Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Veere 2025-2026 ‘In de kern een gelijke start’

Geldend van 01-04-2025 t/m heden

Intitulé

Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Veere 2025-2026 ‘In de kern een gelijke start’

Inleiding

Tweede versie

Voor u ligt het OnderwijsAchterstandenBeleid (OAB) van gemeente Veere voor de planperiode 2025-2026. Dit is een tweede versie van het OnderwijsachterstandenBeleid van gemeente Veere voor de GOAB-planperiode 2023-2024. In 2023 is de eerste versie vastgesteld maar in 2024 zijn enkele peutergroepen in de gemeente gesloten. Hierop is het plan in 2025 aangepast en draagt deze tweede versie nu de jaartallen 2025-2026.

Dit onderwijsachterstandenbeleid loopt af tegelijk met de landelijke beleidsperiode, waar onder andere gedurende deze jaren een financieringsregeling van het rijk aan is verbonden. Dat is in 2026.

Ondertitel

De ondertitel ‘In de kern een gelijke start’ doelt op de start van de onderwijscarrière, die elke peuter of kleuter in gemeente Veere vroeg of laat maakt. Voor sommige jonge kinderen begint dit al op 2-jarige leeftijd in de peutergroep, andere starten op hun 4e of 5e in de kleuterklas aan deze onderwijscarrière. En na de basisschool starten leerlingen opnieuw op een nieuwe school.

Het is belangrijk dat de start die wordt gemaakt, voor elk kind zo kansrijk mogelijk is. Als kinderen vóór of gedurende het basisonderwijs achterstanden oplopen, bestaat de kans dat ze deze in hun verdere (onderwijs)carrière meenemen. We willen kinderen daarom gelijke kansen bieden, door onderwijsachterstanden te signaleren en in te lopen.

Als gemeente willen we voorkomen dat kinderen die later moeite hebben op school, nooit een gelijke start hebben gehad. In de kern gaat de aanpak van onderwijsachterstanden dus om een gelijke start. Liever spreken we dan ook van onderwijskansen dan van onderwijsachterstanden.

De woorden ‘in de kern’ zijn ook nog voor een tweede interpretatie vatbaar, namelijk dat de aanpak van de onderwijsachterstanden in gemeente Veere in zo kindnabij mogelijk wordt aangepakt. Gemeente Veere telt 13 verschillende kernen, waarbij we de mogelijkheid tot bijvoorbeeld het deelnemen aan de peutergroep, zoveel mogelijk in de woonkern van het kind willen aanbieden. ‘In de kern’ verwijst dus naar zo veel mogelijk in de woonkern van het kind.

1. Wettelijke opdracht

Onze wettelijke opdracht bestaat uit onderstaande vijf onderdelen:

1. De definitie van ‘doelgroeppeuter We moeten helder verantwoorden welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. De gemeente moet hierover overleg voeren.

2. Het bereik We moeten zorgen voor voldoende en een kwalitatief volwaardig aanbod van voorschoolse educatie voor alle doelgroepkinderen.

3. De toeleiding We moeten afspraken maken over de wijze waarop kinderen worden toegeleid naar voor- en vroegschoolse educatie.

4. De doorgaande lijn We moeten overleg voeren en afspraken maken over de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie.

5. Resultaten We moeten met schoolbesturen primair onderwijs afspraken maken over de resultaten van vroegschoolse educatie.

6. Integratie en segregatie We moeten overleg voeren met de schoolbesturen en kinderopvangorganisatie over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en afstemmen over inschrijvings- en toelatingsprocedures.

Voldoende financieel toegankelijk aanbod

Het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben bestuurlijke afspraken gemaakt om te bereiken dat alle peuters gebruik kunnen maken van een voorschoolse voorziening. Dit betekent dat gemeenten zich moeten inspannen voor een voldoende en financieel toegankelijk aanbod in een voorschoolse voorziening voor álle peuters waarvan de ouders géén recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Voldoende plaatsen en spreiding

Wij hebben daarnaast op grond van de WPO de opdracht om te zorgen voor voldoende aanbod van voorschoolse educatie in aantal plaatsen en spreiding, zodat VE doelgroeppeuters kunnen genieten van een voorschools educatieaanbod. Doelgroeppeuters zijn peuters die het risico lopen om met een onderwijsachterstand in te stromen in het basisonderwijs.

SPUK onderwijsachterstandenbudget

Gemeente Veere ontvangt een specifieke uitkering (SPUK) van het Rijk voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. Dit wordt ook wel het onderwijsachterstandenbudget genoemd. In de wet staat wat onze opdracht is en waaraan wij deze SPUK mogen besteden.

Wij mogen de middelen op grond van de Wet Primair Onderwijs (WPO) inzetten voor:

• voorschoolse educatie (VE);

• overige activiteiten voor leerlingen met een achterstand (basisonderwijs) of gericht op het voorkomen van achterstanden in de Nederlandse taal;

• afspraken in het kader van voor- en vroegschoolse educatie (VVE), zoals toeleiding, monitoring, procesbegeleiding en het maken van resultaatafspraken.

Gemeenten mogen de specifieke uitkering niet inzetten in het voortgezet onderwijs. Wel voor de gemeentelijke formatie die nodig is om het beleid te realiseren.

Planperiodes

Landelijk worden planperiodes aangehouden. Deze periodes duren vier jaar. Deze planperiode loopt van 2023-2026. Tegelijk met deze planperiodes wordt de hoogte van de SPUK vastgesteld. Voor meer informatie over de bestedingsruimte van deze SPUK voor gemeente Veere, zie de begroting in bijlage 4 (interne bijlage).

Het Rijk breidde de afgelopen planperiode (2020-2023) de opdracht uit:

• Vanaf augustus 2020 krijgen doelgroeppeuters een aanbod van 16 uur voorschoolse educatie per week (was 10 uur), ofwel 960 uur in 1,5 jaar.

• Vanaf 1 januari 2022 is er voor alle VE-locaties een HBO-er beschikbaar als coach en/of beleidsmedewerker. Dit is een kwaliteitsimpuls voor de voorschoolse educatie.

2. Visie en doelen

Visie

Binnen onze gemeente vinden we het van belang dat alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We willen zo preventief mogelijk werken en op die manier de kansen van alle kinderen vergroten. Daar waar er toch achterstanden (zijn) ontstaan willen we met dit beleid ervoor zorgen dat kinderen deze achterstanden kunnen inlopen. Een goede doorgaande lijn tussen onze voorschoolse (peutergroep) en vroegschoolse (kleuterklas) voorzieningen vinden wij daarbij cruciaal, evenals het betrekken van ouders. We investeren in de doorgaande lijn om samen met de kinderopvangorganisatie en basisscholen te zorgen voor een ononderbroken ontwikkeling voor kinderen.

Doelen

• We hebben een doelgroepdefinitie die gedragen wordt en waarbij het aanbod ten opzichte van het aantal doelgroepkinderen betaalbaar is;

• We hebben via onze toeleidingsmonitor zich op ons bereik en realiseren een optimaal bereik gezien de resultaten van de monitor;

• We hebben resultaatafspraken VVE (die tenminste gericht zijn op het domein taal) met zowel de kinderopvang als het basisonderwijs en evalueren onze resultaten;

• Onze voor- en vroegschoolse locaties hebben afstemmingsafspraken gemaakt in het kader van de doorgaande lijn en monitoren hun tevredenheid over de doorgaande lijn;

• Binnen de kinderopvang wordt een kwalitatief hoogwaardig VE-aanbod gerealiseerd;

• Er is sprake van vroegsignalering op het gebied van zorg;

• We betrekken ouders bij de ontwikkelingsstimulering van hun kind;

• In het basisonderwijs zetten we in op het inlopen van taalachterstand door leesbevordering.

3. Doelgroepdefinitie VE

De peuters die voorschoolse educatie kunnen ontvangen, moeten een vorm van onderwijsachterstand hebben. Deze peuters krijgen een indicatie, afgegeven door de jeugdgezondheidszorg (jgz) van de GGD op het consultatiebureau. Met deze indicatie kunnen peuters zich aanmelden bij de kinderopvangorganisatie en kunnen zij daar middels de peutergroep voorschoolse educatie ontvangen.

Betrokkenen bij de doelgroepdefinitie

De gemeente stelt vast welke peuters in aanmerking komen voor deze VE-indicatie. Om duidelijkheid te scheppen over wie tot deze doelgroep behoort, is een doelgroepdefinitie opgesteld. Wij hebben onze doelgroepdefinitie in overleg met JGZ, de kinderopvangorganisatie en de twee andere Walcherse gemeenten Vlissingen en Middelburg vastgesteld.

De laatstgenoemde partijen Vlissingen en Middelburg zijn relevant omdat de GGD en kinderopvangorganisatie over de gemeentegrenzen handelt. De drie Walcherse gemeenten hebben nog meer afspraken gemaakt (zie procesafspraken bijlage 1), waar verderop in dit beleidsstuk ook nog naar wordt verwezen.

JGZ/GGD ziet (bijna) alle kinderen in onze gemeente (via het consultatiebureau) en bepaalt op grond van de doelgroepdefinitie welke kinderen in aanmerking komen voor een VE-indicatie.

Doelgroepdefinitie

De doelgroepdefinitie van gemeente Veere voor volgende kinderen die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie is als volgt vastgesteld:

Kinderen van 2,5 tot 4 jaar die het risico lopen of een vastgestelde achterstand hebben, op het gebied van spraak/taal en/of op het sociaal-emotionele vlak.

Peuters kunnen vanaf 2 jaar een indicatie krijgen en vanaf 2,5 jaar voorschoolse educatie ontvangen via de kinderopvangorganisatie. Doelgroepkinderen worden zowel door de JGZ als de voorschoolse voorzieningen gesignaleerd op basis van vooraf bepaalde signaleringssystemen.

Hoeveel kinderen vallen hier onder?

Landelijk stelt het Rijk voor 15% van de kinderen met het hoogste risico op achterstanden extra financiering beschikbaar. Op basis van de nieuwste landelijke criteria voor de bekostiging van gemeenten berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), welk percentage kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar een hoog risico op een onderwijsachterstand heeft.

Op 1 oktober 2022 was 3,21 % van het totaal aantal peuters tussen de 2 en 4 jaar in de gemeente Veere een doelgroepkind volgens de monitor van de GGD.

Wij voeren jaarlijks overleg met onze kinderopvangaanbieder, GGD en de andere Walcherse gemeenten over de doelgroepdefinitie voor voorschoolse educatie. Wanneer het aantal doelgroeppeuters uit de pas gaat lopen met de landelijke monitor kan dit een aanleiding zijn om de definitie bij te stellen.

4. Toeleiding

JGZ/GGD ziet bijna alle kinderen in de gemeente Veere. JGZ/GGD speelt daarom een belangrijke rol in het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid. Niet alleen omdat de jeugdverpleegkundigen doelgroeppeuters signaleren, indiceren en doorverwijzen naar het VE-aanbod, maar ook omdat zij alle ouders stimuleren om gebruik te maken van de peuteropvang. Ook legt JGZ/GGD waar nodig een verbinding naar de zorg (waaronder jeugdhulp). Op Walchers niveau hebben wij procesafspraken gemaakt over indicering en toeleiding. Deze zijn opgenomen in bijlage 1.

Bereik in de vorige planperiode

Tot nu toe leverden JGZ/GGD en de kinderopvang periodiek informatie aan bij onze gemeente, waaruit blijkt:

• Hoeveel (doelgroep)peuters er zijn binnen onze gemeente;

• Hoeveel peuters daarvan aankomen bij de voorschoolse voorzieningen;

• In welke postcodegebieden het non-bereik zit en wat daarvan de redenen zijn.

We voerden op uitvoeringsniveau overleg met elkaar om deze cijfers te duiden en te kijken hoe we het bereik verder kunnen vergroten.

Op 1 oktober 2022 waren er 436 peuters in onze gemeente. 14 van de 436 peuters (3,21 %) had een VE-indicatie (doelgroeppeuter). Van deze 14 peuters maakten 9 peuters gebruik van het VE-aanbod, dat is 64 %.

Toeleiding monitoren met tool in deze planperiode

In deze planperiode gaat onze gemeente (evenals alle andere Zeeuwse gemeenten) werken met de toeleidingsmonitor van Dimensional Insight. Deze monitor gaat ons als gemeente sturingsinformatie bieden. We gaan er mee werken, omdat zo elke partner (GGD, kinderopvang en gemeente) beter inzicht krijgt in het aantal geïndiceerde kinderen, het aantal kinderen wat voorschoolse educatie afneemt en de reden waarom ouders eventueel niet kiezen voor voorschoolse educatie. Deze cijfers zijn actueel en voor iedere partij hetzelfde en de VVE- toeleidingsmonitor is ‘AVG proof’. De toeleiding zal periodiek geëvalueerd worden. De kosten van deze monitor worden gedekt uit de SPUK van het Rijk.

5. Uitvoering van Voorschoolse Educatie en peutergroepen

Kinderopvang Walchteren (KOW) is onze uitvoeringspartner waar het gaat om voorschoolse educatie (VE). VE vindt plaats op de peutergroepen. Hiervoor krijgt KOW een subsidie van gemeente Veere.

Uitvoering VE

KOW krijgt een subsidie voor het uitvoeren van VE. Dit is een wettelijke taak die bekostigd moet worden van de SPUK.

Voorwaarden uitvoering VE

Aan de uitvoering van de VE door KOW verbinden wij de volgende voorwaarden, uitgaand van onze wettelijke opdracht en de criteria die de inspectie stelt.

• De peutergroepen zijn verdeeld over een aantal kernen;

• Minimaal 5 locaties worden aangemerkt als 'grote locaties', dit betekent dat deze minimaal 16 uur per week open zijn gedurende 40 weken;

• de overige 'kleine locaties' bieden wel hetzelfde programma aan. Peuters met een VE-indicatie volgen aanvullende dagdelen op een nabij gelegen locatie;

• de uitvoering voldoet aan de wettelijke eisen;

• de peutergroepen werken met VE-programma's Uk & Puk en Bas;

• de peutergroepen registreren en volgen de (doelgroep)kinderen in KIJK!;

• KOW rapporteert twee keer per jaar over de bovenstaande punten;

• KOW houdt de toeleidingsmonitor actueel.

Doelen van de subsidie voor VE

• De subsidie voor VE-aanbod heeft in onze gemeente als doel: De peuters in gemeente Veere kunnen gebruik maken van een aanbod van VE dat voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen. De controle hiervan is belegd bij de GGD en de Inspectie van het onderwijs;

• De peuters in gemeente Veere kunnen gebruik maken van een VE-aanbod dat zo thuisnabij mogelijk is;

• er sprake is van integratie: doelgroeppeuters VE zitten in dezelfde groep als peuters zonder risico op onderwijsachterstanden;

• Door de aanbieder van VE en peutergroepen kan uitvoering gegeven worden aan de afspraken die we maakten met onderwijs en kinderopvang op het gebied van toeleiding, warme overdracht en de doorgaande lijn.

Bezoek aan de peutergroepen zonder VE-indicatie

Ook voor kinderen die geen VE-indicatie hebben, verstrekt gemeente Veere subsidie. Gemeente Veere wil bezoek aan een peutergroep, ook zonder indicatie, graag stimuleren.

Doelen van de subsidie voor peutergroepen

De subsidie voor peutergroepen heeft in onze gemeente als doel:

• De peuters in gemeente Veere kunnen gebruik maken van een aanbod voor peutergroepen dat voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen. De controle hiervan is belegd bij de GGD en de Inspectie van het onderwijs;

• De peuters in gemeente Veere kunnen gebruik maken van een aanbod voor peutergroepen dat zo thuisnabij mogelijk is;

• Door de aanbieder van VE en peutergroepen kan uitvoering gegeven worden aan de afspraken die we maakten met onderwijs en kinderopvang op het gebied van toeleiding, warme overdracht en de doorgaande lijn.

Voor de berekening van deze subsidies verwijzen we naar de Nadere regels onderwijssubsidies gemeente Veere 2025.

Kwaliteit VE

De GGD beoordeelt periodiek de basiskwaliteit van de peuteropvang en voorschoolse educatie. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt de inhoudelijke kwaliteit aan de hand van een hiervoor ontwikkeld onderzoekskader. Dit gebeurt echter niet periodiek. Daarom kunnen we aanvullend op het onderzoek van GGD en de Inspectie van het onderwijs kwaliteits-onderzoeken (laten) uitvoeren.

Jaarlijks evalueert de kinderopvang ook zelf hun kwaliteit. De doelstellingen uit het (pedagogisch) beleidsplan worden geëvalueerd en er wordt bekeken of de kinderen voldoende worden voorbereid op de basisschool. De afspraken hierover liggen vast in interne documenten van KOW (zoals de pedagogische werkplannen en de plannen van aanpak van de VE-coaches).

6. Doorgaande lijn van Vroegschoolse Educatie naar Voorschoolse Educatie

In de gemeente Veere wordt al jaren gewerkt met een Voor- en Vroegschoolse Educatie aanbod. Wettelijk is vastgelegd dat de gemeente (o.a.) zorg draagt voor het maken van afspraken over de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. Ook in hoofdstuk 1 is te lezen dat het bewaken van de doorgaande lijn één van de wettelijke taken is. De Inspectie van het Onderwijs houdt hier toezicht op.

Met de doorgaande lijn wordt bedoeld de ontwikkeling die een kind doormaakt van voorschoolse educatie (op de peutergroep) naar de vroegschoolse educatie (naar de kleuterklas). Bij deze doorgaande lijn zijn dus zowel de kinderopvangaanbieder als de basisscholen betrokken.

Uitgangspunten en uitvoering

Bazalt Groep voert de wettelijke taak ‘afspraken maken over doorgaande lijn’ uit. Hiervoor ontvangt Bazalt Groep een subsidie. In bijlage 2 wordt dit wettelijk kader uitgelegd. Ook wordt omschreven hoe Bazalt Groep dit vormgeeft voor gemeente Veere. Voor de berekening en hoogte van deze subsidie verwijzen we naar de Nadere regels onderwijssubsidies gemeente Veere 2025.

Er waren 12 clusters van voorschoolse voorzieningen en basisscholen waar (uitgevoerd door Bazalt Groep) afstemmingsafspraken over de doorgaande lijn gemaakt werden. Nu er in 2024 een aantal peutergroepen gesloten zijn, zijn (in overleg met de betrokken locaties) de volgende 9 clusters over:

Cluster Aagtekerke

PG Peuterpret

BS J.W. Versluijsschool

Cluster Meliskerke

PG Kwetternest

BS Boazschool

Cluster Biggekerke

PG Onderdak

BS Onderdak

Cluster Oostkapelle

PG ’t Speeltreintje

BS Eben Haëzerschool

BS De Lispeltuut

Cluster Domburg

PG Watertoren

BS De Golfslag

Cluster Serooskerke

PS Vrolijke Keet

BS De Wegwijzer

Cluster Koudekerke

PG Pien

BS De Sprong

BS ’t Klinket

Cluster Westkapelle

PG Vuurtoren

PG Torenlicht

BS De Lichtboei

BS De Lichtstraal

Cluster Zoutelande

PG ’t Paalhoofd

BS ’t Paalhoofd

Kinderopvanglocaties en basisscholen werken met elkaar samen op kernniveau en maken afstemmingsafspraken. Dit gebeurt tijdens het kerngroepoverleg VVE. Per kerngroep worden de afspraken vastgelegd in een borgingsdocument en periodiek wordt nagegaan of deze afspraken nog werken.

Voor de kernen waar geen peutergroep meer is (Grijpskerke, Vrouwenpolder en Veere) zal door KOW 1 keer per jaar een bijeenkomst georganiseerd worden om afspraken te maken over de warme overdracht en het wennen van de peuters op de basisschool.

7. Resultaatafspraken en resultaten

Zoals genoemd in hoofdstuk 1, bestaat een deel van de wettelijke opdracht uit het maken van resultaatafspraken. Het gaat hierbij om afspraken die worden gemaakt met de kinderopvangorganisatie en het basisonderwijs over welke resultaten we willen bereiken met de voorschoolse educatie en de doorgaande lijn op het moment dat de kinderen op het basisonderwijs zitten. Het gaat hierbij om het niveau van de leerlingen en de al dan niet ingelopen onderwijsachterstanden. Wij willen deze afspraken in onze gemeente maken via de werkgroep OAB.

Kwaliteit van de doorgaande lijn en monitoring

De monitoring van en controle op de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en het onderwijs liggen bij de GGD en de Inspectie van het Onderwijs. GGD-Zeeland beoordeelt jaarlijks of VE-locaties voldoen aan de basisvoorwaarden voorschoolse educatie (VE). Dit zijn de wettelijke eisen in de wet Kinderopvang en de Wet Ontwikkelingskansen door educatie (Wet OKE). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van voorschoolse educatie en het basisonderwijs (waaronder ook de vroegschoolse educatie) en de wijze waarop de gemeenten de verplichtingen vanuit het gemeentelijk

onderwijsachterstandenbeleid nakomen. Hiervoor gebruikt de Inspectie van het Onderwijs het onderzoekskader Voorschoolse Educatie en Primair onderwijs.

Met de uitvoering van de doorgaande lijn zorgt Bazalt Groep ervoor dat jaarlijks wordt geëvalueerd wat de status van de afspraken is (goed – voldoende – kan beter) op de verschillende facetten van de doorgaande lijn: - Coördinatie - Warme overdracht - Aanbod - Pedagogisch klimaat - Educatief handelen - Ouders - Zorg en begeleiding. Op basis van de jaarlijkse evaluatie worden de uitvoeringsafspraken waar nodig bijgesteld. We bespreken de voortgang in een werkgroep en agenderen de opbrengst en knelpunten in een overleg met de kinderopvang en schoolbesturen.

OAB-werkgroep

Om de uitvoering van dit plan te monitoren en te evalueren is een OAB-werkgroep ingericht. Daarin zitten vertegenwoordigers van de gemeente, kinderopvang en het basisonderwijs. Deze werkgroep komt ongeveer drie keer per jaar bijeen. Indien wenselijk zullen ook andere partijen worden uitgenodigd voor het overleg. De werkgroep wordt voorgezeten door de gemeente en heeft een adviserende rol richting het LEA-overleg.

8. Basisonderwijs

Tot nu toe is in dit beleidsstuk de aanpak van onderwijsachterstanden vooral toegespitst op de voorschool (peutergroep). Zoals in de vorige hoofdstukken beschreven, willen we in goed overleg met de scholen werken aan warme overdracht vanuit de voorscholen naar de vroegscholen. Daarnaast willen we de gemaakte afspraken over de doorgaande lijn verder versterken. Ook betrekken we de scholen bij de uitvoering van dit beleid, onder andere door hen te laten deelnemen in de eerder genoemde OAB-werkgroep.

Maar naast de voorschoolse educatie, bestaat ook de vroegschoolse educatie. De vroegschoolse educatie beoogt het terugdringen van (taal)achterstanden in groepen 1 en 2. De scholen zijn hier primair verantwoordelijk voor. Het is aan scholen en het schoolbestuur om hier invulling aan te geven. De gemeente kan waar nodig en mogelijk faciliteren.

Feitelijk hebben gemeenten dus alleen een wettelijke taak in de voorscholen. Maar gemeente Veere wil ook inzetten op terugdringen van onderwijsachterstanden op de basisschool. De vorige planperiode is geen beleid gemaakt op een aanpak in het basisonderwijs. Wel is al een begin gemaakt met subsidiëren en uitvoeren van het project de Bibliotheek op School. Dit project krijgt dan in deze planperiode een plaats in het beleid.

De Bibliotheek op School (dBos)

Gemeente Veere wil ook inzetten op het terugdringen van onderwijsachterstanden op de basisschool. De Bibliotheek op school (dBos) is een erkend programma dat kan worden aangeboden op scholen ter bevordering van de leesvaardigheid. Het is een geschikt programma om hiermee met name taalachterstanden te voorkomen. De Bibliotheek op school is een erkend project dat uitgevoerd wordt door ZB Bibliotheek van Zeeland. ZB krijgt hiervoor subsidie van gemeente Veere. In bijlage 3 zijn de uitgangspunten en afspraken rondom de uitvoering van dBos opgenomen voor gemeente Veere. Voor de hoogte van de subsidie verwijzen we naar Nadere regels onderwijssubsidies gemeente Veere 2025.

Ook worden in de loop van deze planperiode gesprekken gevoerd over het uitvoeren van het project Boekstart op de kinderopvanglocaties van KOW, door de ZB. Boekstart is een voorloper van de Bibliotheek op school, uitsluitend bedoeld voor de kinderopvang.

9. Integratie en segregatie

Het laatste onderdeel van de gemeentelijke opdracht, gaat over integratie en segregatie. De schoolbesturen en de kinderopvangorganisatie moeten volgens de wet tenminste jaarlijks overleg voeren “over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie, afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen”.

De door de gemeente gesubsidieerde peutergroepen binnen onze gemeente zijn algemeen toegankelijk. De gemeente kiest er in overleg met de kinderopvanginstelling voor om het VE-programma geïntegreerd aan te bieden binnen het reguliere aanbod. Dit betekent dat er géén aparte groepen zijn voor doelgroeppeuters en niet-doelgroeppeuters VE, dus geen gesegregeerd aanbod van voorschoolse educatie.

De schoolbesturen hebben uitgesproken de algemene toegankelijkheid en diversiteit van het onderwijsaanbod in de gemeente te zullen waarborgen. Zij hanteren geen inschrijvings- of toelatingsprocedures die een evenwichtige verdeling van achterstandsleerlingen over scholen verstoren. Basisscholen met een reformatorische of protestants-christelijke denominatie vragen ouders wel de identiteit van een school te onderschrijven dan wel te respecteren.

We evalueren deze afspraken periodiek tijdens ons LEA-overleg. Zolang er geen aanleiding is om het te veranderen, continueren we het bestaande beleid.

10. Taken en rollen

We sluiten dit beleidsstuk af met een laatste hoofdstuk waarin taken en rollen, die veelal al in het beleidsstuk zijn genoemd, nog eens op een rijtje worden gezet.

Dit overzicht kan gedurende de planperiode aan verandering onderhevig zijn. Dit hangt af van de overlegstructuren van gemeente Veere, de kinderopvangorganisaties, GGD, de scholen en andere (indirect) betrokken partijen.

Steunfunctie Bazalt Groep

Eén taak is in dit beleidsstuk nog niet genoemd. Dat is een provinciale taak die Bazalt Groep, naast de uitvoering van de doorgaande lijn op gemeentelijk niveau, ook nog op zich neemt.

Bazalt Groep voert de Steunfunctie Onderwijs Zeeland uit, gericht op het ondersteunen in jeugd- en onderwijsbeleid van overheden en onderwijsinstellingen in Zeeland. De ondersteuning is een vraaggestuurde beleidsmatige ondersteuning en deze moet bijdragen aan het beleidsvormend vermogen van de gemeenten. Naast de vraaggerichte ondersteuning organiseert Bazalt Groep zelf ook activiteiten gedurende het jaar, zowel Zeeuws Breed, waarbij alle onderwijsambtenaren en soms ook onderwijs- en/of kinderopvangprofessionals kunnen aansluiten.

Te realiseren doel

Te ondernemen activiteiten

Uitvoerder

Planning

Herijken doelgroepdefinitie (in afstemming met de gemeenten Middelburg en Vlissingen)

Afstemmingsoverleg gemeenten, kinderopvang en GGD

Gemeente, kinderopvang, GGD

Q2 - 2023

Zicht op bereik van de doelgroepkinderen

Actueel houden monitor bereik

Analyse bereik en bepalen benodigde acties

GGD, kinderopvang

Gemeente, kinderopvang, GGD

Doorlopend

3x per jaar

Evalueren werkwijze met toeleidingsmonitor

Overleg hierover met Zeeuwse gemeenten

AOZ

Doorlopend

Verhogen bereik van de doelgroepkinderen

Uitvoeren afgesproken acties om het bereik te verhogen

Ntb

Doorlopend

Er zijn resultaatafspraken VVE

Voorstel voor resultaatafspraken maken en wijze van monitoren vastleggen

Vaststellen resultaatafspraken en wijze van monitoren

Periodiek monitoren

OAB-werkgroep

Bestuurders kinderopvang en onderwijs (LEA)

Gemeente, kinderopvang en basisscholen

Voor einde planperiode, dat is voor einde 2026.

Een doorgaande lijn van voorschool naar vroegschool voor alle peuters

Maken van afstemmingsafspraken tijdens kerngroepoverleg

Vastleggen van de afspraken in het borgingsdocument VVE

Jaarlijks evalueren van het borgingsdocument en waar nodig herzien

Kinderopvang, basisscholen, Bazalt Groep

Kinderopvang, basisscholen, Bazalt Groep

Kinderopvang, basisscholen, Bazalt Groep

Jaarlijks (in voorjaar en najaar)

(Jaarlijks in voorjaar en najaar)

Jaarlijks in najaar

KOW biedt een kwalitatief hoogwaardig VE-aanbod

Uitvoering geven aan subsidie-afspraken

KOW: pm-ers en VE-coaches

Doorlopend

Vastleggen voorschoolse zorgstructuur (w.o. sociale kaart) in aansluiting op vroegschoolse zorgstructuur

Afstemmingsoverleg hierover met werkgroep

Gemeente, kinderopvang, GGD

Q2 - 2024

We betrekken ouders bij ontwikkelingsstimulering

Implementeren VVE Thuis

Borgen doorgaande lijn tijdens kerngroepoverleg

KOW

Kerngroepleden

m.i.v. najaar 2023

Doorlopend

We zetten in het basisonderwijs in op het inlopen van taalachterstanden door leesbevordering

Via plan DBos

ZB, basisscholen, gemeente

Doorlopend

Monitoren OAB-plan

Overleg OAB-werkgroep

Gemeente, kinderopvang, onderwijs, GGD

3x per jaar (voordat het LEA-overleg plaats vindt): mrt-juli-nov

Beschikbare middelen

De begroting bij dit plan is opgenomen in bijlage 4. Dit is een interne bijlage. Dat betekent dat deze bijlage verwijderd is wanneer dit beleidsstuk extern is gedeeld.

Ondertekening

Gemeente Veere maakt bekend dat het college op 25 maart 2025 heeft ingestemd met het onderwijsachterstandenbeleid ‘In de kern een gelijke start’ voor de jaren 2025-2026.

Er kan geen zienswijze of bezwaar tegen dit onderwijsbeleid worden ingediend.

Domburg, 1 april 2025

Burgemeester en Wethouders van Gemeente Veere

Bijlage 1. Procesafspraken indicering en toeleiding Walcheren 2023 e.v.

Inleiding

In het kader van voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden is het van belang om kinderen die risico lopen op een achterstand zo vroeg mogelijk te laten deelnemen aan voorschoolse educatie. Voorschoolse educatie is een onderdeel van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en zet in op het bevorderen van taal en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het aanbod aan voorschoolse educatie is er, maar tot nu toe maken niet alle ‘risicokinderen’ gebruik van dit aanbod. Om die reden zijn de volgende procesafspraken vastgelegd om de toeleiding tot de voorschoolse sector (met een specifiek VVE-aanbod) te bevorderen.

Vroegtijdige toeleiding tot het onderwijs start bij de voorschoolse voorzieningen (kinderopvang). Om deze toeleiding te stimuleren, is inzet en samenwerking nodig van JGZ 0 tot 4 jaar en de voorschoolse voorzieningen. Hierbij is met name sprake van overleg tussen de betrokken organisaties, waarbij ouders toestemming geven voor informatieoverdracht. Door uitwisseling van deze informatie wordt de toeleiding tot de voorschoolse voorzieningen bevorderd, en daarmee de ontwikkelings- en ontplooiingskansen van de kinderen.

Doelgroepdefiniëring

Doelgroeppeuters worden in het kader van de VVE als volgt gedefinieerd:

“Kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar die risico lopen, of een vastgestelde achterstand hebben op het gebied van Nederlandse spraak/taal en/of op sociaal-emotioneel gebied.”

Doelgroepkinderen worden door de JGZ gesignaleerd op basis van vooraf bepaalde signaleringssystemen.

Proces afspraken

De diverse partijen hebben m.b.t. het bereik en de toeleiding van de peuters de volgende afspraken gemaakt.

De jeugdgezondheidszorg (JGZ) 0-4 jaar

1. Tijdens het 1e huisbezoek 10 – 14 dagen informeert de JGZ verpleegkundige naar het opleidingsniveau van de ouders. Wanneer het vermoeden van een potentieel doelgroepkind bestaat, wordt dit in het dossier genoteerd.

2. De JGZ vraagt aandacht voor de voorschoolse voorzieningen tijdens het 18 maanden contactmoment door de JGZ. Tijdens dit bezoek wordt structureel verwezen naar de voorschoolse voorziening.

3. De JGZ legt tijdens het 18 maanden contactmoment uit wat het belang is van de voorschoolse voorzieningen. De JGZ vraagt hier met name aandacht voor:

o het sociale groepsproces binnen de peutergroepen: samen leven, samen spelen;

o de spelenderwijze ontwikkeling, met extra aandacht en ruimte waar nodig;

o financiële ondersteuning voor gezinnen met een minimum inkomen is mogelijk, informatie hierover kan via de gemeente of de voorschoolse voorzieningen worden verstrekt.

4. De JGZ bepaalt bij alle Zeeuwse kinderen op de leeftijd van 18 maanden met behulp van de Van Wiechen/SPARK of een kind laag, verhoogd of hoog risico loopt op taalachterstanden. Kinderen met een verhoogd of hoog risico krijgen het advies de voorschoolse voorziening tenminste 16 uur te bezoeken.

5. De JGZ noteert de VE indicatie in het digitaal kinddossier JGZ en meldt het kind aan in de VVE monitor. Daarin wordt het kind aan een VE aanbieder gekoppeld.

6. De VE indicatie geldt voor de leeftijd van 2 tot 4 jaar. Op het moment dat de geïndiceerde peuter twee jaar oud is, wordt deze dus gezien als een doelgroeppeuter. Dit wordt ook zo in de VVE monitor verwerkt. Zo kan de kinderopvangaanbieder voorbereidingen treffen voor de plaatsing van de peuter in extra dagdelen. De extra dagdelen ontvangt de doelgroeppeuter pas vanaf de leeftijd van 2,5 jaar (zie ook punt 2 van de voorschoolse voorzieningen).

7. De JGZ noteert in de VVE monitor of het kind gebruik maakt van de voorschoolse voorziening.

8. De JGZ en de voorschoolse aanbieder houden in de VVE monitor bij wat de status van de aanmelding is.

9. Als het advies om de peuter aan te melden bij een voorschoolse voorziening niet wordt opgevolgd, wordt er een vervolgtraject door de JGZ ingezet. Ouders worden gemotiveerd deel te nemen aan het VE programma.

10. De JGZ en de voorschoolse voorzieningen bieden twijfelaars de mogelijkheid dat iemand van de voorschoolse voorziening uitleg geeft tijdens een kijkmoment op de VE locatie.

11. Indien er een gestructureerd overleg is tussen de scholen en de voorschoolse voorzieningen, sluit de JGZ aan op uitnodiging van de coördinator van het overleg.

12. Om te kunnen bepalen hoeveel kinderen wel of geen gebruik maken van voorschoolse voorzieningen en wie daarvan tot de doelgroep behoren, wordt door alle betrokken partijen de VVE monitor ingevuld.

13. De JGZ geeft de voorschoolse voorzieningen advies en consultatie bij vragen op het gebied van zorg en ontwikkeling. De JGZ en voorschoolse voorzieningen wisselen informatie uit, rekening houdend met privacy afspraken.

De voorschoolse voorzieningen

1. De voorschoolse voorzieningen vragen bij het intakegesprek om toestemming om gegevens uit te wisselen met de JGZ, als er zorgen zijn over het kind.

2. De voorschoolse voorzieningen die een gemeentelijke subsidie ontvangen bieden aan doelgroepkinderen een VVE-aanbod voor 16 uren per week aan, maar ten minste 960 uren in de leeftijdsperiode 2,5 tot 4 jaar.

3. De VE geïndiceerde peuters worden via de VVE monitor aangemeld bij de voorschoolse voorziening. De voorschoolse aanbieder noteert in de VVE monitor of de peuter ook daadwerkelijk aangemeld wordt door de ouder. Zo niet dan onderneemt de JGZ daar actie op.

4. De voorschoolse aanbieder houdt in de VVE monitor bij wat de status van de aanmelding is.

5. Deze kinderen die VVE aangeboden krijgen, worden door de voorschoolse voorziening gevolgd in hun ontwikkeling aan de hand van de registratie in KIJK!

6. Als tijdens de observaties door de pedagogisch medewerkers op de groepen de indruk bestaat dat een kind zonder VE indicatie toch past binnen de doelgroepdefinitie, wordt KIJK! ingevuld.

7. Als blijkt dat een kind geen of slecht Nederlands spreekt of als uit de KIJK! blijkt dat een kind meer dan een half jaar achterstand heeft op spraak/taalgebied, kan het kind doorverwezen worden naar de JGZ, met de vraag of er sprake is van een potentiële VE leerling. De voorschoolse voorziening kan zelf geen VE indicatie afgeven.

8. Doelgroepkinderen die een indicatie hebben van de JGZ krijgen voorrang bij plaatsing op een groep waar VE wordt aangeboden.

9. De voorschoolse voorziening verplicht zich tot warme overdracht (per wijk/gemeente) van de doelgroeppeuters aan het basisonderwijs. Minimaal te verstrekken gegevens zijn: programma dat is gevolgd, de duur van dit programma en de KIJK!-registratie.

Bijlage 2. Afspraken ten aanzien van de doorgaande lijn

Wettelijk kader

Jarenlang was door de overheid voorgeschreven op welke gebieden een doorgaande lijn moest worden geformuleerd en waar deze doorgaande lijn minimaal aan moest voldoen.

In het interbestuurlijk toezichtskader 2023 (Staatscourant 2022) is nu op het kwaliteitsgebied Doorgaande Lijn de volgende standaard vastgelegd:

afbeelding binnen de regeling

Afspraken ten aanzien van de doorgaande lijn in de gemeente Veere

In de gemeente Veere is er voor gezorgd dat de betrokkenen via kerngroepoverleg komen tot afstemmingsafspraken en de afspraak is dat deze afspraken worden vastgelegd in een borgingsdocument.

Binnen alle clusters zal bij het nader uitwerken en verstevigen van de doorgaande lijn minimaal aandacht besteed worden aan de onderstaande gebieden.

Als er in een cluster andere onderwerpen zijn die relevant zijn om in het kader van de doorgaande lijn afstemmingsafspraken over te maken, dan kunnen daar uiteraard ook afspraken over gemaakt worden.

Er is VVE-coördinatie binnen en tussen de voor- en vroegschool

Er is zowel binnen de voorschool als binnen de vroegschool iemand aanspreekpunt voor VVE binnen de eigen locatie. In de ideale situatie is er ook één iemand verantwoordelijk voor de VVE-coördinatie tussen voor- en vroegschool. Het is echter ook prima als de intern verantwoordelijken samen de onderlinge coördinatie oppakken. Geborgd wordt dat de samenhang tussen VVE en andere ontwikkelingen binnen de locatie bewaakt wordt.

De voor- en vroegschool zorgen voor een warme overdracht

Warme overdracht van ontwikkelingsgegevens van kinderen vindt plaats van voorschool naar vroegschool. De partijen hebben onderling afspraken gemaakt (die voldoen aan de privacy-wetgeving) en vastgelegd hoe de overdracht plaatsvindt, wanneer, welke gegevens overgedragen worden, etc. Kader hiervoor vormen in ieder geval de afspraken zoals vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst. In de ideale situatie vindt er niet alleen overdracht van voorschool naar vroegschool plaats, maar is er na enige tijd ook sprake van terugrapportage.

Het aanbod van de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun aanbod op elkaar afstemmen. Op de gebieden waarvoor er SLO-doelen beschikbaar zijn, zijn deze doelen leidend bij het realiseren van een doorgaande lijn.

Het pedagogisch klimaat van de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun aanbod op elkaar afstemmen.

Het educatief handelen op de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun educatieve handelen op elkaar afstemmen.

De manier om met ouders om te gaan op de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun wijze van omgaan met ouders op elkaar afstemmen. Vanuit het belang om kinderen zo vroeg, vaak en rijk mogelijk te ondersteunen in hun ontwikkeling is er voorschools (en mogelijk ook vroegschools) beleid om ouders zo veel mogelijk te stimuleren tot ontwikkelingsstimulering in de thuissituatie. Zeker bij de clusters met veel doelgroepkinderen moet de ambitie er op gericht zijn hier een doorgaande lijn in te realiseren tussen voorschools en vroegschools.

De begeleiding en zorg op de voor- en vroegschool zijn op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun interne en externe begeleiding en zorg op elkaar afstemmen. Betrokkenen kunnen op verschillende manieren op bovenstaande gebieden werken aan een doorgaande lijn. Het kerngroepoverleg is één van de manieren om tot afstemming te komen, maar denk bijvoorbeeld ook aan gezamenlijke scholing, bij elkaar op de groep kijken en wat men daar gezien heeft nabespreken, intervisie, etc.

IKC-ontwikkeling

Afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn die gemaakt worden binnen het VVE-beleid vormen één-op-één input voor de afstemming die men probeert te realiseren binnen een IKC en omgekeerd. Het kan niet anders dan dat deze ontwikkelingen elkaar zullen (en moeten) versterken.

Verantwoordelijkheden in het kader van de doorgaande lijn

De samenwerkende partijen binnen een cluster zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van hun VVE-beleid binnen de eigen locatie. Het realiseren van een kwalitatief goed aanbod binnen de eigen locatie is voorwaarde om een goede samenwerkingspartner te kunnen zijn.

Om te komen tot goede afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn is altijd meer dan één partner nodig. Hier begint dan ook de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Borgingsdocument

Afspraak is dat de afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn worden vastgelegd op een centrale plaats: een borgingsdocument.

In dit document staan de gezamenlijke activiteiten, die in het kader van VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) zijn opgestart de kerngroep.

Deze activiteiten zijn erop gericht een doorgaande lijn te realiseren in het volgen en begeleiden van de ontwikkeling van jonge kinderen van 2 tot 7 jaar.

Bijlage 3. Afspraken de Bibliotheek op School

Subsidievoorwaarden

Inzet: de Bibliotheek op School met ondersteuning leesconsulent

2023: uitbreiding van het huidig aantal dBos scholen met 4 Primas-scholen

2024: uitbreiding in ieder geval met de 3 reformatorische scholen en 4 Archipelscholen. Technisch gezien kunnen we alle scholen bedienen wanneer de scholen willen deelnemen. Het streven is alle scholen die willen te ondersteunen door de leesconsulent en onderwijsspecialist.

De leesconsulent zal de lessen verzorgen op alle scholen in de gemeente Veere. De inzet van de uren is afhankelijk van de grootte van de school. Gemiddeld is ze per week 2 uur per school actief. Dit wordt ingedeeld in blokken van 6 weken voor de lessen in de klas, waarbij ook de voorbereidingstijd is opgenomen. Daarnaast zijn er activiteiten als het uitzetten van de monitor, (team)overleggen op de scholen.

Het eerste jaar zal er meer tijd in de voorbereiding zitten dan in de uitvoering.

Resultaatafspraken en indicatoren lange termijn

Monitor de Bibliotheek op school

De Monitor de Bibliotheek op school is een digitaal instrument op het internet dat scholen en bibliotheken kunnen gebruiken om hun samenwerking te onderbouwen en de effecten ervan te meten. Het instrument bestaat uit vragenlijsten voor leerlingen (vanaf groep 4), leerkrachten en bibliotheekfunctionarissen (zogenoemde ‘leesconsulenten’). Deze respondenten vullen een keer per jaar hun vragenlijsten in, wat een beeld oplevert over: het leen- en leesgedrag van de leerlingen, de leesmotivatie van de leerlingen, het leesbevorderend gedrag van leerkrachten en de randvoorwaarden in de samenwerking (bijvoorbeeld de omvang van de collectie in de school of de openingstijden van de schoolbibliotheek). De eerste meting op een locatie geeft een beeld van de startsituatie en vormt de basis voor (nieuwe) samenwerkingsafspraken. Volgende metingen geven aan tot welke veranderingen de afspraken hebben geleid in vergelijking met de startsituatie.

Het doel van de monitor is om de dialoog tussen school en bibliotheek te voeden, door een basis te bieden voor een doelgerichte samenwerking en voor het meten van de effecten ervan. Iedere meting biedt nieuwe informatie voor (nieuwe) afspraken, waardoor de samenwerking steeds gerichter wordt ingezet. Deze werkwijze is vergelijkbaar met de werkwijze bij opbrengstgericht werken, die steeds meer scholen hanteren om de resultaten van hun onderwijs te verbeteren. Kort samengevat komt deze aanpak neer op een cyclus met vier opeenvolgende stappen:

1. gegevens analyseren (wat is de stand van zaken?)

2. doelen stellen (wat willen we bereiken?)

3. werkwijzen afspreken (hoe willen we dat voor elkaar krijgen?)

4. uitvoeren (de afspraken in praktijk brengen)

De cijfermatige gegevens uit de monitor bieden de basis voor deze werkwijze.

Gebruik monitor op strategisch niveau

Bibliotheekbestuurders en -directeuren die opereren in strategische netwerken kunnen aansluiten op de prioriteiten in het gemeentelijk beleid, door de bibliotheek te positioneren als educatieve partner van het onderwijs. De monitor wordt hierbij ingezet als instrument voor beleidsvorming, beleidsmonitoring, beleidsevaluatie en beleidsverantwoording.

• Beleidsvorming. De meting van de monitor die in dit rapport wordt gepresenteerd biedt basisgegevens om beleid op te formuleren. Welke doelen formuleren we voor de komende periode? Welke knelpunten komen naar voren? Welke leerlinggroepen vragen om voorrang in het beleid? Wat voor bereik streven we na?

• Beleidsmonitoring. Zodra het beleid is ingezet, wordt met de monitor jaarlijks gemeten wat de stand van zaken is. Hoeveel scholen worden er bereikt? Hoeveel leerkrachten? Hoeveel leerlingen? Welke veranderingen vinden plaats in het gedrag van leerlingen en leerkrachten? Deze cijfers vormen de input voor de evaluatie van het beleid.

• Beleidsevaluatie. De cijfers uit de monitor worden geanalyseerd om vast te stellen of het beleid op de juiste weg is. Bereiken we onze doelstellingen? Zijn de resultaten die we zien ook de resultaten die we voor ogen hadden? Op welke onderwerpen is een extra inspanning nodig? Moeten we nieuwe doelen formuleren?

• Beleidsverantwoording. Met de rapportages die de bibliotheek uitbrengt op basis van de monitor, verantwoordt zij ook de inzet van middelen. De rapportages maken immers het bereik van het beleid zichtbaar en de effecten ervan. De gemeente kan op basis van een gemeentelijke rapportage uit de monitor zien hoeveel scholen zijn bereikt door het beleid, welke voorzieningen op die scholen zijn ingericht, wat er wordt gedaan aan deskundigheidsbevordering en welke effecten dit heeft op leerling- en leerkrachtgedrag.

Op het strategisch niveau geeft de monitor dus antwoord op de vragen:

• Hoe legitimeren wij onze educatieve rol voor het onderwijs?

• Hoe formuleren, evalueren en verantwoorden wij ons beleid op dit gebied?

Indicatoren Monitor dBos

Vijf scholen uit de gemeente Veere nemen al deel aan de Bibliotheek op school en vullen al meerdere jaren de monitor in. De afgelopen jaren hebben we daarin een daling van het leesplezier gezien waarschijnlijk door Covid. Dit is uit onderzoek naar voren gekomen en is in het gehele land aan de orde. Bij de meting van dit jaar hopen we een verbetering te zien.

Voor de scholen die zullen starten vanaf 2023 volgt er een nulmeting.

Daarnaast kunnen we de scholen vergelijken met het landelijk gemiddelde.

De volgende vragen uit de monitor zijn de indicatoren om te volgen:

Leerlingen:

4. Hoe vind je het om een boek te lezen? o Vervelend o Niet zo leuk o Best leuk o Erg leuk

5. Hoe vaak lees je thuis in een boek? o Nooit o Soms o Vaak

11. Geef aan wat je ervan vindt.

Als ik in de klas in een boek lees vind ik dat meestal: o Vervelend o Niet zo leuk o Best leuk o Erg leuk Als de juf/meester iets vertelt over een boek vind ik dat meestal: o Vervelend o Niet zo leuk o Best leuk o Erg leuk

12. Hoe vaak gebeurt dit?

Mijn moeder of vader leest mij thuis voor: o Nooit o Soms o Vaak

Mijn moeder of vader praat met mij over boeken: o Nooit o Soms o Vaak

Leerkrachten:

4. Hoe vaak doe je dit gemiddeld? - Ik help leerlingen bij het uitkiezen van een boek (leerkrachten 1 – 8) - Ik laat leerlingen stillezen/vrij lezen in een zelfgekozen boek (leerkrachten 1 – 8) - Ik lees voor aan de groep (leerkrachten 1 – 8) - Ik lees voor uit informatieve boeken (leerkrachten 1 – 8)\

5. Vragen over leesgedrag Hoeveel leerlingen zie je dit een of meer keren per week doen? - Ze pakken uit zichzelf een boek, om te gaan lezen - Ze lezen tien minuten of meer geconcentreerd uit een boek - Ze geven elkaar boekentips - Ze pakken een nieuw boek of vragen om een nieuw boek te lenen voordat het boek uit is

o Geen o Minder dan de helft o De helft o Meer dan de helft, maar niet allemaal o Alle leerlingen

Effecten dBos op de lange termijn

Er is in de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar de effecten van dBos en leesbevorderende activiteiten in de klas.

Hieronder volgen de resultaten van enkele studies.

• Uit een meta-analyse van 88 studies blijkt dat leesbevorderingsprogramma’s in het basis- en voortgezet onderwijs de leesvaardigheid en leesmotivatie van leerlingen stimuleren.

• De leesbevorderende werkvormen binnen de Bibliotheek op school, vrij lezen en voorlezen, zijn in een eerder stadium voorzien van wetenschappelijke evidentie middels meta-analyses.

• De Bibliotheek op school blijkt onder basisscholieren de leesvaardigheid en, bij meisjes, het leesplezier te vergroten; het leesgedrag wordt positief beïnvloed.

• Basisscholen met de Bibliotheek op school verankeren, in grotere getale dan niet-deelnemende scholen, leesbevordering in beleid, werken met een leesplan en hebben een leescoördinator in dienst.

• Schoolleiders en leerkrachten van scholen met de Bibliotheek op school zijn over het algemeen meer tevreden over hun boekencollectie dan schoolleiders en leerkrachten zonder de Bibliotheek op school; met name ten aanzien van de actualiteit van de boeken, het aantal boeken en het aantal boeken dat jaarlijks wordt vernieuwd.

Meer informatie:

https://pro.debibliotheekopschool.nl/dam/netwerk%20en%20beleid/factsheet-dbos-po2021def.pdf

https://www.lezen.nl/onderzoek/de-bibliotheek-op-school-stimuleert-het-lezen

afbeelding binnen de regeling

De Bibliotheek op school laat leerlingen hoger scoren op begrijpend lezen

Uit onderzoek naar de effecten van de aanpak van de Bibliotheek op school blijkt dat het landelijke leesbevorderingsprogramma effectief is in de strijd tegen laaggeletterdheid. Kinderen op scholen die de aanpak volgen, lezen meer en hebben een betere leesvaardigheid dan kinderen op scholen waar geen speciale aandacht is voor de boekencollectie. Zo scoren de leerlingen op scholen die deelnemen aan de Bibliotheek op school significant hoger op begrijpend lezen dan leerlingen op andere scholen (Nielen & Bus, 2016). Uit onderzoek naar de effecten van de schoolbibliotheek op het leesgedrag van niet-westerse migrantenleerlingen blijkt dat er een positief effect is op de woordenschat. Daarnaast vonden de leerlingen lezen na verloop van tijd belangrijker dan leerlingen op een school zonder schoolbibliotheek (Kleijnen, 2016).

Boekencollecties en activiteiten op basisscholen

Vrijwel alle basisscholen beschikken over een boekencollectie. Bij de Bibliotheek op school-locaties gaat het vaker om een schoolbibliotheek, terwijl andere scholen vaker leesboeken in de klas hebben staan. Op de meerderheid van de scholen (60%) mogen leerlingen onbeperkt boeken uitkiezen; bij de Bibliotheek op school-locaties beduidend vaker dan bij andere scholen. Op ongeveer een derde van de scholen mogen leerlingen ook boeken uit de collectie mee naar huis nemen. Slechts 4% van alle scholen biedt (ook) digitale boeken aan. Ook besteden leerkrachten op vrijwel alle basisscholen wordt aandacht aan leesbevorderende activiteiten in de les, vaak in de vorm van vrij lezen en voorlezen. Leesgesprekken, boekenkringen en boekintroducties komen wekelijks tot maandelijks voor. Hierin zijn geen significante verschillen gevonden tussen leerkrachten van de Bibliotheek op school-locaties en andersoortige scholen (Willemsen & Elphick, 2019).

Positieve effecten zichtbaar met Monitor de Bibliotheek op school

Met de Monitor de Bibliotheek op school worden de activiteiten op school en het leesgedrag en leesplezier van leerlingen jaarlijks in kaart gebracht en gevolgd. In de Monitor wordt ook ingegaan op de mate waarin de Bibliotheek op school wordt ingezet en de effecten die dit heeft op de leesvaardigheid van de leerlingen. Zo blijkt dat leesbevorderende activiteiten een positieve invloed hebben op de leesfrequentie en het leesplezier van leerlingen. Ook noemen leerlingen met een actieve Bibliotheek op school meer verschillende tipgevers voor leuke boeken en kennen zij meer manieren om aan boeken te komen (Hartkamp, 2020).

Effectiviteit verschilt per doelgroep

Wel verschilt de effectiviteit van de Bibliotheek op school sterk per doelgroep. Zo lezen leerlingen in hogere leerjaren minder, minder graag, halen ze minder boeken bij de bibliotheek op school en zijn minder positief over de schoolbibliotheek. Ook vinden meisjes lezen veel leuker dan jongens en lezen ze ook meer (Kleijnen, 2016; Hartkamp, 2020). Ook lijkt vrij lezen in het basisonderwijs alleen effect te hebben op de leesfrequentie van de kinderen die al lezen. Voor de aarzelende lezers is alleen vrij lezen niet genoeg; zij hebben waarschijnlijk meer begeleiding nodig om hiervan te kunnen profiteren. Voorlezen blijkt in dat kader zeer geschikt: het heeft een positief effect op alle leerlingen (Van der Sande et al., 2019).

Ondersteuning voor zwakke lezers

Met de pilot Aangepast lezen en Makkelijk Lezen Plein in de Bibliotheek op school is nader onderzocht wat er nodig is om het leesplezier van leerlingen met een leesbeperking te bevorderen. Deze pilot is opgezet omdat de reguliere collectie van de Bibliotheek op school niet voldoende aansloot op de behoefte van kinderen met dyslexie of grote leesmoeilijkheden. Kinderen maakten kennis met de gesproken boeken van Stichting Aangepast Lezen op Daisy-rom of via Superboek, karaokelezen met Yoleo en de Makkelijk Lezen Plein-boeken. De start met een luisterboek stimuleert de overstap naar het fysieke boek. Het gebruik van de juiste materialen en manieren geeft zwakke lezers weer plezier in lezen. Ook de leerkrachten zien de materialen als een belangrijke toevoeging om kinderen op een leuke manier te begeleiden in het leesproces (Geevers et al., 2014; Van der Aa et al., 2016).

Bron: https://www.bibliotheeknetwerk.nl/artikel/samenwerking-tussen-bibliotheek-en-basisschool