Beleidsregels Sluitingsbevoegdheid bij criminaliteit in publiek toegankelijke gebouwen

Geldend van 27-02-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Sluitingsbevoegdheid bij criminaliteit in publiek toegankelijke gebouwen

De burgemeester van Sittard-Geleen:

Overwegende:

dat artikel 2.79a van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de APV) de burgemeester een extra instrument biedt in de aanpak van ondermijnende criminaliteit om in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting te bevelen van een voor het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte of een daarbij behorend erf;

dat de burgemeester de sluiting kan bevelen van een voor het publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte indien daar:

  • a.

    is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

  • b.

    door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

  • c.

    wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

  • d.

    zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde;

dat (ondermijnende) criminaliteit in, vanuit of nabij publiek toegankelijke gebouwen, inrichtingen of ruimten wordt geconstateerd;

dat (ondermijnende) criminaliteit door inwoners van de gemeente wordt ervaren als een grove aantasting van het veiligheidsgevoel;

dat de burgemeester optreedt tegen (ondermijnende) criminaliteit en alle hem toekomende instrumenten aanwendt ter bestrijding daarvan;

gelet op het bepaalde in artikel 2.79a APV:

besluit:

ter uitvoering van artikel 2.79a APV beleid vast te stellen als “Beleidsregels Sluitingsbevoegdheid bij criminaliteit in publiek toegankelijke gebouwen”.

Algemeen

  • 1.

    Op grond van artikel 2.79a APV is de burgemeester – kort gezegd – bevoegd om een voor het publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte te sluiten in geval van illegaal gokken, heling, het aanwezig zijn van wapens of andere openbare orde verstorende situaties.

  • 2.

    De gedraging moet zich voordoen in, vanuit of nabij een voor het publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte. Een gedraging die zich nabij een voor het publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte voordoet, moet wel een connectie hebben met dat gebouw, die inrichting of die ruimte.

  • 3.

    Een voor het publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte is een gebouw, inrichting of ruimte die openstaat voor publiek of bedoeld is voor gemeenschappelijk gebruik. Er kan (niet-limitatief) worden gedacht aan winkels, garages, sportscholen, bioscopen, theaters, kapsalons, buurthuizen, theehuizen, clubhuizen, shishabars, shishalounges, waterpijpcafés, (afhaal)restaurants, cafés, hotels, pensions, cafetaria’s, snackbars, discotheken en seksinrichtingen.

  • 4.

    Het voor het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte wordt gesloten indien dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 5.

    De sluiting betreft een bestuurlijke maatregel met een herstellend karakter en geen bestraffende sanctie. De sluiting strekt tot beëindiging van de met de wet strijdige situatie, voorkoming van herhaling ervan en herstel van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

  • 6.

    Een sluiting van een publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte houdt tevens in een sluiting van het bijbehorende erf. Een opgelegde sluiting omvat dan ook het gehele perceel.

  • 7.

    Het besluit tot sluiting wordt opgelegd aan de rechthebbenden van het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte (eigenaar, verhuurder, huurder, exploitant).

  • 8.

    Indien feitelijk tot sluiting wordt overgegaan, zal het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte voor eenieder ontoegankelijk worden gemaakt.

  • 9.

    Een wijziging in de eigendomssituatie, huursituatie of exploitatie wordt als niet terzake doende beschouwd indien deze wordt aangebracht nadat de overtreding is geconstateerd. De ratio hierachter is dat de rechthebbenden op deze manier niet onder een besluit tot sluiting kunnen uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk om het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte tijdelijk te sluiten.

Beschrijvingen van gedragingen

  • 10.

    Illegaal gokken (sub a) – Artikel 2.79a APV en dit beleid zullen bij het constateren van ‘illegaal gokken’ worden toegepast indien in, vanuit of nabij het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen. Een overtreding van dit artikel is aan de orde bij het aanbieden van kansspelen zonder vergunning, het deelnemen aan deze gelegenheid, het bevorderen van deze gelegenheid, het verschaffen van middelen voor deze gelegenheid, daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad hebben, het gebruik maken van deze gelegenheid dan wel opzettelijk het vermoeden wekken dat voor deze gelegenheid een vergunning is verleend. Er wordt betekenis toegekend aan de aard van de overtreding, de omvang van de overtreding en het aantal keren dat een overtreding zich heeft voorgedaan.

  • 11.

    Heling (sub b) – Artikel 2.79a APV en dit beleid zullen bij het constateren van ‘heling’ worden toegepast indien in, vanuit of nabij het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen. Er valt te denken aan situaties waarin geheelde goederen worden aangetroffen, maar ook aan situaties waarin geen geheelde goederen worden aangetroffen, maar waarbij uit andere feiten of omstandigheden blijkt dat het gebouw, de inrichting of de ruimte betrokken is bij het bewaren, verbergen, verwerven of overdragen van geheelde goederen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen opzetheling of schuldheling. Er wordt wel betekenis toegekend aan de aard en omvang van het aantal aangetroffen goederen. Er wordt ook betekenis toegekend aan de aard en omvang van de betrokkenheid hierbij in, vanuit of nabij het gebouw, de inrichting of de ruimte.

  • 12.

    Wapens (sub d) – Artikel 2.79a APV en dit beleid zullen bij het constateren van ‘wapens’ worden toegepast indien in, vanuit of nabij het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend. Het is voor de toepassing van het artikel en dit beleid niet vereist dat de wapens of munitie ook daadwerkelijk in, vanuit of nabij het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte zijn gebruikt. Het enkele aantreffen van wapens of munitie is voldoende. Er wordt wel betekenis toegekend aan de aard, de hoeveelheid, het gebruik en het doel van de aangetroffen wapens of munitie.

  • 13.

    Andere openbare orde verstorende gedragingen (sub e) – Artikel 2.79a APV en . dit beleid zullen bij het constateren van ‘andere openbare orde verstorende gedragingen’ worden toegepast indien in, vanuit of nabij het publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Er kan hierbij aan een scala aan mogelijk voorkomende situaties worden gedacht. Het hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval of de vrees is gewettigd dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

Maatregelen

  • 14.

    De burgemeester kan naar aanleiding van (één van) de bovenstaande gedragingen een besluit tot sluiting opleggen.

  • 15.

    Er kan bij het opleggen van een besluit tot sluiting van het horen van de belanghebbenden worden afgezien als de vereiste spoed zich daartegen verzet (artikel 4:11 Algemene wet bestuursrecht).

  • 16.

    De maatregelen worden aangescherpt naarmate vaker in, vanuit of nabij hetzelfde publiek toegankelijke gebouw, inrichting of ruimte een overtreding wordt geconstateerd. Het hoeft daarbij niet om dezelfde overtreding te gaan.

  • 17.

    Het bovenstaande is vervat in de volgende handhavingsmatrix:

    Constatering van overtreding

    Maatregel

    1

    Sluiting 3 maanden

    2 (binnen 3 jaar na vorige overtreding)

    Sluiting 6 maanden

    3 (binnen 3 jaar na vorige overtreding)

    Sluiting 12 maanden

    4 (binnen 3 jaar na vorige overtreding)

    Sluiting onbepaalde tijd

    5 (binnen 3 jaar na vorige overtreding)

    Sluiting onbepaalde tijd

Noodzakelijkheid en evenredigheid

  • 18.

    De onderhavige beleidsregels vormen een richtlijn waarvan de burgemeester in voorkomend geval kan afwijken. Indien sprake is van een zeer geringe situatie die valt onder de werkingssfeer van artikel 2.79a APV en dit beleid, maar die geen of maar een zeer gering effect heeft op de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid en waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de burgemeester volstaan met het opleggen van een waarschuwing.

  • 19.

    De burgemeester zal in iedere situatie aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval de noodzakelijkheid en evenredigheid van de op te leggen maatregel beoordelen.

  • 20.

    De burgemeester zal in het kader van de noodzakelijkheid altijd beoordelen of de op te leggen maatregel noodzakelijk is met het oog op de met de beleidsregels te dienen doelen. Er wordt bij het nemen van het besluit betekenis toegekend aan de volgende omstandigheden (niet-limitatief):

    • de ernst van de overtreding;

    • de omvang van de overtreding;

    • het gevaar van de situatie;

    • de onrust in de omgeving;

    • de (voor criminaliteit) kwetsbaarheid van de omgeving;

    • de maatschappelijke impact van de overtreding.

  • 21.

    De burgemeester zal in het kader van de evenredigheid altijd beoordelen of de op te leggen maatregel geen onevenredige gevolgen heeft voor betrokkenen. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van nadelige gevolgen, maar het tegengaan of beperken van onevenredige gevolgen. De burgemeester zal telkens een afweging maken tussen enerzijds het algemeen belang en anderzijds het persoonlijk belang. De burgemeester handelt overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Er wordt bij het nemen van het besluit betekenis toegekend aan de volgende omstandigheden (niet-limitatief):

    • de betrokkenheid / persoonlijke verwijtbaarheid / verantwoordelijkheid van betrokkenen;

    • de financiële consequenties voor betrokkenen;

    • reputatieschade voor betrokkenen;

    • de maatschappelijke impact van de maatregel.

Dit beleid is afgestemd tussen de partners van de lokale driehoek.

Ondertekening

Sittard, 17 februari 2025

Burgemeester van Sittard-Geleen,

mr. J.Th.C.M. Verheijen