Regeling vervallen per 01-01-2026

Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging

Geldend van 31-07-2025 t/m 31-12-2025 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025

Intitulé

Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging

De raad van de gemeente Wageningen,

Gelezen:

het voorstel aan de raad, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 3 juni 2025

gelet op:

artikel 108, 147 en 149 van de Gemeentewet

BESLUIT

  • 1.

    De Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging vast te stellen;

  • 2.

    De Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025 in te trekken.

Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging

Artikel 1 Definities

  • 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Belanghebbende: zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen;

    • c.

      Gezamenlijk huishouden: de belanghebbende en diens eventuele partner;

    • d.

      Individuele woonlasten: de uitgaven voor huur tot een maximum zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag vermeerderd met de aantoonbare servicekosten. Als de servicekosten ook bestaan uit kosten voor eigen gebruik van gas, water en elektra, dan worden die kosten niet in aanmerking genomen voor de individuele woonlasten;

    • e.

      In aanmerking te nemen vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet;

    • f.

      Inkomen: inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit de algemene bijstand, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen. Indien het wisselende inkomsten betreft wordt voor de bepaling van het inkomen uitgegaan van het gemiddelde over de drie maanden voorafgaande aan de peildatum. Voor zelfstandigen zonder personeel wordt gekeken naar de belastingaangiftes in de referteperiode. Voor de maanden in de referteperiode waar geen belastingaangifte is gedaan, wordt uitgegaan van het gemiddelde van de laatste drie maanden waarvoor wel belastingaangifte is gedaan.

    • g.

      Peildatum: de datum waarop een belanghebbende de tegemoetkoming op grond van deze verordening aanvraagt;

    • h.

      Referteperiode: drie maanden voorafgaand aan de peildatum. Bij statushouders gaat de referteperiode in vanaf het eerste moment van verblijf in het asielzoekerscentrum.

Artikel 2. Indienen aanvraag

Een tegemoetkoming op grond van deze verordening dient schriftelijk te worden aangevraagd door middel van een door het college vast te stellen aanvraagformulier.

Artikel 3. Voorwaarden

  • 1. Een belanghebbende kan middels een aanvraag in aanmerking komen voor de Maatschappelijke Meedoen Regeling als belanghebbende:

    • a.

      Op de aanvraagdatum zijn woonplaats heeft in Wageningen;

    • b.

      En het gezamenlijke huishouden, in de referteperiode, een laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen en;

    • c.

      Op de datum van het verzoek 18 jaar of ouder is.

  • 2. Belanghebbende heeft een laag inkomen wanneer de redelijke uitgaven zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 van deze verordening en individuele woonlasten hoger zijn dan het netto inkomen van het gezamenlijke huishouden.

  • 3. De tegemoetkoming wordt besteed aan kosten voor het meedoen in de samenleving waaronder maar niet uitsluitend:

    • a.

      Deelname aan sport activiteiten waaronder contributies en lidmaatschappen;

    • b.

      Sport attributen en sportkleding;

    • c.

      Laptop, desktop PC of tablet;

    • d.

      Deelname aan culturele activiteiten waaronder lidmaatschap van muziek verenigingen of bibliotheek, abonnementen op dagbladen en kranten, bezoek aan bioscoop en theater;

    • e.

      Schoolbenodigdheden zoals boeken, deelname aan schoolkamp en excursies;

    • f.

      Niet vergoede zorgkosten, zoals bepaald medicijnen, hulpmiddelen of reiskosten voor ziekenhuis bezoek;

    • g.

      Op bezoek gaan of bezoek ontvangen;

    • h.

      Vervoer ten behoeve van recreatie en het onderhouden van sociale contacten.

  • 4. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor de tegemoetkoming als belanghebbende

    • a.

      Op de peildatum in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 1 onder f van de wet;

    • b.

      Op de peildatum in detentie verblijft;

    • c.

      Op de peildatum:

      • i.

        Een opleiding volg als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

      • ii.

        Een opleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000

      • iii.

        Een andere studie of opleiding volgt waarop de Wet educatie en beroepsonderwijs of Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs van toepassing is.

Artikel 4. Laag inkomen

  • 1. Belanghebbende heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het netto inkomen van het gezamenlijk huishouden lager is dan de redelijke uitgaven voor de desbetreffende huishoudsamenstelling in lid 2 van dit artikel vermeerderd met de individuele woonlasten voor het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2. De redelijke uitgaven per jaar zijn voor de desbetreffende huishoudsamenstelling:

    Huishoudtype-nummer

    Aantal personen

    Aantal AOW’ers

    Aantal volwassenen

    Aantal kinderen

    Kinderen 12 tot en met 17

    Kinderen 0 tot en met 11

    Redelijke uitgaven op jaarbasis

    1

    1

    0

    1

    0

    0

    0

    € 17.186,60

    2

    2

    0

    1

    1

    0

    1

    € 22.240,66

    3

    2

    0

    1

    1

    1

    0

    € 25.415,86

    4

    2

    0

    2

    0

    0

    0

    € 28.280,71

    5

    3

    0

    1

    2

    0

    2

    € 25.655,31

    6

    3

    0

    1

    2

    1

    1

    € 28.678,37

    7

    3

    0

    1

    2

    2

    0

    € 31.650,56

    8

    3

    0

    2

    1

    0

    1

    € 32.020,95

    9

    3

    0

    2

    1

    1

    0

    € 35.056,74

    10

    3

    0

    3

    0

    0

    0

    € 38.217,74

    11

    4

    0

    1

    3

    0

    3

    € 28.912,98

    12

    4

    0

    1

    3

    1

    2

    € 31.745,25

    13

    4

    0

    1

    3

    2

    1

    € 34.602,96

    14

    4

    0

    1

    3

    3

    0

    € 37.447,44

    15

    4

    0

    2

    2

    0

    2

    € 35.227,75

    16

    4

    0

    2

    2

    1

    1

    € 38.124,12

    17

    4

    0

    2

    2

    2

    0

    € 40.994,04

    18

    4

    0

    3

    1

    0

    1

    € 41.411,82

    19

    4

    0

    3

    1

    1

    0

    € 44.332,62

    20

    4

    0

    4

    0

    0

    0

    € 47.481,40

    21

    5

    0

    1

    4

    0

    4

    € 32.334,74

    22

    5

    0

    1

    4

    1

    3

    € 35.128,85

    23

    5

    0

    1

    4

    2

    2

    € 37.910,23

    24

    5

    0

    1

    4

    3

    1

    € 40.691,12

    25

    5

    0

    1

    4

    4

    0

    € 43.485,72

    26

    5

    0

    2

    3

    0

    3

    € 38.445,99

    27

    5

    0

    2

    3

    1

    2

    € 41.253,31

    28

    5

    0

    2

    3

    2

    1

    € 44.008,76

    29

    5

    0

    2

    3

    3

    0

    € 46.828,31

    30

    5

    0

    3

    2

    0

    2

    € 44.668,22

    31

    5

    0

    3

    2

    1

    1

    € 47.487,76

    32

    5

    0

    3

    2

    2

    0

    € 50.345,47

    33

    5

    0

    4

    1

    0

    1

    € 50.775,96

    34

    5

    0

    4

    1

    1

    0

    € 53.659,11

    35

    5

    0

    5

    0

    0

    0

    € 56.782,95

    36

    Meerderjarig inwonend persoon

    1

    0

    1

    0

    0

    0

    € 10.612,55

    37

    1

    1

    1

    0

    0

    0

    € 17.075,20

    38

    2

    2

    2

    0

    0

    0

    € 27.891,51

  • 3. Indien de huishoudsamenstelling groter is dan de huishoudsamenstelling genoemd in artikel 4 lid 2 worden de redelijke uitgaven vermeerderd voor:

    • a.

      een kind van 0 tot en met 11 jaar oud €287,53;

    • b.

      een kind van 12 tot en met 17 jaar oud met €483,63;

    • c.

      een meerderjarig persoon met €710,57.

  • 4. Indien belanghebbende op de peildatum recht heeft op kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven de hoogte van de kwijtschelding van het kalenderjaar in mindering gebracht.

  • 5. Indien belanghebbende op de peildatum gebruik maakt van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 lid 3 van de Participatiewet wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven de gemeentelijke bijdrage in mindering gebracht.

  • 6. Bij het vaststellen van een laag inkomen wordt als inkomen in aanmerking genomen:

    • a.

      middelen ontvangen zoals bedoeld artikel 31 lid 2 onder b, c, d met uitzondering van de kinderopvangtoeslag, k en p van de Participatiewet voor de periode waar de aanvraag voor de tegemoetkoming voor de Maatschappelijke Meedoen Regeling betrekking op heeft;

    • b.

      middelen ontvangen onder artikel 5.7 van de Re-integratieverordening Participatiewet Wageningen 2025 voor de periode waar de tegemoetkoming voor de Maatschappelijke Meedoen Regeling betrekking op heeft;

    • c.

      middelen ontvangen op grond van artikel 36 van de Participatiewet voor de periode waar de tegemoetkoming voor de Maatschappelijke Meedoen Regeling betrekking op heeft.

  • 7. Voor het vaststellen van de hoogte van de toeslagen zoals bepaald in artikel 31, lid 2, onder d, van de Participatiewet wordt de proefberekening van de belastingdienst toegepast over de referteperiode.

  • 8. Voor het inkomen wordt minimaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm als inkomen aangemerkt.

  • 9. Indien het huishoudtypen betreft waarbij, naast het gezamelijke huishouden, een meerderjarig(e) perso(o)n(en) inwoont, wordt het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen vastgesteld op ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm.

  • 10. Bij vaststelling van het verzamelinkomen, zoals bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt voor de berekening van de toeslagen, voor het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen tenminste de van toepassingzijnde bijstandsnorm gehanteerd.

Artikel 5. Hoogte Maatschappelijk Meedoen Regeling

  • 1. Een bijdrage op grond van deze verordening bedraagt per kalenderjaar de redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling zoals vastgelegd in artikel 4 lid 2 van deze verordening vermeerderd met de individuele woonlasten per jaar. Vervolgens wordt dit bedrag verminderd met het inkomen van het gezamenlijk huishouden.

  • 2. Indien de huishoudsamenstelling groter is dan de huishoudsamenstelling genoemd in artikel 4 lid 2 worden de redelijke uitgaven vermeerderd voor:

    • a.

      een kind van 0 tot en met 11 jaar oud met €287,53;

    • b.

      een kind van 12 tot en met 17 jaar oud met €483,63;

    • a.

      een meerderjarig persoon met €710,57.

  • 3. Indien belanghebbende recht heeft op kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven zoals bedoeld in artikel 4 lid 2de hoogte van de kwijtschelding van de periode waar de aanvraag van de Maatschappelijk Meedoen Regeling betrekking op heeft in mindering gebracht.

  • 4. Indien belanghebbende op de peildatum gebruik maakt van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 lid 3 van de Participatiewet wordt de hoogte van de gemeentelijke bijdrage in mindering gebracht van redelijke uitgaven.

  • 5. Op de hoogte van de tegemoetkoming op grond van deze verordening wordt in mindering gebracht met:

    • a.

      middelen ontvangen op grond van artikel 36 van de Participatiewet voor de periode waar de aanvraag voor de Maatschappelijk Meedoen regeling betrekking op heeft.

    • b.

      middelen ontvangen zoals bedoeld artikel 31 lid 2 onder b, c, d met uitzondering van de kinderopvangtoeslag, k en p van de Participatiewet voor de periode waar de aanvraag voor Maatschappelijk Meedoen Regeling betrekking op heeft.

  • 6. Voor het bepalen van de middelen zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onder d van de Participatiewet wordt de proefberekening van de belastingdienst toegepast voor de periode waar de aanvraag voor de Maatschappelijk Meedoen Regeling betrekking op heeft.

  • 7. Voor het inkomen wordt minimaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm als inkomen aangemerkt.

  • 8. Indien het huishoudtypen betreft waarbij, naast het gezamelijke huishouden, een meerderjarig(e) perso(o)n(en) inwoont, wordt het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen vastgesteld op ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm.

  • 9. Bij vaststelling van het verzamelinkomen, zoals bedoeld in artikel 2.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, wordt voor de berekening van de toeslagen, voor het inkomen van het/de meerderjarig(e) inwonende persoon/personen ten minste de van toepassingzijnde bijstandsnorm gehanteerd.

  • 10. De tegemoetkoming op grond van deze verordening is bedoeld voor de kosten zoals bedoeld in artikel 3 lid 3. Er is geen maximaal besteedbaar bedrag per specifieke kosten zoals omschreven in sub a tot en met d van artikel 3 lid 3.

Artikel 6. Toekenning en uitbetaling

  • 1. Op verzoek van het college verstrekt de belanghebbende gegevens die naar oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op de tegemoetkoming van de Maatschappelijke Meedoen Regeling

  • 2. Indien belanghebbende na het versturen van een hersteltermijn onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht vast te stellen zal de aanvraag worden afgewezen.

  • 3. Het college neemt een besluit uiterlijk acht weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 4. De tegemoetkoming van de Maatschappelijke Meedoen Regeling kan slechts eenmaal per twaalf manden worden toegekend. De periode van twaalf maanden vangt aan op de datum waarop de aanvraag is toegekend.

  • 5. De tegemoetkoming van de Maatschappelijke Meedoen Regeling wordt in twaalf delen maandelijks uitbetaald.

  • 6. Indien de hoogte van de tegemoetkoming van de Maatschappelijke Meedoen Regeling gelijk of minder is dan €240,- wordt het in één uitbetalingsmoment betaald.

Artikel 7. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, als strikte toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

Artikel 8. Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt met terugewerkende kracht in werking op 1 januari 2025

  • 2. De ‘Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025’ wordt ingetrokken.

Artikel 9. Overgangsrecht

  • 1. Besluiten die op grond van de ‘Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025’ zijn genomen en begunstigend zijn voor de belanghebbende blijven in stand.

  • 2. Besluiten die op grond van de ‘Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025’ zijn genomen maar niet begunstigend zijn voor de belanghebbende worden opnieuw beoordeeld volgens de regels van deze verordening.

Artikel 10. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling gemeente Wageningen 2025, eerste wijziging.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van 7 juli 2025

de griffier,

de voorzitter,

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel 1. Definities

Voor begrippen die niet omschreven zijn in dit artikel wordt uitgegaan van de definities in de Participatiewet en/of de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)

Lid 2 onder c

Het gezamenlijk huishouden bestaat uit de inwoner die aanvraagt indient en de partner zoals bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, ofwel echtgeno(o)t(en) of gehuwde(n) zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder e van de Participatiewet.

Lid 2 onder d

Voor de woonlasten worden er op individueel niveau de daadwerkelijke huurkosten meegenomen omdat de belanghebbende de uitgaven hiervoor moeilijk kan beïnvloeden. Deze huurkosten worden namelijk bepaald door de verhuurder. Er wordt een maximum gehanteerd om te voorkomen dat onevenredig hoge huren meegenomen worden. Het bedrag dat wordt meegenomen wordt beperkt tot de maximale huurgrens voor de huurtoeslag. Inwoners met een laag inkomen en een hogere huur dan de huurgrens worden aangespoord om een goedkopere woning te vinden. Als dit niet mogelijk is zou, in bijzondere omstandigheden, voor deze personen de woonkostentoeslag toegekend kunnen worden.

Lid 2 onder f

Belanghebbende kan in ieder geval beschikken over de bijstandsnorm. Deze wordt daarom als minimuminkomen aangemerkt. Ook indien belanghebbende een inkomen heeft onder de bijstandsnorm en ervoor kiest geen bijstand aan te vragen.

De andere definities behoeven geen toelichting.

Artikel 2. Indienen aanvraag

Onder aanvraag wordt verstaan: “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen” (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop de aanvraag moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat deze aanvraag moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft in een ondersteuningsgesprek de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Indien dit niet mogelijk blijkt vanwege bijzondere individuele omstandigheden kunnen de gegevens ook schriftelijk aangeleverd worden. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om bijdrage op grond van deze verordening.

Artikel 3. Voorwaarden

Lid 2

Inwoners hebben een laag inkomen als zij de redelijke uitgaven voor het desbetreffende huishoudsamenstelling en individuele woonlasten niet kunnen dekken met het inkomen. De hoogte van de redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling worden jaarlijks geactualiseerd in deze verordening onder artikel 4 lid 2. De daadwerkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen in plaats van een richtbedrag, omdat de hoogte hiervan vaststaat en door de verhuurder wordt bepaald.

Lid 3

Tegemoetkomingen vanuit deze regeling moeten bijdragen aan het meedoen in de samenleving zoals sport- en cultuur activiteiten en de benodigde attributen. Daarnaast is een computer, desktop PC of tablet tegenwoordig onmisbaar in het onderwijs voor zowel volwassenen als kinderen. Ook zijn schoolbenodigdheden essentieel om mee te kunnen doen op school. De voorbeelden opgenomen in dit artikel zijn niet uitsluitend. Wat bijdraagt aan het meedoen in de samenleving kan per persoon verschillen.

Lid 4 onder a en b

De kosten om te leven en mee te doen worden voorzien door de inrichting of penitiaire inrichting waar belanghebbende woont.

Lid 4 onder c

Studenten ontvangen kortingen op sport- en cultuur activiteiten. Er zijn voor hen voldoende mogelijkheden om met een kleine eigen bijdrage deel te nemen aan sport- en cultuur activiteiten. Hierdoor zijn de kosten voor het meedoen in de samenleving voor studenten lager en is hier geen verdere ondersteuning voor nodig.

Artikel 4. Laag inkomen

Lid 1

Inwoners hebben een laag inkomen als zij de redelijke uitgaven voor het desbetreffende huishoudsamenstelling en individuele woonlasten niet kunnen dekken met het inkomen. De redelijke uitgaven worden jaarlijks geactualiseerd in deze verordening onder lid 2 van dit artikel. De daadwerkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen in plaats van een richtbedrag, omdat de hoogte hiervan vaststaat en door de verhuurder wordt bepaald.

Lid 2

De hoogte van redelijke uitgaven per huishoudsamenstelling worden jaarlijks vastgesteld in deze verordening.

Lid 3

In de huishoudsamenstellingen uit lid 2 van dit artikel wordt rekening gehouden met zowel schaalvoordelen als leeftijdsdifferentiatie. De schaalvoordelen zijn vanaf het 6 persoon in het huishouden niet meer aantoonbaar. Daarom kan er per extra persoon van een bepaalde leeftijdscategorie een vast bedrag worden opgeteld bij de redelijke uitgaven. Bij huishoudsamenstelingen met meer dan 5 personen wordt eerst de toepasselijke huishoudsamenstelling van lid 2 geteld. Hierbij wordt eerst naar het aantal volwassenen gekeken, vervolgens naar het aantal kinderen van 12 t/m 17 jaar en daarna naar het aantal kinderen van 0 t/m 11 jaar. Voor opvolgende personen worden de bedragen uit lid 3 toegepast.

Lid 4

De gemeentelijke belastingen zijn opgenomen in de redelijke kosten van de huishoudtypen zoals omschreven in artikel 4, lid 2, van deze verordening. Indien belanghebbende ook kwijtschelding krijgt voor de gemeentelijke belastingen wordt er tweemaal rekening gehouden met deze kosten. Daarom worden voor belanghebbenden die in aanmerking komen voor de kwijtschelding de uitgaven van gemeentelijke belastingen in mindering gebracht.

Lid 5

De zorgkosten zijn een onderdeel van de minimale redelijk uitgaven. Via de collectieve aanvullende zorgverzekering draagt de gemeente al bij aan de zorgkosten door een deel als gemeentelijke bijdrage te verstrekken of via de tegemoetkoming van de aanvullende zorgverzekering. Om te voorkomen dat er dubbele vergoedingen zijn voor de zorgkosten via de collectieve zorgverzekering en de tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering wordt de gemeentelijke bijdrage voor de collectieve zorgverzekering en tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering in mindering gebracht van de redelijke uitgaven.

Lid 6

Onder a: de kinderbijslag, jonggehandicaptenkorting, toeslagen en de tegemoetkoming op grond van de Algemene nabestaandenwet zijn tegemoetkomingen en voorzieningen die gebruikt kunnen worden om van rond te komen en mee te doen in de samenleving. Aangezien er door deze tegemoetkomingen en voorzieningen al voorzien is voor een deel van de redelijke uitgaven worden ze bij de bepaling van een laag inkomen als inkomen in aanmerking genomen.

Onder b: middelen die de belanghebbende ontvangen via premie arbeidsinschakeling algemeen component van gemeente Wageningen kunnen de redelijke uitgaven voor een deel dekken. Daarom worden deze middelen ook in aanmerking genomen als inkomen.

Onder c: middelen die de belanghebbende ontvangt op grond van de individuele inkomenstoeslag kunnen de redelijke uitgaven voor een deel dekken. Daarom worden deze middelen ook in aanmerking genomen als inkomen.

Lid 7

De toeslagen worden in aanmerking genomen voor de bepaling van een laag inkomen. De definitieve hoogte van de toeslagen is pas bekend bij de afrekening. Omdat de toeslagen in aanmerking worden genomen voor het bepalen van een laag inkomen wordt de proefberekening van de belastingdienst gebruikt. Voor het toetsingsinkomen wordt het inkomen gebruik voor de periode dat de aanvraag van de Maatschappelijke Meedoen Regeling betrekking op heeft.

Lid 8

Belanghebbenden kan redelijkerwijs beschikken over minimaal een inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Lid 9

De redelijke uitgaven van deze huishoudtypen bevatten ook de uitgaven die door het inwonen van het meerderjarig inwonend kind extra worden gemaakt zoals gas, elektra, water, lokale lasten internet en televisie etc. Omdat bij de beoordeling deze extra uitgaven mee worden gerekend moet ook het inkomen van het meerderjarige inwonende persoon meegerekend worden. Deze kan niet opgevraagd worden omdat er geen wettelijke grondslag is om het inkomen van het meerderjarige inwonende persoon op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag van de belanghebbende. Desondanks kan redelijkerwijs worden aangenomen dat dit inkomen minimaal de van toepassingzijnde bijstandsnorm is omdat het meerderjarig inwonende persoon in ieder geval daarover zou kunnen beschikken.

Lid 10

Zie toelichting lid 9

Artikel 5. Hoogte Maatschappelijk Meedoen Regeling

Lid 1

In artikel 4 van deze verordening staat omschreven hoe een langdurig laag inkomen wordt vastgesteld. Het verschil tussen het inkomen en de redelijke uitgaven en de individuele woonlasten is het bedrag dat belanghebbende tekort heeft om rond te kunnen komen en mee te doen in de samenleving. Dit verschil is de hoogte de Maatschappelijke Meedoen Regeling. De toelichting komt overeen met de toelichting van artikel 4 van deze verordening.

Lid 2

In de huishoudsamenstellingen uit artikel 4 lid 2 van deze verordening wordt rekening gehouden met zowel schaalvoordelen als leeftijdsdifferentiatie. De schaalvoordelen zijn vanaf het 6 persoon in het huishouden niet meer aantoonbaar. Daarom kan er per extra persoon van een bepaalde leeftijdscategorie een vast bedrag worden opgeteld bij de redelijke uitgaven. Bij huishoudsamenstelingen met meer dan 5 personen wordt eerst de toepasselijke huishoudsamenstelling van lid 2 geteld. Hierbij wordt eerst naar het aantal volwassenen gekeken, vervolgens naar het aantal kinderen van 12 t/m 17 jaar en daarna naar het aantal kinderen van 0 t/m 11 jaar. Voor opvolgende personen worden de bedragen uit lid 3 toegepast.

Lid 9

Per persoon kan het verschillen wat bijdraagt aan het meedoen in de samenleving. Het huishouden mag zelf bepalen welke bedragen zij besteden aan welke kosten zoals onder andere omschreven in artikel 3 lid 3 zolang het naar het oordeel van het college bijdraagt aan het meedoen in de samenleving.

Artikel 6. Toekenning en uitbetaling

Behoeft geen toelichting

Artikel 7. Hardheidsclausule

Als er sprake is van dringende redenen kan het college ten gunste van de belanghebbende van deze verordening afwijken. Omdat verordeningen niet voor alle mogelijke schrijnende gevallen regelingen kunnen treffen, is met dit artikel de mogelijkheid geschapen om maatwerk te leveren. Maatwerk in gevallen waarin de verordening niet voorziet.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Behoeft geen toelichting.

Artikel 9. Overgangsrecht

Belangenhebbenden die reeds een besluit hebben ontvangen op grond van de voorgaande verordening die in het voordeel is van de belanghebbende gaat er van uit dat dit het toegekende bedrag gedurende de toegekende 12 maanden uitgekeerd wordt en heeft hier haar/zijn uitgaven op gebasseerd. Een abrupte verlaging van deze toekenning kan leiden tot financiele problemen. Daarom houden we begunstigende besluiten (t.o.v. deze verordening) op grond van de oude verordeningen in stand. Bij toekenningen die begunstigend zijn op grond van deze verordeningen is er juist een financieel voordeel. Deze herzien we daarom wel.

Artikel 10. Citeertitel

Behoeft geen toelichting