Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR736741
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR736741/1
Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025
Geldend van 27-03-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025Wat is de Wet Bibob?
Bibob staat voor ‘bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur’. Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat een bestuursorgaan strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt.
De gemeente voert daarom een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit. Hierbij wordt niet alleen de integriteit van een betrokkene getoetst maar ook wordt er onderzocht of (rechts) personen die tot een zakelijk samenwerkingsverband behoren betrokken zijn of zijn geweest bij criminele activiteiten
Wanneer kan de gemeente een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob doen?
De gemeente mag alleen een eigen onderzoek doen bij de volgende activiteiten:
- -
activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is. Dit geldt ook voor een wijziging van een vergunning/ontheffing.
- -
activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;
- -
opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten);
- -
vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.
In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het eigen onderzoek mogen doen.
Wat kunnen de gevolgen zijn van een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob?
De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik bijvoorbeeld beslissen geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht aan te gaan/af te geven, of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om een vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te ontbinden.
Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Lelystad, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,
Overwegende dat:
- -
gemeente Lelystad alleen zaken wil doen met integere partijen;
- -
de Wet Bibob een instrument is om te beoordelen of partijen waar de gemeente een relatie mee aangaat, integer zijn;
- -
het doel van de Wet Bibob is het voorkomen dat de gemeente strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt;
- -
de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden;
- -
de mogelijkheden om de Wet Bibob toe te passen op grond van de Omgevingswet zijn opgenomen in onderhavige beleidsregels;
Gelet op:
- -
het bepaalde in de Wet Bibob;
- -
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsook;
- -
de relevante bepalingen de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Huisvestingsverordening, de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (m.b.t. de gemeentelijke vergunningen), de Verordening fysieke leefomgeving Lelystad (m.b.t. de gemeentelijke vergunningen), de Verordening Winkeltijden Lelystad, de Algemene Subsidieverordening Lelystad, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Aanbestedingswet 2012 en het Burgerlijk Wetboek.
Besluiten:
vast te stellen de ‘Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025’.
Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
-
1. In de Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025 wordt verstaan onder:
- a.
Beleidsregels: Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester en de gemeenteraad, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;
- b.
Beschikking: een beschikking ter zake van een subsidie, alsmede een beschikking ter zake van een vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie, aanwijzing of ontheffing;
- c.
Bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad en de gemeenteraad van Lelystad, ieder voorzover het hun bevoegdheid betreft;
- d.
Betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidieontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie en de beoogd verkrijger van de erfpacht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling “vastgoedtransactie”;
- e.
Bibob-onderzoek: een onderzoek uitgevoerd krachtens de Wet Bibob;
- f.
Bibob-vragenformulier: het formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 7a, vijfde lid, van de Wet Bibob;
- g.
Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar. Het Bureau verricht hiertoe zelfstandig onderzoek (artikelen 8 en 9 van de Wet);
- h.
De gemeente: gemeente Lelystad als rechtspersoon met een overheidstaak;
- i.
Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeentelijke organisatie aanwezig is en die de gemeente in het kader van het eigen onderzoek kan gebruiken en/of informatie waarover de gemeente op verzoek kan beschikken;
- j.
Eigen onderzoek: de wijze waarop de gemeente in beginsel toepassing geeft aan artikel 7a van de Wet;
- k.
Overheidsopdracht: overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, dan wel een overeenkomst zorg op grond van de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- l.
RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum;
- m.
Vastgoedtransactie: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:
- -
het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;
- -
huur of verhuur;
- -
het verlenen van een gebruikrecht;
- -
de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; of toestemming voor vervreemding van erfpacht als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;
- -
- n.
Wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
- a.
-
2. De definities in artikel 1, eerste lid, van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregels, tenzij er in het eerste lid anders is bepaald.
Artikel 1.2 Toepassing Wet Bibob
Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op de toepassing van de Wet door de rechtspersoon gemeente Lelystad en diens bestuursorganen. Deze beleidsregels laten dus onverlet dat binnen de grenzen van de Wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming wordt betrokken.
Artikel 1.3 Uitvoering Bibob-onderzoek in afwijking van de Beleidsregels
In deze beleidsregel heeft de gemeente Lelystad omschreven in welke gevallen het een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een eigen onderzoek uitvoeren als zij dat nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang het zich aan de Wet Bibob en andere wetten houdt.
