Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737726
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737726/1
Verordening over het coördineren van de voorbereiding en besluitvorming over een wijziging van het omgevingsplan en een omgevingsvergunning gemeente Utrecht
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 22-05-2025
Intitulé
Verordening over het coördineren van de voorbereiding en besluitvorming over een wijziging van het omgevingsplan en een omgevingsvergunning gemeente UtrechtDe raad van de gemeente Utrecht;
- gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 februari 2025 met kenmerk 30138144 ;
- gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3:20 sub a van de Algemene wet bestuursrecht;
Overwegende:
• dat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, waardoor de coördinatieverordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening geen wettelijke grondslag meer biedt voor coördinatie en dat per 1 januari 2024 de vernieuwde coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht in werking is getreden;
• dat er regelmatig gebruik wordt gemaakt van coördinatie;
• dat dit ook onder de Omgevingswet mogelijk moet blijven;
• dat een coördinatieverordening als voordeel heeft dat er niet voor elke ontwikkeling waarvoor een wijziging omgevingsplan nodig is apart een coördinatiebesluit door de gemeenteraad genomen hoeft te worden;
• dat op basis van een coördinatieverordening snellere en samenhangende voorbereiding en besluitvorming kan plaatsvinden.
Besluit de volgende verordening vast te stellen:
Artikel 1 Definities
Deze verordening verstaat onder:
- •
aanvrager: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend;
- •
coördinatiebesluit: coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3:20 onder b van de Algemene wet bestuursrecht;
- •
coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van besluiten in één gezamenlijke procedure volgens de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 16.14a van de Omgevingswet;
- •
verkeersbesluit: een verkeersbesluit als bedoeld in de artikelen 15 en 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van de Administratieve Bepalingen voor het Wegverkeer.
Artikel 2 Reikwijdte van de verordening
-
1. Deze verordening is alleen van toepassing op het coördineren van een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht en een daarmee samenhangende omgevingsvergunning voor in ieder geval een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’), al dan niet samen met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, een omgevingsvergunning voor een activiteit en/of besluit zoals genoemd in artikel 3 van deze verordening.
-
2. Besluiten waarvoor instemming nodig is van Gedeputeerde Staten en/of de Minister vallen buiten de reikwijdte van deze verordening.
Artikel 3 Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, activiteit of besluit die deel kunnen uitmaken van de coördinatie
-
1. De voorbereiding van (een) besluit(en) over onderstaande omgevingsvergunning(en) kan gecoördineerd worden met de in artikel 2 genoemde besluiten, die de basis vormen voor de toepassing van de coördinatieregeling op grond van deze verordening:
- a.
een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit;
- b.
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit grondwerk;
- c.
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beheer natuur, flora en fauna;
- d.
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
- e.
een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit;
- f.
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument;
- g.
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geluidgevoelige gebouwen;
- h.
een verkeersbesluit.
- a.
Artikel 4 Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd
-
1. In de volgende gevallen en onder de volgende condities bevordert het college van burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 2 en 3:
- a.
een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht en een daarmee samenhangende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’), maken tenminste deel uit van de te coördineren besluiten en;
- b.
een ander besluit kan bij de coördinatie worden betrokken, als dit besluit genoemd is in artikel 3 en verband houdt met de aanvraag voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) zoals genoemd onder a en;
- c.
er is vastgesteld dat het besluit als bedoeld onder b gecoördineerd kan worden voorbereid en;
- d.
er is vastgesteld dat zich geen belemmering als bedoeld in artikel 5 voordoet en;
- e.
de aanvrager heeft schriftelijk een verzoek ingediend voor een gecoördineerde voorbereiding en besluitvorming.
- a.
Artikel 5 Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening plaatsvindt
-
1. In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding en besluitvorming op grond van deze verordening niet mogelijk:
- a.
er moet op grond van artikel 16.36 of artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport worden opgesteld bij de wijziging van het omgevingsplan voor het project.
- b.
de op grond van paragraaf 13.6.3 ´Kostenverhaal langs publiekrechtelijke weg´ van de Omgevingswet verschuldigde geldsom moet bij beschikking worden vastgesteld;
- c.
uit een risicoanalyse nadeelcompensatie blijkt dat de ontwikkeling schade kan veroorzaken als bedoeld in artikel 15.1 van de Omgevingswet en de aanvrager is niet bereid deze schade voor zijn rekening te nemen.
- a.
Artikel 6 Aangewezen coördinerend orgaan en indienen laatste aanvraag
-
1. Het college van burgemeester en wethouders is het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel 3:21 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht.
-
2. In afwijking van artikel 3:23 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht mag de laatste aanvraag niet later dan 12 weken na ontvangst van de eerste aanvraag worden ingediend.
-
3. Het college van burgemeester en wethouders kan van lid 2 afwijken en bepalen dat voor het indienen van de laatste aanvraag een andere termijn geldt.
Artikel 7 Intrekking
De Verordening over het coördineren van besluiten 2009 (Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr.99) wordt ingetrokken per datum van de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 8 Overgangsbepaling
Procedures die gestart zijn onder de Verordening over het coördineren van besluiten 2009 (Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr. 99) worden afgerond op grond van de Verordening over het coördineren van besluiten (Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr. 99).
Artikel 9 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking 5 weken na bekendmaking in het Gemeenteblad.
Artikel 10 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Coördinatieverordening wijziging omgevingsplan en omgevingsvergunning gemeente Utrecht.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 maart 2025.
De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma
De griffier,
Miguel Israel
Bijlage Informatieve bijlage
Informatieve toelichting bij Verordening over het coördineren van de voorbereiding en besluitvorming over een wijziging van het omgevingsplan en een omgevingsvergunning gemeente Utrecht
Algemeen
§ 1 De (vernieuwde) afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht
Op 1 juli 2008 is de coördinatieregeling in afdeling 3.5 Coördinatie van samenhangende besluiten van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden. Deze werd in de praktijk echter slechts zeer zelden toegepast. Een belangrijke reden hiervoor was het bestaan van specifieke coördinatieregelingen in het omgevingsrecht, zoals die van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) over de gemeentelijke coördinatieregeling. De vernieuwde coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Awb is een bundeling van verschillende coördinatieregelingen uit het omgevingsrecht, waaronder de Wro en de Tracéwet. Hierdoor ontstaat er een standaardprocedure voor de voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming van samenhangende besluiten die niet alleen in het omgevingsrecht, maar ook daarbuiten toegepast kan worden. De coördinatieregeling in de Awb maakt het mogelijk dat diverse procedures gezamenlijk worden doorlopen.
De regeling is van toepassing op alle soorten besluiten, van beschikkingen tot algemeen verbindende voorschriften, zoals wijzigingen van het omgevingsplan. Daarnaast is het onder de vernieuwde regeling in afdeling 3.5 Awb mogelijk om clustering in de coördinatie aan te brengen. Voorheen moesten de te coördineren besluiten op grond van de Awb zoveel mogelijk gelijktijdig worden aangevraagd. Bij omvangrijke infrastructurele projecten of grootschalige gebiedsontwikkelingen worden echter verschillende fases doorlopen alvorens het project gerealiseerd wordt. Dit vraagt om maatwerk. Sommige besluiten kennen immers een langere voorbereidingstijd dan anderen. Het is onpraktisch om de diverse benodigde vergunningen/toestemmingen gelijktijdig aan te vragen. Om deze reden sluit de nieuwe regeling in de Awb aan bij de regeling uit de Elektriciteitswet 1998 om de coördinatie in verschillende clusters te laten verlopen (artikel 3:21 lid 3 van de Awb).
Een andere wijziging is dat het coördinerend bestuursorgaan meer grip krijgt op de beslistermijn binnen de coördinatieregeling. Zoals ook in de voormalige Tracéwet (artikel 20 lid 4 onder d van de Tracéwet) is opgenomen kan het coördinerend bevoegd gezag bij toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb de beslistermijn voor de te coördineren besluiten bepalen. De langste beslistermijn geldt in dat geval als bandbreedte en uiterste grens. Deze nieuwe mogelijkheid is opgenomen in artikel 3:25 onderdeel h van de Awb. In de praktijk blijkt dat vaak pas later in het traject om het omgevingsplan te wijzigen duidelijk wordt of het haalbaar is om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) met de wijziging van het omgevingsplan mee te coördineren. Het bouwplan moet dan namelijk al helemaal duidelijk zijn en de bouwtekeningen en andere vergunningstukken moeten op tijd klaar zijn. Deze voorwaarde lijkt dan ook op een flinke beperking van de toepasbaarheid van de vernieuwde coördinatieregeling. Artikel 3:23 lid 1 van de Awb biedt echter wel de ‘escape’ dat het coördinerend bestuursorgaan kan bepalen dat voor het indienen van de aanvragen een andere termijn geldt. Van deze mogelijkheid hebben wij in de coördinatieverordening gebruik gemaakt (zie hiervoor artikel 6 en de toelichting op dit artikel). De vernieuwde coördinatieregeling van de Awb is gelijktijdig met de Omgevingswet, op 1 januari 2024, in werking getreden.
§ 2 Wettelijk kader: de Omgevingswet in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van de coördinatieregeling in afdeling 3.5 van de Awb kan de voorbereiding van besluiten worden gecoördineerd. Op basis van artikel 16.8 van de Omgevingswet (Ow) kan er vrijwillig een coördinatiebesluit worden genomen waarbij afdeling 3.5 van de Awb van toepassing wordt verklaard op de voorbereiding van (onder andere) een wijziging van het omgevingsplan. Artikel 16.14a van de Ow geeft in het bijzonder voor het omgevingsrecht een voorziening voor het coördineren van de wijziging van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning. Dit artikel bewerkstelligt dat voor beslissingen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan, waarvan de voorbereiding samengaat met de wijziging van het omgevingsplan, het dan gewijzigde omgevingsplan geldt als beoordelingskader (de inwerkingtreding van het omgevingsplan hoeft dus niet afgewacht te worden). In artikel 16.7 van de Ow is een aantal situaties opgenomen waarin de toepassing van coördinatie verplicht is gesteld. Deze verordening ziet op de coördinatie van specifieke gevallen waar dit vanuit de wet niet verplicht is. Om te voorkomen dat voor ieder individueel geval een coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3:20 onder b van de Awb moet worden genomen, voorziet deze verordening als zijnde een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 3:20 onder a van de Awb in een algemeen afwegingskader waarbinnen gebruik mag worden gemaakt van de mogelijkheid tot het coördineren van de wijziging van het omgevingsplan en een daarmee verband houdende omgevingsvergunning. Op grond van artikel 149 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad een coördinatieverordening vaststellen voor het coördineren van een wijziging van het omgevingsplan met omgevingsvergunning(en).
§ 3 Wat houdt de coördinatieverordening in?
Met het coördineren bedoelt de wetgever dat besluiten die met elkaar samenhangen, bijvoorbeeld één bouwplan, waarvoor een wijziging van het omgevingsplan en een omgevingsvergunning nodig zijn, in één procedure worden voorbereid. De procedures voor de wijziging van het omgevingsplan en voor de omgevingsvergunning(en) worden dus gecombineerd tot één procedure.
Het vaststellingsbesluit over de wijziging van het omgevingsplan moet namelijk één van de te coördineren besluiten te zijn. Als dat zo is, dan is de omgevingsplanprocedure (afdeling 3.4 van de Awb, ontwerp zes weken ter inzage, mogelijkheid om zienswijzen in te dienen door iedereen, rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) ook van toepassing op de besluiten die met de wijziging van het omgevingsplan gecoördineerd worden voorbereid.
Tegen de besluiten die op basis van de gecoördineerde voorbereidingsprocedure worden genomen kan beroep ingesteld worden, maar, anders dan bij het separaat afgeven van de vergunningen, gebeurt de afhandeling van beroepen tegen onderdelen van het bundeltje besluiten in één keer. Eén uitspraak dus over in ieder geval de wijziging van het omgevingsplan en de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Hiermee wordt een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure tegen de omgevingsvergunning over bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) voorkomen. Kanttekening hierbij is dat er in een eventuele bezwaar- of beroepsprocedures geen zaken gerepareerd kunnen worden, waardoor een vernietiging van een (deel van de) wijziging van het omgevingsplan consequenties kan hebben voor de gecoördineerde omgevingsvergunning. Dit kan eventueel via een herstelbesluit in het kader van een beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gerepareerd.
Daarnaast heeft de wetgever in artikel 16.14a van de Omgevingswet bepaald dat het gewijzigde (nog niet in werking getreden) omgevingsplan geldt als beoordeling voor de omgevingsvergunning en dus niet het omgevingsplan dat geldt op het moment van het nemen van de beslissing op de aanvraag voor de omgevingsvergunning.
§ 4 Bestaat er behoefte om een wijziging van het omgevingsplan te coördineren met een omgevingsvergunning?
Onder de Wet ruimtelijke ordening werd regelmatig gebruik gemaakt van de coördinatieverordening waarmee een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan met een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouw’ werd gecoördineerd. Een voordeel van deze coördinatie was dat het bouwplan één op één past in het bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan en dat bij de bekendmaking van de besluiten direct duidelijk was wat op een locatie gebouwd ging worden. Daarnaast zorgde direct beroep tegen beide besluiten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor versnelling in de procedure. Terwijl bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) in principe de reguliere procedure geldt, waarvoor een bezwaarprocedure, beroepsprocedure bij de rechtbank en hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt. Vanwege deze voordelen willen we ook onder de Omgevingswet de mogelijkheid blijven bieden om een wijziging van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning (voor in ieder geval een omgevingsplanactiviteit bouwwerken) te kunnen coördineren. Om te voorkomen dat er voor elke ontwikkeling waarvoor gebruik gemaakt van de coördinatieregeling, een los coördinatiebesluit door de gemeenteraad genomen moet worden, is wederom gekozen voor het opstellen van een coördinatieverordening. Voor ontwikkelingen die niet onder de reikwijdte van deze coördinatieverordening vallen, kan alsnog een coördinatiebesluit door de gemeenteraad genomen worden.
§ 5 Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?
Over het algemeen zullen er niet snel hele grote projecten gecoördineerd worden. Een aanvrager zal bij grote projecten vaak zekerheid willen hebben over de planologische inpassing in het omgevingsplan, voordat er kosten gemaakt worden om bouwtekeningen te maken. De wet geeft echter geen beperkingen aan de omvang van bouwprojecten en staat een ruime coördinatie toe. Deze verordening kan wel beperkingen bevatten, maar dat hoeft niet. Omdat wij voordelen (zie hiervoor paragraaf 4) zien aan het coördineren van een wijziging van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’), moet een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval gecoördineerd worden met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’). Daarnaast staan in artikel 3 omgevingsvergunningen en een besluit genoemd die ook onderdeel van de coördinatie mogen uitmaken. Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te maken, bepaalt deze verordening dat de voorbereiding niet gecoördineerd mag worden als er complicerende factoren een rol spelen. Er worden alleen besluiten gecoördineerd, waarvoor geen milieueffectrapport nodig is en waarover financiële overeenstemming is tussen de gemeente en de aanvrager.
§ 6 De gevolgen voor het gemeentebestuur
Deze verordening zorgt voor een ontlasting van de gemeenteraad, omdat zonder deze verordening de gemeenteraad per geval een coördinatiebesluit moet nemen. Met toepassing van deze verordening blijft de gemeenteraad bevoegd te besluiten over ruimtelijke ontwikkelingen, omdat de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan leidend is en daarvoor is de gemeenteraad het bevoegd orgaan. Dit is alleen anders in die gevallen waarin de gemeenteraad de bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan heeft gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast blijft de gemeenteraad bevoegd om een los coördinatiebesluit te nemen, bijvoorbeeld wanneer een ontwikkeling niet binnen de randvoorwaarden van deze coördinatieverordening past.
§ 7 De gevolgen voor de aanvrager Met deze verordening kan de dienstverlening aan de aanvrager voor een wijziging van het omgevingsplan en een daarmee samenhangende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) die in strijd is met het omgevingsplan verbeterd worden, zowel door het tempo dat met de coördinatieregeling kan worden gemaakt, als door duidelijkheid die het in samenhang afhandelen van verschillende procedures met zich meebrengt. Een nadeel kan zijn dat de aanvrager al in een vrij vroeg stadium de bouwtekeningen gereed moet hebben. Daarom is in artikel 6 lid 2 van deze verordening geregeld dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) niet tegelijk met een aanvraag voor een wijziging van het omgevingsplan ingediend hoeft te worden.
§ 8 De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen
De coördinatieregeling mag alleen toegepast worden als de gemeenteraad daartoe besloten heeft óf als de gemeenteraad in een verordening heeft vastgesteld in welke gevallen het wenselijk is om de coördinatieregeling te gebruiken. Zonder deze verordening kan de coördinatieregeling dus alleen gebruikt worden als de gemeenteraad daar per geval een coördinatiebesluit over neemt. Dat is natuurlijk mogelijk, maar dat zou betekenen dat de gemeenteraad extra belast wordt en dat de procedure met enige maanden vertraging start. En dat terwijl de coördinatieregeling onder meer bedoeld is om tempo te kunnen maken.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In artikel 1 worden de gehanteerde begrippen omschreven. Onder het begrip ‘aanvrager’ wordt ook een bevoegd gezag zoals het college van burgemeester en wethouders verstaan. Ook in dat geval kan een gecoördineerde procedure worden toegepast.
Artikel 2
Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling in ieder geval ziet op het coördineren van de procedure van een wijziging van het omgevingsplan met een daarmee samenhangende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) op grond van artikel 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet. Dat is de basis. Onder een wijziging van het omgevingsplan valt ook een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) omgevingsplan.
Alleen omgevingsvergunningen waarvoor geen instemming nodig is van Gedeputeerde Staten en/of de Minister (en die genoemd zijn in artikel 2 en 3) kunnen op basis van deze coördinatieverordening gecoördineerd worden. Hiervoor is gekozen om de toepassing van de coördinatieverordening minder ingewikkeld te maken en om de vaart in de procedure te kunnen houden. Dit betekent dat wanneer er instemming nodig is, coördinatie alleen op basis van een coördinatiebesluit mogelijk is. Een voorbeeld hiervan is een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet instemming geven op een voorgenomen beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning over een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument. Ook wanneer de wijziging van het omgevingsplan via een delegatiebesluit is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders, kan deze verordening toegepast worden.
Artikel 3
Artikel 3 geeft een opsomming van de omgevingsvergunningen voor verschillende activiteiten die in combinatie met de wijziging van het omgevingsplan en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) gecoördineerd kunnen worden voorbereid. In dit artikel zijn omgevingsvergunningen en een verkeersbesluit opgenomen, waarbij het efficiënt kan zijn om deze met een wijziging van het omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) te coördineren. Hieronder wordt per vergunning/besluit de wettelijke basis gegeven en indien nodig een korte toelichting.
- 1.
Een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit op grond van artikel 5.1. lid 2 sub a van de Omgevingswet. Dit wordt ook wel de bouwtechnische omgevingsvergunning genoemd;
- 2.
Een omgevingsvergunning voor en omgevingsplanactiviteit grondwerk op grond van artikel 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet. Onder de omgevingsplanactiviteit grondwerk valt ook de bescherming van archeologische waarden;
- 3.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beheer natuur, flora en fauna op grond van artikel 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet. Hieronder valt bijvoorbeeld de vergunningplicht voor het kappen van bomen;
- 4.
Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van artikel 5.1. lid 2 sub b van de Omgevingswet;
- 5.
Een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit op grond van artikel 5.1. lid 1 sub b van de Omgevingswet;
- 6.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument op grond van de Verordening erfgoed gemeente Utrecht dan wel artikel 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet, op het moment dat dit onderdeel van deze verordening onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan;
- 7.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet;
- 8.
Een verkeersbesluit op grond van de artikelen 15 en 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van de Administratieve Bepalingen voor het Wegverkeer.
Artikel 4
In artikel 4 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en” om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als aan alle voorwaarden is voldaan.
Lid 1 sub a vormt de basis van deze verordening: coördinatie op grond van deze verordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over een wijziging van het omgevingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (‘het ruimtelijk bouwen’) tot de te coördineren besluiten behoren. De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken moet een bouwplan betreffen dat in strijd is met het geldende omgevingsplan. De wijziging van het omgevingsplan dat meedoet in de coördinatieregeling moet die strijdigheid opheffen, zodat de omgevingsvergunning verleend kan worden. Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze verordening dus niet toegepast worden als de bouwaanvraag past in het geldende omgevingsplan. In dat geval zou coördinatie met alleen een wijziging van het omgevingsplan neerkomen op het omzeilen van de gewone procedure van een omgevingsvergunning.
Lid 1 sub b houdt in dat, als aan de voorwaarde van lid a voldaan is, er meer besluiten in de gecoördineerde voorbereiding mogen meedoen. Die besluiten moeten dan wel genoemd zijn in artikel 3 van de verordening. Zie ook de toelichting op dit artikel.
Lid 1 sub c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de verordening voldaan is. Het gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen van artikel 4 is voldaan, maar het college van burgemeester en wethouders gaat ook na of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college van burgemeester en wethouders kan ook afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college van burgemeester en wethouders constateert dat de gemeente geen wijziging van het omgevingsplan wilt.
Een ruime uitleg van lid 1 sub c kan er niet toe leiden dat het college van burgemeester en wethouders gevallen coördineert die niet onder deze verordening vallen en waartoe de raad niet expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.
Op grond van lid 1 sub d stelt het college van burgemeester en wethouders vast of artikel 5 geen belemmering is voor het toepassen van de coördinatieregeling. Dit lid 1 sub d moet beperkt uitgelegd worden: áls er een belemmering is, dan is een gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.
Uit lid 1 sub e blijkt dat de aanvrager de coördinatieverordening moet willen toepassen. Dit moet de aanvrager laten blijken door het indienen van een schriftelijk verzoek. Een aanvrager kan vanzelfsprekend niet gedwongen worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten dat de wijziging van het omgevingsplan doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken voor het maken van bouwtekeningen.
Artikel 5
In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is. Lid 1 sub a en b sluiten uit dat besluiten gecoördineerd worden voorbereid, terwijl de uitkomst van de voorbereiding nog onzeker is. Zolang er nog een milieueffectrapport opgesteld moet worden is niet duidelijk welk alternatief de voorkeur heeft. Het gaat hier specifiek om een MER dat uitgevoerd moet worden bij de wijziging van het omgevingsplan of ten behoeve van de te coördineren omgevingsvergunning. Dit artikel heeft geen betrekking op bijvoorbeeld een planMER dat is uitgevoerd bij een bovenliggende omgevingsvisie. Ook heeft dit artikel geen betrekking op het uitvoeren van een mer-beoordeling.
Ook de noodzaak tot het opstellen van een wijze van kostenverhaal langs publiekrechtelijke weg maakt de procedure ingewikkelder. Het feit dat een wijze van kostenverhaal langs publiekrechtelijke weg nodig is, betekent dat er met partijen geen overeenstemming is over de financiering, wat geen goede basis is voor een gecoördineerde voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo’n geval te proberen om alsnog met partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de voortvarendheid waarmee via de coördinatieregeling uitvoering kan worden voorbereid.
Bij mogelijke nadeelcompensatie moet de aanvrager zich bereid verklaren (lid 1 sub c) de kosten voor zijn rekening te willen nemen. Als de aanvrager dat niet wil, dan zou het financiële risico van het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan bij de gemeente liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico. Gecoördineerde besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk
Artikel 6
Het college van burgemeester en wethouders is als coördinerend orgaan als bedoeld in artikel 3:21 lid 1 van de Awb aangewezen. Artikel 3:23 lid 1 van de Awb geeft aan dat de besluiten zoveel mogelijk gelijktijdig worden aangevraagd bij het coördinerend bestuursorgaan en dat de laatste aanvraag niet later dan 6 weken wordt ingediend na ontvangst van de eerste aanvraag. Hierbij wordt aangegeven dat het coördinerend bestuursorgaan kan bepalen dat voor het indienen van de aanvragen een andere termijn geldt. De praktijk leert dat op het moment van indienen van een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan nog niet altijd duidelijk is of de wens bestaat om te coördineren. Het moet immers haalbaar zijn om in ieder geval het bouwplan op tijd uitgewerkt te hebben. Omdat het ook werkbaar is dat er bijvoorbeeld later dan 6 weken na de aanvraag voor een wijziging van het omgevingsplan wordt verzocht om een gecoördineerde aanvraag is deze termijn al in dit artikel verlengd met 6 weken ten opzichte van de termijn zoals genoemd in artikel 3:23 lid 1 van de Awb. Op grond van lid 2 van deze coördinatieverordening kan van deze termijn afgeweken worden om nog meer flexibiliteit te kunnen bieden. Hierbij zal wel altijd betrokken worden of een eventuele verlenging de versnelling die met de coördinatie wordt beoogd niet doorkruist.
Artikel 8
Dit artikel bevat onder meer de bepaling waardoor procedures die onder de werking van de oude verordening zijn gestart, rechtsgeldig voortgezet kunnen worden.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl