Beleidskader Cameratoezicht Ridderkerk 2025

Geldend van 02-08-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidskader Cameratoezicht Ridderkerk 2025

De burgemeester van de gemeente Ridderkerk,

Gelezen de motie 2024-125 cameratoezicht van 12 december 2024;

overwegende dat:

  • -

    de burgemeester op grond van artikel 151 C van de Gemeentewet en artikel 2:77 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2020 in het belang van de openbare orde de bevoegdheid heeft om cameratoezicht in te zetten;

  • -

    het wenselijk is dat de burgemeester het beleidskader cameratoezicht vaststelt.

besluit vast te stellen:

Het Beleidskader Cameratoezicht Ridderkerk 2025

Artikel 1

Het beleidskader cameratoezicht Ridderkerk 2025, zoals opgenomen in de bijlage, wordt vastgesteld.

Artikel 2

Het beleidskader treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 24 juli 2025.

De burgemeester van Ridderkerk

Dhr. C.A. Oosterwijk

Beleidskader Cameratoezicht Ridderkerk 2025

Inleiding

In Ridderkerk wordt cameratoezicht ingezet op openbare plaatsen ter handhaving van de openbare orde. Cameratoezicht heeft verschillende doelen en functies zowel preventief als repressief en kan een effectief middel zijn om veiligheidsproblemen aan te pakken. Het verbetert de effectiviteit in de samenwerking tussen politie, handhaving en andere hulpdiensten. Het is een middel dat de veiligheidsbeleving van omwonenden, ondernemers en bezoekers aan een bepaald gebied kan verhogen. Cameratoezicht kan ook bijdragen aan de verbetering van opsporing en vervolging door politie en justitie. Aan de andere kant kan cameratoezicht leiden tot de inbreuk op de privacy van personen/passanten en is het van belang om hiervoor waarborgen te treffen.

Deze veelheid aan doelen en mogelijkheden vraagt om een zorgvuldige belangenafweging. Daarom is dit beleidskader opgesteld. Het doel van dit beleidskader is om inzicht te geven in de voorwaarden die gelden voor de inzet van cameratoezicht in Ridderkerk en aan te geven op welke wijze de burgemeester gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 151c Gemeentewet en artikel 2:77 van de Algemene Plaatselijke verordening Ridderkerk 2020 (APV). Het beleidskader is een beleidsregel zoals genoemd in artikel 1:3, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht1. In dit beleidskader wordt ingegaan op het wettelijk kader en de voorwaarden voor inzet, de besluitvormingsprocedure, de juridische basis van het cameratoezicht en de wijze waarop de gemeente de privacy van betrokkenen waarborgt.

Wettelijk kader en voorwaarden voor inzet

De burgemeester heeft op grond van 151c van de Gemeentewet en artikel 2:77 van de APV de bevoegdheid om in het belang van de handhaving van de openbare orde cameratoezicht in te zetten op openbare plaatsen. Uit de wetgeving volgt een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de inzet van cameratoezicht:

  • 1.

    de inzet van cameratoezicht is in het belang van de handhaving van de openbare orde;

  • 2.

    de inzet van cameratoezicht voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit;

  • 3.

    de inzet van cameratoezicht geldt voor een specifiek aangewezen openbaar gebied en voor een bepaalde duur;

  • 4.

    de inzet van cameratoezicht wordt tegen het einde van de aangewezen inzetperiode geëvalueerd;

  • 5.

    de aanwezigheid van cameratoezicht is kenbaar voor iedereen die de openbare plaats betreedt waar het cameratoezicht plaatsvindt;

  • 6.

    de camerabeelden mogen maximaal 4 weken worden opgeslagen en bewaard.

  • 1.

    Handhaving openbare orde.

De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. Hieronder wordt verstaan een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de betreffende openbare ruimte. Er moet sprake zijn van een openbaar gebied waar zich regelmatig onveilige situaties of met enige regelmaat wanordelijkheden of verstoringen van de openbare orde voordoen en waar eerdere genomen veiligheidsmaatregelen (nog) niet het gewenste effect hebben gehad. Door middel van een analyse van de veiligheidssituatie door de politie moet duidelijk worden in hoeverre dit van toepassing is en of cameratoezicht noodzakelijk is in dit gebied.

  • 2.

    Subsidiariteit en proportionaliteit.

Cameratoezicht kan een effectief instrument zijn om veiligheidsproblemen aan te pakken. Het is echter ook een ingrijpend middel. Het dient daarom te worden beschouwd als ‘ultimum remedium’ en mag niet lichtvaardig worden toegepast. De inzet van cameratoezicht moet noodzakelijk zijn en voorafgaand worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit de motivering van het aanwijzingsbesluit moet blijken dat de inzet van cameratoezicht noodzakelijk is.

Subsidiariteit

De inzet van cameratoezicht dient gerechtvaardigd te zijn omdat de verstoring van de openbare orde niet met andere minder ingrijpende maatregelen kan worden verholpen. De inzet van cameratoezicht staat dus niet op zichzelf maar dient te worden bezien en toegepast in combinatie met andere maatregelen. Waarbij aangetekend dat andere (lichtere) maatregelen al zijn toegepast en niet effectief zijn gebleken. Dit moet ook gemotiveerd worden in het aanwijzingsbesluit.

Proportionaliteit

De inzet van cameratoezicht dient gerechtvaardigd te zijn in verhouding tot de omvang en ernst van de criminaliteit, de onveilige situatie en/of aanwezige overlast. De inbreuk die het cameratoezicht pleegt op de privacy van betrokkenen mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het te dienen doel, namelijk het handhaven van de openbare orde.

  • 3.

    Openbaar gebied en duur van de inzetperiode

De inzet van cameratoezicht vindt plaats in een specifiek aangewezen openbaar gebied voor een bepaalde tijd. In het aanwijzingsbesluit wordt aangegeven op welke locaties camera’s zijn geplaatst en voor welke periode. De duur van de inzetperiode is afhankelijk van de ernst de openbare ordeproblematiek en de mate van inbreuk op de openbare orde en wordt gemotiveerd in het aanwijzingsbesluit.

  • 4.

    Evaluatie cameratoezicht

De inzet van cameratoezicht wordt tegen het einde van de aangegeven inzetperiode geëvalueerd. Bij deze evaluatie wordt beoordeeld of cameratoezicht in het betreffende openbare gebied nog noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Bij de evaluatie worden onder meer de volgende onderdelen getoetst:

  • -

    wat was de oorspronkelijke aanleiding voor de inzet van het cameratoezicht;

  • -

    bestaat deze aanleiding nog;

  • -

    wat heeft het cameratoezicht (tot nu toe) opgeleverd;

  • -

    is de inzet van cameratoezicht nog noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde;

  • -

    wat zijn de gevolgen bij het verwijderen van de camera’s.

Aan de hand van de evaluatie wordt een besluit genomen over het al dan niet continueren van het cameratoezicht op de betreffende locatie. De evaluatie wordt besproken in de lokale driehoek. De burgemeester trekt het besluit tot plaatsing in zodra de inzet van camera’s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde (artikel 151c lid 5 Gemeentewet).

  • 5.

    Kenbaarheid

De inzet van cameratoezicht wordt op een duidelijke wijze kenbaar gemaakt aan de burger die het gebied betreedt waar het cameratoezicht plaatsvindt (artikel 151c, lid 6, Gemeentewet). De communicatie en bekendmaking gebeurt op verschillende manieren:

  • -

    door het plaatsen van bebording aan de randen van het gebied waar cameratoezicht plaatsvindt;

  • -

    door publicatie van het aanwijzingsbesluit (met de locaties van de camera’s) in het elektronisch gemeenteblad (Officielebekendmakingen.nl).

  • 6.

    Bewaartermijn camerabeelden

Op grond van artikel 151c Gemeentewet mogen camerabeelden maximaal 4 weken worden opgeslagen. Bij de inzet van cameratoezicht in Ridderkerk wordt per situatie bezien hoe lang de beelden zullen worden opgeslagen, waarbij de maximale termijn van 4 weken niet wordt overschreden. Indien er concrete aanleiding voor is dat camerabeelden noodzakelijk zijn voor de opsporing (en mogelijke vervolging) van een strafbaar feit, dan mogen de beelden langer bewaard en verwerkt worden door de politie.

Procedure inzet cameratoezicht

Indien er sprake is van openbare orde problematiek kan een procedure worden gestart om een cameragebied aan te wijzen. Door de politie wordt een veiligheidsanalyse opgesteld waarin de aard van de veiligheidsproblematiek, het incidentenbeeld- en frequentie en het doel van het cameratoezicht worden beschreven.

Bij het incidentenbeeld moet sprake zijn van substantiële/structurele overlast en/of criminele incidenten. Bewoners en/of ondernemers kunnen bij overlast een melding doen bij politie of gemeente ten behoeve van dossieropbouw. Deze overlastmeldingen kunnen, in combinatie met het incidentbeeld van de politie, aanleiding zijn tot de inzet van cameratoezicht.

Vervolgens vindt er met de burgemeester, politie en openbaar ministerie (lokale driehoek) overleg en afstemming plaats over de veiligheidsproblematiek en de noodzaak tot de inzet van cameratoezicht.

Indien de burgemeester besluit tot inzet van camera’s op grond van artikel 151c Gemeentewet, dan ligt er een aanwijzingsbesluit ten grondslag aan de plaatsing. In het aanwijzingsbesluit wordt verwezen naar de veiligheidsanalyse van de politie en wordt gemotiveerd aangegeven:

  • -

    waarom cameratoezicht noodzakelijk is (proportionaliteit en subsidiariteit);

  • -

    welke maatregelen nu en in het verleden reeds zijn ingezet en waarom deze maatregelen onvoldoende effect sorteren;

  • -

    de omschrijving van het gebied waar de camera’s worden geplaatst;

  • -

    de duur van de plaatsing.

Een aanwijzingsbesluit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit besluit wordt gepubliceerd en belanghebbenden kunnen hiertegen bezwaar indienen. De locaties van de camera’s worden op een kaartje bij het aanwijzingsbesluit aangegeven.

Artikel 151 c Gemeentewet en inzet vast of flexibel cameratoezicht

Het doel van het publieke cameratoezicht is het handhaven van de openbare orde (artikel 151c Gemeentewet, lid 1). Indien noodzakelijk kunnen de camerabeelden ook gebruikt worden voor het opsporen van strafbare feiten (Gemeentewet art. 151c, lid 9). De burgemeester heeft op grond van 151 c van de Gemeentewet en artikel 2:77 van de APV de bevoegdheid om in het belang van de handhaving van de openbare orde cameratoezicht in te zetten op openbare plaatsen. De gemeenteraad van Ridderkerk heeft de burgemeester de bevoegdheid verleend om te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn (artikel 151c Gemeentewet, lid 1).

Vast cameratoezicht

Vast cameratoezicht wordt ingezet met een doel om langdurig toezicht te houden. Met de term vast cameratoezicht in de APV wordt bedoeld dat de camera’s ‘nagelvast’ zijn bevestigd door de montage van een camera aan een gevel van een gebouw of door plaatsing op camerapalen in de grond. Vast cameratoezicht vraagt in de regel een grotere investering bij plaatsing (aanleg van een stroomverbinding en eventueel ondergrondse glasvezelverbinding voor het transport van de beelden naar een uitkijkpunt). Vast cameratoezicht ingesteld op grond van artikel 151c vindt plaats op openbaar toegankelijke locaties in de openbare ruimte zoals pleinen bij winkel- of uitgaanscentra of OV-knooppunten, locaties waar in de regel veel publiek samenkomt/doorstroomt.

Flexibel cameratoezicht

Met flexibel (mobiel) cameratoezicht wordt bedoeld dat de camera’s mobiel zijn en eenvoudiger verplaatst kunnen worden wanneer de openbare orde problematiek verschuift. Opslag van beelden vindt lokaal plaats bijvoorbeeld op een recorder, een server of intern geheugen van het camerasysteem zelf. Een voorbeeld hiervan is de inzet van de MCU’s in Ridderkerk. Het gaat dan in de regel om een kortdurende inzet.

In de memorie van toelichting bij artikel 151c Gemeentewet (TK vergaderjaar 2021-2013,33582) wordt de term flexibel cameratoezicht op een specifieke manier gebruikt: het gaat dan om de camera’s die eenvoudig en snel kunnen worden verplaatst binnen een vantevoren gedefinieerd gebied als instrument om aanhoudende en zich verplaatsende overlast in probleemgebieden aan te pakken. Er is geen specifiek aanwijzingsbesluit vereist waarin de plaatsing van iedere afzonderlijke camera wordt vastgelegd. In de plaats daarvan komt een gebiedsaanwijzing waarin wordt bepaald binnen welk gebied (bijvoorbeeld een wijk of buurt) de flexibele camera’s geplaatst en verplaatst mogen worden.

Artikel 3 Politiewet

De politie heeft tot taak te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die het behoeven (art. 3 Politiewet). De politie kan ter handhaving van de rechtsorde (kortdurend) mobiel of flexibel cameratoezicht instellen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de rechtsorde. Het doel van het cameratoezicht is in dit geval dus gerelateerd aan de wettelijke taak van de politie. In de Politiewet wordt geen maximale termijn genoemd aan de duur van een kortstondige inzet: in de regel is dit een inzet tot een maximum van 14 dagen, los van een eventuele verlenging. Om tot inzet over te gaan in Ridderkerk, hanteert de politie een speciaal aanvraag formulier (formulier aanvraag inzet MCU). Op het formulier wordt het doel van de inzet bepaald, de veiligheidsproblematiek die noopt tot inzet van het cameratoezicht en de termijn van de inzet. De inzet is beperkt tot een aantal min of meer specifiek genoemde gevallen:

  • -

    bij B/C evenementen (crowd controle /extra toezicht);

  • -

    dreigende (ernstige) verstoring(en) van de openbare orde/verstoring van de openbare orde;

  • -

    demonstraties/manifestaties;

  • -

    daar waar op dat moment sprake is van concrete dreiging/aantasting levenssfeer van een individu of groep;

  • -

    voor het herstellen van de rust/veiligheid in een roerige omgeving;

  • -

    maatschappelijke onrust of de kans op ontstaan van maatschappelijke onrust

Met behulp van artikel 3 Politiewet kan een camera snel en slagvaardig worden geplaatst. Bij een inzet die naar verwachting langere tijd noodzakelijk is, zal de plaatsing geschieden op grond van artikel 151c van de gemeentewet. In dat geval is de burgemeester van Ridderkerk bevoegd en vindt de inzet plaats op grond van een aanwijzingsbesluit.

Privacy, het verwerken van camerabeelden en waarborgen

Met de inzet van gemeentelijke camera’s in de openbare ruimte worden beelden en opnamen gemaakt en verwerkt. Op grond van artikel 151c Gemeentewet mogen camerabeelden, in het belang van de handhaving van de openbare orde, worden verwerkt. Omdat de gegevensverwerking plaatsvindt in het kader van de uitoefening van de politietaak is de Wet politiegegevens (Wpg) op die verwerking van toepassing. Aan het vorderen van beeldmateriaal door de politie zijn wettelijke kaders gesteld. In de samenwerking tussen gemeente en politie kunnen de volgende verantwoordelijkheden worden onderverdeeld:

  • -

    de gemeente is als verwerker verantwoordelijk voor het opnemen en transporteren van de camerabeelden op grond van artikel 151c Gemeentewet en artikel 3 Politiewet;

  • -

    de politie is op grond van de Wpg verwerkingsverantwoordelijke ten aanzien van de verwerking van camerabeelden op grond van artikel 151c Gemeentewet en artikel 3 Politiewet.

  • -

    het opnemen en transporteren van de camerabeelden op grond van artikel 151c Gemeentewet en artikel 3 Politiewet is een verwerking van politiegegevens in opdracht van en onder regie van de politie.

  • -

    gelet op artikel 4a Wpg zijn de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker verplicht om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen voor het live uitkijken, vastleggen, opslaan en vernietigen van camerabeelden ogv artikel 151c Gemeentewet en artikel 3 Politiewet;

Binnen de gemeente Ridderkerk wordt bij het cameratoezicht geen gebruik gemaakt van (semi-) geautomatiseerde besluitvorming, profilering of big data-verwerkingen. Er worden camera-opnames gemaakt van alle personen en voertuigen die zich binnen het cameragebied bevinden. Op camerabeelden van personen zijn de fysieke kenmerken van die personen zichtbaar. Zo is bijvoorbeeld zichtbaar of iemand een bril draagt (wat iets zegt over zijn visuele gezondheid) of een hoofddoek (wat iets kan zeggen over godsdienstige overtuiging). Gezien de verwerking van de camerabeelden identificatie niet tot doel heeft, maar handhaving van de openbare orde, worden deze beelden door de Autoriteit Persoonsgegevens niet als bijzondere persoonsgegevens aangemerkt2.

Er is bij de inzet van camera’s (zoals vast cameratoezicht met meerdere camera’s voor een langere periode) op grond van artikel 151c Gemeentewet sprake van een hoog risicoverwerking, omdat er bij de inzet sprake is van systematische en grootschalige monitoring in de openbare ruimte. In dat geval is de politie, als gegevensverantwoordelijke, verplicht een gegevensbeschermings effectbeoordeling (GEB) uit te voeren. Deze GEB heeft als doel de privacy- en informatiebeveiligingsrisico’s van de bestaande camerasystemen te identificeren en de geconstateerde risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Opslag en uitkijken van camerabeelden

Gemeente Ridderkerk beschikt over twee Mobiele Camera Units (MCU’s). Deze camera’s worden ingezet indien er sprake is van een verstoring van de openbare orde. De beelden worden opgenomen op een recorder die op het camerasysteem is bevestigd en kunnen worden veiliggesteld door de politie. Dit is de afspraak in Ridderkerk. Er wordt door de politie indien nodig gebruik gemaakt van live uitkijken (dit gebeurt lokaal en is optioneel). In Rotterdam is er een uitkijkcentrale bij Stadsbeheer Rotterdam waar beelden van camera’s kunnen worden opgeslagen en waar live beelden kunnen worden uitgekeken. Sommige gemeenten maken in geval van vast cameratoezicht met meerdere camera’s gebruik van deze mogelijkheid tot opslag en live uitkijken.


Noot
1

'Een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.'

Noot
2

Autoriteit Persoonsgegevens, Cameratoezicht: Beleidsregels voor de toepassing van bepalingen uit de Wetbescherming persoonsgegevens en de Wet politiegegevens, 28 januari 2016, pag. 25.