Beleidsnota waterschap Amstel Gooi en Vecht “Waarderen, activeren en afschrijven 2025”

Geldend van 28-11-2024 t/m heden

Intitulé

Beleidsnota waterschap Amstel Gooi en Vecht “Waarderen, activeren en afschrijven 2025”

Vaststelling

Het algemeen bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft op 28 november 2024 de nota waarderen, activeren en afschrijven vastgesteld. Dit beleid is gebaseerd op het Waterschapsbesluit en het besluit beleidsvoorbereiding en verantwoording waterschappen (BBVW) zoals dat geldt vanaf 1 januari 2025.

Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

gezien het advies d.d. 25 september 2024;

gelet op de artikelen 56, 77 en 108 van de Waterschapswet en

gelet op artikel 4.34 t/m 4.71 van het Waterschapsbesluit en

gelet op de artikelen 16 en 17 van de verordening financieel beleid, beheer en organisatie waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

BESLUIT

1. de nota Waarderen, activeren en afschrijven vast te stellen, onder gelijktijdige intrekking van de op 20 december 2016 vastgestelde nota financieel beleid, onderdeel investeringen kenmerk BBV16.0152

2. specifiek in te stemmen met de volgende nieuwe onderdelen in het activabeleid en/of afwijkingen ten opzichte van het activabeleid vanuit de Nota uit 2016:

  • a.

    Afschrijvingstermijn voor bepaalde stimuleringsmaatregelen aan investeren gelijk te stellen met de afschrijvingstermijn van het actief;

  • b.

    Voor alle fase 100 uren en overige kosten (algemene kosten in de initiatieffase) wordt voorgesteld om deze vanaf 2025 direct ten laste te brengen van de exploitatie en niet meer te activeren;

  • c.

    Subsidiebedragen en bijdragen van derden worden in mindering gebracht op de bruto investeringsuitgaven voor zover er voldoende zekerheid is over de te ontvangen subsidies en bijdragen van derden. Hiervoor wordt het MIP aangepast in de volgende Voorjaarsnota in 2025;

  • d.

    In kredietvoorstellen dient de termijn van het open houden van het krediet te worden genoemd met een start en een gereeddatum;

  • e.

    Met het oog op rechtmatigheid dienen meldingen van afwijkingen op door het Algemeen bestuur vastgestelde kredietbedragen met bijbehorende motivatie zo volledig mogelijk te zijn opgenomen in uiterlijk de laatste bestuursrapportage van het betreffende jaar.

1. Inleiding en aanleiding

1.1 Inleiding

In deze notitie is het activabeleid van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (verder afgekort als “waterschap AGV”) vastgelegd. Rond activa (bezittingen) zijn uitgangspunten vastgelegd in wet- en regelgeving. In de nota “Waarderen, activeren en afschrijven” worden wet- en regelgeving uitgewerkt in kaders en richtlijnen voor het waterschap AGV. Voor de financiële stabiliteit van het waterschap AGV is een bestendige en rechtmatige manier van waarderen, activeren en afschrijven van groot belang.

Het belangrijkste kenmerk van activa is dat het als “bezit” op de balans wordt verantwoord (activeren). De vermindering van de waarde van het bezit mag worden “uitgesmeerd” over meerdere jaren. De waardevermindering komt tot uitdrukking in de jaarlijkse afschrijving die in de begroting en jaarrekening wordt opgenomen.

De begroting van waterschap AGV bestaat uit investeringskredieten (investeringsprojecten) en exploitatiebaten- en lasten. De exploitatiebaten – en lasten worden jaarlijks vastgesteld en vastgelegd in de begroting waarbij de baten en lasten beschikbaar zijn voor alleen het begrotingsjaar. Belangrijk verschil is dat investeringskredieten over meerdere jaren mogen worden verdeeld. De jaarlijkse lasten van de investeringskredieten bestaan uit afschrijvingen en rente en worden opgenomen in de begrotingen onder de noemer kapitaallasten. De investeringen zelf worden geactiveerd en komen met een boekwaarde op de balans.

Om de leesbaarheid van deze beleidsnotitie te vergroten, is geprobeerd om het aantal technische termen te beperken en zoveel als mogelijk te voorkomen. Soms zijn vaktermen echter niet te vermijden. De term activabeleid en de woorden “waarderen, activeren en afschrijven” hebben dezelfde lading en worden om die reden allebei gebruikt in de nota.

1.2 Aanleiding

Tot en met 2024 is het activabeleid van het waterschap AGV gebaseerd op de nota financieel beleid van 2016. In deze nota werden alle beleidsonderdelen behandeld, te weten investeringen, reserves en voorzieningen en weerstandsvermogen. Voor de transparantie en vanwege de complexiteit van elk onderdeel is er voor 2025 voor gekozen om de onderdelen apart vorm te geven en wel in:

Een nota Waarderen, activeren en afschrijven

Een nota Reserves en voorzieningen.

De huidige nota financieel beleid AGV, onderdeel investeringen, is vastgesteld in 2016 en geactualiseerd in 2020. De nota waarderen, activeren en afschrijven is een herijking van het onderdeel investeringen uit de Nota Financieel Beleid AGV 2016. In deze beleidsnota zijn aanpassingen opgenomen als gevolg van veranderingen in wet- en regelgeving per 1 januari 2025. Bestuurlijke inzichten en keuzes ten aanzien van waarderen, activeren en afschrijven zijn meegenomen als koers naar een financieel robuuste positie van het waterschap AGV.

De ingangsdatum van deze beleidsnota is 1 januari 2025.

Met de Beleidsnota Waarderen, activeren en afschrijven die nu voorligt, willen we het volgende bereiken:

1. Voldoen aan de wet- en regelgeving op dit gebied;

2. Een stevige basis leggen voor een robuust financieel beleid;

1.3 Leeswijzer

In de nota Waarderen, activeren en afschrijven wordt nadere toelichting verschaft in:

Hoofdstuk 2 over de algemene landelijke wet- en regelgeving en het beleid dat het waterschap AGV hanteert voor activa;

Hoofdstuk 3 over de verschillende categorieën activa;

Hoofdstuk 4 over de immateriële vaste activa;

Hoofdstuk 5 over materiële vaste activa;

Hoofdstuk 6 over de financiële activa;

Hoofdstuk 7 over het beleid rond waarderen, activeren en afschrijven en;

Hoofdstuk 8 over de handelwijze met rente en renteomslag;

Hoofdstuk 9 over het proces rond aanvragen en afsluiten van kredieten

Bijlage 1 over de te hanteren afschrijvingstermijnen voor activa.

2. Landelijke wet- en regelgeving en AGV-beleid

In het (landelijk geldende) Waterschapsbesluit is al veel bepaald over waarderen, activeren en afschrijven. In dit hoofdstuk wordt ingezoomd op deze landelijke wetgeving en wordt toegelicht welk beleid het waterschap AGV hanteert.

2.1 Landelijke wet- en regelgeving

De regels met betrekking tot begroting en jaarverslaggeving van de waterschappen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit . Van belang hierbij is dat dit hoofdstuk 4 vanaf 1 januari 2025 op onderdelen wijzigt en wel richting het BBV zoals dat voor gemeenten en provincies geldt. In deze Beleidsnota Waarderen, activeren en afschrijven wordt gebruik gemaakt van en verwezen naar hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2025.

In artikel 4.2 lid 1 van het Waterschapsbesluit is vastgelegd dat voor de begroting en jaarrekening het stelstel van baten en lasten wordt gehanteerd. Dit betekent dat niet wordt verantwoord op basis van inkomsten en uitgaven, maar op basis van baten en lasten die aan een boekjaar moeten worden toegerekend. Met andere woorden, uitgaven voor een investering, worden geactiveerd op de balans. Deze uitgaven worden over meerdere jaren als kapitaallasten (rente en afschrijvingen) in de exploitatierekening verantwoord en niet in het jaar dat de factuur wordt ontvangen en/of betaald. In hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit is vervolgens in paragraaf 5 een onderdeel “waardering, activeren en afschrijven” opgenomen.

2.2 Beleid AGV

In de (nieuwe) verordening financieel beleid, beheer en organisatie (2025) zijn de volgende artikelen opgenomen betreffende het financieel beleid, het waarderen, activeren en afschrijven:

Artikel 16 Financieel beleid algemeen

  • 1.

    Het dagelijks bestuur doet voorstellen aan het algemeen bestuur die zijn gericht op een volledig en actueel beleid van het waterschap ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • a.

    Waarderen, activeren en afschrijven van activa;

(…)

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde voorstellen in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, met andere regelgeving die van toepassing is en met de in deze verordening opgenomen aanvullende eisen.

  • 3.

    Indien tijdens de realisatie is afgeweken van de kaders die zijn vastgelegd in het desbetreffende onderdeel van het in het eerste lid bedoelde beleid wordt daarop specifiek ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.

Artikel 17 Waardering en afschrijving van vaste activa

  • 1.

    Het beleid ten aanzien van waardering en afschrijving van activa omvat in ieder geval:

  • a.

    dat investeringen met verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs lager dan €.250.000 niet worden geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd;

  • b.

    dat op gronden en terreinen niet wordt afgeschreven;

  • c.

    de afbakening tussen investering en onderhoud;

  • d.

    de wijze waarop het waterschap omgaat met de bijdragen van eigen personeel, de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend en de mogelijkheid dat een redelijk deel van de kosten van ondersteunende diensten van het waterschap in de vervaardigingsprijs van vaste activa worden opgenomen;

  • e.

    de componentenbenadering;

  • f.

    dat materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en termijnen zoals vermeld in bijlage 2 bij deze verordening;

  • g.

    het moment van starten met afschrijven;

  • h.

    de restwaarde.

  • 2.

    De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen worden niet geactiveerd, Deze kosten worden opgenomen in de exploitatie.

Bovenstaand artikel 17 wordt toegelicht in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 7. Bij sub 1a is het grensbedrag eigen bestaand beleid van AGV. Voor sub 1e, de componentenbenadering, geldt dat deze nog niet in 2025 wordt ingevoerd. Hiervoor is eerst een nadere analyse nodig inzake nut en noodzaak, zie paragraaf 6.4. Sub 2 over de kosten van geldleningen is eigen bestaand beleid van AGV. De modelverordening van de Unie van Waterschappen geeft de waterschappen de vrijheid om een grensbedrag te hanteren voor de kosten van geldleningen.

Overige kaders

Deze nota is opgesteld binnen de uitgangspunten van het coalitieakkoord 2023-2027 en het vastgestelde kader van de Voorjaarsnota 2025-2029.

3. Categorieën binnen de activa

In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de verschillende soorten activa (bezittingen) die er zijn. Activa is een breed begrip. Om die reden wordt kort uitgelegd wat er tot het begrip activa behoort.

3.1 Categorieën binnen de activa

Binnen de activa wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • vaste activa en

  • vlottende activa

al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van het waterschap al dan niet duurzaam te dienen (art. 4.35 Waterschapsbesluit).

Een eenvoudiger omschrijving is dat:

  • vaste activa meestal niet op een korte termijn (binnen een jaar) in geld zijn om te zetten en een meerjarig nut hebben (bijvoorbeeld waterlopen, gebouwen en installaties);

  • vlottende activa, zoals voorraden en vorderingen, wel binnen een jaar in geld omgezet kunnen worden.

3.2 Categorieën binnen de vaste activa

Binnen de vaste activa worden de volgende categorieën onderscheiden:

  • immateriële vaste activa (zie hoofdstuk 4);

  • materiële vaste activa (zie hoofdstuk 5);

  • financiële vaste activa (zie hoofdstuk 6).

4. Immateriële vaste activa

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regelgeving die van toepassing is op de immateriële vaste activa. Per onderdeel wordt aangegeven hoe het waterschap AGV dit in haar beleid verwerkt.

4.1 Wat zijn immateriële vaste activa?

Immateriële vaste activa zijn activa die niet tastbaar zijn en ook niet tot de financiële vaste activa (zie hoofdstuk 6) behoren. In artikel 4.38 van het Waterschapsbesluit staat beschreven welke categorieën er zijn binnen de immateriële vaste activa. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de categorieën die binnen het waterschap AGV van toepassing zijn.

4.2 Bijdragen aan activa van derden

In artikel 4.67 van het Waterschapsbesluit staat dat activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien:

  • a.

    er sprake is van een investering door een derde;

  • b.

    de investering bijdraagt aan de publieke taak;

  • c.

    de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op de wijze zoals deze is overeengekomen met het waterschap AGV; en

  • d.

    de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of het waterschap AGV anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

In artikel 4.70 lid 6 van het Waterschapsbesluit wordt gesteld dat de afschrijvingsduur maximaal gelijk is aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.

Beleid Waterschap AGV:

Waterschap AGV conformeert zich aan artikel 4.70 lid 6 van het Waterschapsbesluit omdat naar verwachting de activa ook voor het waterschap AGV van nut zijn gedurende de periode dat het door de derde wordt geëxploiteerd. Dit is geen afwijking ten opzichte van de nota financieel beleid van 2016 voor wat betreft bijdragen voor waterkwaliteitsspoor en riolering in het buitengebied. Het is wel een afwijking voor stimuleringsmaatregelen aan bepaalde investeringswerken die in de nota financieel beleid van 2016 werden afgeschreven in vijf jaar.

Voor de bijdragen aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wordt niet afgeweken van het heersende beleid om deze kosten direct in de exploitatie te nemen, niet te activeren en dus niet af te schrijven.

4.3 Onderzoek en ontwikkeling

Artikel 4.66 van het Waterschapsbesluit stelt dat kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:

  • het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;

  • de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;

  • het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren, en;

  • de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen, betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.

Artikel 4.70 lid 5 stelt dat de afschrijving van kosten van onderzoek en ontwikkeling ten hoogste vijf jaar is.

Algemene kosten van onderzoek en ontwikkeling mogen vanaf 2025 niet langer worden geactiveerd.

Beleid Waterschap AGV:

Alle fase 100 uren en overige kosten (algemene kosten in de initiatieffase) worden voorgesteld om vanaf 2025 direct ten laste te brengen van de exploitatie en niet meer te activeren. Fase 100 heeft geen specifieke uren en kosten.

Specifieke (dus geen algemene) kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief die worden gemaakt vanaf fase 200 (zie paragraaf 7.3.1), worden geactiveerd en afgeschreven, voor zover:

deze kosten voldoen aan artikel 4.66 van het Waterschapsbesluit: en

gaan leiden tot een daadwerkelijk activum (minimaal € 250.000);

In afwijking van artikel 4.70 lid 5 volgt de afschrijvingsduur vanaf fase 200 de afschrijvingsduur van het actief zoals dat al gebruikelijk was in de nota financieel beleid 2016. In 2025 wordt nader onderzoek gedaan om binnen de meerjarenperiode de eigen apparaatskosten in fase 200 eveneens naar de exploitatie te brengen.

4.4 Afschrijven van uitgaven voor afsluiten van geldleningen

Voor het afschrijven van kosten voor het afsluiten van geldleningen stelt artikel 4.70 lid 4 dat de maximale afschrijvingstermijn gelijk is aan de looptijd van de lening. Het Waterschapsbesluit geeft de aanbeveling om deze kosten niet te activeren en dus niet af te schrijven.

Beleid Waterschap AGV

Net als in de nota financieel beleid van 2016 worden de kosten van het afsluiten van geldleningen direct ten laste van de exploitatie gebracht.

5. Materiële vaste activa

Materiële vaste activa zijn activa die fysiek aanwezig en zichtbaar zijn en die over een langere periode bijdragen aan de doelstellingen van het waterschap AGV.

Tot de materiële vaste activa behoren zowel:

  • activa die in gebruik zijn;

  • de projecten in onderhanden werk; dit zijn investeringen in ontwikkeling (de bouwfase).

5.1 Leasecontracten

Wanneer financiële leasecontracten door het waterschap AGV worden aangegaan, waarvan het economisch risico of eigendom van het actief bij het waterschap ligt, vallen deze op basis van de toelichting op artikel 4.39 lid 1 van het Waterschapsbesluit ook onder de materiële vaste activa. Financiële lease lijkt erg op het kopen van een huis met een hypothecaire lening. De koper wordt wel eigenaar, maar het huis blijft dan onderpand van de bank tot de laatste termijn voldaan is.

Beleid waterschap AGV

Activa waarvoor financiële leasecontracten zijn aangegaan en waarbij het economisch eigendom bij het waterschap berust, moeten als reguliere activa worden beschouwd. Deze activa worden, net zoals in de nota financieel beleid van 2016, op basis van de nominale waarde gewaardeerd.

Hierna zal op enkele specifieke aspecten van de materiële vaste activa worden ingegaan, namelijk:

  • paragraaf 5.1: het onderscheid tussen regulier onderhoud wat tot de exploitatie behoort en investeringen;

  • paragraaf 5.2: Software as a Service (“SaaS”, zie paragraaf 5.2);

  • paragraaf 5.3: de componentenbenadering en deelprojecten

Per onderwerp is eerst de wet- of regelgeving bekeken. Daarna is een doorvertaling naar het beleid van waterschap AGV gemaakt.

5.2 Onderscheid regulier onderhoud versus investeringen

5.2.1 Algemeen

Er wordt dagelijks onderhoud in het beheergebied en aan de assets van waterschap AGV uitgevoerd. Daarin wordt onderscheid gemaakt in onderhoud wat nodig is voor de continuïteit en instandhouding van het werk (regulier onderhoud) en groot onderhoud. Onderhoud is er in principe op gericht een actief in goede staat te houden en ervoor te zorgen dat dit gedurende zijn gebruiksduur goed blijft functioneren. De kosten van dit ‘reguliere’ onderhoud behoren tot de exploitatiekosten en worden niet geactiveerd.

Onder hoofdstuk 4 (oud) van het Waterschapsbesluit was het mogelijk om kosten van groot onderhoud (o.a. voor baggeren) te activeren onder de componentbenadering. Het BBV heeft echter als uitgangspunt dat een object met groot (en klein) onderhoud in goede, oorspronkelijke staat wordt teruggebracht, maar niet van invloed is op de vooraf bepaalde gebruiksduur van het onderhavige object. In dat geval is activering van kosten voor groot onderhoud als materiële vaste activa uitgesloten. Nu hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit meer in overeenstemming is gebracht met het BBV is het activeren van groot onderhoud ook voor waterschappen niet meer mogelijk.

Beleid waterschap AGV

Het onderhoudsbaggeren werd al ten laste van de exploitatie gebracht. Alleen de eigen kosten voor saneringswerken worden geactiveerd. Saneringswerken passen binnen de definitie van een investering (levensduurverlengend en/of kwaliteitsverhogend).

5.2.2 Baggerwerkzaamheden

De toelichting op de nota financieel beleid 2016 gaf aan dat baggerwerken sporadisch voorkomen als onderdeel van een watergebiedsplan en dat dit alleen baggerwerken zijn in het kader van een sanering. Voor saneringsprojecten wordt een afschrijvingstermijn van 25 jaar aangehouden. Het verwijderen van de onderhoudsbagger vindt plaats binnen de reguliere jaarlijkse exploitatiebudgetten.

Beleid Waterschap AGV

Het huidige beleid, zoals hierboven onder 5.2.2 is opgenomen wordt gehandhaafd.

5.3 Software as a Service (SaaS) versus Software On-premise

Software is te onderscheiden in:

  • Software as a Service (“Saas”, zie paragraaf 6.3.1);

  • Software on-premise (zie paragraaf 6.3.2)

In paragraaf 5.3.3 worden de kosten die met software samenhangen behandeld. Ook wordt er in deze paragraaf ingegaan op de financiële verwerking en het beleid dat waterschap AGV op dit punt voert.

5.3.1Software as a Service

Bij Software as a service is de software niet geïnstalleerd op een eigen server of computer. Men spreekt in dit verband ook wel over software on-demand of een cloudoplossing. In dat geval is er geen beschikkingsmacht of juridisch eigendom over de software en is er om die reden geen sprake van een actief, maar de afname van een dienst. De klant hoeft de software niet aan te schaffen, maar sluit bijvoorbeeld een contract per maand per gebruiker af, eventueel in combinatie met andere parameters. De SaaS-aanbieder zorgt voor installatie, onderhoud en beheer, de gebruiker benadert de software over het internet bij de SaaS-aanbieder.

5.3.2 Software on-premise

Software on-premise wordt wel geïnstalleerd op een eigen server of computer. In dat geval is er wel sprake van beschikkingsmacht over de software (en dus een actief) en mogen de bijhorende implementatiekosten wel worden geactiveerd en afgeschreven.

5.3.3 Kosten van software en de financiële verwerking ervan

Bij software spelen de volgende kosten:

  • Jaarlijkse abonnementskosten (in geval van SaaS) en jaarlijkse licentiekosten in geval van On-Premise (de kosten om de software te mogen gebruiken en voor ondersteuning van een helpdesk);

  • Implementatiekosten (de kosten om de software zodanig in te richten, zodat deze gebruikt kan worden voor het doel dat bedacht is). Dit zijn de kosten voor de configuratie (door de leverancier) en de kosten van eigen medewerkers (interne uren).

De richtlijnen voor het verantwoorden van kosten die samenhangen met de implementatie van software as a service zijn in 2022 gewijzigd als gevolg van een uitspraak van de commissie BBV naar aanleiding van gestelde vragen door de Unie van Waterschappen. Dit heeft ertoe geleid dat de eenmalige implementatie-uitgaven voor SaaS-software direct als kosten moeten worden verantwoord, indien de SaaS-software ten opzichte van On-premise in financiële zin de overhand heeft.

Beleid Waterschap AGV

  • Licentiekosten voor een bepaalde tijd worden altijd als exploitatiekosten verantwoord (in het jaar waarop ze betrekking hebben);

  • Licentiekosten voor onbepaalde tijd worden geactiveerd (maar dit komt in de praktijk vrijwel niet meer voor);

  • Implementatiekosten van SaaS oplossingen moeten altijd als exploitatiekosten worden verantwoord;

  • Implementatiekosten van on-premise software worden altijd geactiveerd en afschreven.

Daar waar er sprake is van een mengvorm (een deel SaaS en een ander deel on-premise), is bepalend - voor de vraag of er wel of niet geactiveerd wordt – welk deel in financiële zin de overhand heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij Microsoft 365.

Indien vooraf blijkt dat SaaS in financiële zin de overhand heeft of naar verwachting zal gaan krijgen, worden alle uitgaven als exploitatiekosten verantwoord. Dit laatste geldt ook voor reeds geactiveerde bedragen waarvan de resterende boekwaarde dan als last in de exploitatierekening moet worden verantwoord.

Als on-premise in financiële zin de overhand heeft of naar verwachting zal krijgen, worden de implementatiekosten wel geactiveerd en afgeschreven.

5.4 Componentenbenadering

Door de componentenbenadering ontstaat een financieel beleid en is de afschrijvingstermijn in overeenstemming met de werkelijke verschillende gebruiksduren van de betreffende componenten. Daardoor vallen de kapitaallasten vrij op het moment dat er een vervangingsinvestering moet plaatsvinden. De opsplitsing in componenten wordt bij ingebruikname van het materiaal vast actief bepaald aan de hand van economische/technische levensduur naar aard (procesautomatisering, civieltechnisch, werktuigbouwkundig/mechanisch, elektrotechnisch) en deelproject (bijv. geografisch, haalbaarheidsstudie). Hierbij worden eventuele interne uren en/of niet direct toewijsbare kosten naar rato verdeeld over de componenten.

Beleid Waterschap AGV

In de nota financieel beleid 2016 is niet gekozen voor de componentenbenadering. Beleid was om het aantal te onderscheiden afschrijvingstermijnen beperkt te houden. Dit wordt bereikt door bij bepaalde investeringen, die bestaan uit meerdere componenten, een zo goed mogelijk gewogen gemiddelde te kiezen zodat alle componenten eenzelfde afschrijvingstermijn hebben.

In 2025 wordt nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van de componentenbenadering. In 2025 wordt de componentenbenadering nog niet toegepast.

6. Financiële vaste activa

6.1 Wat zijn financiële vaste activa?

Tot de financiële vaste activa behoren de door het waterschap aan derden beschikbaar gestelde financiële middelen met een looptijd langer dan 1 jaar. Hierbij gaat het onder meer om:

  • aan derden verstrekte langlopende geldleningen en

  • langlopende deelnemingen van het waterschap in (het aandelenkapitaal van) vennootschappen.

6.2 Categorieën binnen de financiële vaste activa

In artikel 4.40 van het Waterschapsbesluit worden de volgende financiële vaste activa onderscheiden:

  • Kapitaalverstrekkingen (aan deelnemingen en verbonden partijen);

  • Langlopende leningen (aan openbare lichamen, deelnemingen en verbonden partijen);

  • Overige langlopende leningen;

  • Uitzettingen (aan o.a. het Rijk met een oorspronkelijke looptijd langer dan 1 jaar).

In paragraaf 6.1 wordt ingegaan op de waardering van financiële vaste activa. Op financiële vaste activa wordt in principe niet afgeschreven. Aflossingen worden in mindering gebracht op de waarde van een financieel vast actief.

Beleid Waterschap AGV

Door het waterschap aan derden beschikbaar gestelde financiële middelen (bijvoorbeeld deelnemingen in Groengas BV of de Nederlandse Waterschapsbank NV), met een looptijd langer dan 1 jaar worden geactiveerd.

7. Waarderings-, activerings- en afschrijvingsbeleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de meer algemene regels, zoals die gelden voor activa op het gebied van:

  • waarderen

  • activeren

  • afschrijven

Voor de waardering zijn er dwingende voorschriften vanuit het Waterschapsbesluit. Voor het overige is er sprake van enige beleidsvrijheid. Dit wordt per onderwerp uitgelegd naar hoe dit voor waterschap AGV geldt. Een afwijking op de dwingende voorschriften wordt steeds per onderwerp toegelicht.

7.1 Waarderen

In artikel 4.69 van het Waterschapsbesluit staat dat activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, waarbij artikel 4.68 lid 2 stelt dat bijdragen van derden die een directe relatie hebben met het actief, in mindering worden gebracht.

De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.

De vervaardigingsprijs bestaat uit;

a. de kosten van aanschaf van de gebruikte grond- en hulpstoffen;

b. de directe uren van medewerkers

c. een opslag op de uren voor overhead

In paragraaf 7.3 wordt het activeren van uren uitgewerkt.

Gronden

Gronden die in erfpacht zijn uitgegeven worden gewaardeerd tegen de uitgifteprijs van de eerste uitgifte. De prijs bij eerste uitgifte van erfpacht is doorgaans gerelateerd aan de waarde van de bijbehorende canon en die canon is veelal gebaseerd op de marktwaarde van de grond bij die eerste uitgifte.

Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, omdat het economische eigendom in dat geval niet meer bij de erfverpachter berust.

Beleid waterschap AGV

Activa wordt, met uitzondering van gronden uitgegeven in erfpacht en financiële leasecontracten, gewaardeerd tegen verkrijgings- en/of vervaardigingprijs (eigen kosten organisatie bij project in eigen beheer). Verworven gronden en terreinen worden ongeacht hun verkrijgingsprijs altijd geactiveerd, dus ook als de verkrijgingsprijs lager is dan het drempelbedrag (zie par 7.2.1). Eventuele boekwinst bij inruil wordt niet in mindering gebracht op de aanschafprijs.

De financiële vaste activa worden gewaardeerd tegen kostprijs, dan wel tegen een duurzaam lagere marktwaarde. Deelnemingen worden tegen de verkrijgingsprijs gewaardeerd. Deelnemingen mogen alleen tegen de marktwaarde worden gewaardeerd als de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Reden voor waardering tegen verkrijgingsprijs, is dat waterschappen uitsluitend deelnemingen mogen hebben vanwege de publieke taak.

Bij aanschaf van een actief, waarbij sprake is van een inruil, wordt de eventuele boekwinst op de inruil ten gunste gebracht van de exploitatierekening en niet ten gunste van de aanschafwaarde. Dit heeft als voordeel dat er beter inzicht in de werkelijke kosten van een actief is.

Activa die ‘om niet’ zijn overgenomen, bijvoorbeeld van de provincie of Rijkswaterstaat zijn normaal in bedrijf en vertegenwoordigen een bepaalde waarde. Deze activa worden opgenomen in de activa administratie en vertegenwoordigen geen waarde op de balans. Hiervoor zal in de jaarrekening een toelichting worden opgenomen.

7.2 Activeren

Artikel 4.65 van het Waterschapsbesluit stelt dat alle investeringen worden geactiveerd. Lid 2 van het artikel maakt een uitzondering voor kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde. Hierna volgen enkele aspecten rond activeren.

Subsidies en bijdragen van derden

Investeringsuitgaven worden op basis van artikel 4.68 lid 2 van het Waterschapsbesluit verminderd met ontvangen subsidiebedragen en bijdragen van derden, wat leidt tot de netto investeringswaarde op de balans. Ontvangen investeringssubsidies of bijdragen van derden worden niet aan een bestemmingsreserve toegevoegd.

Beleid Waterschap AGV

Subsidiebedragen en bijdragen van derden worden in mindering gebracht op de bruto investeringsuitgaven voor zover er voldoende zekerheid is over de te ontvangen subsidies en bijdragen van derden.

7.2.1 Ondergrens/drempelbedrag voor activeren

Elke uitgave die langer dan één jaar ten dienste van het waterschap staat wordt geactiveerd. Er zijn geen landelijke voorschriften omtrent een minimum activeringsbedrag.

Beleid Waterschap AGV

Als we het principe ‘alle uitgaven voor zaken die langer dan een jaar ten dienste van het waterschap staan, worden geactiveerd’ zouden volgen, dan zou dat betekenen dat ook kleine uitgaven voor zaken die langer dan een jaar worden gebruikt moeten worden geactiveerd. Dat zorgt voor een grote lijst met investeringen die administratief veel onnodig werk oplevert. Vanuit praktische overwegingen behouden we voor waterschap AGV het drempelbedrag van € 250.000, conform onze voorgaande nota Financieel beleid AGV 2016.

Dit betekent dat investeringen met een verkrijgings- of vervaardigingsprijs onder dit nettobedrag niet worden geactiveerd, maar ten laste van de exploitatie worden gebracht. Voor investeringen vanaf dit drempelbedrag moet krediet worden aangevraagd. Netto betreft in dit verband de bruto kosten minus verkregen subsidie en andere bijdragen van derden. Een uitzondering hierop is de aankoop van gronden. Gronden worden altijd geactiveerd, ongeacht de hoogte van de verkrijgingsprijs. Aangezien de waarde van grond in principe niet afneemt wordt hierop niet afgeschreven

7.2.2 Tijdstip activeren

Het Waterschapsbesluit geeft geen nadere regel voor het moment van activeren.

Beleid Waterschap AGV

Voor het tijdstip van activeren van uitgaven is er – vanuit efficiencyredenen - administratief eenmaal per jaar sprake van een activeermoment en wel op 31 december. Activa die in eigendom zijn verkregen, worden tot het moment van activeren opgenomen in het onderhanden werk. Op onderhanden werk wordt tijdens de “bouwfase” niet afgeschreven. Het activeren van uitgaven vindt plaats wanneer het actief of delen van het actief gereed is of zijn voor beoogd gebruik. Dit laatste kan ook betekenen dat er binnen een investeringsproject sprake is van meerdere activeringsmomenten (telkens per 31 december).

Uitgangspunt hierbij is en blijft het criterium gereed voor beoogd gebruik, zoals dat ook al gold in de nota financieel beleid 2016. Investeringen of delen van investeringen die per 31 december geactiveerd worden, worden vanaf 1 januari van het volgende boekjaar afgeschreven.

7.2.3 Sloop en- saneringskosten

Het Waterschapsbesluit geeft geen nadere regels voor slopen/saneren.

Beleid waterschap AGV

Een gebouw of werk dat op de grond gebouwd is, kan in aanmerking komen voor sloop, renovatie of verbouwing. De kosten van de sloop van een gebouw of werk worden in de regel als eenmalige kosten in de exploitatie genomen, De kosten mogen alleen worden geactiveerd als de grond onderdeel wordt van het nieuwe materiele actief of als ze de waarde van de grond daadwerkelijke verhogen. Er is bijvoorbeeld zicht op verkoop van de grond. Dit kan als de verwachte verkoopprijs, de boekwaarde (inclusief sloopkosten) overschrijdt.

Kosten van sanering worden in één keer ten laste van de exploitatie gebracht. De kosten geworden gemaakt omdat vanuit wet- en regelgeving sanering/opruimen van vervuiling noodzakelijk is. Er is dan geen keus om het op te ruimen. Investeringen in activa die plaatsvinden om te gaan voldoen aan toekomstige milieu- en saneringswet- en regelgeving, moeten wel worden geactiveerd, Dat is immers toekomstgericht en heeft geen betrekking op het opruimen van vervuiling.

7.3 Activeren van uren eigen personeel en uren/kosten van ingehuurd personeel

In de volgende alinea’s wordt het activeren van uren behandeld. Het gaat hierbij om het toerekenen van (interne) personeelskosten aan investeringsprojecten, op basis van uren x tarief. Er wordt zowel gekeken naar de eisen in wet- en regelgeving, als naar de doorvertaling in het beleid van waterschap AGV.

Activeren van uren als onderdeel van de vervaardigingsprijs

Activa dienen - zoals in artikel 4.69 van het Waterschapsbesluit staat - te worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, waarbij bijdragen van derden die een directe relatie hebben met het actief, in mindering worden gebracht. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.

De vervaardigingsprijs bestaat uit:

a. de kosten van aanschaf van de gebruikte grond- en hulpstoffen;

b. de directe uren van medewerkers

c. een opslag op de uren voor overhead

Artikel 4.69 lid 3 stelt dat de vervaardigingskosten onder andere bestaat uit overige kosten, zijnde de kosten van uren van personeel en ingehuurd personeel welke direct aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.

Beleid Waterschap AGV

Het principe dat alle uitgaven voor zaken die langer dan een jaar ten dienste van het waterschap staan (een investering) worden geactiveerd, betekent ook dat bijdragen van het eigen personeel en personeel van derden aan investeringen in beginsel kunnen worden geactiveerd.

Bij waterschap AGV zijn investeringen en projecten ingedeeld in de volgende fasen:

Fase 100: Initiatieffase, voorbereiding

Fase 200: definitiefase, voorbereiding

Fase 300: ontwerpfase

Fase 400: voorbereidingsfase bestek

Fase 500: realisatiefase

Fase 600: nazorgfase

Als er kosten van de direct aan het project toe te rekenen uren van personeelsleden (inclusief inhuur) en overige kosten worden geactiveerd, dan kan dat mits er wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • De uren zijn besteed aan de investering of het project

  • Er is een krediet verleend

  • Het project is minimaal in fase 200

In 2025 worden alle fase 100 uren en overige fase 100 kosten ten laste gebracht van de exploitatie. Fase 100 heeft geen specifieke uren en kosten.

7.3.1 Opslag voor overhead in het uurtarief

Volgens artikel 4.69 lid 3 van het Waterschapsbesluit kan een redelijk deel van de kosten van de indirecte kosten (ondersteunende diensten) van het waterschap in de vervaardigingsprijs worden opgenomen.

Beleid Waterschap AGV

In de uurtarieven van het eigen personeel is een opslag verwerkt voor overheadkosten. De kosten van de overheadafdelingen (Finance & Control, M&O, AZ, IV/ ICT die zich bezighouden met administratie, informatievoorziening en secretariaat) worden doorbelast, meestal via het aantal fte’s, naar de afdelingen (onder andere Programmeren) die werken met de investeringsprojecten.

7.4 Afschrijven

Afschrijvingen representeren de waardevermindering van een actief in een jaar als gevolg van het gebruik van het betreffend actief. Bij afschrijvingen moet een aantal keuzes worden gemaakt, namelijk rond de afschrijvingsmethode, de afschrijvingstermijn en de eventuele restwaarde.

7.4.1 Afschrijvingsmethode

Artikel 4.70 lid 2 stelt dat afschrijvingen slechts om gegronde redenen op andere grondslagen kunnen plaatsvinden dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. Het hanteren van een bestendige gedragslijn is van belang om zodoende resultaten niet teveel te laten fluctueren.

Beleid Waterschap AGV

Waterschap AGV hanteert de in de waterschapswereld gangbare lineaire methode. Lineaire afschrijving houdt in dat de afschrijving uit een jaarlijks gelijkblijvend bedrag bestaat. Doordat de boekwaarde jaarlijks daalt met de afschrijving, zal ook de rentelast over het vermogensbeslag jaarlijks dalen en daarmee het totaal van de kapitaallasten. Lineair afschrijven brengt met zich mee dat er wel een zwaardere claim op het budget in de eerste jaren wordt gelegd en dat de lasten naar de toekomst gaan dalen. Een uitzondering geldt voor de RZWI West die nog annuïtair wordt afgeschreven.

7.4.2 Afschrijvingstermijnen

Wat betreft de afschrijvingstermijnen van de overige materiële vaste activa geldt dat deze op basis van artikel 4.70 lid 3 van het Waterschapsbesluit moeten worden gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur van de betreffende activa. De afschrijvingen vinden plaats, onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (artikel 4.70 lid 1 van het Waterschapsbesluit). Dat wil zeggen dat het waterschap niet mag kiezen om versneld of vertraagd af te schrijven om op die manier het resultaat van de jaarrekening positief of negatief te beïnvloeden.

Op grond van artikel 4.70 lid 2 van het Waterschapsbesluit is verandering van afschrijvingstermijnen ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar slechts toegestaan als:

  • hiervoor gegronde redenen zijn (dat wil zeggen: als gemotiveerd kan worden dat de betreffende activa langer of korter zullen worden gebruikt dan de oorspronkelijk verwachte periode);

  • de reden van de verandering in de toelichting op de balans wordt opgenomen;

Inzicht wordt gegeven in de gevolgen voor de financiële positie en voor de baten en lasten, aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.

Beleid Waterschap AGV

Naast de verplichte wetgeving zoals hierboven genoemd geldt bij het waterschap AGV:

In bijlage 2 zijn de door AGV te hanteren afschrijvingstermijnen opgenomen.

De termijnen voor materiele vaste activa in deze nota zijn in principe verplicht. Wanneer de feitelijke omstandigheden van een investering dit rechtvaardigen kan van deze termijnen worden afgeweken. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, moet dit worden toegelicht in de betreffende kredietaanvraag. Het hanteren van een bestendige gedragslijn blijft daarbij van belang.

Indien er meerdere afschrijvingstermijnen vallen binnen één project, worden de verschillende afschrijvingstermijnen zo nauwkeurig mogelijk (gewogen) gemiddeld. Voor de grote werken is hiermee al rekening gehouden bij de afschrijvingstermijnen.

De componentenbenadering wordt nog niet gebruikt.

De afschrijving start in het boekjaar volgend op het jaar van investeren.

Voor voorbereidingskosten vanaf fase 200 (niet te verwarren met kosten voor onderzoek en ontwikkeling) van een project is het aanvaardbaar als uitgangspunt te kiezen dat deze worden toegerekend aan het project. De afschrijvingstermijn van de voorbereidingskosten is dan gelijk aan die van het project. Vindt het project achteraf geen doorgang, dan worden de voorbereidingskosten in één keer ten laste van de exploitatie gebracht.

7.4.3 Afschrijving van grond

Vaste activa met een beperkte gebruiksduur moeten jaarlijks worden afgeschreven (art. 4.70 lid 3) en de jaarlijkse afschrijving representeert de waardevermindering in dat jaar. Omdat grond in het algemeen zijn waarde behoudt, wordt daarop in de regel niet afgeschreven. Een uitzondering kan gelden voor gronden die opgaan in infrastructuur en daardoor in waarde verminderen. Voorbeelden zijn aangekochte landbouwgronden die voor een deel worden gebruikt om waterlopen te verbreden en terreinen die gedeeltelijk opgaan in de ondergronden van infrastructurele werken. Door hier wel af te schrijven wordt de waardevermindering tot uitdrukking gebracht.

Beleid waterschap AGV

Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd, ook als de verkrijgingsprijs lager is dan de ondergrens/drempelwaarde van € 250.000 (zie par 7.1) Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

7.4.4 Restwaarde

De meeste materiele vaste activa bij waterschappen kennen geen restwaarde. Dat komt enerzijds omdat het onroerende zaken zijn die, nadat ze zijn afgeschreven, worden vervangen of gerenoveerd, zoals gemalen en zuiveringsinstallaties. Anderzijds betreft het zaken die alleen voor het waterschap een waarde vertegenwoordigen. Het Waterschapsbesluit geeft geen nadere regels voor restwaarde.

Beleid waterschap AGV

Vanuit het voorzichtigheidsprincipe en vanuit administratieve eenvoud wordt het gehele netto investeringsbedrag afgeschreven en houden we geen rekening met een eventuele restwaarde.

7.5 Algemene uitgangspunten

Als algemene uitgangspunten hanteren we bij het waarderen, activeren en afschrijven dat het beleid en regels eenvoudig hanteerbaar, consequent en uitlegbaar zijn. Verder vinden we een bestendige gedragslijn in de tijd belangrijk.

Voor situaties en vragen rond waarderen, activeren en afschrijven die niet zijn opgenomen in de nota Waarderen, activeren en afschrijven, wordt teruggevallen op de landelijke wet- en regelgeving.

8. Renteomslag

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop rentelasten over de kostendragers watersysteembeheer en zuiveringsbeheer worden verdeeld. Over het verdelen van rentelasten staat in het Waterschapsbesluit niets beschreven. Daarom wordt uitgegaan van algemene bedrijfseconomische principes. Daarna wordt de doorvertaling naar het waterschap AGV beleid gemaakt.

8.1 Renteomslagmethode

Voor het toerekenen van rentekosten wordt gebruik gemaakt van de renteomslag-methode. De renteomslagmethode gaat uit van totaalfinanciering. Dit wil zeggen dat er geen verband wordt gelegd tussen individuele activa en de leningen die zijn of worden afgesloten. Er wordt geleend voor het totaal aan investeringen en voor de herfinanciering van aflossingen op bestaande leningen. Hierbij worden de rentelasten periodiek toegerekend aan de kostendragers op basis van de gemiddelde boekwaarde van reeds geactiveerde investeringen gedurende het boekjaar. De toegerekende rente over reeds geactiveerde investeringen komt ten laste van de exploitatie.

Beleid Waterschap AGV

Rentekosten worden toegerekend op basis van de renteomslagmethode die uitgaat van totaalfinanciering.

Hoewel artikel 4.69 lid 3 van het Waterschapsbesluit de mogelijkheid biedt om betaalde rente tijdens de bouwfase van een investering te activeren, wordt vanaf 2025 geen bouwrente toegerekend aan de boekwaarde van het onderhanden werk.

Tevens wordt vanaf 2025 geen bespaarde rente berekend over het eigen vermogen.

Conform art 4.52 rekenen we geen rente over de voorzieningen.

De rentekosten die worden toegerekend, zijn het saldo van de (externe) rentelasten en rentebaten van zowel korte als lange termijn financiering.

8.2 Renteomslagpercentage

Het Waterschapsbesluit verschaft geen regels over de rentetoerekening in een percentage.

Beleid Waterschap AGV

De met de investeringen gemoeide financieringsrente wordt ten laste van de exploitatie geboekt. Als rekenrente wordt de methode van de omslagrente toegepast. De totale rentekosten worden uitgedrukt in een percentage van de totale boekwaarde van de te financieren activa per 1 januari van het begrotingsjaar. De verdeling van rentekosten naar de kostendragers vindt plaats in verhouding van de boekwaarden van de activa, die naar kostendragers zijn gerubriceerd.

9. Proces kredieten

9.1 Aanvragen kredieten (A en B investeringen)

Met het in de (meerjaren)begroting opnemen van investeringen wordt niet automatisch autorisatie verleend voor het doen van die uitgaven. Het bevoegd orgaan met de autorisatiefunctie, het algemeen bestuur, geeft bij de begrotingsbehandeling aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen (A-kredieten). De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd (B-kredieten). B-investeringen zijn investeringen uit het MIP die veelal geen beleidswijziging zijn en/of van operationele aard zijn (geen nieuw beleid), zie verder onderdeel B-investeringen.

Aanvragen van A-kredieten

A-kredieten zijn kredieten voor investeringen waarvan het algemeen bestuur aangeeft bij de begrotingsbehandeling dat hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.

In de investeringsaanvraag wordt aangegeven:

  • de noodzaak, het doel en het beoogd effect van de aanvraag;

  • en de termijn waarbinnen het krediet moet zijn afgesloten en

  • in de financiële paragraaf moet melding worden gemaakt van onder andere de verwachte investeringskosten, het jaar van uitvoering en van in ingebruikname, de afschrijvingstermijn en de kapitaallasten in het eerste jaar en de financiële dekking.

Indien in de aanvraag wordt afgeweken van de vastgestelde grondslagen (afschrijvingstermijn, afschrijvingsmethode), dan dient hiervoor een onderbouwd voorstel in de kredietaanvraag te worden opgenomen. Het voorstel moet expliciet de financiële dekking van de aanvraag bevatten.

Het is gebruikelijk in de raming van de investering een budget onvoorzien op te nemen. In de fase van het voorbereidingskrediet wordt daarvoor een bandbreedte aangehouden in de orde van grootte van 40%. Op het moment dat een uitvoeringskrediet wordt aangevraagd is er inmiddels meer duidelijkheid over de uiteindelijk te verwachten projectkosten. De raming van de post onvoorzien zal bij de aanvraag van een uitvoeringskrediet beperkt blijven tot 10% à 15% van de totale projectkosten.

Kredieten worden begroot op het prijsniveau in het jaar van aanvraag. De uitvoering van een krediet kan langer duren dan een jaar. Daardoor kunnen de werkelijke kosten na verloop van tijd gaan afwijken van de planning, bijvoorbeeld als gevolg van de loon- en prijsontwikkelingen.

Aanvragen van B-kredieten

B-kredieten zijn kredieten voor beleidsarme investeringen en/of van operationele aard zijn, die het algemeen bestuur bij de begrotingsbehandeling autoriseert. Daarnaast zijn het investeringen die passen binnen een reeds vastgesteld pl of programma. Te denken valt aan:

  • waterkeringen

  • maatregelen programma KRW

  • vervangingsinvesteringen uit masterplannen zuiveringsbeheer en technische assets.

In de begroting van het komende jaar wordt aangegeven vanuit het MIP welke kredieten de status B-krediet krijgen. Voor deze investeringen wordt het krediet bij de begrotingsvaststelling ook vastgesteld. Voor B-kredieten dienen in de begroting dezelfde onderdelen (noodzaak, doel, termijn, dekking etc.) te worden aangeven als bij de A-kredieten.

In het MIP zijn ook c-kredieten opgenomen. Voor deze investeringen is het krediet al verleend door het Algemeen Bestuur. Deze c-kredieten hoeven dus niet meer aangevraagd te worden.

9.2 Aanvragen van een voorbereidingskrediet

Bij grote werken wordt gestart met de aanvraag van een voorbereidingskrediet. Het voorbereidingskrediet is vooral bedoeld om meer zekerheid te verkrijgen over de uitvoering van het project en de te verwachten projectkosten.

Voor met name de grotere (bouw-)projecten worden vooral in de eerste projectfasen voorbereidende werkzaamheden en onderzoeken uitgevoerd, die noodzakelijk zijn om tot een planopzet te komen. Dit kunnen zowel externe kosten zijn, als ook personele kosten van de eigen dienst.

Daar waar de kosten van voorbereiding (als onderdeel van de toekomstige gehele investering) een bedrag van €100.000 te boven gaan, moet een aanvraag voor een voorbereidingskrediet aan het algemeen bestuur voorgelegd worden in het MIP bij de Voorjaarsnota. Kosten beneden dit bedrag zullen uit de reguliere exploitatiebegroting worden gedekt.

Verzamelaanvraag

Kredietaanvragen die beleidsarm zijn, zoals vervangingsinvesteringen en voorbereidingskredieten, kunnen in één gezamenlijke aanvraag worden gecombineerd, waarbij het dagelijks bestuur wordt gemachtigd de verdere besluitvorming en voorbereiding ter hand te nemen en het krediet te besteden.

Om de stroom van investeringsaanvragen naar het algemeen bestuur te beperken is het mogelijk om afzonderlijke investeringen in één aanvraag te combineren. Denk daarbij aan programma’s, zoals het dijkverbeteringsprogramma.

9.3 Begroten van- en afwijkingen op kredieten

Begroten van een krediet

In de begrotingen van AGV wordt een Meerjaren Investerings Programma (MIP) opgenomen. In het MIP staan alle investeringen voor de komende vijf jaar. Vanuit het MIP worden de kapitaallasten bepaald en opgenomen in de (meerjaren) begroting. Door de verwachte kapitaallasten te begroten, wordt financiële dekking voor een investering geregeld. In de begroting wordt jaarlijks bepaald welk percentage van de begrote investeringsuitgaven in het MIP wordt meegenomen in de berekening van de kapitaallasten.

Vanuit de begroting wordt jaarlijks verantwoording afgelegd in de bestuursrapportages en de jaarrekening op de investeringsuitgaven ten opzichte van de jaarbegroting.

Vanaf begroting 2025 worden de bruto investeringsbedragen opgenomen in het MIP, evenals de bijdragen van derden en daarmee de netto investering.

Toelichting op het afwijken van het krediet c.q. de begroting

Bij uitvoering van projecten zijn er naast de mutaties op lonen en prijzen meerdere aspecten die positief of negatief van invloed kunnen zijn op de uiteindelijke kosten, zoals bijvoorbeeld de aanbesteding en meer- en minderwerk. Voor het totaal van de verschillen kan mogelijk een beroep worden gedaan op de post onvoorzien binnen de kredietraming. Een procedure, waarbij standaard voor alle loon- en prijsmutaties een aanvullend krediet aangevraagd moet worden, zou voorbijgaan aan de eventuele compensatiemogelijkheden binnen het totale krediet. Daarnaast zijn loon- en prijsontwikkelingen niet beïnvloedbaar. Afwijkingen ten opzichte van het geraamde prijsniveau vanuit loon- en prijsniveau hebben in principe geen effect op de inhoudelijke uitvoering van het project.

Over de afwijkingen ten opzichte van het verleende krediet wordt als volgt gecommuniceerd. Bij afwijkingen groter dan €100.000 is een melding in de periodieke bestuursrapportages vereist. In het jaar van oplevering wordt het juiste prijspeil bereikt. Ook met het oog op rechtmatigheid dienen meldingen van afwijkingen met bijbehorende motivatie zo volledig mogelijk te zijn opgenomen in de eerstvolgende bestuursrapportage van het betreffende jaar.

9.4 Verantwoording in de jaarrekening en afsluiting van het krediet

In de jaarrekening wordt in de kredietstaat per project gerapporteerd over de uitputting van de door het bestuur verstrekte kredieten. Uit de kredietstaat is het totaal van bestedingen af te lezen, het budget en de onder-, dan wel overschrijding van het krediet. Indien het krediet nog in het volgende jaar doorloopt, wordt een indicatie gegeven van het totaal uit te geven bedrag en het jaar waarin het krediet afgesloten zou kunnen worden.

In de kredietstaat is tevens aangegeven welke kredieten in het verslagjaar worden afgesloten. Overigens vindt de financiële afsluiting over het algemeen later plaats dan de oplevering van het project, aangezien er aansluitend een periode van nazorg volgt, waarin nog eventueel kosten ten laste van het project kunnen worden gemaakt. De termijn van start en afsluiten van een krediet wordt opgenomen en toegelicht in het kredietvoorstel.

Aanvullend op de staat wordt in de jaarrekening van de af te sluiten kredieten gemeld wat er is gerealiseerd en of er van het oorspronkelijke plan is afgeweken en wat daarvan de gevolgen zijn.

Bijlage 1 – Afschrijvingstabel

Activum

afschrijvingstermijn

Waterkeringen

Buiten de legger

Binnen de legger

40 jaar

20 jaar

Watergangen

25 jaar

Waterinrichtingsplan

25 jaar

Saneren waterbodems

25 jaar

Gemalen

25 jaar

Verbeteringen, aanpassingen gemalen

Civieltechnisch

Mechanisch

Reële levensduur met maximaal restant looptijd object en niet meer dan 20 jaar

Reële levensduur met maximaal restant looptijd object en niet meer dan 15 jaar

Transportleidingen

40 jaar

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s)

30 jaar

Verbeteringen, aanpassingen rwzi’s

Civieltechnisch

Mechanisch

Reële levensduur met maximaal restant looptijd object en niet meer dan 20 jaar

Reële levensduur met maximaal restant looptijd object en niet meer dan 15 jaar

Slibinstallatie

15 jaar

Werkplaatsen

30 jaar

Grond

Wordt niet op afgeschreven

Overig

o.b.v. geschatte levensduur

Sluis

40 jaar

Toelichting op bijlage 1

Afschrijvingstermijnen

1 Levensduur

Voor afschrijving op materiële vaste activa wordt het aantal jaren gehanteerd dat aansluit op de verwachte gebruiksduur, zijnde de termijn waarin het project/ object zijn nut afwerpt. Dit is de economische levensduur.

Daarnaast is er de technische levensduur, waarmee de termijn wordt bedoeld waarin een object kan blijven presteren, ongeacht in welke mate dit een nuttige bijdrage is.

2 Afschrijvingstermijnen

Gestreefd wordt naar een zo overzichtelijk mogelijk afschrijvingsbeleid, waarbij het aantal te onderscheiden afschrijvingstermijnen beperkt wordt gehouden. Dit wordt bereikt door bij bepaalde investeringsobjecten een zo goed mogelijk gewogen gemiddelde te kiezen voor de afschrijvingstermijn van de verschillende onderdelen binnen die investering.

Dit biedt voor de activa-administratie grote voordelen, omdat daarin kan worden volstaan met één post per investering, zonder een uitsplitsing van verschillende kostencomponenten, waarvoor afzonderlijke afschrijvingstermijnen gehanteerd zouden moeten worden. De afschrijvingstermijn van bepaalde zaken kan soms van wettelijke bepalingen worden afgeleid. In bijlage 2 van de nota is een afschrijvingstabel opgenomen. Onderstaand volgt een nadere toelichting op een aantal specifieke afschrijvingstermijnen.

2.1 Grond

Op geactiveerde aankoop- en verwervingskosten van grond wordt niet afgeschreven, omdat wordt geacht dat de waarde van grond, over een lange termijn gezien, in principe niet afneemt.

2.2 Rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s)

Rwzi’s bestaan uit bouwkundige, mechanische en elektrische delen. De bouwkundige onderdelen gaan veelal 40 jaar of langer mee. Voor de mechanische en elektrische onderdelen wordt een levensduur aangehouden van gemiddeld 15 jaar. Ten opzichte van oudere installaties is het aandeel in de kosten van mechanische/elektrotechnische en met name besturingstechnisch onderdelen toegenomen. Gemiddeld komt het aandeel bouwkundige kosten op ongeveer 50-55% van de totale projectkosten en de mechanisch/elektrische onderdelen op 45%-50%. De gewogen gemiddelde afschrijvingsduur voor een rwzi komt daarmee uit op afgerond 30 jaar.

In de afschrijvingstabel is apart de investering in de aanpassing/verbetering van een bestaande rwzi opgenomen. Het komt in de praktijk voor dat bestaande installaties tussentijds aangepast moeten worden, bijvoorbeeld om reden van wettelijke eisen en normen. Als dit investeringen zijn in mechanische en elektrotechnische onderdelen dan wordt een afschrijvingstermijn van 15 jaar gehanteerd. Worden daarbij civieltechnische voorzieningen getroffen, dan wordt dit afgeschreven over de resterende termijn waarbinnen de oorspronkelijke installatie wordt afgeschreven. Als dit object al is afgeschreven moet voor de nieuwe investering een reële levensduur worden bepaald. Deze termijn moet expliciet in de kredietaanvraag worden vermeld.

Bovenstaande methodiek wordt gevolgd, omdat het niet gewenst is dat aanpassingen aan een installatie opnieuw over 30 jaar worden afgeschreven.

2.3 Gemalen

In afwijking van een rwzi vormen de bouwkundige kosten voor een gemaal een geringer deel van de gehele investering. Doordat de mechanisch/elektrische kosten een groter onderdeel vormen is de gemiddelde afschrijvingsduur gesteld op 25 jaar en is lager dan die voor de rwzi’s. Bij grote aanpassingen, zoals renovatie, wordt dezelfde afschrijvingsmethodiek gevolgd als gemeld onder rwzi’s.

2.4 Waterinrichtingsplannen

2.4.1 Watergebiedsplannen

Doel van een watergebiedsplan is de waterhuishoudkundige situatie in een bepaald gebied te optimaliseren. Een watergebiedsplan is een parapluplan dat zich richt op de (water)inrichting (met voorgesteld peil en waterinrichtingsplan) en beheer en onderhoud van een bepaald gebied (een cluster van polders). In het watergebiedsplan staat de integrale gedachte centraal, waarbij alle aspecten van het watersysteem (waterkwaliteit, waterkwantiteit, grondwater) aan de orde komen. De planvorming, voorbereiding, inspraak, e.d. om te komen tot een nieuw peilbesluit worden tot de reguliere taakuitvoering gerekend, waarvan de kosten ─vooral personele kosten─ ten laste van de exploitatie komen.

2.4.2 Waterinrichtingsplannen

Binnen elk watergebied worden één of meerdere waterinrichtingsplannen opgesteld, waarin verschillende maatregelen kunnen worden voorgesteld ter verbetering van de waterinrichting in het gebied en om uitvoering te geven aan het nieuwe peilbesluit. Dit kan bestaan uit kosten van gemalen en andere waterbouwkundige aanpassingen. Gelet op de duurzaamheid van de te treffen maatregelen wordt een gemiddelde afschrijvingstermijn van 25 jaar aangehouden.

2.4.3 Baggerwerken

Baggerwerken komen sporadisch voor als onderdeel van een watergebiedsplan en kunnen alleen baggerwerken zijn in het kader van sanering. Voor saneringsprojecten wordt een afschrijvingstermijn van 25 jaar aangehouden.

Verwijderen van de zogenaamde onderhoudsbagger vindt plaats binnen het reguliere budget in de jaarlijkse exploitatiebegroting voor baggerwerken en maken per definitie geen onderdeel uit van een investering.

2.5 Voorbereidingskosten

Voorbereidingskosten, inclusief eventuele personele kosten, die ten laste van een project worden geboekt worden over dezelfde termijn afgeschreven als de projectkosten, behalve als dit fase 100 uren betreffen (initiatieffase). Fase 100 uren worden vanaf 2025 direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 28 november 2024.

Het dagelijks bestuur,

dr. Joyce Sylvester, dijkgraaf

Erik Wagener, secretaris