Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743072
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR743072/1
Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025
Geldend van 01-01-2025 t/m heden
Intitulé
Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 20251.Begrippenlijst
In dit besluit worden diverse begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop dit besluit is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
• Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in dit besluit is.
• Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in dit besluit wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
Besluit: het Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025.
Gewaarborgde hulp: door de inwoner ingeschakelde hulp van een derde die in staat voor de nakoming van de aan het persoonsgebonden budget (pgb) verbonden verplichtingen, ook wel de budgetbeheerder genoemd;
Instandhoudingskosten: de kosten om een voorziening in stand te houden bestaande uit afschrijvingskosten, verzekering en onderhoud.
Maatwerkvoorziening: onder de term maatwerkvoorziening kan mede gelezen worden “individuele voorziening” op basis van de Jeugdwet en betreft een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemde, door of namens de gemeente te verstrekken, voorziening.
Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over hoe hij het pgb gaat inzetten. Welke hulp er wordt ingekocht en met welk(e) doel(en). In het plan geeft de inwoner aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp geborgd worden. De gemeente hanteert hiervoor het format uit bijlage 2.
Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Algemene Maatregel van Bestuur).
Verordening: Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025.
2.Inleiding
Dit besluit geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
• gezond en veilig opgroeien;
• mogelijkheden om mee te kunnen doen aan het maatschappelijk leven en
• wonen in een veilige en gezonde omgeving.
2.1 Waarom deze regels?
De regels in dit besluit vullen de wettelijke regels en de regels uit de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025 aan. Het zijn regels waarin bepaalde zaken uit de verordening zijn uitgewerkt en die door het college zijn vastgesteld. In onderstaande tabel is toegelicht welke types documenten er zijn, wat er in deze documenten is geregeld en wie deze documenten vaststelt.
|
Document |
Wat |
Vaststelling |
Verdere toelichting |
|
Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025 |
Algemeen verbindende voorschriften die gemeente en inwoner binden. |
Gemeenteraad |
Het stellen van detailregels wordt vaak gedelegeerd aan het college. |
|
Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025 |
Verlengstuk van de verordening: bevatten algemeen verbindende voorschriften. |
College |
Dit zijn de detailregels die gedelegeerd zijn door de gemeenteraad. |
|
Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2023 |
Algemene regels voor de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of uitleg van wettelijke voorschriften bij gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Ze binden alleen het bestuursorgaan dat de regels zelf mag stellen. |
College |
Worden vastgesteld op basis van de eigen bevoegdheid van het college. Dit zijn geen gedelegeerde regels vanuit de gemeenteraad. |
2.2 Visie sociaal domein
Bij het toepassen van de regels uit dit besluit gaan wij uit van onze visie op het sociaal domein. De basisbegrippen ‘normaliseren’, ‘voorkomen’ en ‘innoveren/samenwerken’ staan centraal bij onze aanpak.
2.3 Leidende principes
Bij het toepassen van de regels uit dit besluit houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de leidende principes voor wat inwoners van elkaar mogen verwachten en wat zij van de gemeente mogen verwachten. Deze leidende principes zijn opgenomen in de beleidsregels.
3. Wonen in een veilige en gezonde omgeving
3.1 Zelfstandig en veilig wonen
3.1.1 Geschikte woning en primaat van verhuizen
Indien de (voorzienbare) kosten voor een bouwkundige of woon technische woonvoorziening hoger zijn dan € 7.500,- geldt als uitgangspunt dat verhuizing naar een aangepaste woning of naar een tegen lagere kosten aan te passen woning de goedkoopst compenserende voorziening is, tenzij er sprake is van individuele omstandigheden waardoor verhuizen geen adequate oplossing is.
De tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning bedraagt maximaal € 1.524,50 (NIBUD prijzengids). De kosten van herinrichting zijn de kosten van vloerbedekking, gordijnen, vitrages, behang en verf.
3.1.2 Afschrijving woningaanpassing
1. Voor het beoordelen van aanvragen voor woonvoorzieningen en/of woningaanpassingen worden de volgende afschrijvingsperioden door de gemeente gehanteerd:
- •
keuken 20 jaar
- •
tegels 20 jaar
- •
sanitair 20 jaar
- •
natte cel 20 jaar
- •
toilet 15 jaar
2. Wanneer de inwoner een woning die is aangepast op grond van de Wmo verkoopt moet de inwoner de kosten van de aanpassing terugbetalen. De resterende kosten worden bepaald op basis van een afschrijvingsperiode van zeven jaar. Hierdoor betaalt de inwoner terug over de kosten van de verstrekte voorziening:
- •
Eerste jaar 100 procent;
- •
Tweede jaar 85 procent;
- •
Derde jaar 70 procent;
- •
Vierde jaar 55 procent;
- •
Vijfde jaar 40 procent;
- •
Zesde jaar 25 procent;
- •
Zevende jaar 10 procent;
In alle gevallen wordt het percentage dat voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gekomen in mindering gebracht. Hieronder valt in ieder geval de betaalde eigen bijdrage (abonnementstarief).
