacht worden aan maatregelen in bouwwerken en omgeving die bescherming bieden, en er moeten mogelijkheden zijn om bouwwerken of gebieden snel en veilig te verlaten. Daarnaast maakt de omgeving snel en effectief optreden van hulpdiensten mogelijk (bereikbaarheid, bluswatervoorziening), en zijn zorgvoorzieningen toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers (ook bij incidenten). Om hiervoor te zorgen werken wij nauw samen met de veiligheidsregio.
Voor de sociale veiligheid is het van belang dat gebouwen, straten en pleinen dusdanig ingericht worden dat bewoners en bezoekers zich veilig voelen. Dit kan bijvoorbeeld door een hoge kwaliteit inrichting met hoogwaardige en duurzame materialen, maar ook door goed onderhoud, zodat de openbare ruimte schoon en heel is. Ook een hoge mate van sociale verbondenheid en betrokkenheid (dorpsgevoel) draagt bij aan de leefbaarheid en het veiligheidsgevoel van bewoners.
Maatschappelijke voorzieningen
We zorgen ervoor dat alle Rijswijkers voldoende en goed toegankelijke maatschappelijke voorzieningen[15] en ontmoetingsplekken hebben in hun directe omgeving (kaart: ‘belangrijke ontmoetingsruimte’ | ‘culturele voorziening’ | ‘uitbreiding/nieuwbouw van scholen / sport’). Dit draagt bij aan de sociale samenhang en ontmoeting, wat binnen de lokale gemeenschap en in een groeiende stad van groot belang is. Ook winkelvoorzieningen spelen hierin een rol, dit komt verder aan bod in paragraaf 4.9 Innovatieve economie. Door hiermee rekening te houden bij de inrichting van het fysieke domein kunnen problemen in het sociale domein deels worden voorkomen.
De groei en veranderende samenstelling (onder andere vergrijzing) van de bevolking werkt door in de behoefte aan het aantal en type maatschappelijke voorzieningen. Voor basisonderwijs en sportvoorzieningen hebben we die behoefte in beeld, voor andere voorzieningen (zoals zorg, ontmoetingsplekken en culturele voorzieningen) onderzoeken we die nog en ontwikkelen we een realisatiestrategie.
We zorgen dat er passende voorzieningen zijn op basis van objectieve omgevingskenmerken, maar ook op basis van woonbeleving en waarden van inwoners. Bij nieuw te ontwikkelen gebieden moet rekening worden gehouden met ruimte voor voldoende maatschappelijke voorzieningen, voor huidige en toekomstige doelgroepen. Dit geldt ook voor winkelvoorzieningen (zie 4.9 Innovatieve economie). Bij ontwikkelingen hanteren we referentiewaarden/normen om een goed niveau van deze voorzieningen te waarborgen. Daarbij vergeten we de bestaande (en in het bijzonder kwetsbare) wijken niet. Daarnaast zorgen we – met name voor inwoners die minder goed ter been zijn – voor een goede toegankelijkheid van voorzieningen en van de openbare ruimte.
Met het project voorzieningenniveau wordt geïnventariseerd welke maatschappelijke voorzieningen er in de gemeente aanwezig zijn, en welke nodig zijn met de groei van de stad. Tevens voorziet dit project in een uitvoeringsstrategie waarin wordt aangegeven hoe het voorzieningenniveau in balans blijft met de groei van de stad.
Sportvoorzieningen
Ons doel is om te zorgen voor een breed palet van sportactiviteiten in Rijswijk. Daarvoor is het nodig dat het aanbod aan binnen- en buitensportvoorzieningen gelijk oploopt met het aantal inwoners. Op korte termijn betekent dit bijvoorbeeld het realiseren van meer zaalruimte om een – door de bevolkingsgroei toenemend – tekort aan te pakken (kaart: ‘sportterrein’ | ‘sporthal’ | ‘uitbreiding/ nieuwbouw van sport’). Voor buitensportaccommodaties zal de groei van het aantal inwoners naar verwachting voorlopig geen capaciteitsproblemen opleveren. Op basis van recent onderzoek met verschillende scenario’s voor een optimale inzet van de sportparken binnen de gemeente[16] werken we nog een aanpak uit.
Onderwijs en kinderopvang
We zorgen voor voldoende ruimte voor onderwijshuisvesting. Op basis van de huidige capaciteit, geplande woningbouwontwikkelingen en leerlingenprognoses kan de toekomstige huisvestingsbehoefte worden bepaald. Op diverse plekken in Rijswijk moet de onderwijshuisvestingscapaciteit worden uitgebreid. Zo is vanwege de grote woningbouwontwikkeling in de omgeving van de Plaspoelpolder een nieuwe school noodzakelijk. De benodigde onderwijsvoorzieningen nemen we mee in ons Integraal Huisvestingsplan Onderwijs.
Het bieden van kinderopvang(kinderdagverblijf, peuteropvang en buitenschoolse opvang) wordt in principe aan de markt overgelaten. Er bestaat echter wel een nauwe samenwerking met het onderwijs. Om die samenwerking optimaal te laten verlopen zijn vestigingsmogelijkheden in de directe nabijheid of in het schoolgebouw bijna een voorwaarde. Hoewel er nog geen knelpunten in het aantal beschikbare plaatsen zijn, kunnen die bij de groei van de gemeente wel ontstaan. Vanwege de nauwe samenwerking en samenhang tussen onderwijs en kinderopvang is het noodzakelijk om bij het realiseren van onderwijshuisvesting ook rekening te houden met ruimte voor kinderopvang.
Eerstelijnszorg
Voor elke 2.400 inwoners is een voltijd huisarts nodig. Gelet op de huidige capaciteit zal moeten worden voorzien in uitbreiding van huisartsenzorg. Op dit moment zijn er al huisartsen die op zoek zijn naar grotere praktijkruimtes. We zorgen voor een toegankelijk eerstelijns zorgaanbod door de vorming en exploitatie van gezondheidscentra te stimuleren, met prioriteit voor de nieuwe ontwikkelgebieden naast de blijvende aandacht voor de bestaande wijken. Zo nodig vervult de gemeente een actieve rol hierin, bijvoorbeeld door het reserveren van ruimte in ontwikkelplannen en het stimuleren van ruimte voor gezondheidsfuncties in overleg met de zorgverzekeraars. Belangrijk is verder aandacht te hebben voor speciale woonvoorzieningen voor kwetsbare ouderen, waar veel zorg wordt verwacht. Voor de huisvesting van huisartsen moet bij elk nieuwbouwproject gezorgd worden voor voldoende praktijkruimte, in afstemming met de huisartsen. Verbinding met andere eerstelijnsvoorzieningen en gemeentelijke voorzieningen als welzijn, wmo en jeugdzorg is daarbij essentieel. Het planologisch mogelijk maken van voldoende ruimte hangt nauw samen met de groei van de stad en zal daarom meegenomen moeten worden bij gebiedsontwikkelingen en wijzigingen van het omgevingsplan.
Ontmoetingsruimten
We willen in Rijswijk voldoende kwalitatieve en multifunctionele ruimte bieden voor verblijf, (spontane) ontmoeting, beweging en meedoen. Zulke voorzieningen moeten goed verspreid en op korte loop- en fietsafstanden in de wijken aanwezig zijn (kaart: ‘belangrijke ontmoetingsruimte’).
|
Doelen |
|
Inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen en overheid dragen naar eigen kennis,
kunde en draagkracht bij om Rijswijk vertrouwd, leefbaar en veilig te houden. |
|
Leefbare en veilige wijken, waar inwoners zich prettig voelen, betrokken zijn en zich
verantwoordelijk voelen voor elkaar. |
|
Zorgen dat er geen kwetsbare wijken zijn of ontstaan in Rijswijk (leefbaarheids- of
veiligheidsindexen tenminste ‘voldoende’ voor alle wijken); een toekomstbestendig,
fijn en veilig thuis voor kwetsbare mensen. |
|
Maatschappelijke voorzieningen: zorgen dat alle Rijswijkers voldoende en goed toegankelijke
maatschappelijke voorzieningen en ontmoetingsplekken hebben in hun directe omgeving. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Inrichten van de leefomgeving op zo’n manier dat het de gezondheid van inwoners bevordert
en dat iedereen mee kan doen. |
|
Bewaken van de fysieke veiligheid door maatregelen in bouwwerken en de leefomgeving
die bescherming bieden, vluchten en snel/effectief handelen van hulpdiensten mogelijk
maken. |
|
Bewaken van de sociale veiligheid door gebouwen en de leefomgeving dusdanig in te
richten dat bewoners en bezoekers zich veilig voelen. |
|
Zorgen voor passende voorzieningen op basis van objectieve omgevingskenmerken, woonbeleving
en waarden van inwoners. Bij gebiedsontwikkeling rekening houden met ruimte voor voldoende
maatschappelijke en winkelvoorzieningen, voor huidige en toekomstige doelgroepen. |
|
Goede toegankelijkheid van voorzieningen en de openbare ruimte. |
|
Sport: breed palet van sportactiviteiten, aanbod binnen- en buitensportvoorzieningen
gelijk oplopend met aantal inwoners. |
|
Voldoende ruimte voor onderwijshuisvesting. Bij realiseren onderwijshuisvesting rekening
houden met ruimte voor kinderopvang. Vestigingsmogelijkheden kinderopvang in (directe
nabijheid van) schoolgebouw bijna een voorwaarde. |
|
Zorg: toegankelijk eerstelijns zorgaanbod door stimuleren gezondheidscentra en reserveren
van ruimte in ontwikkelplannen voor gezondheidsfuncties; voldoende ruimte voor huisvesting
van huisartsen moet worden meegenomen bij gebiedsontwikkelingen en wijzigingen van
het omgevingsplan. |
|
Ontmoetingsruimten: voldoende kwalitatieve en multifunctionele ruimte voor verblijf,
ontmoeting, bewegen en meedoen; goed verspreid en op korte loop- en fietsafstanden
in de wijken. |

Afbeelding 4.4: Thematische visiekaart ‘Leefbare en veilige wijken’.
[13] Sociale veiligheid gaat over bedreigingen door handelingen van mensen, fysieke veiligheid over bedreigingen door niet-menselijke bronnen. Omgevingsveiligheid gaat over risico’s van branden, rampen en crises. Onderdeel daarvan is externe veiligheid, voor zover het gaat om risico’s door gevaarlijke stoffen. Dit komt aan bod in paragraaf 4.3 Gezonde leefomgeving.
[14] Dit raakt nadrukkelijk aan het begrip omgevingsveiligheid; zie daarvoor ook paragraaf 4.3 Gezonde leefomgeving
[15] Voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, welzijn, sport, kunst en cultuur.
[16] Toekomstbestendige sportruimte in Rijswijk (maart 2024).
4.5 Zichtbare historie en ruimtelijke kwaliteit
Cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit van Rijswijk
Rijswijk heeft een rijkdom aan cultureel erfgoed (zie ook hoofdstuk 2). Cultureel erfgoed is essentieel voor het beleven van de kwaliteit van de leefomgeving. Onze hoofdambitie is dan ook het behouden, beheren, onderzoeken, en het toegankelijk en beleefbaar maken van het Rijswijkse erfgoed. Dit doen we in samenspraak met onze kennis- en erfgoedpartners[17]. Tegelijk zorgen we voor ons ‘nieuwe’ erfgoed door bij verdere ontwikkeling van de stad voorwaarden te stellen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit.
Hoofdlijnen erfgoedbeleid en Erfgoednota Rijswijk
Onze ambities voor het behoud en beheer van de tastbare overblijfselen van de cultuurhistorie van de stad hebben we beschreven in de Erfgoednota Rijswijk[18]. Uitgangspunt van het beleid is dat erfgoed culturele waarde toevoegt aan de leefomgeving. De hoofdlijnen van het erfgoedbeleid in de Erfgoednota zijn geconcentreerd in vier thema’s of programma’s:
-
a.
Als erfgoed kon spreken: Als erfgoed kon spreken vertelde het de verhalen van de Rijswijkers. De mensen die er wonen en woonden vormen samen de geschiedenis van duizenden jaren, vanaf de Nieuwe Steentijd tot aan onze eigen 21ste eeuw. Rijswijk koestert de onder- en bovengrondse monumenten en gaat zorgvuldig om met de erfgoedwaarden van archeologische, gebouwde en aangelegde (groene) monumenten zodat het behoud van het cultureel erfgoed voor de toekomst is geborgd. Dit doen we zowel fysiek (monumentendagen, lezingen, rondleidingen, publicaties, informatieborden) als via de diverse digitale kanalen. Het nieuwe erfgoed wordt in kaart gebracht, gewaardeerd en de beschermingsmogelijkheden nader onderzocht zodat het erfgoedbestand steeds kan worden geactualiseerd, behouden en zorgvuldig beheerd.
-
b.
Maatschappelijke waarde: Het (depot)beheer, behoud en de ontsluiting van erfgoed is een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeente, andere partijen en (particuliere) eigenaren. Het erfgoedbeheer, de registratie, doorzoekbaarheid en kennisborging zijn belangrijke voorwaarden voor het toegankelijk maken van erfgoed voor intern en extern gebruik. Toegankelijkheid is een wettelijke plicht en noodzaak voor goede uitvoering van kerntaken van de gemeente, zoals deskundige advisering ten behoeve van vergunningverlening. Maar toegankelijkheid vergroot ook de beleefbaarheid en daarmee de maatschappelijke waarde van erfgoed.
-
c.
Erfgoed en stadsontwikkeling: Het inpassen van erfgoed in de fysieke leefomgeving betekent rekening houden met de belangen van het erfgoed, maar ook kwaliteiten en waarden van het erfgoed benoemen en als uitgangspunt nemen voor stadsontwikkeling, herbestemming en vergunningverlening zodat de historische en culturele identiteit van een plan kan worden versterkt. Degelijke advisering door archeologen en monumentendeskundigen zorgt ervoor dat cultuurhistorische waarden worden meegewogen. Om waarden te kunnen bepalen is het noodzakelijk het erfgoed te onderzoeken, te analyseren en te beoordelen op de cultuurhistorische betekenis: wat zijn de waarden van een gebouw of een gebied, wat moet daarvan worden behouden en wat kan leidend zijn in de verbouwings- en ontwikkelplannen.
-
d.
Monumenten en duurzaamheid: Voor beschermde monumenten wil de Rijksoverheid een gemiddelde CO2-reductie bereiken van 40% in 2030 en 60% in 2040. Ook monumenten kunnen door middel van energiebesparende maatregelen duurzamer worden gemaakt. Wat er wel en niet kan is afhankelijk van de unieke waarde van het gebouw, de technische staat en het belang voor de omgeving. Sommige maatregelen zijn niet geschikt voor historische gebouwen; andere wel. Het kan voorkomen dat de historische waarden zwaarder wegen dan het belang van duurzaamheid, maar dit is lang niet altijd het geval. Het is hoe dan ook belangrijk dat er energie wordt bespaard en opgewekt voor het behoud van erfgoed op de lange termijn. Ook herbestemming kan bijdragen aan duurzaamheid.
Meewegen van cultuurhistorie in ruimtelijke plannen
Cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij omgevingsvergunningen en in ruimtelijke plannen en dus in de deskundige advisering op de betreffende vakgebieden. Indien nodig worden cultuurhistorische onderzoeken gedaan om monumentale waarden te bepalen en inventariserend archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en veldonderzoek.
De nieuwe Adviescommissie omgevingskwaliteit Rijswijk is sinds 2023 in een bredere samenstelling gaan functioneren volgens de nieuwe verordening van de Adviescommissie. Er zijn twee commissieleden vertegenwoordigd met deskundigheid op het terrein van het cultureel erfgoed.
Doorwerking van het erfgoedbeleid
De zorg voor het erfgoed en de erfgoedbronnen krijgt met de erfgoednota een nieuwe impuls. De erfgoednota geeft een overzicht van de ambities van toekomstig beleid. Jaarlijks zal een uitvoeringsplan worden opgesteld. Het op orde brengen van de basis heeft prioriteit, zoals het erfgoedregister en de archeologische verslaglegging en depotvoorziening, maar ook de ontsluiting van bouwtekeningen en beeldmateriaal. We werken aan een stappenplan met een tijdlijn om hier de komende jaren verbetering in de brengen.
Het erfgoedbeleid is gericht op het borgen van het beschermingsregime in het omgevingsplan, waarbij actualisatie zal plaats vinden waar nodig. De Erfgoedverordening van Rijswijk is in 2024 geactualiseerd en aangevuld om de beschermingsinstrumenten te verruimen.
Erfgoed en participatie
Er is een toenemende maatschappelijke behoefte om toegang te hebben tot erfgoed en aan participatie bij erfgoed- en ontwikkelvraagstukken. Het nieuwe erfgoedbeleid bedient de burger door erfgoedkennis te delen en de openbare vindbaarheid en het publieksbereik te vergroten
Monumentenzorg
Het doen van onderzoek is noodzakelijk om beleidsinstrumenten zoals de erfgoednota en het omgevingsplan op te stellen, te actualiseren en toe te passen. Om te zorgen dat cultureel erfgoed aan het begin van ruimtelijke planvorming wordt meegewogen moeten cultuurhistorische inventarisaties en waardestellingen worden gemaakt om de cultuurhistorische waarden van gebouwen in een gebied te bepalen. Ook bij vergunningaanvragen voor ingrepen in beschermde monumenten (kaart: ‘rijksmonumenten’ | ‘gemeentemonumenten’) en gebieden met cultuurhistorische waarden worden de bouw-, architectuur- en cultuurhistorische waarden bepaald. Daarmee kunnen voorwaarden gesteld worden aan de vergunning. Het doel is om aan te geven welke gebouwen of elementen behouden moeten worden, herkenbaar moeten blijven of versterkt kunnen worden en welke elementen mogen verdwijnen. Onze cultuurhistorische waardenkaart geeft het kader aan voor toekomstige ontwikkelingen (kaart: ‘Cultuurhistorische waardenkaart’).
Aanwijzen van nieuw cultuurhistorisch waardevol erfgoed
We willen ons beleid met betrekking tot het aanwijzen van cultuurhistorisch waardevol erfgoed versterken, met name het naoorlogse erfgoed (wederopbouw en post-65). Ons voornemen is om ‘parels en structuren’ uit die periode aan te wijzen naast enkele oudere stads- en dorpsgezichten. In de verre toekomst (2050) zal het aan te wijzen erfgoed van steeds recentere datum zijn, zodat ook de iconische gebouwen van nu in de toekomst kunnen worden beschermd.
Cultuurlandschappen
In de Erfgoednota zijn een aantal waardevolle cultuurlandschappen aangewezen, en nader omschreven. Hieronder vallen onder meer de landgoederenzone, stadsparkzone en Vlietzone (kaart: ‘Landgoederenzone’ | ‘Stadsparkzone’ | ‘Vlietzone’). Ook is er op enkele plaatsen in Rijswijk nog een historische polderverkaveling in het landschap aanwezig (kaart: ‘historische verkaveling’): Bij nieuwe ontwikkelingen sturen we op inpassing en behoud van deze gebieden. In het omgevingsplan zullen we deze gebieden waar mogelijk beschermen.
Landgoederenzone en provinciale erfgoedlijnen
We werken samen met de provincie om natuur- en erfgoedwaarden in de provinciale erfgoedlijnen verder te ontwikkelen. Op die manier zetten we de erfgoedlijnen die het grondgebied van de gemeente doorkruisen (Landgoederenzone, Vlietzone, Atlantikwall en molenbiotoop) beter op de kaart (kaart: ‘landgoederenzone’ | ‘Vlietzone’ | ‘bunkercomplex Park Overvoorde’ | ‘molenbiotoop’).
Veel buitenplaatsen in Rijswijk hebben de beschermde status van landgoedbiotoop en worden beschermd via de provinciale omgevingsverordening en ons eigen omgevingsplan. Dat betekent dat de samenhangende structuur van de hoofd- en bijgebouwen met tuin en park en het omringende groen beschermd is, net als het blikveld, de zichtlijnen en panorama’s van de cultuurlandschappelijke aanleg (kaart: ‘Landgoederenzone (provincie)’). In de Erfgoednota Rijswijk 2024-2032 is beleid geformuleerd om de ‘functie erfgoed’ aan de hele Landgoederenzone en Vlietzone toe te kennen.
In het koersdocument Erfgoedlijn Landgoederenzone Zuid-Holland 2030 zijn daarnaast vier ambities gedefinieerd die hier relevant zijn:
-
a.
Betere buitenplaatsen: kwalitatieve doorontwikkeling in lijn met de kernwaarden;
-
b.
Sterke clusters: versterken van de lokale clusters van de buitenplaatsen;
-
c.
Lijn in de landgoederenzone: versterken van de samenhang en herkenbaarheid;
-
d.
Naar buiten: verbinding met de omgeving.
Naoorlogs erfgoed
De voorraad naoorlogse gebouwen, stedenbouw en openbaar groen is zeer kenmerkend voor Rijswijk en maakt een groot deel uit van de gebouwde omgeving. Herkenbaar is de strokenbouw met halfhoge portiekwoningen en hoge flats, de royale afmetingen van doorgaande wegen en een rijkdom aan laan- en plantsoenbeplanting. Om te voorkomen dat dit verdwijnt willen we zelf een voorbeeld zijn in de omgang met het moderne erfgoed. Zo hebben we het stadhuis (1967) in 2023 opnieuw als huisvesting van de gemeente in gebruik genomen, als begin van de herwaardering van het naoorlogse erfgoed.
De stedenbouwkundige aanleg van Rijswijk uit de naoorlogse periode is van hoge ruimtelijke kwaliteit. Het openbaar groen speelde daarbij een grote rol, maar ook aan de samenhang in architectuur, materialisatie en kleurstelling ontlenen de verschillende buurten hun karakter. De groene ruimte langs de wegen, rondom de woonblokken en in de plantsoenen en binnentuinen zorgt voor ruimtelijke verbinding. Dit willen we graag in stand houden, met het juiste onderhoud en daarvoor isinzicht in het ontwerp van de openbare ruimte en de bijbehorende beplantingsplannen van belang. In de Erfgoednota hebben we hiervoor een verwachtingswaardenkaart naoorlogs erfgoed opgenomen. Deze kaart is een belangrijk instrument om inzicht te krijgen in de aanwezige erfgoedwaarden uit de periode 1945-1990. Het is een attentiemiddel bij ontwikkelingen en biedt aanleiding voor het aanwijzen van monumenten en beeldbepalend en beeldondersteunend erfgoed, dan wel het toekennen van een erfgoedfunctie in het omgevingsplan.
Historische land- en waterwegen
Rijswijk kent een aantal belangrijke historische landwegen (onder andere Van Vredenburchweg, Herenstraat, Geestbrugweg, Jaagpad, Delftweg, Winston Churchilllaan en het spoortracé), maar ook uitpaden en voetpaden waaronder het Julialaantje (kaart: ‘historische landweg’). Deze wegen zijn lang bepalend geweest voor de bereikbaarheid van Rijswijk en voor de stedenbouwkundige inrichting. Waar nodig nemen we maatregelen of zorgen we voor bescherming in het omgevingsplan om deze historische wegen te behouden.
Ook zijn er enkele historische waterwegen, die tot in de negentiende eeuw een belangrijke wijze van vervoer vormden. Naast de Vliet, Zandvaart en Spieringswetering bestaan er nog een aantal oude sloten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de waterhuishouding van het landschap. Ook deze structuren zullen waar mogelijk worden beschermd en hersteld.
Archeologie
Binnen de wettelijke kaders streven we ernaar om archeologie een belangrijke plaats te geven bij ruimtelijke ontwikkelingen. We doen alles wat nodig is voor behoud en goede omgang met archeologische vindplaatsen. Archeologisch onderzoek mag alleen plaatsvinden op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen. De verantwoordelijkheid voor archeologisch erfgoed is verschoven naar de gemeente, wat een proactieve benadering vereist om onze rijke historie te bewaren en te presenteren.
Onze ambities gaan verder dan alleen wettelijke verplichtingen. We willen onze opgravingsbevoegdheid behouden en archeologisch onderzoek in eigen beheer houden, om zo snel en efficiënt te kunnen reageren op nieuwe vondsten en ontwikkelingen. Dit draagt bij aan kennis van het lokale archeologische veld. In het kader van de Erfgoednota hebben we onze archeologische waardenkaart geactualiseerd (kaart: ‘Archeologische verwachtings- en beleidskaart’).
We actualiseren de Lokale Onderzoeks Agenda Rijswijk (LOAR), die inspeelt op zowel lokale als bredere onderzoeksvragen binnen de archeologie. Deze dient onder meer als leidraad bij de uitwerking, vraagstelling, interpretatie en rapportage van reeds voltooide opgravingen. Dit onderdeel benadrukt de ambitie om archeologie toegankelijk en relevant te maken voor een breder publiek.
Stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen
Nieuwe ontwikkelingen passen binnen de ruimtelijke structuur en dragen bij aan de stedenbouwkundige kwaliteit van de stad (kaart: ‘transformatie-/ontwikkellocatie’). De ontwikkelingen worden integraal aangepakt door een nauwe samenwerking tussen verschillende vakdisciplines. De ruimtevraag voor nieuwe woningen, bedrijven en maatschappelijke functies krijgt plaats binnen bestaand bebouwd gebied (verdichting). Op die manier willen we ons groen behouden en onze openbare ruimte zo veel mogelijk sparen. Het realiseren van nieuwe woningen (of andere functies) in winkelcentra, kantoorgebieden of bestaande woonwijken is tegelijk een oplossing voor leegstand en aanleiding om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te verhogen. Intensiveren van bebouwing bij vervangende nieuwbouw, vergroten van de bouwhoogte door optopping en de transformatie van bestaande bebouwing zijn middelen om – al dan niet gecombineerd – hiervoor extra ruimte te creëren. De mogelijkheden voor verdichting moeten per locatie worden onderzocht en bepaald.
Hoogbouw maakt onderdeel uit van de ruimtelijke en functionele structuur van de stad. We hebben onze uitgangspunten bepaald in een hoogbouwvisie, en werken nog aan nuancering en aanscherping daarvan. Op een aantal locaties in de stad zien we aanleiding voor een grotere bouwhoogte om daarmee de zichtbaarheid en herkenbaarheid te vergroten en de identiteit te versterken. Hoogbouw is mogelijk in daarvoor aangewezen gebieden; daarbuiten geldt een ‘nee tenzij’. De bouwhoogte is gerelateerd aan de betekenis van de plek en kent drie gradaties: structuurdragers, stedelijk accent en regionaal accent. Daarnaast zijn wijk- en buurtaccenten mogelijk (strikt genomen geen hoogbouw). Daarbij moet hoogbouw voldoen aan een aantal ruimtelijke, technische en maatschappelijke criteria. Dit resulteert in de volgende uitgangspunten:
-
De aangewezen gebieden voor hoogbouw werken we nog nader op een kaart uit.
-
De bouwhoogte is gerelateerd aan de plek en kent de volgende gradaties:
-
De ruimtelijke criteria zijn:
-
De technische criteria zijn:
-
De maatschappelijke criteria zijn:
|
Doelen |
|
Behouden, beheren, onderzoeken, en het toegankelijk en beleefbaar maken van het Rijswijkse
erfgoed. |
|
Archeologie toegankelijk en relevant maken voor een breder publiek. |
|
Zorgen voor ons ‘nieuwe’ erfgoed door bij ontwikkeling van de stad voorwaarden te
stellen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Cultuurhistorische waarden meewegen bij omgevingsvergunningen en in ruimtelijke plannen.
Indien nodig archeologische en cultuurhistorische onderzoeken om monumentale waarden
te bepalen. |
|
Monumentenzorg: bij ruimtelijke planvorming en vergunningaanvragen voor ingrepen in
beschermde monumenten en gebieden met cultuurhistorische waarden de bouw-, architectuur-
en cultuurhistorische waarden bepalen. |
|
Verduurzaming monumenten: wat wel en niet kan afhankelijk van de unieke waarde van
het gebouw, de technische staat en het belang voor de omgeving. |
|
Cultuurlandschappen: bij nieuwe ontwikkelingen sturen op inpassing en behoud van waardevolle
cultuurlandschappen. |
|
Naoorlogs erfgoed: in stand houden van van de naoorlogse stedenbouwkundige aanleg
van de stad. |
|
Historische land- en waterwegen: waar nodig en mogelijk beschermen of herstellen van
historische land- en waterwegen. |
|
Archeologie: streven om archeologie een belangrijke plaats te geven bij ruimtelijke
ontwikkelingen. Archeologisch onderzoek alleen op basis van een goedgekeurd Programma
van Eisen. |
|
Nieuwe ontwikkelingen passen binnen de stedenbouwkundige structuur van Rijswijk en
dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de stad. |
|
Ruimtevraag voor nieuwe woningen, bedrijven en maatschappelijke functies krijgt plaats
binnen bestaand bebouwd gebied (verdichting). Mogelijkheden voor verdichting moeten
per locatie worden bepaald. |
|
Op een aantal locaties is ruimte voor grotere bouwhoogten om de zichtbaarheid en herkenbaarheid
te vergroten en identiteit te versterken (aangewezen gebieden werken we nog op een
kaart uit); daarbuiten geldt ‘nee tenzij’ Bouwhoogte is gerelateerd aan de betekenis
van de plek en kent verschillende gradaties. Daarbij moet hoogbouw voldoen aan ruimtelijke,
technische en maatschappelijke criteria. |

Afbeelding 4.5: Cultuurhistorische waardenkaart.

Afbeelding 4.6: Verwachtingswaardekaart naoorlogs erfgoed.

Afbeelding 4.7: Archeologische verwachtings- en beleidskaart Neolithicum, Brons- en
IJzertijd.

Afbeelding 4.8: Archeologische verwachtings- en beleidskaart Romeinse tijd en late Middeleeuwen / Nieuwe tijd.
[17] O.a. Museum Rijswijk dat het Rijswijks Historisch Centrum en de website erfgoedrijswijk.nl beheert, Historische Vereniging Rijswijk, Stichting Historische Projecten en werkgroep Open Monumentendagen.
[18] Erfgoednota Rijswijk 2024-2032 Gezichten om van te houden (2024).
4.6 Groene stadsbiotoop
De ontwikkeling van het Rijswijkse groen
Ons doel is om het Rijswijkse groen verder te ontwikkelen en versterken, waarbij het groen gevarieerd en biodiverser wordt. Op basis van bodemeigenschappen en stedelijke ontwikkeling is Rijswijk ingedeeld in vier groensferen, met daarop afgestemde doelsoorten en eigen groene karakteristieken. Het gaat om de volgende groensferen, afbeelding 4.7 geeft de bijbehorende sfeerbeelden weer:
-
Het oude dorp en de landgoederenzone;
-
Het nieuwe centrum (Bogaard stadscentrum en omgeving);
-
20e-eeuwse woon-/werkgebieden (ten noorden van de A4);
-
21e-eeuwse werk-woongebieden en de stadsparkzone (ten zuiden van de A4).
|
Groensfeer: het oude dorp en de landgoederenzone Deze groensfeer ligt aan de noordkant van Rijswijk op een zandrug (strandwal) parallel aan de kustlijn. Door de hoge ligging ontstond hier in de middeleeuwen het dorp Rijswijk. Vanaf de 17e eeuw werden er landgoederen en buitenplaatsen aangelegd. De groensfeer bestaat uit buitenplaatsen, parken, villatuinen, lanen en oprijlanen en stenige straten met veel grote bomen. Door de lemige rijke bodem staat hier binnenduinbos bestaande uit drie lagen beplanting, namelijk kruiden, heesters en bomen. ![]() De hoofd-boomstructuur bestaat hier uit linde, beuk, kastanje, inlandse eik en haagbeuk. Deze boomsoorten komen in bosachtige delen maar ook in smalle en brede straatprofielen voor. Daarnaast staan in de smalle straatprofielen ook bloeiende sierbomen. Onder invloed van de Engelse landschapsstijl komen hier ook prachtige parkbomen voor zoals tulpenboom en walnoot. Mooi gevormde hagen van soorten als taxus, beuk en haagbeuk horen ook bij deze groensfeer. De biotooptypes die in deze groensfeer voorkomen zijn stadsnatuur en bos- en parknatuur. De natuurwaarden van deze groensfeer zijn eiken-beukenbos met gecultiveerde heesterbegroeiing, bos- en stinzeplanten en oude holle bomen. In deze bomen komen holenbroeders als bosuil voor en koloniën vleermuizen. Groensfeer: 20e eeuwse woon- en werkgebieden Deze groensfeer ligt in het midden van Rijswijk op de jonge zeeklei. Vanaf de middeleeuwen was dit gebied in gebruik als weidegebied. Vanaf 1950 ontstond hier het nieuwe Rijswijk. De eerste delen werden razendsnel gebouwd. Er ontstond een afwisseling van flats, portiekwoningen en eengezinswoningen. Vanuit de gedachte dat iedere wijk een kleine gemeenschap was, kwamen er ook voorzieningen in alle wijken. Deze groensfeer bestaat daardoor uit functionele wijken met buurtcentra, tuinstraten en buurtparkjes. Zeer kenmerkend voor deze groensfeer zijn de vele portiekflats met grote fraaie groene binnen ruimtes. Binnen deze groensfeer bevinden zich meerdere singels met een parkachtige, grazige sfeer. ![]() De hoofd-boomstructuur bestaat hier vaak uit linde, plataan, eik, esdoorn en berk. Er staan grotere bomen in de hoofdstraten en kleine (bloeiende) sierbomen in de andere straten. Langs de singels staan vaak treurwilgen, bloeiende sierbomen en dennen. De biotooptypes die in deze groensfeer voorkomen zijn stadsnatuur, bos- en parknatuur en water- en moerasnatuur. De natuurwaarden die hierbij horen zijn openbaar wijkgroen en bomenrijen. Groensfeer: Het nieuwe Centrum Deze groensfeer ligt ook op de jonge zeeklei in het midden van Rijswijk. Het is het gebruiks-intensieve gebied van Bogaard stadscentrum en het stationsgebied. De groensfeer is kleurrijk en verzorgd met tuinachtige aspecten. Er is een grote variëteit aan bomen, heesters en vaste planten. ![]() De bomen in dit gebied begeleiden en verbinden de routes voor langzaam verkeer. De hoofd-boomstructuur van Rijswijk loopt langs en door dit gebied. Boomsoorten die bij deze groensfeer passen zijn linde, veldesdoorn, berk, valse christusdoorn, eik, amberboom en es. Door verschil in vorm, hoogte en dichtheid van de kroon, zorgen de bomen op straten en pleinen voor afwisseling in de uitstraling van dit centrumgebied. Het biotooptype dat bij dit gebied hoort is stadsnatuur (de natuurinclusieve stad). De natuurwaarden die hierbij horen zijn sierlijke insectenvriendelijke vaste planten, groene elementen, plantenvakken en losse elementen. Groensfeer: 21ste eeuwse woon- en werkgebieden en de stadsparkzone Deze groensfeer bevindt zich in het zuiden van Rijswijk in het kleiige krekenlandschap van de Vliet en Zweth. Na ontginning ontstond hier in de middeleeuwen een slagenlandschap (strokenlandschap). De stadsparkzone is vanaf de jaren 70 op voormalige vuilstorten aangelegd. Nu is het een afwisselend waterrijk bos- en parkgebied. Het opgaande bos bestaat uit drie lagen beplanting: kruiden, heesters en bomen. In deze groensfeer komen planten als populier, els, knotwilg, rijshout en riet voor. Vanaf begin van de 21e eeuw wordt ten zuiden van de stadsparkzone de nieuwbouw van RijswijkBuiten gebouwd. Kenmerken zijn de grondgebonden woningen en de afwisseling van groene woonstraten en straten met parkeerkoffers. Alle singels worden aangelegd met een natuurrijke oeverbeplanting. ![]() De hoofd-boomstructuur bestaat in deze groensfeer uit els, es, populier, (knot-)wilg en abeel. Deze boomsoorten komen in bosachtige delen maar ook in brede straatprofielen voor. Als singelbeplanting zijn ook soorten als sierkers, gewone vleugelnoot en trompetboom toegevoegd. Veel smalle straatprofielen zijn ingericht als buurtboomgaard met verschillende fruitbomen. De biotooptypes die in deze groensfeer voorkomen zijn stadsnatuur, voedselrijk bos, water- en moerasnatuur. |
Landgoederenzone en stadsparkzone
We gaan door met het verbeteren van de kwaliteit van onze grote regionale parkgebieden. We zorgen ervoor dat de Landgoederenzone en Stadsparkzone, ook in de toekomst de groene longen van Rijswijk blijven, en tegelijk de groen- en natuurkwaliteit aanzienlijk verbeterd worden (kaart: ‘landgoederenzone’ | ‘stadsparkzone’). Hiertoe wordt in de landgoederenzone en de stadsparkzone geïnvesteerd, zodat de parken en bossen een kwaliteitsimpuls krijgen waardoor ze optimaal kunnen meegroeien met de stad.
De buitenplaatsen van Rijswijk zijn onderdeel van het Nationaal Park Hollandse Duinen (NPHD), een landgoederenreeks die loopt van Rijswijk (via Den Haag, Voorburg, Wassenaar en Voorschoten) tot aan Lisse. De landgoederen en buitenplaatsen ontlasten de kwetsbaarste gebieden van het kustlandschap (NPHD) met rust- en natuurbeleving.
We voeren het uitvoeringsprogramma Landgoederenzone uit, waarmee het gebied de groenkwaliteit krijgt die bij de sfeer van de Landgoederenzone past: natuur (leefgebied voor oud-bossoorten als eekhoorns, boomklevers en rosse vleermuizen), cultuur (bijzondere gebouwen en monumenten), recreatie (mogelijkheden om te sporten, wandelen en fietsen), en historische groenaanleg (zie ook de provinciale bescherming van de landgoedbiotopen: dat gaat veel verder dan alleen hoofdhuis, bijgebouwen en tuinaanleg, maar ook de samenhang daartussen, de zichtassen, panorama's, blikveld en de cultuurlandschappelijke aanleg).
Het stadsparkenlandschap is onderdeel van de regionale Zweth-Vlietzone, een ecologische-recreatieve groenblauwe zone die loopt van Nieuwe Waterweg tot aan Vliet (Zwethzone) en van Delft tot aan Leiden (Vlietzone) (kaart: ‘stadsparkzone en Vlietzone’).
De stadsparkzone ontwikkelen we door tot een veelzijdig park, dat op meerdere plekken met groene uitlopers is verbonden tot in Stervoorde, Sion, Muziekbuurt, Parkrijk en Pasgeld. De natuurkwaliteit en biodiversiteit zijn toegenomen. In de stadsparkzone gaan verblijfskwaliteit en natuurwaarden hand in hand. Mensen komen er graag om elkaar te ontmoeten, te recreëren, te sporten maar ook om van de natuur en de rust te genieten.
Groene netwerken
Aanvullend daarop willen we een groenstructuur realiseren die de groengebieden aan elkaar verbindt. Zo creëren we ‘groene netwerken’ die Rijswijk groen maken tot diep in de haarvaten van de buurten en wijken. We versterken bestaande groenverbindingen en vullen ontbrekende schakels in om alle groengebieden, wijk- en stadsgroen onderling te verbinden. We maken onderscheid in de volgende soorten verbindingen.
Natuurverbindingen door de stad: we zetten ons in om de natuurverbindingen in de stad, tussen de Landgoederenzone en stadsparkzone en met de omgeving te realiseren of versterken (kaart: ‘natuurverbindingszones’). Ook wijkparken, volkstuinen en begraafplaatsen maken hier onderdeel van uit. We zorgen ervoor dat de natuurstructuur zo goed mogelijk kan functioneren door het opheffen van barrières in wegen en spoorwegen. We spannen ons in met meerdere viaducten/ecoducten over de A4 zowel recreatieve verbindingen als goed functionerende natuurverbindingen tussen de gebieden ten noorden en zuiden van de weg (kaart: ‘groene verbinding’) te realiseren. We hebben een bestuursovereenkomst met het Ministerie van IenW over de A4-verbreding, waarin we afspraken hebben vastgelegd over twee brede groene overkluizingen over de A4: Van Rijnweg en Pieter Postmapad (meekoppelkansen).
Verbindingen van bomen: ons doel is om van alle wegen, straten en lanen in Rijswijk mooie doorgaande groene structuren met biodiverse bomen te maken (kaart: ‘boomstructuur (lijnen)’). We zorgen dat op kruispunten met grote stenige oppervlakten het groen wel doorloopt, dat ziet er landschappelijk mooier uit en is beter voor natuur (geen doorbroken natuurverbindingen) en mens (aangenamere verblijfsplekken). We volgen daarbij de 3‑30‑300-regel: in de buurt van iedere woning staan 3 bomen, iedere buurt heeft minimaal 30% boomkroonoppervlakte en er bevindt zich een parkje op 300 meter afstand van iedere woning. Specifiek voorzien we de Prinses Beatrixlaan, Lange Kleiweg en oostzijde van de Vliet bij herinrichting van een losse boomstructuur. We vergroten de boomvakken in straten en wegen, waardoor bomen een betere groeiplaats hebben en kunnen uitgroeien tot gezonde, grotere volwassen bomen. Ook ontstaat zo meer ruimte voor gezonde biodiverse onderbeplanting. Dit zorgt voor een parkachtige sfeer en aangename schaduwrijke straten om te lopen en te fietsen.
Recreatieve groene verbindingen: De landgoederenzone en de stadsparkzone verbinden we via een aantal brede groene recreatieve verbindingen. Zo zorgen we dat deze groenzones met de fiets en lopend via groene routes makkelijk te bereiken zijn, ook voor Rijswijkers met een beperking. Door heel Rijswijk realiseren we een netwerk van doorgaande paadjes door het groen. Door daarmee ook het wijkgroen met elkaar te verbinden is het voor iedereen gemakkelijk een groen ommetje te maken dicht bij huis en nodigt het uit tot bewegen en beleven van de stad en het groen.
Natuurinclusieve en biodiverse stad
Onze ambitie is Rijswijk als een goed functionerende ‘stadsbiotoop’: een stad waar mensen, planten en dieren een thuis hebben en zich thuis voelen. De komende jaren bepalen we de doelsoorten en doelbiotopen voor heel Rijswijk. Daardoor kunnen bij alle vormen van herinrichting, renovatie en nieuwbouw (van buitenruimte en gebouwen) steeds geschikte biotopen voor planten en dieren worden gerealiseerd. Daarbij hebben we aandacht voor dierenwelzijn.
We vergroten de groenkwaliteit en biodiversiteit door gebouwen en buitenruimtes natuurinclusief te bouwen/renoveren en in te richten. Bij gebieds- en locatieontwikkelingen worden er regels gesteld voor het natuurinclusief en duurzaam inrichten van gebouwen en de buitenruimte. Op deze manier wordt gezorgd dat de kwaliteit van de natuur (de natuurwaarden) in Rijswijk wordt vergroot. Dat gebeurt door de kwalitatieve eisen voor verblijfplaatsen, voedsel, veiligheid, verbinding en variatie (de 5V’s) die natuurdoelsoorten aan hun omgeving stellen, in het ontwerp van gebouwen en buitenruimtes toe te passen.
Bij alle nieuwe ontwikkelingen moet actief worden gezocht naar ruimte om voldoende groen te realiseren en mogelijkheden om de groenkwaliteit te verbeteren. Groen tot in de haarvaten betekent zo veel mogelijk groen in de openbare ruimte en tot op, aan en in bebouwing. Zo zullen bijvoorbeeld parkeervakken groen worden aangelegd. Daar waar op maaiveldniveau weinig ruimte is, moet gezocht worden naar andere plekken, bijvoorbeeld groen langs wanden van gebouwen (gevelgroen) en de aanleg van groene en bruine daken. Zo kan gedacht worden aan innovatieve oplossingen zoals nieuwe wijkparken of buurtgroen op gebouwen en (ondergrondse) parkeergarages.
Om te zorgen dat er genoeg bomen en beplanting in verschillende delen van Rijswijk zijn, wordt bij herinrichtingen en herontwikkelingen in de stad de 3‑30‑300 regel als richtlijn gehanteerd. Ook worden bij gebiedsontwikkelingen of het verdichten van bebouwing de kansen benut om extra groen toe te voegen. Ontwikkelaars dragen bij aan het realiseren van de inrichting van het groen in het gebied en helpen bij het realiseren van de groene ambities.
Door zo de stad te vergroenen pakken we meerdere opgaves tegelijk aan. Het zorgt voor meer groenbeleving, meer biodiversiteit, meer waterberging en afname van hittestress in de stad. We benutten kansen om vergroening te koppelen aan transformaties (bijvoorbeeld Bogaard stadscentrum), herinrichting van de openbare ruimte (bijvoorbeeld Oud-Rijswijk) en maatregelen op het gebied van klimaatadaptatie en energie. Ook op werklocaties zien we daarvoor veel potentie, zo is ons doel dat Plaspoelpolder het groenste bedrijventerrein van de provincie wordt. De groei van de stad gaat hand in hand met de groei van het groen, zodat de leefbaarheid en de balans tussen bebouwing en natuur gewaarborgd blijven en de Rijswijkse identiteit behouden blijft.
Daarnaast willen we de belevingswaarde van het groen in Rijswijk sterk verbeteren. De verschillende groene lagen (lage, middelhoge, hoge beplanting) brengen we meer in evenwicht. Een goede balans in soorten zorgt voor veel kleurvariatie gedurende het hele jaar (groen omgeving beleven), bloemen, vruchten, nectar en stuifmeel voor dieren (biodiversiteit) en een gezonder groenbestand (minder last van ziekten en plagen). Deze soortenrijkdom helpt om de biodiversiteit te verbeteren en verrijkt de groen- en natuurbeleving van inwoners vlak bij hun huis. Naast biodiverse beplanting kiezen we er op een aantal plekken in Rijswijk voor om met bijzondere beplanting extra groene accenten aan te brengen.
Uitgangspunt bij het aanleggen, beheer en onderhoud van groen is het verhogen van de biodiversiteit. Om dit goed te borgen stellen we een handreiking op. Daarnaast willen we in de toekomst dagelijks actueel inzicht in het groenareaal van de stad (soorten, oppervlakten, beheertypen, vervangingstermijn, staat van onderhoud) om ons groenbeheer goed op orde te hebben. Wanneer bij gebieds- en locatieontwikkelingen of bij noodzakelijk onderhoud bomen en beplantingen worden verwijderd, dan wordt het verwijderde groen op een gelijkwaardige wijze gecompenseerd.
|
Doelen |
|
Rijswijkse groen verder ontwikkelen en versterken, waarbij het groen gevarieerd en
biodiverser wordt. |
|
Zorgen dat de Landgoederenzone en Stadsparkzone ook in de toekomst de ‘groene longen’
van Rijswijk blijven, en de groen- en natuurkwaliteit aanzienlijk verbeterd worden. |
|
Realiseren van een groenstructuur die de groengebieden aan elkaar verbindt; creëren
van ‘groene netwerken’ die Rijswijk groen maken tot diep in de haarvaten van de buurten
en wijken. |
|
Rijswijk als goed functionerende ‘stadsbiotoop’: een stad waar mensen, planten en
dieren een thuis hebben en zich thuis voelen. |
|
Sterk verbeteren van de belevingswaarde van het groen in Rijswijk. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Ontwikkelen en versterken van het Rijswijkse groen op basis van vier groensferen,
met daarop afgestemde doelsoorten en eigen groene karakteristieken. |
|
Uitvoering geven aan het Uitvoeringsprogramma Landgoederenzone, zodat de groenkwaliteit
past bij de sfeer van de Landgoederenzone (natuur, cultuur, recreatie en historische
groenaanleg). |
|
Doorontwikkelen van de Stadsparkzone als een veelzijdig park met groene uitlopers
richting de stad; verblijfskwaliteit en natuurwaarden gaan hier hand in hand. |
|
Versterken bestaande groenverbindingen en invullen ontbrekende schakels om alle groengebieden,
wijk- en stadsgroen onderling te verbinden. |
|
Natuurverbindingen door de stad: realiseren of versterken van natuurverbindingen in
de stad, tussen de Landgoederen- en Stadsparkzone en met de omgeving. |
|
Verbindingen van bomen: maken van mooie doorgaande groene structuren met biodiverse
bomen langs wegen, straten en lanen in Rijswijk; volgen van de 3‑30‑300 regel. |
|
Recreatieve groene verbindingen: verbinden Landgoederen- en Stadsparkzone via een
aantal brede groene recreatieve verbindingen; door heel Rijswijk netwerk van doorgaande
paadjes door het groen (wijkgroen met elkaar verbinden). |
|
Bij alle vormen van herinrichting, renovatie en nieuwbouw (van buitenruimte en gebouwen)
kunnen geschikte biotopen voor planten en dieren worden gerealiseerd door het bepalen
van doelsoorten en doelbiotopen voor heel Rijswijk. |
|
Vergroten van groenkwaliteit en biodiversiteit door gebouwen en buitenruimtes natuurinclusief
te bouwen/renoveren en in te richten; bij gebieds- en locatieontwikkelingen worden
hiervoor regels gesteld. Dat gebeurt door de kwalitatieve eisen voor de ‘5V’s’ in
het ontwerp van gebouwen en buitenruimtes toe te passen. |
|
Bij alle nieuwe ontwikkelingen moet actief worden gezocht naar ruimte om voldoende
groen te realiseren en mogelijkheden om groenkwaliteit te verbeteren. Groen tot in
de haarvaten betekent zo veel mogelijk groen in de openbare ruimte en tot op, aan
en in bebouwing. |
|
Bij herinrichtingen en herontwikkelingen wordt de 3‑30‑300 regel als richtlijn gehanteerd.
Bij gebiedsontwikkelingen of verdichten worden kansen benut om extra groen toe te
voegen. Ontwikkelaars dragen bij aan realiseren van de inrichting van het groen en
de groene ambities. |
|
Benutten van kansen om vergroening te koppelen aan transformaties, herinrichting openbare
ruimte, maatregelen voor klimaatadaptatie en energie en op werklocaties. |
|
Belevingswaarde: verschillende groene lagen meer in evenwicht brengen; goede balans
in soorten. |
|
Uitgangspunt bij aanleggen, beheer en onderhoud van groen is het verhogen van de biodiversiteit. |
|
Verwijderd groen bij gebieds- en locatieontwikkelingen of noodzakelijk onderhoud wordt
op gelijkwaardige wijze gecompenseerd. |

Afbeelding 4.9: Thematische visiekaart ‘groene stadsbiotoop’.
4.7 Klimaatbestendige leefomgeving
Klimaatmitigatie en klimaatadaptatie
Klimaatopwarming heeft directe invloed op onze leefomgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.5.5 Klimaat en energie. Om Rijswijk voor te bereiden op klimaatverandering, zowel nu als in de toekomst, is het essentieel in te zetten op het voorkomen van verdere klimaatopwarming (klimaatmitigatie) en het aanpassen aan de gevolgen van veranderend klimaat (klimaatadaptatie).
Ons doel is om in 2050 als gemeente klimaatneutraal te zijn door middel van mitigatie, voornamelijk via de energietransitie. Daar gaat paragraaf 4.8 Duurzame energievoorziening verder op in. Daarbij zijn we afhankelijk van acties in Nederland en wereldwijd. Tegelijkertijd zetten we ons in om onze leefomgeving klimaatbestendig[19] te maken. Ons doel is om in 2050 als gemeente klimaatbestendig te zijn door middel van adaptatie. Dit betekent dat we onze leefomgeving zo inrichten dat deze bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals hittestress, droogte en wateroverlast.
Monitoring
We maken gebruik van verschillende data om de gevolgen van klimaatverandering in kaart te brengen. We gaan onderzoeken of naast de openbare klimaatatlas[20] een Rijswijkse klimaatatlas kan bijdragen aan het beter inzichtelijk maken van hittestress, droogte en wateroverlast in onze gemeente.
Klimaatbestendige gebouwde omgeving
We integreren tools zoals het Convenant klimaatadaptief bouwen[21] en de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving[22] in alle ruimtelijke projecten. Maar de klimaatopwarming, in combinatie met de huidige en geplande verdichting van onze stad, vraagt om meer innovatieve tools. Nieuwbouw past daarom de laatste innovaties toe, zoals Ladder van Koeling[23] en BREEAM[24]. Daarbij schrijven we een minimaal BREEAM-score ‘good’ voor voor nieuwbouw en renovatie, en voor gebiedsontwikkeling. We waarderen in het bijzonder elke ontwikkeling die innovaties kan aantonen met zogeheten innovatiecredits. Deze innovatiecredits stimuleren en erkennen de toepassing van innovatieve oplossingen die verder gaan dan de standaard duurzaamheidsnormen. Het gaat om creativiteit en pionieren door bijvoorbeeld het zoeken naar meekoppelkansen op onderwerpen als energie-efficiëntie, materiaalgebruik, waterbeheer en klimaatadaptatie.
Klimaatbestendige openbare ruimte
Onze openbare ruimte richten we klimaatadaptief in door meer schaduwrijke plekken te creëren en stedelijke gebieden te vergroenen. We streven naar een robuust watersysteem met ruimte voor infiltratie en opvang van water. Dit geldt zowel voor nieuwe ontwikkelingen, als voor bestaande omgevingen.
Voorbeelden van klimaatbestendige maatregelen zijn:
-
Aanleg van groenstroken en parken voor betere waterinfiltratie.
-
Creëren van schaduwrijke zones met bomen en pergola’s.
-
Gebruik van waterdoorlatende bestrating en groene daken.
-
Klimaatadaptief waterbeheer: om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen, is een goede balans tussen water vasthouden, bergen en afvoeren nodig. Dit geldt zowel voor nieuwe ontwikkelingen als voor de bestaande omgeving.
Specifieke maatregelen:
-
Aanleg van wadi's en ‘urban waterbuffers’.
-
Verbetering van de rioleringscapaciteit en inzetten op hemelwater afkoppelen.
-
Stimuleren van het (her-)gebruik van regenwater voor huishoudelijk gebruik.
Waterbeheer
Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen, is een goede balans tussen water vasthouden, bergen en afvoeren nodig. We werken nauw samen met Hoogheemraadschap van Delfland om een effectief waterbeheersysteem te realiseren.
Hittestress
Hittestress vormt een uitdaging, vooral in dichtbebouwde delen van de stad zoals de Stadsas. Deze gebieden zijn gevoelig voor hittestress, omdat ze relatief versteend zijn. We ontwikkelen een Lokaal Hitteplan en passen een preventieve bouwstrategie toe, zoals groene daken en gevels, en het gebruik van hittebestendige materialen.
Water en bodem sturend
Rijswijk sluit aan bij de nationale beleidslijn 'water en bodem sturend' om een klimaatbestendige leefomgeving te creëren. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen worden aangepast aan het water- en bodemsysteem, waarbij de kwaliteit en kwantiteit van water doorslaggevend zijn. We volgen deze lijn ook door de groei van de stad te zoeken in bestaand stedelijk gebied en in de hoogte, waardoor verdere verharding beperkt blijft en we ruimte voor groen en water sparen.
Bodemdaling
Bodemdaling is geen wijdverspreid probleem in Rijswijk maar kan lokaal voorkomen, door klimaatverandering verergeren en schade veroorzaken. We willen de risico’s in beeld brengen en preventieve maatregelen nemen.
Waterkwaliteit
In samenwerking met hoogheemraadschap Delfland willen we de waterkwaliteit verbeteren volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW). We streven naar emissiereductie, natuurvriendelijke oevers en optimalisatie van de waterbeheerpraktijk. Dit bereiken we door minder vervuiling in het water toe te laten en betere voorlichting en handhaving om vervuiling te voorkomen.
Rijswijkse strategie RAAK en zeven deelambities
Om stappen te zetten richting een klimaatbestendige leefomgeving in 2050, hebben we zeven ambities voor de periode 2023-2030 vastgesteld, bekend als de Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering (RAAK). We willen onze uitvoeringsstrategie voortdurend bijstellen en aanscherpen om adequaat te kunnen inspelen op toekomstige ontwikkelingen.
-
a.
Kwetsbaarheid in beeld brengen: we actualiseren de stresstest iedere zes jaar om veranderende kwetsbaarheden in beeld te brengen. We starten met het updaten van de kaarten en voeren vervolgens een nieuwe ronde klimaatstresstesten uit.
-
b.
Risicodialogen: we gaan vanaf 2025 risicodialogen met stakeholders voeren. Dit proces gaan wij iedere zes jaar herhalen en herijken op basis van de actuele klimaatstresstesten.
-
c.
Uitvoeringsstrategie: klimaatadaptatie vereist maatwerk per wijk, buurt en soms per straat. Bij alle nieuwe ontwikkelingen stimuleren we het gebruik van tools zoals het Convenant klimaatadaptief bouwen en de Landelijke maatlat. Daarnaast brengen we samen met regionale partners in beeld welke investeringen er nodig zijn om Rijswijk op lange termijn klimaatbestendig te maken. Hierna kan een berekening gemaakt worden, met een meerjarig investeringsprogramma klimaatadaptatie voor de periode 2026-2030.
-
d.
Meekoppelkansen: we streven ernaar om de doelen van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie[25] te integreren en meekoppelkansen te benutten bij alle ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent klimaatbestendigheid integreren in bredere ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen, zoals de energietransitie en de overgang naar een circulaire economie.
-
e.
Stimuleren en faciliteren: hoewel we streven naar een klimaatbestendige leefomgeving, kunnen restrisico's nooit volledig worden uitgesloten. Daarom willen we dat bedrijven, organisaties en burgers op de hoogte zijn van deze risico's, zoals ook voorgeschreven door het Rijk. Uit onze klimaatstresstesten blijkt dat naast wateroverlast en droogte, vooral hittestress en verlies van biodiversiteit momenteel een hoge prioriteit hebben in Rijswijk. Bewustwording en actie richting de inwoners zijn daarbij cruciaal. We vergroten het bewustzijn over het belang van klimaatbestendigheid via initiatieven zoals Steenbreek, en willen bewoners in Rijswijk bewust maken van het belang van klimaat, water en groen, en wat zij daar zelf aan kunnen bijdragen.
-
f.
Reguleren en borgen: klimaatadaptatie is geborgd in de verordening afvoer hemelwater en ons Gemeentelijk riolerings- en waterplan (GRP). De ‘verordening afvoer hemelwater’ is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan geworden. Alle nieuw- en verbouwprojecten en ontwikkelingen in de openbare ruimte moeten voldoen aan het Convenant klimaatadaptief bouwen en de Landelijke Maatlat.
-
g.
Handelen bij calamiteit: we ontwikkelen lokale calamiteitsplannen voor weersextremen. We beginnen eerst met een Lokaal Hitteplan Rijswijk in 2024 en betrekken stakeholders en inwoners bij het nemen van maatregelen om hittestress te verminderen. Hierna zullen we ook kijken naar lokale plannen voor droogte en wateroverlast samen met regionale partners.
|
Doelen |
|
In 2050 als gemeente klimaatneutraal te zijn door middel van mitigatie (zie 4.8),
en klimaatbestendig zijn door middel van adaptatie. Dat betekent onze leefomgeving
zo inrichten dat deze bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals hittestress,
droogte en wateroverlast. |
|
Zeven ambities voor de periode 2023-2030, om stappen te zetten richting een klimaatbestendige
leefomgeving in 2050: Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering
(RAAK). |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
In alle ruimtelijke projecten integreren van tools zoals het Convenant klimaatadaptief
bouwen en de Landelijke maatlat. |
|
Nieuwbouw past de laatste innovaties toe, zoals de Ladder van Koeling en BREAAM. We
schrijven een minimaal BREEAM-score ‘good’ voor voor nieuwbouw en renovatie en gebiedsontwikkeling.
We waarderen in het bijzonder elke ontwikkeling die innovaties kan aantonen met zogenaamde
innovatiecredits. |
|
Klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte door meer schaduwrijke plekken te
creëren en stedelijke gebieden te vergroenen. |
|
Streven naar een robuust watersysteem met ruimte voor infiltratie en opvang van water;
voor nieuwe ontwikkelingen en in bestaande omgevingen. |
|
Waterbeheer: balans tussen water vasthouden, bergen en afvoeren om wateroverlast door
extremen te voorkomen. |
|
Hittestress: ontwikkelen Lokaal Hitteplan; toepassen preventieve bouwstrategie (zoals
groene daken en gevels en gebruik van hittebestendige materialen). |
|
Aansluiten bij nationale beleidslijn ’water en bodem sturend’; ruimtelijke ontwikkelingen
worden aangepast aan het water- en bodemsysteem, waarbij de kwaliteit en kwantiteit
van water doorslaggevend zijn. |
|
Bodemdaling: risico’s in beeld brengen en preventieve maatregelen om bodemdaling te
voorkomen. |
|
Waterkwaliteit: verbeteren van de waterkwaliteit volgens de KRW. Streven naar emissiereductie,
natuurvriendelijke oevers en optimalisatie van waterbeheerpraktijk; door minder vervuiling
toe te laten, voorlichting en handhaving. |
|
Uitvoering geven aan RAAK: Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering. |
|
Meekoppelkansen: streven om meekoppelkansen te benutten bij alle ruimtelijke ontwikkelingen;
integreren klimaatbestendigheid in bredere ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen (zoals
energietransitie en circulaire economie). |

Afbeelding 4.10: Thematische visiekaart ‘Klimaatbestendige leefomgeving’.
[19] Er zijn verschillende begrippen voor aanpassing aan klimaatverandering bekend. Zo komen, vaak refererend aan nationale trajecten, de begrippen klimaatadaptief, klimaatbestendig en waterrobuust voor. We zien deze begrippen als synoniemen, en gebruiken in deze omgevingsvisie de term klimaatbestendig. Voor een definitie van een klimaatbestendige leefomgeving, zie onder meer de herijkte Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (2020).
[20] www.klimaatatlas.nl.
[21] https://bouwadaptief.nl/leidraad/.
[22] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/03/23/landelijke-maatlat-factsheets-en-overzichtstabel.
[23] https://groenehuisvesters.nl/wp-content/uploads/2023/02/ladder-van-koeling.pdf.
[24] https://richtlijn.breeam.nl/credit/klimaatadaptatie-1545.
[25] https://klimaatadaptatienederland.nl/beleid/nationale-aanpak/dpra/.
4.8 Duurzame energievoorziening
Klimaatneutraal Rijswijk in 2050
We moeten ons aanpassen aan klimaatverandering, maar ook bijdragen aan het afremmen ervan. Een van onze belangrijkste doelen is dan ook om energieneutraal te zijn in 2050. Dit bereiken we door onze energiebehoefte te verkleinen, lokaal duurzame energie op te wekken en door over te stappen van fossiele naar duurzame (hernieuwbare) bronnen van warmte en energie.
Energietransitie: overgang naar duurzame en onafhankelijke energie
Om de klimaatverandering zoveel mogelijk af te remmen en energieonafhankelijk te worden, moeten we allemaal samenwerken, onder andere: de gemeente, bewoners, bedrijven, woningcorporaties, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, culturele instellingen, regiogemeenten, de provincie Zuid-Holland en het Rijk. We nemen als gemeente de regie op verduurzaming van de gebouwde omgeving, en werken hierin samen met alle partijen. Belangrijk is dat iedereen mee kan doen. We houden er daarom rekening mee dat de energietransitie toegankelijk moet zijn voor alle vastgoedeigenaren en gebruikers. De energietransitie is geen eenvoudige opgave, het vraagt technische aanpassingen aan gebouwen en daarmee financiële investeringen en formele besluitvormingsprocedures bij VvE's en corporaties. Iedere vastgoedeigenaar moet mee kunnen doen, het tempo mag verschillen. We werken samen met de woningcorporaties om een belangrijke en grote groep inwoners te bereiken.
De energietransitie zorgt voor druk op de schaarse ruimte in Rijswijk, boven en onder de grond. Maar er zijn ook meekoppelkansen: bijvoorbeeld om de aanleg van nieuwe energiebronnen of -netwerken te combineren met herinrichting van de openbare ruimte, aanleg van meer groen en water(berging), klimaatadaptatieve maatregelen en extra ruimte voor fiets en voetganger.
Verkleinen van de energiebehoefte
De duurzaamste energie is niet gebruikte energie. Terugbrengen van de energiebehoefte zien we dan ook als eerste stap in de energietransitie. We zetten in op de besparing van energie door individuele woningeigenaren, Vereniging van Eigenaren (VvE), bedrijven en eigenaren van zakelijk onroerend goed te stimuleren en ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. Dit richt zich op het verminderen van gebouwgebonden energieverbruik. Onder gebouwgebonden energieverbruik valt het energieverbruik voor het verwarmen, koelen, verlichten en ventileren van de woning . Om het energieverbruik ten opzichte van de kosten zo efficiënt mogelijk in te richten houden we rekening met de nieuwste inzichten binnen de trias energetica [26] in relatie tot isolatie.
Gedrag en omgang met energie speelt een belangrijke rol in de energietransitie. We willen bewustwording vergroten over energiegebruik en de mogelijkheden voor verduurzaming van bestaande woningen en gebouwen naar een hoger energielabel. .De mate waarin verduurzaming naar een hoger energielabel zinvol is, hangt onder andere samen met de keuze voor de toekomstige duurzame warmtebron. De benodigde maatregelen en mogelijkheden zijn per woning verschillend. Kantoorgebouwen moeten vanaf 1 januari 2023 minimaal energielabel C hebben[27].Voor woningisolatie is het verstandig zoveel mogelijk aan te sluiten bij natuurlijke momenten, zoals een verhuizing of gepland onderhoud. Dit betekent dat iedere woningeigenaar en vastgoedeigenaar isolatiemaatregelen in zijn eigen tempo zal doorvoeren.
Met name in sterk verstedelijkte en verharde omgevingen lopen de temperaturen steeds verder op [28], verkoeling in de buitenruimte en in woningen is daarom essentieel en heeft een ruimtelijke component. Bij woningisolatie is aandacht voor ventilatie en de mogelijkheid tot (passief) koelen in warme zomers voor een gezond binnenklimaat. We stimuleren en ondersteunen gebouweigenaren om natuurvriendelijk te isoleren om gebouwgebonden diersoorten te beschermen.
Warmtetransitie: overgang naar duurzame warmte
We willen in 2050 helemaal aardgasvrij zijn. In de Transitievisie Warmte Rijswijk (2021) hebben we dat vastgelegd. We nemen de regie en werken samen met alle betrokken partijen om de warmtetransitie te realiseren. Zo zorgen we ook dat iedereen mee kan doen.
Naast isoleren, is de overstap naar alternatieve, duurzame warmte nodig. De opgave is groot en veel partijen zijn erbij betrokken. Afbeelding 4.9 toont onze strategie per wijk uit de Transitievisie Warmte. We willen zo veel mogelijk woningen – binnen laagste maatschappelijke kosten – op een duurzaam warmtenet aansluiten. Warmtenetten zijn voor die delen van Rijswijk aangegeven in afbeelding 4.9, de maatschappelijk voordeligste manier om aardgasvrij te worden. Door aan te sluiten op een warmtenet vermijden we elektrische oplossingen (zoals warmtepompen) en verlichten daarmee (lokale en regionale) problemen van netcongestie. Naast aansluiting op een warmtenet is ook aansluiting op een WKO (warmte-koudeopslag) of installatie van een warmtepomp mogelijk. Bij de afweging voor een toekomstige warmteoplossing wordt niet alleen gekeken naar de warmtevraag, maar ook de koelbehoefte. Elektrificatie in warmtewijken zullen wij niet stimuleren, maar individuele keuzes blijven mogelijk.

Afbeelding 4.11: Overzicht warmtetransitie per buurt (bron: Transitievisie warmte).
Warmte-infrastructuur
We gaan alleen in wijken aan de slag met een warmtenet wanneer het betaalbaar is voor onze inwoners. Dit betekent dat het Rijk structureel voldoende financiële middelen beschikbaar moet stellen om inwoners te stimuleren en te helpen. Daarbij is er aandacht voor het bestrijden van energiearmoede. Daarnaast kunnen we pas starten met de uitrol van het warmtenet als ook de wet- en regelgeving op orde is. Inzet van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie is uiteindelijk essentieel om woningen van het aardgas te krijgen[29].
Duurzame restwarmte uit WarmtelinQ, geothermie en een hoge temperatuuropslag kunnen het warmtenet voeden (kaart: ‘tracé WarmtelinQ’). Door het aansluiten op lokale (geothermie) en of regionale (rest)warmtebronnen via WarmtelinQ worden we ook onafhankelijk van buitenlandse energie. In het huidige beleid is rekening gehouden met één geothermische bron. De bron (met een potentie van 25 MW) is voldoende om ongeveer 12.500 woningen te verwarmen. Er is in de ondergrond van Rijswijk meer ruimte voor het winnen van geothermie. De campusfunctie van Kessler Park met focus op de energietransitie rondom geothermiecentrum RCSG kan hierin een belangrijke rol spelen en willen we daarom verder ontwikkelen (kaart: ‘campusfunctie Kessler Park’). Een mogelijk beoogde locatie voor ons warmteoverdrachtstation inclusief alle gebouwen voor onze warmtevoorziening is in het Kruisvaarderspark (kaart: ‘centraal warmteoverdrachtstation’). Bij eventuele inpassing van dit gebouw streven we ernaar dat de impact ervan op de landgoederenzone zo klein mogelijk is.
Ook in de wijken reserveren we ruimte voor kleinere warmteoverdrachtsstations om de warmte in de wijk te krijgen (kaart: ‘decentrale warmteoverdrachtstations’). Als in de wijken een warmtenet wordt aangelegd, kijken we naar kansen voor het klimaatadaptief herinrichten van de openbare ruimte en andere meekoppelkansen.
Bij de aanleg van warmteleidingen wordt onder meer rekening gehouden met de impact ervan op het drinkwater (verhoging van de temperatuur), en de aanplant- en groeimogelijkheden van groen.
Voor delen van de stad die niet op een warmtenet aangesloten kunnen worden, leveren we maatwerk en kijken we via de vijfjarige actualisatie van de Transitievisie Warmte welke warmtealternatieven dan voor handen zijn (het wordt per 2026 verplicht een Warmteprogramma te hebben dat de Transitievisie Warmte vervangt; de vijfjaarlijkse herziening blijft). We staan open voor innovatieve energie- en warmteconcepten. Elektrificatie van de warmtevraag verdient, gelet op netcongestie, [30] op dit moment niet de voorkeur. Juist in de wijken waar collectieve warmtenetten niet goed haalbaar zijn, ondersteunen we bewonersinitiatieven om nu al met alternatieve bronnen en systemen aardgasvrij te worden.
Bodemenergie
Voor nieuwbouw maken we gebruik van bodemenergiesystemen, omdat nieuwbouw ook behoefte heeft aan koeling in de zomer en de ondergrond van Rijswijk geschikt is voor dit soort energiesystemen. Met een bodemenergieplan voor Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder geven we sturing aan de verdeling van de schaarse ruimte in de ondergrond en optimaal gebruik van bodemenergie (kaart: ‘Plaspoelpolder en nabije omgeving’ | Bogaard stadscentrum en nabije omgeving’). We blijven monitoren of de regelgeving voldoet en of er mogelijk voor meer gebieden afspraken nodig zijn.
Duurzame warmte is schaars in de regio. Dit betekent dat we in RES-regio (Regionale Energiestrategie) afspraken maken over de lokale inzet van de duurzame warmte die beschikbaar is via WarmtelinQ, maar ook over geothermie. Hoge temperatuur-opslag is een veelbelovende innovatieve techniek die de kosten voor warmte kan reduceren. We willen daarom opslag van hoge temperatuur mogelijk maken. Vanaf 2026 is Rijswijk verplicht om iedere vijf jaar een warmteprogramma op te stellen waarin wordt beschreven in welke wijken we de komende tijd aan de slag gaat met verduurzaming of het aardgasvrij maken. Dit biedt bewoners en andere betrokkenen duidelijkheid en handelingsperspectief.
Duurzame opwekking van elektriciteit
Grootschalige duurzame opweklocaties zijn door de grote mate van verstedelijking in Rijswijk niet mogelijk. Voor grootschalige duurzame opwekking zijn we dus afhankelijk van (boven) regionale afspraken. Daarbij komt dat de druk op het elektriciteitsnet de komende tijd alleen maar zal toenemen.
We willen in Rijswijk de energietransitie aanjagen door nieuwe initiatieven voor opwekking van (niet grootschalige) duurzame energie aan te moedigen en mogelijk te maken. We zoeken in gezamenlijkheid naar de beste oplossingen die passen bij een compacte stad, en maken hierin een integrale afweging. Hierbij is er aandacht voor lokaal eigendom (waarbij inwoners en ondernemers zijn samen, deels, of helemaal eigenaar zijn), wat een positieve bijdrage kan leveren aan het draagvlak voor de opwekking van duurzame energie.
We streven ernaar in 2030 minstens 20% van het elektriciteitsverbruik binnen de gemeentegrens duurzaam op te wekken. Hiervoor zetten we stevig in op zonne-energie op daken en parkeerplaatsen in stedelijk gebied en benutten we van het geschikte dakoppervlak voor zonne-energie.
We wekken zoveel mogelijk zonne-energie op in de gebouwde omgeving. In het landschap of op het water heeft niet de voorkeur, zo willen we aantasting van de groene ruimte voorkomen. Daarnaast wordt gezocht naar locaties waar multifunctioneel gebruik toegepast kan worden, denk aan parkeerplaatsen en langs snelwegen (kaart: ‘RES: verder onderzoek zon’). In het programma Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER) verkent het Rijk waar energieopwekking op rijksgronden mogelijk is. Voor een zone langs de A4 wordt de potentie voor opwekking van zonne-energie onderzocht[31].
Netcongestie
Een sterke energie-infrastructuur is een randvoorwaarde voor de overgang naar duurzame energie en voor de groei en verduurzaming van Rijswijk. Tot 2050 zal de vermogensvraag toenemen [32]. Netcongestie belemmert de groei van de opwekking van duurzame energie, het aardgasvrij maken van woningen, elektrisch vervoer en de bouw van nieuwe woningen en bedrijven. We houden nauw contact met netbeheerder Stedin om netcongestie op het midden- en laagspanningsnet in Rijswijk te voorkomen, met name door slim gebruik en het verzwaren van het net, decentrale dagopslag en het stimuleren van gedragsverandering van bewoners en bedrijven.
Voor uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk hebben we ruimte in de ondergrond nodig. Deze ruimtevraag hebben we in beeld, met name voor de bestaande wijken en herontwikkelingslocaties zoals Havenkwartier, Kessler Park en Bogaard stadscentrum. Nieuwe lokale netwerken voor energie worden ingepast, zodat het elektriciteitsnet uitgebreid kan worden met nieuwe kabels en onderstations. Ook bij nieuwe ontwikkelingen houden we rekening met extra ruimte voor een toekomstbestendige elektriciteitsinfrastructuur.
Elektriciteit en warmte wordt steeds meer lokaal opgewekt en gebruikt. De momenten van opwekking vallen niet altijd samen met de behoefte aan energie. Ten aanzien van warmte kijken we naar grootschalige hoge temperatuur opslag en naar decentrale dagopslagcapaciteit in of in de buurt van woningen. We zetten in op een goede afstemming van vraag en aanbod met behulp van mogelijkheden voor innovatieve (batterij-)opslag, het verkennen en stimuleren van kleinschalige energiesystemen (zogenaamde energyhubs) en de uitwisseling van energie. Technologische ontwikkelen volgen we actief om te onderzoeken in welke mate die bij kunnen dragen aan het realiseren van onze doelstellingen. Door aansluiting op een warmtenet te stimuleren in plaats van het aanbrengen van een warmtepomp verlagen we de druk op het elektriciteitsnet en de maatschappelijke investering in het elektriciteitsnetwerk.
Meekoppelkansen voor energietransitie en klimaatadaptatie
Klimaatmitigatie en -adaptatie hangen nauw samen. Zo kan de uitvoering van de energietransitie de aanpak van klimaatadaptatie beïnvloeden, maar de samenhang kan ook positief zijn. We stemmen plannen op elkaar af en willen bijvoorbeeld het openbreken van straten voor de warmtetransitie zo veel mogelijk combineren met klimaatbestendige herinrichting van openbare ruimte. Alleen voor ruimtelijke adaptatie de straat openbreken is inefficiënt en ineffectief en zorgt ervoor dat kansen worden gemist, vooral in drukke stedelijke gebieden. Ook bij duurzame transformaties zoals het isoleren van bestaande gebouwen zoeken wij naar meekoppelkansen. Door gebouwen extra te isoleren, worden warmteverliezen minder in de winter, maar dat kan een risico vormen in de zomer tijdens perioden van hitte. Daarom worden de isolerende maatregelen samen met hittebestendige maatregelen uitgevoerd. Zo richten onze gebouwde omgeving klimaatneutraal en klimaatbestendig in.
Circulariteit
Voor het aspect circulariteit ontbreekt in Rijswijk integraal beleid. Nieuwe ontwikkelingen vormen een kans om meer circulair te bouwen. Ook voor de inrichting van de openbare ruimte zijn circulariteit en duurzaamheid belangrijke uitgangspunten. Paragraaf 4.9 Innovatieve economie gaat ook in op de mogelijkheden voor de circulaire economie. We onderzoeken onder meer potentiële locaties zoals het golfbaanterrein op mogelijkheden voor de circulaire economie en energietransitie (kaart: ‘onderzoekslocatie’). Ons beleid op het gebied van circulariteit moeten we nog nader vormgeven. De circulaire economie zal naar verwachting extra ruimte vragen, vooral op werklocaties en extra energie om kringlopen te sluiten.
|
Doelen |
|
Energietransitie: in 2050 energieneutraal zijn, door energiebehoefte te verkleinen,
lokaal duurzame energie op te wekken en over te stappen naar duurzame (hernieuwbare)
bronnen van warmte en energie. |
|
Terugbrengen van de energiebehoefte, door energiebesparende maatregelen, bewustwording
te vergroten over het energiegebruik en het verduurzamen van bestaande gebouwen stimuleren. |
|
Warmtetransitie: overstap naar duurzame warmtevoorziening voor gebouwen; volledig
aardgasvrij in 2050. |
|
Energietransitie aanjagen door nieuwe initiatieven van (niet grootschalige) duurzame
energie aan te moedigen en mogelijk te maken. Streven om in 2030 minstens 20% van
het elektriciteitsverbruik binnen de gemeentegrens duurzaam op te wekken. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
De energietransitie moet toegankelijk zijn voor alle vastgoedeigenaren en gebruikers. |
|
De benodigde maatregelen en mogelijkheden voor verduurzaming van bestaande gebouwen
zijn per woning verschillend; iedere woning- en vastgoedeigenaar voert isolatiemaatregelen
in zijn eigen tempo door. |
|
Overgang naar duurzame warmte volgens de strategie per wijk uit de Transitievisie
warmte. |
|
Zo veel mogelijk woningen aansluiten op een warmtenet; wanneer het betaalbaar is voor
inwoners en als de wet- en regelgeving op orde is. Elektrificatie in warmtewijken
stimuleren wij niet. |
|
Bij afweging voor een toekomstige warmteoplossing niet alleen kijken naar de warmtevraag
maar ook de koelbehoefte. |
|
Verder ontwikkelen campusfunctie Kessler Park met focus op energietransitie (winnen
van geothermie) rondom geothermiecentrum RCSG. |
|
Ruimte reserveren voor mogelijk warmteoverdrachtstation in Kruisvaarderspark (inpassing
met zo klein mogelijke impact op de landgoederenzone), en in de wijken voor kleinere
warmteoverdrachtstations. |
|
Bij aanleg warmtenetten rekening houden met impact op drinkwater en groen. |
|
Voor delen van de stad die niet op een warmtenet kunnen worden aangesloten maatwerk
via actualisatie Transitievisie warmte / Warmteprogramma; we staan open voor innovatieve
energie- en warmteconcepten; elektrificatie van de warmtevraag verdient op dit moment
niet de voorkeur; waar collectieve warmtenetten niet haalbaar zijn ondersteunen van
bewonersinitiatieven om aardgasvrij te worden. |
|
Bij nieuwbouw gebruik maken van bodemenergiesystemen; sturing op verdeling van ruimte
en optimaal gebruik via bodemenergieplan; monitoren of regelgeving voldoet en mogelijk
meer afspraken nodig zijn. |
|
Regionale afspraken over de lokale inzet van duurzame warmte via WarmtelinQ en geothermie.
Wens om hoge temperatuur-opslag mogelijk te maken. |
|
Grootschalige duurzame opweklocaties zijn in Rijswijk niet mogelijk. |
|
Stevige inzet op zonne-energie op daken en parkeerplaatsen in stedelijk gebied en
benutten van het geschikte dakoppervlak voor zonne-energie. Zonne-energieopwekking
zo veel mogelijk in de gebouwde omgeving; in het landschap of op het water heeft niet
de voorkeur. |
|
Sterke energie-infrastructuur is een randvoorwaarde voor de groei en verduurzaming
van Rijswijk. |
|
Inpassen nieuwe lokale netwerken voor energie, zodat het elektriciteitsnet uitgebreid
kan worden; bij nieuwe ontwikkelingen rekening houden met extra ruimte voor een toekomstbestendige
energie-infrastructuur. |
|
Inzet op een goede afstemming van vraag en aanbod met behulp van mogelijkheden voor
innovatieve opslag, verkennen en stimuleren van kleinschalige energiesystemen (energyhubs)
en uitwisseling van energie. |
|
Nieuwe ontwikkelingen vormen een kans om meer circulair te bouwen; ook voor inrichting
van openbare ruimte zijn circulariteit en duurzaamheid belangrijke uitgangspunten;
beleid op dit gebied geven we nog nader vorm. |
|
Zoeken naar meekoppelkansen energietransitie en klimaatadaptatie (o.a. combineren
aanleg warmtenetten en klimaatadaptief herinrichten openbare ruimte, of isolerende
en hittebestendige maatregelen aan gebouwen). |

Afbeelding 4.12: Thematische visiekaart ‘Duurzame energievoorziening’.
[26] infoblad-trias-energitica-en-energieneutraal-bouwen.pdf.
[27] Energielabel C | RVO.nl [https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/energielabel-c-kantoren].
[28] Klimaateffectatlas Nederland - Klimaateffectatlas [https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/].
[29] Verwachting van het Rijk is dat de Wgiw op 1 juli 2025 in werking treedt.
[30] ]https://capaciteitskaart.netbeheernederland.nl/.
[31] In het OER-project A4-N14-A13 worden de mogelijkheden voor het opwekken van zonne- en windenergie langs dit tracé onderzocht. Het project bevindt zich in de voorverkenningsfase, en is tijdelijk gepauzeerd vanwege onduidelijkheid rondom verbreding van de A4 (MIRT-project A4 Haaglanden).
[32] Verkenning van toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen voor een klimaatneutraal elektriciteitssysteem in Nederland, 2030-2050 paragraaf 2.1 alinea 2.
4.9 Innovatieve economie
Visie op onze economie
Het doel van ons economisch beleid is dat inwoners in (de regio van) Rijswijk kunnen werken in een baan die bij hen past. Een diversiteit aan bedrijven zorgt voor een gevarieerd aanbod voor mensen die werken op kantoor, in een werkplaats, een onderzoekslaboratorium, zelfstandig of onder begeleiding. Diversiteit aan bedrijven zorgt ook voor een bestendige economie waarmee de werkgelegenheid stabiel blijft. We koesteren de al aanwezige diversiteit aan bedrijven en daarmee werkgelegenheid, en versterken de sectoren gericht op innovatie, techniek en energie.
Om onze visie op de Rijswijkse economie[33] te realiseren zetten we in op vier pijlers:
-
sterk profiel: benutten en versterken eigen economische kracht;
-
sterk netwerk: versterken lokale én regionale samenwerking;
-
sterke structuur: stimuleren innovaties en sectoren;
-
sterke kerngebieden: realiseren toekomstbestendig vestigingsklimaat.
Toekomstbestendig ondernemers- en vestigingsklimaat
Om daarvoor te zorgen willen we samen met onze partners het ondernemers- en vestigingsklimaat versterken, juist ook voor ondernemers en organisaties die veel werkgelegenheid bieden. Door in te spelen op de regionale ontwikkelingen en goed zicht te houden op wat ondernemers bezighoudt, versterken we gericht het ondernemersklimaat voor onze lokale ondernemers en verbeteren we het vestigingsklimaat voor nieuwkomers.
In het bijzonder bundelen we de krachten samen met bedrijven, kennisinstellingen en onderwijs om een verschuiving naar duurzame warmte en energie te realiseren. Het Rijswijk Centre for Sustainable Geo-energy (RSCG) kan daarin een belangrijke rol spelen. We werken samen aan slimme innovaties en kennisoverdracht en zetten in op de toepassing van duurzame technieken op het gebied van energie en warmte. Ook zoeken we naar (koppel)kansen voor de overgang naar circulariteit en de circulaire economie. Zo dragen we met onze economie ook bij aan grote maatschappelijke vraagstukken.
De beschikbare ruimte voor werken is een belangrijk vraagstuk op regionaal niveau. In Rijswijk ligt de focus vooral op het bieden van ruimte voor midden- en kleinbedrijf (mkb) en ‘startups’ die willen doorgroeien tot ‘scale-ups’. In Rijswijk is simpelweg geen ruimte voor écht grote ruimtevragers (zoals zware industrie en grote logistiek). We moeten creatiever omgaan met onze beschikbare ruimte voor werken, bijvoorbeeld door meerlaags ruimtegebruik en het afstemmen van functies op energienetwerken (en congestie).
We blijven ons inzetten voor de ondernemers die in Rijswijk gevestigd zijn. Aan de hand van de vier pijlers zetten we in op toekomstbestendige werklocaties en winkelgebieden (retail en horeca).
Werklocaties
De ruimte voor werken op onze verschillende werklocaties willen we behouden en beter benutten (kaart: ‘bedrijventerrein’ | ‘kantoorlocaties’ | ‘gemengde werklocaties’). We hebben daarvoor een strategie voor werklocaties[34] opgesteld, waarin per werklocatie een profiel en ontwikkelrichting is uitgewerkt (zie afbeelding 4.11). De gebiedsgerichte uitwerking in hoofdstuk 5 Uitwerking visie per deelgebied gaat hier nader op in. In algemene zin zetten we, zowel lokaal als regionaal in MRDH-verband, in op vitale en toekomstbestendige werklocaties die ruimte bieden voor ondernemen en werkgelegenheid genereren. Werklocaties dragen ook bij aan de brede welvaart: door te zorgen voor banen maar ook door ruimte te bieden aan ondernemingen bijvoorbeeld actief in innovaties, digitalisering of AI waarmee maatschappelijke vraagstukken worden aangepakt.

Afbeelding 4.13: Ontwikkelrichting per werklocatie (bron: ‘Toekomstbestendige werklocaties’, 2023).
Daarom vinden we het belangrijk dat de werklocaties beschikbaar blijven voor werken, en niet transformeren naar woon- of gemengde gebieden. Omdat er regionaal een tekort is aan ruimte voor werken en de provincie terughoudend is wat betreft uitbreidingsruimte, ligt er nog meer nadruk op de bestaande werklocaties. Daar komt de extra ruimtevraag voor de circulaire economie nog bij. In Rijswijk willen we daarom onze bestaande bedrijventerreinen behouden en beter benutten. Dat kan onder meer door terreinen beter in te richten en dubbel ruimtegebruik toe te passen. Specifiek is extra bescherming nodig voor zwaardere bedrijfsactiviteiten. Onze strategie voor werklocaties geeft aan waar we deze werkfuncties willen behouden. Ook in het provinciale omgevingsbeleid wordt dit vastgelegd.
Met onze werklocaties willen we de werkgelegenheid evenredig laten groeien met het aantal woningen. Dit houdt in dat nieuwe bedrijvigheid moet bijdragen aan groei van werkgelegenheid. Extensief gebruik van de beperkte ruimte is onwenselijk en willen we voorkomen. Dit gaat ook om de wijze waarop de ruimte wordt gebruikt. Ook op bedrijventerreinen moeten we gaan verdichten om de ruimte (bouwoppervlakte, bouwhoogte) optimaal te benutten. Beter benutten is ook het optimaal gebruiken van de aanwezige bedrijfsruimte. Bepaalde functies horen niet thuis op bedrijventerreinen, zoals opslagboxen, kringloopwinkels, sportscholen, kappers, beautysalons, et cetera. Dergelijke functies staan we daarom voor nieuwvestiging op bedrijventerreinen niet toe, we onderzoeken de mogelijkheden om dit gebruik terug te dringen. Voor het behouden van kwalitatieve vestigingslocaties is ook de uitstraling van panden van belang. Voor nieuwe ontwikkelingen zullen daarom beeldkwaliteitsplannen moeten worden opgesteld.
Ruimte voor circulaire economie
De transitie naar een circulaire economie vraagt om extra ruimte, ook voor zwaardere bedrijfsactiviteiten (activiteiten die meer milieuruimte vragen). Zo is extra becijferde ruimte nodig voor de circulaire economie (die in aanvang nog naast de ‘reguliere’ economie zal blijven bestaan) in combinatie met de energietransitie (uitbreiding van energie-infrastructuur die op bedrijventerreinen een plek kan krijgen). Ook in dit licht zullen we onze werklocaties beter moeten benutten. Rijswijk heeft geen ruimte voor grote ruimtevragers. Wel onderzoeken we welke kansen en uitbreidingsmogelijkhedener binnen Rijswijk zijn, zoals het golfbaanterrein, de TNO-locatie, Event Plaza en Hof van Elsenburg en verder in de Plaspoelpolder (zie ook gebiedsgerichte uitwerking) (kaart: ‘kansen voor kringloopeconomie’ | ‘onderzoekslocatie’).
Plaspoelpolder
De Plaspoelpolder blijft een belangrijke economische motor. De gebiedsindeling uit het Addendum op de Toekomstvisie handhaven we. Rondom Kessler Park, Broodfabriek en het geothermiecentrum (RCSG) faciliteren we de verdere ontwikkeling van een campusfunctie met de focus op energietransitie (kaart: ‘campusfunctie Kessler Park’). Ook bieden we meer ruimte voor daaraan gerelateerde bedrijvigheid. Het Middengebied Plaspoelpolder dient daarbij als doorgroeigebied voor het mkb en startups die willen doorgroeien naar scale-ups (lokaal en regionaal) die meer milieuruimte vragen (vergelijkbaar met voorheen milieucategorie 3.2). Daarnaast blijven we regionale sectorale ontwikkelingen volgen en willen we inspelen op kansen om economische campussen en ecosystemen (zoals die van At The Park en Bioscience DSM) met elkaar te verbinden, volgend op de ontwikkelingen binnen de ‘kennisas’ langs de Oude Lijn. De randen van Plaspoelpolder (met name Havenkwartier en noordrand) hebben we in het verleden al aangewezen voor transformatie naar gemengde werk-woongebieden (kaart: ‘werk-woongebieden’).
Stadsverzorgende economie
Naast het behouden van ruimte voor (ook zwaardere) bedrijvigheid op werklocaties is het van belang om ook voldoende ruimte te bieden voor stadsverzorgende economie. We hanteren een percentage van 10% gekoppeld aan woningbouwontwikkelingen.
Retail en horeca
Onze economische visie hebben we ook uitgewerkt in retail- en horecabeleid[35]. Daarin hebben we de gewenste retail- en horecastructuur voor Rijswijk bepaald en uitgewerkt in een toekomstperspectief per centrum. De gebiedsgerichte uitwerking in hoofdstuk 5 gaat nader op de verschillende centra in. Onze doelen hierbij zijn:
-
het bieden van een zo compleet en divers mogelijk voorzieningenaanbod voor inwoners van binnen en buiten Rijswijk;
-
toewerken naar levendige en aantrekkelijke buurtcentra die voorzien in de dagelijkse behoeften aan winkels, ontmoeting en zorg;
-
het realiseren van een aantrekkelijk en dynamisch ondernemersklimaat dat uitnodigt tot investeringen;
-
het strategisch benutten van locaties waar horeca een ondersteunende rol kan vervullen of een bijzondere bestemming met zelfstandige aantrekkingskracht kan bieden.
De beoogde hoofdstructuur bestaat uit de volgende centra:
-
Twee onderling complementaire hoofdcentra: Bogaard stadscentrum en Oud-Rijswijk (kaart: ‘Oud-Rijswijk’ | ‘Bogaard stadscentrum’).
-
Vijf ondersteunende buurtcentra: Hendrik Ravesteijnplein, Prinses Irenelaan, Henri Dunantlaan, Doctor H. Colijnlaan en De Koploper (RijswijkBuiten) (kaart: ‘buurtcentrum’).
-
Een buurtsteunpunt in het Havenkwartier (kaart: ‘buurtsteunpunt’).
Bogaard stadscentrum wordt getransformeerd van regionaal winkelcentrum naar stadscentrum. Het blijft een hoofdcentrum voor de hele gemeente. Het is dé plek voor gemeenteverzorgende (winkel-)functies. Hier is het meest complete en grootste aanbod gevestigd, met grotere zaken en landelijk bekende ketens.
Oud-Rijswijk positioneren we als recreatief centrumgebied én als ‘dorpscentrum’ voor de gemeente. De eigen identiteit en het historische karakter geven dit centrum een charme die uniek is binnen de gemeente. Hier gaan inwoners van Rijswijk en buurgemeenten en recreatieve bezoekers naar toe voor een diversiteit aan kwaliteitszaken en specialistisch aanbod.
Om aanbod te concentreren in deze kansrijke centrumgebieden zijn nieuwe locaties buiten de genoemde locaties niet gewenst. Bestaand aanbod dat buiten een van deze locaties is gevestigd behoudt haar rechten, maar we werken niet mee aan nieuwe zelfstandige winkels en horecazaken wanneer die nu planologisch niet zijn toegestaan.
Buiten deze hoofdstructuur is nieuwe (verspreide) horeca mogelijk op drie specifieke locaties in Rijswijk:
-
Wilhelminapark: lichte horeca aansluitend bij recreatief dagbezoek.
-
Landgoederenzone: doelgerichte exclusieve horeca concepten in bestaande panden.
-
Rondom campus Kessler Park (westzijde Plaspoelpolder / zuidzijde stationsgebied) : horeca gericht op de reizigers en nieuwe inwoners.
We geven uitvoering aan dit beleid door regels over horeca-activiteiten in het omgevingsplan, op basis van de nieuwe horecacategorieën (inclusief ondergeschikte horeca) uit het retail- en horecabeleid. Daarnaast werken we nog aan terrassen- en uitstallingenbeleid.
Wat betreft hotels is de markt in Rijswijk verzadigd. Toevoeging van nieuwe hotels is daarom niet wenselijk.
|
Doelen |
|
Inwoners in (de regio van) Rijswijk kunnen werken in een baan die bij hen past. |
|
Koesteren van de al aanwezige diversiteit aan bedrijven en daarmee werkgelegenheid,
en versterken van de sectoren gericht op innovatie, techniek en energie. |
|
Gericht versterken van het ondernemersklimaat voor lokale ondernemers en verbeteren
van het vestigingsklimaat voor nieuwkomers. Aan de hand van de vier pijlers uit de
Economische visie inzetten op toekomstbestendige werklocaties en winkelgebieden (retail
en horeca). |
|
Werklocaties: behouden en beter benutten van de ruimte voor werken op onze verschillende
werklocaties; vitale en toekomstbestendige werklocaties die ruimte bieden voor ondernemen
en werkgelegenheid genereren. |
|
Retail- en horeca: gewenste structuur uitgewerkt in toekomstperspectief per centrumgebied. Doelen:- bieden van een zo compleet en divers mogelijk voorzieningenaanbod voor inwoners binnen en buiten Rijswijk; - toewerken naar levendige en aantrekkelijke buurtcentra die voorzien in de dagelijkse behoeften aan winkels, ontmoeting en zorg; - realiseren aantrekkelijk en dynamisch ondernemersklimaat dat uitnodigt tot investeringen;-
benutten van strategische locaties voor horeca met ondersteunende rol of zelfstandige
aantrekkingskracht. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Krachten bundelen met bedrijven en kennisinstellingen om een verschuiving naar duurzame
warmte en energie te realiseren. Inzet op toepassing duurzame technieken in energie
en warmte. Zoeken naar (koppel)kansen op gebied van circulariteit en kringloopeconomie. |
|
Focus op ruimte voor midden- en kleinbedrijf (mkb) en ‘startups’ die willen doorgroeien
tot ‘scale-ups’. Er is geen ruimte voor nieuwe écht grote ruimtevragers in Rijswijk.
Creatiever omgaan met beschikbare ruimte (bijvoorbeeld meerlaags ruimtegebruik en
afstemmen op energienetwerken). |
|
Werklocaties: profiel en ontwikkelrichting uitgewerkt per werklocatie (strategie werklocaties). |
|
Belangrijk dat werklocaties beschikbaar blijven voor werken; bestaande bedrijventerreinen
behouden en beter benutten; extra bescherming voor zwaardere bedrijfsactiviteiten
(behouden werkfuncties volgens strategie werklocaties). |
|
Nieuwe bedrijvigheid moet bijdragen aan groei van werkgelegenheid; extensief ruimtegebruik
is onwenselijk. |
|
Beter benutten werklocaties door o.a. beter inrichten, toepassen dubbel ruimtegebruik,
verdichten, optimaal gebruiken aanwezige bedrijfsruimte. |
|
Bepaalde functies (zoals opslagboxen, kringloopwinkels, sportscholen, kappers, beautysalons
etc.) horen niet thuis op bedrijventerreinen, nieuwvestiging daar niet toegestaan. |
|
Uitstraling panden van belang voor behoud kwalitatieve vestigingslocaties; voor nieuwe
ontwikkelingen moeten beeldkwaliteitsplannen worden opgesteld. |
|
Extra becijferde ruimte nodig voor circulaire economie, in combinatie met de energietransitie.
Geen ruimte voor grote ruimtevragers in Rijswijk; onderzoeken kansen en uitbreidingsmogelijkheden
(zoals golfbaanterrein, TNO-locatie, Event Plaza, Hof van Elsenburg, Plaspoelpolder). |
|
Plaspoelpolder blijft belangrijke economische motor; handhaven gebiedsindeling Addendum
Toekomstvisie Plaspoelpolder. Rondom Kessler Park, Broodfabriek en RCSG faciliteren
verdere ontwikkeling campusfunctie met focus op energietransitie; ruimte voor daaraan
gerelateerde bedrijvigheid. Middengebied als doorgroeigebied voor mkb en startups/scale-ups
die meer milieuruimte vragen. Randen Plaspoelpolder (met name Havenkwartier, noordrand)
aangewezen voor transformatie naar werk-woongebieden. |
|
Stadsverzorgende economie: voldoende ruimte voor stadsverzorgende economie; percentage
van 10% gekoppeld aan woningbouwontwikkelingen. |
|
Retail en horeca: beoogde hoofdstructuur met twee complementaire hoofdcentra, vijf
ondersteunende buurtcentra en een buurtsteunpunt. Aanbod concentreren in deze kansrijke
centrumgebieden; nieuwe retail en horeca (naast al bestaand aanbod) daarbuiten niet
gewenst. Buiten hoofdstructuur horeca mogelijk op drie specifieke locaties: Wilhelminapark,
Landgoederenzone en campus Kessler Park. |
|
Nieuwe hotels zijn niet wenselijk. |

Afbeelding 4.14: Thematische visiekaart ‘Innovatieve economie’.
[33] Economische Visie 2030 ‘Rijswijk Onderneemt’ (2023).
[34] Toekomstbestendige werklocaties – Economische analyse en strategie (2023).
[35] Gemeente Rijswijk – Retail- en horecabeleid (2023).
4.10 Goede bereikbaarheid
Veranderingen in mobiliteit zijn nodig
Zoals blijkt uit paragraaf 2.5.6 Mobiliteit kent Rijswijk op het gebied van mobiliteit een aantal uitdagingen, die aanleiding geven tot ingrijpen in ons mobiliteitssysteem. Zo neemt het aantal verkeersongevallen toe en is er sprake van relatief slechte luchtkwaliteit en geluidhinder. Maar bovenal zal Rijswijk en de omliggende regio de komende tijd sterk groeien. Dit zal leiden tot meer vraag naar mobiliteit (meer verplaatsingen), terwijl de fysieke ruimte gelijk blijft.
Onze hoofdambitie op het gebied van mobiliteit is daarom het vinden van een nieuw evenwicht tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in een stad die groeit. Om de kwaliteiten die Rijswijk heeft als fijne woonomgeving en ondernemende stad te behouden zal de Rijswijkse mobiliteit toekomstbestendig moeten worden. Als we niks doen, komen er meer ongelukken, meer overlast, een slechtere gezondheid en loopt Rijswijk vast. Daarom zijn keuzes nodig en een verandering in mobiliteitsgedrag. Samengevat ziet dat er als volgt uit:

Strategische keuzes voor een brede welvaart
Met onze nieuwe mobiliteitsstrategie[36] maken we daarom een aantal strategische keuzes, om met onze mobiliteit bij te dragen aan de brede welvaart van onze inwoners. Zo kiezen we ervoor om prioriteit te geven aan vervoermiddelen die schoon zijn, weinig ruimte innemen, veiliger zijn en minder schadelijke effecten op gezondheid hebben. We hanteren daarbij het ‘STOMP-principe’ (op volgorde: Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, ‘Mobility as a service’, Privéauto).
Onze ambitie hebben we doorvertaald in een zevental strategische keuzes, die meerdere doelen dienen en richting geven aan hoe mobiliteit kan bijdragen aan brede welvaart:
-
a.
Nabijheid – We maken reisafstanden korter door meer functies in een gebied toe te staan, woningen vooral in de Stadsas te bouwen, en te zorgen dat de belangrijkste voorzieningen in de buurt zijn. Dit zorgt ervoor dat mensen voorzieningen vlak bij hun woning hebben. Korte afstanden maken dat lange reizen niet nodig zijn en inwoners zich makkelijk in de buurt kunnen verplaatsen.
-
b.
Ruimte – We kiezen voor eerlijk, efficiënt en dubbel ruimtegebruik, zodat zoveel mogelijk Rijswijkers gebruik kunnen maken van de beschikbare openbare ruimte. Bij woningbouw waar sprake is van sterke verdichting sturen we maximaal op het gebruik van vervoersmiddelen met een laag ruimtegebruik en zo min mogelijk luchtvervuiling.
-
c.
Doorstroming – We zorgen dat ieder vervoermiddel goed kan doorstromen. Daarvoor werken we prioritering en voorrang uit volgens de netwerkopbouw (hoofd-, stedelijke en basisnetwerken) en het STOMP-principe. Dat betekent dat auto’s op hoofdwegen meer prioriteit krijgen. Fietsers krijgen meer prioriteit op de andere wegen.
-
d.
Keuzevrijheid – Rijswijkers hebben de vrijheid zelf te bepalen welk vervoersmiddel ze gebruiken. We zorgen ervoor dat reizigers het vervoersmiddel kunnen kiezen dat het best past bij hun reis en dat reizigers voor één reis makkelijk meerdere vervoersmiddelen kunnen gebruiken. We zorgen voor goede overstapplekken en vervolg-vervoer
-
e.
Veiligheid – We nemen maatregelen om het aantal ongelukken zoveel mogelijk te beperken. De meest kwetsbare verkeersdeelnemers beschermen we het meest.
-
f.
Leefbaarheid – We beperken overlast en richten de openbare ruimte fijn in voor de gebruikers van de ruimte. In woonwijken betekent dat bijvoorbeeld meer ruimte voor spelen, ontspanning en groen. Op bedrijventerreinen betekent dat beter gebruik van beschikbare parkeergelegenheden en ruimte voor laden en lossen.
-
g.
Gezondheid – We beperken de schadelijke effecten van mobiliteit en proberen de gezonde effecten juist te stimuleren. Zowel voor degene die zelf van A naar B gaat, als voor de omgeving waar die doorheen gaat. We stimuleren lopen, fietsen en emissieloze mobiliteit. Ook een betere verkeersveiligheid is positief voor de gezondheid.
Gebiedsgerichte benadering van mobiliteit
Deze zeven strategische keuzes werken we uit in een gebiedsgerichte benadering. Hieruit volgen de keuzes en inrichting van de verschillende typen wijken (vooroorlogse en naoorlogse wijken, gebiedsontwikkelingen, winkelgebieden en werklocaties). Zo passen we de prioritering van modaliteiten volgens het STOMP-principe ook toe in een wijkgerichte aanpak. Zo krijgt het principe bijvoorbeeld op bedrijventerreinen een andere uitwerking dan in woonwijken. Op basis van de kenmerken van de wijk, het mobiliteitsgedrag en bewonersparticipatie zetten we in alle wijken een aanpak op om bewoners een handelingsperspectief te bieden om andere mobiliteitskeuzes te maken. Vervolgens zorgen we voor samenhang tussen de wijken om te komen tot een goed functionerend mobiliteitssysteem voor heel Rijswijk. Daarvoor nemen we verschillende maatregelen op netwerkniveau.
Integraal mobiliteitsnetwerk en maatregelen in netwerken
Op basis van de integrale keuzes en gebiedsgerichte benadering zetten we in op verschillende maatregelen in onze mobiliteitsnetwerken. Voor alle netwerken hebben we de concrete veranderingen op een kaart aangegeven. De kaart in afbeelding 4.13 (‘integraal mobiliteitsnetwerk’) geeft het integrale netwerk 2040 weer.
We nemen de volgende maatregelen op netwerkniveau:
-
Bij kruising van verschillende wegen wordt prioriteit aangegeven en krijgen schone, veilige en ruimte-efficiënte vervoermiddelen voorrang. Op belangrijke autowegen zal de auto meer voorrang krijgen op overstekende fietsers. Bij kruisingen met het hoofdfietsnetwerk is dit het omgekeerde.
-
Belangrijke ruggengraat van het netwerk blijft het hoofdautonetwerk. Hier rijden de auto’s 50 km/u; andere wegen worden (gebiedsontsluitingswegen met) 30 km/u. Dit maakt het veiliger, leefbaarder en verbetert de doorstroming.
-
Nieuwe woningen worden ontwikkeld met een striktere parkeernorm en extra inzet op lopen, fiets, deelvervoer en ov. Om te voorkomen dat omliggende wijken met parkeeroverlast te maken krijgen wordt in een straal van 500 m om de ontwikkelingen heen gereguleerd parkeren ingevoerd. Bij nieuwe ontwikkelingen is parkeren op eigen terrein het uitgangspunt. Als dit niet mogelijk is, heeft parkeren ondergronds en/of in hubs de voorkeur. Zo spelen we ook extra ruimte vrij voor groen in de woonomgeving.
-
We zetten sterk in op verbetering van het openbaar vervoer. Hiervoor hebben we een gewenst ov-netwerk opgesteld, te zien in afbeelding 4.14. We willen onze ov-verbindingen uitbreiden en intensiveren (meer en frequentere lijnen), en zetten in op een aantal routes voor hoogwaardig openbaar vervoer (hov). Belangrijke maatregelen zijn (afbeelding 4.14: ‘gewenst ov-netwerk’):
-
We zetten op (boven-)regionaal niveau in op het versterken van de railverbinding (frequentieverhoging) over de ‘Oude lijn’, als belangrijke ov-ruggengraat van de zuidelijke Randstad. De groei van het aantal woningen nabij het station rechtvaardigt meer stops in Rijswijk, en zorgt ervoor dat de trein voor veel inwoners een aantrekkelijker alternatief wordt.
-
Tegelijk willen we het bestaande station Rijswijk kwalitatief verbeteren, en geven we de stationsomgeving een upgrade om hier een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied van te maken.
-
Langs de Oude lijn zetten we in op een nieuw station RijswijkBuiten.
-
Er loopt een plan- en studiefase voor de uitwerking van een nieuwe hov-verbinding (tram) tussen de Binckhorst en Delft via de Geestbrugweg, de precieze invulling wordt uitgewerkt (project CID/Binckhorst).
-
We onderzoeken het verbeteren van de oostwest-verbinding van ov richting Westland en Ypenburg / Zoetermeer (Zuid-westlandcorridor).
-
We verkennen de mogelijkheden voor een hov-verbinding over de Prinses Beatrixlaan.
-
We verkennen de mogelijkheden voor verbetering van ov-verbindingen naar RijswijkBuiten.
-
-
Hiervoor zullen we onder meer lobbyen in de regio. We werken samen met Rijk, provincie en andere gemeenten aan het versterken van het regionale vervoersnetwerk om onze steden beter aan elkaar te verbinden en meer banen bereikbaar te maken voor meer mensen.
-
We bekijken de mogelijkheden voor het realiseren van mobiliteitshubs, gekoppeld aan ov-haltes, met een concentratie aan voorzieningen (parkeren, deelmobiliteit, laadinfrastructuur, stadslogistiek en mogelijk andere voorzieningen).
-
Ook verbeteren we het voor- en natransport, met betere verbindingen van en naar de stations en voorzieningen voor lopen, fietsen en deelmobiliteit. Bij nieuwe woningbouwontwikkelingen zal ov ook als belangrijk onderdeel worden meegenomen in het mobiliteitsconcept.
-
Voor de fiets hebben we het gewenste netwerk vastgesteld in het Fietsplan 2040. Hierin staan de hoofdfietsroutes, stedelijke en regionale fietsroutes. We verbeteren kwaliteit, comfort, snelheid en veiligheid van fietsroutes om fietsen te stimuleren. Inzet is onder meer een nieuwe fietsbrug over de Vliet (verbinding Wilhelminapark – Zuiderweg).
-
Voor lopen hebben we een kaart met de gebieden waar de voetganger voorop staat. We verbeteren looproutes met name rondom scholen, winkelcentra en stations. Belangrijke locaties zijn station Rijswijk, Bogaard stadscentrum en Oud-Rijswijk. Ook een toekomstig station RijswijkBuiten moet zo ingericht zijn dat lopen een logische keus wordt.
-
We zorgen voor een fijnmazig netwerk voor langzaam verkeer als verbinding tussen ov-haltes, wijken, centra en groengebieden. Routes maken we aantrekkelijker door ze groen en verkeersveilig in te richten en toegankelijk te maken voor iedereen.
-
We verbeteren langzaam verkeersverbindingen bij en over drukke wegen; bijvoorbeeld in combinatie met afwaarderingen (zie boven) en bij de kwaliteitsverbetering van de Prinses Beatrixlaan (kaart: ‘kwaliteitsverbetering Prinses Beatrixlaan’). We versterken de verbinding tussen de centra en het station en nieuwe ontwikkelingen in de Stadsas met onder meer een groene corridor voor langzaam verkeer, waardoor een samenhangend stedelijk gebied ontstaat (kaart: ‘verbinding tussen de centra’). Verder zorgen de groene overkluizingen over de A4 ook voor betere verbindingen voor langzaam verkeer tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de stad (kaart: ‘groene verbindingen’).
-
We zetten stevig in op een toekomstbestendige herinrichting van de Prinses Beatrixlaan waarbij we onder andere de doorstroming van auto’s, leefbaarheid, verkeersveiligheid, oversteekbaarheid en luchtkwaliteit verbeteren. Hierbij werken we samen met onder andere de MRDH, gemeente Den Haag, provincie Zuid-Holland en het ministerie van IenW om te komen tot een oplossing die bijdraagt aan deze doelen.
|
Doelen |
|
Vinden van een nieuw evenwicht tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in
een stad die groeit; toekomstbestendige Rijswijkse mobiliteit om de kwaliteiten als
fijne woonomgeving en ondernemende stad te behouden. |
|
Met onze mobiliteit bijdragen aan de brede welvaart van inwoners, aan de hand van
zeven strategische keuzes (Mobiliteitsstrategie). |
|
Prioriteit geven aan vervoermiddelen die schoon zijn, weinig ruimte innemen, veiliger
zijn en minder schadelijke effecten op gezondheid hebben, volgens het ‘STOMP-principe’. |
|
Toewerken naar een integraal mobiliteitsnetwerk (hoofd, stedelijk en basis) voor geheel
Rijswijk, door diverse maatregelen op netwerkniveau. |
|
Randvoorwaarden / uitgangspunten |
|
Uitvoering geven aan strategische keuzes in een gebiedsgerichte benadering:- Nabijheid: kortere reisafstanden door meer functies in een gebied toe te staan, woningen en voorzieningen op korte afstand van elkaar; - Ruimte: eerlijk, efficiënt en dubbel ruimtegebruik; bij woningbouw waar sprake is van sterke verdichting maximaal sturen op vervoer met laag ruimtegebruik en zo min mogelijk vervuiling; - Doorstroming: prioritering en voorrang uitwerken volgens de netwerkopbouw en STOMP; - Keuzevrijheid: keuze voor vervoersmiddel(en) passend bij de reis; goede overstapplekken en vervolg-vervoer; - Veiligheid: maatregelen op ongelukken zo veel mogelijk te beperken; - Leefbaarheid: inrichten openbare ruimte fijn voor gebruikers, afhankelijk van het type gebied; - Gezondheid: stimuleren van lopen, fietsen en emissieloze mobiliteit. |
|
Prioritering volgens het STOMP-principe in een wijkgerichte aanpak. |
|
Uitvoering geven aan de maatregelen op netwerkniveau:- prioritering aangeven bij kruisingen; voorrang voor schoon, veilig en ruimte-efficiënt; - hoofdautonetwerk blijft belangrijke ruggengraat; hier 50 km/u, andere wegen (gebiedsontsluitingswegen) 30 km/u; - nieuwe ontwikkelingen: striktere parkeernorm en extra inzet op lopen, fietsen, deelvervoer en ov; gereguleerd parkeren in een straal van 500 m om ontwikkelingen; parkeren op eigen terrein als uitgangspunt, anders voorkeur voor parkeren ondergronds en/of in hubs; - sterke inzet op verbetering openbaar vervoer; ov-verbindingen uitbreiden en intensiveren (meer en frequentere lijnen), inzet op aantal routes voor hov; uitgewerkt in gewenst ov-netwerk met bijbehorende maatregelen; - bekijken mogelijkheden van mobiliteitshubs, gekoppeld aan ov-haltes, met concentratie aan voorzieningen; - verbeteren voor- en natransport, betere verbindingen van en naar stations en voorzieningen voor lopen, fietsen en deelmobiliteit. Bij nieuwe woningbouwontwikkelingen wordt ov als belangrijk onderdeel meegenomen in het mobiliteitsconcept; - verbeteren kwaliteit, comfort, snelheid en veiligheid van fietsroutes; gewenst fietsnetwerk uitgewerkt (Fietsplan 2040); - verbetering looproutes, met name rondom scholen, winkelcentra en stations;- zorgen
voor een fijnmazig langzaam verkeernetwerk tussen ov-haltes, wijken, centra en groengebieden.
Routes aantrekkelijk maken door ze groen, veilig en toegankelijk in te richten. Focus
op verbetering langzaam verkeersbewegingen bij en over drukke wegen. |

Afbeelding 4.15: Integraal mobiliteitsnetwerk (bron: Mobiliteitsstrategie, versie 1 mei 2024).

Afbeelding 4.16: Wensbeeld openbaar vervoernetwerk (bron: Mobiliteitsstrategie, versie 1 mei 2024).
[36] Mobiliteitsstrategie Rijswijk – Een nieuw evenwicht tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in een stad die groeit (2024).
4.11 Integrale omgevingsvisiekaart
In de paragrafen hiervoor zijn de ambities en gewenste ontwikkelingen voor de gemeente Rijswijk toegelicht in tekst, beeld en kaarten. De belangrijkste ambities en ontwikkelingen hebben we getoond op de omgevingsvisiekaart die hier te zien is. Deze kaart moet worden gezien als visiekaart en niet als omgevingsplankaart. Een omgevingsvisie is namelijk niet juridisch bindend voor de burger. Wel laat de kaart, in combinatie met de tekst, goed zien wat onze ambities zijn voor het behoud en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Rijswijk. Deze kaart vormt de basis voor de gebiedsgerichte uitwerking die in het volgende hoofdstuk is opgenomen.

Afbeelding 4.17: Integrale omgevingsvisiekaart.
5 Uitwerking visie per deelgebied
5.1 Inleiding
Hoofdstuk 4 Uitwerking visie per thema beschrijft per thema onze visie en doelen voor de toekomst. Deze ambities zullen ergens binnen Rijswijk een plaats krijgen. Waar en hoe die in de praktijk precies uitwerken, hangt af van de plek binnen de gemeente. Zo zullen onze ambities voor de innovatieve economie vooral terechtkomen op onze bedrijventerreinen, terwijl in de landgoederenzone meer nadruk zal liggen op het creëren van een groene stadsbiotoop.
In deze omgevingsvisie hebben we de gemeente daarom opgedeeld in verschillende gebieden. We onderscheiden de volgende vijf deelgebieden binnen Rijswijk:
In dit hoofdstuk beschrijven we wat de thematische ambities uit hoofdstuk 4 Uitwerking visie per thema voor deze deelgebieden van de gemeente betekenen.
Dit zijn vooral ‘typen’ gebieden, die zijn samengesteld uit verschillende kleinere gebieden met vergelijkbare kenmerken en functies. Zo bestaat het gebied ‘woonwijken’ uit allerlei verschillende wijken en buurten, die ook weer hun eigen karakteristieken hebben. Wat ze alle gemeen hebben, is dat ze in hoofdzaak een woonfunctie hebben.
We kiezen voor deze indeling in typen gebieden, vanuit de gedachte dat we in die gebieden op eenzelfde manier willen sturen om onze visie en doelen te bereiken. Verschillen en accenten binnen een gebied zullen we waar dat relevant is ook benoemen.
Per deelgebied gaat dit hoofdstuk in op de volgende onderdelen:
-
Identiteit en kwaliteit: deze paragraaf beschrijft beknopt het karakter van het deelgebied. Dat zijn bijvoorbeeld de ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten van het gebied. Algemeen uitgangspunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan of aansluiten bij het karakter van het gebied waar ze plaatsvinden. Deze gebiedsbeschrijving vormt daarvoor de basis.
-
Uitdagingen: hier beschrijven we beknopt de belangrijkste uitdagingen die specifiek voor dat deelgebied gelden. Ten opzichte van het thematische hoofdstuk zijn dat geen ‘nieuwe’ punten, maar wel een nadere uitwerking of invulling daarvan. Hier geven we aan hoe bepaalde thematische onderwerpen specifiek in een gebied een plek krijgen.
-
Koers: onder koers geven we de visie en richting aan voor het desbetreffende deelgebied.
-
Afwegingskader: Het afwegingskader (zie ook hoofdstuk 3) is een beeldende weergave van de koers van de gemeente. Het afwegingskader omvat de negen belangrijkste ambities van de omgevingsvisie. Op gemeenteniveau wordt ervan uitgegaan dat alle ambities even belangrijk zijn. Niet alle ambities passen echter in alle gebieden in gelijke mate. Per deelgebied kan die balans dus anders zijn. Zo is de ambitie ‘innovatieve economie’ in gebiedstype bedrijventerreinen logischerwijs meer van belang dan in een woonwijk. Daarom hebben we ook het afwegingskader per gebiedstype uitgewerkt.
-
Referentiebeelden: Deze set beelden biedt inspiratie voor het behouden van de bestaande kwaliteiten (beelden uit Rijswijk) en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten (beelden van elders).
|
Afwegingskader Het afwegingskader werkt als volgt. Iedere as vertegenwoordigt een ambitie en bestaat uit vijf punten. Als het bolletje in het midden staat (plek drie) betekent dit dat het ambitieniveau gelijk is aan het gemiddelde van de omgevingsvisie. Meer punten (meer naar buiten) betekent dat de ambitie in het betreffende gebied meer nadruk krijgt dan gemiddeld. Minder punten (meer naar binnen) betekent dus dat de ambitie in dit gebied minder belangrijk is dan gemiddeld. Deze puntenverdeling is relatief, namelijk ten opzichte van de andere deelgebieden. Een lager puntenaantal voor één thema betekent dus een minder grote inzet op van het betreffende aspect in het betreffende deelgebied dan in andere deelgebieden. We hebben in de interne en externe participatie deelnemers gevraagd hierin mee te denken. Daarbij hebben we als regel meegegeven dat als er één schuifje omhoog ging, er ergens anders een schuifje omlaag moest. We hebben hieronder per type deelgebied alleen de afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde toegelicht en als een plusje een minnetje opheft waardoor het resultaat op drie blijft staan. We gebruiken het afwegingskader onder andere bij het ontwikkelen van nieuw beleid, het opstellen van het omgevingsplan en het toetsen van nieuwe (buitenplanse) initiatieven. Het afwegingskader maakt namelijk in één oogopslag duidelijk welke ontwikkelrichting wenselijk is. |
5.2 Oud-Rijswijk
5.2.1 Inleiding
Kenmerkend voor Rijswijk zijn de twee centra: het historische dorpscentrum van Oud-Rijswijk en het nieuwe Bogaard stadscentrum. Naast deze twee onderling complementaire hoofdcentra, zijn er verspreid in de woonwijken van Rijswijk een aantal kleinere buurtcentra met winkels en voorzieningen aanwezig, maar die maken deel uit van het deelgebied Woonwijken.

Afbeelding 5.1: Visiekaart deelgebied Oud-Rijswijk.
5.2.2 Identiteit en kwaliteiten
De dorpskern van Rijswijk heeft een sterk historisch karakter. Veel panden zijn intact gebleven. Oud-Rijswijk heeft daardoor nog altijd een historische sfeer, met monumentale herenhuizen en diverse bezienswaardigheden. De markantste voorbeelden zijn de Oude Kerk en het Tollenshuis, waarin het Museum Rijswijk zit.
Door de vestiging van winkeliers en andere voorzieningen is hier in de loop der tijd een levendig centrum ontstaan. Het gebied herbergt tientallen winkels, restaurants en cafés en biedt een gevarieerd aanbod aan diensten en ambachtszaken, wat bijdraagt aan de unieke sfeer en aantrekkelijkheid van het centrum. Het winkelgebied van Oud-Rijswijk is het één na grootste in de gemeente. Oud-Rijswijk biedt een kleinschaliger en specifieker winkelaanbod dan Bogaard stadscentrum en onderscheidt zich door zijn charmante karakter en kleinschalige, zelfstandige ondernemingen. Verder is er elke zaterdag een goed bezochte markt rondom de Oude Kerk en vinden er regelmatig andere evenementen plaats.
Dankzij dit aanbod aan voorzieningen en evenementen fungeert Oud-Rijswijk als een belangrijke ontmoetingsplek voor de inwoners van Rijswijk. Het winkelgebied vervult voornamelijk een boodschappenfunctie voor de omliggende buurten, maar trekt met zijn specialistische aanbod ook een breder publiek aan.
Het kernwinkelgebied omvat de Herenstraat, het zuidelijke deel van de Kerkstraat, het zuidelijke deel van de Tollensstraat en het noordelijke deel van de Kerklaan. De aanloopstraten bestaan uit de noordelijke delen van de Kerkstraat en de Tollensstraat, de Kerklaan tot de Emmastraat, het brede deel van de Herenstraat tot de Willemstraat en de Willemstraat tot aan de Emmastraat.
5.2.3 Uitdagingen
Oud-Rijswijk kent de volgende uitdagingen:
-
Een grote verscheidenheid aan terrassen, inrichtingselementen in de buitenruimte en reclame-uitingen doen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit en staan op gespannen voet met het historische karakter.
-
De uitdaging is dan ook de ruimtelijke kwaliteit van zowel de bebouwing, als de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte te verhogen en meer in overeenstemming te brengen met het historische karakter.
-
Er is behoefte aan het verbeteren van de entrees van het gebied op onderwerpen als toegankelijkheid, parkeren, groen.
-
Met het oog op de levendigheid is het belangrijk een aaneengesloten winkel- en voorzieningenfront te behouden. De Functionele Zonering belemmert dit (Retail- en horecabeleid, 2023).
-
De horeca ligt (te) verspreid over het gebied en de concentratie van avondhoreca bij de kerk geeft overdag een doods beeld.
-
De uitdaging is om een goede balans te vinden en te behouden tussen levendigheid en leefbaarheid.
-
De bereikbaarheid van zowel het economische, als het historische hart van Oud-Rijswijk is een doorlopend aandachtspunt.
-
Op termijn zal er sprake zijn van een toename van bezoekers en mobiliteitsbewegingen als gevolg van de grootschalige woningbouwontwikkelingen in de Binckhorst.
5.2.4 Koers
Gezien de aanwezige mix van horeca, winkels (kwaliteitszaken en specialistisch aanbod) en overige voorzieningen positioneren we Oud-Rijswijk als recreatief centrumgebied én als ‘dorpscentrum’ voor de gemeente. De eigen identiteit en het historische karakter geven Oud-Rijswijk een charme die uniek is binnen de gemeente. We willen ook in de toekomst inwoners van Rijswijk en buurgemeenten en recreatieve bezoekers hier naartoe trekken. Daarom hebben we aandacht voor beeldkwaliteit van zowel de bebouwing, als inrichting en gebruik van de openbare ruimte.
We streven naar een compacter centrum rondom een levendige en gevulde Herenstraat. De uitgangspunten voor horeca- en winkelvoorzieningen zijn nader uitgewerkt in het retail- en horecabeleid. Daarin zijn ook gebiedsprofielen opgenomen (aantrekkelijk verblijven, ‘couleur locale’, doelgericht, gevarieerde centrumstraat, publieksgerichte aanloopstraten, overige aanloopstraten, wonen en werken). De Willemstraat (publieksgerichte aanloopstraat) is in beginsel geschikt voor dienstverlening, ambachten en bezorghoreca. De Kerkstraat, Tollenstraat en het eerste deel van de Kerklaan zijn aanloopstraten. Ook hier worden publieksgerichte functies toegestaan, maar ook wonen op de begane grond.
Twee volwaardige supermarkten zijn passend bij de functie van Oud-Rijswijk binnen de gemeentelijke voorzieningenstructuur. Daarnaast is het behoud van een kleinere doelgroepensupermarkt wenselijk. Alleen nieuwvestiging van lichte en middelzware horeca is gewenst. In het voetgangersgebied van Oud-Rijswijk is bezorghoreca niet passend.
Voor de Herenstraat is het wenselijk dat een herinrichtingsplan wordt gemaakt. Voor de westkant is dit ook gewenst. Verder moeten er meer (veilige) stallingsmogelijkheden voor de fiets komen, verbeteren we de toegankelijkheid voor mindervaliden en voorkomen we overlast van scooters.
Afwegingskader Oud-Rijswijk


Afbeelding 5.2: De Roos van Oud-Rijswijk.

5.3 Bogaard stadscentrum
5.3.1 Inleiding
Zoals hiervoor toegelicht onderscheiden we Bogaard stadscentrum als eigen deelgebied.

Afbeelding 5.3: Visiekaart deelgebied Bogaard stadscentrum.
5.3.2 Identiteit en kwaliteiten
Het winkelcentrum 'In de Bogaard' werd in 1963 geopend. Het was destijds een van de modernste en eerste overdekte winkelcentra in Nederland, geïnspireerd op de grote Amerikaanse ‘malls’. Het winkelcentrum groeide in de jaren erna uit tot een belangrijk centrum voor zowel de lokale bevolking als bezoekers van buitenaf. ‘Bogaard stadscentrum’, zoals het nu heet, is nog steeds het grootste winkelgebied van de gemeente. Het centrum huisvest een breed scala aan winkels en horecagelegenheden. Het winkelaanbod varieert van landelijke ketens tot lokale ondernemers. Naast winkels en horeca zijn er ook verschillende andere voorzieningen, zoals een sportschool.
Bogaard stadscentrum is een overzichtelijk winkelgebied voor bezoekers. De hoofdassen van het winkelgebied bestaan uit de Prins Johan Friso Promenade, de Prins Constantijn Promenade en de Prins Willem-Alexander Promenade. Het winkelcentrum is goed bereikbaar per auto door de omliggende grote wegen en ruime parkeergelegenheden, en per openbaar vervoer door de korte afstand tot het treinstation en tram- en bushaltes in de directe omgeving. Ook zijn er een beveiligde stalling en verschillende fietsenrekken rondom het centrum te vinden.
Op basis van het Masterplan In de Bogaard (waaronder ook de overzijde van de Prinses Beatrixlaan valt) ondergaat Bogaard stadscentrum en omgeving een grootschalige transformatie, waarbij een aanzienlijk oppervlak aan winkels en kantoren plaatsmaakt voor met name woningen en verblijfsfuncties. Op verschillende plekken wordt al volop gewerkt aan deze transformatie. Zo zijn onder meer de woontorens De Generaal en The Minister opgeleverd, is het Bogaardplein heringericht tot een groene en aantrekkelijke verblijfsruimte en er wordt gebouwd aan The Orchards.
5.3.3 Uitdagingen
Het gebied heeft de volgende uitdagingen:
-
Bogaard stadscentrum verloor de laatste jaren zijn aantrekkingskracht als regionaal winkelcentrum. Daardoor is er sprake van een grote structurele leegstand van zowel winkels als kantoren. De gemeente heeft al plannen vastgesteld voor de transformatie naar een gemengd gebied met ruimte voor wonen, winkelen en verblijven. De uitdaging is om deze plannen daadwerkelijk te realiseren.
-
Het Bogaardplein en het winkelcentrum missen na sluitingstijd levendigheid.
-
De Prinses Beatrixlaan is een drukke verkeersader die afbreuk doet aan de verblijfskwaliteit in Bogaard stadscentrum. De uitdaging is om de kwaliteit van de inrichting van de Prinses Beatrixlaan te verbeteren.
-
Als geheel heeft het gebied een versteend karakter, waardoor ook klimaatadaptatie en met name het tegengaan van hittestress belangrijke aandachtspunten zijn.
5.3.4 Koers
Het hoofddoel van het Masterplan In de Bogaard (2019) is om het gebied te ontwikkelen tot een levendig en groen winkel-, woon en verblijfsgebied: een multifunctioneel gebied voor de stad. Belangrijk onderdeel hiervan is dat de winkeloppervlakte sterk afneemt. Het winkelcentrum wordt compacter, maar sterker verbonden met de omliggende buurten, met een aanbod dat aansluit bij de gewenste functie als één van de twee hoofdcentra van de gemeente. Daarbij passen drie volwaardige supermarkten, aangevuld door een of enkele kleinere doelgroepensupermarkten. De uitgangspunten voor horeca- en winkelvoorzieningen zijn nader uitgewerkt in het retail- en horecabeleid.
Rondom en in het winkelcentrum is ruimte voor toevoeging van nieuwe woningen. Het gebied is een van de belangrijkste locaties om de woningbouwopgave van Rijswijk te realiseren. Nieuwe woningen worden voornamelijk gerealiseerd door transformatie en verdichting in het gebied. Daarbij kan op diverse plekken ook de hoogte in worden gebouwd, waardoor er meer ruimte voor groen en een aantrekkelijk verblijfsgebied overblijft. Daardoor is er ook ruimte voor meer maatschappelijke voorzieningen en andere verblijfsfuncties zoals horeca en wordt het stadscentrum een aantrekkelijk ontmoetingspunt voor zowel bewoners als bezoekers.
Deze transformatie is deels al gaande. Zo is onder meer de woontoren De Generaal al opgeleverd en is het Bogaardplein heringericht tot een groene en aantrekkelijke verblijfsruimte. Behalve locaties binnen het bestaand bebouwde gebied staat voor de toekomst de ‘ontwikkelstrook’ aan de westzijde op de rol. Deze strook kan ontstaan door een herinrichting van de Prinses Beatrixlaan. Door verlegging van de rijbaan ontstaat een strook die ruimte biedt voor nieuwbouw. Dit kan gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering en vergroening van de Prinses Beatrixlaan. De precieze variant voor deze herinrichting en ontwikkelstrook moet nog worden bepaald.
Ook leegstaande kantoorlocaties ten westen van de Prinses Beatrixlaan (dus net buiten Bogaard stadscentrum) bieden kansen voor transformatie en herontwikkeling naar woningbouw en nieuwe hoogbouw. Recent is de woontoren The Minister opgeleverd en isde transformatie van Markenlaan 5 nagenoeg afgerond.
Belangrijk uitgangspunt bij de herontwikkeling van het gebied is dat de openbare ruimte, die zo vrijkomt, groener en attractiever wordt ingericht. Daarbij worden er onder meer nieuwe openbare verblijfsplekken gecreëerd, en – met het oog op de bereikbaarheid voor langzaam verkeer - een nieuwe oost-westverbinding voor voetgangers en fietsers door het centrum heen.
Afwegingskader Bogaard stadscentrum


Afbeelding 5.4: De Roos van Bogaard stadscentrum.

5.4 Woongebieden
5.4.1 Inleiding
Rondom de twee centra – Oud-Rijswijk en Bogaard stadscentrum – bestaat Rijswijk uit een groot aantal wijken en buurten die in de eerste plaats een woonfunctie hebben. De Woongebieden van Rijswijk zijn grofweg te verdelen in vooroorlogse wijken, naoorlogse wijken, moderne uitbreidingswijken en binnenstedelijke verdichtingen. Deze hoofdindeling is vooral een stedenbouwkundige typering, van woongebieden die overeenkomsten hebben qua bouwperiode, ruimtelijke opzet en/of woningtypen. Daarbinnen bevinden zich weer verschillende buurten die hun eigen kenmerken hebben. Ook zijn er diverse kleinere buurtcentra met winkels en voorzieningen te vinden. Wat de activiteiten betreft, zijn er geen redenen om verder onderscheid tussen de verschillende woongebieden te maken. Deze paragraaf beschrijft daarom weliswaar het karakter van de verschillende typen woonwijken, maar het blijft één deelgebied dat ook als zodanig één koers heeft gekregen.

Afbeelding 5.5: Visiekaart deelgebied Woongebieden.
5.4.2 Identiteit en kwaliteiten
De vooroorlogse wijken variëren van dichtbevolkte arbeidersbuurten tot de lommerrijker jaren ’30 buurten. In de arbeidersbuurten, zoals Cromvliet, het Rembrandtkwartier en het Havenkwartier, zijn de straten vaak relatief smal en versteend, op de bomenrijen na. Hier staan eengezinswoningen en meergezinswoningen in koop en (sociale) huur. Buurten zoals Leeuwendaal en Welgelegen, ontwikkeld in reactie op de verstedelijking en de groeiende woningbehoefte, zijn verkeersluwe buurten met veel groen. Hier staan statige eengezinswoningen en herenhuizen uit de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw, gekenmerkt door prachtige originele elementen.
In de decennia na de Tweede Wereldoorlog en met name vanaf de tweede helft van de jaren ’50 is Rijswijk in rap tempo gegroeid. Zo breidde de stad vanuit het vooroorlogse Rijswijk steeds verder in westelijke richting uit. Rijswijk bouwde niet alleen voor eigen behoefte, maar ook voor die van de regio. Mede door die snelle groei heeft Rijswijk zijn zelfstandigheid behouden en annexatie door Den Haag kunnen voorkomen. De naoorlogse woningnood werd bestreden met ruim opgezette uitbreidingen. De naoorlogse wijken bestonden aanvankelijk uit veel laagbouw en portiekwoningen, later ook aangevuld met (middel)hoogbouw. Kenmerkend voor deze wijken zijn relatief veel appartementen en portiekflats in een (half)open stedenbouwkundige structuur en met een samenhangend bebouwingsbeeld die de verschillende wijken een herkenbare en eigen identiteit geeft. In deze wijken is ruimte voor groene zones/speelplekken, brede trottoirs, straten waar de fiets en auto de ruimte delen en in de meeste gevallen voldoende parkeergelegenheid.
Na 1990 hebben uitbreidingen aan de west- en zuidkant van de stad plaatsgevonden. Dit zijn wijken uit de (pre-)Vinex-periode. In vergelijking met de naoorlogse wijken tot de jaren ’70 zijn hier minder appartementen en gestapelde bouw en meer grondgebonden eengezinswoningen.
Hoekpolder en Vrijenban zijn gebouwd eind jaren ’80, net voor de Vinex-periode. Strijp is gebouwd in de jaren ’90 en valt in de vroege Vinex-periode. Hier is sprake van een gevarieerdere bouw dan de wijken uit de jaren ’80. Eikelenburg is een wijk van na het jaar 2000 met een meer duurzaam profiel.
Sinds 2013 werkt de gemeente Rijswijk samen met ontwikkelaars aan de bouw van de duurzame nieuwbouwwijk RijswijkBuiten, gelegen tussen het centrum van Rijswijk en Delft aan de zuidkant van de A4. In dit gebied, dat vroeger werd gebruikt voor glastuinbouw, worden tot 2030 meer dan 3.500 duurzame woningen gerealiseerd in de deelgebieden Sion, Parkrijk en Pasgeld.
5.4.3 Uitdagingen
De meeste vraagstukken liggen in de vooroorlogse en de vroeg-naoorlogse woonwijken. Het gaat om de volgende uitdagingen:
-
De vooroorlogse wijken kenmerken zich door smalle straten, waar een hoge druk op de openbare ruimte is. Van speelplekken voor kinderen, bomen, gedeelde straten voor auto en fiets, smalle trottoirs en ruimte voor het parkeren voor de fiets en de auto; alles moet in de beperkte ruimte die er is.
-
Vooral in de vroeg-naoorlogse wijken in Rijswijk zijn de opgaven rond bijvoorbeeld verduurzaming, woonkwaliteit en wonen met zorg groot.
-
De leefbaarheid en het leefbaarheidsgevoel gaat in een aantal gebieden achteruit (actualisatie Woonvisie 2015-2025). In de naoorlogse wijken verhindert de eenzijdige woningvoorraad dat jonge gezinnen en senioren kunnen doorstromen in de wijk. Op sommige plaatsen leidt dit er toe dat de sociale cohesie en leefbaarheid onder druk staan.
-
Een groot deel van de inwoners van deze wijken is alleenstaand, heeft geen vast inkomen of staat nog aan het begin van zijn/haar carrière. Het gemiddelde inkomen van inwoners is relatief laag. Deze wijken scoren minder goed op het gebied van sociale cohesie, overlast en veiligheid.
-
De brede wegen tussen de naoorlogse woonwijken vormen barrières tussen de wijken en zorgen ervoor dat wijken weinig onderlinge verbinding hebben. Het is een uitdaging om betere loop- en fietsverbindingen tussen de wijken/ buurten en belangrijke bestemmingen/voorzieningen in de omgeving te realiseren.
5.4.4 Koers
Vooroorlogse wijken
In de vooroorlogse wijken zetten we in op een aantrekkelijke, gezonde en klimaatadaptieve omgeving. Daarom creëren we meer ruimte voor groen, spelen, ontmoeten en lopen. Met behulp van parkeerregulering voorkomen we langparkeerders uit andere gemeenten en overlast door te veel geparkeerde auto's. Voetgangers en fietsers kunnen de wegen tussen de wijken beter oversteken als de snelheid van 50 naar 30 km/uur wordt teruggebracht. Ook zorgt dit voor een flinke verbetering van verkeersveiligheid en vermindering van schadelijke emissies (lucht en geluid).
Naoorlogse wijken
In de naoorlogse woonwijken is een belangrijke uitdaging om betere loop- en fietsverbindingen tussen de buurten en belangrijke voorzieningen in de omgeving te realiseren. Dit gebeurt met name door de oversteekbaarheid van (hoofd)wegen te verbeteren, met speciale aandacht voor enkele locaties zoals de Prinses Beatrixlaan en Sir Winston Churchilllaan rondom het station. Binnen de wijken zetten we in op betere (stedelijke) fietsroutes. Bij een lage parkeerdruk maken we meer ruimte voor andere functies (groen, ontmoeten, spelen, lopen, fietsen). Hierbij is ook aandacht nodig voor de (vaak cultureel bepaalde) minder verspreide fietscultuur. Ook in de naoorlogse woonwijken zijn maatregelen om de snelheid te verlagen van belang met het oog op geluidreductie en het verbeteren van de luchtkwaliteit.
Te Werve-Oost
Het doel van de vernieuwing van Te Werve-Oost is te komen tot een verbetering van de leefbaarheid in de wijk door het realiseren van een vitale wijk waar mensen graag wonen, elkaar ontmoeten en genieten van het groen. Hiertoe zijn de Nota van Uitgangspunten Te Werve (2023) en het Ontwikkelkader Te Werve-Oost (2023) opgesteld. De wijk wordt autoluw en conform het STOMP-principe ingericht. Dit is ook bij andere gebiedsontwikkelingen het geval. Belangrijk middel hiertoe is het afvangen van een groot deel van het autoverkeer in een (ondergrondse) parkeergarage aan de rand van de wijk. In de wijk zelf ontstaat hierdoor meer ruimte en rust voor voetgangers en fietsers. Parkeren verdwijnt grotendeels uit het straatbeeld. Alle wegen in het gebied krijgen een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur met voldoende brede trottoirs en ruimte voor fietsers.
Transformatie en vernieuwing
Binnen de woongebieden is - bij transformatie en/of verdichting - ruimte voor aanvullende en flexibele woonconcepten. De voorwaarde hierbij is dat het even groen, duurzaam, veilig en leefbaar blijft. Dit betekent dat ook het voorzieningenniveau op peil moet blijven. Daarom bieden we bij transformatie en verdichting ook ruimte voor voorzieningen. Transformatie en vernieuwing vraagt zorgvuldigheid in schaal, architectuur en materiaaltoepassing om bestaande en nieuwe kwaliteiten met elkaar te verenigen.
RijswijkBuiten
Voor RijswijkBuiten zijn het Masterplan Rijswijk-Zuid (2009) en het Schetsboek Pasgeld in Potlood (2021) opgesteld. De wijk is nog volop in ontwikkeling. RijswijkBuiten kenmerkt zich door duurzaamheid in zowel de woningen als de openbare ruimte, met aandacht voor groen, water en klimaat. De woningen zijn en worden niet aangesloten op het gasnet, maar maken gebruik van warmtepompen en zonnepanelen en aardwarmte voor energieopwekking. De openbare ruimte is en wordt toekomstbestendig ingericht met veel groen, gebruik van natuurlijke materialen en aandacht voor de waterdoorlatendheid van straten en groenstroken. Met een breed scala aan woningtypen is en wordt er aan veel doelgroepen gedacht.
Afwegingskader Woonwijken


Afbeelding 5.6: De Roos van de woongebieden.

5.5 Werken
5.5.1 Inleiding
Dankzij de centrale ligging in de metropoolregio is Rijswijk een echte werkgemeente. Rijswijk kent verschillende werklocaties met een ruim aanbod aan werkgelegenheid voor zowel theoretisch als praktisch opgeleiden. We kunnen onderscheid maken tussen verschillende soorten gebieden:
-
Bedrijventerreinen: Delftweg, Heulweg (inclusief TNO-locatie en BPRC), Bedrijvenstrook ’t Haantje, Vervoerscentrum Vrijenban.
-
Kantoorlocaties: Hoornwijck, Zuidflank.
-
Gemengde werklocaties: Plaspoelpolder, Broekpolder.
Net als bij de woonwijken zijn er voor wat de activiteiten betreft geen redenen om ook in de koers verder onderscheid te maken. Deze paragraaf beschrijft daarom weliswaar het karakter van de verschillende typen werklocaties, maar het blijft één deelgebied, dat als zodanig ook één koers heeft gekregen.
Alleen voor de werk-woongebieden is een uitzondering gemaakt. Hier geldt wel een andere koers, omdat hier het wonen gevolgen heeft voor de (mogelijkheden van) bedrijven en andersom.

Afbeelding 5.7: Visiekaart deelgebied Werken.
5.5.2 Identiteit en kwaliteiten
Werkgebieden
Bedrijventerreinen
Delftweg is een kleinschalig bedrijventerrein en kenmerkt zich door de aanwezigheid van industrie en zakelijke dienstverlening. Het terrein is goed bereikbaar via de uitvalsweg A13. Het is tevens het enige terrein in de gemeente met een hogere milieucategorie (tot 4.1). In totaal zijn er dertien bedrijven gevestigd die werk bieden aan 380 mensen.
‘t Haantje is een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling RijswijkBuiten. Dit voormalige glastuinbouwgebied transformeert de komende jaren naar een nieuwe wijk met woningen, bedrijven en andere functies in een groene, parkachtige omgeving. Als enige bedrijventerrein in Rijswijk zijn er vrije bouwkavels. Het type bedrijven is en wordt op ’t Haantje niet op voorhand vastgelegd. Daarmee geven we ruimte aan het midden- en kleinbedrijf.
De bedrijvigheid op de Heulweg is divers met industrie, kleine bouwbedrijven en zakelijke diensten. De bereikbaarheid van Heulweg is, ondanks de afgeschermde ligging, redelijk. De locatie kan een revitaliseringsslag gebruiken en ligt direct naast de in de toekomst te herontwikkelen TNO-locatie.
Het Vervoerscentrum Vrijenban heeft een goede verbinding met de A13 waardoor het geschikt is voor de logistieke functies zonder dat bestemmingsverkeer te veel hinder ondervindt van overige verkeersstromen rond de locatie. Vrijenban heeft niet het uiterlijk van een modern bedrijventerrein, maar functioneert vanuit een ruimtelijk-economisch perspectief nog naar behoren.
Kantoorlocaties
Op het bedrijventerrein Hoornwijck zijn bedrijven in diverse maten en sectoren te vinden, zoals informatie en communicatie, zakelijke diensten en gezondheidszorg. Hoornwijck beschikt over verschillende horecafaciliteiten. De afgelopen vijf jaar is Hoornwijck aanzienlijk gegroeid in werkgelegenheid, met relatief jong vastgoed (gemiddeld bouwjaar 2004). Ondanks een leegstand van ongeveer 10%, functioneert het terrein goed. Daarnaast heeft Hoornwijck een goede mix van openbaar vervoer (twee tramlijnen), een P+R-faciliteit en een gunstige ligging ten opzichte van de snelwegen.
Zuidflank bestaat uit één langgerekt pand dat helemaal de bocht doorgaat (gebouwd in 1990), waarin 22 bedrijven zijn gevestigd die samen werk bieden aan ruim 500 mensen. Dit terrein functioneert gemiddeld als kantoorlocatie met aanvullende bedrijvigheid op de begane grond.
Gemengde werklocaties
Het deelgebied Broekpolder functioneert goed als een gemengde werklocatie met zowel kantoor- als bedrijfsruimtes. In het zicht vanaf de Rijksweg ligt hier een grote auto-importeur. Ook zijn hier verschillende andere grote bedrijven gevestigd.
De Plaspoelpolder vormt de kern van de economie van Rijswijk. Iedere dag komen ongeveer 14.000 mensen naar de Plaspoelpolder om bij de 685 bedrijven te werken. De Plaspoelpolder is, met 44 procent van de werkgelegenheid en 60 procent van het kantooroppervlak, het ruimtelijk-economisch zwaartepunt van Rijswijk. De Plaspoelpolder is een populaire locatie voor bedrijven uit binnen- en buitenland om zich te vestigen. Door de ligging aan de A4 is het goed bereikbaar voor het verkeer en daarnaast is het ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer.
In het Middengebied van de Plaspoelpolder zijn bedrijven in hogere milieucategorieën toegestaan. Daar wordt ten dele gebruik van gemaakt. De kleine hoeveelheid woningen aan de rand van de Plaspoelpolder zijn bijna uitsluitend meergezinswoningen (98%) in het huursegment (59%).
Werk-woongebieden
Aan de randen (behalve aan de kant van de snelweg) van de Plaspoelpolder vindt een geleidelijke transitie naar werk-woongebied plaats door het toevoegen van woningen. Er blijven dus ook bedrijven zitten. Het gaat om het Havenkwartier, Kessler Park, de Broodfabriek, Noordzijde en de Hof van Elsenburglocatie.
5.5.3 Uitdagingen
Werkgebieden
De werkgebieden kennen de volgende uitdagingen:
-
Het vastgoed op de Heulweg is verouderd en de entree rommelig. De meeste panden zijn moeilijk te verkopen.
-
Op Vrijenban zijn er tekenen van veroudering. De basiskwaliteiten van het terrein staan onder druk. Er is relatief veel verharding aanwezig en het terrein is ook verder niet duurzaam ingericht. Daarnaast is het aantal banen per vierkante meter op de locatie laag.
-
Op de Broekpolder is de leegstand in kantoorvastgoed relatief hoog. De kwaliteit van het vastgoed is op sommige plaatsen laag. Het heeft een gedateerde uitstraling.
-
Op de Plaspoelpolder is de inrichting van de hoofdlanen vrij groen en breed, terwijl andere straten veel verstening kennen. De ruimtelijke kwaliteit van met name het middengebied laat te wensen over, zowel wat betreft de bebouwing als wat betreft de openbare ruimte.
-
De Zuidflank heeft vanwege de ligging aan de A13 de kans te fungeren als etalagefunctie.
Werk-woongebieden
De uitdaging in de werk-woongebieden is het wonen en werken op elkaar af te stemmen op een zodanige manier dat sprake is van een prettig en gezond leefklimaat enerzijds en van voldoende speelruimte voor bedrijven anderzijds.
5.5.4 Koers
Werkgebieden
De ruimte voor werken op onze verschillende werklocaties willen we behouden en beter benutten (kaart: ‘bedrijventerrein’ | ‘kantoorlocaties’ | ‘gemengde werklocaties’). We hebben daarvoor een strategie voor werklocaties[37] opgesteld, waarin per werklocatie een profiel en ontwikkelrichting staat. Die ontwikkelrichting voor elke werklocatie bestaat uit een toekomstbeeld met kernstrategie en de belangrijkste opgaven waarmee we aan de slag gaan om daartoe te komen. Dit is samengevat in de afbeelding hieronder (zie ook paragraaf 4.9 Innovatieve economie) en beknopt beschreven.
We vinden het belangrijk dat de werklocaties (behalve de al aangewezen werk-woongebieden) beschikbaar blijven voor werken, en niet transformeren naar woon- of gemengde gebieden. Omdat er regionaal een tekort is aan ruimte voor werken en de provincie terughoudend is wat betreft uitbreidingsruimte, ligt er nog meer nadruk op de bestaande werklocaties. Daar komt de extra ruimtevraag voor de circulaire economie nog bij. In Rijswijk willen we daarom onze bestaande bedrijventerreinen behouden en beter benutten. Dat kan onder meer door terreinen beter in te richten en door dubbel ruimtegebruik toe te passen. Specifiek is extra bescherming nodig voor zwaardere bedrijfsactiviteiten.

Afbeelding 5.8: Kernstrategie werkgebieden (Toekomstbestendige werklocaties, STEC Groep, 2023).
Met onze werklocaties willen we de werkgelegenheid evenredig laten groeien met het aantal woningen. Dit houdt in dat nieuwe bedrijvigheid moet bijdragen aan groei van werkgelegenheid. Extensief gebruik van de beperkte ruimte is onwenselijk en willen we voorkomen. Dit gaat ook om de wijze waarop de ruimte wordt gebruikt. Ook op bedrijventerreinen moeten we gaan verdichten om de ruimte (bouwoppervlakte, bouwhoogte) optimaal te benutten. Beter benutten is ook het optimaal (planologisch) gebruiken van de aanwezige bedrijfsruimte. Bepaalde functies horen daardoor niet thuis op bedrijventerreinen, zoals opslagboxen, kringloopwinkels, sportscholen, kappers, beautysalons, et cetera. Dergelijke functies staan we daarom voor nieuwvestiging op bedrijventerreinen niet toe en we onderzoeken de mogelijkheden om dit gebruik terug te dringen.
Voor het behouden van kwalitatieve vestigingslocaties is ook de uitstraling van panden van belang. Voor nieuwe ontwikkelingen zullen daarom beeldkwaliteitsplannen moeten worden opgesteld. Uitgangspunt op het gebied van mobiliteit is om binnen de werkgebieden te zorgen voor betere fietsverbindingen en looproutes (vanaf de ov-haltes) en goede ov-bereikbaarheid. We zetten in op het stimuleren van lopen, fiets en ov middels werkgeversaanpak en op het faciliteren van deelmobiliteit en elektrisch vervoer bij bedrijven. Door invoering van parkeerregulering wordt de overlast van langparkeerders aangepakt en zijn parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers en ondernemers.
Per terrein is de volgende koers relevant:
-
’t Haantje biedt ruimte aan bedrijven die duurzaamheid hoog in het vaandel hebben, met nadruk op klimaatadaptiviteit en natuurinclusiviteit. Deze kavels zijn ideaal voor bedrijven die niet makkelijk te mengen zijn met woonwijken.
-
Voor de Delftweg ligt de focus op thema’s van de 'next economy', zoals duurzaamheid, automatisering, digitalisering en circulariteit. Het terrein biedt mogelijkheden om in te zetten op automatisering en digitalisering, inclusief robotisering, vooral in combinatie met de aanleg van glasvezel. Door de nabijheid van het TNO-terrein en de ontwikkeling van die locatie, is het logisch om deze twee gebieden in samenhang te zien. Samen met ondernemers wil de gemeente de uitstraling en de economische waarde van het terrein verbeteren.
-
Bij Vrijenban is er vooralsnog geen reden om van het huidige vervoer-profiel af te wijken. Het terrein richt zich specifiek op bedrijvigheid in de sectoren vervoer, opslag en handel, wat zorgt voor een synergie-effect tussen de bedrijven.
-
De gebiedsindeling voor de Plaspoelpolder uit het Addendum op de Toekomstvisie handhaven we. Het Middengebied Plaspoelpolder dient als doorgroeigebied voor het mkb en startups die willen doorgroeien naar scale-ups (lokaal en regionaal) die meer milieuruimte vragen (vergelijkbaar met voorheen milieucategorie 3.2). Daarnaast blijven we regionale sectorale ontwikkelingen volgen en willen we inspelen op kansen om economische campussen en ecosystemen (zoals die van At The Park, Broodfabriek en Bioscience DSM) met elkaar te verbinden.
-
De Broekpolder houdt op hoofdlijnen het huidige profiel. Om de werkomgeving aantrekkelijker te krijgen, staan we selectief nieuwe functies toe, maar retailontwikkelingen sluiten we uit. Ondanks het selectief toestaan van andere functies, willen we de bestaande kantoorpanden op Broekpolder in de kern beschikbaar houden voor kantoorfuncties of in het geval van onvoldoende marktvraag omkatten naar bedrijfsruimte.
-
In Hoornwijck ligt de prioriteit op behoud van kantoorruimte. Transformatie naar wonen faciliteren we niet (met uitzondering van de reeds afgegeven vergunningen).
-
Bij Zuidflank is er op dit moment geen reden om van het huidige profiel af te wijken. Omdat de locatie goed vanaf de A13 te zien is willen we de locatie meer profileren als etalagezone. In het pand kunnen informatietechnologiebedrijven geclusterd worden, om zo de economie te versterken.
Werk-woongebieden
De koers voor Kessler Park en omgeving, het Havenkwartier en de Plaspoelpolder – Noordzijde is dat ze transformeren naar werk-woongebieden. Daarbij gelden nog specifieke uitgangspunten:
-
We hebben de ambitie om Kessler Park en omgeving te ontwikkelen naar een woon-werk(-leer) campusmilieu in een groene omgeving. Dit gebied, dat op bovenstaande kaart is aangegeven als 'ontwikkelen toplocatie', ligt nabij het station. Daarom zetten we in dit gebied extra in op dubbelgrondgebruik en het creëren van veel arbeidsplaatsen. Faciliteitencampus 'At the Park' wil bedrijven en organisaties aantrekken die actief zijn op het gebied van geothermie en energietransitie (kaart: ‘campusfunctie Kessler Park’), life sciences & health en overige innovatieve (top)sectoren (impact economy), In het addendum bij de Toekomstvisie Plaspoelpolder wordt de Westzijde van de Plaspoelpolder omschreven als ‘verblijven met een topontsluiting’. Hiermee wordt bedoeld: een gebied met campusmilieu, inclusief hogere verstedelijking en functiemenging waar kantorenversterking centraal staat. In de strategie toekomstbestendige werklocaties is dit doorvertaald naar: ontwikkelen toplocatie. Onder de toplocatie vallen: Kessler Park, kantoren Lange Kleiweg, De Broodfabriek, kantoren Polakweg en Hof van Elsenburg. Het ontwikkelkader Kessler Park is voor deze ontwikkeling opgesteld. Het ontwikkelkader Kessler Park en omgeving dekt echter niet het hele gebied dat valt onder de noemer 'ontwikkelen toplocatie'. De gemeente werkt daarom aan een uitbreiding van dit ontwikkelkader. De uitgangspunten van dit ontwikkelkader Kessler Park gelden ook al voor de naast gelegen Broodfabriek. Deze worden doorvertaald in een meer concreet kader, specifiek voor deze locatie.
-
Voor het Havenkwartier vormt het Ontwikkelkader Havenkwartier (2021) het (gedetailleerde) kader voor de herontwikkeling naar een gemengd werk-woongebied met circa 2.500 woningen, 70.000 m² bedrijven en 30.000 m² voorzieningen. Naast de hoeveelheid bedrijven en voorzieningen wordt ook ingegaan op randvoorwaarden en beeldkwaliteit van de toekomstige bebouwing, leefbaarheid in het gebied en een groenvisie.
-
In de Noordzijde van de Plaspoelpolder is (zoals aangegeven in het Addendum Toekomstvisie Plaspoelpolder) een geleidelijke overgang naar verblijfsvormen mogelijk, waarbij het gebied een primaat wonen krijgt, maar nog steeds plek is voor kantoor gerelateerde bedrijvigheid. Vooral aan de zijde van het station tot Volmerlaan is er een functiemix gewenst, waarbij er sprake is van ten minste één commerciële plint.
Afwegingskader Werkgebieden


Afbeelding 5.9: De Roos van de werkgebieden.
Afwegingskader Werk-woongebieden


Afbeelding 5.10: De Roos van de werk-woongebieden.

[37] Toekomstbestendige werklocaties – Economische analyse en strategie (2023).
5.6 Groenzones
5.6.1 Inleiding
Rijswijk is een groene gemeente. Kenmerkend zijn de twee grote groengebieden die parallel aan elkaar van zuidwest naar noordoost door de gemeente lopen: de landgoederenzone en de stadsparkenzone. Binnen de stadsparkenzone liggen het Wilhelminapark en het Elsenburgerbos. De landgoederenzone en de stadsparkzone fungeren als 'groene longen' van Rijswijk en vormen cruciale onderdelen van de groenstructuur van de stad. De beide zones beschrijven we hieronder apart omdat ze eigen karakteristieken hebben. Die zijn echter niet zodanig dat het nuttig is er aparte deelgebieden van te maken.

Afbeelding 5.11: Visiekaart deelgebied Groenzones.
5.6.2 Identiteit en kwaliteiten
Landgoederenzone
De landgoederenzone in Rijswijk is een bijzonder groengebied van ruim 200 hectare, gelegen tussen de stedelijke gebieden van Rijswijk en Den Haag. De landgoederenzone bevindt zich op en rond de oude strandwal van de Van Vredenburchweg, één van de oudste strandwallen van West-Nederland. De rijke geologische geschiedenis en de aanwezigheid van de zeven buitenplaatsen maakt deze locatie in cultuurhistorisch opzicht uniek. Door de verbinding met andere landgoederen en buitenplaatsen langs de kust vormt het een essentiële schakel in de regionale groenstructuur. De buitenplaatsen van Rijswijk zijn dan ook onderdeel van de provinciale Erfgoedlijn Landgoederen en van het Nationaal Park Hollandse Duinen (NPHD).
Een uitgebreid padennetwerk voor wandelaars en fietsers doorkruist het gebied, waardoor bezoekers de natuurlijke schoonheid en het veelal monumentale groen volop kunnen beleven. De landgoederenzone heeft een multifunctioneel karakter; naast de natuur en recreatief medegebruik zijn er ook diverse sport- en maatschappelijke functies aan het gebied verbonden. Zo zijn er sportvelden, schooltuinen, een tuinbouwschool, verpleegtehuis, jongerencentrum, dierenasiel en een kinderboerderij te vinden. Verder fungeert het gebied als landschappelijke bufferzone als overgang tussen Rijswijk en Den Haag.
Stadsparkzone
Het stadsparkenlandschap is onderdeel van de regionale Zweth-Vlietzone, een ecologische-recreatieve groenblauwe zone die loopt van Nieuwe Waterweg tot aan Vliet (de Zwethzone) en van Delft tot aan Leiden (de Vlietzone). De stadsparkzone, gelegen aan de zuidkant van Rijswijk en rond de A4, is een uitgestrekt groengebied dat bestaat uit de Hoekpolder, het Wilhelminapark en het Elsenburgerbos. Totaal heeft het gebied 160 hectare aan groen. De stadsparkzone is aangelegd in de jaren ’70 met aandacht voor zowel het behoud van historische landschapselementen als het bieden van moderne recreatiemogelijkheden. Dit gebied is kenmerkend door de hoogteverschillen en waterrijke omgeving. Daarnaast herbergt het diverse functies zoals een volkstuinencomplex, sportvelden en een begraafplaats. De Vliet doorkruist de zone en scheidt de golfbaan van de rest van het gebied. Ook verschillende grote infrastructuren zoals de A4, spoorlijnen en diverse wegen doorkruisen de stadsparkzone.
Het Wilhelminapark is een belangrijk en regionaal gewaardeerd onderdeel van de stadsparkzone. Het park, aangelegd op voormalige puin- en vuilstorten, biedt een gevarieerd landschap met vijvers, grasvelden en glooiende heuvels. Er is ook een meer waar gezwommen mag worden, wat het park aantrekkelijk maakt voor recreatie. Daarnaast is horeca hier beperkt toegestaan.
Het Elsenburgerbos, ook aangelegd op de voormalige puin- en vuilstorten sinds de jaren ’70, is een geliefd park met een rijke natuur en diverse recreatiemogelijkheden. Het bos biedt een afwisselend landschap met hoogteverschillen, open en dicht beboste delen en twee binnenmeren waar gevist mag worden. Het park heeft verschillende wandel- en fietspaden. Naast de landschapselementen zijn er diverse sportvelden en speelplaatsen aanwezig.
5.6.3 Uitdagingen
De groenzones kennen de volgende uitdagingen:
-
In de landgoederenzone moet een goede balans worden gezocht tussen natuur, cultuurhistorie, sport, maatschappelijke functies en recreatie.
-
Binnen de landgoederenzone werken wegen en spoorlijnen als barrière.
-
Het Wilhelminapark ligt ingeklemd tussen de A4, de Prinses Beatrixlaan en de spoorlijn, wat het park enerzijds goed bereikbaar maakt, maar door de barrièrewerking ook zorgt voor minder bezoek.
5.6.4 Koers
Landgoederenzone
We voeren het Uitvoeringsprogramma Landgoederenzone (2021) uit, dat is gebaseerd op het ‘ambitiedocument toekomstvisie landgoederenzone’. Daarmee versterken we in het gebied de kwaliteit die bij de identiteit van de landgoederenzone past: natuur (leefgebied voor oud-bossoorten als eekhoorns, boomklevers en rosse vleermuizen), cultuurhistorie (bijzondere gebouwen en monumenten, maar ook cultuurhistorisch waardevolle structuren) en recreatief medegebruik (mogelijkheden om te sporten, wandelen en fietsen).
Stadsparkzone
De stadsparkzone ontwikkelen we (mede op basis van het Toekomstbeeld Vlietzone (2022) door tot een veelzijdig park, dat op meerdere plekken met groene uitlopers is verbonden tot in Stervoorde, Sion, de Muziekbuurt, Parkrijk en Pasgeld. We zorgen ervoor dat de natuurkwaliteit en biodiversiteit toenemen en dat die hand in hand gaat met de verblijfskwaliteit: mensen komen er bij voorkeur graag om elkaar te ontmoeten, te recreëren, te sporten maar ook om van de natuur en de rust te genieten. In het Wilhelminapark zien we vanwege de ligging, de bereikbaarheid en de parkeervoorzieningen ook ruimte voor evenementen.
Afwegingskader groenzones


Afbeelding 5.12: De Roos van de groenzones.

6 Uitvoering: werken met de omgevingsvisie
6.1 Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we de visie willen uitvoeren. Als gemeente staan we hiervoor niet alleen zelf ‘aan de lat’. We doen dit samen met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners in de regio. Hierom beschrijven we in sommige gevallen ook wat er moet gebeuren om een project of ontwikkeling van de grond te krijgen, zodat dit betrokken kan worden in gesprekken over initiatieven.
In dit hoofdstuk beschrijven we verder de doorwerking van de omgevingsvisie in de andere Omgevingswet-instrumenten. Daarnaast geven we aan hoe we als gemeente de uitvoering van onze gestelde ambities in de visie gaan monitoren en hoe we omgaan met het actualiseren van de visie.
6.2 Sturingsfilosofie
Het uitgangspunt van de Omgevingswet is ontwikkelingen mogelijk maken en tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving waarborgen. Met de omgevingsvisie laten we inhoudelijk op hoofdlijnen zien hoe we in Rijswijk initiatieven willen ondersteunen waarmee tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Met deze visie als onderlegger gaan we daar de komende tijd concreet mee aan de slag. De concrete uitwerking van de omgevingsvisie hangt ook af van de rol die de gemeente aanneemt. We hebben als overheid diverse rollen en sturingsfilosofieën tot onze beschikking.
Er zijn vier benaderingen van sturing. In elk van de vier benaderingen gaat het om overheidssturing, in die zin dat de overheid doelen formuleert en die probeert te realiseren in interactie met de omgeving. De aanduidingen in de kwadranten geven accenten aan in de rolopvatting en geen scheidingen. Zo wil de ‘Netwerkende Overheid’ óók prestaties leveren en ook zorgvuldig en duidelijk de kaders stellen net als de ‘Rechtmatige Overheid’.

Afbeelding 6.1: Perspectieven op overheidssturing. Bron: gebaseerd kwadrantenmodel Nederlandse school voor openbaar bestuur. Zie voor meer informatie: Sedimentatie in sturing (Van der Steen et al 2015).
We hebben als gemeente hoge ambities om de democratie van onderaf beter te faciliteren, meer gebiedsgericht en van buiten naar binnen te werken. Dit past goed bij de geest van de Omgevingswet. Deze visie sluit goed aan bij de 'netwerkende' en 'responsieve' overheid. Hierbij staat 'van buiten naar binnen werken' centraal en draagt de samenleving initiatieven aan. Dat is voor ons een belangrijke leidraad. We zetten daarom in op alliantievorming, het zoeken naar partners om gezamenlijke doelen of belangen te behalen. Dit doen we met een relatiegerichte houding en we moedigen actief burgerschap aan. Hier, bij de ontwikkeling naar een meer netwerkende en responsieve overheid, ligt ook een organisatorische opgave.
Dit neemt niet weg dat het belangrijk is te benoemen dat we op verschillende thema's en/of gebieden verschillende sturingsfilosofieën nodig zullen hebben om het gewenste resultaat te behalen. Op onderdelen zal er dus een andere sturingsfilosofie gekozen kunnen worden. We werken dit verder uit bij concrete projecten.
De sturingsfilosofie gaat overigens niet alleen over de rolneming van de gemeente ten opzichte van de samenleving maar ook over de rolneming van de raad ten opzichte van het college. In Rijswijk vinden we het belangrijk dat de raad nauw betrokken blijft bij de uitvoering van de visie.
6.3 Operationalisering in Omgevingswetinstrumenten
Relatie met Ow-instrumenten
De Omgevingswet voorziet in een zestal ‘kerninstrumenten’. Daarvan zijn voor de gemeente de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en het omgevingsplan de belangrijkste beleidsmatige instrumenten. De omgevingsvisie heeft een duidelijke relatie met de overige Omgevingswet-instrumenten. De Omgevingswet gaat namelijk uit van beleidsontwikkeling op basis van de beleidscyclus. De verschillende instrumenten worden in samenhang ontwikkeld en actief gemonitord en aangescherpt. De omgevingsvisie vormt de eerste stap in deze cyclus en is een dynamisch document dat we als gemeente samen met betrokkenen blijven aanscherpen.

Afbeelding 6.2: Beleidscyclus onder de Omgevingswet.
Omgevingsplan
Belangrijk is de bepaling in de Omgevingswet dat elke gemeente één omgevingsplan kent. Dit betekent dat het systeem zoals we dat voorheen kenden, met allerlei verschillende bestemmingsplannen, niet meer aan de orde is. Ook alle onderdelen uit verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving moeten in het omgevingsplan terechtkomen. Het omgevingsplan is het enige kerninstrument uit de Omgevingswet dat de burger, bedrijven, andere overheden en de gemeente bindt. De omgevingsvisie is zelfbindend: ze bindt alleen het bestuursorgaan (bevoegd gezag) dat het document heeft vastgesteld. Doel bij het opstellen van de omgevingsvisie is dat de stap naar het omgevingsplan beleidsmatig relatief eenvoudig te maken is. We hebben namelijk in deze omgevingsvisie al de kernkwaliteiten en beleidsprioriteiten van Rijswijk als geheel en per deelgebied opgenomen. Dat vormt als het ware de beleidsmatige basis voor het stellen van regels in het omgevingsplan over activiteiten in de fysieke leefomgeving.
Het uitgangspunt is dat een deel van de initiatieven snel kan worden afgedaan op basis van vooraf bepaalde regels, en dat voor een deel een nadere afweging nodig is. Het Rijswijkse omgevingsplan voorziet hier goeddeels in door met open normen te werken. Als een initiatief (toch) niet blijkt te passen in het omgevingsplan, dan kan hiervan worden afgeweken door wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). In dat geval kunnen we terugvallen op het integrale inspiratie- en afwegingskader in de omgevingsvisie en de uitwerking daarvan in de deelgebieden. Dit is het kwalitatieve kader waarmee de gemeenteraad de beoordeling van initiatieven in vertrouwen loslaat aan het college van burgemeester en wethouders.
Omgevingsprogramma
De omgevingsvisie stelt ambities voor de toekomst en formuleert hiervoor het strategisch beleid aan de hand van kaders en richtlijnen – het ‘wat’. Verdere uitwerking van het strategisch beleid kan op tactisch of operationeel niveau plaatsvinden in een (onverplicht) programma – het ‘hoe’. De integrale afweging vindt op hoofdlijnen plaats in de omgevingsvisie. In de programma’s wordt daarop voortgeborduurd en worden de lijnen voor de uitvoering uitgezet. Het omgevingsprogramma is een flexibel instrument dat de gemeente kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Een programma heeft verschillende kenmerken en is zelfbindend. Het wordt vastgesteld door het college. Deze kunnen gebiedsgericht of thematisch van aard zijn. Momenteel beoogt de gemeente te werken aan de volgende programma’s:
-
Verplicht:
-
Geluidprogramma (Actieplan geluid); het actieplan geluid wordt onderdeel van het integrale programma Gezondheid en milieu.
-
Warmteprogramma (verplicht na inwerkingtreding van de Wgiw).
-
Programma kostenverhaal (in die zin verplicht, dat de onderbouwing van het kostenverhaal niet in deze omgevingsvisie is opgenomen).
-
Woonprogramma; hieraan wordt momenteel gewerkt.
-
-
Vrijwillig:
-
Programma Stadsontwikkeling; dit zal verder invulling geven aan de uitvoering van de omgevingsvisie.
-
Integraal programma Gezondheid en milieu; hierin onderzoeken we hoe milieunormen kunnen worden geoptimaliseerd voor het creëren van een zo gezond mogelijke leefomgeving voor zover deze normen haalbaar en uitvoerbaar zijn, met het oog op de activiteiten in de fysieke leefomgeving. Onderwerpen zoals geluid, geur, luchtkwaliteit, lichtvervuiling en trillingen maken hiervan onderdeel uit. Daarnaast wordt in dit programma gekeken naar de bredere invloed van de plannen voor de fysieke leefomgeving op de gezondheid van inwoners. Denk hierbij aan: voldoende groene en beweegvriendelijke ruimtes, veilige en toegankelijke wandel- en fietspaden, en mogelijkheden om te sporten en ontspannen in de buitenruimte. Door deze elementen mee te nemen streven we naar een gezonde en duurzame leefomgeving voor alle inwoners van Rijswijk.
-
Programma Bodem en ondergrond: dit programma richt zich op een integrale en duurzame benutting, bescherming en verbetering van de bodem en ondergrond, waarbij de gemeente (meer) regie voert. Het gaat om driedimensionale ruimtelijke ordening waarin hoogte, breedte en diepte inzichtelijk worden gemaakt. De samenhang tussen bovengrondse en ondergrondse activiteiten wordt geanalyseerd om de beschikbare ruimte efficiënt en duurzaam te benutten, beschermen en reserveren. Het doel is een samenhangend ontwerp in de ruimtelijke plannen waarin onder- en bovengrond en bodem één geheel vormen en de ondergrond vanaf de eerste stap meegenomen wordt.
-
Inspiratie- en afwegingskader
De omgevingsvisie wordt uitgevoerd door het opstellen van het omgevingsplan en programma’s, maar is op zichzelf ook een instrument voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen. Hierbij hanteren we als gemeente de ‘ja, mits’-benadering uit de Omgevingswet. Het is van belang daarbij de balans tussen borgen van kwaliteiten en ruimte bieden voor ontwikkelingen inzichtelijk te maken. Het integrale afwegingskader en de afwegingskaders voor de deelgebieden uit deze omgevingsvisie geven inhoudelijk richting aan initiatieven, maar ook aan de nadere uitwerking in programma’s en het omgevingsplan alsmede een toetsing van de wenselijkheid van een nieuwe ontwikkeling.
Aanvullend hierop zijn de volgende (milieu)beginselen uit de Omgevingswet en afwegingsprincipes uit de kaders van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die zoveel mogelijk al zijn verwerkt in deze omgevingsvisie maar ook zelfstandig nog relevant:
-
het voorzorgsbeginsel;
-
het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestreden moeten worden;
-
het beginsel van preventief handelen;
-
het beginsel dat de vervuiler betaalt;
-
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
-
kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en afwenteling wordt voorkomen.
6.4 Lokale en regionale samenwerking
De ontwikkelingen in Rijswijk staan natuurlijk niet op zichzelf. Ook in de regio vinden allerlei ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op onze gemeente. Daarom hebben we actief contact met buurgemeenten, de provincie Zuid-Holland en ketenpartners en nemen we deel aan verschillende regionale samenwerkingsverbanden. In hoofdstuk 2.3 Rijswijk in de regio is gereflecteerd op een aantal belangrijke regionale visies van onze partners. Samen met die partners en ketenpartners blijven we werk maken van belangrijke regionale opgaven. Alle aangrenzende gemeenten waren uitgenodigd om deel te nemen aan ketenpartnersessies tijdens de totstandkoming van deze omgevingsvisie. Daarnaast hebben ze allemaal een uitnodiging gekregen om te reageren op de omgevingsvisie tijdens de inzageperiode.
6.5 Uitvoeringsmaatregelen
In het Programma Stadsontwikkeling zullen we verder ingaan op de uitvoerbaarheid van de omgevingsvisie. We zullen de projecten rangschikken naar thema. We zullen ook aangegeven hoe belangrijk het project is (prioriteit), wanneer het moet worden uitgevoerd (fasering) en wie verantwoordelijk is (trekker); dit hoeft niet altijd de gemeente te zijn, maar kan ook een waterschap, een maatschappelijke organisatie of een particulier initiatiefnemer zijn. Ook staat in de tabel wie het project financiert, of het een negatief of positief saldo betreft en hoe op hoofdlijnen met kostenverhaal wordt omgegaan.
6.6 Grond en financiën
Financiële uitvoerbaarheid
In deze omgevingsvisie staan tal van ambities en opgaven waarvoor investeringen nodig zijn. De financiële uitvoerbaarheid hiervan is dynamisch en voortdurend aan verandering onderhevig. Enerzijds is dit omdat nog niet alle ambities zijn uitgewerkt. Anderzijds is dit het geval, omdat er in de loop der tijd vaak ook projecten afvallen en/of nieuwe projecten bijkomen. Ook de daadwerkelijke kosten en opbrengsten van projecten kunnen veranderen op basis van prijsontwikkelingen en aangescherpte eisen en regelgeving. Het is dan ook belangrijk om de financiële uitvoerbaarheid - op basis van dit soort nieuwe inzichten en projecten - periodiek te evalueren, te actualiseren en waar nodig bij te stellen.
Kostenverhaal en verevening
De gemeente zal als trekker van de opgaven (een deel zal door andere partijen worden uitgevoerd) delen hiervan bekostigen, maar ontwikkelaars van bouwlocaties hebben ook profijt van die investeringen. Daarom is de gemeente op grond van de Omgevingswet verplicht om de kosten die zij als gemeente maakt voor een bouwinitiatief, te verhalen op de initiatiefnemers. Dit gebeurt onder meer naar redelijkheid en mate van profijt.
Kostenverhaal in de wet
Wetgeving rondom kostenverhaal en verevening staat in de aanvullingswet Grondeigendom die is opgenomen in de Omgevingswet. Met de Aanvullingswet grondeigendom heeft de wetgever het instrumentarium voor faciliterend grondbeleid willen verbeteren en meer rekening willen houden met de diverse ontwikkelopgaves waarin het eindbeeld onzeker is, waaronder organische gebiedsontwikkeling. Het instrumentarium bestaat twee hoofdgroepen, elk verdeeld naar twee subgroepen:
regulier kostenverhaal (wettelijke plicht om dit toe te passen):
- bij integrale ontwikkeling;
- bij organische ontwikkeling.
kostenverhaal van financiële bijdragen (wettelijke bevoegdheid om dit toe te passen):
- bij integrale ontwikkeling;
- bij organische ontwikkeling.
Voor de beide hoofdgroepen geldt ook nog dat het zowel privaat- als publiekrechtelijk toegepast kan worden.
Indien de gemeente straks wenst te beschikken over de publiekrechtelijke mogelijkheid voor kostenverhaal voor financiële bijdragen, dan is de reikwijdte beperkt: De financiële bijdragen kunnen gevraagd worden voor ontwikkelingen als kwalitatieve verbeteringen van landschap, natuur, water of de stikstofbalans, de aanleg of aanpassingen van infrastructuur en daartoe benodigde voorzieningen. Anterieur kunnen ook andere bijdragen worden gevraagd. In beide gevallen moet de functionele samenhang van de projecten waarvan een bijdrage wordt gevraagd en de projecten waarvoor een bijdrage wordt gevraagd onderbouwd worden in de omgevingsvisie of in een programma.
De gemeente Rijswijk heeft ervoor gekozen de onderbouwing in een afzonderlijk, nog op te stellen, ‘programma kostenverhaal’ op te nemen. Tegelijkertijd worden er in de lopende gebiedsontwikkelingen middels anterieure overeenkomsten kosten in rekening gebracht bij ontwikkelaars voor zowel de reguliere (plan)kosten als een financiële bijdrage aan de kosten voor de gebiedsontwikkeling. In het omgevingsplan puzzelen we op een voorstel voor kostenregels die kunnen worden ingezet op het moment dat het niet mogelijk blijkt te zijn om een anterieure overeenkomst af te sluiten. Daarnaast wordt waarschijnlijk in het omgevingsplan ook voorzien in een regeling die kosten verhaalt bij kleine ontwikkelingen waar geen kostenverhaalgebied wordt aangewezen!
6.7 Samenhang milieueffectrapportage
Milieubelang
Een milieueffectrapportage (mer – het proces) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvormingsprocedure een plaats te geven. Een milieueffectrapport (MER – het product) brengt op voorgeschreven wijze de milieugevolgen van een plan of project in beeld voordat het besluit wordt genomen of het plan wordt vastgesteld. Zo kan het bevoegd gezag de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken en krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming over projecten en plannen met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Hieronder zijn de resultaten van het MER van de omgevingsvisie weergegeven.
Beoordeling
Zoals gezegd hebben we een zogenaamde ‘Leefomgevingsfoto’ laten maken (Tauw; zie Bijlage IV PlanMER). Hierin zijn de huidige situatie en autonome ontwikkelingen in kaart gebracht. Samen vormen die de ‘referentiesituatie’: wat de situatie is en wordt zónder deze omgevingsvisie. In de milieueffectrapportage wordt dit dan ook gebruikt om de effecten van de omgevingsvisie mee te vergelijken. De Leefomgevingsfoto bevat verschillende indicatoren om de staat van de fysieke leefomgeving meetbaar te maken. Hierin wordt de fysieke leefomgeving breed beschouwd, met een nadruk op diverse milieuaspecten.

Afbeelding 6.3: Overzichtstabel beoordeling huidige situatie, autonome ontwikkeling en effecten omgevingsvisie (bron: Tauw).
De omgevingsvisie heeft op geen van de indicatoren alleen maar een negatieve invloed (donkerrode pijl). Op enkele indicatoren heeft de omgevingsvisie een negatieve invloed, maar daar staan beleidskeuzes tegenover die zorgen voor een licht positieve of positieve invloed op de betreffende indicator. Dit geldt voor de indicatoren omgevingsveiligheid, gebruik ondergrond, geluid. De omgevingsvisie heeft een negatieve invloed op de indicator omgevingsveiligheid door onder meer het ontwikkelen van nieuwe woningen, verdichting en functiemenging.
Tegelijkertijd onderzoekt de gemeente hoe een andere indeling van het gebied de risico’s kan beperken. Op deze manier wordt de afstand tot potentiële risico's verminderd. Bijvoorbeeld door gevoelige functies, zoals woningen of scholen niet langs drukke wegen te plaatsen. Door verschillende ontwikkelingen die de omgevingsvisie mogelijk maakt, zal het drukker worden in de ondergrond voor bijvoorbeeld de bouw van woningen en elektriciteitsinfrastructuur. In de omgevingsvisie wordt echter beschreven dat de gemeente rekening houdt met een toekomstbestendige elektriciteitsinfrastructuur.
Voor de indicator geluid geldt dat veel van de negatieve invloed wordt veroorzaakt door een groei van het aantal inwoners, de komst van een extra station en nieuwe HOV-verbindingen, wat zorgt voor een toename in verkeersbewegingen en daarmee een toename in verkeerslawaai. De focus op het STOMP-principe en de verschillende maatregelen die worden gepresenteerd om elektrificatie van het wagenpark te stimuleren, het uitbreiden van milieuzones, en de striktere parkeernormen bij nieuwbouw voor auto’s, heeft juist een positieve invloed.
Ook is er een groot aantal indicatoren waarop een voornamelijk positieve en beperkt negatieve invloed wordt verwacht als gevolg van de omgevingsvisie. Dit geldt voor de indicatoren bedrijvigheid, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, verkeersveiligheid, bereikbaarheid, aandeel hernieuwbare energie, luchtkwaliteit, Natura 2000, Natuur Netwerk Nederland, waterkwaliteit, bodemkwaliteit, wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling.
Er zijn geen indicatoren waarvoor de invloed van de omgevingsvisie als licht positief is beoordeeld. De omgevingsvisie heeft wel een positieve invloed op woningvoorraad, voorzieningenniveau, verschuiving vervoerswijze, stimuleren sport en bewegen, waterkwantiteit en waterveiligheid. Voor de indicator stimuleren sport en bewegen, komt de positieve invloed door de ruimte die de omgevingsvisie biedt voor vergroening en langzaam verkeer, waardoor beweging wordt gestimuleerd. Het toevoegen van circa 10.000-11.000 woningen en het creëren van verschillende woningtypes komt de hoge vraag naar (diverse) woningen tegemoet, daarom heeft de omgevingsvisie een positieve invloed op de indicator woningvoorraad. Dit geldt ook voor de indicator verschuiving vervoerswijze aangezien er sterk wordt ingezet op de verbetering van het openbaar vervoer en het STOMP-principe. Voor geen van de indicatoren is de inschatting dat de omgevingsvisie geen of beperkte invloed zal hebben.
Naast de milieueffecten is gekeken naar het doelbereik. Dit is gedaan omdat omgevingsvisies vaak vage doelen laten zien en het van belang is of die ook echt haalbaar zijn. In deze omgevingsvisie zijn de hoofdambities per thema geschat op doelbereik en dit is omgeslagen in het percentage ‘mate waarin ambitie naar verwachting gehaald wordt’ en ‘bandbreedte onzekerheid’. Hieruit blijkt dat het redelijk waarschijnlijk is dat de ambities gehaald gaan worden. De kans dat er ‘Leefbare en veilige wijken’ zullen zijn in 2050 is iets lager ingeschat, waarbij vooral voor maatschappelijke voorzieningen geldt dat de gemeente in grote mate afhankelijk is van andere partijen en financiële middelen, en subjectieve factoren zorgen voor onzekerheid in het behalen van de doelen.

Afbeelding 6.4: Doelbereik ambities omgevingsvisie (bron: Tauw).
De omgevingsvisie van de gemeente Rijswijk onderscheidt zich al met al volgens het MER door haar concreetheid. In vergelijking met andere omgevingsvisies zijn in deze visie de ambities al verder uitgewerkt in concretere maatregelen. Dit biedt een goede basis voor de verdere uitwerking en implementatie van de omgevingsvisie in opvolgend beleid en planvorming. Op dit abstractieniveau is er dan ook geen sprake van leemtes in kennis of onzekerheden met betrekking tot de in dit plan-MER beschreven kansen en risico’s. Meer gedetailleerde effectbeoordeling, kwantificering daarvan en toetsing aan wettelijke kaders kan alleen plaatsvinden bij verdere uitwerking tot beleid in bijvoorbeeld programma’s. De effecten die zich uiteindelijk in de praktijk voor zullen doen, moeten op basis van monitoring en evaluatie in beeld worden gebracht.
6.8 Een levend document
Monitoring en evaluatie
Met de omgevingsvisie hebben we als gemeente een koers en een integraal afwegingskader voor de inrichting van onze fysieke leefomgeving. We beschouwen de omgevingsvisie, en in het verlengende daarvan alle Omgevingswetinstrumenten, als levende documenten. De wereld verandert continu en daarom moeten we dus ook regelmatig onze instrumenten herijken. Liggen we nog op koers, zijn er nieuwe ontwikkelingen waar we rekening mee moeten houden, halen we onze ambities wel met onze huidige aanpak? Met een monitoringssysteem houden we als gemeente zicht op de voortgang van onze koers. Het gebruikmaken van meetbare indicatoren is een logische stap bij de verdere aanscherping van de omgevingsvisie.
Er is geen wettelijke actualiseringstermijn meer zoals dat bij de structuurvisie en bestemmingsplannen wel het geval was. Op enig moment zullen we tot de conclusie komen dat een bepaald thema toch nog onvoldoende is uitgewerkt of dat de situatie voor een gebied dusdanig is veranderd dat herziening van de visie nodig is. We kiezen als gemeente voor een actualiseringscyclus van eens per twee jaar om de omgevingsvisie voldoende scherp en bij de tijd te houden. We kiezen voor deze korte cyclus omdat de Omgevingswet en bijbehorende instrumenten nieuw zijn. Op termijn bekijken we of we de tijdsdoorloop van de cyclus verlengen.
Stap richting omgevingsvisie 2.0
Deze eerste omgevingsvisie voor de gemeente Rijswijk zet een stap richting volledige strategische beleidsintegratie. Het uiteindelijke doel is dat de omgevingsvisie de centrale plek wordt voor al het strategisch ruimtelijk beleid. Dat betekent dat er vanaf nu geen andere thematische visies meer als losstaand beleid worden vastgesteld voor de fysieke leefomgeving. Vanzelfsprekend gaan we als gemeente wel verder met het uitwerken van bepaalde thema’s parallel aan de omgevingsvisie. Dit wordt dan alleen niet opgenomen in losstaande beleidsstukken, maar integraal meegenomen in een herziening van deze omgevingsvisie. Via programma’s werken we zoals gezegd aan de uitwerking van een bepaald thema of een specifieke gebiedsuitwerking. De strategische uitspraken van een verdiepingsslag moeten uiteindelijk weer landen in de omgevingsvisie en vanwege eventuele juridische consequenties verwerkt worden in het omgevingsplan.
In deze voorliggende zogenaamde 1.0 versie van de omgevingsvisie hebben we alle thema’s in de leefomgeving en de verschillende (bestaande) beleidstrajecten en ontwikkelingen met elkaar verbonden. In de omgevingsvisie 2.0 zetten we een volgende stap in het integreren van nieuw strategisch fysiek beleid en de aangegeven thematische/gebiedsgerichte programma’s. Er zijn een aantal thema’s die nog een verdere discussie behoeven, alvorens we daar een keuze over maken. Vanaf 2026 starten we met de eerste actualisatieslag waar we deze onderwerpen verder integreren in een volgende versie van onze omgevingsvisie (de zogenaamde versie 2.0).
Bijlage I Overzicht Informatieobjecten
- Bijlage V_Nota van Beantwoording Zienswijzen
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdfceaf4980-6c45-41a2-a42f-50c21abf703b/nld@2025‑08‑15;11
- Bijlage_III_Regionale samenwerking
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdf421631f3-04fb-4785-a036-99c7d3be948f/nld@2025‑08‑15;11
- Bijlage_II_Overzicht van het beleid dat verwerkt is in de omgevingsvisie Rijswijk
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdfdbb4a968-0031-454b-b08d-624700eadfed/nld@2025‑08‑15;11
- Bijlage_IV_PlanMER
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdf41077324-6427-426e-b236-81de6c2e230f/nld@2025‑08‑15;11
- Bijlage_VII_Publieksversie
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdfd11578de-9103-4457-9a7b-6c26f99ddeef/nld@2025‑08‑15;11
- Bijlage_VI_Participatieverslag omgevingsvisie Rijswijk (2024‑10‑30)
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/4pdf84f19d43-4c67-4215-bc0b-f68d6cbc4e3f/nld@2025‑08‑15;11
- bogaard stadscentrum
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/gioef9d849b-7e25-41e4-b567-af05b603f8b7/nld@2025‑08‑15;5
- groenzones
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/giobd57a760-65fc-4c54-9b6a-6b5c5bf983c1/nld@2025‑08‑15;9
- oud-rijswijk
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/gio9a0e8b8b-d0f3-417b-a1c6-99ef820d1015/nld@2025‑08‑15;7
- werken (en werk-woongebieden)
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/gio1444b094-9d16-4c1d-9e76-7ba0b8000587/nld@2025‑08‑15;11
- woongebieden
-
/join/id/regdata/gm0603/2025/gio59fb6efb-5721-49f3-b93d-75031d76c38c/nld@2025‑08‑15;3
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl



