BESTUURS- EN DIRECTIESTATUUT GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJFSVOERINGSORGANISATIE PARTICIPATIEBEDRIJF KEMPENPLUS

Geldend van 01-07-2019 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-07-2019

Intitulé

BESTUURS- EN DIRECTIESTATUUT GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJFSVOERINGSORGANISATIE PARTICIPATIEBEDRIJF KEMPENPLUS

Het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Participatiebedrijf KempenPlus, hierna te noemen het Participatiebedrijf,

Overweegt het volgende:

op grond van de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Participatiebedrijf KempenPlus, hierna te noemen: de regeling, in werking getreden op 1 juli 2019, moet een directiestatuut worden opgemaakt;

het bestuurs- en directiestatuut WVK-groep d.d. 27 maart 2002 wordt daartoe aangepast zodat zowel de bestuurs- als de directiebevoegdheden daarin staan opgenomen conform de regeling;

en besluit, gelet op artikel 16, derde lid van de regeling:

Vast te stellen een directiestatuut, waarin de navolgende taken en bevoegdheden van het bestuur en de directie zijn uitgewerkt en de volgende taken tot wederopzegging gemandateerd worden aan de directeur van het Participatiebedrijf:

  • 1.

    TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET BESTUUR

Tot de taken en bevoegdheden van het bestuur worden gerekend:

  • Het zorgdragen voor een goed functionerende directie door benoeming schorsing of het ontslag van de directeur.

  • Het zorgdragen voor een goed functionerend intern toezicht binnen het bestuur.

  • Het functioneren als adviseur en klankbord van de directie.

  • Het houden van integraal toezicht op het beleid van de directie en de algemene gang van zaken in het Participatiebedrijf.

  • Het goedkeuren van strategische beslissingen door de directie.

  • Het vaststellen en wijzigen van de begroting.

  • Het vaststellen van de jaarrekening.

  • Het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten en de regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van het Participatiebedrijf aangaat.

  • 2.

    TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN DE DIRECTIE

2.1 Visie, strategie en ondernemingsplanning

  • De directie bestaat uit één persoon, te weten de directeur.

  • De directeur ontwikkelt een heldere ambitie inzake de gewenste ontwikkeling van het Participatiebedrijf die uitmondt in een concrete visie en strategie.

  • Belangrijke voorgenomen wijzigingen in de visie en/of de strategie worden ter besluitvorming voorgelegd aan het bestuur.

  • Op basis van een door het bestuur vastgestelde visie en strategie stelt de directie periodiek een ondernemingsplan op.

  • Het ondernemingsplan wordt jaarlijks op actualiteit getoetst en waar nodig herzien en vervolgens ter kennisneming voorgelegd aan het bestuur.

  • Met inachtneming van de kaders van het ondernemingsplan bereidt de directie jaarlijks een begroting voor die door het bestuur wordt goedgekeurd.

  • De directie vertegenwoordigt het Participatiebedrijf naar derden binnen de kaders neergelegd in door het bestuur goedgekeurde plannen en begrotingen.

2.2 Uitvoering plannen en begrotingen

De directeur is verantwoordelijk en bevoegd zorg te dragen voor de uitvoering van het dagelijks beleid. Dit houdt onder meer in:

  • Het doen van uitgaven en investeringen binnen het kader van de goedgekeurde begroting.

  • het vertegenwoordigen van het Participatiebedrijf in en buiten rechte voor zover het de bedrijfsvoering betreft. Uit dien hoofde is de directeur bevoegd tot het ondertekenen en aangaan van overeenkomsten, voor zover betrekking hebbend op de bedrijfsvoering. Dit houdt onder meer in:

    - het aangaan van overeenkomsten met opdrachtgevers;

    - het aangaan van overeenkomsten in het kader van levering door derden;

    - het aangaan van overeenkomsten inzake huur en verhuur van roerende en onroerende goederen;

    - het aangaan van lease overeenkomsten;

    - het afsluiten van verzekeringen;

    - het aangaan van samenwerkingsverbanden met WSW bedrijven of derden;

  • het zorgdragen voor het beheer van de eigendommen van het Participatiebedrijf.

2.3 Toepassing rechtspositieregelingen

De directeur is verantwoordelijk en bevoegd inzake de uitvoering van de ambtelijke rechtspositieregelingen, bepaald op grond van de CAR/UWO, en de WSW-Cao en de daarop gebaseerde regelingen. Dat houdt onder meer in:

  • Aanstelling, indienstneming, schorsing, ontslag en oplegging van disciplinaire maatregelen van c.q. aan Wsw-medewerkers en conform bestaande regelingen en besluiten, alsmede het waarderen van de functies, het verlenen van promotie, het beslissen over overwerk;

  • Aanstelling, bezoldiging en toekenning van secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden van ambtelijk medewerkers tot en met het niveau van het managementteam, binnen het kader van de begroting en het ondernemingsplan;

  • Opleggen van disciplinaire maatregelen aan en verlenen van ontslag aan ambtelijk medewerkers;

  • Het in dienst nemen van Participatiewet-werknemers;

  • Het detacheren van werknemers;

  • Het zorgdragen voor een adequaat personeelsbeleid en personeelsbeheer en in dit kader de toepassing van de rechtspositieregeling, waaronder in dit verband zowel ambtelijk medewerkers, niet gesubsidieerd personeel, gesubsidieerd personeel, als medewerkers in WSW-dienstverband en Participatiewet-dienstverband worden verstaan;

  • Het nemen van ordemaatregelen;

  • Het voeren van / deelnemen aan het voorgeschreven overleg met de vertegenwoordigende organen van overleg (ondernemingsraad/bestuur). Binnen het bestuur heeft de directeur een adviserende stem;

  • Het beslissen over, dan wel opdracht geven tot vormings-, scholings- en opleidingsactiviteiten ten behoeve van zowel niet-gesubsidieerd personeel, gesubsidieerd personeel, als medewerkers in WSW-dienstverband en Participatiewet-verband;

  • De uitvoering van de door het bestuur vastgestelde regelingen voor niet gesubsidieerd personeel, gesubsidieerd personeel en medewerkers in WSW-dienstverband en Participatiewet-verband en tevens het bestuur te adviseren tot bijstelling van de vigerende regelingen en het opstellen van nieuwe regelingen.

2.4 Uitvoering

  • De directeur kan uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van (salaris)administratie, dossiervorming en dossierbeheer, personeels- en ander organisatiebeleid laten uitvoeren door de Gemeenschappelijke Regeling Kempengemeenten GRSK. Het bestuur verleent de directeur daarvoor volmacht.

  • De directeur kan werkzaamheden ten behoeve van SSC/ICT laten uitvoeren door GRSK. Het bestuur verleent de directeur daarvoor volmacht.

  • 3.

    INFORMATIEVOORZIENING

    • 1.

      De directeur verschaft het bestuur tijdig de voor een adequaat functioneren benodigde informatie.

    • 2.

      Per periode van drie maanden stelt de directeur een schriftelijke rapportage op over de gang van zaken en de toekomstverwachtingen van het Participatiebedrijf en legt deze voor aan het bestuur. Inhoud en vorm worden in overleg vastgesteld.

    • 3.

      Zaken van zwaarwegende aard worden aan het bestuur voorgelegd, voordat wordt overgegaan tot besluitvorming.

  • 4.

    ONVERENIGBAARHEID VAN BELANGEN

Binnen het huidige wettelijke kader van de regeling kan bij bestuursleden die de deelnemende gemeenten vertegenwoordigen door de rollen die zij buiten het bestuur van het Participatiebedrijf veelal kunnen of moeten vervullen, een onverenigbaarheid van belangen ontstaan. Met name door de introductie van steeds meer marktwerking neemt de kans op (de schijn van) belangenverstrengeling toe. Ter voorkoming hiervan gelden de volgende regels:

    • 1.

      Zowel de directie als de leden van het bestuur dienen bij het schriftelijk en mondeling uitwisselen van informatie steeds vooraf na te gaan of de betreffende informatie concurrentiegevoelig kan zijn en een belangenconflict zou kunnen opleveren.

    • 2.

      Periodiek, maar in elk geval bij belangrijke ontwikkelingen of belangrijke voorgenomen besluiten, dienen directeur en bestuursleden steeds vooraf na te gaan of daarmee een belangenconflict voor één of meer bestuursleden zou kunnen ontstaan.

    • 3.

      Indien in de sfeer van 4.1 en 4.2 wordt vastgesteld dat een belangenconflict kan optreden, worden door directeur en bestuur spelregels afgesproken hoe dit conflict zo goed mogelijk kan worden voorkomen en hoe te handelen indien het conflict alsnog mocht optreden.

  • 5.

    EVALUATIE

    • 1.

      Jaarlijks evalueert het bestuur de mate waarin en de wijze waarop de directeur de in de begroting en de nota van aanbieding opgenomen doelen heeft gerealiseerd, alsmede de samenwerking tussen het bestuur en de directeur. Desgewenst kan het bestuur daartoe een (deel-)bijeenkomst belegen waar de directeur niet bij aanwezig is.

    • 2.

      Jaarlijks, na het afsluiten van het boekjaar evalueert het bestuur ook de individuele prestaties van de directeur. Voorafgaand aan de evaluatie worden criteria geformuleerd. Naast die criteria die voortvloeien uit het ondernemingsplan of het beleidsplan en die betrekking hebben op de vraag of de hierin geformuleerde doelstellingen zijn bereikt heeft de evaluatie betrekking op de eisen die worden geformuleerd in de profielschets van de directeur van het Participatiebedrijf en die inhouden:

      - Sturing geven aan veranderingsprocessen

      - Overtuigingskracht, communicatieve en organisatorische vaardigheden

      - Strategisch en commercieel inzicht

    • 3.

      Voor de bij 5.2 genoemde evaluatie komt het bestuur vooraf buiten aanwezigheid van de directeur bijeen. De voorzitter van het bestuur en een ander bestuurslid, desgewenst vergezeld door een externe adviseur, voeren vervolgens het beoordelingsgesprek met de directeur.

    • 4.

      De resultaten van de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde evaluaties worden schriftelijk vastgelegd.

Als blijk van instemming met de aanvaarding van dit directiestatuut wordt het besluit mede ondertekend door de directeur.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van Participatiebedrijf KempenPlus op

1 juli 2019,

D.S.C. Jansen,

De voorzitter.

F.J.L.M. Baudoin,

De secretaris.

Ondertekening