3. Indien het een huurwoning van Wonion betreft waarbij een ingrijpende aanpassing is gedaan die door Wonion kan worden doorberekend in de huurprijs, en de woning wordt na mutatie niet verhuurd aan een huurder die de aanpassing nodig heeft, dan treden partijen in overleg over een vergoeding van deze aanpassing door Wonion.
3.2 Meedoen aan de samenleving
3.2.1 Regionaal vervoer
1. Met ZOOV Op Maat kunnen reizigers maximaal 40 kilometer reizen. Met een Wmo indicatie reist men de eerste 20 kilometer met korting tegen een laag tarief. Voor afstanden boven de 20 kilometer betaalt men een commercieel tarief per kilometer. Voor reizen langer dan 25 kilometer kan ook gebruik worden gemaakt van Valys.
2. Korting op het gebruik van de regiotaxi (ZOOV Op Maat) geldt tot maximaal 2000 kilometer op jaarbasis. Afwijking hiervan is mogelijk wanneer dit gemotiveerd is onderbouwd.
3. Voor het reizen met ZOOV Op Maat wordt voor inwoners die reizen op basis van een Wmoindicatie een bijdrage van € 60,- per jaar in rekening gebracht.
3.2 Meedoen aan de samenleving
3.2.1 Regionaal vervoer
1. Met ZOOV Op Maat kunnen reizigers maximaal 40 kilometer reizen. Met een Wmo indicatie reist men de eerste 20 kilometer met korting tegen een laag tarief. Voor afstanden boven de 20 kilometer betaalt men een commercieel tarief per kilometer. Voor reizen langer dan 25 kilometer kan ook gebruik worden gemaakt van Valys.
2. Korting op het gebruik van de regiotaxi (ZOOV Op Maat) geldt tot maximaal 2000 kilometer op jaarbasis. Afwijking hiervan is mogelijk wanneer dit gemotiveerd is onderbouwd.
3. Voor het reizen met ZOOV Op Maat wordt voor inwoners die reizen op basis van een Wmoindicatie een bijdrage van € 60,- per jaar in rekening gebracht.
4. Gezond en veilig opgroeien
4.1 Voorzieningen Vervoer naar school
4.1.1 Vergoedingen
1. Afstand
Sommige vergoedingen voor vervoer naar school zijn gebaseerd op de afstand tussen de woning en de school. De wet en de verordening bepalen dat de afstand wordt gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
De basis voor berekeningen is de afstand enkele reis. Deze afstand wordt berekend op basis van de ANWB Routeplanner, ingesteld op de kortste afstand en de betreffende vervoerwijze (fiets, auto, etc). Zaken als reistijd, files en tijdelijke werkzaamheden tellen hierin dus niet mee.
De verordening bepaalt dat de afstandsgrens van 6 kilometer uitgaat van de loopafstand. De afstandsgrens van 20 kilometer wordt bepaald uitgaand van de vervoerwijze auto.
2. Aantal schooldagen
Vergoedingen voor fiets en auto worden toegekend op basis van het aantal schooldagen. Voor een standaard schooljaar wordt gerekend met 200 schooldagen. Als de leerling langer dan twee weken aansluitend ziek of afwezig is, of structureel op bepaalde weekdagen niet naar school gaat, moet de ouder dit melden en wordt de vergoeding bijgesteld.
3. Fietskosten
De vergoeding voor fietskosten bedraagt in schooljaar 2025/2026: € 0,11 per kilometer. Dit is gebaseerd op 50% van de kilometervergoeding voor autogebruik, naar beneden afgerond. We volgen hierbij de normbedragen die de VNG jaarlijks publiceert.
Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal kilometers, het aantal schooldagen en daarna met twee (voor het heen en weer fietsen van de leerling). Voor fietskosten van een begeleider zie lid 6 (Begeleider).
Deze vergoeding wordt ook gegeven voor elektrische fietsen, bakfietsen, bromfietsen, tandemfietsen, duofietsen en vergelijkbare vervoermiddelen.
4. Openbaar vervoer
De vergoeding voor openbaar vervoer komt overeen met de kosten van het goedkoopst passende abonnement voor de leerling, rekening houdend met toepasselijke kortingen. Dit is doorgaans een jaarabonnement. Als reizen op saldo goedkoper is, wordt de vergoeding op basis daarvan bepaald.
5. Autokosten
De vergoeding voor brengen en halen met openbaar vervoer bedraagt 23 cent per kilometer in schooljaar 2025/2026. We volgen hierbij de belastingvrije vergoeding die een werknemer mag ontvangen voor woon-werkverkeer, zoals vastgesteld door de Belastingdienst.
Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal schooldagen en:
● Vier (voor de ouder die tweemaal heen en terug rijdt voor het brengen én het halen)
● Twee (als de ouder de leerling brengt en haalt onderweg naar en van het werk)
6. Begeleider
Als er sprake is van noodzakelijke vervoerkosten van een begeleider, worden deze als volgt bepaald:
● Fiets: de begeleider maakt per schooldag vier ritten, de berekening gaat volgens lid 3 (fietskosten)
● Openbaar vervoer: het goedkoopst passende abonnement voor de ouder, rekening houdend met combinatieabonnementen voor ouder en kind
Als de begeleider met de leerling meefietst, kan er sprake zijn van een fietsvergoeding voor de leerling (2 ritten per dag) en een fietsvergoeding voor de begeleider (4 ritten per dag).
Een ouder die met de leerling meerijdt in het aangepast vervoer krijgt geen vergoeding.
Voor brengen en halen met de auto is er geen afzonderlijke vergoeding van de kosten van een begeleider. Alleen de autokosten worden vergoed.
4.1.2 Voorzieningen in natura
1. Abonnement openbaar vervoer
De gemeente kan ook een ov-abonnement in natura verstrekken, voor de leerling en zo nodig ook voor de begeleider.
2. Taxivervoer (aangepast vervoer)
De gemeente kan de ouder een aanbod doen van aangepast vervoer per taxi. Dit betreft collectief taxivervoer. Dit vervoer wordt uitgevoerd door ZOOV School, tenzij ZOOV aangeeft dat zij het vervoer niet kunnen verzorgen.
4.2 Eigen bijdragen Vervoer naar school
4.2.1 Algemeen
De eigen bijdragen worden opnieuw berekend en toegepast voor ieder schooljaar waarin aanspraak bestaat op een voorziening.
4.2.2 Eigen bijdrage tot 6 km
1. Definitie
Artikel 4.6.4 (vergoeding van kosten) bepaalt dat de vergoeding in beginsel niet van toepassing is op de eerste zes kilometer van de reisafstand. Dit is de ‘eigen bijdrage tot 6 km.’
De verordening bepaalt in artikel 6.5 lid 5 (eigen bijdrage vervoer naar school) dat de eigen bijdrage in beginsel uitgaat van de autokosten over 6 km, en niet hoger mag zijn dan de kosten van openbaar vervoer over 6 km.
De verordening bepaalt in artikel 6.5 lid 5 ook dat het college bij nadere regels één bedrag mag vaststellen dat als de eigen bijdrage tot 6 km wordt gerekend. Het college maakt van deze mogelijkheid gebruik en stelt één vaste eigen bijdrage vast. Hier geven we inzicht in hoe deze eigen bijdrage wordt bepaald.
2. Berekeningswijze
Deze eigen bijdrage wordt berekend op basis van:
● 200 schooldagen
● 6 kilometer afstand
● 2 ritten per schooldag
● De tarieven voor busvervoer
De actuele tarieven van Arriva voor reizen op saldo per bus bedragen: een opstaptarief van €1,12 per rit en 19,8 cent per kilometer (tarieven 2025).
De eigen bijdrage tot 6 km zou met de bovenstaande berekeningswijze voor schooljaar 2025/2026 bedragen: € 923,20.
3. Overgangsregeling
In schooljaar 2024/2025 bedroeg de eigen bijdrage € 590. De nieuwe berekening zou dus leiden tot een verhoging ineens van 56%.
Bij de beleidswijziging van 2025 hebben college en raad benadrukt dat er geen financiële doelstelling was. Een (forse) verhoging van de eigen bijdrage past daar niet bij.
Daarom wordt voor schooljaar 2025/2026 in afwijking van het bovenstaande eenmalig de eerdere eigen bijdrage van € 590 gehanteerd.
Bij de actualisatie van dit besluit t.b.v. het jaar 2026 wordt een overgangsregeling vastgesteld om te komen tot een hoogte van de eigen bijdrage tot 6 km die overeenkomt met de verordening.
4. Wijze van toepassing
Als de voorziening een vergoeding omvat, wordt de eigen bijdrage tot 6 km eerst in mindering gebracht op de vergoeding. Als daarna nog een deel van de eigen bijdrage resteert, wordt dit restant in rekening gebracht bij de ouders.