Hoofdstuk 2 Beschikkingen
Artikel 2.1 Vergunningen horeca, speelautomatenhal, seksinrichting, openbare inrichting, huisvesting.
-
1. Het bestuursorgaan start altijd een eigen onderzoek bij elke aanvraag voor een vergunning als bedoeld in:
- -
artikel 3 van de Alcoholwet (alcoholwetvergunning);
- -
artikel 30b van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning speelautomaten);
- -
artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning openbare inrichting);
- -
artikel 2:39 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning speelgelegenheid);
- -
artikel 2:40B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning speelautomatenhal);
- -
artikel 2:40O, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (ondermijningsartikel);
- -
artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning seksinrichting, escortbedrijf);
- a.
indien er sprake is van nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf, en/of
- b.
indien er sprake is van een overname of wijziging van een exploitant.
- a.
- -
-
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het bestuursorgaan ten aanzien van:
- -
artikel 30a van de Alcoholwet (melding wijziging leidinggevende);
- -
de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een horecabedrijf betreft van een para-commerciële rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van de Alcoholwet;
- -
de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een slijtersbedrijf is, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
- -
artikel 2:28B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (melding wijziging beheerder openbare inrichting);
- -
artikel 2:40K van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (melding wijziging leidinggevende speelautomatenhal);
- -
Artikel 3:10 van de algemene plaatselijke verordening (melding gewijzigde omstandigheden exploitant en beheerder seksbedrijf);
- -
artikel 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (vergunning snuffelmarkten);
- -
de verhuurvergunning opkoopbescherming en de ontheffing verbod verhuur beschermde woonruimte, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet en de artikelen 3, 4 en 5 van de Huisvestingsverordening Lelystad;
een eigen onderzoek starten, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
Artikel 2.2 Evenementen
Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag als bedoeld in de artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (evenementenvergunning), een eigen onderzoek starten, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
Artikel 2.3 Vergunning Omgevingswet
-
1. Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet voor:
- -
een bouwactiviteit;
- -
een omgevingsplanactiviteit;
- -
een milieubelastende activiteit;
- -
een eigen onderzoek starten, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
-
2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties zoals bedoeld in artikel 5:37 van de Omgevingswet (wijziging aanvrager zoals bedoeld in artikel 5.37, tweede lid van de Omgevingswet).
-
3. Het bestuursorgaan kan een eigen onderzoek starten als:
- -
een omgevingsvergunning is aangevraagd voor één of meer activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid, die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1);
- -
de locatie waarvoor een vergunning is aangevraagd gelegen is in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied.
- -
Artikel 2.5 (Overige) vergunningen als bedoeld in artikel 7 van de Wet
Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag voor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 7 van de Wet (een gemeentelijke vergunning of ontheffing die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor inrichting, bedrijf) anders dan de situaties bedoeld in artikel 2.1 van deze beleidsregels, een eigen onderzoek starten indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
Artikel 2.6 Subsidies
-
1. Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag voor (het vaststellen van) een subsidie of bij een reeds verleende (of vastgestelde) subsidie een eigen onderzoek starten, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situatie als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
-
2. Het bestuursorgaan kan een eigen onderzoek starten als:
- -
de subsidie is aangevraagd voor één of meer activiteiten en/of projecten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1);
- -
de locatie waarvoor een subsidie is aangevraagd gelegen is in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied.
- -
Artikel 2.7 Verleende beschikking
-
1. Het bestuursorgaan kan, in geval van een reeds verleende beschikking, een eigen onderzoek starten indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
-
2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties zoals bedoeld in artikel 5:37 van de Omgevingswet (wijziging vergunninghouder zoals bedoeld in artikel 5.37, tweede lid van de Omgevingswet).
-
3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties wanneer de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning respectievelijk is toegevoegd aan de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) of is aangewezen op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening.
Artikel 2.8 Uitzonderingen
Uitvoering van het eigen onderzoek blijft in beginsel achterwege in het geval een aanvraag afkomstig is van overheidsinstanties, semi overheidsinstanties of woning(bouw)corporaties die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting.
Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties
De gemeente kan een eigen onderzoek doen als de gemeente zelf een vastgoedtransactie doet, zoals het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond. De gemeente moet de betrokkene laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het Landelijk Bureau Bibob om advies vraagt. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit vertellen bij de start van de onderhandelingen.
In het contract van de vastgoedtransactie wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.
Artikel 3.1 Vastgoedtransacties screening vooraf
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek starten, alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
-
2. De gemeente kan een eigen onderzoek starten, alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien:
- a.
de transactie betrekking heeft op een beeldbepalende onroerende zaak of op een onroerende zaak die naar het oordeel van de gemeente symbolische waarde heeft;
- b.
er sprake is van exceptioneel (financieel) risico voor de gemeente.
- a.
-
3. De gemeente start altijd een eigen onderzoek alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, als het vastgoedobject of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meer activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) en/of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied.
Artikel 3.2 Vastgoedtransacties screening achteraf
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek starten nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b, van de Wet is opgenomen én indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een eigen onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald.
Artikel 3.3 Overheidsopdrachten
-
1. De gemeente kan een eigen onderzoek starten bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, dan wel een zorgovereenkomst vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
-
2. In (aanbestedings)documenten zal worden opgenomen dat inschrijvende partijen er rekening mee moeten houden dat de gemeente, alvorens tot definitieve gunning wordt overgegaan, een eigen onderzoek kan starten, dan wel advies kan inwinnen als bedoeld in artikel 9, lid 2, van de Wet.
-
3. In de af te sluiten overeenkomst kan een integriteitsclausule worden opgenomen waarin is aangegeven dat de overeenkomst kan worden ontbonden indien één van de situaties, als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Wet zich voordoet.
-
4. In geval van een overheidsopdracht die onder het bereik van de Wet valt, kan de gemeente een eigen onderzoek starten, indien op grond van:
- -
eigen ambtelijke informatie, en/of
- -
informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of
- -
situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of
- -
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- -
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of
- -
overige signalen,
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- -
-
5. Het vierde lid is zowel van toepassing op de contractpartij als op de onderaannemer.
-
6. De gemeente kan een eigen onderzoek starten vóór het aangaan van de overeenkomst, als één of meer activiteiten van de overheidsopdracht betrekking vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied.
Hoofdstuk 4 Gevolgen van de Bibob-procedure bij beschikkingen
Artikel 4.1 Gevolgen van gebrekkige informatievoorziening door betrokkene
-
1. Het bestuursorgaan kan een aanvraag voor een beschikking buiten behandeling stellen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.
-
2. Het bestuursorgaan kan een verleende beschikking intrekken op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wet, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.
-
3. Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om een formulier, als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet, volledig in te vullen, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet).
-
4. Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om aanvullende gegevens te verschaffen aan het Bureau, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, tweede lid, van de Wet).
Artikel 4.2 Gevolgen van een eigen onderzoek bij aanvragen (tot wijziging) van een vergunning
-
1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning of tot intrekking van een reeds verleende vergunning, indien uit het eigen onderzoek of uit advies van het Bureau blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet.
-
2. Het bestuursorgaan kan de weigering van de vergunninghouder om een formulier, als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet, volledig in te vullen, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet (volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet).
-
3. Het bestuursorgaan kan de weigering van de aanvrager van een vergunning of de vergunninghouder om aanvullende gegevens te verschaffen, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, tweede lid, van de Wet).
-
4. Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar of bij een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet voorschriften aan een beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
-
5. Het verstrekkende bestuursorgaan of de verstrekkende rechtspersoon met een overheidstaak, kan een advies van het Bureau gedurende vijf jaar gebruiken in verband met een andere beslissing.
Artikel 4.3 Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde
-
1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet, dan kan het bestuursorgaan de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar.
-
2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.
Hoofdstuk 5 Gevolgen van de Bibob-procedure bij privaatrechtelijke transacties
Artikel 5.1 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties
-
1. De gemeente kan overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat één van de onderstaande situaties zich voordoet:
- a.
er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;
- b.
er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;
- c.
er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);
- d.
er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;
- e.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a, tweede lid, en artikel 7a, derde lid, van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;
- f.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 4 van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.
- g.
indien er sprake is van het niet verschaffen van de gevraagde gegevens en bescheiden, dan wel het nalaten van de gestelde vragen te beantwoorden zoals onder e. en f. is gesteld, kan dit een ernstig gevaar opleveren zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.
- a.
-
2. In de gevolgen van een eigen onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.
Artikel 5.2 Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde
-
1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet, dan kan de gemeente de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar met betrekking tot de vastgoedtransactie.
-
2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van de gemeente voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.
Artikel 5.3 Gevolgen van een eigen onderzoek bij overheidsopdrachten
-
1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit het eigen onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.
-
2. Bij overeenkomsten als bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan de informatie uit het eigen onderzoek aanleiding zijn om de overeenkomst niet aan te gaan, dan wel te ontbinden.
-
3. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.
-
4. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van door de het Bureau verzochte gegevens.
Hoofdstuk 6 Informatiedeling
-
1. Indien sprake is van een zelfstandige gevaarbeoordeling of sprake is van een vermoeden dat de betrokkene(n) zich terugtrekt vanwege het toepassen van de Wet zal de gemeente hiervan melding maken zoals bedoeld in artikel 7a, lid 7 en lid 8 van de Wet.
-
2. De gemeente zal indien hier aanleiding toe is, gebruik maken van haar tipbevoegdheid als bedoeld in artikel 26 van de Wet.
-
3. De gemeente zal op verzoek de informatie, verkregen op grond van de Wet, verstrekken aan andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak zoals bedoeld en onder voorwaarden als genoemd in artikel 28, lid 2, onder m, van de Wet.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 7.1 Intrekking
De ‘Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2023’ wordt ingetrokken met ingang van het moment waarop deze Beleidsregels in werking treden.
Artikel 7.2 Inwerkingtreding
Deze Beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 7.3 Citeertitel
Deze Beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025”.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Lelystad gehouden op 11 maart 2025 ,
De secretaris,
De burgemeester,
De burgemeester van Lelystad,
Bijlage 1 Risicoactiviteiten
In deze bijlage staan activiteiten waar de gemeente Lelystad een eigen onderzoek op toepast. Voor deze activiteiten bestaat een verhoogd risico op criminaliteit of het witwassen van crimineel verdiend geld.
Hoe zijn de risicoactiviteiten bepaald?
In de lijst met risicoactiviteiten staan de volgende activiteiten:
- -
Activiteiten die onder de Wet Bibob vallen, zoals activiteiten waar een alcoholwetvergunning voor nodig is of voor een seksinrichting of speelautomatenhal. Sinds 2013 vallen ook vastgoedtransacties onder de Wet Bibob, en sinds 2022 ook (zorg)aanbestedingen. Deze activiteiten vallen onder de Wet Bibob omdat bij deze activiteiten volgens de overheid een verhoogd risico is op criminaliteit. Hiervoor is gebruik gemaakt van een onderzoek van criminoloog / emeritus hoogleraar Cyrille Fijnaut.
- -
Activiteiten die vallen in een gebied die op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening is aangewezen door de burgemeester. In deze gebieden geldt dan een vergunningplicht om problemen zoals overlast of onveilige situaties aan te pakken.
- -
Activiteiten die een verhoogd risico hebben op criminaliteit.
Opgemerkt wordt dat dit geen definitieve lijst met risicoactiviteiten is. Aan de hand van de ontwikkelingen kan de lijst worden aangepast. Met een definitieve lijst zou ook het risico bestaan dat criminelen overstappen naar andere branches die buiten de Wet Bibob vallen.
Wanneer voert de gemeente een eigen (Bibob)onderzoek uit bij deze risicoactiviteiten?
De gemeente kan alleen een eigen onderzoek doen bij publiekrechtelijke beschikkingen (zoals vergunningen of subsidies) of privaatrechtelijke transacties (zoals overheidsopdrachten en vastgoedtransacties). Voor onderstaande activiteiten is niet altijd een vergunning nodig. Als er geen vergunning nodig is voor een activiteit, kan de gemeente de Wet Bibob niet direct toepassen. Wel kan het zijn dat de gemeente nog andere beslissingen moeten nemen om die activiteit mogelijk te maken, zoals een omgevingsvergunning verlenen of een vastgoedtransactie sluiten. Als dat zo is, kan de gemeente de Wet Bibob toch nog toepassen.
Het is de bedoeling dat de gemeente het eigen onderzoek zo vroeg mogelijk uitvoert. Anders kan het lastig zijn om een beslissing terug te draaien, bijvoorbeeld bij vastgoedtransacties. Ook geeft dit de betrokkene die de activiteit wil uitvoeren snel duidelijkheid.
Lijst van risicoactiviteiten
In onderstaande lijst staan de risicoactiviteiten die gelden in de gemeente Lelystad. Ze zijn verdeeld over de volgende categorieën.
Horeca-activiteiten
Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Alcoholwet of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente, zoals de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen.
- 1.
Horecabedrijven
- 2.
Coffeeshops
- 3.
Shishalounges
- 4.
Zaalverhuur
De rechter heeft in verschillende uitspraken over horecabedrijven geoordeeld dat algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob .
Recreatie en vrije tijd
Voor deze activiteiten kan een vergunning nodig zijn vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente of vanuit de Omgevingswet. Is dat niet het geval dan is er een mogelijkheid om Bibob toe te passen als sprake is van een vastgoedtransactie of een aanvraag voor subsidie.
- 1.
Evenementen zoals Vechtsportgala’s (of vergelijkbare evenementen)
- 2.
Speelautomatenhallen/gamecenters/casino’s
- 3.
Fitnessbedrijven/sportscholen
Prostitutie
Voor deze activiteit is een vergunning nodig vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Voor deze activiteit geldt ook vaak een maximum aantal per gebied. Soms is ook een wijziging van het omgevingsplan nodig om deze activiteit op een locatie mogelijk te maken.
- 1.
Prostitutie- en seksbedrijven
- 2.
Escortbedrijven
- 3.
Seksbioscopen
- 4.
Erotische massagesalons
De rechter heeft in verschillende uitspraken over prostitutiebedrijven geoordeeld dat het algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob .
Detailhandel en dienstverlening
Voor deze activiteiten is meestal geen vergunning nodig, behalve als de gemeente een vergunning verplicht heeft gemaakt. Soms staat in het Omgevingsplan dat voor deze activiteiten een omgevingsplanactiviteit moet worden aangevraagd.
- 1.
Smartshops/headshops/giftshops
- 2.
Nagelstudio’s
- 3.
Belwinkels
Wonen
Voor deze activiteiten is meestal een omgevingswetvergunning nodig, bijvoorbeeld voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. Ook kunnen er vergunningen nodig zijn vanuit de Huisvestingswet (Huisvestingsverordening), de Wet goed verhuurderschap of regels van de gemeente.
- 1.
Kamerverhuurbedrijven
- 2.
Omzetten/splitsen van woningen/panden voor kamerverhuur of realisatie van (meerdere) woonruimte
- 3.
Huisvesting van arbeidsmigranten
- 4.
Woonwagenterreinen
Opslag
Als voor deze activiteiten gebouwd moet worden, is er vaak een omgevingsvergunning nodig. Ook moet het omgevingsplan misschien veranderd worden.
- 1.
Garageboxen/opslagruimte
- 2.
Bedrijfsverzamelgebouwen
Zorg, welzijn en opleiden
Deze activiteiten gebeuren soms via een overheidsopdracht en soms kan er een subsidie voor worden aangevraagd. Ook is er soms een vergunning voor nodig vanuit de Omgevingswet.
- 1.
Het aanbieden van zorg (inclusief aanbieden van zorgwoningen)
- 2.
Religieuze instellingen
Milieubelastende activiteiten
Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Omgevingswet (vergunning voor een milieubelastende activiteit en/of omgevingsplanactiviteit):
- 1.
(gevaarlijke) Afvalbewerking en -verwerking
Toelichting Beleidsregels toepassing Wet Bibob 2025 gemeente Lelystad
- 1.
Inleiding
-
Een van de conclusies die de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa in 1996 trok, was dat de ernst van georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door, aldus de commissie.
-
Criminele personen kunnen met al dat geld infiltreren in het economische leven door bijvoorbeeld gebruik te maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en vastgoedtransacties. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid tot gevolg.
- 2.
De Wet algemeen
-
De integriteit van bestuursorganen (bijvoorbeeld een gemeente of een provincie) wordt aangetast als er bij een (verleende) vergunning of bij of een vastgoedtransactie, gebruik wordt gemaakt van ‘crimineel’ geld of wanneer de kans groot is dat een vergunning of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen.
-
Ter bescherming van hun eigen integriteit, kunnen gemeenten of provincies sinds 1 juni 2003 de Wet toepassen. Deze Wet dient primair ter inschatting van het integriteitsrisico van overheidsorganen. De Wet is dus geen instrument om vermoedelijke criminele gedragingen van personen/organisaties te bestrijden.
-
Voor de toepassing van de Wet in het algemeen geldt dat het slechts als ultimum remedium, oftewel ‘laatste redmiddel’, dient te worden ingezet. De gemeente is hierdoor verplicht eerst de mogelijkheden na te gaan die de reguliere wetgeving biedt.
- 3.
Waarom beleidsregels?
-
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Wet. De Wet is een facultatieve wet. Dat betekent dat een gemeente zelf mag bepalen wanneer dit instrument wel of niet wordt toegepast.
-
Het invoeren en toepassen van beleidsregels biedt de gemeente meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel de ambtenaren als aan burgers en ondernemingen. Tevens voorkom je als gemeente willekeur in de toepassing van de Wet voor de burger en een onderneming. In de beleidsregels staat namelijk precies aangegeven op welke vergunningen, vastgoedtransacties, subsidies en overheidsopdrachten de Wet van toepassing is en in welke situaties de Wet kan worden toegepast. Tevens geef je als gemeente een nadrukkelijk signaal af voor de bescherming van de eigen integriteit. Dit kan een preventieve werking tot gevolg hebben.
-
In de gevallen, waarin toepassing van het Bibob-instrument beperkt zal worden tot aangewezen branches/gebieden en daarop toegeschreven risico-indicatoren is het noodzakelijk, dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt. Gelet hierop gelden voor de Gemeente onderstaande uitgangspunten.
-
Uitgangspunten Bibob -beleid
- 1.
Er dient een balans te zijn tussen de inzet van het Bibob-instrumentarium en overige belangen die de gemeente dient te behartigen zoals het mogelijk maken van investeringen in de stad, het faciliteren van ondernemers en andere partners en het verminderen van regeldruk.
- 2.
Het instrument wordt vooral ingezet waar de kans dat zich criminele activiteiten voordoen het grootst is. Door het Bibob instrumentarium risicogericht in te zetten worden de administratieve lasten voor ondernemers zoveel mogelijk beperkt. Ondernemers en markpartijen die te maken kunnen krijgen met een eigen onderzoek worden hier in een zo vroeg mogelijk stadium over geïnformeerd.
- 3.
De toepassing van de Wet is één van de middelen in de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit en de aanpak van ondermijning in zijn geheel en vormt samen met de strafrechtelijke en fiscale benadering een integraal geheel.
- 1.
- 4.
Toepassingsbereik van de Wet
-
Zoals eerder is aangegeven mag de gemeente alleen een eigen onderzoek doen bij de volgende activiteiten:
- -
activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is;
- -
activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;
- -
opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten);
- -
vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.
- -
-
In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het eigen onderzoek mogen doen.
-
Gemeente Lelystad voert op een aantal onderdelen altijd en eigen onderzoek uit en op een aantal onderdelen kan een eigen onderzoek uitgevoerd worden als de gemeente daartoe aanleiding ziet.
- 4.1
Publiekrechtelijke beschikkingen
-
In artikel 2.1, eerste lid, van deze beleidsregels zijn de beschikkingen opgenomen, waarbij elke aanvraag om (een wijzing van) een vergunning aan de Wet wordt getoetst. De keuze hiertoe is ingegeven door ervaringen in de achterliggende jaren, waarbij gebleken is, dat de onderhavige bedrijfsmatige activiteiten middels deze beschikkingen gekenmerkt worden door:
- -
zeer laagdrempelig door de geringe functie-eisen voor de onderhavige ondernemingen;
- -
grootschalig gebruik van cash-geld, waardoor zij extra bevattelijk zijn voor invloeden vanuit criminele organisaties voor "witwaspraktijken";
- -
bedrijfsmatige activiteiten die minder locatie/plaatsgebonden zijn, waardoor het waterbedeffect zich hier nadrukkelijk kan voordoen.
- -
-
Daarnaast is een aantal ‘kan’-bepalingen opgenomen in deze beleidsregels. Uitgangspunt daarbij is dat een eigen onderzoek niet bij elke aanvraag plaats hoeft te vinden. De toepassing blijft in die zaken beperkt tot de gevallen waarin er sprake is van informatie of van bepaalde signalen waardoor er mogelijk een vergroot risico bestaat op criminele invloeden en dus een grote(re) kans op het schaden van de (eigen) integriteit. Aan de hand van het uitvoeren van een voortoets, waarbij openbare bronnen en half gesloten bronnen worden onderzocht en/of indicatorenlijsten wordt besloten om al dan geen eigen onderzoek toe te passen. De voortoets wordt uitgevoerd door de vakafdeling. Als er signalen zijn worden deze afgestemd met de Bibob coördinator. De Bibob coördinator doet verder onderzoek en aan de hand daarvan kan een eigen onderzoek worden gestart en eventueel nader advies worden gevraagd aan het Bureau.
-
Ook kan een eigen onderzoek uitgevoerd worden als er sprake is van risico activiteiten, zoals in bijlage 1 opgenomen of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen, waarvoor op dat moment een vergunningplicht geldt.
-
Als sprake is van voornoemde activiteiten of aangewezen gebieden wordt de Bibob coördinator direct betrokken bij een ingediende aanvraag. De voortoets waarbij de informatie bronnen worden geraadpleegd vindt in deze situaties onder regie van de Bibob coördinator plaats. Aan de hand daarvan kan een eigen onderzoek worden gestart en eventueel nader advies worden gevraagd aan het Bureau.
- 4.2
Privaatrechtelijke transacties
-
De uitbreiding van de Bibob-wetgeving op dit onderwerp beperkt zich tot de gevallen, waarin een bestuursorgaan middels een privaatrechtelijke transactie partij is. Daarbij is het niet gewenst om bij elke transactie tot inzet van dit instrument te besluiten. Ook bij privaatrechtelijke transacties wordt aan de hand van het uitvoeren van een voortoets, waarbij openbare bronnen worden onderzocht en/of indicatorenlijsten worden geraadpleegd, besloten om al dan geen eigen onderzoek toe te passen.
-
In artikel 3.1 van deze beleidsregels wordt de toepasbaarheid bij vastgoedtransacties omschreven.
-
In zijn algemeenheid wordt deze sector als krachtig en betrouwbaar beschouwd. Op onderdelen is echter gebleken dat deze sector ook erg kwetsbaar kan zijn. Ervaring leert dat de sector ‘vastgoed’ vatbaar is voor criminele inmenging dan wel dat er vaker sprake is van ondoorzichtige financieringsstructuren.
-
Om die reden wordt bij vastgoedtransacties altijd een eigen onderzoek gestart alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, als het vastgoedobject of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meer activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) en/of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied.
-
Door het eigen onderzoek al bij een vastgoedtransactie uit te voeren wordt daarmee meer aan de voorkant geacteerd.
-
Opgemerkt wordt dat het Burgerlijk Wetboek niet bij iedere vastgoedtransactie ruimte biedt om een opzeggingsmogelijkheid, een ontbindingsrecht of een opschortende voorwaarde te bedingen.
-
Een huurovereenkomst met betrekking tot een zelfstandige woning, die is aangegaan voor onbepaalde tijd, kan door de verhuurder bijvoorbeeld uitsluitend worden opgezegd op een van de in artikel 7:274 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden. Het opnemen van een artikel in de huurovereenkomst waarin is bepaald dat de overheid de huurovereenkomst kan opzeggen indien uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er enige mate van gevaar is, is dus zinloos.
-
De overheid kan namelijk geen beroep doen op dit artikel, omdat dit artikel nietig is.
-
In artikel 3.3 wordt de toepasbaarheid bij overheidsopdrachten omschreven.
-
Sinds de wetswijzing van 1 augustus 2020 kunnen alle overheidsopdrachten worden getoetst aan de Wet. Per 1 oktober 2022 vallen ook de zogenaamde ‘sociale en andere specifieke diensten’ (SAS-diensten), gericht op zorg (zoals bedoeld in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning), die worden ingekocht door rechtspersonen met een overheidstaak via een (semi-) open house- of toelatingsprocedure, onder het bereik van de Wet (artikel 1, lid 4, sub b).
-
Daarbij is het niet de bedoeling om bij elke overheidsopdracht over te gaan tot een eigen onderzoek. Wel wordt een voortoets uitgevoerd door de vakafdeling. Als er signalen zijn worden deze afgestemd met de Bibob coördinator. De Bibob coördinator doet verder onderzoek en aan de hand daarvan kan een eigen onderzoek worden gestart.
-
Als sprake is van een risicoactiviteit zoals opgenomen in bijlage 1 of als er sprake is van een op grond van artikel 2:40O van de Apv aangewezen gebied wordt de Bibob coördinator direct betrokken bij een overheidsopdracht. De voortoets waarbij open bronnen worden geraadpleegd vindt in deze situaties onder regie van de Bibob coördinator plaats. Aan de hand daarvan kan een eigen onderzoek worden gestart.
- 5.
Versterking eigen onderzoek
-
Bij de uitvoering van het eigen onderzoek, zal de gemeente in eerste aanleg gebruik maken van alle relevante gegevens uit haar eigen informatiehuishouding. Ook worden open- half gesloten en gesloten bronnen geraadpleegd om te bezien of dat daar relevante informatie over deze zaak voorhanden is. De mogelijkheden tot het doen van eigen onderzoek door gemeenten zijn versterkt met voornoemde wetswijzigingen. Het bestuursorgaan krijgt toegang tot meer justitiële gegevens, niet meer enkel de gegevens van de betrokkene en (indirecte) bestuurders, maar ook van een aantal categorieën derden. Zie hiervoor artikel 15, eerste lid, sub b, juncto tweede lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.
-
Verder zijn de RIEC’s bevoegd om het volledige eigen onderzoekdossier van de gemeente als ook het advies van het Bureau in te zien. Het RIEC kan de eigen onderzoeksfase van het bestuursorgaan versterken door het verstrekken van relevante informatie van bijvoorbeeld de Belastingdienst. Ook kan het RIEC het eigen onderzoek ondersteunen en in concrete gevallen adviseren om wel/niet over te gaan tot het indienen van een adviesaanvraag bij het Bureau.
-
Indien de gemeente een advies van het Bureau heeft ontvangen, rust daar voor deze gemeente een vergewisplicht op. Dit advies kan worden voorgelegd aan de leden van het lokale driehoeksoverleg. De beslissing aan het einde van een Bibob-toets blijft uiteindelijk een zelfstandige bevoegdheid voor de gemeente, waarbij zij, in geval van weigering dan wel intrekking, haar besluit afdoende dient te motiveren.
-
Vervolgens zijn bij de wetswijziging van 1 oktober 2022 de bevoegdheden verruimd met betrekking tot informatiedeling. Bestuursorganen kunnen voor hun eigen onderzoek aan het Bureau vragen of een relevante Bibob-relatie eerder heeft bijgedragen aan een ernstig gevaar of aan een mindere mate van gevaar. Dit gebeurt via het raadplegen van het Bibob-register waartoe de Bibob-coördinator van de Gemeente toegang heeft. Het was al mogelijk om aan het Bureau te vragen of over de betrokkene en diens zakelijk samenwerkingsverband in de afgelopen 5 jaar advies was uitgebracht en zo ja, met welke gevaarconclusie. Ook kan het bestuursorgaan een advies van het Bureau over een periode van vijf jaar hergebruiken voor een ander besluit. Voorts kunnen bestuursorganen onderling elkaar van informatie voorzien of elkaar tippen en kan er informatie gedeeld worden met de Omgevingsdienst. Ten slotte kan de Belastingdienst gegevens over fiscale vergrijp- en verzuimboetes rechtstreeks aan bestuursorganen verstrekken voor hun eigen onderzoek.
- 6.
Model Bibob-beleid
-
Bij de totstandkoming van deze ‘Beleidsregels toepassing Wet Bibob 2025 gemeente Lelystad’ is informatie gebruikt van de model beleidsregel Bibob van het RIEC. Dit sluit ook aan bij de gedachte van de Flevolandse norm, waarbij de intentie is uitgesproken om onder andere beleid en regelgeving met elkaar af te stemmen om zodoende een gelijke aanpak te hanteren tegen ondermijning en om het waterbedeffect zoveel mogelijk te voorkomen.
-
De kracht van het Bibob-instrument neemt nadrukkelijk toe als de toepassing door zoveel mogelijk gemeenten gebeurt en de onderliggende toepassingscriteria binnen de gemeenten zo veel mogelijk eenduidig zijn.
-
Daarbij moet worden opgemerkt dat te allen tijde de ‘çouleure locale’ wordt betrokken en er wordt gekeken naar de lokale situatie, de risico’s en de haalbaarheid van de uitvoering van deze beleidsregels.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl