Beleidsregels terugvordering van bijstand, bedrijfskapitaal, een IOAW- en een IOAZ-uitkering Assen 2025

Geldend van 01-04-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels terugvordering van bijstand, bedrijfskapitaal, een IOAW- en een IOAZ-uitkering Assen 2025

Het college van de gemeente Assen, besluit om de onderstaande Beleidsregels terugvordering van bijstand, bedrijfskapitaal, een IOAW- en een IOAZ-uitkering vast te stellen.

1. Algemeen

1.1 Uitgangspunten

Deze beleidsregels gaan over wat het college kan doen als de inwoner te veel uitkering heeft ontvangen of een uitkering heeft ontvangen waar hij geen recht op had. Ook gaan deze beleidsregels over leningen en bedrijfskapitaal die zijn verstrekt op grond van de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en wat het college kan doen als de inwoner zijn aflossingsverplichtingen niet nakomt. Deze beleidsregels hebben geen betrekking op loonkostensubsidies.

Hoe en wanneer het college een uitkering of bedrijfskapitaal kan terugvorderen, leggen we in deze beleidsregels uit. De regels gaan ook over mogelijkheden om af te zien van terugvordering en over de incasso van vorderingen en van boetes. Het zijn regels op hoofdlijnen. Deze beleidsregels vullen de hoofdregels over terug- en invordering uit de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, de IOAW en de IOAZ aan. Die regels vormen de wettelijke basis voor terugvordering en incasso.

Een aantal bepalingen uit deze beleidsregels is ook van toepassing op terugvordering omdat de inwoner verkeerde informatie heeft gegeven aan het college. Daaronder verstaan we ook: het geven van onjuiste informatie, te laat geven van informatie of het niet geven van informatie. In zulke gevallen is terugvordering verplicht.

1.2 Begrippen

In deze beleidsregels maken we zo weinig mogelijk gebruik van vaktaal, maar soms kan dat niet anders, omdat er geen geschikt alternatief is. Dan gebruiken we begrippen die ook in de Participatiewet of in een andere regeling staan. Die begrippen hebben in deze beleidsregels dezelfde betekenis als in die wet of regeling. Andere begrippen die we in deze beleidsregels gebruiken zijn:

  • a.

    Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • b.

    bedrijfskapitaal: de bijstand die een inwoner met een eigen bedrijf of een zelfstandig beroep heeft ontvangen voor de bedrijfsvoering, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004;

  • c.

    beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd, zoals bepaald in de artikelen 475c tot en met 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • d.

    bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, die moeten worden ingehouden op de verstrekte uitkering;

  • e.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen;

  • f.

    financiële ruimte: geld en bezittingen die de inwoner kan inzetten voor betaling van schulden;

  • g.

    herziening: het achteraf wijzigen van een besluit omtrent toekennen recht op bijstand;

  • h.

    incasso: de invordering;

  • i.

    intrekking: het achteraf intrekken van een besluit om een uitkering toe te kennen;

  • j.

    invordering: de wijze van inning van het teruggevorderde bedrag aan uitkering of bedrijfskapitaal.

  • k.

    inwoner: de persoon van wie een uitkering of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd;

  • l.

    IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • m.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • n.

    terugvordering: de vaststelling van het bedrag aan uitkering of bedrijfskapitaal waar de inwoner geen recht (meer) op heeft;

  • o.

    uitkering: de verleende bijstand op grond van de Participatiewet of het Bbz2004, of de verstrekte uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;

  • p.

    verkeerde informatie: het niet geven van de informatie genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • q.

    Werkplein Drentsche Aa: De gemeenschappelijke regeling waaraan de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Bbz 2004 is gedelegeerd door het college van de gemeente Assen.

2. Terugvordering

Stap één in het proces om uitkering of bedrijfskapitaal terug te vorderen, is het nemen van een terugvorderingsbesluit. In dat besluit staat tot welk bedrag de uitkering, de lening of het bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd, wat de reden is van de terugvordering en op welke wettelijke grond dat is gebaseerd. De volgende stap is het nemen van een incassobesluit. Dit is een besluit over de manier waarop de vordering terugbetaald moet worden. Dat komt in hoofdstuk 3 aan de orde.

2.1 Wanneer wordt teruggevorderd?

De wetgever heeft bepaald dat het college een uitkering kan terugvorderen. Als het om bijstand gaat, staan die voorwaarden in artikel 58 van de Participatiewet. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 25 van de IOAW en de IOAZ. Verder staan in het Bbz nog enkele voorwaarden voor terugvordering van een uitkering en bedrijfskapitaal aan zelfstandigen. Bedrijfskapitaal kan een lening zijn of een bedrag ‘om niet’. “Om niet” betekent dat het bedrag in principe niet terugbetaald hoeft te worden.

De uitkering moet worden teruggevorderd als een inwoner te veel of ten onrechte een uitkering heeft ontvangen omdat deze verkeerde informatie, geen informatie of te laat informatie heeft gegeven. In de overige gevallen kan de uitkering worden teruggevorderd.

Om te kunnen terugvorderen wordt gebruik gemaakt van bevoegdheden die nodig kunnen zijn om een uitkering terug of in te vorderen. Het college:

  • a.

    trekt de uitkering in of herziet de uitkering, als dat nodig is om die uitkering terug te vorderen;

  • b.

    verrekent de vordering met een uitkering van het college of met een vordering die de inwoner op het college heeft;

  • c.

    verhoogt de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen, die het college moet inhouden als het om een uitkering gaat (dit heet bruteren);

  • d.

    gebruikt voor beslaglegging op inkomen een dwangbevel dat, waar dat mogelijk is, per post wordt verstuurd. Dit heet een vereenvoudigd derdenbeslag;

  • e.

    verhaalt de vordering op bezittingen van de inwoner die gedekt zijn door pand- en hypotheekrechten ten gunste van het college die deze bezittingen kan verkopen.

De uitkering moet worden teruggevorderd als een inwoner te veel of ten onrechte uitkering heeft ontvangen vanwege verkeerde informatie. Het college vordert dan alleen het bedrag terug dat de inwoner te veel aan uitkering zou hebben gekregen als hij op tijd de juiste informatie had gegeven. Gaat het om terugvordering op grond van verkeerde informatie over het vermogen, dan wordt alleen het bedrag teruggevorderd waarmee de vermogensgrens uit de Participatiewet is overschreden.

2.2 Wanneer wordt bedrijfskapitaal teruggevorderd?

In het Bbz staat dat bedrijfskapitaal aan zelfstandigen kan worden teruggevorderd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Besloten om in die gevallen terug te vorderen waarbij gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden die in artikel 2.1 staan.

Het college vordert bedrijfskapitaal in de vorm van een lening en verschuldigde rente ook terug als:

  • a.

    de inwoner uitstel van betaling voor rente en aflossing heeft gekregen en na die periode van uitstel niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet;

  • b.

    de inwoner kan maximaal 36 maanden uitstel van betaling voor rente en aflossing krijgen. In dat geval verlengt het college de rente- en aflossingstermijn met de maanden waarover uitstel is verleend. Wanneer de aflossing en rentebetaling na de periode van uitstel nog niet wordt voldaan, wordt het bedrijfskapitaal teruggevorderd;

  • c.

    de inwoner zijn bedrijf of zelfstandig beroep geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een ander of met dat bedrijf of zelfstandig beroep stopt;

  • d.

    de inwoner failliet wordt verklaard of in surseance van betaling verkeert;

  • e.

    één van de partners waarmee de inwoner het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent, of de rechtspersoon van de inwoner failliet wordt verklaard of in surseance van betaling verkeert;

  • f.

    de inwoner het bedrijfskapitaal niet besteedt aan de overeengekomen bestemming;

  • g.

    de inwoner is overleden.

2.3 Uitzonderingen.

Het uitgangspunt is, dat een uitkering wordt teruggevorderd als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt. Bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd als deze onjuist is besteed. Op het uitgangspunt zijn uitzonderingen denkbaar. Hieronder staan de uitzonderingen beschreven.

Voordat een terugvorderingsbesluit wordt genomen, wordt onderzocht of er aanleiding is om helemaal of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De inwoner wordt, indien nodig, in de gelegenheid gesteld informatie te geven die daarvoor van belang kan zijn.

Bij het nemen van een terugvorderingsbesluit wordt in ieder geval rekening met de volgende factoren:

  • a.

    de persoonlijke situatie van de inwoner;

  • b.

    de financiële situatie;

  • c.

    de werksituatie; en

  • d.

    de kans op een hoger inkomen.

De inwoner moet over deze factoren informatie geven, anders kan er geen rekening mee gehouden worden.

Uitzondering 1: het college speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van de vordering

Het is mogelijk dat het college voor een deel schuld heeft aan het ontstaan van de vordering, bijvoorbeeld door het geven van verkeerde informatie aan de inwoner. Is daarvan sprake, dan wordt gedeeltelijk afgezien van terugvordering. De terugvordering wordt dan beperkt tot:

  • a.

    75% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering kleiner is dan de rol van de inwoner;

  • b.

    50% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering vergelijkbaar is met die van de inwoner;

  • c.

    25% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering groter is dan de rol van de inwoner.

Uitzondering 2: het college reageert te laat op een signaal van de inwoner

Als een concreet signaal van de inwoner wordt ontvangen waaruit afgeleid kan worden dat de uitkering verlaagd of beëindigd moet worden, dan is het college verplicht om de uitkering op korte termijn aan te passen. Als de uitkering niet binnen zes maanden na het signaal wordt aangepast, dan wordt de uitkering die vanaf dat moment wordt verstrekt, niet teruggevorderd.

Met een signaal wordt bedoeld: informatie van de inwoner waaruit kan worden afgeleid dat een fout is gemaakt bij het verstrekken van een uitkering en actie moet ondernomen om de uitkering te wijzigen of te beëindigen.

Uitzondering 3: de vordering kan niet meer in hetzelfde jaar worden terugbetaald

Over de uitkering moet loonbelasting en premies volksverzekeringen worden betaald aan de Belastingdienst. Het college kan die belasting en premies verrekenen met de Belastingdienst als het kalenderjaar nog niet afgelopen is.

Als de uitkering teruggevorderd wordt in het volgende kalenderjaar, moet de inwoner de afgedragen belasting en premies ook terugbetalen. Dat heet bruteren van de vordering. Als het kalenderjaar voorbij is wordt altijd gebruteerd, tenzij:

  • a.

    een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van het college en

  • b.

    de inwoner niet kan worden verweten dat de vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.

Uitzondering 4: kleine vorderingen

Het terugvorderen van kleine bedragen kost naar verhouding veel tijd en is niet altijd efficiënt. Daarom wordt eenmaal per twaalf maanden afgezien van terugvordering als de vordering minder is dan € 50,00 en deze niet het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht.

Als het college een uitkering of bedrijfskapitaal heeft teruggevorderd en de inwoner heeft inmiddels zo ver afgelost dat een vordering overblijft minder dan € 50,00, dan wordt afgezien van verdere terugvordering als de inwoner na herhaald verzoek niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.

Onder herhaald verzoek verstaan we de herinneringsbrief na het oorspronkelijke verzoek

Uitzondering 5: onaanvaardbare gevolgen

Terugvordering kan onaanvaardbare gevolgen voor de inwoner hebben, als alle omstandigheden daarbij betrokken worden. Is daarvan sprake dan wordt helemaal of gedeeltelijk afgezien van (verdere) terugvordering.

Dat vraagt om een individuele benadering en een zorgvuldige afweging die per situatie anders kan uitpakken. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld het effect van terugvordering op:

  • a.

    de werksituatie van de inwoner;

  • b.

    de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van kinderen;

  • c.

    de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner;

  • d.

    de financiële toekomstverwachting.

Uitzondering 6: lange tijd (niet) voldoen aan betalingsverplichtingen

Het college wil inwoners stimuleren om een vordering af te lossen. Maar ook voorkomen dat een vordering jarenlang open blijft staan, zonder dat er een reële kans is dat die vordering ooit wordt afgelost. Daarom wordt afgezien van verdere terugvordering van een uitkering als de inwoner in een onafgebroken periode van:

  • a.

    120 maanden, binnen een periode van 132 maanden, zijn betalingsverplichtingen is nagekomen; of

  • b.

    120 maanden, binnen een periode van 132 maanden, zijn betalingsverplichtingen niet helemaal is nagekomen en die alsnog het achterstallige bedrag over die tien jaar voldoet;

  • c.

    36 maanden, binnen een periode van 42 maanden, zijn betalingsverplichtingen is nagekomen en de vordering niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht.

Het college past deze uitzondering niet toe als het gaat om:

  • a.

    vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt;

  • b.

    vorderingen waarbij de verstrekking heeft plaatsgevonden als bedrijfskapitaal op grond van de Bbz;

  • c.

    vorderingen ontstaan uit bijzondere bijstand;

  • d.

    vorderingen, die een bestuurlijke boete betreffen.

Als de vordering niet volledig op de betreffende bezittingen verhaald kan worden, dus als verkoop van de bezittingen niet voldoende geld oplevert om de volledige vordering te incasseren, kan de overblijvende vordering wel onder deze uitzondering vallen.

Het college ziet alleen af van verdere terugvordering als zij dat uit eigen beweging besluit.

Uitzondering 7: kwijtschelding bij een schuldregeling

De inwoner met problematische schulden kan in bepaalde gevallen in aanmerking komen voor een schuldregeling. We maken onderscheid voor het geven van medewerking onderscheid tussen twee soorten schuldregelingen, namelijk:

  • Een schuldregeling dat ingezet wordt door het college op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

  • Een overige schuldregeling.

Voor kwijtschelding bij een schuldregeling dat ingezet wordt door het college op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geldt dat het college medewerking verleent als de Participatiewet dit toestaat.

Op basis van de Participatiewet kunnen gemeenten ook medewerking verlenen aan schuldregelingen bij vorderingen ontstaan door schending van de inlichtingenplicht. Maar alleen als er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid (boete 25%) of normale verwijtbaarheid (boete 50%). Als er sprake is van opzet of grove schuld mag de gemeente geen medewerking verlenen.

Voor overige schuldregelingen geldt dat het college medewerking verleent tenzij:

  • a.

    de vordering te maken heeft met bijstand die in de vorm van een lening is verstrekt omdat de inwoner zich te weinig bewust is geweest van zijn eigen verantwoordelijkheid om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien (art. 48, eerste lid, onderdeel b Participatiewet); of

  • b.

    de vordering volledig wordt gedekt door pand of hypotheek; of

  • c.

    de vordering naar verwachting betaald kan worden met geld of bezittingen waarop de inwoner recht heeft, maar waarover hij nog niet kan beschikken, zoals een aandeel uit een erfenis of een uitkering uit een levensverzekering; of

  • d.

    de vordering het gevolg is van verkeerde informatie die opzettelijk door de inwoner is gegeven of waaraan de inwoner opzet of grove schuld heeft.

Het college kan het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling intrekken als:

  • a.

    er binnen twaalf maanden nadat dat besluit is genomen geen schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen die hierboven zijn genoemd;

  • b.

    de inwoner de verplichtingen aan de schuldregeling weigert na te komen en het college daar al eerder op gewezen heeft; of als de inwoner verkeerde informatie heeft gegeven en het college niet meegewerkt zou hebben als de inwoner op tijd de juiste informatie had gegeven.

3. Incasso

Nadat een terugvorderingsbesluit is genomen, beslist het college over de manier waarop de inwoner de vordering moet gaan aflossen. De bepalingen uit dit hoofdstuk gaan over de incasso van teruggevorderde uitkering en bedrijfskapitaal, maar gaan ook over de incasso van opgelegde boetes vanwege het geven van verkeerde informatie.

3.1 Start incasso

Het college informeert de inwoner per brief over het besluit om een uitkering of bedrijfskapitaal terug te vorderen of om een boete op te leggen. In die brief staat ook op welke manier de inwoner de vordering moet betalen. Dat onderdeel heet het incassobesluit. In het incassobesluit staat in ieder geval:

  • a.

    hoe hoog de vordering is;

  • a.

    de verplichting om de vordering binnen zes weken in een keer te betalen;

  • b.

    wanneer de betalingsverplichting ingaat;

  • c.

    dat de inwoner binnen zes weken een betalingsvoorstel kan doen;

  • d.

    dat de vordering meteen wordt verrekend met een uitkering of vordering van de inwoner op het college, als dat mogelijk is;

  • e.

    wat het college doet als de inwoner de betalingsverplichting niet nakomt;

  • f.

    hoe het college vorderingen incasseert; en

  • g.

    dat de betalingsverplichtingen van de inwoner niet aangepast worden als de inwoner nieuwe schulden maakt.

3.2 Uitstel van betaling

Inwoners kunnen een vordering niet altijd direct betalen. De inwoner kan uitstel van betaling krijgen als de inwoner de vordering niet binnen de betalingstermijn kan betalen. De inwoner kan dan een betalingsvoorstel doen om de vordering in maandelijkse bedragen af te lossen. Als het college daarmee instemt, dan wordt een betalingsregeling getroffen met de inwoner en hoeft de inwoner de vordering niet in één keer af te lossen. Indien, naar oordeel van het college, sprake is van bijzondere omstandigheden dan kan de rente tijdens de uitstelperiode op 0% worden gesteld.

Uitzondering 1:

Het college geeft geen uitstel van betaling als de vordering kan worden betaald uit de opbrengst van bezittingen die de inwoner bij het college in pand heeft gegeven of waarop een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van het college. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij algemene bijstand waarbij een (krediet)hypotheek is gevestigd op de eigen woning van de inwoner om de terugbetaling van de bijstand te verzekeren. Ook kan dit aan de orde zijn als de inwoner bedrijfskapitaal van het college heeft gekregen en de inwoner hypotheek heeft gevestigd op onroerend goed zoals het bedrijfspand, ten gunste van het college.

Uitzondering 2:

Het college geeft ook geen uitstel van betaling als de inwoner vermogen heeft waarmee de vordering kan worden afgelost. Het college gaat ervan uit dat de inwoner al het vermogen boven de vermogensgrens uit de Participatiewet kan benutten voor aflossing.

Als het college de inwoner uitstel van betaling geeft, moet de inwoner zich houden aan enkele verplichtingen:

  • a.

    correcte maandelijkse aflossing voorafgaande aan het verzoek tot uitstel;

  • b.

    geen andere schulden maken.

3.2.1 De betalingsverplichting van inwoners met een uitkering

Inwoners met een uitkering van het college hebben meestal weinig mogelijkheden om een schuld te betalen. Het college houdt daar rekening mee en stelt de maandelijkse betalingsverplichting van de inwoner vast aan de hand van de beslagvrije voet. De vordering op de inwoner wordt verrekend met de uitkering.

Als een andere schuldeiser beslag legt op de uitkering, verhoogt het college de maandelijkse betalingsverplichting tot 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vordering van die andere schuldeiser kan dan niet worden afgelost uit de uitkering en moet wachten totdat de vordering van het college is afgelost.

Gaat de inwoner aan het werk en uit de uitkering? Dan blijft de hoogte van de betalingsverplichting zes maanden hetzelfde. Dat stimuleert de inwoner om met de aflossing verder te gaan en helpt om de financiële huishouding op orde te houden. Na afloop van die periode wordt de maandelijkse betalingsverplichting vastgesteld op het bedrag dat voor het andere inkomen geldt.

3.2.2 De betalingsverplichting van inwoners met een ander inkomen

Voor inwoners met een ander inkomen dan een uitkering van het college geldt het volgende:

Het college stelt de maandelijkse betalingsverplichting vast op 5% van de bijstandsnorm, plus 75% van het inkomen boven die bijstandsnorm gebaseerd het “vrij te laten bedrag berekening.”

3.3 Volgorde betaling

Als het college meerdere vorderingen op de inwoner heeft, dan kan de inwoner aangeven voor welke vordering de betaling bedoeld is. Heeft de inwoner dit niet aangegeven, dan neemt het college aan dat die betaling bedoeld is voor:

  • a.

    een netto uitkering die in hetzelfde kalenderjaar dient te worden afgelost om brutering te voorkomen; en daarna voor

  • b.

    een boete; en dan voor

  • c.

    een bruto teruggevorderde uitkering vanwege verkeerde informatie van de inwoner; en dan voor

  • d.

    rentedragend bedrijfskapitaal; en dan voor

  • e.

    renteloos bedrijfskapitaal; en dan voor

  • f.

    teruggevorderde bijstand als lening; en dan voor

  • g.

    andere vorderingen.

Heeft het college meerdere vorderingen van dezelfde soort, dan wordt betaling toegerekend aan de oudste vordering van die soort.

3.4 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

De financiële situatie van de inwoner is niet altijd stabiel. Een lopende betalingsverplichting kan daarom tussentijds worden aangepast. Het is belangrijk dat de aflossing past bij de financiële situatie van de inwoner.

3.4.1 Tussentijdse beoordeling door het college uit eigen beweging

Als het college informatie gekregen heeft dat de financiële ruimte van de inwoner is gewijzigd of gaat wijzigen, onderzoekt het college of de betalingsverplichting moet worden aangepast. Het kan dan gaan om signalen vanuit het college zelf, bijvoorbeeld de melding dat de inwoner aan het werk is gegaan, maar ook vanuit andere richtingen, bijvoorbeeld van UWV of SVB over werk of inkomen.

Het college informeert de inwoner over de uitkomst van het onderzoek naar de financiële ruimte. Leidt dat onderzoek ertoe dat de betalingsverplichting wordt aangepast, dan gaat een wijziging in die verplichting in op de eerste dag van de maand die volgt op het wijzigingsbesluit.

3.4.2 Tussentijdse beoordeling door het college op verzoek van de inwoner

De inwoner kan het college ook zelf vragen om de betalingsverplichting aan te passen. De inwoner voegt dan documenten en andere stukken bij, waaruit blijkt dat de financiële ruimte is gewijzigd of dat de betalingsverplichting om andere redenen moet worden aangepast. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn:

  • a.

    de werksituatie van de inwoner;

  • b.

    de gezinssituatie;

  • c.

    de financiële situatie:

  • d.

    de omvang van de restschuld;

  • e.

    de oorzaak van de vordering.

Het college neemt binnen acht weken een besluit over het verzoek van de inwoner.

Let op: de betalingsverplichting blijft gelden zolang het college nog geen besluit heeft genomen op de vraag van de inwoner, tenzij dit onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. De inwoner moet dit aannemelijk maken.

3.5 Gevolgen bij het niet langer voldoen aan de betalingsverplichting

Als de inwoner zich niet aan de betalingsverplichting houdt, kan dit consequenties hebben. In de Algemene wet bestuursrecht staat dat de vordering dan verhoogd kan worden met wettelijke rente over de betalingsachterstand en incassokosten. Hieronder staat beleid dat door het college is vastgesteld.

3.5.1 Kosten

De vordering wordt verhoogd met incassokosten, als:

  • a.

    het college de incasso heeft overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.

4. Slotbepalingen

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, Bbz, IOAW en IOAZ-gemeente Assen.

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2025 en zijn van toepassing op na 1 april 2025 te nemen besluiten tot terugvordering van uitkering of bedrijfskapitaal.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Assen

De secretaris, De burgemeester,