Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743308
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743308/1
Participatieverordening gemeente Rijssen-Holten
Geldend van 09-08-2025 t/m heden
Intitulé
Participatieverordening gemeente Rijssen-HoltenDe raad van de gemeente Rijssen-Holten;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 april 2025;
gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet, de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit
Vast te stellen:
Participatieverordening gemeente Rijssen-Holten
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
Artikel 1. Definities
Deze verordening verstaat onder:
- -
beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;
- -
bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;
- -
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten;
- -
inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;
- -
inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;
- -
inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;
- -
maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;
- -
ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten.
- -
uitdaagrecht: het recht van inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.
Artikel 2. Reikwijdte
-
1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid of inwonersparticipatie plaatsvindt en ten aanzien van zijn eigen taken of om toepassing van het uitdaagrecht kan worden verzocht.
-
2. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.2, 10.7 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.
-
3. Er vindt geen inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht plaats als:
- a.
het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat;
- b.
inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;
- c.
de uitkomst van inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;
- d.
de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;
- e.
er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
- f.
het gaat om interne aangelegenheden van de gemeente zelf;
- g.
het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.
- a.
Hoofdstuk 2 Inwonersparticipatie
Artikel 3. Plan voor inwonersparticipatie
Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een plan op met het doel, het proces en de planning van inwonersparticipatie.
Artikel 4. Inspraak
Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.
Artikel 5. Eindverslag inwonersparticipatie
-
1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie op en maakt dit openbaar.
-
2. Het eindverslag geeft in elk geval inzicht in het participatieproces, de uitkomsten van het participatieproces en wat er met de uitkomsten is gedaan.
Hoofdstuk 3 Uitdaagrecht
Artikel 6. Verzoek toepassing uitdaagrecht
-
1. Inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers kunnen bij het college een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen.
-
2. Het verzoek bevat een omschrijving van:
- a.
de taak die de indiener voor ogen heeft;
- b.
de reden dat de indiener het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indient;
- c.
het resultaat dat de indiener beoogt;
- d.
het draagvlak in de omgeving.
- a.
-
3. De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:
- a.
wat de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak is;
- b.
welke kosten of middelen er volgens de indiener aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;
- c.
hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen;
- d.
uitleg waarom of hoe de indiener dat beter en goedkoper kan uitvoeren;
- e.
hoe de taak structureel uitgevoerd kan worden.
- a.
-
4. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.
Artikel 7. Ondersteuning indiener verzoek toepassing uitdaagrecht
-
1. Het college zorgt voor ondersteuning van degene, die een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wil indienen of een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht heeft ingediend.
-
2. Het college zorgt dat er op een laagdrempelige manier om deze ondersteuning kan worden gevraagd.
Artikel 8. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht
-
1. Het college behandelt het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht.
-
2. Onverminderd artikel 2, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:
- a.
het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet;
- b.
het verzoek in strijd is met het door de gemeente vastgestelde beleid;
- c.
het verzoek niet voldoet aan de in artikel 6, tweede en derde lid gestelde eisen;
- d.
het geen uitvoerende taak van de gemeente betreft;
- e.
het niet binnen het vastgestelde budget kan worden uitgevoerd;
- f.
het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak onder toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn.
- a.
-
3. Het bestuursorgaan kan een verzoek afwijzen als:
- a.
er geen aantoonbaar voordeel is op één of meerdere van de volgende aspecten:
- i.
prijs;
- ii.
kwaliteit;
- iii.
maatschappelijk draagvlak en meerwaarde.
- i.
- b.
het verzoek niet voldoet aan het gemeentelijk inkoopbeleid;
- c.
de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012.
- a.
-
4. Het bestuursorgaan reageert binnen een redelijke termijn op het verzoek.
-
5. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar.
Artikel 9. Uitvoering taak
-
1. Als het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:
- a.
het proces, het resultaat en de looptijd van uitvoering van de taak;
- b.
het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;
- c.
het contact met het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de taak;
- d.
de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak; en
- e.
de evaluatie van de uitvoering van de taak.
- a.
Hoofdstuk 4 Slotbepalingen
Artikel 10. Evaluatie en monitoring
-
1. De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per raadsperiode geëvalueerd. Burgemeester en wethouder zenden hiertoe telkens 4 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
-
2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelen burgemeester en wethouders systematisch informatie over:
- a.
Aantal participatieprocedures zoals doorlopen;
- b.
Aard en doel van de participatieprocessen zoals doorlopen;
- c.
Verbeterdoelen en aandachtspunten van de participatieprocessen zoals doorlopen.
- a.
Artikel 11. Nadere regels college
Het college kan over inwonersparticipatie en initiatiefnemersparticipatie nadere regels vaststellen.
Artikel 12. Hardheidsclausule
Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt.
Artikel 13. Intrekking oude verordening
-
1. De inspraakverordening gemeente Rijssen-Holten 2003 wordt ingetrokken.
-
2. De verordening participatie Omgevingswet 2023 wordt ingetrokken.
[Artikel 13, lid 2 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: De verordening participatie Omgevingswet 2022 wordt ingetrokken.]
-
3. De inspraakverordening gemeente Rijssen-Holten 2003 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.
Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Rijssen-Holten.
Ondertekening
Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Rijssen-Holten op 27 mei 2025.
De voorzitter,
De griffier,
Toelichting
Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau
Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden. Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, de uitvoering en de evaluatie te vergroten, door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.
Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.
Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners betrekken bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid, maar ook inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers de mogelijkheid moeten bieden om zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waarmee inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste geldt, in zoverre dat niet in strijd is met de wet.
Invulling participatieverordening
In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een gemeente ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op houding en gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.
Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft gevolgen voor het vertrouwen dat inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers hebben, wat betreft de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.
Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, maatschappelijke partijen, ondernemers en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Dit betreft alle fasen: vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, maatschappelijke partijen, ondernemers en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder biedt de verordening ruimte aan het uitdaagrecht. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waarmee de gemeente het uitdaagrecht toepast. De verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.
Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en op de daaruit voortvloeiende besluiten. Het behoeft een gedegen kwaliteit van procedures op het vlak van participatie en goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken.
Regels aanbesteding
Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Dit is uitgewerkt in deel 2 van de ‘Handreiking burgerinitiatieven & het aanbestedingsrecht (Handreiking Burgerinitiatieven & het aanbestedingsrecht).
Regels aansprakelijkheid
Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen?
Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers verwacht mag worden, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op toeziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.
Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet
In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent, is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Definities
Beleid
Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.
Inwonersparticipatie
In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels.
Maatschappelijke partijen
Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die het doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemingen zonder winstoogmerk kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding hebben met de gemeente. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen, stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven.
Uitdaagrecht
Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.
Artikel 2. Reikwijdte
Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is, deze verordening leidend is.
Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht.
Hoofdstuk 2 – Inwonersparticipatie
Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op inwonersparticipatie. Het derde hoofdstuk gaat specifiek op toepassing van het uitdaagrecht in.
Artikel 3. Plan voor inwonersparticipatie
In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de inwonersparticipatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het doel, proces, en de planning van de inwonersparticipatie. De vorm van een participatieplan is vrij.
Artikel 4. Inspraak
Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.
Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.
Artikel 5. Eindverslag inwonersparticipatie
Op grond van dit artikel moet het bestuursorgaan, nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden, een eindverslag daarvan opstellen. Dit eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel zijn van een voordracht of een passage in een brief. Het ligt voor de hand om, degenen die hebben geparticipeerd, het eindverslag toe te sturen.
Hoofdstuk 3: Uitdaagrecht
Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van het uitdaagrecht. Het tweede hoofdstuk bevat de bepalingen die alleen op inwonersparticipatie zien.
Artikel 6. Verzoek om toepassing uitdaagrecht
Toepassing van het uitdaagrecht begint met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval de uit te voeren taak omschreven worden, de reden waarom de indiener deze taak wil overnemen, het resultaat dat de indiener met het overnemen van de taak wil bereiken en welk draagvlak er in de omgeving is. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat.
Artikel 7. Ondersteuning indiener verzoek om toepassing uitdaagrecht
Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan indieners van een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht. Dit dient ertoe dat alle inwoners de mogelijkheid hebben om een dergelijk verzoek in te dienen.
Artikel 8. Beoordeling verzoek om toepassing uitdaagrecht
Het college behandelt het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht. Het college moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal afwijzingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. Het bestuursorgaan reageert binnen een redelijke termijn en moet de reactie onderbouwen.
Artikel 9. Uitvoering taak
Als het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over de uitvoering van de taak en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst.
Hoofdstuk 5 – Slotbepalingen
Artikel 10. Evaluatie en monitoring
Participatieprocessen vergen vaak tijd om tot duurzame veranderingen te leiden. Daarom is een langere termijn nodig om de impact te meten en goed te beoordelen. Door een termijn van vier jaar te hanteren ontstaat er een meer realistisch en volledig beeld van de resultaten en effecten wat betreft participatieprocessen, waardoor de focus gelegd kan worden op optimaliseren.
Artikel 11. Nadere regels college
Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken.
Artikel 12. Hardheidsclausule
Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl