Besluit van 25 april 1990, houdende vaststelling van een nieuwe verordening inzake het voorkomen van overlast door distels (Distelverordening provincie Utrecht 1990)

Geldend van 01-01-1994 t/m heden

Intitulé

Besluit van 25 april 1990, houdende vaststelling van een nieuwe verordening inzake het voorkomen van overlast door distels (Distelverordening provincie Utrecht 1990)

Besluit van 25 april 1990, Provinciaal blad nr. 12 van 1991, houdende vaststelling van een nieuwe verordening inzake het voorkomen van overlast door distels (Distelverordening provincie Utrecht 1990), zoals dit is gewijzigd bij besluit van 17 november 1993, Pb nr. 49/1993.

Provinciale staten van Utrecht;

Op het voorstel van gedeputeerde staten van 30 januari 1990, afd. LG, nr. 360287/50;

Overwegende dat het nog steeds wenselijk is overlast vanwege een tweetal soorten distels te voorkomen;

Gelet op artikel 89 van de Provinciewet;

Besluiten:

Als volgt tot het vaststellen van een nieuwe verordening inzake het voorkomen van overlast door distels.

ARTIKEL 1.

  • 1 De rechthebbende van gronden is verplicht deze te zuiveren van akkerdistel (cirsium arvense (Scop) en akkermelkdistel (Sonchus arvensis L.) voordat zij in bloei komen indien deze distels overlast voor de aangrenzende gronden kunnen veroorzaken.

  • 2 Onder rechthebbende wordt in deze verordening verstaan de gebruiker of bij zijn ontbreken de eigenaar, met dien verstande dat voor de eigenaar, de zakelijk gerechtigde in de plaats treedt wanneer de gronden in vruchtgebruik of erfpacht zijn uitgegeven. In het geval van inscharing geldt als rechthebbende degene bij wie het vee in de weide wordt gebracht.

ARTIKEL 2.

  • 1 Indien naar het oordeel van de burgemeester van de gemeente waarin de gronden zijn gelegen de bij artikel 1, eerste lid, opgelegde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, zendt deze aan de rechthebbende van die gronden bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs een lastgeving om zijn gronden te zuiveren.

  • 2 De lastgeving vermeldt de termijn waarbinnen de gronden van de distels dienen te zijn gezuiverd. De burgemeester bepaalt die termijn zodanig, dat de zuivering kan zijn voltooid voordat de distels tot bloei komen. Afschrift van de lastgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie van het Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij.

ARTIKEL 3.

De burgemeester kan, indien hij dit nodig acht, omtrent het doen van de lastgevingen advies inwinnen bij de Consulent voor de Landbouw.

ARTIKEL 4.

De burgemeester kan bij nalatigheid van de rechthebbende om binnen de in artikel 2, tweede lid, bedoelde termijn gevolg te geven aan de hem verstrekte last, bestuursdwang toepassen. (2)

ARTIKEL 5.

Overtreding van de bepalingen dezer verordening of het niet voldoen aan een lastgeving als bedoeld in artikel 2, wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

ARTIKEL 6.

  • 1 Met het handhaven en de zorg voor de naleving van deze verordening en met het opsporen van de daarin bedoelde strafbare feiten zijn, naast de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht aangewezen ambtenaren, belast de daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren en functionarissen.

  • 2 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan ook functionarissen van waterschappen en van de Gewestelijk raad voor Utrecht van het Landbouwschap betreffen. Zij vindt dan plaats in overeenstemming met het bevoegde orgaan van de desbetreffende organisatie.

ARTIKEL 7.

  • 1 De Distelverordening provincie Utrecht 1975 wordt ingetrokken.

  • 2 De geldende lastgevingen en de aanwijzingen van opsporingsfunctionarissen krachtens de in het eerste lid bedoelde verordening blijven van kracht met inachtneming van deze verordening.

ARTIKEL 8.

  • 1 Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst. (1)

  • 2 Zij kan worden aangehaald als: Distelverordening provincie Utrecht 1990.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering op 30 januari 1990.
(1) Uitgegeven op 13 februari 1991, Prov. blad 12 van 1991.
(2) Artikel 4 gewijzigd op 17 november 1993, Prov. blad 49 van 1993.

Toelichting

1.1 Inleiding.

Op 19 maart 1975 is vastgesteld de Distelverordening provincie Utrecht 1985, een verordening die beoogt overlast van een tweetal distelsoorten te voorkomen. De uitvoering van deze verordening is in handen gelegd van de gemeentebesturen, met name de burgemeester.

De werkgroep herziening provinciale verordeningen heeft in haar eindrapport in maart 1987 vastgesteld, dat deze verordening een nuttige functie vervult, grote preventieve werking heeft en een goede basis vormt om problemen in overleg op te lossen en dus gehandhaafd dient te blijven, maar in technische zin aanpassing behoeft.

Deze aanpassing betreft de thans in de verordening opgenomen verplichte advisering door de (toenmalige) hoofdingenieur-directeur van de provinciale directie voor de bedrijfsontwikkeling van uw Ministerie van landbouw en visserij inzake een lastgeving van de burgemeester aan belanghebbenden tot verwijdering van de distels en de daarbij te hanteren bestrijdingsmethode.

De werkgroep stelde voor deze verplichte advisering door de Directeur LNO te laten vervallen.

Zoals bekend hebben wij ingestemd met de aanbevelingen van de werkgroep.

Voor wat betreft de Distelverordening hebben wij overleg gepleegd met de Directeur LNO over de aan te brengen wijzigingen en dat heeft geresulteerd in een ontwerp-regeling die het inwinnen van advies niet langer verplicht stelt maar dat overlaat aan de burgemeester.

Wel dient de directeur LNO een afschrift van elke lastgeving toegezonden te krijgen om aldus in staat te zijn over de algemene aspecten van de distelbestrijding gemeenten van advies te kunnen dienen. Hierbij dient met name gedacht te worden aan nieuwe bestrijdingstechnieken en het terugdringen van chemische bestrijdingsmiddelen.

Bedoelde wijzigingen zijn besproken met de gezamenlijke agrarische standsorganisaties, die met deze wijziging kunnen instemmen. Wij stellen ons voor, de Verordening die zoals u ziet is voorzien van een toelichting met illustraties van de te bestrijden soorten en van de soorten die niet onder de Verordening vallen, op ruime schaal te verspreiden onder de gemeenten, de waterschappen en de agrarische standsorganisaties, justitie, politie en rechterlijke macht.

1.2 Doel van de Verordening.

Het doel van de Distelverordening is het voorkomen van overlast door grotere concentraties van de moeilijk te bestrijden Akkerdistel en/of Akkermelkdistel.

Voornoemde distels kunnen zich uitbreiden door de verspreiding van de zaden via de wind en ter plaats via het wortelstelsel. In tegenstelling tot de andere distelsoorten die niet onder de verordening vallen zijn de te bestrijden distels overblijvende vaste planten. Bestrijding van reeds aanwezige distelplekken van Akkerdistel en/of Akkermelkdistel kan plaatsvinden door frequent maaien in samenhang met het rooien van de wortels. Voornoemde werkzaamheden zijn arbeidsintensief en zwaar. Een effectieve bestrijding met chemische middelen (o.a. M.C.P.A.) is op zich goed mogelijk maar op grote schaal minder gewenst en niet in overeenstemming met een beleid dat er op gericht is een voldoende algemene milieukwaliteit te bereiken en daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgedrukt in kg. werkzame stoffen per jaar in 2000 met tenminste 50% te verminderen, zoals is neergelegd in de recent verschenen Structuurnota Landbouw.

De niet onder de verordening vallende distelsoorten zijn één of tweejarige planten die na de vorming van zaad afsterven. De verspreiding van deze distels vindt plaats via het zaad. In het algemeen kunnen distels wordt gezien als "storingsindicatoren" die met name tot ontwikkeling kunnen komen wanneer een bodemverstoring heeft plaatsgevonden. Een mogelijkheid om wildgroei van distels te voorkomen is het vermijden van bodemverstoring. Wanneer door bodemverstoring de soorten die niet onder de verordening vallen massaal optreden kan dat lastig zijn. Bestrijding door maaien is dan meestal voldoende omdat het dan om één of tweejarige soorten gaat. Zodra de vegetatie zich gesloten heeft krijgen deze distels geen kans meer. Een beperkt aantal exemplaren van de distelsoorten veroorzaken geen grote schade. Eenmaal uitgegroeide distels van deze soorten zijn waardevolle planten, die veel vlinders, bijen en hommels aantrekken, en aldus bijdragen aan de verrijking van de natuur.

1.3 Artikelsgewijze toelichting.

ARTIKEL 1.

Is ongewijzigd t.o.v. de verordening uit 1975.

ARTIKEL 2.

Toegevoegd is de verplichting om afschriften van de lastgevingen toe te zenden aan de Directeur LNO opdat deze in staat is een totaal-overzicht te krijgen en in algemene zin adviserend kan optreden naar gemeentebesturen b.v. over te hanteren methoden van bestrijding dit in het licht van nieuwe technieken, minder chemische middelen etc.

ARTIKEL 3.

In plaats van de verplichte advisering die in de praktijk - zo zij als plaatshad - tot vertraging leidde, wordt het thans aan de burgemeester overgelaten om advies in te winnen bij de Consulent voor de Landbouw. De functie is per 1-1-1990 ontstaan door samenvoeging van de afzonderlijke consulentschappen tot één consulentschap voor de Landbouw.

ARTIKEL 4.

Deze bepaling is toegevoegd omdat in de jurisprudentie wel is uitgesproken dat het vorderen van medewerking als bedoeld in, in dit geval, artikel 85 van de Provinciewet van de burgemeester niet zonder meer inhoudt dat dan ook hij, en het college van B&W, bevoegd is tot de uitoefening van bestuursdwang.

ARTIKEL 5.

De strafbepaling is aangepast aan de in 1984 ingevoerde wijziging van het Wetboek van strafrecht en in categorie II opgenomen.

ARTIKEL 6.

Dit artikel is ongewijzigd.

Tot op heden zijn 39 schouwheren van het voormalige waterschap De Eem aangewezen als opsporingsambtenaar op grond van de Distelverordening. Dat hield verband met het feit dat dit waterschap Distelschouwen uitvoerde.

In 1989 heeft het college van dijkgraaf een heemraden van het nieuw gevormde waterschap De Vallei en Eem ons medegedeeld, het niet langer als zijn taak te zien, aan de uitvoering van de verordening mee te werken. Vooralsnog zijn geen provinciale ambtenaren belast met de uitvoering van de verordening. Zonodig zullen wij een onzer medewerkers aanwijzen tot opsporingsambtenaar.

  • 2. Beschrijving distels die onder de Distelverordening vallen.

2.1 Akkerdistel (Cirsium arvense)

Akkerdistels kunnen makkelijk herkend worden aan hun gekroesde uiterlijk. De vrijwel gladde bladeren zijn lancetvormig, bochtig, veerspletig en erg stekelig. De bloemhoofdjes zijn vrij klein en staan in schermvormige pluimen. De bloemen zijn vuil paars, zelden wit.

De plant kan zich op twee manieren verspreiden; via de zaadpluizen of door middel van een voortwoekerend wortelstelsel. Vooral in wegbermen en in bouwland kan de plant massaal optreden.

De bestrijding van deze plant is bijzonder lastig omdat de wortels de neiging hebben erg diep te gaan zitten. Het uitputten van de wortels door de bovengrondse delen regelmatig te verwijderen is nog het meest effectief. Hoe eerder men in het voorjaar hier mee begint hoe beter. Zo wordt voorkomen dat de plant in bloei komt en de wortels putten sneller uit. Alléén rooien van de wortels is vaak niet voldoende. De wortels kunnen tot 2 meter diep zitten en ieder stukje dat blijft zitten loopt weer uit. Er wordt onderzoek gedaan om door middel van schimmels deze soort biologisch te kunnen bestrijden.

2.2 Akkermelkdistel (Sochus arvensis)

In Utrecht wordt deze plant ook wel zeugdistel genoemd. Het is een forse plant die, als men hem plukt, melksap afscheidt.

De bladeren zijn iets blauwgroen, ingesneden met een vrij brede driehoekige top. Langs de bladrand zitten iets stijve stekelpuntige tanden. De bladeren omvatten de stengel met twee afgeronde slippen of oortjes. De bloemen zijn goudgeel, ca. 5 cm in middellijn en vormen samen een schermvormige pluim.

Door middel van zaad kan deze plant zich makkelijk op open grond vestigen. Via een sterk vertakkend wortelstelsel breidt ze zich daarna snel uit. Als de plant zich eenmaal ergens gevestigd heeft is ze moeilijk te bestrijden.

Bij de bestrijding moet voorkomen worden dat de plant zaad vormt, dus moet voor de bloei al gemaaid worden. Om de plant echt weg te krijgen zal men systematisch iedere keer de nieuwe uitlopers moeten afmaaien. Oprooien van de wortels kan ook en heeft meer succes dan bij de Akkerdistel. Het is echter arbeidsintensiever dan maaien en ook hier kunnen achtergebleven wortelresten opnieuw uitlopen.

Ook naar de biologische bestrijding van deze soort wordt onderzoek gedaan.

3. Beschrijving distels die niet onder de verordening vallen.

3.1 Kruldistel (Carduus crispus)

Jonge exemplaren van deze distel lijken veel op de Akkerdistel. De bladeren zijn stekelig gekroesd maar van onderen wit spinnewebachtig behaard en langs de stengel lopen bochtige, stekelig gevleugelde lijsten, waaraan met de plant kan herkennen.

Eenmaal uitgegroeide en bloeiende exemplaren zijn makkelijker te herkennen aan een breed uitstoelende vorm en de diep purper/paarse bloemen. De bloemhoofden staan alleen of in groepjes van twee tot vijf bij elkaar aan het eind van de takken. Kruldistel is een tweejarige plant die eerst een wortelrozet vormt en in het tweede jaar struikachtig uitgroeit. Het is een typische plant van wegbermen, dijken en struwelen; in weilanden komt de plant minder vaak voor.

3.2 Gewone melkdistel (Sochus oleraceus)

Alle melkdistelsoorten bloeien geel. Verschil in bloemkleur en/of grootte maakt het echter makkelijk om de verschillende soorten van elkaar te onderscheiden. De bladeren van Gewone melkdistel lijken wel wat op die van de te bestrijden Akkermelkdistel maar zijn veel kleiner. Ze zijn grijs-groen, diep ingesneden met een driehoekige eindslip. De bladrand is stekelig getand, maar echt prikken doet deze plant niet. De bloemen zijn lichtgeel en ca. 1 cm tot 2 cm in doorsnee. Gewone melkdistel is een éénjarige die, in tegenstelling tot de Akkermelkdistel, relatief laag blijft. De plant is zeer algemeen in volkstuinen, akkers en op braakliggende terreinen.

3.3 Speerdistel (Cirsium vulgare)

Van de hier beschreven distelsoorten is dit de meest stekelige.

Zowel de bladeren als de stengels zijn bezet met naaldscherpe punten en prikkende haren. De naam dankt deze plant aan de speervormige uitlopende bladeren. De forse plant heeft bloemen die diep paars zijn. De uitgegroeide plant is fraai om te zien en lokt veel insecten aan. Speerdistel valt niet onder de distelverordening. Dit komt omdat het een tweejarige plant is. Het eerste jaar wordt een wortelrozet gevormd waaruit het volgende jaar een bloeistengel ontspringt. Nadat een grote hoeveelheid zaad is gevormd sterft de plant af. Via de wind wordt het zaad verspreid. Wil men de plant bestrijden dan kan dit het best door de éénjarige rozetten uit te steken. 3.4 Gekroesde melkdistel (Sonchus asper) (Vroeger Brosse melkdistel genoemd)

De bladeren zijn stijf, iets blauwgroen en de bladrand is bezet met stekende tanden. In tegenstelling tot de Gewone melkdistel zijn de bladeren vrijwel niet ingesneden en prikt de plant veel meer.

De bloemen zijn 1 cm tot 2 cm in doorsnee en geel. Het is een éénjarige plant in akkers en tuinen. Gekroesde melkdistel en Gewone melkdistel komen vaak samen voor. De bestrijding van beide soorten levert meestal geen enkel probleem op. Schoffelen of uittrekken is voldoende en later in het jaar kan men de planten laten staan. Ze fungeren dan als groenbemester en worden ondergeploegd of gespit.

3.5 Kale jonker (Cirsium palustre)

Deze distel wordt ook wel hooilandstekel genoemd, maar de naam kale jonker geeft het markante karakter van deze plant beter weer. De soms wel manshoge, meestal onvertakte, dus kale bloeistengels, rijzen hoog boven de omringende vegetatie uit.

De paarsrode bloemkluwens tooien de plant als de baret van een jonker. De bladeren zijn langwerpig met twee- of drielobbige slippen en bezet met stekels. Ook de stengel is stijfstekelig gevleugeld waardoor de hele plant venijnig prikt.

Kale jonkers groeien op vochtige plaatsen langs slootkanten, in natte hooilanden en moerassen, meestal op veen of venige zandgrond.

Het is een tweejarige plant die in het eerste jaar wortelrozetten vormt. Deze soort was vroeger algemeen maar is de laatste jaren in het cultuurland sterk achteruit gegaan. De soort is dermate herkenbaar dat een afbeelding overbodig is.

Op de bij dit blad behorende illustratie zijn zowel de soorten waarop de Distelverordening van toepassing is afgebeeld, als de soorten waarop de Verordening niet van toepassing is. Op de achterzijde is een vergelijking gemaakt van de sterk op elkaar lijkende Akkerdistel (waarop de Verordening van toepassing is) en de "vrije" Kruldistel.