Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2025

Geldend van 25-07-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2025

Gedeputeerde Staten van Fryslân;

Gelet op het besluit van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 8 juli 2025;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

Gelet op paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, paragraaf 22.3.6.1 van de Bruidsschat omgevingsplan, paragraaf 5.1.4.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de hoofdtukken 2, 3 en 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2025

Artikel 1

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

aanvraag:

een aanvraag voor een vergunning op grond van artikelen 5.1, 5.3, en/of 5.4 van de Omgevingswet;

aanvaardbare geur:

invulling van het niveau van geurbelasting veroorzaakt door een milieubelastende activiteit op een geurgevoelig object of gebouw dat als aanvaardbaar wordt beoordeeld als bedoeld in artikel 5.92 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bedrijfswoning:

woning die volgens het omgevingsplan de functie bedrijfswoning heeft en/of een woning die een functionele binding heeft met de milieubelastende activiteit;

bestaande geurbron:

een geurbron waarvoor een vergunning geldt of een melding is ingediend;

beste beschikbare technieken (BBT):

Het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningvoorwaarden te vormen is aangetoond, met als doel emissies en gevolgen voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dit niet mogelijk is, te beperken, waarbij wordt verstaan onder:

technieken: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld

beschikbare: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken wel of niet binnen Nederland worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn,

beste: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel;

cumulatie (cumulatieve geur):

de optelsom van geur van milieubelastende activiteiten die bijdragen aan de geurbelasting;

European odourunit (ouE):

eenheid voor geur als bedoeld in de Handleiding geur industrie en de NTA 9065 Deel 1 en en Deel 2, juni 2023;

Emissiepunt:

Punt waar geur wordt uitgestoten als gevolg van een milieubelastende activiteit;

gebiedscategorie buitengebied

gebied met volgens het omgevingsplan overwegend één of meer van de functies ‘agrarisch’, ‘bos’, ‘natuur’, ‘water’, ‘recreatie’ of een soortgelijke functie. Overige functies, zoals wonen, zijn alleen verspreid aanwezig;

gebiedscategorie werken:

gebied met overwegend de bestemming ‘bedrijf’, ‘bedrijventerrein’ of een soortgelijke bestemming volgens het omgevingsplan;

gebiedscategorie wonen:

gebied met volgens het omgevingsplan overwegend de functie ‘wonen’;

Gedeputeerde Staten;

Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân;

geurbron:

een installatie, productie-eenheid of op- en/of overslagfaciliteit, of een ander onderdeel van een milieubelastende activiteit waarin geur ontstaat of waarbij geur vrijkomt;

geuremissie:

uitstoot van geur uit een geurbron, uitgedrukt in European odour units per uur (ouE /uur);

geurimmissie:

geurbelasting op de leefomgeving, uitgedrukt in een geurconcentratie als percentielwaarde, ten gevolge van de geuremissie van één of meer geurbronnen;

geurgevoelige gebouw:

Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, een onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, een gezondheidsfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

grenswaarde:

Milieukwaliteitsnorm die in acht moet worden genomen bij be­staande geurbronnen. Dit is de maximaal vergunbare waarde;

hedonische waarde:

mate van aangenaamheid van een geur, uitgedrukt in een geurconcentratie gekoppeld aan een referentiewaarde voor de aangenaamheid op een schaal van +4 tot -4, aldus bepaald volgens Nederlandse voornorm (NVN) 2818);

Kortdurende / sterk fluctuerende Geurbron;

geurbron zoals bedoeld in de NTA 9065 Deel 1, juni 2023;

maatwerkvoorschriften

de bevoegdheid van het bevoegd gezag om in concrete gevallen af te wijken van de algemene regels die in het Besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen.

melding:

melding als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving;

milieubelastende activiteit:

een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.

nieuwe geurbron:

een geurbron die zal worden gerealiseerd of een bestaande geurbron waarvan de geuremissie wordt verhoogd met meer dan 10 miljoen Europese odourunits per uur na een daarop gerichte melding of daarvoor verkregen vergunning of een geurbron die zonder voorafgaande vergunning of melding is gerealiseerd;

Nieuw Nationaal Model (NNM):

het verspreidingsmodel voor luchtverontreiniging dat als consensus en standaard te gebruiken model bekend staat; de wijze van gebruik van het NNM dient te zijn volgens de Handreiking NNM (uitgave Informatiepunt Leefomgeving, IPLO);

NEN-EN 13725

Europese en Nederlandse norm voor bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie;

NVN 28181 ;

Nederlandse voornorm voor de bepaling van de hedonische waarde van een geur;

NTA 9065-1, NTA 9065-2;

Nederlandse Technische Afspraak Geurmetingen Deel 1: Opzet, uitvoering en rapportage van geuronderzoeken, juni 2023 en Deel 2: Monstername en analyse, juni 2023;

percentielwaarde:

percentage van de tijd (als percentage van de uren per jaar) waarin een bepaalde uurgemiddelde geurconcentratie niet wordt overschreden;

richtwaarde:

milieukwaliteitsnorm waarmee rekening gehouden moet wor­den bij bestaande geurbronnen en die in acht moet worden geno­men bij nieuwe geurbronnen;

streefwaarde:

milieukwaliteitsnorm waarmee rekening gehouden moet wor­den bij bestaande en nieuwe geurbronnen. Onder deze waarde wordt in principe geen geur meer waargenomen;

vergunning:

een vergunning op grond van artikelen 5.1, 5.3, en/of 5.4 van de Omgevingswet.

Artikel 2

  • 1. Deze beleidsregel is van toepassing op besluiten waarbij een aanvaardbare geur wordt vastgesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is deze beleidsregel niet van toepassing op milieubelastende activiteiten waarvoor in de paragrafen 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving algemene regels zijn gesteld.

Artikel 3

  • 1. Indien Gedeputeerde Staten bepalen dat een milieubelastende activiteit potentieel geurhinder kan veroorzaken, of een redelijk vermoeden hebben dat geurhinder bij geurgevoelige gebouwen niet tot een aanvaardbare geur wordt beperkt, dient een aanvraag voor een vergunning, aanvraag voor maatwerkvoorschriften of melding een geuronderzoeksrapport overeenkomstig de NTA 9065-1 en de NTA 9065-2 te bevatten.

  • 2. Het geuronderzoeksrapport bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de huidige geursituatie en een analyse van eventueel bestaande hinder;

    • b.

      de aard, omvang en waardering van de geur die bij de milieubelastende activiteit(en) vrijkomt;

    • c.

      een berekening van de geurimmissie bij geurgevoelige gebouwen ten gevolge van de aangevraagde milieubelastende activiteiteiten;

    • d.

      een motivering van de in de berekening toegepaste hoogte van de geuremissie. Daarbij is het gebruik van kengetallen mogelijk, mits er minimaal twee informatiebronnen van herkomst zijn en het de oorspronkelijke rapportages van geurbronmetingen betreft en de informatiebronnen goed gemotiveerd en openbaar zijn;

    • e.

      de mogelijke maatregelen, in ieder geval conform beste beschikbare technieken, om de geuremissie en/of geurimmissie te beperken;

    • f.

      de effecten van de maatregelen, als bedoeld onder e., op de geuremissie en/of geurimmissie;

    • g.

      de omvang van de cumulatieve geur.

Artikel 4

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de aanvaardbare geur van de milieubelastende activiteit(en) vast overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 11.

  • 2. Gedeputeerde Staten formuleren de vergunningvoorschriften of de maatwerkvoorschriften als geuremissievoorschriften of geurimmissievoorschriften.

Artikel 5

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de aanvaardbare geur voor bestaande geurbronnen van milieubelastende activiteit(en) op de richtwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen gemotiveerd naar boven afwijken. Dit kan ten hoogste tot de grenswaarde of de waarde die eerder als aanvaardbare geur is vastgesteld door het bevoegd gezag als deze waarde lager is dan de grenswaarde, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is.

Artikel 6

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de aanvaardbare geur voor nieuwe geurbronnen van milieubelastende activiteiten vast op de streefwaarde, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is;

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen gemotiveerd afwijken naar boven tot ten hoogste de richtwaarde en stellen de aanvaardbare geur in dat geval vast op het niveau dat bereikbaar is met toepassing van de beste beschikbare technieken.

Artikel 7

In geval van het toevoegen van nieuwe geurbronnen binnen een milieubelastende activiteit waarin reeds bestaande geurbronnen aanwezig zijn, stellen Gedeputeerde Staten, onverminderd het gestelde in artikel 6, de aanvaardbare geur voor de gezamenlijke geurbronnen binnen de milieubelastende activiteit vast overeenkomstig artikel 5.

Artikel 8

  • 1. Gedeputeerde Staten bepalen elke geur standaard als geurtype hinderlijk.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor de bepaling van het geurtype zoals aangegeven in lid 1 van dit artikel afwijken op basis van resultaten van ter plaatse uitgevoerde gevalideerde hedonische metingen in het verleden en/of eerdere beoordelingen van vergelijkbare processen elders en/of ontvangen hindersignalen over de geuremissie.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen in de situatie van lid 2 het type geur als gevalideerde informatiebron (kwalitatief) bepalen aan de hand van de hedonische waarde volgens onderstaande tabel. Van de mogelijk beschikbare hedonische waarden, geldt de geurconcentratie behorende tot H=-1 als maatgevend.

    wanneer proefpersonen aan een geur

    de hedonische waarde -1 toekennen

    bij de volgende concentraties

    (conform NVN 2818)

    wordt de geur beoordeeld als type:

    <1 ouE/m3

    zeer hinderlijk

    1 - 3 ouE/m3

    hinderlijk

    3 - 10 ouE/m3

    minder hinderlijk

    > 10 ouE/m3

    niet hinderlijk

Artikel 9

  • 1. Gedeputeerde Staten onderscheiden de volgende categorieën gebouwen:

    • a.

      categorie A: een geurgevoelig gebouw gelegen in gebiedscategorie wonen of buitengebied;

    • b.

      categorie B: een geurgevoelig gebouw gelegen in gebiedscategorie werken;

    • c.

      categorie C: andere gebouwen waar hoofdzakelijk mensen verblijven, niet zijnde geurgevoelige gebouwen als bedoeld onder a. en b., gelegen in gebiedscategorie wonen, werken of buitengebied;

    • d.

      categorie D: andere gebouwen waar hoofdzakelijk mensen verblijven, niet zijnde geurgevoelige gebouwen als bedoeld onder a. en b., gelegen op een industrieterrein, waar volgens het omgevingsplan Seveso-inrichtingen, IPPC-installaties of industriële mer-(beoordelings)plichtige projecten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit zijn toegestaan.

  • 2. Gedeputeerde Staten toetsen voor de categorieën geurgevoelige gebouwen A, B en C de geurimmissie van de milieubelastende activiteit(en) aan de waarden die zijn opgenomen in tabel 1 en in voorkomende gevallen als bedoeld in artikel 8, lid 2 aan de waarden die zijn opgenomen in tabel 2.

    Tabel 1

     

    Categorie geurgevoelige gebouwen

     

    Categorie A

    Categorie B

    Categorie C

    Type geur

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Hinderlijk

    0,15

    0,5

    1,5

    0,5

    1,5

    5

    1,5

    5

    15

    Tabel 2

     

    Categorie geurgevoelige gebouwen

     

    Categorie A

    Categorie B

    Categorie C

    Type geur

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Streef-waarde

    Richt-waarde

    Grens-waarde

    Zeer hinderlijk

    0,05

    0,15

    0,5

    0,15

    1,5

    1,5

    0,5

    1,5

    5

    Minder hinderlijk

    0,5

    1,5

    5

    1,5

    5

    15

    5

    15

    50

    Niet hinderlijk

    1,5

    5

    15

    5

    15

    50

    15

    50

    150

  • 3. Gedeputeerde Staten stellen voor geurgevoelige gebouwen categorie D, in afwijking van de arti- kelen 5, 6 en 7, de aanvaardbare geur vast op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van maatregelen;

  • 4. De streef-, richt- en grenswaarden als bedoeld in tabel 1 en 2 van het tweede lid geven immissie geurconcentraties weer in ouE per m³ en zijn bepaald als 98-percentielwaarden;

  • 5. In specifieke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten geurgevoelige gebouwen in het buitengebied aanmerken als geurgevoelige gebouwen categorie B.

Artikel 10

Gedeputeerde Staten toetsen de geurimmissie van de milieubelastende activiteit in geval van de aanwezigheid van kortdurende of sterk fluctuerende geurbronnen aan de waarden genoemd in artikel 9, waarbij de waarden vermenigvuldigd worden met een factor die als volgt afhankelijk is van de percentielwaarde:

  • a.

    apercentielwaarde 98: factor 1

  • b.

    percentielwaarde 99,5: factor 2

  • c.

    percentielwaarde 99,9: factor 4

Artikel 11

Gedeputeerde Staten hanteren ten aanzien van de (beoordeling van) cumulatie van geurbronnen de volgende uitgangspunten:

  • a.

    de (beoordeling van) cumulatie beperkt zich tot de bronnen die vallen binnen de werkingssfeer van dit beleid;

  • b.

    een bedrijf draagt uitsluitend aan cumulatie bij, indien de individuele geurbelasting bij geurgevoelige gebouwen groter is dan 0,25 ouE /m3 als 98- percentiel van de uurgemiddeldeconcentratie (of 0,50 ouE /m3 als 99,5- percentiel of 1,0 ouE /m3 als 99,9-percentiel).

  • c.

    de werkwijze voor het berekenen van de gecumuleerde geurbelasting is gelijk aan die voor het berekenen van de geurbelasting van een individueel bedrijf.

Artikel 12

Gedeputeerde Staten kunnen voor locaties en gebieden binnen de provincie Fryslân afwijken van de aanvaardbare geur, zoals vastgesteld in deze beleidsregels. In dat geval vindt overleg plaats met de gemeente, op wiens grondgebied de locatie dan wel het gebied zich bevindt.

Artikel 13

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet- veehouderijen) Fryslân 2025.

Artikel 14

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provin-ciaal Blad waarin deze is geplaatst. De beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent geur niet veehouderijen (Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019) wordt met de inwerkingtreding van de Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet- veehouderijen) Fryslân 2025 ingetrokken.

Ondertekening

ALGEMENE TOELICHTING

Voor de toetsing van de aanvaarbaarheid van geur hebben Gedeputeerde Staten (hierna: GS) van Fryslân in 2019 beleidsregels opgesteld (Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019). Deze regels golden voor een aantal categorieën industriële bedrijven waarvoor GS bevoegd waren voor vergunninggverlening op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden.

Deze wet vervangt een aantal wetten, waaronder de Wabo, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet natuurbescherming en de Waterwet. Ook het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit zijn vervangen.

Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving.

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Maar ook geurveroorzakende bedrijfsactiviteiten hebben een plek in de leefomgeving nodig.

De provincie is op grond van de Omgevingswet verantwoordelijk voor vergunningverlening van mileubelastende activiteiten voor een aantal categorieën industriële bedrijven.

GS hebben de mogelijkheid om vergunning- en/of maatwerkvoorschriften te stellen voor bepaalde milieubelastende activiteiten. GS toetsen daarbij de aanvaardbaarheid van effecten van de milieubelastende activiteiten op de leefomgeving.

Het Rijk heeft een aantal geurvoorschriften voor milieubelastende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen of tot een aanvaardaar niveau beperken van geurhinder. De aanpak van geur speelt echter op lokaal niveau. Het bevoegd gezag beoordeelt welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

De regels voor geur staan in § 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Normen voor geur- hinder worden door de gemeente opgenomen in hun omgevingsplan. Bij vergunningverlening, de beoordeling van meldingen en verzoeken tot maatwerkvoorschriften moet rekening worden gehouden met die normen. De gemeente heeft ruimte om die normen zelf in te vullen. Die ruimte hebben zij niet voor geurhinder door activiteiten waarvoor in het Bkl algemene regels zijn opgesteld. Het gaat dan om zuiveringtechnische werken zoals een rioolwaterzuiveringsinstallatie (§ 5.1.4.6.2), veehouderijen (§ 5.1.4.6.3), en bepaalde agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4).

Naast de normen in het omgevingsplan kunnen GS in een beleidsregel normen vaststellen voor geur- hinder voor categorieën industriële bedrijven waarvoor GS bevoegd gezag zijn. Met deze beleidsregel geven GS aan bedrijven en de omgeving duidelijkheid over de wijze waarop geurhinder wordt beoordeeld en bij welke geurbelasting sprake is van een aanvaardbare geur. De wijze van beoordeling en toetsing is een voortzetting van hetgeen in de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019 was neergelegd, maar deze is aangepast aan de Omgevingswet.

De geurnormen uit het omgevingsplan en uit deze beleidsregel bestaan naast elkaar, waarbij geldt dat de strengste normen gelden. Wij toetsen vergunningaanvragen, meldingen en verzoeken tot maatwerkvoorsxchriften dus ook aan de normen uit het omgevingsplan van de gemeente.

De inhoud van deze beleidsregel is afgestemd met de omgevingsdienst van de provincie Fryslân, FUMO (Omgevingsdienst Fryslân).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Deze beleidsregel sluit aan bij begrippen die gangbaar zijn in de Bruidsschat Omgevingswet, het Bal, het Bkl, en daarmee samenhangende documenten die in de praktijk van geuronderzoek, - metingen en -berekeningen worden toegepast.

Daarnaast zijn begrippen opgenomen die de basis vormen voor het toetsings- en afwegingskader dat ten grondslag ligt aan de beleidsregels.

Artikel 2

Gedeputeerde staten hanteren deze beleidsregel bij: a. besluitvorming op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning als bedoeld onder a; c. het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.13 van het Bal; d. toezicht, waaronder in ieder geval wordt verstaan toezicht op de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11, van het Bal.

Deze beleidsregel geldt voor vergunningverlening op grond van de Omgevingswet voor milieubelas- tende activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken en onder de bevoegdheid van GS vallen. Deze beleidsregel geldt ook voor het stellen van maatwerkvoorschriften voor die bedrijven. De in deze beleidsregel beschreven benadering en gepresenteerde normering kan ook toegepast worden bij de ruimtelijke ordening. Doelstelling van de ruimtelijke ordening is een gezonde fysieke leefomgeving. Deze beleidsregel is een invulling van de zogenaamde ‘omgekeerde werking’, waarmee voor omgevingsplannen de aan te houden afstand tot een geurbron uit de milieuregelgeving wordt afgeleid. De in deze beleidsregel gegeven normering voor geurgevoelige gebouwen kan rechtstreeks worden opgenomen in de voorwaarden van een omgevingsplan of worden gehanteerd bij vergunningverlening voor een omgevingsplanactiviteit.

Deze beleidsregel wordt toegepast bij milieubelastende activiteiten waarbij de geuremissie kan worden uitgedrukt in European odourunits per tijdseenheid. Bij een geuremissie, uitgedrukt in snuffeleenheden door snuffelploegmetingen, kan de systematiek van deze beleidsregel niet toegepast worden. De systematiek van de beleidsregel kan wel aanknopingspunten geven voor de afweging.

Artikel 3

Dit artikel bepaalt welke gegevens overlegd moeten worden bij een aanvraag om een vergunning of maatwerkvoorschrift of een melding voor een milieubelastende activiteit die potentieel geur veroorzaakt. Duidelijk moet zijn welke milieugevolgen veroorzaakt worden door de milieubelastenden activiteit. Indien GS bepalen dat een milieubelastende activiteit potentieel geurhinder kan veroorzaken of dat er sprake is van een ‘redelijk vermoeden’ van geurhinder, dient een geuronderzoek te worden uitgevoerd conform de NTA 9065-1 en de NTA 9065-2. De NTA gaat expliciet in op de mogelijke onderzoeksmethoden voor geur. In het artikel staan de eisen voor een geuronderzoeksrapport, waaronder de effecten van de maatregelen op de geuremissie. Uit artikel 8.9 van het Bkl volgt dat een milieubelastende activiteit alleen verleend mag worden als de initiatiefnemer de beste beschikbare technieken (BBT) toepast. Ook geldt op grond van artikel 2.11 van het Bal een specifieke zorgplicht voor degene die een milieubelastende activiteit verricht. Deze houdt onder andere toepassing van de BBT in. De effecten van de maatregelen op de geurimmissie moeten inzichtelijk worden gemaakt met verspreidingsberekeningen middels een actuele versie van het Nieuw Nationaal Model.

Artikel 4

De toegestane geuremissie of geurimmissie wordt bepaald met verspreidingsberekeningen. Emissie- eigenschappen, zoals de uittredesnelheid en de warmte-inhoud worden niet in de voorschriften vastgelegd. Deze eigenschappen zijn uitgangspunten voor de verspreidingsberekening, waarop de voorschriften zijn gebaseerd.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe geurbronnen van milieubelastende activiteiten. Bij bestaande geurbronnen is het vaak moeilijker en duurder om maatregelen te nemen of met dezelfde maatregelen evenveel te bereiken als bij nieuwe geurbronnen. Het onderscheid in normering voor bestaande geurbronne en nieuwe geurbronnen wordt behandeld in de artikelen 5, 6 en 7.

Artikel 5

GS stellen de aanvaardbare geur voor bestaande geurbronnen op de richtwaarde vast, of zoveel lager als redelijk mogelijk is. Afwijken naar boven kan tot ten hoogste de grenswaarde, en als het reeds vergunde geurhinderniveau lager is, tot deze vergunde waarde. Bij het vaststellen van de aanvaardbare geur wordt getoetst of de geurbelasting wordt gereduceerd met toepassing van de beste beschikbare technieken. GS weigeren de vergunning geheel of gedeeltelijk, indien met redelijkerwijs te verlangen geurreducerende maatregelen of voorzieningen geen geurhinderniveau bereikt kan worden dat gelijk is aan of lager dan de grenswaarde, dan wel, als deze lager is, de eerder vergunde waarde. Voordat GS een ontwerpbesluit vaststellen, stellen zij de vergunningaanvrager in de gelegenheid de aanvraag te wijzigen en alsnog zodanige maatregelen of voorzieningen aan te vragen zodat positief op de aanvraag kan worden besloten.

Artikel 6

GS stellen bij één of meer nieuwe geurbronnen de aanvaardbare geur op de streefwaarde vast, of zoveel lager als redelijk mogelijk is. Uitgangspunt is dat in nieuwe situaties bij nieuwe geurbronnen nieuwe hinder moet worden voorkomen. De streefwaarde wordt beschouwd als niveau waarbij geen geurhinder optreedt. De richtwaarde vormt dan de maximale waarde waartoe eventueel kan worden afgeweken van de streefwaarde. Ook bij nieuwe geurbronnen wordt voor het vaststellen van de aanvaardbare geur getoetst of de geurbelasting wordt gereduceerd met toepassing van de beste beschikbare technieken.

Net als bij artikel 5 weigeren GS de vergunning geheel of gedeeltelijk, indien met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen geen aanvaardbare geur bereikt kan worden. Ook hier stellen GS, voordat zij een ontwerpbesluit vaststellen, de vergunningaanvrager in de gelegenheid, de aanvraag te wijzigen en alsnog zodanige maatregelen of voorzieningen te treffen dat positief op de aanvraag kan worden besloten.

Artikel 7

De geurbelasting van nieuwe geurbronnen binnen een vergunde milieubelastende activiteit worden als nieuwe geurbron conform artikel 6 getoetst. Indien wordt voldaan aan de waarden van artikel 6 worden de gezamenlijke geurbronnen (bestaand en nieuw) getoetst aan de normen voor bestaande geurbronnen, conform artikel 5.

Artikel 8

NVN 2818 beschrijft een werkwijze voor het vaststellen van de aard van een geur of hinderpotentieel, aan de hand van één of meer hedonische waarden (een verdeling in mate van (on)aangenaamheid) van een geur.

Afgelopen jaren heeft een expertgroep geur, bestaande uit de Omgevingsdienst Midden West Brabant (OMWB), Omgevingsdienst regio Arnhem (ODRA), Buro blauw, Olfasense, Witteveen+Bos en diverse ervaren geuradviseurs, een vergelijkingsonderzoek uitgevoerd. Hierbij werd gekeken naar tien praktijkgeuren, waaruit bleek dat de NVN 2818 voor het beoordelen van industriële geur onvoldoende betrouwbaar is om het niveau van geurhinder te bepalen. Daarom heeft de normcommissie geurmetingen van NEN besloten de NVN 2818:2019 ‘Geurkwaliteit - Sensorische bepaling van de hedonische waarden van een geur met een olfactometer’ in te trekken omdat de gebruikte methode niet betrouwbaar is gebleken.

In juli 2024 heeft de normcommissie geurmetingen van de NEN de NVN 2818 (2019) ingetrokken. De Raad voor Accreditatie heeft de NVN 2818:2019 volledig uitgesloten als referentie-methode en de hedonische bepaling ingetrokken als geaccrediteerde verrichting bij de geurlaboratoria in Nederland.

Naar aanleiding van deze ontwikkeling hebben GS artikel 8 gewijzigd ten opzichte van het bestaande door GS vastgestelde geurbeleid door in principe elk type geur en het daarop gebaseerde toetsingskader standaard als hinderlijk te beoordelen. Daarvan kan eventueel worden afgeweken op basis van hedonische wegingen (als geverifieerde informatiebron) nu en in het verleden dan wel op basis van analyse van klachten.

Artikel 9

GS toetsen de berekende geurimmissie van de milieubelastende activiteit aan de waarden van de tabellen in artikel 9. De getallen geven de uurgemiddelde geurconcentraties weer in OUe per m³ en zijn aangeduid als 98-percentielwaarden. Verder kan bij de toetsing rekening worden gehouden met de hedonische waarde van de geur en de gebiedscategorie die van toepassing is op de milieube- lastende activiteit en omgeving waar de geurhinder optreedt.

Percentielwaarde 98

De geurimmissie (de geurbelasting op leefniveau) wordt uitgedrukt in een percentielwaarde. Dat is een percentage van de tijd (op jaarbasis), waarin een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Zo betekent een geurconcentratie van 1,5 OUe per m³ als 98 percentiel op een bepaalde locatie, dat op die locatie 98% van de tijd van een jaar deze concentratie in een gemiddeld meteojaar niet wordt overschreden. Het betekent dus ook dat op die locatie 2% van de tijd (175 uren per jaar) die geurcon- centratie van 1,5 OUe per m³ wél kan worden overschreden - en daarmee dus ook een beperkt aantal uren hinderlijk kan zijn. Geurimmissie op een bepaalde plaats treedt op afhankelijk van onder andere de windrichting ten opzichte van de geurbron. De percentielwaarde is ingegeven door de omstandigheid dat een geurimmissie per definitie slechts met een bepaalde frequentie (percentage van de tijd) kan optreden.

Gebiedscategorie

Niet voor alle geurgevoelige gebouwen wordt een zelfde beschermingsniveau nagestreefd. In aansluiting op regelgeving en jurisprudentie stellen GS het beschermingsniveau afhankelijk van de functie van het gebied waar de ontvanger of het geurgevoelige gebouw zich bevindt en van het soort geurgevoelig gebouw vast. Het toetsingskader onderscheidt gebiedscategorieën, o.a. wonen en werken, waarvoor normen voor de aanvaardbare geur is gedefinieerd.

In sommige gevallen kan van de funcie van het gebied worden afgeweken. Indien het buitengebied bijvoorbeeld het karater heeft van een agrarische werkomgeving kunnen Gedeputeerde Staten verspreid liggende woningen in het buitengebied aanmerken als geurgevoelige objecten categorie B (gelegen in gebiedscategorie ‘werken’).

Geurgevoelige gebouwen

Het Bkl benoemt geurgevoelige gebouwen in artikel 5.91. Ook gebouwen die nog niet zijn gerealiseerd maar al wel planologisch toegestaan zijn vallen onder deze definitie. Een aantal bedrijfsgebouwen valt onder dezelfde bescherming als woningen. Overige bedrijfsgebouwen vallen onder categorie C of D, en hebben een lager beschermingsniveau dan geurgevoelige gebouwen in categorie A en B. Categorie D heeft daarbij het laagste beschermingsniveau. Hierbij wordt de aanvaardbare geur vastgesteld op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van redelijke maatregelen. Er is anders dan in categorie C en D geen sprake van een geurgevoelig gebouw als het verblijf van mensen een ondergeschikte rol speelt. Voorbeelden hiervan zijn stallen, kassen en opslagloodsen. Deze gebouwen worden niet beschermd.

Artikel 10

Bij geurimmissienormen op basis van percentielwaarden mag een aantal uren per jaar de geurnorm worden overschreden. De hoogte van de geurconcentratie die tijdens die toegestane overschrijdingsuren mag plaatsvinden is niet begrensd. Om te voorkomen dat tijdens de toegestane overschrijdingsuren hoge geurpieken optreden – dit kan met name bij bedrijven met sterk wisselende periodieke emissies optreden - wordt naast de gangbare 98-percentiel ook een norm bij hogere percentielwaarden gesteld. De 99,5- en 99,9-percentielen zijn daarbij de gangbare percentielwaarden. Hiermee wordt de kans op hinder door - weliswaar beperkt voorkomende - hoge geurimmissie verkleind.

Artikel 11

De cumulatieve geurbelasting kent geen eigen toetsingskader. Onder de Omgevingswet moet dit geregeld worden in het Omgevingsplan. De beoordeling van de lokaal aanvaardbare geur in samenhang met cumulatie is altijd maatwerk.

Artikel 12

Gedeputeerde Staten kunnen voor een milieubelastende activiteit, locaties, en gebieden binnen de provincie, eventueel in overleg met de betreffende gemeente(n), specifieke beleidsregels vaststellen en daarmee maatwerk leveren voor het rekening houden met bijvoorbeeld het cumulatieve aanvaardbare geurhinderniveau of een historisch gegroeide situatie of andere bijzondere gebiedseigen omstandigheden.


Noot
1

De normcommissie geurmetingen van NEN heeft de NVN 2818 ingetrokken.