4.2.3. Eigen bijdrage vanaf 20 km
Voor het deel van de afstand dat verder dan 20 kilometer van de woning is betaalt de ouder in beginsel de volledige kosten. Dit noemen we de “eigen bijdrage vanaf 20 km.”
1. Berekeningswijze
Voor zover er sprake is van vergoeding, wordt de eigen bijdrage toegepast door de vergoede afstand te verminderen met het deel van de afstand dat boven 20 kilometer uitgaat.
Voor zover er sprake is van een voorziening in in natura wordt de eigen bijdrage hiervoor bepaald op basis van het beoogd gebruik (bijvoorbeeld: ‘het hele schooljaar; vier dagen per week; heen en terug’):
1. voor taxivervoer: de volledige kosten van autovervoer over de afstand voorbij 20 kilometer. Deze kosten worden op dezelfde wijze berekend als de vergoeding voor autokosten.
2. voor een ov-voorziening in natura: de kosten van het beoogd gebruik van het product op basis van de tariefafspraken met de aanbieder (momenteel: de VEP-pas van Arriva).
2. Wijze van toepassing
De eigen bijdrage vanaf 20 km voor de voorziening in natura wordt eerst in mindering gebracht op een eventuele vergoeding. Als daarna nog een deel van de eigen bijdrage resteert, wordt dit restant in rekening gebracht bij de ouders.
4.2.4 Vrijstellingen
1. Schooltype en vervoerwijze
De eigen bijdrage tot 6 km is alleen van toepassing op vervoer naar een school voor BO.
De eigen bijdrage vanaf 20 km is alleen van toepassing op vervoer naar een school voor BO.
2. Oorzaak niet met ov kunnen reizen
Beide eigen bijdragen zijn niet van toepassing als de leerling als gevolg van een beperking de reis naar school in het geheel niet met openbaar vervoer niet kan maken (dus ook niet onder begeleiding), zoals bepaald in verordening artikel 4.6.3 (Passende vervoerswijze).
Ouders moeten in deze situatie aantonen dat de oorzaak voor het niet met openbaar vervoer naar school kunnen reizen ligt in de beperking en niet in andere omstandigheden zoals de beschikbaarheid van openbaar vervoer, de reistijd voor de leerling of de reistijd voor een begeleider.
3. Inkomen onder drempel
Beide eigen bijdragen zijn niet van toepassing als het gezinsinkomen minder is dan een drempelbedrag gebaseerd op artikel 4 lid 7 van de WPO. We volgen voor het drempelbedrag de berekening die de VNG jaarlijks publiceert.
Dit drempelbedrag komt uit op € 31.500 voor schooljaar 2025/2026.
Deze vrijstelling is niet van toepassing op vervoer naar een school op minder dan 6 kilometer schoolafstand.
4. Overige
Beide eigen bijdragen zijn niet van toepassing op een kind dat inwoont bij pleegouders, als zij hiervoor uitsluitend een pleegoudervergoeding ontvangen.
4.2.5. Gezin / partnerbegrip
1. Partners
Als partner beschouwen we (in het kader van vervoer naar school) de echtgenoot, de geregistreerd partner, of de fiscaal partner volgens de definitie van de Belastingdienst. Onder dit laatste begrip vallen ook veel informele relaties, in het bijzonder:
● Beiden hebben samen een notarieel samenlevingscontract.
● Beiden hebben samen één kind, of één heeft het kind van de ander erkend.
● Beiden zijn samen eigenaar van de woning en beiden wonen in de woning.
● Beiden wonen op één adres en daar staat ook een kind van één van beiden ingeschreven.
● De ouder is ouder dan 27 en woont samen met de grootouder(s) van de leerling.
Deze definitie is bepalend voor het vaststellen van het gezinsinkomen, maar ook voor de rechten en plichten met betrekking tot vervoer naar school en voor het bepalen van de eigen kracht.
2. Gezinsinkomen
Het gezinsinkomen is het inkomen van de ouder die de aanvraag doet en diens partner.
Als de ouders van de leerling op verschillende adressen wonen, wordt er vanaf elk adres een aparte aanvraag gedaan. Bij elke aanvraag wordt gekeken naar het gezinsinkomen van de ouder op dat adres en de eventuele partner, niet naar het inkomen van de ouder op het andere adres.
Het inkomen van een persoon wordt onderbouwd met een inkomensverklaring (voorheen IB-60) van de Belastingdienst.
De inkomensverklaring heeft betrekking op het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het betreffende schooljaar begint (dus voor schooljaar 2025/2026 gaat het om de inkomensverklaring 2023), omdat de wet dit expliciet voorschrijft.
4.2.6 Vermindering naar rato
Beide eigen bijdragen worden naar rato verminderd uitsluitend in de volgende situaties:
● als de vergoeding of voorziening wordt gegeven voor minder dan een heel schooljaar. Hierbij wordt omhoog afgerond naar hele maanden en wordt een heel schooljaar op tien maanden gesteld.
● Als de vergoeding of voorziening wordt gegeven voor minder dan een volledige schoolweek. Hierbij wordt omhoog afgerond op hele dagen en wordt een hele schoolweek op vijf dagen gesteld.
4.2.7 Periode, samenloop en maximum
De eigen bijdragen worden ieder schooljaar opnieuw toegepast. De toetsing van het inkomen (voor ouders die geen of minder eigen bijdrage menen te hoeven betalen) vindt dus ook jaarlijks plaats.
Beide eigen bijdragen kunnen van toepassing zijn op één leerling en op meerdere leerlingen uit één gezin.
Beide eigen bijdragen samen kunnen niet meer zijn dan de werkelijke kosten van het vervoer. Dit wordt beoordeeld per leerling, niet per gezin.
Beide eigen bijdragen samen kunnen (voor alle kinderen in het gezin bij elkaar) niet meer zijn dan een maximum percentage van het gezinsinkomen. Dit maximum percentage is afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen en ligt op 10% van het gezinsinkomen, wanneer het gezinsinkomen driemaal modaal bedraagt.
Als het gezinsinkomen hoger of lager ligt dan driemaal modaal, is het maximum percentage evenredig hoger of lager. Voorbeeld: bij anderhalf maal modaal is het maximum percentage 5% van het gezinsinkomen.
Met modaal inkomen wordt het meest actuele bruto modale inkomen (van één persoon) bedoeld dat door het CPB in de augustusraming (zie: augustusraming 2024) wordt gepubliceerd.
5. Vorm van de hulp
5.1 Persoonsgebonden budget/tegemoetkoming
5.1.1 Verstrekking op verzoek
1. Verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) vindt plaats op verzoek van de inwoner.
2. De inwoner is verplicht om op verzoek van de gemeente inlichtingen te verstrekken over de met het pgb aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening.
5.1.2 Eisen toekenning persoonsgebonden budget
1. Een pgb kan alleen worden toegekend indien er een aanspraak is op een maatwerkvoorziening.
2. Onverminderd de voorwaarden en/of weigeringsgronden van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 dan wel artikel 8.1.1 van de Jeugdwet bestaat geen recht op een pgb indien:
a. en zolang een risico bestaat dat beslag kan worden gelegd op het pgb;
b. de inwoner in de Wet schuldsanering zit, schulden heeft of failliet is verklaard;
c. de inwoner handelingsonbekwaam is;
d. de inwoner als gevolg van een verstandelijke beperking, ernstige psychische problemen of verslavingsproblematiek onvoldoende inzicht in de eigen situatie heeft;
e. tijdens het onderzoek duidelijk is geworden dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb.
3. In uitzondering op lid 2 kan een pgb worden verstrekt indien de inwoner beschikt over een gewaarborgde hulp. Deze persoon zorgt ervoor dat aan alle verplichtingen wordt voldaan die horen bij het pgb.
4. Uit het pgb kunnen in uitzonderingssituaties, bij zwaarwegende redenen, personen uit het sociale netwerk worden betaald, voor zover de ondersteuning de gebruikelijke zorg en mantelzorg of overstijgt en indien:
a. dat tot een effectieve en doelmatige ondersteuning leidt zoals die beschreven staat in het ondersteunings- en pgb-plan;
b. deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de inwoner voor hem niet tot overbelasting leidt en de gemeente dit ook heeft vastgesteld;
c. deze persoon over de benodigde deskundigheid/bekwaamheid beschikt als het gaat om begeleiding, behandeling, dagbesteding, verblijf en beschermd wonen geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
d. het pgb niet wordt ingezet om verlies van inkomsten tegen te gaan als gevolg van het verminderen van het aantal werkuren.
e. het beheer van het pgb niet wordt uitgevoerd door dezelfde persoon als diegene die de ondersteuning verleend.
f. het beheer van het pgb niet wordt uitgevoerd door een persoon die bloedverwant of aanverwant is aan diegene die de ondersteuning verleend in verband met belangenstrengeling.
5. Het is niet toegestaan het pgb te besteden aan reiskosten van de zorgverlener (de tarieven zijn allin).
6. Het is niet toegestaan een feestdagenuitkering uit het pgb te betalen (de tarieven zijn all-in).
7. Er vindt geen (eenmalige) uitkering plaats na overlijden van de inwoner.
8. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag.
9. Een gewaarborgde hulp mag niet betaald worden uit het pgb.
5.1.3 Eisen aan een gewaarborgde hulp bij een persoonsgebonden budget
1. Een gewaarborgde hulp kan een inwoner helpen door de taken en verplichtingen die horen bij het ontvangen van een pgb, over te nemen. Deze persoon zorgt ervoor dat aan alle eisen wordt voldaan die horen bij het pgb. De gemeente verplicht een gewaarborgde hulp wanneer de budgethouder zelf onvoldoende regie kan voeren over het pgb.
2. De inwoner kiest zelf wie de gewaarborgde hulp is. Dat mag een familielid zijn, een wettelijk vertegenwoordiger maar ook iemand anders. Wel stellen we een aantal eisen aan de gewaarborgde hulp.
3. De gewaarborgde hulp:
a. moet instaan voor alle pgb-verplichtingen, waaronder ook het bewaken van de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning;
b. woont op redelijke afstand van de inwoner of toont aan dat ondanks de fysieke afstand aan de taken en plichten wordt voldaan;
c. zit niet in de Wet schuldsanering, heeft geen schulden en is niet failliet verklaard;
d. staat niet onder bewind of curatele;
e. is geen zorgverlener van de inwoner;
f. is in principe geen 1e of 2e graads familie of partner van de zorgverlener
g. is het aanspreekpunt voor de gemeente;
h. heeft in totaal niet meer dan drie budgethouders;
i. heeft zich in het verleden ook gehouden aan de taken en verantwoordelijkheden van een gewaarborgde hulp (indien van toepassing)
j. heeft geen (financiële) belangen bij de organisatie waar de zorg wordt ingekocht
5.1.4 Persoonsgebonden budget en woningaanpassing
1. Bij de verlening van een pgb voor het realiseren van een woningaanpassing moet binnen 6 maanden na het besluit met de werkzaamheden worden aangevangen, tenzij de inwoner tijdig meldt dat dit niet haalbaar is. Als de inwoner binnen de termijn van zes maanden melding maakt bij de gemeente, kan de gemeente bij een gegronde reden het termijn uitstellen.
2. Voor de verstrekking van een pgb voor een woningaanpassing gelden de volgende voorwaarden:
a. met de werkzaamheden waarop de maatwerkvoorziening betrekking heeft, mag geen aanvang worden gemaakt voordat de gemeente positief heeft beslist op de aanvraag. Uitzondering zijn situaties waarin de gemeente de noodzakelijkheid achteraf nog kan vaststellen;
b. de gemeente heeft desgevraagd op één of meer door de gemeente te bepalen tijdstippen toegang tot de woning of het gedeelte van de woning waar de aanpassing wordt aangebracht;
c. de inwoner verstrekt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing;
d. aan de gemeente wordt desgevraagd de gelegenheid geboden tot het controleren van de gerealiseerde woningaanpassing.
3. Onmiddellijk na de voltooiing van de aanpassingswerkzaamheden verklaart de inwoner schriftelijk aan de gemeente dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.
4. De gereedmelding als bedoeld in het vorige lid, is voorzien van een verklaring waaruit blijkt dat bij het treffen van de maatwerkvoorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is toegekend.
5. Het pgb wordt direct na de beschikking uitgekeerd aan de inwoner. De inwoner levert ter verantwoording binnen 6 maanden in beginsel de nota(’s) aan bij de gemeente.
6. De inwoner aan wie het pgb is verstrekt voor het realiseren van een woningaanpassing aan de eigen woning is verplicht zorg te dragen voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de getroffen woningaanpassing dekt voor het risico van schade.
7. De maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning bedraagt €2730. Het gaat om het toegankelijk maken van de woning via de voor- of achterdeur om zo de woonkamer en toilet te bereiken.
5.1.5 Persoonsgebonden budget hulpmiddel en vervoersvoorziening
1. Bij de verstrekking van een pgb voor een hulpmiddel en vervoersvoorziening kunnen voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:
a. de inwoner moet een maatwerkvoorziening van goede kwaliteit aanschaffen volgens de door de gemeente daaraan gestelde eisen die zijn opgenomen in het ondersteuningsplan;
b. de inwoner moet een onderhoudscontract af sluiten met een leverancier, waarin tenminste zijn opgenomen kosten van reparaties (inclusief onderdelen, voorrijdkosten en arbeidsloon), 24-uurs service, recht op gebruik van leenvoorziening, jaarlijks onderhoud en keuring;
c. de gemeente verstrekt in de garantieperiode van de voorziening geen pgb voor onderhoud en service die binnen de garantie valt. De inwoner moet hiervoor de garantieperiode en voorwaarden van de voorziening aan de gemeente overleggen;
d. de inwoner moet bij aanschaf van een vervoersvoorziening een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af sluiten.
2. De inwoner moet de gemeente desgevraagd in de gelegenheid stellen de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening te bezichtigen en te laten beoordelen.
3. Indien met het pgb een maatwerkvoorziening tweedehands wordt aangeschaft, dan wordt de hoogte van het te verstrekken pgb bedrag aan de hand van (offertes en) maatwerk vastgesteld. Dit is afhankelijk van de staat, het gebruik en de leeftijd van de maatwerkvoorziening. Het bedrag zal nooit hoger zijn dan een nieuw aan te schaffen voorziening.
4. Het pgb wordt direct na de beschikking uitgekeerd aan de inwoner. De inwoner levert ter verantwoording binnen 6 maanden in beginsel de nota(‘s) aan bij de gemeente.
5. De inwoner kan een financiële tegemoetkoming ontvangen voor de kosten van vervoer bij het gebruik van de eigen auto van maximaal € 380,- per jaar. De tegemoetkoming wordt per kwartaal uitbetaald.
6. De gemeente verstrekt een tegemoetkoming in de kosten voor taxi en rolstoeltaxi wanneer het collectief taxivervoer (ZOOV) en andere voorliggende vervoersvoorzieningen niet toereikend zijn. Voor de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt uitgegaan van een normbedrag van €620,- per jaar.
7. De tegemoetkoming voor aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt maximaal €3500. Deze tegemoetkoming wordt maximaal één keer per drie jaar verstrekt.
5.1.6 Persoonsgebonden budget en kwaliteit
1. Bij de verstrekking van een pgb voor een maatwerkvoorziening moet worden voldaan aan de door de gemeente gestelde voorwaarden voor wat betreft de kwaliteit als bedoeld in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Daaronder wordt in ieder geval verstaan dat de maatwerkvoorziening:
a. als veilig, doeltreffend en inwonergericht kan worden aangemerkt;
b. wordt afgestemd op de individuele situatie van de inwoner;
c. van voldoende kwaliteit en inzet is om het gewenste effect voor de inwoner te realiseren;
d. wordt verstrekt in overeenstemming met de professionele standaard;
e. wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner.
2. De gemeente kan afhankelijk van de maatwerkvoorziening voorwaarden stellen aan de kwaliteit van de pgb-aanbieder conform de kwaliteitseisen van toepassing voor de contractpartners zorg in natura.
3. Indien het voor de gemeente onduidelijk is of de door de inwoner voorgestelde uitvoerende pgbpartij voldoet aan de onder lid 1 a tot en met e opgenomen voorwaarden kan de gemeente het pgb weigeren.
4. De gemeente kan onderzoek uitvoeren naar een pgb-partij indien signalen daartoe aanleiding geven. Gedurende de duur van dit onderzoek kent de gemeente geen pgb toe aan de inwoner die voor die betreffende partij kiest. De inwoner kan in die situatie kiezen voor een andere partij om zijn pgb in te zetten of voor de leveringsvorm zorg in natura.
5.1.7 Budgetperiode
1. Het pgb wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn, voor zover van toepassing, met de normale afschrijvingstermijn die geldt voor de met het pgb aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening.
2. Daaronder worden ook de instandhoudingskosten gerekend. De inwoner dient de nota(‘s) hiervan in bij de gemeente.
3. Het pgb voor het onderhoud en de service van een voorziening kan na afloop van de afschrijvingstermijn van de voorziening doorlopen indien de voorziening nog adequaat en passend is. De inwoner dient de nota(‘s) hiervan in bij de gemeente.
4. Indien binnen de afschrijvingstermijn blijkt dat er geen recht bestond op de maatwerkvoorziening waarvoor het pgb is verstrekt doordat de inwoner (opzettelijk) onjuiste/onvolledige gegevens heeft verstrekt, wordt het pgb naar rato teruggevorderd dan wel de maatwerkvoorziening ingevorderd.
5. De periode waarvoor een pgb (voor aanschaf en onderhoud) voor een maatwerkvoorziening, of een financiële tegemoetkoming tenminste wordt toegekend, bedraagt voor:
a. een scootmobiel: zeven jaar;
b. een rolstoel: zeven jaar;
c. een tillift: zeven jaar;
d. een badlift: vijf jaar;
e. douche- en toilethulpmiddelen: vijf jaar;
f. sportvoorziening: drie jaar;
g. traplift: zeven jaar;
h. driewielfiets: zeven jaar;
i. overige voorzieningen: afhankelijk van de technische levensduur van de voorziening.
6. Indien de inwoner voor afloop van de toegekende periode uit lid 5, geen gebruik meer maakt van de voorziening kan de gemeente de inwoner het verstrekte pgb vragen terug te betalen. Bij een toekenningsperiode van zeven jaar wordt het afschrijvingsschema uit artikel 3.1.2, lid 2 gehanteerd. Bij andere toekenningsperioden wordt de periode in gelijke delen verdeeld, dus bij 5 jaar neemt de terugbetaling ieder jaar met 20% af en bij 3 jaar met 33%. Het jaarlijks verstrekte bedrag voor service en onderhoud wordt niet terugbetaald door de inwoner.
7. Het is de inwoner (of de erven van de inwoner) niet toegestaan om de met een pgb aangeschafte voorziening te verkopen, zonder hiervoor toestemming te hebben van de gemeente.
8. Indien met het pgb een maatwerkvoorziening tweedehands wordt aangeschaft, dan wordt ten minste de resterende afschrijvingstermijn gehanteerd in plaats van de termijnen genoemd in 4.1.7, zesde lid.
5.1.8 Controle en verantwoording van besteding persoonsgebonden budget
1. De gemeente kan ten aanzien van inwoners die een pgb ontvangen:
a. tussentijds een rapportage over de besteding eisen;
b. steekproefsgewijs informatie van de besteding van het pgb opvragen;
c. de besteding van het pgb inhoudelijk laten beoordelen;
d. controle uitvoeren of aan het gestelde in artikel 4.1.3 lid 1 wordt voldaan.
2. De inwoner is eraan gehouden volledige medewerking te verlenen aan verzoeken van de gemeente genoemd in het eerste lid.
3. In geval van weigering van medewerking kan de gemeente op grond van artikel 8.2.1 en 8.2.2 van de verordening overgaan tot opschorting of terugvordering.
4. De verantwoording van een eenmalig pgb wordt afgelegd aan de gemeente.
5. De verantwoording van het pgb door de budgethouder aan de gemeente vindt plaats met tussenkomst van de Sociale Verzekeringsbank die belast is met de uitvoering en uitbetaling van de pgb’s.
5.1.9 Overige regel persoonsgebonden budget
De wijze van berekenen van de hoogte van de pgb-tarieven is vastgelegd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025. De exacte tarieven 2025 staan vermeld in bijlage 1 van dit Besluit.
5.2 Bijdrage in de kosten
5.2.1 Omvang van de bijdrage in de kosten
De omvang van de eigen bijdrage per maand wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en bedraagt in 2025 niet meer dan € 20,60 per maand voor de inwoner of de gehuwde inwoners tezamen.
5.2.2 Uitzonderingen bijdrage in de kosten
De bijdrage is niet verschuldigd:
1. op basis van de in artikel 3.8, vierde lid Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde gronden;
a. indien de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg verschuldigd is;
b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor opvang verblijft;
c. indien de gemeente, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis Noord Oost Gelderland, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
d. voor een rolstoel;
e. voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing;
f. door de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan ten minste één van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt;
g. indien de gemeente van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de inwoner;
h. indien de gemeente van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of
persoonsgerichte aanpak van een inwoner die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente;
i. voor voorzieningen die onder de Jeugdwet worden verstrekt.
2. voor een toegekende financiële tegemoetkoming.
3. wanneer er sprake is van een ongeval dat dateert van voor 15 februari 2017 waarvoor een derde partij aansprakelijk is en waarop regresrecht van toepassing is.
5.2.3 Bijdrage in de kosten voor instandhouding voorzieningen
Voor bruikleenvoorzieningen worden instandhoudingskosten in rekening gebracht. De instandhoudingskosten bestaan uit afschrijvingskosten, onderhoudskosten en eventuele verzekeringskosten. Bij PGB voorzieningen worden ook deze kosten meegerekend in de totale kostprijs van de voorziening. Dat betekent dat het bedrag van de instandhoudingskosten dus ook meetelt voor de bijdrage in de kosten.
5.2.4 Bijdrage in de kosten algemene voorziening
De gemeente kan een bijdrage in de kosten voor een algemene voorziening vragen.
5.2.5 Vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten
Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stelt de bijdrage in de kosten vast en int deze voor de gemeente.
5.2.6 Duur bijdrage in de kosten
Er wordt een eigen bijdrage geïnd gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de voorziening zolang deze niet de totale kostprijs van de voorziening overstijgt.
6. Van oud naar nieuw
6.1 Intrekken oude besluiten
De volgende besluiten worden ingetrokken op de datum dat dit besluit ingaat:
• Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025 d.d. 13 januari 2025.
6.2 Ingangsdatum en naam
1. Dit besluit wordt genoemd: Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025.
2. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025.
3. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend voor bekendmaking van dit besluit en waarover de gemeente nog geen besluit heeft genomen, handelt de gemeente af volgens het Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2024.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 13 januari 2025,
Burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl