Verordening nadeelcompensatie Waterschap Vallei en Veluwe 2025

Geldend van 03-04-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening nadeelcompensatie Waterschap Vallei en Veluwe 2025

Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe;

gelezen het voorstel van het college van dijkgraaf en heemraden van 21 januari 2025;

gelet op het bepaalde in:

  • -

    artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet;

  • -

    titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    afdeling 15.1 van de Omgevingswet,

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening nadeelcompensatie Waterschap Vallei en Veluwe 2025

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: degene die een aanvraag om een tegemoetkoming in de schade indient;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    waterschap: Waterschap Vallei en Veluwe;

  • d.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het waterschap;

  • e.

    college: het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap;

  • f.

    adviseur: een door het college van dijkgraaf en heemraden aan te wijzen deskundige;

  • g.

    adviescommissie: een schadebeoordelingscommissie, bestaande uit meerdere adviseurs.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om vergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Awb.

Artikel 3 Bevoegdheid nadere regels stellen

  • 1. Het college kan voor daartoe aangewezen schadesoorten nadere regels stellen voor de berekening van die schade.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor aanvragen om schadevergoeding voor een specifiek onderwerp.

Artikel 4 De aanvraag

  • 1. De aanvraag om schadevergoeding wordt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is bij het waterschap schriftelijk ingediend.

  • 2. Om het recht op eventuele vergoeding verder te onderbouwen, dient de aanvrager in zijn aanvraag in ieder geval te beschrijven op welke wijze de gestelde schade het gevolg is van het genoemde besluit of handelen van het waterschap.

  • 3. De aanvrager verschaft voorts alle gegevens en bescheiden die voor het nemen van een besluit op zijn aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 4. Het college bevestigt binnen twee weken schriftelijk de ontvangst van de aanvraag en stelt de aanvrager daarbij in kennis van de te volgen procedure op grond van deze verordening.

  • 5. Als, naar het oordeel van het college, niet of niet voldoende is voldaan aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid van dit artikel, stelt deze de aanvrager in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een door het college te stellen termijn.

Artikel 5 Vereenvoudigde afhandeling van de aanvraag

  • 1. Het college besluit op de aanvraag zonder nader onderzoek of advies van de adviseur als:

    • a.

      het naar zijn oordeel kennelijk ongegrond is;

    • b.

      het naar zijn oordeel kennelijk niet ontvankelijk is;

    • c.

      het zonder nader onderzoek voor toewijzing vatbaar is;

    • d.

      het voor de betreffende specifieke categorieën van schadeveroorzakende gebeurtenissen beleidsregels heeft vastgesteld ten aanzien van de berekening van de hoogte van de te vergoeden schade;

    • e.

      er sprake is van verjaring van het recht op schadevergoeding;

    • f.

      het naar zijn oordeel steunt op de onrechtmatige uitoefening door of namens het waterschap van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, dat wil zeggen een onrechtmatige overheidsdaad.

  • 2. Een besluit om de aanvraag overeenkomstig het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel af te doen, wordt aan de aanvrager schriftelijk meegedeeld binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag dan wel binnen zes weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager het verzuim, conform vijfde lid van artikel 4 van deze verordening, kon herstellen.

  • 3. Het college kan de in het vorige lid bedoelde termijn met een redelijke termijn conform het tweede lid van artikel 4:130 van de Awb verlengen. Het college stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 6 Adviseur

  • 1. Het college stelt een onafhankelijke adviseur of een adviescommissie aan.

  • 2. De onafhankelijke adviseur maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het algemeen bestuur.

Artikel 7 Inschakeling van een adviseur

  • 1. Advies bij een adviseur wordt slechts ingewonnen voor zover dat noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen.

  • 2. Het besluit om de aanvraag af te wijzen zonder inschakeling van een adviseur wordt genomen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.

Artikel 8 Werkwijze van de adviseur

  • 1. De adviseur stelt de aanvrager, het bestuursorgaan en eventuele belanghebbenden in de gelegenheid een toelichting te geven, dan wel een standpunt over de aanvraag kenbaar te maken.

  • 2. Indien dit voor het uitbrengen van het advies nodig is, wordt door de adviseur de situatie ter plaatse bezichtigd. Het tijdstip waarop deze plaatsopneming plaatsvindt wordt bepaald door de adviseur.

  • 3. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur een concept daarvan aan het bestuursorgaan, aan de aanvrager en aan eventuele belanghebbenden.

  • 4. De aanvrager, het bestuursorgaan en eventuele belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen een door de adviseur te bepalen termijn, na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren.

  • 5. Na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn brengt de adviseur, een advies uit aan het bestuursorgaan, waarbij de ingediende reacties zijn betrokken.

Artikel 9 Door de adviseur te verrichten onderzoek

  • 1. De adviseur stelt daartoe, voor zover een zorgvuldige advisering dat nodig maakt, een onderzoek in naar:

    • a.

      de vraag of de door aanvrager in zijn aanvraag gestelde schade een gevolg is van de in de aanvraag aangeduide schadeoorzaak, indien en voor zover deze als een rechtmatige uitoefening door of namens het waterschap van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Awb, kan worden aangemerkt;

    • b.

      de omvang van de schade als bedoeld onder a;

    • c.

      de vraag of deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven, met inachtneming van het bepaalde in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Omgevingswet;

    • d.

      de vraag of schadevergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

  • 2. De adviseur brengt rapport uit over zijn bevindingen, adviseert het college over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding en doet, als het waterschap een daartoe strekkende aanvraag heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een schadevergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 10 Bevoegdheden en verplichtingen

  • 1. Het waterschap stelt de adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van zijn taak. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De aanvrager verschaft de adviseur de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3. De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Als met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid enkel uit na instemming van het college.

Artikel 11 Beslissing op de aanvraag tot schadevergoeding

  • 1. Het college besluit binnen acht weken op de aanvraag.

  • 2. Het college kan het besluit bedoeld in het eerste lid zes maanden verdagen , zoals omschreven in het tweede lid van het artikel 4:130 van de Awb.

Artikel 12 Voorschot

  • 1. De aanvrager kan het college bij of op ieder moment na de indiening van de aanvraag vragen om verlening van een voorschot op de schadevergoeding.

  • 2. Het college kan een voorschot verlenen, als redelijkerwijs valt te verwachten dat de aanvrager schade lijdt of zal lijden en als zijn belang vordert dat aan hem een voorschot wordt verstrekt.

  • 3. Met het verlenen van een voorschot wordt geen recht op schadevergoeding erkend.

  • 4. Het college kan aan het verlenen van een voorschot voorwaarden verbinden.

  • 5. Het voorschot wordt uitsluitend verleend als de aanvrager schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling, als op grond van het besluit als bedoeld in artikel 11, blijkt dat het voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt

  • 6. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen door het college worden teruggevorderd.

Artikel 13 Schadevergoeding

  • 1. Als en voor zover de beslissing op de aanvraag strekt tot volledige of gedeeltelijke honorering van de aanvraag, draagt het college binnen zes weken na het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag zorg voor de betaling van het vastgestelde bedrag.

  • 2. De betaling vindt plaats onder verrekening van verleende voorschotten.

  • 3. Een schadevergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek kan deel uitmaken van de toe te kennen schadevergoeding.

  • 4. Als de schade in een andere vorm dan geld wordt vergoed, wordt daarmee een aanvang gemaakt binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag.

Artikel 14 Beleid waterschap

Bij de beoordeling van aanvragen om toekenning van schadevergoeding ingevolge deze verordening wordt rekening gehouden met het beleid van het waterschap.

Artikel 15 Hardheidsclausule

Als een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die naar het oordeel van het college als onbillijk moet worden aangemerkt, kan het college van het gestelde in deze verordening afwijken.

