Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam

Geldend van 20-03-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 108 Gemeentewet en artikel 160 eerste lid sub a Gemeentewet besluit de volgende regeling vast te stellen: beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam.

Inhoudsopgave

Artikel 1.1 Begripsbepaling

Artikel 2.1 Gegevensuitvraag.

Artikel 2.2 Verlaging vanwege het ontbreken van woonkosten

Artikel 2.3 Vrijlating deeltijdinkomsten

Artikel 2.4 Giftendrempel

Artikel 2.5 Toekenning van bijstand

Artikel 3.1 Vrijlating re-integratiepremies.

Artikel 3.2 Incidentele inkomsten.

Artikel 3.3 Inkomstenverrekening.

Artikel 3.4 Vermogensvaststelling

Artikel 3.5 Vrijlating vermogen

Artikel 3.6 Schadevergoeding

Artikel 4.1.verrekenen.

Artikel 5.1 Vooropgezet tijdelijk verblijf

Artikel 5.2 Verrekenen van inkomsten op jaarbasis (bescheidenschaalregeling)

Artikel 5.3 Noodzakelijke betalingen

Artikel 5.4 Voorbereidingskrediet

Artikel 6 Hardheidsclausule

Artikel 7 Inwerkingtreding

Artikel 8 Citeerartikel

Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen.

  • b.

    Bijstand: een inkomensvoorziening op grond van de Participatiewet en Bbz.

  • c.

    Bijstandsgerechtigde: inwoner van de gemeente Amsterdam, van wie het recht op inkomensvoorziening in de vorm van bijstand of uitkering is vastgesteld.

  • d.

    College: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam.

  • e.

    Dringende redenen: bij een beroep op dringende redenen worden de sociale en financiële gevolgen van de beslissing beoordeeld op hun onaanvaardbaarheid voor de situatie van betrokkene.

  • f.

    Gerechtigde: inwoner van de gemeente Amsterdam, van wie het recht op een inkomensvoorziening is vastgesteld.

  • g.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

  • h.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

  • i.

    Inkomensvoorziening: een financiële verstrekking op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Bbz, bedoeld voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • j.

    Inlichtingenplicht: de in artikel 17 eerste lid, Participatiewet, artikel 13, eerste lid IOAW en IOAZ, bedoelde verplichting van de aanvrager en de bijstands- en uitkeringsgerechtigde om het college te informeren over alle feiten en omstandigheden waarvan diegene redelijkerwijs kan begrijpen dat die van invloed kunnen zijn op het recht op de inkomensvoorziening of de hoogte daarvan.

  • k.

    Uitkering: een inkomensvoorziening op grond van de IOAW of de IOAZ.

  • l.

    Uitkeringsgerechtigde: inwoner van de gemeente Amsterdam, waarvan het recht op inkomensvoorziening in de vorm van uitkering is vastgesteld.

  • 1.2.

    Voor zover niet anders bepaald worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet. Daar waar wet- en regelgeving gelijk zijn voor een bijstandsgerechtigde en een uitkeringsgerechtigde c.q. voor bijstand en uitkering worden in deze beleidsregel de termen bijstandsgerechtigde en bijstand gebruikt. Bij verschillen in wet- en regelgeving worden de verschillen expliciet benoemd.

Artikel 2.1. Gegevensuitvraag

Voor aanvang van de verlening van de inkomensvoorziening vraagt het college geen nadere bewijsstukken op tenzij:

  • 1.

    tijdens de behandeling van de aanvraag sprake blijkt van een verschil tussen de opgave van de aanvrager en de gegevens zoals die van de aanvrager in de bronbestanden zijn geregistreerd of op basis van andere objectieve gegevens concrete twijfel over de juistheid van de opgave bestaat.

  • 2.

    er sprake is van een hernieuwde aanvraag en de aanvrager zich beroept op gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag.

  • 3.

    de voorgaande bijstandsperiode is beëindigd als gevolg van een onderzoek naar de rechtmatigheid ervan en de nieuwe aanvraag binnen een jaar na beëindiging van de voorgaande bijstands- of uitkeringsperiode is ingediend.

  • 4.

    de aanvrager in het bezit is van een woning.

  • 5.

    er sprake is van een aanvraag in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen.

Artikel 2.2. Verlaging vanwege het ontbreken van woonkosten

Op grond van paragraaf 3.3 van de Participatiewet kan het college de bijstandsnorm verlagen.

  • a.

    Het college verlaagt de norm met 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden, genoemd in artikel 21 onderdeel b van de Participatiewet, wanneer de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of als gevolg van het niet aanhouden van een woning.

  • b.

    Het college verlaagt de norm, met 10% van de bijstandsnorm voor gehuwden, genoemd in artikel 21 onderdeel b van de Participatiewet, wanneer de belanghebbende geen woning aanhoudt en ook niet in een inrichting verblijft, maar het aannemelijk is dat gebruik wordt gemaakt van de maatschappelijke opvang.

Artikel 2.3. Vrijlating deeltijdinkomsten

  • a.

    Voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijlating van inkomsten uit arbeid, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n en r, van de Participatiewet, artikel 8, tweede en vijfde lid, van de IOAW en artikel 8, derde en negende lid, van de IOAZ, gaat het college ervan uit dat deze per definitie bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

  • b.

    Als het verwerven van inkomsten uit arbeid door een bijstandsgerechtigde pas achteraf door het college wordt geconstateerd doordat de betrokkene het college hierover niet had geïnformeerd, gaat het college ervan uit dat naderhand toepassen van een vrijlating van deze eerder verworven inkomsten niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling en past het college de vrijlating daarom niet toe.

Artikel 2.4. Giftendrempel

  • a.

    Het college is van oordeel dat giften als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet, alsmede besparingskosten, verantwoord zijn zolang deze per kalenderjaar niet hoger zijn dan € 1.800 en dat voor de giften van de ontvanger geen tegenprestatie wordt gevraagd of is verleend.

  • b.

    Wanneer de giften in een kalenderjaar tezamen hoger zijn dan € 1.800 kan het college op basis van individuele omstandigheden van de persoon of diens gezin, besluiten het meerdere vrij te laten voor de beoordeling van het recht op inkomensvoorziening of de hoogte daarvan. Het is aan het college te onderbouwen wanneer het college oordeelt dat de hogere giften verantwoord zijn vanuit het oogpunt van bijstandsverlening.

  • c.

    Wanneer achteraf blijkt dat belanghebbende in een kalenderjaar in totaal meer dan € 1.800 aan giften heeft ontvangen, het meerdere daarvan niet verantwoord is vanuit het oogpunt van bijstandsverlening en belanghebbende het overschrijden van de € 1.800 niet uit eigen beweging heeft gemeld, en dit leidt tot een benadelingsbedrag, wordt bij de vaststelling van de hoogte van het benadelingsbedrag de eerste € 1.800 buiten beschouwing gelaten.

  • d.

    Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank en dergelijke charitatieve instellingen worden niet als middel beschouwd.

Artikel 2.5. Toekenning van bijstand

  • a.

    Het college wijkt op verzoek af van het in artikel 44 lid 1 Participatiewet neergelegde uitgangspunt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Het college wijkt op verzoek af van dit uitgangspunt wanneer (1) de aanvrager heeft aangetoond dat de latere melding diegene niet te verwijten valt en/of (2)er sprake blijkt van dringende redenen.

  • b.

    Wanneer het college op basis van dringende redenen met terugwerkende kracht bijstand toekent, beperkt het college de duur van die periode tot maximaal drie maanden.

Artikel 3.1. Vrijlating re-integratiepremies

Voor de toepassing van de vrijlating van re-integratiepremies, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder j, van de Participatiewet en, voor de toepassing van de IOAW en de IOAZ, artikel 2.8, eerste lid, onder b, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, gaat het college ervan uit dat een dergelijke premie per definitie bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

Artikel 3.2. Incidentele inkomsten

  • a.

    Inkomsten uit hobby of niet bedrijfsmatige activiteiten worden tot een bedrag van € 1.200 euro per kalenderjaar niet in mindering gebracht op de bijstand. Hieruit vloeit voort dat dergelijke inkomsten pas onder de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 lid 1 Participatiewet vallen, wanneer de inkomsten in het kalenderjaar de € 1.200 overschrijden.

  • b.

    Incidentele inkomsten uit gokken worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand. Wanneer de winst uit gokken niet kan worden aangetoond, is het in aanmerking te nemen bedrag zo hoog als de inzet over het kalenderjaar. De vrijlating van € 1.200 wordt hier niet toegepast.

Artikel 3.3 Inkomstenverrekening

Bij de vaststelling van aanspraak op aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet houdt het college rekening met de middelen, zoals omschreven in artikel 31, eerste en tweede lid van de Participatiewet, en het netto inkomen, zoals beschreven in artikel 31, derde lid van de Participatiewet.

  • a.

    Het college rekent niet tot de middelen vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, evenals onkostenvergoedingen, tenzij deze tot het fiscaal loon worden gerekend;

  • b.

    Om het netto inkomen te bepalen en om automatische inkomstenverrekening mogelijk te maken, maakt het college gebruik van een generiek standaardpercentage voor de heffing Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten/Werkhervattingskas (WGA/WHK), dat elk jaar opnieuw wordt vastgesteld op de volgende wijze:

    • het gemiddelde premiepercentage, zoals vermeld in de premiewijzer van het UWV;

    • vermenigvuldigd met drie;

    • gedeeld door twee.

  • Als door toepassing van het generiek standaardpercentage de belanghebbende er financieel nadeel van ondervindt, dan houdt het college rekening met het daadwerkelijk toegepaste heffingspercentage.

  • c.

    Dit artikel komt te vervallen, zodra in de Participatiewet of een daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling, de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen.

Artikel 3.4. Vermogensvaststelling

  • a.

    Het vermogen wordt bij de aanvang van de bijstand vastgesteld door de aanwezige direct opeisbare schulden in mindering te brengen op de in aanmerking te nemen bezittingen en van dit totaal anderhalf keer de van toepassing zijnde maandnorm af te trekken.

  • b.

    Wanneer er gedurende de bijstandsperiode sprake is van een toename van de bezittingen wordt het vermogen opnieuw vastgesteld volgens de daartoe onder a van dit artikel genoemde systematiek.

Artikel 3.5. Vrijlating vermogen

Van de gezamenlijke waarde van roerende en onroerende zaken zoals voertuigen, caravan, tuinhuisje, boot en camper, wordt bij aanvang van de algemene bijstand de eerste € 5000 vrijgelaten.

Artikel 3.6. Schadevergoeding

  • a.

    De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.

  • b.

    Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

  • c.

    Indien de schadevergoeding voor immateriële schade meer bedraagt dan € 47.500 wordt het meerdere van dat bedrag in aanmerking genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand.

Artikel 4.1. Verrekenen

Het college maakt gebruik van de in artikel 58 vierde lid Participatiewet en artikel 25 vierde lid IOAW en IOAZ, genoemde bevoegdheid om in de voorgaande zes respectievelijk drie maanden ontvangen middelen te verrekenen met de inkomensvoorziening en hanteert daarbij de volgende voorwaarden:

  • a.

    De verrekening met de bijstand vindt niet langer plaats dan zes maanden en de verrekening met de uitkering vindt niet langer plaats dan drie maanden.

  • b.

    Het na verrekening overgebleven bedrag aan te veel ontvangen inkomensvoorziening, wordt terug- en ingevorderd volgens de daartoe in de beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 genoemde bepalingen.

  • c.

    Het maandelijks te verrekenen bedrag is, tenzij er uitdrukkelijke toestemming is van de gerechtigde om hiervan af te wijken, nooit hoger dan € 150.

Artikel 5.1. Vooropgezet tijdelijk verblijf

  • a.

    Indien er voor het delen van het hoofdverblijf door twee partijen sprake is van vooropgezet tijdelijk verblijf als gevolg van de aanwezigheid van een dringende redenen bij één van de twee partijen, dan kan het college op verzoek van de belanghebbende(n) beiden als individueel subject van bijstand beschouwen als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder a Participatiewet voor de duur van maximaal 6 maanden.

  • b.

    na 6 maanden beoordeelt het college opnieuw de omstandigheden van de belanghebbende(n). Indien er nog steeds sprake is van dringende redenen en er is perspectief op een eigen vaste woonplek/woning, dan kan het college besluiten de periode te verlengen met nog eens maximaal 6 maanden.

  • c.

    Het college herbeoordeelt de situatie maximaal 1 keer. Indien bij herbeoordeling alsnog beroep wordt gedaan op dringende redenen voor het delen van het hoofdverblijf accepteert het college dit in beginsel niet. Er wordt dan een besluit genomen dat er sprake is van hoofdverblijf en kostendelen als bedoeld in artikel 19a Participatiewet of dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 lid 3 Participatiewet.

  • d.

    Indien in de afgelopen 5 jaar al gebruik is gemaakt van de kennismakingsperiode, kan er geen gebruik worden gemaakt van vooropgezet tijdelijk verblijf.

Artikel 5.2. Verrekenen van inkomsten op jaarbasis (bescheidenschaalregeling)

Ingevolge artikel 45, tweede lid, Participatiewet kan het college besluiten de algemene bijstand over een andere periode dan per kalendermaand vast te stellen of te betalen.

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 45, tweede lid Participatiewet, indien een uitkeringsgerechtigde Amsterdammer op bescheiden schaal bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden voor eigen rekening verricht, voor minder dan 23,5 uur per week (1225 uur op jaarbasis), wanneer vooraf toestemming is ontvangen van het college;

  • 2.

    Het college geeft toestemming in de volgende gevallen:

    • a.

      Wanneer een uitkeringsgerechtigde Amsterdammer begeleiding ontvangt zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 met het doel om te starten als zelfstandige in de zin van art. 1 sub b Bbz 2004 en de werkzaamheden naar het oordeel van het college daaraan bijdragen;

    • b.

      Aan Amsterdammers die wegens een arbeids- of medische urenbeperking beperkt zijn in het type werk dat zij kunnen uitvoeren en/of het aantal uren dat zij kunnen werken. Waarbij het uitvoeren van parttime werkzaamheden als zelfstandige de beste manier is om gedeeltelijk in het eigen levensonderhoud te voorzien;

    • c.

      In overige gevallen waarbij het verrichten van zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal naar het oordeel van het college de beste manier is om actief deel te nemen aan de maatschappij en/of te werken aan vaardigheden en competenties die uiteindelijk wel kunnen leiden tot een zelfstandig inkomen.

  • 3.

    De periode waarvoor toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid van het college, bedoeld in het eerste lid, bedraagt twaalf maanden. Deze periode kan worden verlengd wanneer individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven;

  • 4.

    Bij toepassing van de bevoegdheid van het college, bedoeld in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden en uitgangspunten:

    • a.

      De werkzaamheden zijn van bescheiden omvang en nemen gemiddeld maximaal 23,5 uur per week in beslag.

    • b.

      De bedrijfsmatige activiteiten voldoen aan de wettelijke vereisten;

    • c.

      De Amsterdammer hanteert gebruikelijke marktprijzen;

    • d.

      De Amsterdammer voert een deugdelijke boekhouding;

    • e.

      Er worden geen verplichtingen aangegaan voor een langere periode dan dat de regeling wordt toegekend;

    • f.

      De door de klant gemaakte zakelijke kosten dienen noodzakelijk te zijn voor de bedrijfsvoering, te passen bij het bescheiden karakter en redelijkerwijs in verhouding te staan tot de gemaakte omzet. In de bijstandsnorm begrepen kosten worden niet als zakelijk aangemerkt.

  • 5.

    Na afloop van het kalenderjaar neemt het college een beslissing over het in aanmerking te nemen inkomen over de periode waarop de uitkeringsgerechtigde Amsterdammer recht had op algemene bijstand. De basis daarvan is het resultaat uit onderneming of uit overige werkzaamheden, na aftrek van de daarover verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekering, alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, maar zonder rekening te houden met de ondernemersaftrek zoals bedoeld in artikel 3.74 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 5.3. Noodzakelijke betalingen

Ingevolge artikel 57, aanhef, en onderdeel a, van de Participatiewet kan het college, indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht.

Artikel 5.4. Voorbereidingskrediet

Ingevolge artikel 2 lid 3 van het Bbz 2004 kan een persoon die algemene bijstand ontvangt gedurende ten hoogste 12 maanden gebruik maken van een voorbereidingsperiode. Personen die in verband met het voorbereidingstraject kosten moeten maken, kunnen daarvoor een beroep doen op het voorbereidingskrediet.

  • 1.

    De hoogte van het voorbereidingskrediet bedraagt maximaal € 2.000.

  • 2.

    Het voorbereidingskrediet heeft in eerste instantie de vorm van een renteloze lening. Start de betrokkene in aansluiting op het voorbereidingstraject een bedrijf, dan wordt de renteloze geldlening omgezet in een rentedragende geldlening zoals nader is bepaald in artikel 29 van het Bbz 2004. Daarbij wordt voor de hoogte van het rentepercentage van het voorbereidingskrediet aangesloten bij artikel 15 van het Bbz 2004.

  • 3.

    Het College kan het voorbereidingskrediet ook toekennen aan klanten met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) onder toepassing van dezelfde voorwaarden als bedoeld in de aanhef, lid 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 6 - Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in deze Beleidsregels als toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 7 - Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 maart 2025.

Artikel 8 - Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering 21 januari 2025.

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Peter Teesink

Toelichting op de beleidsregels

Hieronder wordt een toelichting gegeven op de artikelen die zijn opgenomen in deze beleidsregels. Als een artikel niet hieronder is opgenomen, dan behoeft dat betreffende artikel geen toelichting.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1 - Begripsbepaling

Deze beleidsregels gaan over de invulling van de bevoegdheden die het college heeft op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en het BBZ. Omdat deze wettelijke kaders verschillen en in sommige gevallen andere bepalingen kennen, wordt in deze beleidsregels waar nodig een onderscheid gemaakt tussen bijstand (Participatiewet en BBZ) en uitkering (IOAW en IOAZ). Daarnaast is het overkoepelende begrip inkomensvoorziening gedefinieerd, als bedoeld voor de kosten voor het dagelijks levensonderhoud. Hiermee worden specifieke kosten uitgesloten, waarvoor bijzondere bijstand de aangewezen voorziening is. De bijzondere bijstand kent een eigen set aan beleidsregels.

Artikel 2.1 - Gegevensuitvraag

Het college gaat bij de beoordeling van het recht op bijstand uit van vertrouwen in Amsterdammers. Daarbij past dat het college van Amsterdammers niet vraagt het recht op bijstand door middel van bewijsstukken nog eens aan te tonen wanneer dat niet nodig is.

Om oneigenlijk gebruik en misbruik te voorkomen heeft het college in de in artikel 2.1 genoemde uitzonderingssituaties de mogelijkheid om nadere gegevens uit te vragen.

Artikel 2.2 - Verlaging vanwege het ontbreken van woonkosten

Het college heeft de bevoegdheid om de bijstand te verlagen, wanneer een persoon “lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning” (art. 27 Participatiewet).

Wanneer er geen woonkosten aanwezig zijn, wordt de bijstand verlaagd met 20%; wanneer een dak- of thuisloze gebruik maakt van de nachtopvang wordt de bijstand verlaagd met 10%, en wanneer de dak- of thuisloze gebruik maakt van residentiële maatschappelijke opvang (sociaal pension e.d.) wordt de bijstand niet verlaagd.

De winterkoudeopvang, geldt als een vorm van maatschappelijke opvang waarbij, net als bij de ‘reguliere’ nachtopvang, een verlaging geldt van 10%.

De verlaging met 10% in plaats van 20% is bedoeld om het gebruik van het aanbod van de maatschappelijke hulpverlening te stimuleren.

Wanneer er sprake is van anti-kraak, betaalt de bewoner over het algemeen een anti-kraakvergoeding op basis van een bruikleenovereenkomst èn betaalt de bewoner voor de nutsvoorzieningen (gas, licht, water). Wanneer dit het geval is, wordt ook geen verlaging op grond van art. 27 Participatiewet toegepast.

Artikel 2.3 - Vrijlating deeltijdinkomsten

Uitgangspunt in de onderhavige uitkeringswetten is dat inkomsten uit arbeid volledig met de bijstand of uitkering worden verrekend. Hierop bestaan wettelijke uitzonderingen waardoor in een aantal situaties een deel van de inkomsten wordt vrijgelaten (afhankelijk van welke situatie op de uitkeringsgerechtigde van toepassing is, gaat het om 12,5%, 15% of 25%, met een maximumbedrag per maand).

Voor twee situaties geldt daarbij als extra voorwaarde dat het college van oordeel is dat de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene. Het gaat om de volgende vrijlatingen:

  • -

    25% van de arbeidsinkomsten gedurende maximaal 6 maanden; deze vrijlating geldt voor elke bijstandsgerechtigde ouder dan 27 jaar;

  • -

    12,5% van de arbeidsinkomsten gedurende maximaal 30 maanden; deze vrijlating geldt aansluitend gedurende maximaal 30 maanden voor alleenstaande ouders vanaf 27 jaar met een kind tot 12 jaar.

Wanneer een persoon die in aanmerking komt voor een van deze vrijlatingen deeltijdwerk doet, gaat het college ervan uit dat de gedeeltelijke vrijlating van inkomsten bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Dit uitgangspunt geldt echter niet wanneer de betrokkene richting gemeente deze inkomsten niet opgegeven heeft. Deze bepaling voorkomt dat het college per persoon en per deeltijdbaan een afweging moet maken of een vrijlating al dan niet bijdraagt aan iemands arbeidsintegratie.

Als inkomsten niet zijn opgegeven en het verwerven daarvan pas naderhand is geconstateerd, zijn de Beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 van toepassing. Bij terugvordering wordt geen rekening gehouden met een aanspraak op 25% of 12,5% vrijlating.

Artikel 2.4 - Giftendrempel

Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden de vrijheid ervaren de aan hen geboden hulp te accepteren, zonder dat zij bang hoeven te zijn voor de negatieve gevolgen voor het recht op inkomensvoorziening. Onderlinge hulpvaardigheid wordt zo niet bestraft en bijstandsgerechtigden worden op deze manier in staat gesteld om naar eigen inzicht tijdelijke financiële tekorten het hoofd te bieden.

Omdat door de gerechtigde ontvangen giften lager dan € 1.800 niet van invloed zijn op het recht op inkomensvoorziening, vallen deze buiten de inlichtingenplicht. Pas wanneer de hoogte van de giften dit bedrag in het kalenderjaar overschrijdt, moet de gerechtigde het college hierover informeren.

Het is voor de beoordeling of er sprake is van een gift, niet van belang of deze afkomstig is uit het persoonlijke netwerk van belanghebbende of van een charitatieve instelling.

Giften in natura, zoals boodschappen, die in het verleden gezien zijn als besparingskosten vallen onder dit giftenbeleid. Het college heeft voor de beoordeling per kalenderjaar gekozen vanuit het oogpunt van uitvoeringsgemak en duidelijkheid.

Het kan gebeuren dat het totaal aan ontvangen giften de grens van € 1.800 te boven gaat. Wanneer dit gebeurt, valt dit onder de inlichtingenplicht. In die gevallen beoordeelt het college op basis van de individuele omstandigheden van de gechtigde inkomensvoorziening. Bijvoorbeeld om schulden te voorkomen of klein te houden of om kinderen in het gezin te faciliteren mee te komen op school of in de samenleving

Artikel 2.5 - Toekenning van Bijstand

Er is sprake van dringende redenen wanneer de weigering om met terugwerkende kracht bijstand te verstrekken voor de aanvrager aantoonbaar onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen heeft. Het kan namelijk voorkomen dat omstandigheden het denk- en doenvermogen van een persoon belemmeren om een aanvraag voor bijstand te kunnen doen. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn bijvoorbeeld een opname in het ziekenhuis, ziekte of overlijden van een naaste. De conclusie dat er sprake is van dringende redenen is altijd gebaseerd op maatwerk.

Artikel 3.1 - vrijlating re-integratiepremies

Uitgangspunt in de onderhavige uitkeringswetten is dat inkomsten met de inkomensvoorziening worden verrekend. Hierop bestaan wettelijke uitzonderingen waardoor in een aantal situaties inkomsten kunnen worden vrijgelaten. Wanneer een bijstandsgerechtigde een zogenoemde re-integratiepremie ontvangt, waarbij is voldaan aan de wettelijke voorwaarden hiervoor voor wat betreft hoogte en frequentie binnen een jaar, kan deze worden vrijgelaten. Daarbij geldt als extra voorwaarde dat het college van oordeel is dat de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene. Wanneer een persoon een dergelijke premie ontvangt, gaat het college ervan uit dat de vrijlating hiervan bijdraagt aan arbeidsinschakeling. De premie wordt dan niet verrekend met de inkomensvoorziening. Dit geldt zowel voor een premie die door het college is verstrekt, als voor een premie die door een derde, zoals een werkgever, wordt verstrekt in verband met re-integratie.

Door het college kunnen de volgende premies worden verstrekt: deeltijdpremie, een premie i.v.m. deelname aan een leerstage of proefplaatsing en een experimentele uitstroompremie.

Artikel 3.2 - Incidentele inkomsten

In het kader van dit artikel wordt met inkomsten uit hobby of niet bedrijfsmatige activiteiten inkomsten bedoeld die de bijstandsgerechtigde ontvangt uit verkoop van bijvoorbeeld tweedehands eigen huisraad, kleding of artikelen uit een collectie waarvan aannemelijk is dat deze activiteiten niet beroepsmatig zijn. Zolang de incidentele inkomsten het bedrag van € 1.200 in een kalenderjaar niet te boven gaan vallen zij niet onder de inlichtingenplicht.

Het college is van oordeel dat bijstandsgerechtigden zoveel mogelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld in het leven keuzes te maken of activiteiten te ondernemen zoals mensen die niet een bijstandsuitkering ontvangen dat hebben. Ook is het college van mening dat dergelijke activiteiten duurzaamheid bevorderen omdat artikelen op deze wijze een tweede of derde kans worden geboden.

Artikel 3.3 - Inkomstenverrekening

Onderdeel a.

In de Participatiewet is beschreven wat onder middelen worden verstaan en wat niet. Middelen zijn van belang om het recht op en de hoogte van de bijstand te kunnen bepalen. Nu is nog bepaald dat onbelaste vergoedingen niet in aanmerking genomen hoeven te worden. Om de inkomsten automatisch te kunnen verrekenen op basis van door het Inlichtingenbureau geleverde gegevens is deze formulering echter te beperkt.

Door de huidige formulering blijft een handmatige controle noodzakelijk.

De wetgever heeft een voorstel gedaan om dit te wijzigen[1]. De verwachting is dat deze wijziging echter later wordt doorgevoerd dan dat het college wil beginnen met de automatische verrekening van inkomsten. Daarom neemt het college vooruitlopend op de wetswijziging, deze bepaling op in het Amsterdams beleid.

Onderdeel b.

De bijstand is een netto-uitkering en bij inkomstenverrekening moeten dan ook netto bedragen worden verrekend. De hoogte van het netto-inkomen wordt bepaald door verschillende componenten, zoals de inkomstenbelasting, verschuldigde premies, e.d. af te trekken van het bruto-inkomen. Deze werkwijze (het “bruto-netto traject”) is beschreven in art. 31, derde lid van de Participatiewet.

Een andere component die binnen het bruto-netto traject betrokken moet worden, is de heffing Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten/Werkhervattingskas (WGA/WHK). Dit is een zogenaamde gedifferentieerde premie, afhankelijk van o.a. de sector waarin de werkgever actief is. Werkgevers kunnen deze WGA-heffing deels (voor maximaal de helft) doorbelasten aan werknemers, wat leidt tot een lager nettoloon. Om de inkomstenverrekening te vereenvoudigen[1] wordt een standaardpercentage binnen het bruto-nettotraject gebruikt. Dit standaardpercentage wordt jaarlijks bepaald op basis van het gemiddelde heffingspercentage dat het UWV jaarlijks vaststelt. Dit percentage wordt vermenigvuldigd met een factor drie. Door uit te gaan van drie keer het gemiddelde heffingspercentage, worden bijstandsgerechtigden zo min mogelijk financieel benadeeld en heeft een eventueel verschil tussen de daadwerkelijke ingehouden WGA/WHK heffing op individueel niveau en het standaardpercentage geen gevolgen voor de afbouw van de toeslagen. Ten slotte wordt de uitkomst gedeeld door twee, omdat werkgevers, de verschuldigde premie voor maximaal de helft kunnen doorbelasten aan de werknemer.

Mocht er in een uitzonderlijk geval er een nadelig financieel gevolg voor de bijstandsgerechtigde ontstaan, doordat de werkgever een hoger percentage WGA/WHK-heffing doorberekent (en het nettoloon lager uitkomt), dan wordt gebruik gemaakt van het daadwerkelijke heffingspercentage om de aanvullende bijstand vast te stellen. Het is immers niet de bedoeling dat deze systematiek een negatief financieel gevolg heeft voor de bijstandsgerechtigde.

Onderdeel c.

Door gebruik te maken van een standaardpercentage voor de WGA/WHK heffing, anticipeert het college op de wetswijziging zoals die is voorgesteld in het kader van de herijking van de Participatiewet vanuit spoor 1 van Participatiewet in Balans waarbij in een Algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgelegd op welke wijze het te verrekenen netto-inkomen moet worden vastgesteld.

Artikel 3.4 - Vermogensvaststelling

Door bij de vermogensvaststelling ten tijde van de aanvraag anderhalve keer de maandnorm in mindering te brengen op het feitelijk vermogen, houdt het college rekening met het interen op het vermogen vanaf het moment dat de bijstandsgerechtigde zich heeft gemeld voor de bijstandsaanvraag en het moment dat deze bijstandsaanvraag wordt toegekend.

Door bij vermogenstoeval gedurende de bijstandsperiode niet alleen rekening te houden met de zogenaamde vermogensaanwasruimte maar uit te gaan van het daadwerkelijk vermogen, anticipeert het college op de wetswijziging zoals die is voorgesteld in het kader van de herijking van de Participatiewet vanuit spoor 1 van Participatiewet in Balans waarin artikel 34 vierde lid wordt geschrapt.

Artikel 3.5 - Vrijlating vermogen

Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden in Amsterdam in de gelegenheid zijn mee te doen. Het uitgangspunt is dat bijstandsgerechtigden in Amsterdam binnen de beperkte middelen waarover zij beschikken zoveel als mogelijk dezelfde keuzes kunnen maken als de Amsterdammers die niet hoeven rond te komen van een bijstandsuitkering. Om die reden laat het college bij de vaststelling van het vermogen ten tijde van de aanvraag de eerste € 5.000 van de gezamenlijke waarde van roerende en onroerende zaken, die tot het vermogen moeten worden gerekend maar die bijdragen aan de sociaal maatschappelijke ontwikkeling en welzijn van Amsterdamse bijstandsgerechtigden, vrij. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld een voertuig, een tuinhuisje, caravan of een boot.

Artikel 3.6 - Schadevergoeding

  • a

    Wanneer er sprake is van een ontvangen schadevergoeding voor materiële schade zal er moeten worden beoordeeld of de vergoeding is gebruikt of in de toekomst gebruikt zal worden voor het wegnemen van de schade. Is dit niet of niet helemaal het geval dan wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen.

  • b

    Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn/haar baan verliezen. Hierdoor kan het inkomen wegvallen. Een vergoeding hiervoor is bestemd voor levensonderhoud en wordt gezien als inkomen binnen de bijstand.

  • c

    Wanneer er een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. In een dergelijke situatie heeft de belanghebbende het recht om gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Schadevergoedingen voor immateriële schade worden daarom niet als vermogen aangemerkt tot een bedrag van €47.500,-.

Artikel 4.1 - Verrekenen

De bevoegdheid om niet gekorte inkomsten in de eerstkomende maanden te verrekenen, biedt uitkomst op het moment dat de inkomsten van de gerechtigde pas bekend zijn nadat de inkomensvoorziening over de betreffende maand is uitbetaald.

Volgens de richtlijnen van de Centrale Raad van Beroep hoeft het college bij het verrekenen van niet gekorte inkomsten geen rekening te houden met de beslagvrije voet. Het college acht het onwenselijk om het te verrekenen bedrag in één keer in te houden omdat daarmee het te ontvangen bedrag aan inkomensvoorziening de komende maanden zeer laag uit kan vallen en mensen zo te weinig inkomen ontvangen om in levensonderhoud te voorzien en mogelijk schulden opbouwen.

Artikel 5.1 - Vooropgezet tijdelijk verblijf

Personen en/of meerdere personen die door persoonlijke omstandigheden, zoals echtscheiding, dreigende dakloosheid en vlucht, huis en haard achter zich hebben moeten laten of in het geheel niet over huis en haard beschikten (dakloos), kunnen soms terecht bij een gezinslid of vriend die hen onderdak verschaft. Gezien de gespannen Amsterdamse woningmarkt is dit tijdelijke verblijf vaak een welkome oplossing. Het college vindt dat Amsterdammers elkaar moeten kunnen blijven ondersteunen, door bijvoorbeeld het bieden van onderdak, zonder dat dit hen benadeelt. Het kan hierbij ook gaan om het onderdak verschaffen aan een ouder met een of meerdere minderjarige kinderen. Deze laatste zijn geen subjecten van bijstand, maar het zijn wel personen. Daarom wordt in dit artikel gesproken over partijen.

Deze regeling is uitgesloten voor personen die al een gezamenlijke huishouding voeren. De focus van de 1ᵉ beoordeling richt zich op het vaststellen van de feitelijke situatie en of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Indien tijdens de 1e beoordeling al sprake is van een gezamenlijke huishouding, dan kan men geen gebruik maken van de regeling vooropgezet tijdelijk verblijf. Indien er in de afgelopen 5 jaar al gebruik is gemaakt van de kennismakingsperiode, dan kan er geen gebruik worden gemaakt van vooropgezet tijdelijk verblijf.

Het is aan de bijstandsgerechtigde om bij de gemeente aan te geven dat er sprake is van vooropgezet tijdelijk verblijf. De vraag of er (nog) sprake is van een tijdelijk verblijf en de kostendelersnorm buiten toepassing blijft, moet vervolgens beantwoord worden aan de hand van de door de belanghebbende aangereikte concrete feiten en omstandigheden.

Na 6 maanden vindt een 2ᵉ beoordeling plaats waarbij het recht op bijstand opnieuw wordt vastgesteld en in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke woon- en leefsituatie. Indien blijkt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding, dan bestaat de mogelijkheid om de bijstandsuitkering te wijzigen indien het gezamenlijke inkomen lager is dan de gezinsnorm. Als het gezamenlijke inkomen boven de gezinsnorm uitkomt dat zal dit leiden tot een beëindiging.

Artikel 5.2 - Verrekenen van inkomsten op jaarbasis (bescheidenschaalregeling)

Er zijn personen die bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden voor eigen rekening verrichten, maar geen beroep kunnen doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) omdat hun bedrijfs- of beroepsactiviteiten gering van omvang zijn (minder dan 1225 uur per jaar). Een inkomensvaststelling per maand is voor zowel de Amsterdammer als de gemeente ingewikkeld, onvoorspelbaar en arbeidsintensief, vanwege het wisselende karakter van de inkomsten en beroepskosten en het maandelijks moeten opstellen van een resultatenrekening. Daarom wordt met deze bepaling voorzien in het in aanmerking nemen van het jaarinkomen uit deze werkzaamheden. In overleg met de bijstandsgerechtigde kan gedurende het jaar een schatting worden gemaakt van het inkomen per maand. Na afloop van het kalenderjaar wordt definitief berekend hoe hoog het recht op bijstand in het kalenderjaar was.

Toepassing vindt op hoofdlijnen plaats bij drie doelgroepen:

  • (1)

    Amsterdammers die zich met behulp van begeleiding van de gemeente voorbereiden op de start van een eigen bedrijf.

  • (2)

    Amsterdammers die wegens een arbeids- of medische urenbeperking beperkt zijn in het type werk dat zij kunnen uitvoeren en/of het aantal uren dat zij kunnen werken.

  • (3)

    In overige gevallen waarbij het verrichten van zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal de beste manier is om actief deel te nemen aan de maatschappij en/of te werken aan vaardigheden en competenties die uiteindelijk wel kunnen leiden tot een zelfstandig inkomen.

Bij de eerste doelgroep is het doel om duurzame uitstroom uit de bijstand mogelijk te maken. Bij de overige doelgroepen hoeft dat niet altijd het geval te zijn als dat niet haalbaar is. In alle gevallen vindt een zorgvuldige individuele beoordeling plaats voordat toestemming wordt gegeven. Daarbij wordt gekeken naar de doelmatigheid maar ook naar de financiële risico’s voor de Amsterdammer zelf. Belangrijk bij de overweging is dat de aanwezige schulden en het risico op (meer) schulden geen belemmering zijn voor het werken als zelfstandige en voor een duurzame financiële zekerheid van de Amsterdammer.

Voor Amsterdammers met een uitkering op grond van de Participatiewet die zonder beroep op deze regeling op bescheiden schaal bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden verrichten, gelden de algemene bepalingen van de Participatiewet. Dat houdt onder meer in dat de inkomsten (omzet) per maand in aanmerking worden genomen zonder aftrek van beroepskosten.

De in lid 4 genoemde voorwaarden gelden in alle gevallen waar Amsterdammers die bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden verrichten. Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan kan de toestemming voor het werken als zelfstandige op bescheiden schaal worden beëindigd en ingetrokken.

Het jaarinkomen is gedefinieerd als het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden of de winst uit onderneming (waarbij wel minder dan 23,5 uur per week werkzaamheden zijn verricht). Beroepskosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn kunnen in mindering op het resultaat worden gebracht. Bij het bepalen van het inkomen wordt rekening gehouden met eventueel te betalen inkomstenbelasting en premies, maar niet met fiscale aftrek zoals de MKB-winstvrijstelling.

De herberekening van het recht op bijstand over een kalenderjaar kan leiden tot een nabetaling, herziening en terugvordering of verrekening. Dit laat onverlet dat het college, zo nodig in overleg met de belanghebbende, gedurende het kalenderjaar het geschatte inkomen uit werkzaamheden in mindering kan brengen op de uitkering ingevolge de Participatiewet. Hiermee kan terugvordering achteraf van bijstand worden voorkomen

Artikel 5.3 - Noodzakelijke betalingen

Ter voorkoming van het ontstaan van nieuwe schulden, wordt bij een schuldsanering de verplichting opgelegd om gedurende drie jaar alle vaste lasten rechtstreeks door middel van inhouding op de uitkering te laten verrichten. Artikel 57 van de Participatiewet biedt het college deze mogelijkheid.

Artikel 5.4 - Voorbereidingskrediet

Uitkeringsgerechtigden met een Participatiewet-uitkering kunnen tijdens het voorbereidingstraject voor de start van een eigen bedrijf op aanvraag een voorbereidingskrediet krijgen, dat zij kunnen gebruiken voor bijvoorbeeld de uitvoering van een marktonderzoek of voor kleine investeringen bij de voorbereiding. Het college past deze mogelijkheid ook toe bij Amsterdammers met een IOAW-uitkering die zich met behulp van begeleiding van de gemeente voorbereiden op de start van een eigen bedrijf.

Het bepalen van de hoogte van het voorbereidingskrediet is een bevoegdheid van het College. Gekozen is om het bedrag van het voorbereidingskrediet te maximaliseren op € 2.000. Dit bedrag sluit aan bij de praktijk. Indien de Amsterdammer in aansluiting op de voorbereidingsperiode geen bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening conform artikel 29 lid 3 Bbz 2004 omgezet in een bedrag om niet, tenzij hij niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de wet voldoet, of een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.

Artikel 6 - Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in deze beleidsregels als toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 7 – Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 maart 2025.

Artikel 8 – Citeertitel

De naam van de beleidsregels is aangepast in Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.