Regeling vervallen per 01-01-2021

Besluit van de regeringscommissaris van 18 december 2018 no. 5.25C in plaats van de eilandsraad tot verordening tot vaststelling van de Verordening toeristenbelasting Sint Eustatius 2019

Geldend van 21-12-2018 t/m 31-12-2020

Intitulé

Besluit van de regeringscommissaris van 18 december 2018 no. 5.25C in plaats van de eilandsraad tot verordening tot vaststelling van de Verordening toeristenbelasting Sint Eustatius 2019

De regeringscommissaris voor Sint Eustatius, handelende in de plaats van de eilandsraad;

Overwegende dat op grond van artikel 53 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een eilandelijke toeristenbelasting kan worden geheven ter zake van verblijf binnen het grondgebied van het openbaar lichaam door niet-ingezetenen van het openbaar lichaam;

Gelet op de artikelen 40 en 53 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en artikel 166, eerste en tweede lid, onderdeel h, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Besluit:

vast te stellen de

Eilandsverordening op de heffing en invordering van Toeristenbelasting (Verordening toeristenbelasting Sint Eustatius 2019)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

etmaal:

een aaneengesloten tijdvak van 24 uren, aanvangend om 21.00 uur, dan wel een gedeelte daarvan;

homestay:

een woonhuis met maximaal 5 gastenkamers, dat geregistreerd dient te zijn bij Sint Eustatius Tourism Development Foundation, waar de betalende gast interactie kan hebben met de bewoner en gebruik kan maken van de gemeenschappelijke woonruimte;

maand:

een aaneengesloten tijdvak van 30 etmalen;

passagiersschip:

een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van passagiers die voor toeristische doeleinden, hoofdzakelijk in de zeereis zelf gelegen, deelnemen aan die reis;

pleziervaartuig:

een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor de recreatie, niet zijnde een passagiersschip of een zeilend bedrijfsvaartuig;

sportvissersvaartuig:

een vaartuig, niet zijnde een passagiersschip, vissersschip of pleziervaartuig, dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van personen die sportvisserij beoefenen;

vaartuig:

een passagiersschip, zeilend bedrijfsvaartuig, pleziervaartuig of sportvissersvaartuig;

zeilend bedrijfsvaartuig:

een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk met behulp van zeilen pleegt te worden voortgestuwd en dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van personen.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam toeristenbelasting wordt een eilandbelasting geheven ter zake van het verblijf binnen het grondgebied van het openbaar lichaam door niet-ingezetenen van het openbaar lichaam:

  • a.

    met overnachting tegen monetaire vergoeding, verder te noemen landtoeristenbelasting;

  • b.

    aan boord van vaartuigen, waarvoor wegens de aanwezigheid in de wateren van het openbaar lichaam havenbelasting wordt betaald, verder te noemen: watertoeristenbelasting.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2.

  • 2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

  • 3. Als degene die gelegenheid biedt tot verblijf wordt in ieder geval aangemerkt:

    • a.

      de eigenaar van een onroerende zaak waar een niet-ingezetene verblijft, indien deze onroerende zaak door de eigenaar zelf wordt geëxploiteerd;

    • b.

      de exploitant van een onroerende zaak waar een niet-ingezetene verblijft;

    • c.

      de schipper of gezagvoerder die een vaartuig onder zijn verantwoordelijkheid heeft of de beheerder of gebruiker van het vaartuig.

  • 4. Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is belastingplichtig degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

Artikel 4 Vrijstelling landtoeristenbelasting en vrijstelling watertoeristenbelasting

  • 1. De landtoeristenbelasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

    • a.

      van een lid van de bemanning van een vliegtuig dat het grondgebied van het openbaar lichaam aandoet;

    • b.

      van degene die mede verblijf houdt op een vaartuig voor welk verblijf de watertoeristenbelasting is verschuldigd;

    • c.

      in een woning dat bij het Sint Eustatius Tourism Development Foundation geregistreerd is als een homestay.

  • 2. De watertoeristenbelasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

    • a.

      dat korter duurt dan vier uren;

    • b.

      aan boord van een vaartuig dat is ingericht en wordt gebruikt tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van bejaarden;

    • c.

      aan boord van kano's, roei- en volgboten;

    • d.

      aan boord van motor- en zeilboten met een lengte van ten hoogste 4 meter;

    • e.

      aan boord van een vaartuig dat zich op last of bevel van de overheid in het water van het openbaar lichaam bevindt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1. De landtoeristenbelasting wordt berekend over het bedrag dat ter zake van het verblijf in rekening wordt gebracht, exclusief belastingen.

  • 2. De watertoeristenbelasting wordt geheven per persoon naar het aantal etmalen dat verblijf is gehouden.

Artikel 6 Belastingtarief

  • 1. Het tarief van de landtoeristenbelasting bedraagt 7 procent van de heffingsmaatstaf.

  • 2. Het tarief van de watertoeristenbelasting bedraagt per etmaal:

    • a.

      voor verblijf met overnachting: $ 3,00;

    • b.

      voor verblijf zonder overnachting: $ 2,00.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1. Het belastingtijdvak voor de landtoeristenbelasting is gelijk aan de kalendermaand.

  • 2. Het belastingtijdvak voor de watertoeristenbelasting is gelijk aan de aaneengesloten periode gedurende welke het vaartuig binnen de wateren van het openbaar lichaam aanwezig is. De belastingplichtige is verplicht bij aanvang van het verblijf hiervan opgave te doen.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1. De belasting wordt bij wege van voldoening op aangifte geheven.

  • 2. Een door de eilandambtenaar, bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, uitgereikt aangiftebiljet voor de landtoeristenbelasting moet binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van het belastingtijdvak bij hem worden ingeleverd. De in de vorige volzin bedoelde eilandambtenaar kan voor de genoemde termijn een kortere termijn in de plaats stellen.

  • 3. Een door de eilandambtenaar, bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, uitgereikt aangiftebiljet voor de watertoeristenbelasting moet binnen een termijn van zes uren na aanvang van het verblijf ter zake waarvan de belasting verschuldigd wordt, bij hem worden ingeleverd. De in de vorige volzin bedoelde eilandambtenaar kan voor de genoemde termijn een kortere termijn in de plaats stellen.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld ter zake van het verblijf op vaartuigen

De watertoeristenbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het verblijf.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. De landtoeristenbelasting moet binnen vijftien dagen na het einde van het belastingtijdvak overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de eilandambtenaar, bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 2. De watertoeristenbelasting moet binnen zes uren na aanvang van het verblijf ter zake waarvan de belasting verschuldigd wordt of, zo dit eerder is, voor het vertrek van het vaartuig naar zee, overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de eilandambtenaar, bedoeld in artikel 67, tweede lid, onderdeel c, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 3. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn met de duur van dit uitstel verlengd.

  • 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de belasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het bestuurscollege

Het bestuurscollege kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 3. De 'Verordening toeristenbelasting 2013, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening toeristenbelasting Sint Eustatius 2019.

Ondertekening

Aldus besloten door de regeringscommissaris op 18 december 2018

De regeringscommissaris,

w.g. De heer M.C.F. Franco

Memorie van Toelichting

Artikel 53 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (FinBES) bepaalt het volgende:

Artikel 53

  • 1.

    Onder de naam toeristenbelasting kan een eilandbelasting worden geheven ter zake van verblijf binnen het grondgebied van het openbaar lichaam door niet-ingezetenen van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Voor zover een eilandbelasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

  • 3.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt als degene die gelegenheid tot verblijf biedt in ieder geval aangemerkt:

    • a.

      de eigenaar van een onroerende zaak waar een niet-ingezetene verblijft, indien deze onroerende zaak door de eigenaar zelf wordt geëxploiteerd,

    • b.

      de exploitant van een onroerende zaak waar een niet-ingezetene verblijft,

    • c.

      de schipper of gezagvoerder die een vaartuig onder zijn verantwoordelijkheid heeft of de beheerder of gebruiker van het vaartuig.

Ook in Europees Nederland bestaat de mogelijkheid een toeristenbelasting te heffen. Een met artikel 53 FinBES vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 224 van de Gemeentewet. In de memorie van toelichting op de FinBES wordt ook onderkend dat er duidelijke parallellen zijn met de Gemeentewet, onder meer voor wat betreft de toeristenbelasting.

Jurisprudentie met betrekking tot toeristenbelastingverordeningen van Nederlandse gemeenten, kan daarom ook van betekenis zijn voor toeristenbelastingverordeningen van de openbare lichamen in Caribisch Nederland.

Met artikel 53 wordt volgens de memorie van toelichting ook recht gedaan aan het uitgangspunt van de wetgever in 2010 dat de geldende Nederlands-Antilliaanse regelgeving, in ieder geval een aantal jaren, zo veel mogelijk zou worden gehandhaafd. Blijkens de memorie van toelichting bij de FinBES zag de wetgever de toeristenbelasting als de opvolger van de logeergastenbelasting.

Voor wat betreft de rechtvaardiging van een toeristenbelasting merkt de memorie van toelichting bij de FinBES nog op : "Net zoals de plaatselijke bevolking en het lokale bedrijfsleven maken de toeristen die op deze eilanden verblijven gebruik van (enkele van) de publieke voorzieningen. Het lijkt dan ook niet onredelijk om de eigen – niet al te omvangrijke – bevolking en het bedrijfsleven deels te ontzien door de belastingdruk gedeeltelijk te verschuiven naar toeristen."

De benaming "toeristenbelasting" zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat de belasting uitsluitend zou kunnen worden geheven voor het verblijf van toeristen. Dat dit niet juist is, blijkt impliciet onder meer in een uitspraak van de Hoge Raad uit 2016. De Hoge Raad is de hoogste belastingrechter in Europees Nederland. De Hoge Raad is dat ook voor Caribisch Nederland, op grond van artikel 15a van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba,.

Het betrof een zaak die betrekking had op de toeristenbelastingverordening van de gemeente Amsterdam (HR 17-06-2016, nr. 15/02492, ECLI:NL:HR:2016:1201). Als belastingplichtig werd aangemerkt de verhuur van volledig ingerichte appartementen aan bedrijven ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van buitenlandse medewerkers en gasten voor een aansluitende periode van ten minste een week en maximaal zes maanden (‘short stay’ bewoning). Daarbij was kennelijk volgens de Hoge Raad wel mede van belang dat ook een aantal bijkomende diensten werden verricht, waaronder het in- en uitchecken van expats, het beheer van sleutels, het aannemen en verwerken van reserveringen, de schoonmaak van de appartementen en van de gemeenschappelijke ruimten en het onderhoud van de appartementen.

Tot zover dit meer algemeen commentaar op de strekking van artikel 53 van de FinBES.

In 2013 heeft de eilandsraad van Sint Eustatius besloten tot vaststelling van de Verordening toeristenbelasting 2013. De regeringscommissaris heeft besloten om een nieuwe toeristenbelastingverordening vast te stellen, waarbij de Verordening toeristenbelasting 2013 wordt ingetrokken.

De regeringscommissaris heeft hiermee niet beoogd om de regeling inhoudelijk te wijzigen. De tarieven, de heffingsgrond, de vrijstellingen enzovoorts blijven onveranderd. Het betreft slechts een redactionele aanpassing, die echter wel noodzakelijk omdat de bestaande redactie ingewikkelder dan noodzakelijk en daardoor soms ook onduidelijk was.

In de Verordening toeristenbelasting 2013 stonden bijvoorbeeld verwijzingen in naar de Vergunningenwet BES, waardoor de verordening niet alleen tegen de achtergrond van artikel 53 van de FinBES maar ook tegen de achtergrond van de Vergunningenwet BES moest worden gelezen. Dit maakte een juiste interpretatie van de verordening nodeloos ingewikkeld.

Ook artikel 5 lid 2 van de verordening heeft vragen opgeroepen. Dit bepaalde: " Als vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt het bedrag dat verschuldigd is wegens logies en aan de heffing van algemene bestedingsbelasting is onderworpen." De bedoeling van deze bepaling was wel duidelijk. De formulering was echter wat minder gelukkig omdat op grond van artikel 6.11 van de Belastingwet BES onder omstandigheden juist géén algemene bestedingsbelasting verschuldigd is als toeristenbelasting wordt geheven.

Met de vaststelling van de Verordening toeristenbelasting 2019 heeft de regeringscommissaris beoogd de verordening te vereenvoudigen en te verduidelijken. En daarbij heeft de regeringscommissaris zich mede laten leiden door de modelverordening toeristenbelasting van de Vereniging van Nederlandse gemeenten en toeristenbelastingverordeningen van Nederlandse gemeenten, zoals die te vinden zijn op de website www.wettten.nl.

Omdat de regeringscommissaris geen inhoudelijke wijzigingen heeft beoogd ten opzichte van de Verordening toeristenbelasting 2013, kan een artikelsgewijze toelichting achterwege blijven.