Regeling vervallen per 01-01-2011

Precariobelastingverordening 2010

Geldend van 24-12-2009 t/m 31-12-2010

Verordening

Art. 1 Begripsomschrijvingen

  • Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. gemeentebezitting:

  • voor de openbare dienst bestemd(e) bezitting, werk of inrichting in eigendom, beheer of onderhoud van de gemeente;

  • b. gemeentegrond:

  • voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond;

  • c. terras:

  • een gelegenheid waar eet- en drinkwaren voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt;

  • d. jaar:

  • een kalenderjaar;

  • e. seizoen:

  • de periode 1 maart tot en met 31 oktober;

  • f. maand:

  • een kalendermaand;

  • g. week:

  • een tijdvak van zeven opeenvolgende dagen;

  • h. dag:

  • een tijdvak van vierentwintig opeenvolgende uren, beginnend bij 0.00 uur;

  • i. tabel:

  • de bij deze verordening behorende tabel.

Art. 2 Aard van de heffing

Op grond van deze verordening wordt voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond een precariobelasting geheven.

Art. 3 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene van wie dan wel ten behoeve van wie voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond afkomstig zijn of worden aangetroffen.

Art. 4 Maatstaf van heffing; tarieven.

  • 1. De belasting wordt geheven aan de hand van en naar de maatstaven en de tarieven die zijn opgenomen in de tabel.

  • 2. De in de tabel opgenomen jaartarieven vinden toepassing ten aanzien van voorwerpen die zijn bestemd om blijvend in het stadsbeeld te worden opgenomen.

  • 3. Het in rubriek 1 van de tabel opgenomen jaartarief vindt toepassing ten aanzien van bouwplaatsen die zijn bestemd om in het stadsbeeld te worden opgenomen voor een periode van langer dan 52 aaneengesloten weken. Deze periode van 52 weken behoeft niet te vallen in één kalenderjaar.

  • 4. Gedeelten van in de tabel vermelde eenheden worden voor een geheel gerekend.

Art. 5 Tijdvak

  • 1. Indien de belasting wordt geheven naar jaar- en seizoentarieven, is het belastingtijdvak het jaar respectievelijk het seizoen waarin de voorwerpen aanwezig zijn.

  • 2. Indien de belasting wordt geheven naar weektarieven, is het belastingtijdvak het aantal weken in het jaar dat de voorwerpen aanwezig zijn.

  • 3. Voor de belasting als omschreven onder 4.1 van de tabel is het belastingtijdvak zes maanden.

  • 4. Voor de belasting als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder a en de rechten als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder b, geheven naar dagtarieven is het belastingtijdvak een dag.

Art. 6 Wijze van heffing.

De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

Art. 7 Tarieftoepassing en ontheffing

  • 1. Bij toepassing van de tarieven:

    • a.

      wordt de belasting berekend aan de hand van de in de tabel vermelde tarieven;

    • b.

      wordt, voor zover van toepassing, voor de berekening van belasting uitgegaan van de maten van het grootste buitenwerks gemeten vlak of bij niet-rechthoekige vlakken van twee denkbeel¬dig langs de uitersten van het vlak getrokken lijnen, die loodrecht op elkaar staan;

    • c.

      wordt, indien meer dan één voorwerp op gemeentegrond door een zelfde belastingplichtige wordt gehouden of meer dan één gemeentebezitting wordt gebruikt en deze naar maatschappelijke opvattingen bij elkaar behoren, voor de berekening van de belasting de tussenliggende ruimte mede in aanmerking genomen.

  • 2. In geval van toepassing van jaar- of seizoentarieven worden aanslagen van - € 9,50 of minder niet opgelegd. Voor toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.

Art.8 Vrijstellingen

  • 1. De belasting wordt ter zake van het hebben van een voorwerp of het gebruik van gemeentebezittingen, -werken of -inrichtingen niet geheven van een gemeentelijk orgaan,  indien en voor zover de uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak dat met zich brengt.

  • 2. De belasting wordt niet geheven ter zake van:

    • a.

      een buiten het gevelvlak uitstekende uitbouw die met het gebouwde eigendom aard- en nagelvast is verbonden, indien en voor zover niet het bevorderen van het betreden daarvan, noch het bieden van bescher¬ming tegen weersinvloeden wordt beoogd;

    • b.

      een voorwerp ten behoeve van de afvoer van afval-, regen- of grondwater;

    • c.

      een voorwerp als bedoeld onder 3 van de tabel, indien en voor zover dit voorwerp:

    • -

      is aangebracht in loodrechte richting of

    • -

      is aangesloten op een gemeentebezitting voor de levering van gas, water of elektriciteit;

    • d.

      een vlaggenstok uitsluitend ten behoeve van het vlaggen op erkende feestdagen, een vlaggenstokhouder, een spionnetje, een aan een gevel bevestigde bloembak, lamp of zonnescherm;

    • e.

      voorzieningen aan of in de onmiddellijke nabijheid van percelen, bestaande uit rolluiken, alarminstallaties, televisiecamera's, lampen en dergelijke die uitsluitend ten behoeve van de veiligheid zijn aangebracht;

    • f.

      een stoeptrede vóór een bestaande ingang, een koekoek, een licht- of luchtkolk vóór een bestaand raam, indien en voor zover, in verband met een wijziging in het straatprofiel, door het Dagelijks Bestuur daartoe schriftelijk toestemming is verleend;

    • g.

      een voorwerp onder, op of boven gemeentegrond dat niet aan de gemeente in eigendom is overgedragen, indien en voor zover dat voorwerp bij de overdracht aanwezig was en in verband met de inrichting van het betrokken perceel bezwaarlijk kan worden verwijderd.

  • 3. Indien een voorwerp of uitbouw als bedoeld in lid 2, onder f, wijziging ondergaat of wordt vervangen door een ander voorwerp of uitbouw als bedoeld in lid 2, onder f, wordt de belasting evenmin geheven, indien  na de wijziging of de vervanging niet meer gemeentegrond wordt ingenomen en voorts de belangen van het verkeer door wijziging of de vervanging niet worden geschaad. Indien na de wijziging of vervanging meer gemeentegrond wordt ingenomen, wordt de belasting slechts over het meerdere gedeelte geheven.

  • 4. De belasting wordt niet geheven ter zake van het gebruik van een gemeentebezitting of het hebben van een voorwerp, indien en voor zover ter zake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst of een andere gemeentelijke belastingverordening een bedrag wordt gevorderd.

  • 5. De heffing blijft achterwege voor ten dienste van het wegverkeer getroffen voorzieningen, waaronder mede worden begrepen algemene bewegwijzeringen, waarmee een algemeen belang wordt gediend.

  • 6. Met uitzondering van de belastbare feiten als omschreven onder 2, 5 en 7 van de tabel, wordt de belasting niet geheven, indien reclamebelasting wordt geheven.

  • 7. Het Dagelijks Bestuur kan gedeeltelijk vrijstelling verlenen voor voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, aan degenen die daarmee binnen het kader van beheer en stedelijke vernieuwingsprojecten de direct bestaande woonomgeving voor overlast ontzien. Voorafgaand aan de plaatsing dient een lijst van deze voorwerpen en de locatie daarvan overlegd te worden. Het Dagelijks Bestuur kan hieraan nadere voorwaarden stellen.

Art. 9 Ontstaan belastingschuld; ontheffing

  • 1. De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, indien dit later is, op het tijdstip waarop de belastingplicht aanvangt.

  • 2. Indien de belastingplicht, bij toepasselijkheid van de jaar- en seizoentarieven, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd naar evenredigheid van het aantal volle kalendermaanden dat na het tijdstip van aanvang van de belastingplicht in het jaar nog overblijft.

  • 3. Indien de belastingplicht, bij toepasselijkheid van de jaartarieven, vermeld onder rubriek 0 en 1 van de tabel, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd naar evenredigheid van het aantal volle weken dat na het tijdstip van aanvang van de belastingplicht in het jaar nog overblijft.

  • 4. Indien de belastingplicht, bij toepasselijkheid van de jaar- en seizoenstarieven, in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend naar evenredigheid van het aantal na beëindiging van de belastingplicht in het jaar nog resterende volle kalendermaanden.

  • 5. Indien de belastingplicht, bij toepasselijkheid van de jaartarieven, vermeld onder rubriek 0 en 1 van de tabel, in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend naar evenredigheid van het aantal na beëindiging van de belastingplicht in het jaar nog resterende volle weken.

  • 6. Ontheffing wordt niet verleend, indien deze minder dan € 9,50 zou bedragen.

Art. 10 Betaling

  • 1. De primitieve en definitieve aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke  termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede één maand later.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is een voorlopige aanslag invorderbaar in zo veel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder het eerste lid, is de aanslag ter zake van het innemen van een ligplaats met een woonschip invorderbaar in zoveel gelijke termijnen, als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog kalenderkwartalen in het heffingsjaar overblijven. Op de laatste dag van de maand van elk van die kwartalen vervalt een termijn. Indien in de dagtekening van het aanslagbiljet een latere maand dan de achtste maand van het heffingsjaar waarop de aanslag betrekking heeft, is vermeld, is de aanslag invorderbaar in één termijn, welke vervalt op de laatste dag van de tweede maand, volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Art. 11 Kwijtschelding

Van deze belastingen en rechten wordt geen kwijtschelding verleend.

Art. 12 Nadere regels door het Dagelijks Bestuur

  • 1. Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van precariobelasting.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur kan voor bijzondere gevallen de verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Art. 13 Inwerkingtreding; citeertitel

  • 1. De Precariobelastingverordening 2009 precariotabel 2009 stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer, vastgesteld bij raadsbesluit van 9 december 2008, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid vermelde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening en bijbehorende precariotabel treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2010.

  • 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: Precariobelastingverordening stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer 2010.

i219888.pdf [Klik hier om het document te downloaden]