Artikel 16 Inwerkingtreding en toepasselijkheid

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag volgend op die van de bekendmaking.

  • 2. Deze verordening is van toepassing op aanvragen die worden ingediend na het tijdstip van inwerkingtreding.

  • 3. Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Schadevergoedingsregeling Waterschap Vallei en Veluwe 2014 ingetrokken.

Artikel 17 Overgangsrecht

De bepalingen van de Schadevergoedingsregeling Waterschap Vallei en Veluwe 2014 blijven van toepassing op aanvragen voor schadevergoeding die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 18 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nadeelcompensatie Waterschap Vallei en Veluwe 2025.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering op 3 maart 2025.

drs. ing. K.A. Blokland

secretaris

mr. S.H.M. Ornstein MCPm

dijkgraaf

Toelichting Verordening nadeelcompensatie Waterschap Vallei en Veluwe 2025

Inleiding

Schadevergoeding in deze verordening gaat over de schade die de overheid rechtmatig veroorzaakt. Bijvoorbeeld ingeval van ernstige hinder door de aanleg van een nieuwe dijk. Maar ook antiverdrogingsprojecten, als daardoor aangrenzende percelen natter worden. Voorbeelden van schadeposten zijn winst- of inkomstenderving, gederfde huurinkomsten, schade aan gewassen of waardevermindering van een onroerende zaak.

Schade komt alleen voor vergoeding in aanmerking als:

  • a.

    De schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico (hierna: NMR) of het normale bedrijfsrisico. Dit is de abnormale last.

  • b.

    De schade iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Dus de last drukt onevenredig zwaar op een beperkte groep burgers of bedrijven. Dit is de speciale last.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Titel 4.5 van de Awb bevat een algemene regeling over de vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. In deze titel staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van schadevergoeding. Zo bevat de regeling in de Awb procedureregels voor het afhandelen van die aanvragen (zoals beslistermijnen). Ook zijn regels opgenomen over de maximale hoogte van het te heffen recht voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Alle geschillen over rechtmatig overheidsoptreden zijn geconcentreerd bij één rechter, namelijk de bestuursrechter.

Artikel 5.1 van de Wet open overheid (zie artikel 10 lid 1 van de verordening)

Dit artikel bepaalt absolute en relatieve uitzonderingsgronden voor het niet openbaar maken van informatie. Het waterschap maakt informatie niet openbaar als openbaarmaking grote nadelen heeft of gevaar oplevert. Bijvoorbeeld voor de samenwerking binnen de regering of voor de veiligheid van de staat. Ook vertrouwelijke gegevens van bedrijven blijven geheim, net als privacygevoelige gegevens (bijvoorbeeld medische gegevens of informatie over iemands geloof of seksuele voorkeur). En wettelijke identificatienummers, zoals BSN of onderwijsnummer, krijgt niet iedereen. Informatie wordt ook niet openbaar gemaakt als dat te grote nadelen zou hebben voor andere belangen, zoals:

  • de betrekkingen van Nederland met andere landen of internationale organisaties;

  • de economische of financiële belangen van de overheid;

  • de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

  • de controle en toezicht door de overheid;

  • de persoonlijke levenssfeer (privacy);

  • de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens;

  • de bescherming van het milieu;

  • de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;

  • het goed functioneren van de overheid;

  • onevenredige benadeling van een ander belang (dat is alleen zo in bijzondere gevallen).

Verordening schadevergoeding

De wet- en regelgeving kent geen verplichting om een verordening schadevergoeding vast te stellen. Het waterschap heeft wel de bevoegdheid om in een verordening regels te stellen over de wijze van beoordeling van een aanvraag van een schadevergoeding en de totstandkoming van een beslissing op een aanvraag.

Het waterschap heeft gekozen om schadevergoeding uit te werken in een verordening. Reden hiervoor is dat het heffen van een recht bij wettelijk voorschrift moet (zie artikel 4:128, lid 1 Awb) en (het inschakelen van) de adviseur een juridische basis krijgt in de verordening. Bovendien zorgt een verordening voor een duidelijke en eenduidige regeling over het in behandeling nemen van een aanvraag tot schadevergoeding die makkelijk raadpleegbaar is voor burgers en ondernemers. Verder kunnen in de verordening nadere regels worden opgenomen over de wijze van beoordeling van een aanvraag om schadevergoeding, de totstandkoming van een beslissing op de aanvraag en de ontvankelijkheid van de aanvraag. Op grond van artikel 3 van de Verordening is het college bevoegd om nadere regels vast te stellen. Onder nadere regels wordt hier verstaan het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van onderdelen van de verordening

Artikel 6 lid 1 geeft het college van dijkgraaf en heemraden de mogelijkheid een onafhankelijke adviseur aan te stellen. Het college heeft de mogelijkheid te besluiten om dit in de vorm van een (onafhankelijke) adviescommissie te doen, mochten de omstandigheden hierom vragen.

Normaal maatschappelijk risico

Vooropgesteld staat dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, in zijn geheel te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is namelijk onvermijdelijk. Tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen dus worden geaccepteerd (dit is het ‘normaal maatschappelijk risico’). Burgers die door rechtmatig overheidsoptreden schade lijden die uitgaat boven het NMR en in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, kunnen desgevraagd schadevergoeding ontvangen (artikel 4:126 van de Awb). De hoogte daarvan moet in zo’n geval redelijk zijn. De schadevergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend de volledige schade. Een deel van de schade zal altijd voor eigen rekening blijven.

Beperking van de schadeoorzaken en voorrang van de Omgevingswet ten opzicht van de Awb

In de Omgevingswet (Ow) is een schadevergoedingsregeling opgenomen die aansluit op de algemene regeling uit de Awb, namelijk afdeling 15.1 van de Ow.

Ten opzichte van titel 4.5 van de Awb bevat de reikwijdte van afdeling 15.1 van de Ow een nadere afbakening van schadeoorzaken. Artikel 4:126, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grond van elk handelen door de overheid in het kader van een rechtmatige uitoefening van een haar toegekende taak of bevoegdheid om schadevergoeding kan worden verzocht. De regeling in de Awb biedt daarmee een brede grondslag voor aanvragen om schadevergoeding. Die brede grondslag wordt in de Ow beperkt.

De afbakening van schadeoorzaken in artikel 15.1 van de Ow is ten opzichte van titel 4.5 van de Awb limitatief en exclusief. Dat betekent dat als een schadeoorzaak niet in dat artikel is opgenomen, niet alsnog langs de weg van de Awb om schadevergoeding kan worden gevraagd. Anders gezegd: er zijn geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die, die in de Omgevingswet staan. De regels over schadevergoeding in de Ow hebben zo voorrang op de regels in de Awb.

Schadevergoeding binnen de Ow gaat over besluiten of maatregelen die rechtstreeks:

  • a.

    werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of

  • b.

    gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld:

  • a.

    een vergunning of het weigeren daarvan, of

  • b.

    een regel in de Waterschapsverordening. Deze moeten rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of

  • c.

    een projectbesluit, of

  • d.

    een maatwerkvoorschrift, of

  • e.

    een peilbesluit.

Andere soorten schade geregeld in Omgevingswet

Deze verordening beperkt zich tot schadevergoeding op grond van titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Ow. In de Ow zijn ook regelingen voor andere soorten schade opgenomen, namelijk:

  • a.

    schade bij gedoogplichten (afdeling 15.2 van de Ow);

  • b.

    schadeloosstelling bij onteigening (afdeling 15.3 van de Ow);

  • c.

    schadevergoeding bij voorkeursrecht (afdeling 15.4 van de Ow);

  • d.

    tegemoetkoming schade door in het wild levende dieren (afdeling 15.5 van de Ow).

Deze verordening heeft geen betrekking op schade die onder één of meer van die regelingen valt.