Bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei

Geldend van 01-08-2025 t/m heden

Intitulé

Bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 juli 2025, met nr. 489561

overwegende vast te stellen de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart Ede en de Nota bodembeheer Regio De Vallei.

Besluit

  • 1.

    De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei (17 maart 2025) voor Ede vast te stellen;

  • 2.

    het intrekken van de bodemkwaliteitskaart Regio De Vallei van 2018 en de bodemkwaliteitskaart PFAS Regio De Vallei van 2020.

1 Inleiding

Dit rapport bevat de technische onderbouwing van de actualisatie van de bodemkwaliteitskaart (standaardpakket en PFAS) van de regio De Vallei. De betrokken gemeenten zijn Nijkerk, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen.

Dit rapport richt zich op de technische uitwerking van de bodemkwaliteitskaart. De regels voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaarten voor het standaardpakket en PFAS zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer1.

1.1 Aanleiding

Binnen de regio De Vallei wordt voor het grondverzet gebruik gemaakt van de Nota Bodembeheer en bijbehorende bodemkwaliteitskaart. De huidige bodemkwaliteitskaart voor de regio De Vallei is in 2018 opgesteld door TAUW2 en vastgesteld door de gemeenten Ede, Wageningen, Barneveld, Scherpenzeel en Nijkerk. Ook is er in 2020 een bodemkwaliteitskaart voor PFAS opgesteld3.

De bodemkwaliteitskaart uit 2018 is verlopen en moet daarom geactualiseerd worden. Er is ook de wens om de bodemkwaliteitskaarten voor het standaardpakket en PFAS te integreren tot één kaart.

1.2 Doelstelling en aanpak

De gemeenten willen de bestaande bodemkwaliteitskaart actualiseren om het grondverzet blijvend te faciliteren. De bodemkwaliteitskaart geeft de gemeten achtergrondwaarden weer en dient als wettig bewijsmiddel conform artikel 7.13 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Zo wordt voorkomen dat er voor elke partij grond en ontvangende locatie een partijkeuring c.q. bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

De aanpak op hoofdlijnen voor het opstellen van een bodemkwaliteitskaart is als volgt te omschrijven:

  • 1.

    Indeling van het beheersgebied in homogene deelgebieden, die met betrekking tot bodemgebruik, bodemopbouw en bodembelasting overeenkomstige kenmerken vertonen en waarin een vergelijkbare bodemkwaliteit verondersteld mag worden

  • 2.

    Het per deelgebied vaststellen van de kwaliteit door ten minste het gemiddelde en de 80- en 90-percentielwaarden vast te stellen en deze te toetsen aan de maximale waarden van de generieke bodemkwaliteitseisen Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie, zoals genoemd in de Regeling bodemkwaliteit 2022

  • 3.

    Het vaststellen van de homogene bodemkwaliteitszones

  • 4.

    Het vaststellen van de milieutechnische uitgangspunten voor het grondverzet

  • 5.

    Het beschrijven van de gevolgde werkwijze en de gehanteerde uitgangspunten

2 Werkwijze

2.1 Beleidskader

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2022. Voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is een Handreiking bodemkwaliteitskaarten4 opgesteld. In deze handreiking staan aanvullende regels en aanwijzingen voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart.

De handreiking bodemkwaliteitskaarten is bedoeld voor het gebruik van bodemkwaliteitskaarten:

  • Voor het toepassen van grond en bagger op bodem

  • Als bewijsmiddel van kwaliteit van vrijkomende grond en bagger. In dit kader zal de bodemkwaliteitskaart alleen worden opgesteld voor vrijkomende grond, aangezien waterbodem geen onderdeel uitmaakt van deze kaart

Binnen het Besluit bodemkwaliteit wordt er onderscheid gemaakt in twee toetsingskaders:

  • Algemene regels (voorheen: generiek beleid)

    In deze situatie gelden de algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving voor de toepassing van grond

  • Maatwerk (voorheen: gebiedsspecifiek beleid)

    Door het opstellen van maatwerk kan het bevoegd gezag afwijken van de algemene regels uit het Besluit bodemkwaliteit. In de nota bodembeheer heeft de Omgevingsdienst De Vallei gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Dit is een vorm van maatwerk dat onder het overgangsrecht valt en nog geldig is. Om deze rapportage aan te laten sluiten bij de nota bodembeheer wordt in dit rapport ook gesproken over gebiedsspecifiek beleid in plaats van maatwerk. Meer informatie over het gebiedsspecifiek beleid van de regio De Vallei is te vinden in paragraaf 2.2

Het beleidskader voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart is gevormd door de Regeling bodemkwaliteit 2022. De regels over (onder andere) het toepassen van grond zijn te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.2 Nota Bodembeheer Regio De Vallei

Het belangrijkste beleid dat relevant is voor deze bodemkwaliteitskaart is samengevat in deze paragraaf. Meer details zijn te vinden in de Nota Bodembeheer.

Afwijkende functieklassen

De bodemfunctieklassenkaarten van de gemeentes Nijkerk, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen zijn in oktober 2022 geactualiseerd bij het uitbrengen van de Nota Bodembeheer. Bij het indelen van de homogene deelgebieden is onder andere de bodemfunctiekaart als uitgangspunt genomen, daarom is de functiekaart ongewijzigd gebleven.

De functieklassekaart is weergegeven in bijlage 2. In enkele gebieden wijkt de daadwerkelijke functie af van de functie die op de functiekaart zichtbaar is, gezien de schaal van de kaart. Deze gebieden zijn daarom tekstueel gedefinieerd. Het betreft:

  • Moes- en volkstuinen, speeltuinen en parken. Deze zijn op de kaart overwegend ingetekend als functie wonen, maar vallen onder functie landbouw/natuur

  • Wegen en sporen inclusief bermen. Deze hebben de functie industrie maar zijn ingetekend als de omliggende klasse

Afwijkende toepassingseisen

De omgevingsdienst De Vallei maakt voor de bovengrond gebruik van gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond binnen de regio. Dit gebiedsspecifieke beleid komt er op neer dat voor de bovengrond de functieklasse leidend is voor de toepassingseis wanneer de grond uit het eigen beheergebied afkomstig is. Voor PFAS moet wel altijd aan de eisen voor landbouw/natuur worden voldaan (zie ook nota bodembeheer paragrafen 3.5.6, 3.5.7 en 3.5.8).

Door dit gebiedsspecifieke beleid kan in gebieden waar de bodemfunctie industrie is, ook grond met een bodemkwaliteitsklasse industrie toegepast worden, ook als de kwaliteit van de ontvangende bodem landbouw/natuur is. Een belangrijk aandachtspunt hierbij zijn de bovengenoemde afwijkende functiegebieden. Moes- en volkstuinen, speeltuinen en parken hebben de toepassingseis landbouw/natuur. Wegen en sporen hebben de toepassingseis industrie.

Minerale olie

Binnen het beheergebied komt het regelmatig voor dat een partij grond beperkt toepasbaar is of wordt afgekeurd enkel op basis van het gehalte aan minerale olie. Dit speelt vooral bij zandige bodems met een laag organisch stofgehalte. Bij deze gronden wordt het gemeten minerale olie gehalte sterk gecorrigeerd door het lage organische stof gehalte. Hierdoor wordt de afzet voor geschikte grond beperkt wat leidt tot onnodige kostenverhoging bij projecten. De regio hanteert daarom de volgende regel ten aanzien van minerale olie:

  • Bij gemeten gehalten voor minerale olie onder de 100 mg/kg d.s. wordt de normstelling voor minerale olie niet gecorrigeerd voor organische stof

Overig gebiedsspecifiek beleid

In de nota bodembeheer zijn ook afwijkende regels te vinden voor de volgende onderwerpen:

  • Asbest in grond. Zie paragraaf 3.5.1 van de Nota

  • Invasieve exoten. Zie paragraaf 3.5.3 van de Nota

  • Bodemvreemd materiaal. Zie paragraaf 3.5.4 van de Nota

  • Grondverzet in (spoor)wegen en/of taluds of wegbermen. Zie paragraaf 3.5.9 van de Nota

  • Grondverzet dieper dan 2 m-mv. Zie paragraaf 3.5.10 van de Nota

2.3 Aanpak opstellen bodemkwaliteitskaarten

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de handreiking voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten. In deze handreiking worden 8 stappen onderscheiden:

  • 1.

    Opstellen programma van eisen

  • 2.

    Vaststellen onderscheidende kenmerken

  • 3.

    Gegevensverzameling en gegevensbewerking

  • 4.

    Indelen beheergebied in deelgebieden

  • 5.

    Controle indeling van het beheergebied

  • 6.

    Verzamelen aanvullende informatie

  • 7.

    Vaststellen bodemkwaliteitszones

  • 8.

    Opstellen kaartlagen

Onderdeel van het opstellen van een bodemkwaliteitskaart is het uitvoeren van een vooronderzoek conform NEN 5725 aanleiding E5. Dit vooronderzoek is gericht op het verzamelen van informatie en beoordelen of deze informatie voldoende en actueel is. Het vooronderzoek is dan ook onderdeel van meerdere stappen uit de handreiking.

In stap 1 zijn de beleidsmatige en technisch inhoudelijke keuzes gemaakt. Deze vormen het kader waarbinnen de bodemkwaliteitskaart tot stand is gekomen. Hierbij hoort onder andere het (deel van het) beheergebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld (paragraaf 3.1) en de diepte en het aantal te onderscheiden dieptetrajecten waarover de bodemkwaliteitskaart een uitspraak doet (paragraaf 3.1). Daarnaast valt ook de stoffenlijst die opgenomen is in de bodemkwaliteitskaart onder deze fase (paragraaf 3.2).

In stap 2 is vastgesteld welke kenmerken binnen het beheergebied een belangrijke rol spelen bij het definiëren van deelgebieden. Zie paragraaf 3.3 en 3.4.

In stap 3 is de informatie die van het beheergebied beschikbaar was, verzameld en geschikt gemaakt voor de verwerking tot een bodemkwaliteitskaart. Hiertoe is bodeminformatie uit de bodeminformatiesystemen digitaal aangeleverd in XML-format. Zie paragraaf 4.1 en 4.2 voor de uitwerking.

In stap 4 is het beheergebied ingedeeld in deelgebieden. Zie hoofdstuk 3 voor de uitwerking.

In stap 5 zijn de statistische kentallen bepaald en is op basis van alle verzamelde informatie bepaald of de indeling in deelgebieden van stap 4 juist is. Zie hoofdstuk 5 voor de uitwerking.

In stap 6 zijn aanvullende gegevens verzameld. Zie paragraaf 4.3.

In stap 7 zijn de bodemkwaliteitszones definitief vastgesteld. Zie hoofdstuk 6.

In stap 8 zijn de toepassingseisen geformuleerd volgens het generieke en gebiedsspecifieke kader waarin de kaart functioneert. Deze stap is opgenomen en onderbouwd in de nota bodembeheer. Hierbij functioneert de kaart in het kader van het gebiedsspecifieke beleid.

3 Programma van eisen en vooronderzoek

3.1 Beheergebied en dieptetrajecten

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor het beheergebied van de regio De Vallei. Het betreffende beheergebied is aangegeven in figuur 3.1.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3.1 Beheergebied gemeenten Nijkerk, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen

In de regio De Vallei zijn drie grondwaterbeschermingsgebieden en/of waterwingebieden aangewezen. Deze liggen in de gemeenten Nijkerk, Ede en Wageningen. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden gelden afwijkende toepassingsnormen. Hiervoor gelden de regels uit de provinciale verordening.

Rijkswegen, provinciale wegen en overige gebieden in het beheer van Rijk, de Provincie of het Waterschap zijn geen onderdeel van het beheergebied van gemeenten. Ten opzichte van de vorige bodemkwaliteitskaart zijn er geen wijzigingen in de beheergebieden van de gemeente.

De bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor de boven- en ondergrond waarbij de volgende dieptetrajecten aangehouden worden:

  • Bovengrond: 0-0,5 m -mv

  • Tussenlaag: 0,5-1,0 m -mv

  • Ondergrond: 1,0-2,0 m -mv

De verwachting is dat vooral de kwaliteit van de bovengrond beïnvloed is door menselijke activiteiten en dat de kwaliteit van de tussenlaag en/of ondergrond gelijk of beter zal zijn. Deze indeling wordt op basis van statistiek verder beschouwd en waar mogelijk worden lagen samengevoegd. Voor deze beschouwing wordt verwezen naar hoofdstuk 5.

3.2 Opgenomen stoffen

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de volgende stoffenpakketten:

  • Standaardpakket conform NEN 5740:

    • -

      Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK (10), PCB (som 7) en minerale olie

  • PFAS 28 pakket handelingskader PFAS:

    • -

      PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHxA, PFHpA, PFOA, PFOAvertakt, PFNA, PFDA, PFUnDA, PFDoA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDAc PFODA, PFBS, PFPes, PFHxS, PFHpS, PFOS, PFOS vertakt, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, N-MeFOSAA, N-MeFosa, 8:2 diPAP

3.3 Onderbouwing bodemkwaliteitszones

De bodemkwaliteitskaart toont de algemene achtergrondconcentratie van een gebied. Er zijn locaties waarvan verwacht wordt of bekend is dat de kwaliteit afwijkt. Locaties met een (naar verwachting) slechtere kwaliteit zijn uitgesloten. Dit zijn locaties waar verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden, een slechtere kwaliteit is vastgesteld, die (gedeeltelijk) gesaneerd zijn of niet onder het beheergebied vallen van de betrokken gemeente.

Er is een vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5725 aanleiding E. Onderdeel van het vooronderzoek is om te bepalen:

  • Welke puntbronnen aanwezig zijn

  • Welke (vermoedelijk) sterk verontreinigde locaties aanwezig zijn

Voor zowel het standaardpakket als PFAS is er gekeken of er deelgebieden aan te wijzen zijn op basis van:

  • Onderscheidende kenmerken in bodemopbouw en geomorfologie

  • Ontwikkeling van het beheergebied

  • Functies in het gebied

  • Verdachte locaties

  • Aanpassing bodemkwaliteitszones

Deze factoren kunnen namelijk invloed hebben op de (verwachte) verontreinigingen in het gebied en daarmee de indeling in zones.

Bodemopbouw en geomorfologie

Informatie over de bodemopbouw van de regio is te vinden op de BRO bodemkaart van Nederland6. Hieruit blijkt dat de bodemopbouw in verschillende gemeenten afwisselend is. De bodemopbouw bestaat voornamelijk uit zand en lemige gronden. Hierbij zijn de lemige gronden voornamelijk in het westen te vinden. Deze gronden hebben als hoofdzakelijk gebruik landbouw en wonen. In het oosten van het beheergebied bevindt zich de Veluwe. Dit gebied bestaat vrijwel uitsluitend uit hoger gelegen zandgronden en is voor een groot deel afgesloten natuurgebied. Derhalve is er ook weinig bodemdata beschikbaar binnen dit betreffende gebied. De overgang van de Vallei naar de Veluwe is goed te zien in het hoogte profiel van het beheergebied zoals weergegeven in figuur 3.2

Naast de lemige en zandige gronden zijn er ook enkele klei- en veengronden aanwezig binnen het beheergebied. Dit is het noorden van de gemeente Nijkerk en het zuiden van de gemeente Wageningen die aan maritieme en fluviale invloeden onderhevig waren en zijn. Deze zijn op de hoogtekaart in het noorden van de gemeente Nijkerk ook te herkennen aan het meest laaggelegen gebied (donkergroen).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3.2 Hoogteprofiel in de regio. Blauwe en groene gebieden liggen lager (< 10 m NAP) dan gele en rode gebieden (> 10 m NAP) (bron:AHN4 DSM 50 cm)

Ontwikkeling van het beheergebied

In bijlage 6 is per gemeente kort toegelicht hoe de steden, dorpen en buurtschappen zich door de tijd hebben ontwikkeld. Hier is een beknopte samenvatting gegeven. De ontwikkeling van het beheergebied is van belang, omdat het een indicatie kan geven van de verwachte bodemkwaliteit. Hierbij speelt bijvoorbeeld de ouderdom van de bebouwing mee. Oudere kernen hebben vaak een slechtere kwaliteit.

Vanzelfsprekend zijn alle woonkernen in de loop van de tijd gegroeid. Met name in de grotere plaatsen is dit duidelijk te zien. De grootste groei is te zien sinds de jaren ’60, daarom zijn in bijlage 6 historische kaarten van de jaren ‘60 vergeleken met kaarten van nu.

Verdachte locaties

Enka terrein

Vanaf 1922 was een kunstzijdefabriek van het bedrijf ENKA gevestigd in de gemeente Ede. In de 20ste eeuw groeide ENKA uit tot een grote speler in de kunstvezelindustrie. De bedrijfsactiviteit van ENKA in Ede heeft aangehouden tot 2002. Hierna heeft het terrein een woonbestemming gekregen. De bedrijvigheid van ENKA heeft gedurende de 20ste eeuw bodemverontreinigingen veroorzaakt. De verontreinigingen betreffen verontreinigingen met zware metalen in grond en VOCl in grondwater.

Over het gehele ENKA-terrein is een leeflaag aangebracht van 1,0 m-mv dikte. Onder deze leeflaag zijn plaatselijk nog sterke verontreinigingen te verwachten. Op het terrein is een beschikking in het kader van de Wet Bodembescherming afgegeven. Het ENKA-terrein is daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

Stortlocaties

In de regio zijn meerdere voormalige en actieve stortlocaties aanwezig van verschillende omvang. Alle stortplaatsen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

Aan de A1 in Barneveld bevindt zich een grootschalig actieve stortplaats en grondstoffenverhandelaar (bijvoorbeeld, granulaten, zand, grind en beton). Deze locatie is op basis van kadastrale contouren uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

Kleinere stortplaatsen zijn tevens uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Locaties hiervan dienen aan het licht te komen in het vooronderzoek en zijn niet in de kaarten weergegeven.

Uiterwaarden

In de uiterwaarden van Wageningen bevinden zich (voormalige) steenfabrieken en stortplaatsen. Aangezien deze activiteiten zich in de uiterwaarden bevinden vallen deze onder het beheer van het waterschap. Hierom zijn deze activiteiten niet relevant voor de op te stellen bodemkwaliteitskaart.

Asbest

In de regio komt asbest op meerdere locaties voor. Dit is grotendeels te relateren aan het gebruik van asbest in gebouwen. De verdenking op asbest is over het algemeen locatiegebonden en is daarmee geen diffuus probleem. Uitzonderingen hierop kunnen zijn asbestverdachte wegen. Deze verdenkingen op asbest dienen aan het licht te komen uit het vooronderzoek.

Afvalwaterzuiveringsinstallaties en rioolwaterzuiveringsinstallaties

Binnen het beheergebied bevinden zich meerdere rioolwaterzuiveringsinstallaties en rioolgemalen. Deze locaties zijn onder andere verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen vanwege de aanwezige slibvelden. Slib heeft een goed hechtend vermogen waardoor verontreinigingen zich hechten. Locaties met rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen uit het standaardpakket, PFAS en vluchtige aromaten.

Militaire (oefen)locaties

Er zijn diverse militaire terreinen en complexen aanwezig binnen het beheergebied. Deze locaties zijn afgesloten en niet toegankelijk en hebben een andere functie dan het omliggende functiegebied. Daardoor kan er geen inschatting worden gemaakt van de bodemkwaliteit ter plaatse van de betreffende locaties. Deze locaties zijn daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

Openbaar toegankelijke militaire terreinen hebben geen eigen klassen en vallen in de omliggende klasse en zijn niet uitgesloten.

Agrarische erven

In de regio zijn veel agrarische gebieden. Deze gebieden zijn in principe opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Erven zijn echter uitgesloten.

Boomgaarden

In regio De Vallei ten westen van Wageningen, Bennekom en Ede bevinden zich veel boomgaarden voor de fruitteelt. Deze boomgaarden zijn naast het standaardpakket ook verdacht op verontreinigingen met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s). (Voormalige) boomgaarden zijn daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, tenzij is aangetoond dat er geen bestrijdingsmiddelen zijn toegepast of dat de bodem niet met deze parameters verontreinigd is. In het vooronderzoek dient hier extra aandacht aan besteed te worden.

Branden en gebruik van blusschuim

Uit informatie van de Veiligheidsregio Gelderland-Midden blijkt dat niet wordt bijgehouden waar blusschuim toegepast wordt. Hierdoor is niet vast te stellen welke locaties verdacht zijn ten aanzien van PFAS wegens het toepassen van blusschuim. Momenteel voert de Provincie Gelderland onderzoek uit naar PFAS bij verdachte locaties7. In dit onderzoek worden locaties onderzocht die in de buurt liggen van waterwingebieden, waterreserveringsgebieden, woonwijken en speelplaatsen welke verdacht zijn van PFAS-verontreiniging.

BRZO-bedrijven

Uit informatie van de Omgevingsdienst blijken er meerdere BRZO8 -bedrijven aanwezig te zijn.

Deze bedrijven werken met gevaarlijke stoffen. Deze bedrijven zijn dan ook verdacht aan een ruim palet van stoffen. De terreinen van deze bedrijven zijn geen onderdeel van de bodemkwaliteitskaart omdat het verdachte locaties betreft.

Voormalige Gasfabrieken

Twee locaties waar voormalige gasfabrieken zaten zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart vanwege de aanwezigheid van mogelijke achtergebleven restverontreinigingen (Kallenbroekerweg te Barneveld en Schaapsweg 2B te Ede).

Lintvormig diffuus belaste gebieden

In de regio De Vallei zijn meerdere lintvormige diffuus belaste gebieden. Dit zijn woonkernen die zijn begonnen als lintbebouwing en vaak uitgegroeid zijn naar dorpen, maar ook rijkswegen, de provinciale wegen, de gemeentelijke wegen en de spoorwegen.

De oude woonkernen welke ontstaan zijn uit lintbebouwing zijn met name verdacht op zware metalen en PAK. Deze woonkernen zijn met name opgenomen in het deelgebied ‘Kleine kernen’.

Overige lintvormige diffuus belaste gebieden (wegen en spoorwegen inclusief bermen) zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

3.4 Uitgesloten locaties van de bodemkwaliteitskaart

In dit vooronderzoek voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is geen volledige lijst opgenomen van verdachte locaties. Hiervan is afgezien omdat het een dynamisch overzicht is. Een dergelijke kaart zou snel verouderen. Door middel van het uitvoeren van een vooronderzoek volgens de NEN 5725, aanleiding F kan bepaald worden of een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of eerder aangetoonde verontreinigingen. In deze gevallen geldt de bodemkwaliteitskaart niet en is het uitvoeren van een partijkeuring of bodemonderzoek noodzakelijk.

Dergelijke locaties welke in paragraaf 3.3 zijn uitgewerkt betreffen het volgende:

  • Uiterwaarden (beheer waterschap)

  • ENKA-terrein

  • Voormalige en actieve stortlocaties

  • Afvalwaterzuiveringsinstallaties

  • Rioolwaterzuiveringsinstallaties

  • Afgesloten militaire terreinen

  • Agrarische erven

  • Boomgaarden

  • BRZO bedrijven

  • Voormalige gasfabrieken

  • Wegen en sporen inclusief bermen

3.5 Aanpassing bodemkwaliteitszones

Ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaart hebben er wijzigingen plaatsgevonden van de in te delen homogene deelgebieden. Bij deze wijzigingen was de bodemfunctiekaart een belangrijk uitgangspunt. Ook zijn de grenzen van de homogene deelgebieden zoveel mogelijk langs kadastrale grenzen gelegd. Hierbij zijn de volgende afwegingen gemaakt:

  • Op basis van gegevens van de BAG-viewer zijn inschattingen gemaakt over de gemiddelde ouderdom van bebouwing in een gebied. Hieruit bleek dat de zone ‘Wonen voor 1945' in veel gevallen iets te klein was. Daarom is de zone op meerdere plaatsen uitgebreid, waarbij de begrenzing langs kadastrale grenzen gelegd is. Gebieden met significante aanwezigheid van bebouwing voor 1945 zijn hierbij toegevoegd aan het deelgebied Wonen voor 1945. Het betreft enkel uitbreidingen van deelgebieden, er zijn geen deelgebieden ingeperkt of nieuwe niet-aaneengesloten gebieden gecreëerd

  • De deelgebieden ‘Wonen na 1945’ en ‘Kleine kernen’ zijn uitgebreid op basis van de bodemfunctiekaart en de BAG viewer. Hierbij is gekeken naar gebieden die op basis van de oude homogene deelgebiedenkaart in landbouw/natuur vallen, maar op de bodemfunctiekaart in wonen vallen. Indien in een dergelijk gebied het grootste deel van de bebouwing uit voor de eeuwwisseling (2000) stamt dan zijn deze gebieden toegevoegd aan het betreffende aangrenzende deelgebied (‘Wonen na 1945’ of ‘Kleine kernen’). Bebouwing gebouwd na 2000 wordt beschouwd als nieuwbouw waarbij gelet is op moderne milieukundige wet- en regelgeving. Hiervoor wordt aangenomen dat de bodemkwaliteit niet is gewijzigd door het gebruik als woongebied

  • Recreatieparken (> 50 woningen) en landelijk gelegen woonwijken (bijvoorbeeld Wageningen Hoog) krijgen op de bodemfunctiekaart klasse wonen. Hiermee komt de functieklasse overeen met het gebruik. Gezien het meer extensieve gebruik van deze locaties en de landelijke ligging wordt verwacht dat dit soort gebieden met betrekking tot bodembelasting meer overeenkomt met het landelijk gebied. Daarom zijn deze gebieden, net als in de vorige versie van de bodemkwaliteitskaart, opgenomen in zone ‘Overig’

4 Dataverzameling en uitgevoerde werkzaamheden

4.1 Voorbewerking van de aangeleverde XML-gegevens

Door de omgevingsdienst De Vallei zijn XML-gegevens aangeleverd uit het bodeminformatie-systeem (BIS) Nazca. De dataset is vervolgens bewerkt om enkel relevante data over te houden. De relevante waarnemingen zijn weergeven in bijlage 1. Voor de bewerking van de dataset gelden de volgende zaken:

  • Data ouder dan 10 jaar (voor 1 januari 2014) zijn verwijderd uit de dataset

  • Data van de afgelopen vijf jaar (2019-2024) zijn vergeleken met data van vijf tot tien jaar geleden (2014-2018). Uit deze vergelijking zijn geen significante verschillen naar voren gekomen. Daarom zijn deze data samengevoegd om tot een dataset te komen van 10 jaar. Dit is conform de Handreiking bodemkwaliteitskaarten die stelt dat, indien is aangetoond dat de data een vergelijkbare bodemkwaliteit aantoont, alle beoordeelde data meegenomen moet worden

  • Data zonder XY-coördinaten op boring- of projectniveau zijn niet meegenomen, omdat deze niet aan een zone gekoppeld kunnen worden

  • Grondwatermonsters en waterbodemmonsters zijn uit de dataset verwijderd

  • Enkel analyses binnen het standaardpakket bodem en PFAS-28-pakket zijn meegenomen in de dataset

  • De volgende typen onderzoek zijn meegenomen in de selectie:

    • -

      Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (mogelijk in combinatie met asbestonderzoek conform NEN 5707)

    • -

      Oriënterend onderzoek

    • -

      Aanvullend rapport

    • -

      Eind- of nulsituatie onderzoek

  • Van een aantal waarnemingen was het humus/lutum gehalte niet bekend voor het standaardpakket. Deze waarnemingen zijn aangevuld door uit te gaan van het gemiddelde organische stof- en lutumgehalte van de desbetreffende zone en laag

  • Voor het berekenen van de statistische kentallen in percentielbladen zijn de rekenregels volgens BoToVa toegepast. Voor de omrekening naar standaardbodem wordt gebruik gemaakt van locatiespecifieke waarden voor organische stof en lutum (behalve wanneer deze niet beschikbaar was, zie vorige punt)

  • Mengmonsters komen meerdere malen in de dataset terug, omdat de bodeminformatie op boringniveau opgeslagen wordt. Voor de bodemkwaliteitskaart gaat het om het aantal waarnemingen, oftewel het aantal analyses. De resultaten van de mengmonsters zijn dan ook eenmalig meegenomen in de dataset

  • In mengmonsters zijn soms deelmonsters aanwezig met verschillende dieptetrajecten. Voor de bepaling van het dieptetraject van het mengmonster is gebruik gemaakt van het maximale dieptetraject van de verschillende deelmonsters. De gemiddelde laagdieptes zijn vervolgens bepaald op basis van het gemiddelde dieptetraject

Na het uitvoeren van alle bovenstaande bewerkingen bevatte de dataset circa 100.000 waarnemingen van het standaardpakket bodem. Binnen het PFAS 28 pakket betrof dit circa 14.000 waarnemingen.

4.2 Nabewerking van de data

Na uitvoering van deze bewerkingen op de aangeleverde data is de data verder geanalyseerd in Excel. Bij deze analyses is de volgende data bewerkt of verwijderd uit de dataset:

Uitgevoerde bewerkingen

  • Bij gemeten gehalten voor minerale olie onder de 100 mg/kg d.s. wordt minerale olie niet gecorrigeerd voor organische stof conform het gebiedsspecifieke beleid van de regio zoals benoemd in paragraaf 2.2

  • Enkele PCB-waarnemingen die zijn gemeten op de rapportagegrens betreffen een invoerfout op basis van de eenheid. Hierbij zijn waarden ug/kg waarden ingevoerd als mg/kg. Deze resultaten, die zijn gemeten op de rapportagegrens, zijn gedeeld door een factor duizend

Data verwijderd uit de dataset

  • Rapporten die dubbel gerapporteerd staan onder verschillende rapportagedatums. Hierbij is sprake geweest van een dubbele invoer in het BIS

  • Monsters met onrealistische lutum of organische stof resultaten. Dit betreffen grondmonsters waarbij het lutum- of organische stofpercentage groter dan 80 % is. Gegevens waarvoor dit het geval is worden als onrealistisch beschouwd. Tevens zorgen dergelijke afwijkingen voor onrealistische omrekeningen naar gestandaardiseerde waarden

  • Monsters waarbij één of meerdere stoffen analyseresultaten hebben die een gehalte hebben dat lager dan 10 % van de rapportagegrens is. De gegevens van een dergelijk monster worden als onbetrouwbaar beschouwd, omdat een dergelijke meetnauwkeurigheid in het lab niet haalbaar is en vermoedelijk een invoerfout betreft

  • Monsters waarbij slechts één of twee parameters zijn geanalyseerd. Aangenomen kan worden dat een monster welke enkel op één of twee parameters is geanalyseerd enkel een aanvullende analyse betreft. Derhalve geven dergelijke monsters geen goed beeld van de achtergrond van de bodemkwaliteit binnen een deelgebied

  • Bodemonderzoeken waarbij de term tankstation genoemd is in de rapportnaam (verdachte locatie)

  • Bodemonderzoeken waarbij N-wegen zijn genoemd in de rapportnaam (verdachte locatie)

  • Bodemonderzoeken waarbij het woord aanvullend onderzoek in de titel zit. Bij deze onderzoeken is het type onderzoek (verkennend in plaats van aanvullend) verkeerd geregistreerd

  • Twee onderzoeken waarbij een vervolgonderzoek (AO of saneringsplan) het gevolg is ten aanzien van een aangetoonde verontreiniging met minerale olie9

4.3 Uitgevoerd veldwerk

Er is aanvullend veldwerk uitgevoerd om de dataset aan te vullen voor het uitvoeren van een statistisch solide analyse. Het aanvullende veldwerk is uitgevoerd in het niet-aaneengesloten gebied ‘Industrie na 1945’ in Nijkerkerveen. In dit niet-aaneengesloten gebied waren in de dataset nog geen resultaten bekend. Tijdens het aanvullende veldwerk zijn drie boringen geplaatst voor het behalen van het minimale aantal waarnemingen voor een individueel deelgebied. Voor de overige deelgebieden bleken de aangeleverde XML-gegevens uit het BIS toereikend voor het uitvoeren van een statistisch solide analyse. De resultaten van het uitgevoerde veldwerk zijn opgenomen in een aanvullend onderzoek dat is opgenomen in bijlage 7. De analyseresultaten zijn vervolgens aan de dataset toegevoegd en in de statistische analyse meegenomen.

4.4 Statistische analyse

De dataset vormt input voor de statistische analyse. De resultaten van de statistische analyse vormen de basis voor de bodemkwaliteitskaarten. De resultaten zijn weergeven in zogenaamde percentielbladen. Dit zijn tabellen met de statistische weergave van de analysegegevens. Hierin zijn onder andere opgenomen:

  • De aantallen analyses per parameter

  • De percentielwaarden: dit zijn de waarden waar een bepaald percentage van de waarnemingen onder ligt. Zo is de P80 de waarde waar 80 % van de waarnemingen onder ligt

  • Het gemiddelde en de maximale waarde die aangetroffen is

  • De heterogeniteitsindex die aangeeft hoe heterogeen de zone is

5 Evaluatie resultaten

In dit rapport zijn alleen de percentielbladen van de definitieve gebiedsindeling opgenomen. De eerste resultaten zijn hieronder wel besproken. Voordat deze resultaten namelijk definitief gebruikt kunnen worden, moet eerst worden vastgesteld of de gekozen uitgangspunten volstaan. De volgende uitgangspunten worden geëvalueerd:

  • Aanwezigheid uitbijters

  • De indeling in bodemkwaliteitszones

  • Aangetroffen heterogeniteit

De bestaande bodemkwaliteit van de regio De Vallei is gekarakteriseerd op basis van de gemiddelden.

5.1 Uitbijters

Om een betrouwbaar beeld te krijgen van de kwaliteit is gekeken naar de gemeten concentraties. Wanneer een extreme waarde aanwezig is, dient conform de handreiking bepaald te worden:

  • Of deze extreme waarde deel uitmaakt van de achtergrondgehalten

  • Of deze extreme waarde afkomstig is van een lokale puntbron

  • Of deze extreme waarde een uitbijter betreft die het gevolg is van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van de gegevens

Op basis van kenmerken in de dataset zijn er uitbijters verwijderd. In de onderstaande lijst staan de redenen weergegeven waarom bepaalde gegevens als uitbijter geclassificeerd zijn. Er kunnen meerdere redenen van toepassing zijn op hetzelfde analyseresultaat.

  • Analyses waarbij PAK hoger is dan twee maal de interventiewaarde. Dit is het geval voor 138 waarnemingen in de dataset. Gesteld kan worden dat PAK verontreinigingen met dusdanig hoge gehaltes enkel voorkomen ten gevolge van antropogene bronnen. Daarom kan worden aangenomen dat dergelijke verontreinigingen zich ter plaatse van verdachte locaties bevinden

  • Analyses waarbij minerale olie (102 gevallen) of PCB’s (83 gevallen) de interventiewaarde overschrijden. Gesteld kan worden dat minerale olie en PCB verontreinigingen met dusdanig hoge gehaltes enkel voorkomen als gevolg van relatief recent menselijke handelen. Daarom kan worden aangenomen dat zulke verontreinigingen zich enkel ter plaatse van verdachte locaties bevinden

  • Analyses waarbij het resultaat hoger is dan 10 maal de interventiewaarde. Dit is van toepassing bij vier gevallen van koper, één geval van lood en zeven gevallen van zink (PAK, PCB en minerale olie zijn niet meegerekend). Deze waarden zijn dusdanig hoog dat kan worden aangenomen dat ze niet behoren tot een bodem achtergrondkwaliteit van een deelgebied. Een verdachte activiteit zal daarom ten grondslag te liggen aan dergelijk hoge resultaten

5.2 Gebiedsindeling

In de handreiking bodemkwaliteitskaarten worden de volgende minimale eisen gesteld voor het beoordelen van de gebiedsindeling:

  • Per deelgebied dienen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar te zijn. Per niet-aaneengesloten delen dienen er ten minste 3 waarnemingen beschikbaar te zijn

  • De waarnemingen dienen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied te liggen

  • Voor elk deelgebied waarvoor voldoende informatie beschikbaar is, wordt vastgesteld of de indeling in deelgebieden optimaal is, waarmee bedoeld wordt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit

In de tabellen 5.1 tot en met 5.3 is weergeven hoeveel waarnemingen er in de uiteindelijke dataset per kwaliteitszone aanwezig zijn en wat de classificering is voor de boven- en ondergrond.

Tabel 5.1 Resultaten van de bovengrond (0-0,5 m-mv) van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket

Zone

Aantal waarnemingen

Classificering (Gemiddelde)

Wonen voor 1945

460-556

Wonen

Wonen na 1945

908-979

Landbouw/natuur

Kleine kern

155-185

Wonen

Industrie na 1945

330-382

Landbouw/natuur

Overig (Buitengebied)

2346-2463

Landbouw/Natuur

* Aanvullende partijkeuring noodzakelijk

Tabel 5.2 Resultaten van de tussenlaag (0,5-1,0 m-mv) van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket

Zone

Aantal waarnemingen

Classificering (Gemiddelde)

Wonen voor 1945

183-223

Wonen

Wonen na 1945

302-329

Landbouw/natuur

Kleine kern

67-75

Wonen

Industrie na 1945

88-96

Landbouw/natuur

Overig (Buitengebied)

571-600

Landbouw/Natuur

* Aanvullende partijkeuring noodzakelijk

Tabel 5.3 Resultaten van de ondergrond (1,0-2,0 m-mv) van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket

Zone

Aantal waarnemingen

Classificering (Gemiddelde)

Wonen voor 1945

172-195

Landbouw/natuur

Wonen na 1945

349-372

Landbouw/natuur

Kleine kern

69-78

Landbouw/natuur

Industrie na 1945

117-126

Landbouw/natuur

Overig (Buitengebied)

838-881

Landbouw/natuur

Beschouwing bodemlagen

Bij de beschouwing van de gebiedsindeling is er onderscheid gemaakt in drie bodemlagen. Dit is de bovengrond (0-0,5 m-mv), de tussenlaag (0,5-1,0 m -mv) en de ondergrond (1,0-2,0 m -mv). Bij beschouwing van deze laagindeling is te zien dat de bodemkwaliteit naar de diepte toe verbeterd. Hierbij kan de tussenlaag als een overgangslaag worden gezien. Deze tussenlaag heeft een bodemkwaliteit die meer lijkt op die van de bovengrond dan de ondergrond (1,0-2,0 m -mv). In termen van classificatie van bodemkwaliteit is de kwaliteit van de bovengrond zelfs altijd identiek aan die van de tussenlaag. Er is besloten om de tussenlaag als aparte laag te behouden.

Ruimtelijke verdeling boorpunten

Binnen enkele niet-aaneengesloten gebieden in Lunteren ‘Wonen na 1945‘ is er niet voldaan aan het minimale aantal waarnemingen van drie boringen. Deze niet aaneengesloten gebieden hebben op basis van historische kaarten (topotijdreis) en bouwjaar (BAG-viewer) dezelfde ontstaansgeschiedenis als andere niet aaneengesloten gebieden in ‘Wonen na 1945‘ in Lunteren. Daarom kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit vergelijkbaar is met deze betreffende gebieden. Het ophalen van aanvullende gegevens voor deze niet aaneengesloten wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

In enkele gevallen is de ruimtelijke spreiding van waarnemingen binnen een niet-aaneengesloten gebieden summier. Dit betreffen de volgende niet-aaneengesloten gebieden:

  • ‘Industrie na 1945’ in Hoevelaken bij de Beek

  • ‘Industrie na 1945’ in Nijkerk bij de Voorthuizenweg

  • ‘Industrie na 1945’ in Barneveld bij de Plantagelaan en Valkseweg

De afwezigheid van een goede ruimtelijke spreiding wordt echter niet beperkend geacht voor de op te stellen bodemkwaliteitskaart. Dit is het geval omdat de betreffende niet-aaneengesloten gebieden van beperkte omvang zijn of ruimschoots meer dan drie waarnemingen bevatten binnen het niet-aaneengesloten gebied. Voor een overzicht van de locaties van boringen wordt verwezen naar de homogene deelgebieden kaart in bijlage 1.

5.3 Heterogeniteit

Heterogeniteit is de mate van spreiding in de gemeten gehalten ten opzichte van de normwaarden. Als er binnen de zone sprake is van sterke heterogeniteit dan kan de gemiddelde kwaliteit een vertekend beeld geven van de bodemkwaliteit en de kwaliteit van de vrijkomende partijen grond. In dat geval kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel dienen.

Hierbij wordt de heterogeniteit bepaald door het berekenen van de heterogeniteitsindex (HI) met de volgende formule:

afbeelding binnen de regeling

Om te beoordelen welke mate van heterogeniteit aanwezig is, wordt gekeken naar de waarde van de HI:

  • < 0,2 Weinig heterogeniteit

  • 0,2-0,5 Beperkte heterogeniteit

  • 0,5-0,7 Heterogeniteit

  • > 0,7 Sterke heterogeniteit

Binnen alle zones komt een sterke heterogeniteit van minerale olie voor in de bovengrond en tussenlaag (met uitzondering van tussenlaag voor deelgebieden wonen na 1945 en industrie na 1945). Dit wordt veroorzaakt doordat het verschil in norm tussen de achtergrondwaarde en de kwaliteitseis Industrie relatief klein is. Deze aangetroffen heterogeniteit vormt dan ook geen belemmering voor de betrouwbaarheid van de classificering.

Verder komt zink sterk heterogeen voor in de bovengrond van wonen voor 1945. Dit past in het beeld van het karakter van het deelgebied, waarbij in de oude dorpskernen zware metalen heterogeen verontreinigd kunnen zijn. De overschrijding van de norm voor sterke heterogeniteit is echter minimaal. Daarom wordt de minimale overschrijding van sterke heterogeniteitsnorm, niet belemmerend geacht voor de classificering van de zone.

5.4 PFAS

Uit de analyse van PFAS voor de verschillende deelgebieden blijkt dat binnen de afzonderlijke deelgebieden PFAS nooit klassebepalend is. Dat wil zeggen dat voor PFAS alle deelgebieden en bodemlagen zijn geclassificeerd als vrij toepasbaar (met uitzondering toepassen in grondwaterbescherming en/of waterwingebieden). Grondverzet ten aanzien van PFAS binnen de regio is dus altijd mogelijk op basis van de bodemkwaliteitskaart als het om PFAS gaat. De conclusie komt hiermee overeen met de in 2020 opgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS10.

Binnen sommige bodemlagen van deelgebieden is het aantal waarnemingen niet toereikend. Met betrekking tot PFAS zijn er binnen het beheergebied geen homogene deelgebieden met een historische belasting. Voor alle homogene deelgebieden wordt hierom op globale schaal een vergelijkbare belasting verwacht.

Aangezien er in statistiek (bijlage 5) en op basis van historische verdenkingen geen onderscheid kan worden gemaakt tussen deelgebieden, kan het beheergebied worden samengevoegd tot één zone met betrekking tot PFAS. Het opnemen van aparte kaartbijlagen voor PFAS is daarom niet noodzakelijk. De resultaten voor PFAS zijn daarmee geïntegreerd in de resultaten voor het standaardpakket en dus ook in de bijbehorende kaarten.

6 Conclusie bodemkwaliteitskaart

In de onderstaande tabellen zijn de resultaten van de bodemkwaliteitskaarten samengevat. Op basis van de resultaten is er geen aanleiding om af te stappen van het gebiedsspecifiek beleid zoals opgesteld in de nota bodembeheer. Het gebiedsspecifiek beleid is van toepassing op de bovengrond van 0-0,5 m-mv. Een toelichting op deze tabellen is te vinden in de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3. In bijlage 1 is de homogene deelgebiedenkaart te vinden met locaties van de gebruikte boringen voor de bodemkwaliteitskaart. De percentielbladen zijn te vinden in bijlage 5.

Tabel 6.1 Kwaliteitsklassen bovengrond per zone (0-0,5 m-mv)

Zone

Ontgravingsklasse

Functieklasse

Toepassingseis generiek beleid (grond van buiten de regio)

Toepassingseis gebiedsspecifiek

beleid (grond van binnen de regio)

Wonen voor 1945

Wonen

Wonen

Wonen

Wonen

Wonen na 1945

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Industrie

Kleine kern

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie

Industrie na 1945

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Industrie

Overig (Buitengebied)

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Industrie

Tabel 6.2 Kwaliteitsklassen tussenlaag per zone (0,5-1,0 m-mv)

Zone

Ontgravingsklasse

Functieklasse

Toepassingseis gebiedsspecifiek en generiek beleid

Wonen voor 1945

Wonen

Wonen

Wonen

Wonen na 1945

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Kleine kern

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie na 1945

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Overig (Buitengebied)

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Tabel 6.3 Kwaliteitsklassen ondergrond per zone (1,0-2,0 m-mv)

Zone

Ontgravingsklasse

Functieklasse

Toepassingseis gebiedsspecifiek en generiek beleid

Wonen voor 1945

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Wonen na 1945

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Kleine kern

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Industrie na 1945

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Overig (Buitengebied)

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

6.1 Ontgravingskaarten

De ontgravingskaarten zijn te vinden in bijlage 3. Deze gegevens zijn ook in tabelvorm weergegeven in de tabellen 6.1 en 6.2.

6.2 Bodemfunctiekaart

De bodemfunctiekaart is te vinden in bijlage 2. De bodemfunctiekaart is in 2022 geactualiseerd door de omgevingsdienst De Vallei. Soms kan een lokale functieklasse afwijken van de ingetekende klasse op de kaart. Redenen hiervoor staan beschreven in paragraaf 2.2.

6.3 Toepassingskaart

De toepassingskaarten zijn opgenomen in bijlage 4. In de tabellen 6.1 en 6.2 staan de toepassingseisen in tabelvorm weergegeven.

Op basis van de nota bodembeheer geldt gebiedsspecifiek beleid binnen het beheergebied van de omgevingsdienst De Vallei. Dit gebiedsspecifieke beleid houdt in dat bij het toepassen van gebiedseigen grond in de bovengrond de functieklasse leidend is voor de toepassingseis (zie paragraaf 2.2 en paragrafen 3.5.6, 3.5.7 en 3.5.8 uit de nota bodembeheer). Voor de toepassingskaarten zijn daarom zowel generiek- als gebiedsspecifieke toepassingskaarten opgesteld. Deze gebiedsspecifieke regels dus zijn niet van toepassing op bodem die wordt aangevoerd van buiten het beheergebied.

Voor PFAS zijn in de kaarten en tabellen geen gegevens opgenomen voor PFAS. Voor PFAS is de toepassingseis in het hele beheergebied landbouw/natuur. Dit is het geval voor zowel generiek als gebiedsspecifiek beleid.

Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden gelden afwijkende toepassingseisen voor zowel standaardpakket als PFAS. De regels zijn opgenomen in het provinciale beleid.

6.4 Veiligheidsklasse

Conform de CROW 400 is het toegestaan om een veiligheidsklasse af te leiden op basis van het gemiddelde van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Het toetsingskader hiervoor is gegeven in tabel 6.3 voor de stoffen uit het standaardpakket en voor PFOS en PFOA11. Voor PFAS wordt geen bodemtypecorrectie toegepast.

Tabel 6.3 Toetsing gemiddelde SRCarbo-normen (mg/kg)

Stof

75 % SRCarbo (mg/kg)

SRCarbo (mg/kg)

Overschrijding norm?

Barium

3.037,5

4.050

Nee, voor geen van de zones

Cadmium

75,75

101

Nee, voor geen van de zones

Kobalt

213,75

285

Nee, voor geen van de zones

Koper

21.375

28.500

Nee, voor geen van de zones

Kwik

303,75

405

Nee, voor geen van de zones

Nikkel

750

1.000

Nee, voor geen van de zones

Lood

551,25

735

Nee, voor geen van de zones

Molybdeen

1.522,5

2.030

Nee, voor geen van de zones

Zink

76.123,5

101.498

Nee, voor geen van de zones

PAK

75a)

100a)

Nee, voor geen van de zones

PCB

1,725

2,3

Nee, voor geen van de zones

Minerale olie

2.500b)

5.000b)

Nee, voor geen van de zones

PFOS

0,89

1,19

Nee, voor geen van de zones

PFOA

1,79

2,38

Nee, voor geen van de zones

  • a)

    Betreft SRC-waarde voor meest kritische niet-vluchtige PAK-parameter, namelijk benzo (a)pyreen

  • b)

    Minerale olie heeft geen SRC-norm en wordt aan 0,5 x de interventiewaarde en interventiewaarde getoetst

Voor de overige PFAS zijn geen SRC-waarden bekend. Wel is er een mogelijkheid om de relatieve humane toxiciteit van diverse PFAS-stoffen ten opzichte van PFOA te bepalen.

Zo kan alsnog bepaald worden of er een veiligheidsklasse van toepassing is12. De aangetroffen PFAS-waarden zijn echter zo laag (< 0,001 mg/kg) dat de SRC-waarden niet benaderd worden. Deze zijn namelijk een factor 1.000 hoger.

6.5 Grondstromenmatrix

In tabel 6.4 is een grondstromenmatrix opgenomen voor grondverzet binnen het beheergebied. In de grondstromenmatrix kan worden herleid in welke gebieden vrijkomende grond kan worden toegepast binnen de regio. Voor het gebruik van de grondstromenmatrix dienen de kaders van de nota bodembeheer in acht genomen te worden. Deze staan beschreven in het stroomschema (bijlage 1) dat in de nota bodembeheer opgenomen is.

Tabel 6.4 Grondstromen matrix voor grondverzet binnen het beheergebied. Ja = uitwisseling grond mogelijk zonder keuring, Nee = Geen uitwisseling mogelijk zonder keuring, partijkeuring = uitwisseling van grond mogelijk op basis van partijkeuring

Zone

Toepassen→

Wonen voor 1945

Wonen na 1945

Kleine kern

Industrie na 1945

Overig (buitengebied)

Functie

Wonen

Wonen of industrie

Landbouw/natuur

Wonen of industrie

Landbouw/natuur

Wonen of industrie

Landbouw/natuur

Wonen of industrie

Ontgraven ↓

Traject

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

BG

TL

OG

Wonen voor 1945

BG en TL

Ja

Ja

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

OG

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Wonen na 1945

BG en TL

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

OG

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Keine kern

BG en TL

Ja

Ja

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

OG

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Industrie na 1945

BG en TL

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

OG

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Overig (Buitengebied)

BG en TL

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

OG

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

BG = Bovengrond

TL= Tussenlaag

OG = Ondergrond

Ondertekening

Burgemeester en wethouders voornoemd,

René Groen

de secretaris,

René Verhulst

de burgemeester,

Bijlage 1 Homogene deelgebieden

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 2 Bodemfunctiekaart

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3 Ontgravingskaarten

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 4 Toepassingskaarten

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 5 Percentielbladen

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 6 Achtergrondinformatie historie gebied

Op basis van historische kaarten (topotijdreis.nl) en pand registratie (BAG-viewer) is de ontwikkeling van het beheergebied in beeld gebracht. In de onderstaande paragraven is per gemeente de ontwikkeling beschreven.

Ontwikkeling beheergebied

Nijkerk

Binnen de gemeente Nijkerk is de plaatst Nijkerk veruit de grootste kern. In de jaren ’60, ‘70 en ‘80 breidt de woonkern zich evenredig uit vanuit de kern. Aan het einde van deze periode start ook de ontwikkeling van het industrieterrein Arkervaart langs de A28 aan de noordzijde van Nijkerk. Vanaf de jaren ‘90 is Nijkerk naar het westen uitgebreid middels de aanbouw van de wijk Corlaer. Ook heeft de uitbreiding van Arkervaart zich verder doorgezet langs de A28. De huidige industriële activiteit bij Arkervaart omvat voornamelijk levensmiddelen, transport en bouw.

Verder bevinden er zich binnen de gemeente grenzen kleinere kernen zoals Hoevelaken, Zwartebroek en Nijkerkerveen. Deze kernen bestonden omstreeks 1960 uitsluitend uit lintbebouwing en zijn in verloop van tijd uitgegroeid tot kleine dorpskernen. In de kern Hoevelaken zijn eveneens de industrieterreinen Overhorst en Horstbeek gerealiseerd. Deze industrieterreinen betreffen grotendeels bedrijfs- en kantoorpanden. Uitzondering hierop is een metaalwarenfabriek welke is gevestigd aan de Zuiderinslag.

afbeelding binnen de regeling

Barneveld

De gemeente Barneveld kende rond 1960 twee grote woonkernen: Voorthuizen en Barneveld. Overige bebouwing betrof voornamelijk lintbebouwing. Deze lintbebouwing is in de decennia daarna gedeeltelijk uitgegroeid tot woonkernen zoals Achterveld, Garderen, Kootwijkerbroek en Terschuur. In de jaren ‘70 zijn er relatief grote uitbreidingen van woonwijken in Barneveld en Voorthuizen. Een voorbeeld hiervan is de wijk Vliegersveld in Barneveld. Rond 1970 komt de ontwikkeling van het industrieterrein Harselaar aan de A1 op gang. In dit industrie gebied bevinden zich veel logistiek- en bouwbedrijven.

Aan de Oostzijde van dit industriegebied is het bedrijf Vink holding B.V. gevestigd. Dit bedrijf is actief in afvalverwerking (stortplaats) en handel in grondstoffen als zand, grind en beton. Dit bedrijf is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze stortplaats van Vink holding B.V. is actief vanaf de jaren ’70 tot de dag van vandaag. Verder zijn er in de gemeente veel recreatieparken waar te nemen en is er ten zuiden van Garderen vanaf de jaren ‘60 legerplaats Stroe aanwezig.

afbeelding binnen de regeling

Scherpenzeel

In de gemeente Scherpenzeel is Scherpenzeel de enige woonkern van betekenis. In de jaren ‘70 is er in het noordwesten van het dorp een woonwijk toegevoegd. Daaropvolgende uitbreidingen met betrekking tot wonen zijn relatief beperkt. In het westen van Scherpenzeel ligt het industrieterrein Stationsweg. Deze heeft rond de eeuwwisseling relatief grote uitbreidingen ondergaan. De bedrijvigheid die hier plaatsvindt bestaat voornamelijk uit transport- en bouwbedrijven.

afbeelding binnen de regeling

Ede-West

Aan de westkant van de gemeente Ede bevinden zich de bebouwde gebieden met de woonkernen Lunteren, Ede en Bennekom. In Ede hebben grote uitbreidingen van de woonkern plaatsgevonden in de jaren ‘70 en ’80, met name aan de zuid- en westzijde. Voorbeelden hiervan zijn de wijken Veldhuizen en Maandereng.

Met betrekking tot de industrie bevindt het overgrote deel van de industriële activiteiten in Ede in de plaats Ede zelf. Hierbij is het oude industriegebied van het ENKA-terrein een status aparte. Hier werd vanaf 1920 tot 2002 textiel werd geproduceerd (zie paragraaf 3.2.2. voor meer informatie over het ENKA terrein).

Recentere industrie bevindt zich vanaf circa 1970 voornamelijk aan de westkant van de woonkern van Ede aan de A30 en A12. Deze is door de jaren heen verder gegroeid en bestrijkt inmiddels de industrieterreinen: Frankeneng, Heestereng en Kievitsmeent. Op deze industrieterreinen is de diversiteit in activiteiten groot. Zo zijn er autobedrijven, transportbedrijven, levensmiddelenbedrijven, bouwbedrijven en kantoor- en bedrijfspanden te vinden.

In Lunteren en Bennenkom zijn de kernuitbreidingen beperkter ten opzichte van die van Ede. Ook zijn deze evenrediger in alle richtingen ten opzichte van de oorspronkelijke woonkern. Tevens is de aanwezige industrie veel beperkter.

Ten westen van Bennenkom en ten zuiden van Ede zijn veel boomgaarden te zien. Deze boomgaarden zijn voor het overgrote deel in 1960 al aanwezig. Verder zijn dorpen die voorheen uit lintbebouwing bestonden uitgegroeid tot kleine woonkernen. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op Wekerom en Otterlo.

afbeelding binnen de regeling

Ede-Oost

Het oosten van de gemeente Ede betreft voor een groot deel de Veluwe (inclusief het Nationaal Park de Hoge Veluwe) en heeft daarmee voornamelijk de functie natuur. In dit gebied bevinden zich dan ook veel vakantieparken. In dit gebied is tevens een stort aanwezig (de Wekeromse bult) tussen Ede en Wekerom ligt. Deze locatie fungeerde als stortplaats vanaf de jaren ‘60 voor huisafval vanuit Ede. Verder is er in Harskamp een legerplaats en bijbehorend militair oefen- en schietterrein aanwezig. Deze legerplaats en dit oefenterrein bestrijkt een aanzienlijk deel van het noordoosten van de gemeente. Tot slot is binnen de gemeente aan de oostkant het militaire vliegveld Deelen aanwezig.

afbeelding binnen de regeling

Wageningen

In de gemeente Wageningen is Wageningen de enige aanzienlijke woonkern. Uitbreiding van Wageningen begint zich voornamelijk vanaf de jaren ‘70 tot de eeuwwisseling ten noorden van de oorspronkelijke kern. Uitbreidingen zijn de wijken Tarthorst, Roghorst en de Wieden. Ten westen van Wageningen vindt fruitteelt plaats. Deze boomgaarden zijn vanaf de jaren ‘60 al aanwezig in de gemeente.

De meeste industrie in Wageningen bevindt zich in bedrijvenpark Nudenoord. Dit industrie gebied breidt zich uit vanaf circa 1970. Deze uitbreiding heeft zich door de jaren heen ontwikkeld richting het zuidwesten vanaf de oorspronkelijke kern tot aan de jachthaven. De industrie in Wageningen betreft voornamelijk bedrijfs- en kantoorpanden. Uitzondering hierop is de Agruniek Rijnvallei veevoerfabriek welke is gelegen aan de Rijnhaven aan de Grebbendijk.

In het zuiden van de gemeente Wageningen stroomt de Neder-Rijn door de gemeente. In de uiterwaarden hebben een zes tal steenfabrieken gevestigd gelegen. Deze fabrieken zijn voor het overgrote deel buiten werking gesteld. Enkel de steenfabriek in de zuidelijke uiterwaarde van de Nederrijn bij Opheusden (Steenfabriek Wolfswaard) is nog actief. Tot slot is er ten noorden van Wageningen een stortplaats aanwezig geweest welke van 1965 tot 2001 actief was (Stortplaats Keijenberg).

afbeelding binnen de regeling


Noot
1

Nota Bodembeheer regio De Vallei, Versie 2023, d.d. 25 mei 2023

Noot
2

Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei, 2018, TAUW, R001-1249127ESM-V01-kmi-NL

Noot
3

Bodemkwaliteitskaart PFAS regio de Vallei, 2020, TAUW, R001-1274556EVF-V02-mwl-NL

Noot
4

Handreiking bodemkwaliteitskaarten, VROM d.d. 1 november 2022, versie 1

Noot
5

NEN 5725:2017 NL - Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek

Noot
6

De BRO Bodemkaart is te bekijken op: https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen/kaart

Noot
8

BRZO staat voor Besluit Risico’s Zware Ongevallen

Noot
9

Verkennend en asbestonderzoek Nieuwstraat 70 en 70a te Scherpenzeel, rapportagedatum: 24-10-2022 en Verkennend en asbestonderzoek Kolkakkerbuurt te Ede; rapportagedatum: 05-08-2018

Noot
10

Bodemkwaliteitskaart PFAS, TAUW, kenmerk R001-1274556EVF-V02-mwl-NL, 29 mei 2020