Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743239
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743239/2
Regeling vervalt per 01-09-2030
Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Zuid-Holland
Geldend van 17-01-2026 t/m 31-08-2030
Intitulé
Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Zuid-HollandGedeputeerde staten van Zuid-Holland,
Gelet op artikel 1.3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
Gezien de Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 22 november 2024, nr. WJZ/89410470, houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties, ter ondersteuning van de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties);
Overwegende dat de provincie subsidie beschikbaar wil stellen aan veehouderijondernemingen voor de volledige of gedeeltelijke beëindiging van veehouderij-activiteiten op een veehouderijlocatie, met het oog op een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de desbetreffende veehouderijlocatie, alsmede met het oog op het realiseren van gebiedsspecifieke maatregelen voor natuur, water en klimaat.
Besluiten vast te stellen de volgende regeling:
Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Zuid-Holland
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling en de daarop berustende openstellingsbesluiten wordt verstaan onder:
- -
Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
- -
beekdalen: 2.500 meter zones rond lijnvormige langzaam en snelstromende wateren met R-typen 3,4,5, 9,10,11,12,13,14, 17 en 18;
- -
diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;
- -
kosten derden: kosten, waarvoor een onderneming een factuur van een derde ontvangt en in haar administratie bewaart;
- -
landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
- -
landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;
- -
landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485);
- -
marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marktwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld;
- -
melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet;
- -
minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- -
Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in de Omgevingswet;
- -
natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
- -
omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- -
omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet;
- -
2,5km zone N2000: landbouwareaal in Natura 2000-gebieden, en in een zone van maximaal 2.500 meter rond een Natura 2000-gebied;
- -
productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming;
- -
productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:
- a.
voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat;
- b.
voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
- c.
voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
- a.
- -
referentiejaar: voor de berekening van stikstofemissie van een veehouderijlocatie gebruikte kalenderjaar, als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a en vierde lid;
- -
stalcapaciteit: productiecapaciteit voor het houden van landbouwhuisdieren, uitgedrukt in het aantal dierplaatsen;
- -
stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorieën overeenkomstig artikel 6, tweede lid;
- -
stikstofgevoelig Natura 2000-gebied: Stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland zoals aangewezen in AERIUS Monitor;
- -
taxateur: taxateur die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs;
- -
Unienorm: norm van de Unie als bedoeld in randnummer 33, onder 64, van het landbouwsteunkader;
- -
veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een veehouderijonderneming drijft;
- -
veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderijonderneming, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;
- -
veehouderijonderneming: landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren;
- -
veehouderijonderneming met productierecht: veehouderijonderneming voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;
- -
veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincie Zuid-Holland;
- -
verordening 2022/2472: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, L 327);
- -
vleesrunderen: diercategorieën met codes HA2, HA4, HA5 en HA6 als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling;
- -
zandgrond: zandgrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van de Meststoffenwet.
Artikel 2. Doelgroep
Subsidie op grond van deze regeling kan uitsluitend worden aangevraagd door veehouderijondernemingen die zijn gevestigd in de provincie Zuid-Holland.
Artikel 3. Subsidiabele activiteit
-
1. Subsidie kan worden verstrekt voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.
-
2. Als gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie wordt beschouwd:
- a.
in geval de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort:
- 1º.
de op de veehouderijlocatie gebruikte stalcapaciteit wordt verminderd, onverminderd artikel 14, derde lid, en
- 2º.
het aantal gehouden landbouwhuisdieren wordt verminderd;
- 1º.
- b.
in geval de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten: het houden van alle landbouwhuisdieren van één of meer diersoorten wordt beëindigd.
- a.
-
3. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.
-
4. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan het realiseren van een structurele, blijvende reductie van de stikstofbelasting en stikstofemissie vanuit veehouderijlocaties en het op vrijwillige basis sluiten van veehouderijlocaties om beweging te krijgen in provinciale gebiedsprocessen die gericht zijn op het realiseren van opgaven voor stikstof, water, klimaat en natuur.
Artikel 4 Openstellingsbesluiten
-
1. Gedeputeerde staten stellen nadere regels in de vorm van openstellingsbesluiten vast voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.
-
2. Gedeputeerde staten kunnen in de openstellingsbesluiten, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval nadere regels opnemen met betrekking tot:
- a.
de aanvraagperiode;
- b.
het subsidieplafond;
- c.
subsidiabele activiteiten;
- d.
de geografische begrenzing van het gebied waarvoor de regeling wordt opengesteld;
- a.
-
3. In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv, wordt een aanvraag voor subsidie op grond van deze regeling ingediend binnen de periode genoemd in het openstellingsbesluit.
Artikel 5. Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 2.6 Asv wordt subsidie geweigerd indien:
- a.
de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming drijft en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
- b.
de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie;
- c.
de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld, voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na 26 november 2024;
- d.
de veehouderijonderneming niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming en in verband hiermee zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen;
- e.
de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
- f.
de veehouderijonderneming een onderneming is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader;
- g.
de veehouderijonderneming een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;
- h.
de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;
- i.
de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden;
- j.
de veehouderijonderneming niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij verordening 2022/2472 vastgestelde criteria.
- k.
de subsidieaanvraag is ingediend zonder dat voorafgaand aan de indiening het vooroverleg als bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft plaatsgevonden.
Artikel 6. Subsidievereisten vermindering stikstofemissie
-
1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat de vermindering van de stikstofemissie van de veehouderijlocatie, die met de volledige of gedeeltelijke sluiting wordt gerealiseerd, meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde:
- 1°.
250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;
- 2°.
750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;
- 3°.
750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie.
- 1°.
-
2. De stikstofemissie wordt per diercategorie als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, bepaald door vermenigvuldiging van:
- a.
de emissie van ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling, uitgaand van de emissiefactor die voor het toepasselijke huisvestingssysteem van toepassing is, met;
- b.
het gemiddelde aantal gehouden landbouwhuisdieren van de diercategorie.
- a.
-
3. Bij de toepassing van het eerste lid, wordt voor de bepaling van de bestaande stikstofemissie uitgegaan van:
- a.
het huisvestingssysteem dat van toepassing was en het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld werd gehouden in het kalenderjaar dat twee kalenderjaren voorafgaat aan het kalenderjaar waarin een subsidieaanvraag op grond van deze subsidieregeling is ingediend, en
- b.
artikel 4.6 van de Omgevingsregeling (rekenregels emissie ammoniak), zoals dat luidt op de datum waarop de subsidieaanvraag op grond van deze regeling wordt ingediend.
- a.
-
4. Als de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar.
-
5. Bij de toepassing van het eerste lid wordt in geval van gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de bepaling van de vermindering van de stikstofemissie door de gedeeltelijke sluiting uitgegaan van de vermindering van het aantal dieren, bedoeld in artikel 14 of artikel 15.
Artikel 7. Subsidiabele kosten
-
1. De subsidie aan een veehouderijonderneming voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie omvat:
- a.
een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van productierecht, voor zover sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht;
- b.
een bijdrage in verband met het waardeverlies van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, als gevolg van de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend door het bevoegd gezag;
- c.
een bijdrage in verband met de kosten van het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit;
- d.
een vergoeding van kosten voor leges en planologische procedures, die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten;
- e.
een vergoeding van kosten voor adviesdiensten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten.
- a.
-
2. Onder kosten voor adviesdiensten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt verstaan:
- a.
kosten voor diensten van de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie;
- b.
kosten voor een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder;
- c.
kosten voor een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.
- a.
-
3. De subsidie voor de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde kosten voor adviesdiensten, wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies:
- a.
afkomstig is van een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft;
- b.
een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van de productiecapaciteit;
- c.
niet behoort tot de gewone bedrijfsvoering van de veehouderijonderneming; en
- d.
afkomstig is van een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssysteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435).
- a.
-
4. De in het eerste lid genoemde subsidiabele kosten, komen alleen in aanmerking voor subsidie, indien het redelijk gemaakte kosten betreft die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten en die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader.
Artikel 8. Niet subsidiabele kosten
De kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag komen niet in aanmerking voor subsidie.
Artikel 9. Indiening van subsidieaanvragen
-
1. Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt een vooroverleg plaats tussen de veehouderijonderneming en gedeputeerde staten.
-
2. Ten behoeve van het vooroverleg dient de veehouderijonderneming een formulier in, waarmee de interesse in de subsidieregeling kenbaar wordt gemaakt.
-
3. Tijdens dit vooroverleg dient de veehouderijonderneming schriftelijk een verzoek in bij gedeputeerde staten om, in opdracht van de provincie, een taxatie uit te laten voeren van:
- a.
de marktwaarde van het geheel of gedeeltelijk te vervallen productierecht als bedoeld in artikel 10;
- b.
de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit als bedoeld in artikel 10.
- a.
Artikel 10. Subsidiehoogte
-
1. De bijdrage, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, dat gemiddeld in het referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.
-
2. De in het eerste lid bedoelde waarde wordt in opdracht van de provincie door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk bepaald op basis van:
- a.
de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en
- b.
de omvang van het productierecht dat vervalt.
- a.
-
3. Bij het taxeren van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van indiening van de subsidieaanvraag.
-
4. De bijdrage bedoeld in artikel 7, lid 1, onderdeel b, bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit.
-
5. Het in het vierde lid bedoelde waardeverlies wordt uitsluitend bepaald met een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk.
-
6. Bij het taxeren van de in het vijfde lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van de indiening van de subsidieaanvraag.
-
7. De bijdrage bedoeld in artikel 7, lid 1, onderdeel c, bedraagt 100% van de kosten die zijn gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, mits de opdracht op marktconforme wijze wordt verleend aan een SVMS-007 gecertificeerd sloopbedrijf en wordt uitgevoerd conform de Verificatieregeling Circulair Sloopproject en daarvoor een Projectverificatieverklaring wordt afgegeven.
-
8. Onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop van de productiecapaciteit vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel c.
-
9. De in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de gemaakte kosten voor leges voor vergunningen en planologische procedures.
-
10. De in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, bedoelde bijdrage voor adviesdiensten bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5000,- per veehouderijonderneming, die een subsidieaanvraag indient op grond van deze regeling.
-
11. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.
Artikel 11. Verdelingswijze
-
1. Gedeputeerde staten rangschikken de ontvankelijke subsidieaanvragen op basis van een score die is opgebouwd uit:
- a.
de afstand van de veehouderijlocatie tot de begrenzing van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, zoals weergegeven in tabel 1 van bijlage 4 bij deze regeling, en
- b.
de ouderdom van de te beëindigen stal(len), zoals weergegeven in tabel 2 van bijlage 4 bij deze regeling.
- a.
-
2. Indien een aanvraag betrekking heeft op meerdere stallen, wordt voor het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder b, de gemiddelde score van de betreffende stallen berekend.
-
3. Als toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting, waarbij:
- a.
de eerst getrokken aanvraag als hoogste wordt gerangschikt;
- b.
de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst in aanmerking komt voor subsidie;
- c.
subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.
- a.
Artikel 12. Subsidieverlening
-
1. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat binnen twee maanden na subsidieverlening, of binnen een langere termijn indien gedeputeerde staten daarmee instemmen op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger, tussen de subsidieontvanger en de provincie Zuid-Holland een overeenkomst wordt gesloten, overeenkomstig het toepasselijke model opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 1 (voor volledige sluiting), bijlage 2 (voor gedeeltelijke sluiting met één diersoort) of bijlage 3 (voor gedeeltelijke sluiting met meer diersoorten), waarin een kwalitatieve verplichting is opgenomen als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek betreffende een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de betreffende veehouderijlocatie.
-
2. De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers.
Artikel 13. Verplichtingen bij volledige sluiting veehouderijlocatie
-
1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv heeft de subsidieontvanger, bij subsidieverlening voor de onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie, in ieder geval de volgende verplichtingen:
- a.
niet langer landbouwhuisdieren houden op de veehouderijlocatie uiterlijk vanaf twaalf maanden na subsidieverlening;
- b.
dierlijke meststoffen verwijderen van de veehouderijlocatie binnen twaalf maanden na subsidieverlening;
- c.
voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft, binnen twaalf maanden na subsidieverlening overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:
- -
varkens: 80%;
- -
pluimvee: 80%;
- -
melkvee: 95%;
- -
- d.
al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving binnen twaalf maanden na subsidieverlening:
- 1º.
een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderij-onderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren houdt, of;
- 2º.
mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;
- 1º.
- e.
indien de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de veehouderijlocatie, binnen zes maanden na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een verzoek indienen tot intrekking van de natuurvergunning en bij het verzoek tot subsidievaststelling aantonen dat de natuurvergunning is ingetrokken, tenzij onderdeel f van toepassing is;
- f.
in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, binnen twaalf maanden na subsidieverlening een mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:
- 1º.
op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,
- 2º.
waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft, de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;
- 1º.
- g.
binnen twaalf maanden na subsidieverlening een mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd;
- h.
de voor de veehouderijonderneming op de locatie gebruikte productiecapaciteit wordt binnen achttien maanden na subsidieverlening afgebroken en verwijderd.
- a.
-
2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.
-
3. Indien een subsidieontvanger een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet binnen de genoemde termijn kan naleven, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging van de termijn met maximaal twaalf maanden.
Artikel 14. Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met één diersoort
-
1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv heeft de subsidieontvanger, indien subsidie is verleend voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, in ieder geval de volgende verplichtingen:
- a.
binnen achttien maanden na subsidieverlening verkleinen van de stalcapaciteit door het afbreken en verwijderen van het desbetreffende dierenverblijf of de desbetreffende dierenverblijven;
- b.
bewerkstelligen dat binnen twaalf maanden na subsidieverlening het aantal landbouwdieren dat gemiddeld in een jaar op de veehouderijlocatie wordt gehouden, niet meer bedraagt dan het gemiddelde van het referentiejaar verminderd met het gedeelte waarmee de stalcapaciteit wordt verkleind;
- c.
voor zover de subsidieontvanger een veehouderij met productierecht drijft, binnen twaalf maanden na de datum van de subsidieverlening, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet, een kennisgeving doen van het gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij in vergelijking met de situatie in het referentiejaar ten minste het productierecht voor een zodanige omvang komt te vervallen als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal landbouwhuisdieren waarmee het jaarlijks gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b is verminderd:
- -
varkens: 80%;
- -
pluimvee: 80%;
- -
melkvee: 95%;
- -
- d.
al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving binnen twaalf maanden na subsidieverlening:
- 1º.
een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat het jaarlijks op de veehouderijlocatie gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren overeenkomstig onderdeel b wordt verminderd; of
- 2º.
mededeling doen aan gedeputeerde staten dat op verzoek van de subsidieontvanger het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de veehouderijlocatie zodanig heeft aangepast dat de vergunning nog slechts betrekking heeft op het in onderdeel b bedoelde jaarlijks gemiddeld aantal te houden landbouwhuisdieren;
- 1º.
- e.
binnen twaalf maanden na subsidieverlening mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegd gezag - op verzoek van de veehouder - een besluit heeft genomen, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;
- a.
-
2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het afbreken en verwijderen van het dierenverblijf of de dierenverblijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken:
- a.
voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge lid 1, onderdeel a, verkleinde stalcapaciteit;
- b.
voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.
- a.
-
3. Indien een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de genoemde termijn en de subsidieontvanger acht verlenging van de betreffende termijn wenselijk, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging met maximaal twaalf maanden.
Artikel 15. Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met meer dan één diersoort
-
1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv heeft de subsidieontvanger, indien subsidie is verleend voor de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, in ieder geval de volgende verplichtingen:
- a.
niet langer op de veehouderijlocatie houden van de landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, binnen twaalf maanden na subsidieverlening;
- b.
binnen achttien maanden na subsidieverlening afbreken en verwijderen van het desbetreffende dierenverblijf of de desbetreffende dierenverblijven;
- c.
voor zover de veehouder een veehouderij met productierecht drijft, binnen twaalf maanden na subsidieverlening, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet, een kennisgeving doen van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht voor de desbetreffende diersoort of diersoorten, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de locatie is gehouden:
- -
varkens: 80%;
- -
pluimvee: 80%;
- -
melkvee: 95%;
- -
- d.
al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet binnen twaalf maanden na subsidieverlening:
- 1º.
een omgevingsrechtelijke melding doen bij het bevoegd gezag dat de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten houdt, of;
- 2º.
mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten te houden;
- 1º.
- e.
binnen twaalf maanden na subsidieverlening mededeling doen aan gedeputeerde staten dat het bevoegd gezag - op verzoek van de veehouder - een besluit heeft genomen, op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de veehouderijlocatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of diersoorten die na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie nog gehouden worden, uitgaand van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in het referentiejaar werd gehouden;
- a.
-
2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het afbreken en verwijderen van het dierenverblijf of de dierenverblijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor zover de veehouderijonderneming dat gebouw of die gebouwen langdurig gaat gebruiken:
- a.
voor de veehouderijonderneming, mits dit niet leidt tot een toename van het aantal dierplaatsen ten opzichte van de ingevolge het eerste lid, onderdeel b, verkleinde stalcapaciteit;
- b.
voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.
- a.
-
3. Indien een verplichting, bedoeld in de voorgaande leden, wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de genoemde termijn en de subsidieontvanger acht verlenging van de betreffende termijn wenselijk, dan kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging met maximaal twaalf maanden.
Artikel 16. Voortgangsrapportage
-
1. De subsidieontvanger overlegt een voortgangsrapportage uiterlijk twaalf maanden na de start van de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, en vervolgens jaarlijks zolang de uitvoering voortduurt.
-
2. De rapportage bevat in ieder geval:
- a.
een toelichting op de wijze waarop wordt voldaan aan de verplichtingen, genoemd in artikel 13, eerste lid, artikel 14, eerste lid of artikel 15, eerste lid, met uitzondering van de verplichting tot afbraak en verwijdering van dierenverblijven; en
- b.
de overige informatie die is opgenomen in het format zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
- a.
-
3. De rapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van het format zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
Artikel 17. Bevoorschotting en betaling
-
1. Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van 80% op het verleende subsidiebedrag, dat wordt betaald in twee termijnen.
-
2. Het eerste termijnvoorschot van 60% wordt uitbetaald na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 12.
-
3. Het tweede termijnvoorschot van 20% wordt uitbetaald nadat gedeputeerde staten een voortgangsrapportage hebben ontvangen van de subsidieontvanger, waaruit blijkt dat de subsidieontvanger heeft voldaan aan alle van toepassing zijnde verplichtingen, die zijn genoemd in artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, of artikel 15, eerste lid, met uitzondering van het vereiste om dierenverblijven af te breken en te verwijderen.
-
4. De betaling van het resterende subsidiebedrag vindt plaats binnen 30 dagen nadat gedeputeerde staten de subsidie hebben vastgesteld.
Artikel 18. Gegevensverwerking
-
1. De provincie maakt, met inachtneming van randnummers 112 en 114 van het landbouwsteunkader, na de datum van subsidievaststelling op grond van deze regeling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:
- a.
de naam van de subsidieontvanger;
- b.
de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;
- c.
de datum van de subsidievaststelling;
- d.
het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage ! bij verordening 2022/2472 vastgestelde criteria;
- e.
de provincie op het grondgebied waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt;
- f.
de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.
- a.
-
2. De gegevens die door de veehouderijonderneming zijn verstrekt aan de provincie op grond van deze subsidieregeling, kunnen door de provincie worden verstrekt aan de Minister, voor zover nodig voor:
- a.
de beoordeling of die gegevens overeenkomen met de gegevens waarover de minister beschikt;
- b.
de vaststelling door de minister van de uitkering die de minister heeft verstrekt aan de provincie ten behoeve van deze subsidieregeling;
- c.
het opnemen van depositieruimte in het AERIUS Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling;
- d.
de toepassing van artikel 20.1, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit Leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit, met inbegrip van de verstrekking van die gegevens aan kennisinstellingen met het oog op werkzaamheden ten behoeve van die toepassing.
- a.
Artikel 19. Evaluatie
Gedeputeerde staten zenden in 2027 aan provinciale staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze regeling in de praktijk.
Artikel 20. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2025.
Artikel 21 Werkingsduur en overgangsrecht
Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Artikel 22. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Zuid-Holland.
Ondertekening
BIJLAGE 1, Behorende bij artikel 13 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland.
Modelovereenkomst
Ondergetekenden:
... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en
De Provincie […..], vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........
overwegende:
dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland in artikel 13, eerste lid, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:
- 1°.
niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°.
zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden;
- 3°.
niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;
komen het volgende overeen:
- 1.
De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 13 van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren gaan houden.
- 2.
De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden.
- 3.
De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.
- 4.
De veehouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie, in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, dezelfde diersoorten gaan houden, behoudens voor zover het een locatie betreft waar hij ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds dezelfde diersoorten met productierecht hield.
Datum en plaats:
................, ..........
....
....
(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)
(...
= naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)
.... (...
= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum)
BIJLAGE 2, Behorende bij artikel 14 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland.
Modelovereenkomst
Ondergetekenden:
... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en
De Provincie Zuid-Holland, vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........
overwegende:
dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland in artikel 12, eerste lid, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:
- 1°.
niet meer landbouwhuisdieren te houden dan het aantal dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°.
zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden dan het aantal landbouwhuisdieren, dat overeenkomstig onderdeel b nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie; en
- 3°.
niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het gedeeltelijk beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;
komen het volgende overeen:
- 1.
De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 14 van de regeling, op de locatie niet meer landbouwhuisdieren houden dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2.
De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van meer landbouwhuisdieren dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden;
- 3.
De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van meer landbouwhuisdieren dan het aantal dat overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening nog kan worden gehouden na de gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.
- 4.
De veehouder zal niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
Datum en plaats:
................, ..........
....
....
(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)
(... = naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)
.... (...= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum)
BIJLAGE 3 Behorende bij artikel 15 van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland.
Modelovereenkomst
Ondergetekenden:
... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en
De Provincie Zuid-Holland, vertegenwoordigd door ….., namens deze, ........
overwegende:
dat de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland in artikel 12, eerste lid, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:
- 1°.
niet langer landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten te houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°.
zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren van de desbetreffende diersoort of diersoorten worden gehouden; en
- 3°.
niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het gedeeltelijk beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;
komen het volgende overeen:
- 1.
De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 15 van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten gaan houden waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2.
De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden.
- 3.
De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren van de diersoort of de diersoorten waarop de subsidieverstrekking betrekking heeft en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in.
- 4.
De veehouder zal niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie die diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling gedeeltelijk wordt gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
Datum en plaats:
................, ..........
....
....
(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)
(... = naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)
.... (...= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum)
BIJLAGE 4 Behorende bij artikel 11, eerste lid van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland.
Tabel 1: Afstand van de veehouderijlocatie tot de begrenzing van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied
|
Afstand tot begrenzing Natura 2000-gebied |
Score |
|
Binnen Natura 2000-gebied |
350 |
|
0 meter (direct aan de begrenzing) |
250 |
|
100 meter |
240 |
|
200 meter |
230 |
|
300 meter |
220 |
|
400 meter |
210 |
|
500 meter |
200 |
|
600 meter |
190 |
|
700 meter |
180 |
|
800 meter |
170 |
|
900 meter |
160 |
|
1.000 meter |
150 |
|
1.100 meter |
140 |
|
1.200 meter |
130 |
|
1.300 meter |
120 |
|
1.400 meter |
110 |
|
1.500 meter |
100 |
|
1.600 meter |
90 |
|
1.700 meter |
80 |
|
1.800 meter |
70 |
|
1.900 meter |
60 |
|
2.000 meter |
50 |
|
2.100 meter |
40 |
|
2.200 meter |
30 |
|
2.300 meter |
20 |
|
2.400 meter |
10 |
|
2.500 meter of meer |
0 |
Tabel 2: Ouderdom van de te beëindigen productiecapaciteit
De leeftijd van de jongste productiecapaciteit wordt bepaald op basis van het bouwjaar zoals opgenomen in het taxatierapport.
|
Leeftijd stal (voltooid jaar) |
Score |
|
20 jaar of ouder |
50 |
|
19 jaar |
45 |
|
18 jaar |
40 |
|
17 jaar |
35 |
|
16 jaar |
30 |
|
15 jaar |
25 |
|
14 jaar |
20 |
|
13 jaar |
15 |
|
12 jaar |
10 |
|
11 jaar |
5 |
|
10 jaar of jonger |
0 |
BIJLAGE 5 Behorende bij artikel 16, tweede lid, van de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties provincie Zuid-Holland.
Deel 1: Algemeen
|
Referentienummer |
|
|
Relatienummer van de veehouder bij RVO |
|
|
Naam veehouderij |
|
|
KVK-nummer veehouderijlocatie |
|
|
Uniek Bedrijfsnummer (UBN) |
|
|
Postcode en huisnummer veehouderijlocatie |
|
|
Gemeente veehouderij-locatie |
|
|
In welk(e) gebied(en) ligt de veehouderijlocatie? |
|
|
Om wat voor soort sluiting gaat het? |
Volledig / gedeeltelijk (1 diersoort sluit volledig, maar andere diersoort(en) blijven) / gedeeltelijk (gedeelte van 1 diersoort sluit) |
|
Om welke diersoort(en) gaat de gehele of gedeeltelijke sluiting? |
|
|
Is de veehouderij een PAS-melder? |
Ja/nee |
|
Wat is het totaal van de vergunde stikstofemmissie volgens de natuurvergunning? (kg NH3/j) |
|
|
Heeft de ondernemer een zaakbegeleider? |
|
|
Wat zijn de stalsystemen en (nageschakelde) technieken (RAV) van de te beëindigen stal(len)? |
RAV code(s) |
|
Welk jaar is gebruikt voor het bepalen van het gemiddeld aantal dieren? |
Jaartal |
|
Wat is de stikstofemissiereductie per veehouderijlocatie (kg NH3/j) na de gehele of gedeeltelijke sluiting? |
|
|
Zijn de dieren weg? Zo ja, op welke datum? Zo nee, verwachting van datum? |
Ja/nee Datum Datum |
|
Zijn de meststoffen verwijderd? Zo ja, op welke datum? Zo nee, verwachting van datum? |
Ja/nee Datum Datum |
|
Hoeveel % productierechten zijn er doorgehaald per diersoort? |
Deel 2a: Volledige sluiting
|
Heeft de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Is de omgevingsvergunning milieu voor de locatie ingetrokken of zo aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Als de veehouder beschikt over een natuurvergunning: Is de natuurvergunning voor de locatie ingetrokken? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit genomen: op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer is dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend. |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit genomen: waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft, de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming; |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft de gemeente het verzoek in behandeling genomen om het omgevingsplan zo aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Is de productiecapaciteit van de veehouderijonderneming afgebroken en verwijderd? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Is er een ontheffing gegeven voor het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit? |
Ja/nee |
Deel 2b: Gedeeltelijke sluiting
|
Heeft het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit genomen op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer is dan de stikstofemissie als gevolg van het houden van het aantal landbouwhuisdieren dat nog kan worden gehouden na de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Is de omgevingsvergunning milieu voor de locatie ingetrokken of zo aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie de ingetrokken landbouwhuisdieren te houden? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Als de veehouder beschikt over een natuurvergunning: Is de natuurvergunning voor de locatie aangepast? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding gedaan dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zo aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Heeft het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit genomen op grond waarvan de toegestane stikstofemissie van de locatie niet meer is dan de stikstofemissie als gevolg van het houden van het aantal landbouwhuisdieren dat nog kan worden gehouden na de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Zijn de op de veehouderijlocatie gebruikte dierenverblijven, voor zover zij zijn te relateren aan het aantal landbouwhuisdieren dat niet langer wordt gehouden op de veehouderijlocatie afgebroken en verwijderd? |
Ja/nee |
|
Zo ja, op welke datum? |
Datum |
|
Zo nee, verwachting van datum? |
Datum |
|
Is er een ontheffing gegeven van het vereiste van het verwijderen van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit? |
Ja/nee |
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl