Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737150
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR737150/1
Damoclesbeleid gemeente Almere 2025
Geldend van 26-03-2025 t/m heden
Intitulé
Damoclesbeleid gemeente Almere 2025De burgemeester van Almere;
gelet op de artikelen 13b van de Opiumwet en artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
gehoord het advies van de driehoek van 6 maart 2025
besluit:
- -
het ‘Damoclesbeleid gemeente Almere 2025’ vast te stellen.
Hoofdstuk 1. Inleiding
Drugscriminaliteit zoals de handel, productie en teelt van soft- en harddrugs heeft een sterk ondermijnend karakter. Deze illegale en criminele activiteiten tasten de rechtstaat en de samenleving in brede zin aan door de sterke verwevenheid van onder- en bovenwereld, corruptie en de innesteling in lokale gemeenschappen en maatschappelijke sectoren.
Handel in drugs vormt een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Het woon- en leefklimaat en de sociale en/of fysieke veiligheid van burgers worden erdoor aangetast. Hennepplantages en drugslaboratoria vormen een groot gevaar voor de woon- en leefomgeving vanwege het risico van brandgevaar, ontploffing en waterschade. De volksgezondheid is in het geding omdat sprake is van ongecontroleerde handel in drugs. Daarnaast kan sprake zijn van economische gevolgen, zoals het dealen van de verkoop- en verhuurwaarde van omliggende panden. Door de in- en uitloop van dealers, gebruikers en andere aan illegale activiteiten gerelateerde personen ervaren omwonenden immers hinder van deze activiteiten en krijgt de omgeving een slechte reputatie.
Het is belangrijk dat de overheid zichtbaar optreedt tegen diegene die verantwoordelijk zijn voor de productie en/of handel in verdovende middelen. Naast strafrechtelijke sancties kunnen ook bestuursrechtelijke maatregelen worden ingezet om de drugshandel te beëindigen dan wel te voorkomen. Artikel 13b Opiumwet is het juridisch instrument om bestuursrechtelijk op te treden tegen drugshandel vanuit een pand en/of (het voorbereiden van) productie van drugs.
Bij het vinden van een productielocatie van drugs, een handelshoeveelheid hard- of softdrugs of voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs in een pand kan de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet verschillende maatregelen nemen. Uitgangspunt is dat de burgemeester handhavend optreedt als zich een overtreding als genoemd in artikel 13b van de Opiumwet voordoet. In deze beleidslijn staat beschreven onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen indien de Opiumwet is overtreden.
Hoofdstuk 2. Doel
Deze beleidslijn richt zich primair op de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voorvloeiende risico’s voor de volksgezondheid, het tegengaan van nadelige effecten van de handel in- en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, onder meer bezien vanuit het perspectief op de openbare orde.
Hieruit voorkomende nevendoelstellingen (niet limitatief) zijn dat:
- •
de handhavingsactiviteiten van politie, justitie en gemeente op elkaar zijn afgestemd en elkaar zoveel mogelijk aanvullen en versterken;
- •
geconstateerde overtredingen gevolgd worden door een adequate reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de ernst van de overtreding en het beoogde effect heeft, namelijk het bestrijden van handel in drugs en herstel van de openbare orde. De illegale handel in drugs vormt op zichzelf een ernstige verstoring van de openbare orde;
- •
de kwaliteit van het woon- en leefklimaat verbetert/herstelt;
- •
illegale activiteiten rondom drugs effectiever worden bestreden;
- •
pandeigenaren worden zich bewust van de verantwoordelijkheden die zij hebben met betrekking tot (het verhuren van) hun panden.
Hoofdstuk 3. Het juridisch kader
a. Wettekst 13b van Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet staat bekend als de Wet Damocles. De tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt als volgt:
“De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- a.
een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
- b.
een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.”
b. Daartoe aanwezig
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 om de woorden ‘daartoe aanwezig’ in artikel 13b eerste lid onder a van de Opiumwet zo uit te leggen dat de burgemeester al bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen indien in een pand een handelshoeveelheid (er is sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen) drugs aanwezig is. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk wordt verhandeld. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt. De enkele ontkenning dat de drugs bestemd waren om te worden verhandeld, is daartoe onvoldoende. Om te bepalen wanneer sprake is van een ‘handelshoeveelheid’ wordt aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) toegepaste criteria2 . Bij overschrijding van de hoeveelheid die bestemd is voor eigen gebruik, wordt aangenomen dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn.
c. Aantasting openbare orde wordt zonder meer aangenomen
Gelet op de tekst van artikel 13b van de Opiumwet is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van drugs overlast heeft veroorzaakt3 . Door de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. De openbare ordeverstoring in de vorm van drugsgerelateerde overlast in de omgeving hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond.
d. Strafrecht en bestuursrecht in de Opiumwet
Het OM is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdrijven en overtredingen van het gestelde bij of krachtens de Opiumwet. Het strafrechtelijke optreden richt zich op de bij de verkoop betrokken personen, de verdachten (daders). Strafrechtelijke sancties hebben een punitief karakter, omdat op de overtreding een straf volgt. Het beëindigen of opheffen van het illegale verkooppunt wordt daarmee niet bereikt. Om ook handhavende maatregelen te nemen tegen het gebruik van de woningen of lokalen waarin overtredingen zijn begaan, kan de burgemeester gebruik maken van de bestuursrechtelijke mogelijkheden (tweesporenbeleid). De bestuursrechtelijke maatregelen die de burgemeester treft, hebben in het kader van de Opiumwet een reparatoir karakter. Een dergelijke maatregel heeft als doel de aangetaste openbare orde en veiligheid te herstellen, dan wel te voorkomen dat deze (verder) wordt verstoord.
Tussen het strafrechtelijk optreden en het effectueren van de bestuursrechtelijke maatregelen kan enige tijd zitten, nu de eisen van zorgvuldigheid bij het toepassen van het bestuursrechtelijke spoor in acht moeten worden genomen. Op basis van informatie van de politie besluit de burgemeester of de inzet van bestuursrechtelijke maatregel noodzakelijk is. Het informeren van de burgemeester door de politie is vormvrij, maar gebeurt meestal door een proces-verbaal, hennep informatiebericht, bestuurlijke rapportage en soms aangevuld door de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouder of andere constateringen.
De bevoegdheid van het OM tot strafrechtelijk optreden blijft bestaan, ongeacht of er bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester volgt. Dat geldt ook andersom; als het OM niet strafrechtelijk optreedt, blijft de burgmeester bevoegd bestuursrechtelijk op te treden4 . Ook als tegen de betrokkene een strafzaak voor de overtreding is aangespannen en die strafzaak vervolgens door een sepot, vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging of anderszins niet in een straf resulteert, betekent dat niet dat de burgemeester van sluiting had moeten afzien.
Hoofdstuk 4. Definities (alfabetisch weergegeven)
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- -
betrokkene: degene(n) die het pand in eigendom heeft, bewoont, huurt of gebruikt;
- -
drugs: harddrugs en softdrugs; de stoffen die op lijst I en II van de Opiumwet als verboden middelen vermeld staan;
- -
drugshandel: de verkoop, vervaardiging, aflevering of verstrekking van drugs in al zijn verschijningsvormen, dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in een pand of op de daarbij behorende erven;
- -
handelshoeveelheid: een hoeveelheid hard- of softdrugs waarvan in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk is dat de drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Bij het bepalen van deze hoeveelheden wordt aangesloten bij het bepaalde in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het OM5
- -
hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. Een hennepstek wordt aangemerkt als een individuele hennepplant;
- -
hennepplantages, - knipperijen , -drogerijen
Waar in dit beleid wordt gesproken over drugshandel of handel wordt, in ieder geval, ook gedoeld op hennepplantages, -knipperijen en -drogerijen.
- -
lachgas: aan lijst II bij de Opiumwet (softdrugs) is sinds 1 januari 2023 ook ‘lachgas’ (distikstofmonoxide) toegevoegd. Deze beleidsregel is ook van toepassing wanneer sprake is van een handelshoeveelheid lachgas als bedoeld in de Opiumwet.
- -
overtreder: degene die als overtreder kan worden aangemerkt is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk wordt gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. Dit maakt dat huurders, verhuurders en eigenaren van een pand overtreders kunnen zijn, ook als zij de verboden handeling niet zelf fysiek hebben verricht (functioneel daderschap6 ).
- -
pand: woning of lokaal, niet zijnde (gedoogde) verkooppunten voor softdrugs (coffeeshops).
- •
Onder een lokaal en het daarbij behorende erf verstaat de burgemeester in het kader van deze beleidsregel het volgende:
“alle al dan niet voor publiek opengestelde lokalen en daarbij behorende erven.
- o
Onder een voor publiek opengesteld lokaal wordt verstaan: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, dat al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. Bijvoorbeeld: winkels, horecabedrijven, hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria’s, snackbars, discotheken, buurthuizen en clubhuizen. Hieronder wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf/lokaal behorend terras en andere aanhorigheden.
- o
Onder een niet voor publiek opengesteld lokaal wordt verstaan: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, dat niet voor het publiek toegankelijk is, niet zijnde een woning. Bijvoorbeeld: kantoor- of bedrijfsruimten, magazijnen, zeecontainers, hotelkamers, loodsen, garages, opslagboxen en overige opslaglocaties.
- o
-
In de beleidsregel wordt geen onderscheid gemaakt tussen wel of niet voor publiek toegankelijke lokalen.
- •
De wetgever heeft het begrip woning in de Opiumwet niet gedefinieerd. De burgemeester verstaat in het kader van deze beleidsregel onder een woning het volgende:
“Een woning is een verblijf dat in hoofdzaak dient tot woning dan wel dienstbaar is aan het wonen. Hieronder valt zowel een koopwoning als een (sociale) huurwoning, maar bijvoorbeeld ook stacaravans, woonschepen, woonwagens, et cetera. Het is de plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming. Een persoon die incidenteel overnacht in een woning wordt niet aangemerkt als bewoner. Een inschrijving in de Basisregistratie Personen is een indicatie voor bewoning, maar hoeft niet doorslaggevend te zijn.”
Soms is sprake van schijnbewoning. Er wordt dan de indruk van bewoning gesimuleerd, bijvoorbeeld door het plaatsen van wat schaars meubilair in de woonkamer. Dat in de woning wordt geslapen, bijvoorbeeld blijkende uit de aanwezigheid van een slaapzak en dat gebruikte kleding wordt aangetroffen, maakt niet dat sprake is van bewoning. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk7 .
De feitelijke constatering over het gebruik van de woning wordt vastgesteld op het moment van constatering van de overtreding van de Opiumwet door de politie.
Bij een onbewoonde woning of bij schijnbewoning wordt conform dit beleid de matrix (hoofdstuk 7.) toegepast die geldt voor een lokaal.
- •
- -
strafbare voorbereidingshandelingen: de bevoegdheid van de burgemeester heeft ook betrekking op voorbereidingshandelingen, maar alleen als deze strafbaar zijn op grond van artikel 10a en 11a van de Opiumwet. Deze bepalingen vereisen dat degene die een voorwerp of stof in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt (softdrugs). Dit kan al blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof, uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie of uit overig ondersteunend bewijs. Waar in deze beleidsregel (handel in) hard- en softdrugs staat, worden daar ook de daaraan gerelateerde strafbare voorbereidingshandelingen mee bedoeld.
Hoofdstuk 5. Algemene uitgangspunten
a. Onderscheid harddrugs en softdrugs
In de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen de aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. Alhoewel hennepplantages veelal opgezet worden in een crimineel milieu en veelal gepaard gaan met brandgevaar voor de omgeving, hebben de activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben over het algemeen een grotere negatieve invloed op het woon- en leefklimaat en zijn in het algemeen gevaarlijker voor de gezondheid en het milieu, dan softdrugs. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs wordt daarom strenger opgetreden dan bij het aantreffen van deze fenomenen op het gebied van softdrugs. Een (langere) sluitingstijd is bij handel in harddrugs dus noodzakelijk om de openbare orde te herstellen en de situatie te normaliseren.
b. Onderscheid woningen en lokalen
Handel in drugs vanuit lokalen en woningen, dan wel in of op daarbij behorende erven, is in het belang van de openbare orde en het algemeen maatschappelijk belang volstrekt ontoelaatbaar. Gelet op dat het handhavend optreden in het geval van een woning inbreuk maakt op het persoonlijk levenssfeer van de bewoner(s) van de woning, wordt in beginsel een onderscheid gemaakt in het handhavend optreden tussen een woning en een lokaal. Het sluiten van een woning die daadwerkelijk bewoond wordt, zal in zijn algemeenheid een grotere inbreuk maken op iemands persoonlijke levenssfeer (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), dan de sluiting van een lokaal. Zie hoofdstuk 4. voor de gehanteerde definities voor een woning en lokaal.
c. Wijziging huursituatie of eigendomsoverdracht
Een wijziging in de huursituatie of de eigendomsoverdracht van een pand wordt als niet relevant beschouwd indien dit wordt gerealiseerd nadat een overtreding van de Opiumwet geconstateerd is. De reden hiervoor is dat de verhuurder/eigenaar niet met het plaatsen van andere huurders of verkoop van het pand onder de genoemde last kan uitkomen. Het kan immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de openbare orde in het pand te herstellen. Met de sluiting van een woning of lokaal is sprake van een maatregel die is gerelateerd aan het pand en niet aan de bewoner, huurder, gebruiker of eigenaar.
d. Geen onderscheid huur- en kooppanden
In deze beleidsregel wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en kooppanden en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. Voor alle type panden geldt daarmee als uitgangspunt in beginsel hetzelfde regime.
e. Bestuursdwang of dwangsom
Een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom zijn reparatoire maatregelen. Anders dan punitieve sancties zijn de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom niet gericht op bestraffing of leedtoevoeging, maar op het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van een overtreding. Toepassing ervan moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
e1. Bestuursdwang lokaal
Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om in geval van aanwezigheid van drugs bestuursdwang toe te passen waarbij tot sluiting van een pand wordt overgegaan. Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel in de zin van artikel 5:2 lid 1 onder b van de Awb.
Ten aanzien van de uitoefening van artikel 13b van de Opiumwet kiest de burgemeester er voor om bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in lokalen het pand te sluiten. Met de sluiting wordt een locatie weggenomen waar criminele activiteiten plaatsvinden. Vaak beëindigt sluiting van een lokaal een situatie die schadelijk is voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Beoogd wordt het definitief doorbreken van de gang naar de locatie en de bekendheid van de locatie in kringen van handelaren en gebruikers van verdovende middelen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren, de overtredingen te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarmee wordt een barrière opgeworpen en het criminele ondernemingsproces verstoord. Bovendien gaat van deze pandgerichte aanpak een sterke signaalfunctie uit die naast een preventieve werking (anderen afschrikken en het voorkómen van herhaling) ook de aantrekkingskracht op andere criminele activiteiten tegengaat. Duidelijk wordt dat het pand niet langer als verkoop-, aflever-, teelt- of opslagruimte voor drugs kan worden gebruikt. Dit maakt Almere onaantrekkelijk als vestigingsplaats voor drugshandel en de productie. Deze doelen worden niet al bereikt met het enkel weghalen van de drugs uit het pand.
e2. Bestuursdwang woning
Dat is echter anders bij bewoonde woningen. Daarbij speelt het recht van betrokkene(n) om in de woning te kunnen verblijven (woongenot) en de daaraan gerelateerde privacy (persoonlijke levenssfeer) een prominente rol. Bij de handel in softdrugs wordt met het oog op de proportionaliteit daarom eerst een last onder dwangsom opgelegd. Of een woning wordt gebruikt als woning blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs wordt de woning wel gesloten.
e3. Dwangsom
Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, heeft de mogelijkheid om in plaats van het toepassen van bestuursdwang de overtreder een last onder dwangsom op te leggen (artikel 5:32 Awb).
f. Verwijtbaarheid van betrokken personen
Het toepassen van bestuursdwang is erop gericht de handel in- of vanuit een lokaal of woning beëindigd te houden en de openbare orde in de omgeving te herstellen. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, verhuurder, huurder, gebruiker of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. De toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is gericht op het pand (locatie) en niet op de persoon of belanghebbende. De persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkenen van een illegaal verkooppunt speelt daarom geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het pand noopt.8 Betrokkene kan geen verwijt worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs en/of voorbereidingshandelingen. Van een pandeigenaar die een pand verhuurt, wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. De rechtspraak daarover brengt mee dat concreet toezicht gehouden moet worden op het gebruik van het pand. Een bezoek aan het pand alleen is niet genoeg, er moeten ook aantoonbare controles uitgevoerd worden die zijn gericht op het gebruik van het pand9 . In de bestuursrechtelijke procedure hoeven geen strafrechtelijke bewijsregels in acht genomen te worden. Er kan worden uitgegaan van het feitencomplex dat naar voren is gekomen uit het proces-verbaal van de politie, eventueel aangevuld met een rapportage van de toezichthouder.
g. Belangenafweging
De bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet betreft een discretionaire bevoegdheid. Dat wil zeggen dat deze bevoegdheid gebruikt wordt na een belangenafweging. In deze beleidslijn is vastgesteld op welke wijze de burgemeester met deze discretionaire bevoegdheid omgaat. Per dossier worden steeds de noodzakelijkheid, de ernst en de omvang van de overtreding, de feitelijke handel in het pand en de noodzakelijkheid, evenwichtigheid en evenredigheid (verwijtbaarheid, gevolgen) van de maatregel afgewogen.10
Zowel gebruikers als eigenaren hebben er belang bij dat een pand open blijft. De wetgever heeft bewust lokalen en woningen onder het regime van artikel 13b van de Opiumwet gebracht. Het is inherent aan deze keuze van de wetgever dat dit gevolgen kan hebben voor de eigenaren en gebruikers.
De aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs en de gevolgen daarvan voor de openbare orde en veiligheid zijn dermate ernstig dat herstel daarvan als algemeen belang in ieder geval zwaarder worden geacht dan enkel het individuele (financiële) belang van betrokkenen.
Bij het opstellen van het Damoclesbeleid is onderkend en meegewogen dat specifiek bij een woningsluiting de bewoners tijdelijk elders moeten verblijven en dat een ingrijpende maatregel is. Bewoners dienen in beginsel zelf voor alternatieve huisvesting te zorgen. Men heeft immers een bepaald risico genomen door zich (wederom) in te laten met de productie en/of handel in drugs en de gevolgen voor die keuze mogen voor de betreffende bewoner(s) worden gelaten.
h. Hennepconvenant
Het regionale ‘Hennepconvenant Midden Nederland 2024-2027’ geldt sinds 1 maart 2024. Dit convenant (of een opvolgend convenant) maakt gegevensdeling over aangetroffen softdrugs in panden mogelijk tussen de aangesloten partners.
Hoofdstuk 6. Handhaving
Voor wat betreft het opleggen van een last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom worden de bepalingen van de Awb in acht genomen.
a. Zienswijze
Voordat de burgemeester daadwerkelijk overgaat tot sluiting van een lokaal of woning of voordat een last onder dwangsom wordt opgelegd, wordt het voornemen bekend gemaakt aan betrokkene(n) overeenkomstig artikel 4:8 Awb. Tegen dit voornemen kan een mondelinge of schriftelijke zienswijze worden ingediend. Van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze wordt afgezien indien de vereiste spoed zich hiertegen verzet (artikel 4:11, onder a Awb).
b. Besluit (bekendmaking)
Wanneer wordt overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (sluiting woning of lokaal), wordt het besluit op schrift gesteld en bekendgemaakt aan de overtreder(s) en/of de rechthebbende(n) op het gebruik (artikel 5:24 Awb, artikel 5:32 Awb).
b1. Last onder dwangsom
De last onder dwangsom houdt in dat herhaling van de overtreding van de Opiumwet wordt tegengegaan. Omdat de last ziet op het voorkomen van herhaling van de overtreding en dit per direct kan gebeuren, wordt er geen begunstigingstermijn gegund. Met het opleggen van een last onder dwangsom wordt doormiddel van een financiële prikkel beoogd om een herhaling van de overtreding van de Opiumwet voorkomen.
b2. Last onder bestuursdwang; effectuering van de sluiting
De last onder bestuursdwang houdt in dat het pand ontoegankelijk is en blijft gedurende de termijn van de sluiting. In de last onder bestuursdwang wordt een begunstigingstermijn (artikel 5:24, tweede lid, Awb) opgenomen.
Aan de betrokkene(n) wordt een termijn gegeven van minimaal twee kalenderdagen voordat het pand gesloten wordt. Binnen deze termijn dient betrokkene(n) zelf het lokaal/de woning ‘sluit klaar’ te maken. Dit wil zeggen dat betrokkene(n) de gelegenheid krijgt (krijgen) om voor de sluiting persoonlijke eigendommen uit het pand te (laten) halen en afsluitingsmaatregelen te (laten) nemen. Tijdens de periode van de sluiting heeft niemand toegang tot het pand. Als het gesloten pand toch wordt betreden, is sprake van een strafbaar feit (artikel 2:43 van de Algemene Plaatselijke Verordening Almere 2011, artikel 187 en 199 van het Wetboek van Strafrecht). Alleen personen wiens aanwezigheid wegens dringende redenen in het pand noodzakelijk is, mogen het pand betreden met voorafgaande toestemming van de burgemeester. Bij de feitelijke sluiting van het pand, zal het pand worden verzegeld en wordt een bekendmaking op het pand bevestigd. Hieruit blijkt dat het pand wegens een overtreding van de Opiumwet op last van de burgemeester gesloten is.
b3. Last onder bestuursdwang; spoedeisende situatie
Als zich een spoedeisende situatie voordoet, kan bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last (artikel 5:31 Awb). In het geval dat de drugshandel de openbare orde in zeer ernstige mate verstoort, is een spoedeisende sluiting gerechtvaardigd. In dat geval zal geen termijn worden gegeven om het lokaal/ de woning ‘sluit klaar’ te maken. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt vervolgens schriftelijk bekendgemaakt aan de overtreder en de rechthebbenden (artikel 5:31, tweede lid, Awb).
c. Aanzegging tot kostenverhaal
In het besluit tot opleggen van een last onder bestuursdwang wordt tegelijk een aanzegging tot kostenverhaal opgenomen. De kosten van bestuursdwang kunnen op basis van het bepaalde in de Awb (artikel 5:25 Awb) verhaald worden op de overtreder(s).
d. Bekendmaking en registratie van het besluit
Het besluit tot sluiting van een woning of een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet wordt geregistreerd in de zin van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (WKPB). Het WKPB-register houdt deze publiekrechtelijke beperking betreffende de onroerende zaak bij. Indien de sluiting wordt opgeheven, wordt dit aangepast in het WKPB-register.
e. Samenloop
- •
Bij cumulatie van op te leggen maatregelen op grond van dit beleid (bijvoorbeeld als sprake is van zowel hard- als softdrugs) is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing. Maatregelen worden niet bij elkaar opgeteld.
- •
Toepassing van de bevoegdheden op grond van de Opiumwet staat toepassing van andere college- of burgemeestersbevoegdheden, zoals het intrekken van een Alcoholwetvergunning, niet in de weg.
Hoofdstuk 7. Handhavingsmatrixen
Om de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet adequaat, proportioneel en subsidiair toe te passen is het van belang dat de handhavingsstappen die genomen worden, zijn vastgelegd in beleid. De onder A. en B. (1 t/m 4) genoemde, getrapte, sanctionering wordt toegepast.
De op te leggen maatregel is bedoeld als herstelmaatregel. De zwaarte van de maatregel sluit aan op de ernst van de overtreding. Zo zal de sluitingstijd bij herhaling van een overtreding langer zijn. Dat is omdat de bekendheid van het verkooppunt of de locatie dan groter is. Maar ook omdat de maatregel kennelijk niet voldoende is geweest om herhaling van de overtreding te voorkomen of herstel van de oude situatie te bewerkstelligen. Ten aanzien van harddrugs geldt een zwaardere maatregel dan ten aanzien van softdrugs.
Herhaling
Wanneer er tussen opeenvolgende overtreding constateringen meer dan drie jaar is verstreken, wordt de nieuwe constatering gezien als een eerste constatering.11 Bij een herhaalde overtreding binnen drie jaar, gaat een nieuwe termijn van drie jaar in en volgt de maatregel die staat opgenomen in de verschillende handhavingsmatrixen bij een herhaalde overtreding binnen drie jaar.
A. Handelshoeveelheid drugs in een lokaal of op een daarbij behorend erf.
|
Softdrugs |
Harddrugs |
1e overtreding |
Sluiting voor periode van 3 maanden |
Sluiting voor periode van 6 maanden |
2e overtreding binnen 3 jaar |
Sluiting voor periode van 6 maanden |
Sluiting voor periode van 12 maanden |
3e overtreding binnen 3 jaar |
Sluiting voor periode van 12 maanden |
Sluiting voor periode van 24 maanden |
B. Handelshoeveelheid drugs in een woning of op een daarbij behorend erf.
|
Softdrugs |
Harddrugs |
1e overtreding |
Last onder dwangsom
|
Sluiting voor periode van 3 maanden |
2e overtreding binnen 3 jaar |
verbeuren dwangsom + sluiting voor een periode van 3 maanden |
Sluiting voor een periode van 6 maanden |
3e overtreding binnen 3 jaar |
Sluiting voor periode van 6 maanden |
Sluiting voor periode van 12 maanden |
B1. De hoogte van de last wordt bepaald door het aantal aangetroffen hennepplanten:
Hoeveelheid |
Hoogte dwangsom |
Van 6 tot 50 planten |
€ 12.500 |
Van 50 tot 200 planten |
€ 25.000 |
Van 200 tot 750 planten |
€ 50.000 |
Vanaf 750 planten |
€ 75.000 |
B2. De hoogte van de last wordt bepaald door het aantal aangetroffen grammen softdrugs (voor lachgas, zie tabel B4.):
Hoeveelheid |
Hoogte dwangsom |
6-30 gram |
€ 1.275,00 |
30-50 gram |
€ 3.500,00 |
50-100 gram |
€ 7.000,00 |
100-150 gram |
€ 10.500,00 |
150-200 gram |
€ 14.000,00 |
200 gram – 6 kilogram |
€ 25.000,00 |
6 kilogram – 22,5 kilogram |
€ 50.000,00 |
Vanaf 22,5 kilogram |
€ 75.000,00 |
De bedoeling is dat vanuit een last onder dwangsom een voldoende afschrikwekkend effect uitgaat zodat voorkomen wordt dat wederom een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom onder B2. is de omrekentabel uit de standaardberekening en normen, update 1 juni 2016, in geval van “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Functioneel Parket betrokken. Ook zijn de in dit Damoclesbeleid opgenomen dwangsommen ten aanzien van het aantal aangetroffen planten betrokken.
B3. De hoogte van de last bij een aangetroffen voorwerp of stof als bedoeld in artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet (strafbare voorbereidingshandelingen) wordt bepaald op € 25.000.
Bij een dergelijke overtreding is vereist dat degene die een voorwerp of stof in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het bereiden, bewerken of vervaardigen voor grootschalige hennepteelt. Aangezien het, gelet op de handhavingsmatrix in dit beleid, dan alleen gaat om een dwangsom voor voorwerpen of stoffen ten behoeve van grootschalige hennepteelt (van een grote hoeveelheid is sprake bij meer dan 500 g hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet), maar geen hennep werd aangetroffen, wordt er in beginsel aangesloten bij de dwangsom zoals die geldt in het geval er van 50 tot 200 hennepplanten worden aangetroffen. Een hoger bedrag kan echter worden opgelegd als verzwarende omstandigheden daar aanleiding toe geven.
B4. De hoogte van de last bij het aantreffen van lachgas (ampullen 12 en/of gasflessen 13) wordt als volgt bepaald.
Hoeveelheid |
Hoogte dwangsom |
Van 2 tot 11 ampullen |
€ 2.500 |
Van 11 tot 20 ampullen |
€ 5.000 |
Van 20 tot 30 ampullen |
€ 7.500 |
Meer dan 30 ampullen |
maatwerk |
Gasfles: per kilogram volume/inhoud De volumes van de gasflessen die aangetroffen worden, kunnen nogal uiteenlopen. De handhavingsmatrix gaat uit van een dwangsom per kilogram volume-inhoud dat in het aantal aangetroffen gasflessen (gasfles) zit (exclusief het gewicht van de gasfles), ongeacht het formaat of de vullingsgraad (leeg-vol). Bijvoorbeeld: er wordt een gasfles van 2 kilogram lachgas aangetroffen, dan wordt volgens dit beleid een dwangsom opgelegd van € 10.000. |
€ 5.000 |
Maximum dwangsom bij aantreffen gasflessen (= 15 kilogram)
|
€ 75.000 |
Als landelijke of lokale ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, wordt op een later moment mogelijk meer differentiatie aangebracht, net als in de tabellen onder B1. en B2.
Toelichting op lachgas
Het is vanaf 1 januari 2023 verboden om lachgas voor recreatief gebruik binnen Nederland te vervoeren, te verkopen, te produceren of in bezit te hebben. Op 28 augustus 2023 is de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet gepubliceerd in de Staatscourant, waarin ten aanzien van lachgas is bepaald dat er bij 1 ampul/1 ballon sprake is van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Deze beleidsregel is ook van toepassing wanneer sprake is van een handelshoeveelheid lachgas als bedoeld in de Opiumwet.
Uitzondering: het verbod van artikel 3 van de Opiumwet is niet van toepassing wanneer het lachgas bestemd is voor medische toepassing, technische doeleinden of als voedingsadditief. Degene bij wie lachgas is aangetroffen, moet aannemelijk maken – bijvoorbeeld door middel van het overleggen van een passende ontheffing of vergunning – dat dit niet onder het lachgasverbod valt.
- •
Medische toepassing: medisch lachgas valt onder de Geneesmiddelenwet.
- •
Voedingsadditief, ampullen: via (groot)handel mag aan bedrijven, die volgens hun SBI-code14 lachgas mogen toepassen als voedingsadditief, maximaal 250 ampullen verkocht worden.
- •
Voedingsadditief, gasfles: lachgas is een voedingsadditief dat in de voedingsmiddelenindustrie, maar ook in bijvoorbeeld de horeca, wordt gebruikt om slagroom of andere voedingswaren mee op te kloppen. Het gebruik van lachgas uit gasflessen, anders dan voor de productieprocessen van kant- en klare (slagroom)spuitbussen en ampullen, valt buiten de toepassing van lachgas als voedingsadditief.
- •
Technische doeleinden: in de praktijk vormt de handel in lachgas dat bestemd is voor technische doeleinden een meer ondergeschikt deel van de bedrijfsvoering.
Handelshoeveelheid lachgas
Bij lachgas is, behoudens evidente gevallen, nog niet bekend waar de grens wordt getrokken om van een handelshoeveelheid te kunnen spreken. De door het OM gegeven Richtlijn voor strafvordering Opiumwet kan een indicatie opleveren alsook wat uit jurisprudentie in de toekomst zal volgen. De burgemeester heeft de bevoegdheid om op grond van artikel 13b Opiumwet bestuursrechtelijke maatregelen te treffen bij het aantreffen van een handelshoeveelheid lachgas. Om voor dit bestuursrechtelijk optreden een uitgangspunt te hebben als in een pand lachgas wordt aangetroffen, wordt hierna uiteengezet wanneer de burgemeester het aannemelijk acht om bestuurlijk in te grijpen om de openbare orde te herstellen en waarbij volgens dit beleid sprake is van een verboden handelshoeveelheid lachgas. De nota van toelichting bij het Lachgasbesluit heeft hiervoor mede als basis gediend.
Bij het aantreffen van lachgas is een administratieve controle vaak onderdeel van het onderzoek om te komen tot de conclusie of er sprake is van een handelshoeveelheid lachgas. Dit omdat het professioneel gebruik van lachgas voor medische en technische doeleinden, evenals het gebruik van lachgas als voedingsadditief, wel toegestaan is.
Lachgas in een woning:
- •
Ampullen. In de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet van het OM wordt 1 ampul (inhoud: 8 gram) aangemerkt als een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Wordt er meer dan 1 ampul lachgas in een woning aangetroffen, dan wordt op basis van dit beleid uitgegaan van een handelshoeveelheid lachgas.
- •
Gasfles (ongeacht het formaat en de vullingsgraad (leeg-vol)). Wordt lachgas in een gasfles/tank/cilinder aangetroffen in een woning, dan wordt op basis van dit beleid uitgegaan van een handelshoeveelheid lachgas. Lachgas via een gasfles kent geen consumententoepassing.
Lachgas in een lokaal:
Indien een handelshoeveelheid lachgas in een lokaal wordt aangetroffen, is sluiting volgens handhavingsmatrix A. (regime softdrugs) het uitgangspunt.
- •
Ampullen. Worden meer dan 250 ampullen in een lokaal aangetroffen waarvan het daar gevestigde bedrijf volgens hun SBI-code lachgas mag toepassen of worden meer dan 1 ampul in een lokaal aangetroffen dat volgens de SBI-code geen lachgas mag toepassen, dan wordt op basis van dit beleid uitgegaan van een handelshoeveelheid lachgas. Als in een lokaal meer dan 250 respectievelijk 1 ampul aanwezig zijn, is dat een sterke aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is als voedingsadditief en derhalve van strafbaar handelen.
- •
Gasfles (ongeacht het formaat en de vullingsgraad (leeg-vol)):
- o
Wanneer de handel van lachgas geen ondergeschikt deel van de bedrijfsvoering uitmaakt, dan is dat een aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor technische doeleinden en derhalve van strafbaar handelen.
- o
De inkoop, verkoop, bezit en ter handstellen van lachgas in gasflessen aan bedrijven die het lachgas niet aantoonbaar of logischerwijs gebruiken als voedingsadditief is een aanwijzing dat het gebruik van lachgas niet is bestemd als voedingsadditief en derhalve van strafbaar handelen. Net zoals de handel in lachgas dat is bestemd voor technische doeleinden vormt de handel in lachgas in gasflessen voor het gebruik als voedingsadditief in de praktijk een meer ondergeschikt deel van de bedrijfsvoering. Wanneer de handel in lachgas geen ondergeschikt deel van de bedrijfsvoering uitmaakt, is dat een aanwijzing dat het lachgas niet is bestemd als voedingsadditief als bedoeld in dit besluit en derhalve van strafbaar handelen.
- o
De aanname dat sprake is van een handelshoeveelheid lachgas kan worden versterkt door de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. De volgende zaken kunnen erop wijzen dat het aangetroffen lachgas bestemd is als handelshoeveelheid (niet limitatief):
- •
(zeer) grote hoeveelheid ampullen;
- •
groot formaat gasflessen;
- •
geen Europese kenmerken; E-markering (voedingsadditief), REACH 15 -kenmerken (technische toepassing);
- •
geen duidelijke toepassing als voedingsadditief;
- •
geen duidelijk REACH-erkende toepassing;
- •
kwaliteit van inrichting en toegepaste technieken (professioneel of amateuristisch);
- •
lachgasbewerking/-verwerking is hoofdzaak van de bedrijfsvoering;
- •
er is geen duidelijke afspraak waar te nemen (op basis van een boekhouding) dat aan allerlei verstrekkingsregels wordt voldaan die binnen de gesloten keten gebruikelijk is (technische toepassing);
- •
specifieke documenten (handelsdocumenten, facturen, etc.) zijn niet te overleggen;
- •
het aantreffen van ballonnen, crackers of andere middelen om lachgas uit ampullen of gasflessen te halen of mee te vullen;
- •
meldingen, waarnemingen, antecedenten.
Hoofdstuk 8. Afwijkingsbevoegdheid
Per dossier wordt nadrukkelijk gekeken of volstaan kan worden met de maatregel die genoemd is in de toepasselijke matrix of dat sprake is van een situatie die tot afwijking van de uitgangspunten uit deze beleidsregel leidt.
Zwaardere maatregel
De maatregelen genoemd in de tabellen zijn het uitgangspunt. In voorkomende gevallen kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van het beleid door een zwaardere maatregel te nemen. Dit kan worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden van het dossier die gepaard gaan met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar vormen voor de volksgezondheid en/of veiligheid. Gedacht kan worden (niet limitatief) aan de aanwezigheid van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie, het aantreffen van vals geld, vuurwerk16, gestolen goederen, mate van overlast rondom het pand, grote hoeveelheid hard- en/of softdrugs, et cetera. Afwijking van dit beleid kan bijvoorbeeld leiden tot het overslaan van een stap uit de handhavingsmatrix.
Lichtere maatregel
De burgemeester handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbende(n) gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Er moet sprake zijn van zwaarwegende redenen waarbij het van belang is dat deze omstandigheden zijn onderbouwd met objectieve gegevens/stukken.
Eerdere overtreding in andere matrix
Ook kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken indien geen sprake is van herhaling van dezelfde overtreding, maar bij het tweede of derde vergrijp een overtreding uit een andere matrix wordt begaan. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen bij een woning wanneer deze bij een eerste overtreding feitelijk bewoond (matrix B) is en bij een tweede overtreding feitelijk onbewoond (matrix A) is en vice versa. Als uitgangspunt wordt dan de maatregel gekozen die in de matrix staat bij de tweede (of opvolgende) overtreding, behorende bij het gebruik van het pand op het moment dat de tweede (of opvolgende) overtreding plaatsvond. In het geval een last onder dwangsom opgelegd is bij de voorgaande overtreding, wordt bij constatering van de tweede (of opvolgende) overtreding ook het invorderingstraject gestart.
Hoofdstuk 9. Inwerkingtreding en citeertitel
Dit beleid treedt in werking op de dag na bekendmaking en kan worden aangehaald als: Damoclesbeleid gemeente Almere 2025. Op de dag van inwerkingtreding van dit beleid, wordt de ‘Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid gemeente Almere 2021)’, zoals vastgesteld op 19 januari 2021 en in werking getreden op 26 januari 2021, ingetrokken.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 18 maart 2025,
de burgemeester van Almere,
W.H.J.M. van der Loo
Noot
1Zie bijvoorbeeld: ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362; ABRvS 9 juli 2014 ECLI:NL:RVS:2014:2562; ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:130.
Noot
3Zie onder andere: ABRvS 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8430; ABRvS 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2562; ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:185.
Noot
4ABRvS 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2859 ‘de sluiting van de woning is een bestuursrechtelijke maatregel die een ander doel dient dan de strafrechtelijke maatregel’ en ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472.
Noot
5Anno 2025:
handelshoeveelheid softdrugs: meer dan 5 gram van een middel opgenomen in lijst II behorend bij de Opiumwet of een hoeveelheid van meer dan 5 hennepplanten (= beroeps- of bedrijfsmatig handelen) of een hoeveelheid van meer dan 1 ampul lachgas
- bij paddo’s wordt een onderscheid gemaakt tussen verse en gedroogde paddo’s, waarbij een hoeveelheid van meer dan 5 gram verse dan wel niet gedroogde paddo’s en een hoeveelheid van meer dan 0,5 gedroogde paddo’s als een handelshoeveelheid wordt aangemerkt. Onder softdrugs (lijst II) valt sinds 1 januari 2023 ook lachgas.
handelshoeveelheid harddrugs: meer dan 0,5 gram van een middel opgenomen in lijst I behorend bij de Opiumwet of een consumptie-eenheid van meer dan 5 ml vloeibare drugs;
- Een gebruikershoeveelheid van maximaal 0,5 gram komt overeen met één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet.
Noot
8ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:2013:CA3702; ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:299; ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:185; ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:851, ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
Noot
9ABRvS 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:509. ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:266, ECLI:NL:RVS:2024:267, ECLI:NL:RVS:2024:268, ECLI:NL:RVS:2024:269, ECLI:NL:RVS:2024:270 en ECLI:NL:RVS:2024:271
Noot
10ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912. In een drietal uitspraken van 6 juli 2022 heeft de Afdeling de kaders voor het vaststellen van de noodzaak van een sluiting nader geconcretiseerd, zie ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910, ECLI:NL:RVS:2022:1911 en ECLI:NL:RVS:2022:1913. Zie ook de ‘Harderwijkuitspraak’ ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Noot
11Een verzoek conform artikel 5:34, lid 1 Awb tot het intrekken van een last onder dwangsom zal worden afgewezen, behalve als er drie jaar na de eerste constatering geen nieuwe overtreding heeft plaatsgevonden.
Noot
13De uitleg van de term ‘gasfles’ heeft de wetgever niet-limitatief en breed bedoeld, dit kan bijvoorbeeld een gasfles, tank of cilinder zijn.
Noot
14Een SBI-code is een getal van 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een onderneming is.
Noot
15Dit is het Europese systeem voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen.
Noot
16verboden professioneel vuurwerk danwel een ander voorwerp of stof waarvan redelijkerwijs bekend is dat deze voor een buiten proportioneel brandgevaar/brandgevaarlijke situatie kan veroorzaken voorhanden is. Het gaat hier om voorwerpen en stoffen die als type voorwerp en stof alsook in de omvang buiten het normaal gebruik van een huishouden vallen.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl