Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737674
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737674/1
Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijk bij Duurstede 2025
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 05-04-2025
Intitulé
Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijk bij Duurstede 2025De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 2025, nr. 960911;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijk bij Duurstede 2025
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- -
aangepast vervoer: door het college georganiseerd besloten vervoer;
- -
afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, gemeten met de ANWB-routeplanner langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;
- -
begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;
- -
buitenschoolse opvang: formele of informele opvanglocatie waar de leerling voor of na afloop van de lestijd op school verblijft;
- -
deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige;
- -
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede;
- -
eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets waarbij de leerling als passagier vervoer wordt;
- -
gehandicapte leerling: een leerling, die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
- -
leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school;
- -
openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;
- -
ouders: ouders als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- -
persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;
- -
samenwerkingsverband:
- 1°.
Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;
- 2°.
Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of
- 3°.
Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 1°.
- -
school:
- 1°.
Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
- 2°.
School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of
- 3°.
School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 1°.
- -
schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;
- -
toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;
- -
vervoerstraining: een professionele training die erop gericht is de leerling de vaardigheden aan te leren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;
- -
vervoersvoorziening:
- 1°.
Vergoeding van de kosten van openbaar vervoer of fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
- 2°.
Vergoeding van de kosten van gebruik van eigen vervoer;
- 3°.
Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider;
- 1°.
- -
woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening
Artikel 2. Aanvraag
-
1. Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.
-
2. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die zijn woning in de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens en de gevraagde bijlagen.
-
3. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.
-
4. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.
Artikel 3. Onderzoek
-
1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en ouders, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
-
2. Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan ook een deskundige aansluiten.
-
3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.
-
4. Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kunnen burgemeester en wethouders in overleg met de ouders en desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school, alsmede de mogelijkheden van de leerling daartoe, worden beschreven. Dit plan maakt deel uit van het besluit.
Artikel 4. Inzet deskundige
-
1. Het college kan een deskundige bij het onderzoek betrekken en verzoeken advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat hij specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.
-
2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.
-
3. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 3.
Artikel 5. Beslistermijn
-
1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
-
2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.
Artikel 6. Ingangsdatum voorziening
Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:
- a.
wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;
- b.
wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo dicht mogelijk aansluit bij de verzochte datum.
Artikel 7. Besluit
-
1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
-
2. Het college kent, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toe en voegt als bijlage bij het besluit het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan toe.
-
3. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria
Artikel 8. Algemene bepalingen
-
1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
-
2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de meeste zelfstandige en zelfredzame vorm van reizen het uitgangspunt.
-
3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
-
4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.
-
5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:
- a.
per openbaar vervoer of fiets;
- b.
met eigen vervoer;
- c.
met aangepast vervoer.
- a.
Artikel 9. Afwijzingsgronden
-
1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
-
2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, tenzij het om een gehandicapte leerling gaat die niet of niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 10. Andere oplossing
-
1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.
-
2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.
Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats
-
1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.
-
2. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.
-
3. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
-
4. Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat eventueel benodigde begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk niet mogelijk is.
Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
-
1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.
-
2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:
- a.
de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of
- b.
een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen.
- a.
-
3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige behoefte is van de leerling; en
- b.
aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.
- a.
Artikel 13. Schooltijden en wachttijden
-
1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
-
2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.
-
3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.
Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
-
1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;
- b.
in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
- c.
de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.
- a.
-
2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
-
3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat
-
1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.
-
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.
-
3. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.
Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres
-
1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.
-
2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als de stage onderdeel is van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract.
-
3. Als het een aanvraag om aangepast vervoer betreft wordt dit slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
er bestaat al aanspraak op aangepast vervoer naar school;
- b.
de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;
- c.
de stage vindt plaats op één stageadres; en
- d.
het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school.
- a.
-
4. De in het derde lid, onder b, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is.
-
5. De in het derde lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het college te bepalen maximaal aantal kilometers van de woning dan wel de opstapplaats of de school.
-
6. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
Artikel 17. Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en de school
-
1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning of de opstapplaats naar een school en/of terug kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van de buitenschoolse opvang naar de school en/of terug.
-
2. De vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school en/of terug wordt alleen verstrekt als de kosten voor de gemeente vergelijkbaar zijn met de kosten voor het vervoer van de woning naar de school en/of terug.
-
3. In afwijking van het tweede lid kan de vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school en/of terug ook worden toegekend als de ouders van de leerling de meerkosten zelf betalen.
Artikel 18. Vervoersvergoeding voor de leerling
-
1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer of fietsvervoer, uitgaande van de goedkoopste passende vervoersvorm.
-
2. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met kortingen die binnen het systeem kunnen gelden en stijgingen van de kosten gedurende het schooljaar.
-
3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt de helft van het belastingvrije bedrag per kilometer.
Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de begeleider
-
1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of fietsvervoer van een begeleider van de leerling als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.
-
2. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die binnen het systeem kunnen gelden en stijgingen van de kosten gedurende het schooljaar.
-
3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt de helft van het belastingvrije bedrag per kilometer.
-
4. De vergoeding is gebaseerd op twee retourreizen per dag.
Artikel 20. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door ouders verzorgd vervoer
-
1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvergoeding kent het college een vergoeding op basis van door ouders verzorgd vervoer toe, als:
- a.
de gehandicapte leerling naar het oordeel van het college ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken;
- b.
de leerling onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, maar ouders naar het oordeel van het college genoegzaam hebben aangetoond dat het organiseren van begeleiding niet mogelijk is; of
- c.
dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
- a.
-
2. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand met eigen vervoer bedraagt het maximale belastingvrije bedrag per kilometer.
-
3. De vergoeding is gebaseerd op twee retourreizen per dag.
Artikel 21. Aangepast vervoer
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening kent het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toe als ouders naar het oordeel van het college genoegzaam hebben aangetoond dat gebruik van eigen vervoer niet mogelijk is en:
- a.
de gehandicapte leerling naar het oordeel van het college ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken;
- b.
de leerling onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, maar ouders naar het oordeel van het college genoegzaam hebben aangetoond dat het organiseren van begeleiding niet mogelijk is; of
- c.
dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Artikel 22. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college in overleg met de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de vervoersvoorziening waar aanspraak op bestaat.
Hoofdstuk 4 Rechtmatigheid
Artikel 23. Doorgeven van wijzigingen
De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.
Artikel 24. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening
-
1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:
- a.
niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;
- b.
beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;
- c.
de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
- d.
sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of
- e.
het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.
- a.
-
2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 25. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet
In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 26. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, ten gunste van de ouders of de meerderjarige leerling gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Artikel 27. Intrekking oude regeling
De Verordening bekostiging leerlingenvervoer Gemeente Wijk bij Duurstede 2022 wordt ingetrokken.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2025.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijk bij Duurstede 2025.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 maart 2025,
De voorzitter, mevrouw. I.P. Meerts
De griffier, de heer J.P. de Groot
Toelichting
Algemeen
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige en handelingsbekwame leerlingen kunnen een beroep doen op de verordening.
Wettelijke plicht
De raad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat hierbij zowel om basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2 onderwijs (zie voor informatie over clusters 1 t/m 4 toelichting bij definitie “school”).
De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur.
Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.
De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt.
Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van of openbaar vervoer of fietsvervoer. Wanneer de leerling door zijn handicap, ook niet met begeleiding, met het openbaar vervoer of de fiets kan reizen, of als het niet lukt om begeleiding te realiseren, kan het college een vergoeding voor het gebruik van eigen vervoer toekennen. Soms is ook het gebruik van eigen vervoer niet mogelijk. In dat geval kan het college aangepast vervoer aanbieden.
Zelfstandigheid en zelfredzaamheid
De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van de meest zelfstandige en zelfredzame vorm van reizen. In de praktijk is dit vaak ook de goedkoopste vorm. Het is nodig om hierop te sturen om het stelsel van leerlingenvervoer toegankelijk en betaalbaar te houden.
Artikelsgewijs
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1. Definities
Aangepast vervoer
Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om taxivervoer, in individueel of groepsverband, maar bijvoorbeeld ook om vervoer per (school)bus.
Gehandicapte leerling
Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer.
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de effecten van beperking met medicijnen of hulpmiddelen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.
Leerling
Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.
Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.
Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000.
Ouders
De omschrijving verwijst naar de begripsbepalingen in de Wpo, de Wec en de Wvo 2020. Deze verwijzing is noodzakelijk omdat in de Wpo en de Wec niet is aangegeven dat de daarin opgenomen begripsbepalingen ook van toepassing zijn in de daarop berustende bepaling, zoals deze verordening. De definitieomschrijving in de Wpo en de Wec wijkt af van de definitie in de Wvo 2020. De toepasselijke omschrijving is afhankelijk van de op de school van de leerling van toepassing zijnde wet.
Samenwerkingsverband
Onder 1°
Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a, van de Wpo alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.
Onder 2°
Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel 18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Onder 3°
Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens het tweede lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.
School
Onder 1°
In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.
Onder 2°
De Wec onderscheidt de volgende clusters:
Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps enCluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.
Onder 3°
In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder.
Toegankelijke school
Leerlingen kunnen op grond van hun beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.
In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de Wpo). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.
De Wvo 2020 kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.
Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de Wec is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de Wec).
Woning
Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn.
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden.
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening
Artikel 2. Aanvraag
Het college stelt een digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Op aanvraag wordt een papieren aanvraagformulier verstrekt.
Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens wordt ook de toevoeging van de vervoersverklaring van de school verstaan. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens over te leggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.
Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen twee weken aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb zal in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
Artikel 3. Onderzoek
In de onderzoeksfase wordt onderzocht of en voor welke vervoersvoorziening men in aanmerking komt. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden van de leerling en ouders centraal. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer wordt bij voorkeur een gesprek met de aanvrager(s) gevoerd, om:
- -
verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen;
- -
te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn;
- -
te onderzoeken wat de begeleidingsmogelijkheden van ouders en hun naasten zijn.
Als dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Op verzoek van ouders of als het college dit noodzakelijk acht, kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt is dit eveneens onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?
Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.
Het college kan, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opstellen. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan kan betrokken worden bij het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan.
Artikel 4. Inzet deskundige
De verordening bevat, conform artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de Wec en 8.29, derde lid, van de Wvo 2020, een regeling voor het inwinnen van advies van een onafhankelijk deskundige. Dit is nodig op het moment dat de aanvraag, inclusief de vervoersverklaring van de school, alsmede eventuele andere namens de ouders en/of leerling aangeleverde adviezen, onvoldoende handvatten biedt om een afgewogen besluit te nemen. Het college wijst in dit geval een onafhankelijk deskundige aan. De ouders en leerling dienen medewerking te verlenen aan het onderzoek van de onafhankelijk deskundige. Indien zij dit niet doen, kan het college besluiten de aanvraag niet verder te behandelen.
Artikel 5. Beslistermijn
Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden.
Voor de Verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.
De beslistermijn kan worden opgeschort als de aanvraag onvolledig is. De aanvrager krijgt dan de kans om, gedurende de termijn dat de beslistermijn is opgeschort, de aanvraag volledig te maken. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb.
Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan de beslistermijn dan voor ten hoogste vier weken verlengen.
Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet er een beschikking op de ingediende aanvraag door het college zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verlengde termijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, moet er toch een beschikking worden afgegeven.
Artikel 6. Ingangsdatum voorziening
Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan.
Artikel 7. Besluit
Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van een deugdelijke motivering (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb te voldoen.
In het geval de leerling nog niet zelfstandig kan reizen, maar dit naar verwachting wel kan leren, kan het college een vervoerstraining toekennen. De vervoerstraining maakt onderdeel uit van het persoonlijke vervoersontwikkelingsplan.
Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat in de winterperiode aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria
Artikel 8. Algemene bepalingen
De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden of het verkeersveilig maken van de leerling.
In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze vallen op de vervoersvoorziening die de meeste zelfstandigheid en zelfredzaamheid vraagt. Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek.
Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen.
Er ligt echter ook een wettelijke zorgplicht bij de gemeente om een passende vervoersvoorziening aan te bieden. Het is aan het college om een zorgvuldige afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is.
De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren. Het recht op aangepast vervoer is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi, mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc.
Artikel 9. Afwijzingsgronden
Het eerste lid geeft invulling aan de op grond van artikel 4, achtste lid, van de Wpo en artikel 4, zevende lid, van de Wec bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand. De afstand van 6 kilometer sluit aan bij de in artikel 4, zevende lid, van de Wpo opgenomen bovengrens van 6 kilometer. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald. De afstand tussen de buitenschoolse opvang en de dichtstbijzijnde toegankelijke school is dus niet van invloed op het recht op een vervoersvoorziening. Leerlingen die voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.
Het tweede lid geeft aan dat voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de Wec) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de Wvo 2020) geldt, dat leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een handicap voor hun schoolbezoek niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets kunnen reizen.
Artikel 10. Andere oplossing
De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor dit vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.
Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school of de stage, mag het college die vergoeding aftrekken van de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat. Dit geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.
Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats
Om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, voorziet deze bepaling in een bevoegdheid aan het college om opstapplaatsen aan te wijzen, vanwaar leerlingen met de taxi of (school)bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij, al dan niet onder begeleiding, naar de door het college aangewezen opstapplaats, vanwaar zij worden opgehaald.
De aan te wijzen opstapplaats moet voldoende veilig zijn voor de, indien nodig door een begeleider begeleide, leerling om van het aangepast vervoer gebruik te maken. Ook moet de opstapplaats, mede gelet op de weersomstandigheden, voldoende beschutting bieden. De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de leerling zijn gelegen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reistijd van niet meer dan circa. dertig minuten is in elk geval alleszins redelijk.
Het uitgangspunt is dat ouders zelf zorgdragen voor de voor de leerling noodzakelijke begeleiding.
Wanneer het voor ouders niet mogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, niet mogelijk is.
Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
In artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpo, artikel 4, tweede lid, van de Wec en artikel 8.29, tweede lid, van de Wvo 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen. Tevens is in de genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn beperking.
Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg.
Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer van en naar de dichtst bij de woning gelegen school.
Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd.
Richting
Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling.
Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Instellingen voor cluster 1 en cluster 2
Als de commissie van onderzoek heeft geoordeeld dat de leerling toelaatbaar is tot of aangewezen is op begeleiding vanuit een instelling voor cluster 1 of cluster 2 onderwijs, dan bepaalt dit (mede) of sprake is van een toegankelijke school.
De school is vol
Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling.
Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.
Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school – het college dient naar de duur van de wachtlijst te informeren – kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keuze te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.
Dislocaties en nevenvestigingen
Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de Verordening leerlingenvervoer moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’.
Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.
Het samenwerkingsverband beoordeelt of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wpo). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de Wpo). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.
In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.
Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen.
Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school.
- -
De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend worden aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een onderbouwing door het samenwerkingsverband of door een intelligentie-onderzoek wanneer er onderwijs nodig is als gevolg van de hoogbegaafdheid van een leerling;
- -
Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal aan het college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal onderwijs vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.
Symbiose
Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24, van de Wec en Titel IV van het Onderwijskundig besluit Wec). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.
Een voorbeeld hiervan is dat er binnen het samenwerkingsverband een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is opgericht, waar leerlingen tijdelijk onderwijs volgen als er een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig. De leerling blijft daarbij ingeschreven staan op zijn oorspronkelijke school, maar volgt in de praktijk elders onderwijs.
Artikel 13. Schooltijden en wachttijden
Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.
In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.
De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn.
Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.
Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:
- -
een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt;
- -
een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;
- -
een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of
- -
een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.
Het college kan, overeenkomstig artikel 4, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.
Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waarin de leerling zijn woning heeft. De aanwezigheid van een structureel karakter van het feitelijk verblijf van de leerling vormt een onderdeel van het begrip woning. Een tijdelijk verblijf elders verplaatst de structurele feitelijke verblijfplaats dan ook niet. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het bovendien niet praktisch dat die andere gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente A moet de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd; en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dat zorgt voor een omslachtige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten. Artikel 14 regelt hierom wat onder tijdelijk verblijf wordt verstaan en hoe het college daarin handelt.
Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de gemeente. Het college neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor zijn rekening. Het college neemt hierover een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat.
Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat
Artikel 4, zesde lid, van de Wec geeft aan dat in de verordening moet worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.
Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec.
Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.
Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.
Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.
Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres
Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17, van de Wec en artikel 2.26, derde lid en artikel, 2.27, derde lid, van de Wvo 2020). Ook een maatschappelijke stage kan onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma (artikel 22, eerste lid, onder c, onder 3e, van de Wec en artikel 2.32, van de Wvo 2020). In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de Wec).
Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op een vervoersvoorziening naar het stageadres.
Naar analogie met ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie. Om de vervoerskosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is in artikel 16 bepaald, dat het stageadres op de route van de woning naar de school moet zijn gelegen, tenzij dit voor de leerling onmogelijk blijkt. Hiervoor bepaalt het college een maximale afstand van de woning, dan wel de opstapplaats of de school.
Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Artikel 17. Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en de school
Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de leerling, als er recht bestaat op een vervoersvoorziening, in afwijking van de Wpo, de Wec en de Wvo 2020, deze vervoersvoorziening af te stemmen op de buitenschoolse opvang. Ouders zijn vervolgens zelf verantwoordelijk voor (de bekostiging van) het brengen of ophalen van de leerling bij de buitenschoolse opvang.
Vanuit kostenoogpunt zijn de mogelijkheden wel begrensd. Op het moment dat het vervoer naar de woning duidelijk goedkoper is dan naar de buitenschoolse opvang, dan is dat een reden om het vervoer naar de buitenschoolse opvang te weigeren.
Op het moment dat ouders bereid zijn de meerkosten van het vervoer naar de buitenschoolse opvang ten opzichte van het vervoer naar de woning zelf te dragen, kan dit, als het organisatorisch ook mogelijk is, aanleiding geven om het vervoer naar de buitenschoolse opvang alsnog te organiseren.
Artikel 18. Vervoersvergoeding voor de leerling
Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4, van de Wpo) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4, van de Wec) bezoekt. De wet kent in artikel 4, van de Wec en artikel 8.28, van de Wvo 2020 niet de mogelijkheid om het zelfstandig reizen van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs te vergoeden (zie artikel 9).
Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de begeleider
In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. Van kinderen die jonger zijn dan 9 jaar kan in het algemeen niet verwacht worden dat zij zelfstandig reizen. Ook kan het zijn dat een leerling vanwege een handicap niet zelfstandig kan reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 8, derde lid).
Artikel 20. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door ouders verzorgd vervoer
Soms is een leerling ook onder begeleiding niet in staat om met het openbaar vervoer of de fiets reizen. Of de leerling kan wel onder begeleiding met het openbaar vervoer of de fiets reizen, maar het lukt ouders niet om deze begeleiding te organiseren. In deze gevallen is het mogelijk om een kilometervergoeding voor het gebruik van eigen vervoer toe te kennen.
Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de begeleiding van hun kind. Als zij niet in staat zijn om hun kind zelf te begeleiden is het aan de ouders om vervangende begeleiding te regelen. Aan de tijdsinspanning die een begeleider moet leveren zit redelijkerwijs een maximum. Van een begeleider mag daarom verwacht worden dat hij tot 9 uur per week besteedt aan de begeleiding, mits dit conform artikel 8 uit deze verordening is.
Tot de reistijd wordt de totale tijdsduur gerekend die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer.
Op verzoek van ouders kan een vergoeding voor gebruik van eigen vervoer worden toegekend als dit goedkoper is dan de vervoersvoorziening waar in beginsel aanspraak op bestaat.
Artikel 21. Aangepast vervoer
In het geval een leerling ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken of ouders hebben aangetoond dat benodigde begeleiding bij het reizen met het openbaar vervoer of de fiets niet te organiseren is, wordt allereerst onderzocht of het mogelijk is dat de ouders hun kind met eigen vervoer (in de meeste gevallen een auto, maar het kan ook een ander vervoersmiddel zijn) naar school brengen. Ook voor het gebruik van eigen vervoer wordt, gelijk de begeleiding bij het reizen met het openbaar vervoer of de fiets, rekening gehouden met een maximale tijdsinspanning van 9 uur per week, mits dit conform artikel 8 uit deze verordening is.
Tot de reistijd wordt de totale tijdsduur gerekend die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus maximaal 10 minuten.
Op verzoek van ouders kan aangepast vervoer worden toegekend als dit goedkoper is dan de vervoersvoorziening waar in beginsel aanspraak op bestaat.
Artikel 22. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 22 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling en/of de ouders. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, of bakfiets. Het college kan besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van de vervoersvoorziening waar primair aanspraak op kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 4. Rechtmatigheid
Artikel 23. Doorgeven van wijzigingen
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk doen.
Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:
- -
wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;
- -
verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);
- -
wijziging van het adres van de school;
- -
wijziging van de schooltijden;
- -
verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer;
- -
wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.
Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening.
Artikel 24. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit.
Beëindigen
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening.
Opschorten
Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek.
Herzien
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.
Intrekken
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken.
Overig
Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate hoog is dat die niet van een chauffeur kan worden gevergd.
Terugvordering
Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. De ten onrechte betaalde vergoeding wordt in dat geval teruggevorderd of in mindering gebracht op een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 25. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet
In de Verordening leerlingenvervoer zijn de hoofdlijnen voor het verstrekken van een vervoersvoorziening ten behoeve van schoolbezoek vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Artikel 25 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden.
Artikel 26. Hardheidsclausule
Artikel 26 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de Wpo, artikel 4, tiende lid, van de Wec en artikel 8.29, vijfde lid, van de Wvo 2020. De hardheidsclausule maakt het mogelijk om van alle bepalingen in de verordening af te wijken. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie. In dit verband kan met alle mogelijke omstandigheden rekening gehouden worden.
Het college vraagt zo nodig advies aan deskundigen.
Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.
Artikel 27. Intrekking oude regeling
De voorgaande verordening, die met de nieuwe verordening vervalt.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel
De datum waarop de verordening in werking treedt en de benaming van de verordening.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl