Verordening Kinderopvang SMI Amsterdam

Geldend van 21-06-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening Kinderopvang SMI Amsterdam

De raad van de gemeente Amsterdam,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 mei 2025

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet,

besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening Kinderopvang SMI Amsterdam

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    bsn: burgerservicenummer;

  • -

    budget: het bedrag dat voor kinderopvang SMI is opgenomen in de raadsbegroting voor het betreffende kalenderjaar;

  • -

    buitenschoolse opvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • -

    dagopvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs gaan volgen;

  • -

    GGD: Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam;

  • -

    kind: een persoon van drie maanden tot elf jaar, die staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het woonadres van de ouder(s) en deel uitmaakt van het gezin van de ouder(s);

  • -

    kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang en die is ingeschreven in het landelijk register kinderopvang;

  • -

    kinderopvang: het bedrijfsmatig verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in de vorm van dagopvang of buitenschoolse opvang in een kindercentrum;

  • -

    ouder(s):de bloed- of aanverwant(en) in opgaande lijn of de pleegouder(s) of verzorgers van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft;

  • -

    SMI: Sociaal Medische Indicatie inhoudende een positief advies van de jeugdarts van de GGD waarop het college zijn besluit baseert bij een aanvraag om een voorziening kinderopvang SMI;

  • -

    sociaal medische problematiek: sociale en/of medische problematiek van ouder(s) die negatieve gevolgen heeft voor het functioneren van het gezin;

  • -

    voorschool: een kinderdagverblijf met een educatief programma voor kinderen van twee tot vier jaar ter voorbereiding op de basisschool;

  • -

    voorziening kinderopvang SMI: een opvangplek bij een kindercentrum ingekocht door de gemeente voor een kind van ouders met een sociaal medische indicatie voor kinderopvang voor dat kind.

Artikel 2 Doel

Het doel van de verordening is om door het tijdelijk beschikbaar stellen van een voorziening kinderopvang SMI, ouders die vanwege sociaal medische problematiek onvoldoende kunnen zorgdragen voor de verzorging, opvoeding en een goede ontwikkeling van hun thuiswonende kinderen, de mogelijkheid te bieden tot het structureel aanpakken van hun problemen ter verbetering van de thuissituatie en de ontwikkelkansen van de betrokken kinderen.

Artikel 3 Aard, omvang en duur van de voorziening kinderopvang SMI

  • 1. Het college kan indien dit gelet op de sociaal medische problematiek van ouder(s) en de gevolgen hiervan voor het kind noodzakelijk is, een voorziening kinderopvang SMI verstrekken voor de duur van maximaal twaalf maanden, welke bestaat uit:

    • a.

      een plek in de dagopvang voor maximaal twee dagen in de week voor kinderen in de leeftijd van drie maanden totdat het kind de leeftijd heeft dat het naar de voorschool kan gaan;

    • b.

      een plek in de buitenschoolse opvang voor maximaal twee dagen in de week voor kinderen in de leeftijd van vier tot elf jaar.

  • 2. Het college kan indien dit gelet op de sociaal medische problematiek van ouder(s) en de gevolgen hiervan voor het kind noodzakelijk is, de periode genoemd in het eerste lid, eenmaal verlengen met maximaal twaalf maanden.

  • 3. Het college kan indien naar zijn oordeel de sociaal medische problematiek van ouders en de gevolgen hiervan voor het kind hiertoe noodzaakt, afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.

Artikel 4 Verdeelsystematiek

De aanvragen voor een voorziening SMI worden afgehandeld in volgorde van binnenkomst van een complete aanvraag.

Artikel 5 De aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een voorziening kinderopvang SMI of de verlenging daarvan wordt schriftelijk ingediend door de ouder(s) van het kind door middel van het daarvoor door het college vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2. De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      naam, adres en bsn van de ouder(s);

    • b.

      naam, adres en bsn van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • c.

      samenstelling van het gezin;

    • d.

      gegevens om te kunnen beoordelen of ouders aanspraak hebben op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet kinderopvang;

    • e.

      gegevens over de situatie van het gezin om te kunnen beoordelen of de aanvraag ziet op een situatie waarin ouders door sociaal medische problematiek onvoldoende kunnen zorgdragen voor de verzorging, opvoeding en/of ontwikkeling van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 3. Het college of de jeugdarts van de GGD kan ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is.

  • 4. Bij de aanvraag verlenen ouder(s) een machtiging aan de jeugdarts van de GGD voor het opvragen van nadere sociaal medische informatie bij hun behandelaar of hulpverlener ten behoeve van de advisering aan het college over de noodzaak van de gevraagde voorziening.

  • 5. Een aanvraag voor verlenging van een voorziening kinderopvang SMI wordt gedaan uiterlijk twaalf weken voor het einde van de termijn waarvoor de voorziening eerder is verstrekt.

Artikel 6 Beoordeling inkomensgegevens

Het college kan de inkomensgegevens bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d van dit artikel controleren bij de belastingdienst.

Artikel 7 Advies van de jeugdarts van de GGD Amsterdam over sociaal medische indicatie

  • 1. Het college laat zich over het bepalen van de noodzaak voor het verstrekken van de voorziening kinderopvang SMI of de verlenging daarvan, adviseren door een jeugdarts van de GGD.

  • 2. Het college ziet af van het vragen van advies als sprake is van een weigeringsgrond genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a. tot en met c. of in artikel 8, tweede lid, onder c.

  • 3. De jeugdarts van de GGD kan om nadere informatie vragen bij ouder(s) en bij de in artikel 5, vierde lid, bedoelde behandelaar of hulpverlener.

  • 4. De jeugdarts van de GGD geeft in zijn indicatieadvies gemotiveerd aan of de voorziening kinderopvang vanwege de sociaal medische problematiek van ouder(s) aangewezen is, voor hoeveel dagen per week en voor welke periode. Hierbij houdt de jeugdarts rekening met:

    • a.

      de ernst en de te verwachten duur van de sociaal medische problematiek van ouder(s) en in hoeverre hierdoor de ontwikkelkansen van het kind onder druk staan;

    • b.

      of een andere oplossing van de gezinssituatie meer voor de hand ligt;

    • c.

      de draagkracht van het sociaal netwerk waarover ouder(s) beschikken en

    • d.

      of er een concrete mogelijkheid is voor een structurele verbetering van de sociaal medische problematiek, waardoor een voorziening kinderopvang SMI in de toekomst niet meer nodig is.

Artikel 8 Weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert de voorziening kinderopvang SMI of de verlenging daarvan als:

    • a.

      ouder(s) en het kind niet zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de gemeente Amsterdam;

    • b.

      de aanvraag ziet op een situatie die geen relatie heeft met sociaal medische problematiek van ouder(s) of medische problematiek van een ander kind in het gezin dan het kind waarop de aanvraag om de voorziening kinderopvang SMI betrekking heeft;

    • c.

      er een andere passende voorliggende voorziening is, zoals kinderopvangtoeslag of de voorschool;

    • d.

      een andere oplossing voor de gezinssituatie meer voor de hand ligt;

    • e.

      een sociaal netwerk beschikbaar is dat gelet op de aanwezige sociaal medische problematiek voldoende ondersteuning kan bieden aan de ouder(s) en het kind;

    • f.

      de ontwikkelingskansen van het kind niet onder druk staan door de sociaal medische problematiek van ouder(s);

    • g.

      door de verstrekking hiervan in een kalenderjaar het beschikbare budget wordt overschreden.

  • 2. Het college kan de voorziening kinderopvang SMI of de verlenging daarvan weigeren als naar zijn oordeel:

    • a.

      ouder(s) onvoldoende concrete actie ondernemen of hebben ondernomen ter verbetering van hun sociaal medische problematiek;

    • b.

      anderszins onvoldoende zicht is op vermindering van de sociaal medische problematiek van ouder(s) en de gevolgen hiervan voor het kind;

    • c.

      ouder(s) de verplichtingen als bedoeld in artikel 10 bij een eerdere verstrekking van de voorziening SMI niet zijn nagekomen.

Artikel 9 Beslistermijn en inhoud van het besluit voorziening kinderopvang SMI

  • 1. Het college besluit binnen tien weken na ontvangst van een volledige aanvraag.

  • 2. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

  • 3. Het besluit tot het verstrekken van de voorziening kinderopvang bevat in ieder geval:

    • a.

      de naam en de geboortedatum van het kind of de kinderen op wie de voorziening kinderopvang SMI betrekking heeft;

    • b.

      de periode waarvoor en het aantal dagen kinderopvang dat per week wordt verstrekt gespecificeerd per kind en

    • c.

      het advies van de jeugdarts van de GGD en of het college dit advies overneemt of hiervan afwijkt.

Artikel 10 Verplichtingen verbonden aan een voorziening kinderopvang SMI

  • 1. Ouder(s) sluiten met het kindercentrum een plaatsingsovereenkomst nadat het college toestemming heeft gegeven voor de plaatsing op het betreffende kindercentrum.

  • 2. Ouder(s) zorgen ervoor dat het kind op de overeengekomen dagen naar het kindercentrum gaat.

  • 3. Ouder(s) spannen zich in om de sociaal medische problematiek binnen het gezin te verminderen.

  • 4. Ouder(s) geven elke verandering in omstandigheden die kan leiden tot een intrekking of wijziging van de voorziening kinderopvang SMI zo spoedig mogelijk door aan het college.

  • 5. Ouder(s) werken mee aan door het college ingesteld onderzoek om vast te stellen of er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 11 Intrekking voorziening kinderopvang SMI

  • 1. Het college besluit tot intrekking van de voorziening kinderopvang SMI als:

    • a.

      ouder(s) en het kind niet meer zijn ingeschreven op het zelfde adres in de gemeente Amsterdam;

    • b.

      ouder(s) een beroep kunnen doen op een andere passende voorliggende voorziening, zoals kinderopvangtoeslag of de voorschool;

    • c.

      uit onderzoek blijkt dat de voorziening kinderopvang SMI ten onrechte aan ouder(s) is verstrekt;

    • d.

      de kinderopvang niet meer plaatsvindt;

    • e.

      de voorziening kinderopvang SMI niet langer adequaat is;

    • f.

      de sociaal medische indicatie komt te vervallen.

  • 2. Het college kan besluiten tot intrekking van de voorziening kinderopvang SMI als ouder(s) niet of niet geheel voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 10.

Artikel 12 Hardheidsclausule

Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing van de verordening zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking van de verordening in het Gemeenteblad.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Kinderopvang SMI Amsterdam.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 11 juni 2025

De voorzitter

Femke Halsema

De plaatsvervangend raadsgriffier

Dafne Struijk

Toelichting

Algemeen deel

De Wet kinderopvang geeft ouders recht op kinderopvangtoeslag wanneer zij de zorg voor kinderen (0-12) combineren met werk, studie of een re-integratietraject. De doelgroep van SMI bestaat uit gezinnen met kinderen tot en met 10 jaar waarvan de ouder(s) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Bijvoorbeeld omdat de ouder of ouders niet (allebei) werken en vanwege sociaal medische problematiek ook niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Denk bijvoorbeeld aan ouders met een (chronische) lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking of aan een sociale crisissituatie in een gezin. Het kan ook voorkomen dat hierdoor er voor kinderen tijdelijk geen gezond opvoedklimaat is. Kinderopvang kan dan van belang zijn voor een goede ontwikkeling van het kind en om ouder(s) de gelegenheid te geven om actie te ondernemen om hun problematiek te verminderen en daarmee de thuissituatie te verbeteren.

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) stort sinds 2005 geld in het Gemeentefonds met de opdracht aan gemeenten om voor gezinnen waar ernstige sociaal medische problematiek speelt en waar geen recht op kinderopvangtoeslag is, kinderopvang te regelen: kinderopvang op sociaal medische indicatie (SMI). Het rijk laat het aan gemeenten om te bepalen in welke gevallen gezinnen voor kinderopvang SMI in aanmerking komen, voor welke periode, voor hoeveel dagen per week etc.

De bevoegdheid om een voorziening kinderopvang SMI te verstrekken is een buitenwettelijke bevoegdheid, waarin het college zijn eigen beleid kan voeren. In het verleden waren de stadsdeelbesturen verantwoordelijk voor kinderopvang SMI. Sommigen hadden hiervoor ook een verordening vastgesteld. Sinds de centralisatie van het toezicht op de kinderopvang in 2015 verstrekt het college een voorziening kinderopvang SMI op basis van een vaste gedragsregel, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • er is geen andere voorliggende voorziening zoals kinderopvangtoeslag of de voorschool;

  • ouders kampen met ernstige sociaal medische problematiek (bijv. handicap, ziekte, psychische problemen of verslaving), waardoor zij hun kinderen onvoldoende of niet fulltime op kunnen voeden;

  • de ontwikkelkansen van kinderen staan als gevolg van deze problematiek onder druk;

  • er is geen of een beperkt sociaal netwerk, zoals familie, vrienden en/of buren waar ouders een beroep op kunnen doen en

  • er is een plan om de problemen in het gezin structureel op te lossen, zodat een SMI niet langer nodig is voor kinderen uit het gezin.

Met het oog op de rechtszekerheid van de aanvragers is het nodig om voortaan de voorziening kinderopvang SMI te verstrekken op basis van een wettelijk voorschrift: de Verordening Kinderopvang SMI Amsterdam. Hierin zijn de voorwaarden als hiervoor omschreven opgenomen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Definities

Waar in de verordening wordt gesproken over sociaal medische problematiek, gaat het altijd om sociaal medische problematiek van de ouders of de verzorgers van het kind waarop de aanvraag om een voorziening kinderopvang SMI betrekking heeft. Deze problematiek kan ook het gevolg zijn van medische problematiek van een broertje of zusje van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft. Psychische problematiek valt ook onder medische problematiek.

De overige begripsbepalingen behoeven geen toelichting.

Artikel 2 Doel

Een voorziening kinderopvang SMI heeft tot doel de leefomgeving van een kind te verbeteren. Doordat een kind één of enkele dagen per week naar de kinderopvang gaat, krijgen ouders ruimte om aan hun problemen te werken en krijgt het kind de kans om zich, ondanks de problematiek in het gezin, zo normaal mogelijk te ontwikkelen. Kinderopvang SMI is daarmee ook een preventieve interventie. Door kinderen een tijdelijk gezond tweede leefmilieu te bieden, wordt geprobeerd latere problemen te voorkomen of zo klein mogelijk te houden.

Artikel 3 Aard, omvang en duur van de voorziening kinderopvang SMI

Een voorziening kinderopvang SMI wordt verstrekt voor maximaal 2 dagen per week. Dit geldt voor kinderen in de leeftijd van 3 maanden totdat zij naar de voorschool kunnen gaan en voor kinderen van 4 tot en met 10 jaar. De voorschool is een kinderdagverblijf met een educatief programma ter voorbereiding op de basisschool. Kinderen kunnen hier 12 tot 16 uur per week naar toe. De voorschool is daarmee in Amsterdam een voorliggende voorziening ten opzichte van kinderopvang SMI. Slechts bij uitzondering is een combinatie van voorschool en een voorziening kinderopvang SMI mogelijk.

Tijdelijkheid

Een voorziening kinderopvang SMI is een tijdelijke voorziening, gericht op daadwerkelijke verbetering van de thuissituatie. Ouders moeten zich inspannen om te zorgen dat hun situatie verbetert en de voorziening niet meer nodig is. De indicatie is daarom altijd voor een bepaalde periode en in beginsel niet langer dan 12 maanden. Na deze periode is een herbeoordeling nodig als ouders voor een verlenging in aanmerking willen komen. Bij deze herbeoordeling wordt opnieuw gekeken of de voorziening noodzakelijk is en of dit nog steeds de juiste oplossing is voor het gezin. Natuurlijk zijn er problemen die niet (snel) op te lossen zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een zware lichamelijke beperking of een psychische stoornis. In dergelijke gevallen kan worden gekeken of bijvoorbeeld door een netwerk rond het gezin te creëren, een voorziening kinderopvang SMI na enige tijd niet meer nodig is.

Uitzonderingen

Het derde lid regelt dat het college indien de sociaal medische problematiek van ouder(s) dit noodzakelijk maakt, kan afwijken van de hoofdregels betreffende de leeftijd van de kinderen en de omvang en duur van de voorziening. In de praktijk gebeurt dit op advies van de jeugdarts van de GGD, indien de sociaal medische problematiek hiertoe noodzaakt. Het gaat dan om uitzonderlijke situaties. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gezin waarbij bij een ouder uitsluitend sprake is van een structurele fysieke of licht verstandelijke beperking, maar waar verder geen ernstige sociale problematiek speelt. Daarbij kan worden gedacht aan een ouder met bijvoorbeeld een dwarslaesie, niet aangeboren hersenletsel of een auto-immuunziekte. Kinderopvang kan dan ouder(s) lucht geven om de rest van de tijd wel de ouderrol te kunnen vervullen en voor de andere ouder om te blijven werken. Ook is het bijvoorbeeld mogelijk om ter overbrugging van een periode voorafgaand aan plaatsing op een voorschool, een voorziening kinderopvang SMI voor een (iets) langere periode dan 12 maanden te verlenen. Dit voorkomt een onnodige herbeoordeling en een periode waarbij ouder(s) en het kind door het ontbreken van kinderopvang tussen wal en schip vallen, terwijl kinderopvang gelet op de sociaal medische problematiek van ouders noodzakelijk is.

Artikel 4 Verdeelsystematiek

De gemeenteraad neemt jaarlijks budget op voor de voorziening SMI. Tot nu toe is dit budget toereikend gebleken. Mocht dit tijdens een kalenderjaar anders blijken, dan voorziet de verordening in een verdeelsystematiek en een bijbehorende weigeringsgrond die opgenomen is in artikel 8, eerste lid onder g. De aanvragen voor een voorziening SMI worden afgehandeld in volgorde van binnenkomst van een complete aanvraag. Het college weigert een voorziening als er nog onvoldoende budget beschikbaar is in een kalenderjaar.

Artikel 5 De aanvraag

Artikel 4 bepaalt dat een aanvraag wordt gedaan door de ouders van het kind. Een aanvraag kan makkelijk en veilig worden gedaan in ZorgNed met het DigiD van één van de ouders. Door vragen met antwoordvelden worden ouders meegenomen in de gegevens die nodig zijn om op de aanvraag te kunnen beslissen. Onder meer wordt gevraagd naar de gezinssamenstelling en het bsn van ouder(s) en van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft. Als ouders niet beschikken over een bsn is maatwerk mogelijk en kan de aanvraag in overleg met de medewerkers van team SMI van de gemeente ook zonder DigiD worden gedaan. Team SMI is ook beschikbaar voor telefonische vragen over de aanvraag.

Ouders verstrekken bij de aanvraag gegevens zodat het college kan beoordelen of zij aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet kinderopvang. In dat geval komen ouders niet in aanmerking voor een voorziening kinderopvang SMI. Om dit te kunnen beoordelen worden enkele vragen gesteld over de inkomenssituatie van ouders. Zo wordt bijvoorbeeld gevraagd om een loonstrook of de uitkeringsspecificatie over de maand voorafgaand aan de aanvraag. Verder is van belang of ouders zijn ingeschreven voor een opleiding of inburgeringscursus, of sprake is van een traject richting werk of re-integratie, of één van de ouders een persoonsgebonden budget ontvangt en of een ouder een permanente zorgindicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg.

Op het aanvraagformulier vullen ouders ook een beknopte toelichting in op de situatie van het gezin. Het college heeft die gegevens nodig om te kunnen beoordelen of de aanvraag ziet op een situatie die te maken heeft met sociaal medische problematiek binnen het gezin van ouder(s). En dat het bijvoorbeeld niet gaat om problematiek van een familielid buiten het gezin waarvoor mantelzorg wordt verleend of om problematiek van het kind waarvoor de voorziening kinderopvang SMI wordt aangevraagd. Daarvoor is de voorziening kinderopvang SMI niet bedoeld. Door hier direct naar te vragen wordt het voor ouders zo snel mogelijk duidelijk dat zij waarschijnlijk niet voor een voorziening kinderopvang SMI in aanmerking komen. Ook wordt hiermee een onnodige gang langs de jeugdarts van de GGD voorkomen. Het is bij de beknopte toelichting op het aanvraagformulier niet de bedoeling dat ouders medische gegevens delen. Voor een inhoudelijke beoordeling van de sociaal medische problematiek en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de kinderen, vraagt het college advies aan de GGD.

Ouders zijn verantwoordelijk voor het tijdig leveren van de benodigde informatie om op de aanvraag te kunnen beslissen. Als informatie ontbreekt, zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat ouders een termijn krijgen om de aanvraag aan te vullen. Als ouders de informatie niet tijdig aanleveren, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.

Machtiging jeugdarts GGD

Bij de aanvraag geven ouder(s) een machtiging aan de jeugdarts van de GGD om informatie op te vragen bij de behandelaar of hulpverlener. Ouder(s) kunnen aan de jeugdarts van de GGD ook nadere informatie verstrekken die hun aanvraag ondersteunt. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan een ondersteuningsplan dat is opgesteld in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, een integraal plan jeugd of een familiegroepsplan jeugd, opgesteld in het kader van de Jeugdwet. Hierdoor kan worden voorkomen dat de jeugdarts van de GGD een vergaand onderzoek moet uitvoeren. De met de jeugdarts gedeelde informatie wordt niet gedeeld met de medewerkers SMI van de gemeente.

Verlenging

Zoals volgt uit artikel 3 wordt een voorziening kinderopvang SMI in beginsel niet langer dan voor de duur van 12 maanden verstrekt. Indien ouders om een verlenging van de SMI vragen, is altijd een herbeoordeling nodig. Dit is omdat de omstandigheden die van belang zijn voor het verstrekken van de voorziening, kunnen wijzigen. Denk aan veranderingen in de sociaal medische situatie van ouder(s), in de ontwikkeling van het kind, het netwerk van ouder(s), het recht op kinderopvangtoeslag, het effect van acties om de gezinssituatie te verbeteren, etc.

Bij een verlenging is het belangrijk dat de aanvraag daartoe uiterlijk 12 weken voor de einddatum van de eerder verstrekte voorziening wordt gedaan. Dit is nodig om enkele weken voor de einddatum van de eerder verstrekte voorziening duidelijkheid te hebben over of de voorziening kinderopvang wordt verlengd. De gemeente kan het kindercentrum dan tijdig verzoeken om de kindplaats opnieuw beschikbaar te stellen voor het kind. Het kind kan dan in de vertrouwde opvangomgeving blijven.

Artikel 6 Beoordeling inkomensgegevens

Artikel 6 voorziet in een wettelijke basis om indien nodig inkomensgegevens op te vragen en/of te controleren bij de belastingdienst. De wettelijke grondslag hiervoor wordt gevormd door artikel 149 van de Gemeentewet dat bepaalt dat de raad de verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Er bestaat geen andere wet of regeling op basis waarvan de raad in het kader van medebewind verplicht is tot het vaststellen van deze verordening. Wel heeft de gemeente van de Minister van Sociale Zaken de publieke taak gekregen om te voorzien in een vangnet voor ouder(s) die niet in aanmerking komen voor een kinderopvangtoeslag, maar waarvoor kinderopvang gelet op hun sociaal medische problematiek wel nodig is. In het kader van de uitoefening van deze publieke taak is het noodzakelijk om te kunnen controleren of ouder(s) in aanmerking komen voor een SMI-voorziening, dan wel dat er sprake is van een voorliggende voorziening. Daarmee valt deze verwerking onder artikel 6, eerste lid aanhef en onder e. van de Algemene verordening gegevensbescherming dat bepaalt wanneer een gegevensverwerking rechtmatig is.

Artikel 7 Advies van de jeugdarts van de GGD Amsterdam over sociaal medische indicatie

Voordat de jeugdarts van de GGD wordt gevraagd om advies uit te brengen, toetst het college op basis van de aanvraag eerst of ouder(s) in aanmerking komen voor een voorliggende voorziening. Dit is bijvoorbeeld het geval als ouder(s) recht hebben op kinderopvangtoeslag of als het kind de leeftijd heeft dat het naar de voorschool kan gaan. Ook wordt de aanvraag gescreend op situaties die niet vallen onder de verordening. Bijvoorbeeld ouder(s) die vanwege mantelzorg buiten het eigen gezin of vrijwilligerswerk, onvoldoende tijd hebben voor hun kinderen. In de praktijk verricht team SMI van de gemeente deze toets. Indien al bij deze eerste toets duidelijk is dat ouders geen aanspraak kunnen maken op kinderopvang SMI wijst het college de aanvraag af en geeft daarbij de reden aan.

In alle andere gevallen vraagt het college advies aan de jeugdarts van de GGD over de sociaal medische noodzaak voor de kinderopvang. Het advies van de jeugdarts van de GGD heeft betrekking op de vraag of de ouder(s) vanwege sociaal medische problematiek aangewezen is/zijn op een voorziening kinderopvang SMI, mede gelet op de ontwikkelkansen van het kind en voor welke periode en hoeveel dagen. De jeugdarts verricht onderzoek en nodigt de ouder(s) uit voor een gesprek. Dit gesprek is in beginsel telefonisch. Als de jeugdarts meent dat hij voldoende (schriftelijke) informatie heeft, kan een gesprek met ouders soms achterwege blijven. De arts geeft dan bij zijn advies aan waarom een onderzoekgesprek niet nodig was. Indien nodig vraagt de jeugdarts informatie aan de hulpverlener of behandelaar van ouder(s). Deze informatie wordt niet gedeeld met het college. De jeugdarts gaat in zijn advies ook in op of er voldoende aanknopingspunten zijn voor een structurele verbetering van de gezinsproblematiek en als dat mogelijk is binnen welke termijn. Daarbij wordt gedacht aan acties die ouders ondernemen waardoor een voorziening kinderopvang SMI in de toekomst niet meer nodig is. De jeugdarts onderzoekt ook of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3, derde lid.

Op het advies van de jeugdarts van de GGD is het correctie- en blokkeringsrecht van toepassing. Dit betekent dat voordat het advies naar het college wordt gestuurd, ouders het advies ontvangen. Binnen een redelijke termijn (meestal vijf werkdagen) kunnen ouders verzoeken om correctie van feitelijke onjuistheden. Een termijn van vijf werkdagen is naar verwachting voldoende voor de meeste ouders en in lijn met de urgentie van de aanvragen. In voorkomende gevallen kan de arts al dan niet op verzoek van ouders ook een iets langere termijn geven (maximaal tien werkdagen). Bijvoorbeeld in geval van een complexe zaak, een afwijzend advies of tijdens een vakantieperiode. Ouders kunnen het ook aangeven als zij niet willen dat het advies wordt doorgestuurd naar het college. In dat geval zal het college de aanvraag afwijzen omdat dan onvoldoende informatie beschikbaar is om de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Als ouders niet reageren binnen de gegeven termijn, worden zij actief benaderd door de GGD en krijgen zij (indien gewenst) extra tijd om te reageren. Als ouders niet reageren stuurt de jeugdarts van de GGD het advies niet naar het college. In dat geval heeft het college onvoldoende informatie om te beoordelen of kinderopvang SMI noodzakelijk is. Het college wijst de aanvraag dan af.

Artikel 8 Weigeringsgronden

Een voorziening kinderopvang SMI is zinvol als er perspectief is op structurele verbetering van de problematiek binnen het gezin. Kinderopvang SMI is nadrukkelijk níet bedoeld voor situaties, waarbij ernstige sociaal medische problematiek of onveiligheid in gezinnen niet of onvoldoende wordt aangepakt. In zo’n situatie verwordt kinderopvang SMI tot niets meer dan een gedeeltelijke verbetering in een ook voor het kind structureel problematische of onveilige thuissituatie. De gemeente wil dit niet faciliteren. Hierop zien onder meer de weigeringsgronden opgenomen in artikel 8, eerste lid, onder d en in het tweede lid.

Een voorziening kinderopvang SMI is er ook niet om leemtes in de Wet kinderopvang op te vangen of om kinderopvang te regelen voor groepen die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. De gemeente is niet bij machte om dit op te lossen. Het SMI-budget is hiervoor eenvoudigweg niet toereikend. De voorziening kinderopvang SMI staat bijvoorbeeld niet open voor het opvangen van sociaal medische problematiek van personen buiten het gezin van ouder(s). Hierbij kan gedacht worden aan familieleden waarvoor ouders de mantelzorg dragen. Deze situatie valt onder de weigeringsgrond in artikel 8, eerste lid, onder b.

De weigeringsgronden in artikel 8, eerste lid, onder e en f zien erop dat de voorziening alleen wordt verstrekt als dit echt nodig is, gelet op de ontwikkeling van de betrokken kinderen en het (onvoldoende) netwerk van ouders. Dit is overeenkomstig het doel van de verordening zoals opgenomen in artikel 2.In de hierboven genoemde situaties weigert het college de gevraagde voorziening altijd.

Artikel 9 Beslistermijn en inhoud van het besluit voorziening kinderopvang SMI

Het college beslist in de regel binnen 10 weken. Binnen deze termijn vinden ook het onderzoek en de advisering door de jeugdarts van de GGD plaats. Als meer tijd nodig is, stelt het college de aanvrager hiervan op de hoogte.

In het besluit op de aanvraag staat voor welk kind een voorziening kinderopvang SMI wordt verstrekt, voor hoeveel dagen en voor welke duur. De periode waarvoor de voorziening wordt verstrekt, gaat in op de dag nadat het besluit aan ouders wordt verzonden. Het is van belang voor ouders en kind dat zo snel mogelijk van de voorziening gebruik wordt gemaakt. De gemeente werkt samen met een groot aantal kindercentra en bemiddelt bij de plaatsing. Hierdoor kan een kind na een positief besluit in de praktijk meestal ook op korte termijn worden geplaatst op een geschikt kindercentrum. Een voorziening kinderopvang SMI wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt. Voordat een kind daadwerkelijk wordt geplaatst op een kindercentrum en de ouders een plaatsingsovereenkomst tekenen met het kindercentrum, is het dus belangrijk dat de gemeente toestemming heeft gegeven voor de plaatsing op het betreffende kindercentrum.

Het college verstrekt de voorziening kinderopvang SMI in natura. Het college koopt de kinderopvang in bij kinderopvangorganisaties, waarmee hiertoe een raamovereenkomst is afgesloten. De gemeente zorgt er zo voor dat de kinderopvang die wordt geboden goed van kwaliteit is en dat het bij dagopvang bijvoorbeeld gaat om een kindercentrum dat tevens een voorschool is. Bij de plaatsing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de voorkeur van ouders. In een bijlage bij het besluit tot verstrekking wordt een aantal mogelijke kindercentra in de buurt van het woonadres genoemd. Ouders kunnen zich hierop oriënteren. De gemeente neemt vervolgens contact op met de ouders en gaat na of er daadwerkelijk plaats is op het kindercentrum dat de voorkeur heeft of biedt een alternatief aan dat zoveel mogelijk aansluit op de wensen van ouders.

Het besluit op de aanvraag moet uiteraard voldoen aan de vereisten die de Algemene wet bestuursrecht stelt, zoals een deugdelijke motivering en een bezwaarclausule. Voor de motivering van het besluit zal in veel gevallen kunnen worden volstaan met een verwijzing naar het door de jeugdarts van de GGD uitgebrachte advies, dat ook de motivering daarvan bevat. Het college moet er wel zeker van zijn dat het onderzoek zorgvuldig is gedaan. Wanneer een medisch advies onvolledig is of vragen oproept, wordt de jeugdarts gevraagd het advies aan te vullen of te verduidelijken. Indien het besluit van het college afwijkt van het advies van de jeugdarts, wordt dat met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

Artikel 10 Verplichtingen verbonden aan een voorziening kinderopvang SMI

Voordat ouders gebruik kunnen maken van de kinderopvangplaats gaan zij zoals gebruikelijk is, een plaatsingsovereenkomst aan met de kinderopvangorganisatie, waarin over en weer de rechten en plichten zijn opgenomen. Hierbij ontbreekt de financiële vergoeding, omdat de gemeente hiervoor zorgdraagt. Ouders zijn verplicht om hun kind naar de opvang te brengen. En het kindercentrum is verplicht de gemeente te informeren als dit te vaak of zonder opgaaf van reden niet gebeurt.

Een voorziening kinderopvang SMI wordt verstrekt om ouders de nodige ruimte te geven aan hun sociaal medische problematiek te werken en zo de thuissituatie voor het kind te verbeteren. Er is dus sprake van wederkerigheid, op ouders rust een inspanningsverplichting om de situatie te verbeteren. De adviserend arts neemt de acties die ouders zullen ondernemen en de verbetering die hierdoor op termijn wordt verwacht mee bij de advisering. Bij een advies over een verlenging wordt nagegaan in hoeverre ouders deze acties hebben ondernomen en of dit daadwerkelijk tot de nodige verbetering leidt. Als dit onvoldoende het geval is, kan dit leiden tot een negatief advies van de arts en het beëindigen van de voorziening kinderopvang SMI door het college.

Ouders zijn verder verplicht de gemeente zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van omstandigheden die gevolgen kunnen hebben voor hun recht op de voorziening. Hierbij kan worden gedacht aan dat ouders gaan werken en in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Of bijvoorbeeld aan de situatie dat een kind uit huis wordt geplaatst. Gedurende de looptijd van de voorziening kan het college ook onderzoeken of ouders nog wel in aanmerking komen voor kinderopvang SMI. Dit kan bijvoorbeeld bij een vermoeden dat geen of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kinderopvang. Ook kan ouders worden gevraagd worden om recente informatie over hun inkomen (loonstrook of uitkeringsspecificatie). Ouders zijn verplicht aan onderzoek door de gemeente mee te werken.

Artikel 11 Intrekking gedurende de looptijd van de voorziening kinderopvang SMI

In dit artikel zijn de situaties omschreven wanneer het college de voorziening kinderopvang tussentijds beëindigt. Deze situaties komen grotendeels overeen met de weigeringsgronden en behoeven hier geen verdere bespreking.

Artikel 12 Hardheidsclausule

Het college kan in zeer uitzonderlijke gevallen ten gunste van ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit afwijken kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de ouder zijn. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering voor onvoorziene situaties. Bij de beoordeling van de aanvraag kan het college zelf aanleiding zien om de hardheidsclausule toe te passen. Ouders kunnen hiertoe ook een verzoek indienen.