Onderwijskansenbeleid gemeente Medemblik

Geldend van 27-02-2025 t/m heden

Intitulé

Onderwijskansenbeleid gemeente Medemblik

Gelijke kansen, gelukkige kinderen!

Inhoudsopgave

  • 1.

    Introductie

    • 1.1.

      Inleiding

    • 1.2.

      Totstandkoming

  • 2.

    Kaders en rolverdeling

    • 2.1.

      De kaders

    • 2.2.

      De rolverdeling

  • 3.

    Doel van het beleid en de situatie in Medemblik

    • 3.1.

      Algemeen doel

    • 3.2.

      Huidige situatie onderwijsachterstanden in Medemblik

    • 3.3.

      Doelgroependefinitie

  • 4.

    Wat willen we bereiken en wat gaan we doen

    • 4.1.

      Onze ambities

      • Ambitie 1: Voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod

      • Ambitie 2: Waarborgen van een doorgaande lijn

      • Ambitie 3: Toeleiding naar VVE

      • Ambitie 4: Monitoren van bereik, kwaliteit en resultaten

      • Ambitie 5: Aandacht voor talent

      • Ambitie 6: Samenwerking rondom de ontwikkeling van kinderen

      • Ambitie 7: Voor ieder kind een zo passend mogelijke plek

  • 5.

    Samenwerking

  • 6.

    Volgen, evalueren en verbeteren beleid

    • 6.1.

      Inleiding

    • 6.2.

      Monitoring van resultaten

  • 7.

    Financieel kader

    • 7.1.

      Inleiding

    • 7.2.

      Besteding van de budgetten

  • Bijlagen:

    • Bijlage 1: Begroting onderwijskansenbeleid

    • Bijlage 2: Doelgroependefinitie VVE

    • Bijlage 3: Overlegstructuur tussen gemeente en partners

    • Bijlage 4: Lijst met begrippen en afkortingen

1. Introductie

1.1 Inleiding

De gemeente Medemblik heeft als doel en wettelijke taak ervoor te zorgen dat alle inwoners actief kunnen meedoen in de samenleving. Het meerjarenbeleidsplan Sociaal Domein Samen aan zet (2024) geeft richting voor ons beleid en uitvoering in het sociaal domein en biedt de paraplu voor beleidsplannen waarin concrete acties en doelen zijn uitgewerkt. Een van de opgaven in het meerjarenbeleidsplan gaat over Kansrijk opgroeien. Daar valt onder meer het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden onder. Dit beleidsplan onderwijskansen geeft richting aan het onderwijsachterstandenbeleid en de uitvoering daarvan.

De gemeente ontvangt geoormerkte middelen van het Rijk voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Dit betreft het budget voor het gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid (de GOAB-middelen). De Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) vormt het belangrijkste onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid van de Rijksoverheid. VVE is bedoeld om kinderen met een risico op een onderwijsachterstand betere kansen te bieden. De voorschoolse educatie (VE) is bestemd voor peuters (2-4 jaar), de vroegschoolse educatie voor kleuters (4-6 jaar). De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om een aanbod voor voorschoolse educatie te realiseren, de inrichting van de vroegschoolse educatie is de verantwoordelijkheid van het primair onderwijs.

Sinds 2019 worden de GOAB-budgetten jaarlijks vastgesteld op basis van de CBS-cijfers van de achterstandsscores van de gemeente1, waarbij het Rijk per periode van vier jaar afrekent op resultaten. De huidige periode gaat over de jaren 2023-2026. Over de periode 2019-2022 heeft de gemeente Medemblik een deel van het bedrag terug moeten betalen. De wettelijke taken ten aanzien van VVE zijn uitgevoerd, maar mede door het ontbreken van een onderwijsachterstandenbeleid heeft de gemeente de middelen niet optimaal benut.

We willen kinderen gelijke kansen bieden en kinderen met een (risico op) achterstand ondersteunen om zich optimaal te ontwikkelen. Om de GOAB-middelen bestemd voor peuters en basisschoolleerlingen doelgericht in te kunnen zetten is gemeentelijk beleid nodig.

We richten ons in dit beleidsplan in eerste instantie op de groep peuters en basisschoolleerlingen van 2 tot 13 jaar. Voor deze groep zijn de GOAB-middelen inzetbaar. We spreken voor Medemblik niet van een onderwijsachterstandenbeleid, maar van een onderwijskansenbeleid omdat we denken in mogelijkheden van kansen voor kinderen.

Ons onderwijskansenbeleid gaat over meer dan alleen de GOAB-doelgroep. Het onderwijskansenbeleid kan, bij een jaarlijkse evaluatie, zo nodig worden uitgebreid met de doelgroep van 0-2 jaar en/of de doelgroep van 12-18 jaar (voortgezet onderwijs en de aansluiting op beroepsonderwijs en arbeidsmarkt).

1.2 Totstandkoming

In januari 2024 heeft de gemeente Medemblik binnen Jeugd en Onderwijs een opdracht geformuleerd voor het opstellen van een onderwijskansenbeleid. Er is toegewerkt naar een kader van wat de gemeente moet (wettelijke en lokale kaders), wil (ambities) en kan gaan bieden in de huidige beleidsperiode en in de toekomst. Het beleid is opgesteld in samenwerking met partners van primair onderwijs (van ieder knooppunt2 in Medemblik), het samenwerkingsverband (passend onderwijs), de jeugdgezondheidszorg (JGZ), de VE-kinderopvang en de reguliere kinderopvang. Daarnaast is input gevraagd van de bibliotheek en van de uitvoerders van jeugdhulp, jongerenwerk, schoolmaatschappelijk werk en het minimabeleid. Het conceptbeleidsplan is voorgelegd aan de Lokaal Educatieve Agenda (LEA)3 en de Adviesraad Sociaal Domein4. Na akkoord in het college van burgemeester en wethouders besluit de gemeenteraad.

Dit nieuwe onderwijskansenbeleid bevat de wettelijke kaders ten aanzien van de GOAB-middelen en sluit aan bij de ambities van het meerjarenbeleidsplan Sociaal Domein, Samen aan zet (2024).

2. Kaders en rolverdeling

In dit hoofdstuk zijn de wettelijke kaders van het onderwijskansenbeleid beschreven en de rolverdeling vanuit wettelijk oogpunt.

2.1 De kaders

Wettelijk kader:

  • De Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE). Deze wet is in augustus 2010 ingevoerd. Hiermee zijn gemeenten verantwoordelijk voor het realiseren van een aanbod voorschoolse educatie (VE) van goede kwaliteit en kwantiteit.

  • De Wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk. Deze wet is in januari 2018 ingevoerd en berust op drie pijlers: het versterken van de pedagogische kwaliteit; één kwaliteitskader voor voorschoolse voorzieningen; één financieringsstructuur voor werkende ouders.

  • De Wet Kinderopvang: de Wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk betekende per januari 2018 ook een wijziging van de Wet Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk naar de Wet Kinderopvang.

  • De Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (Wet IKK): deze wet is ook in januari 2018 in werking getreden. In deze wet zijn de kwaliteitseisen apart geregeld; de nieuwe kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit kinderopvang en enkele ministeriële regelingen.

  • De Wet op het Primair Onderwijs en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit Voorschoolse Educatie: deze schrijven verplichtingen voor aan gemeenten, basisonderwijs en kinderopvang op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie (VVE).

  • De Wet Publieke Gezondheid: op basis van deze wet heeft de jeugdgezondheidszorg (JGZ) de taak om te signaleren of een kind (een risico op) een achterstand heeft.

Deze wetten vormen samen de basis van het onderwijsachterstandenbeleid van het Rijk.

Lokaal kader:

We toetsen beleid aan de ambities van het Coalitieakkoord Medemblik 2022-2026. Het meerjarenbeleidsplan Sociaal Domein, Samen aan zet (2024) vormt het uitgangspunt voor alle beleidsnota's op het brede terrein van het sociaal domein. Hierin zijn de uitgangspunten en kaders die de gemeenteraad in 2023 heeft meegegeven verwerkt. Het sluit ook aan bij de doelen in de programmabegroting. Het meerjarenbeleidsplan sociaal domein is het raamwerk waarop ook het onderwijskansenbeleid is gebaseerd. Doel is om integraal uitvoering te geven aan de wettelijke taken en daarmee bij te dragen aan de maatschappelijke effecten zoals die in het meerjarenbeleidsplan worden gepresenteerd. Uitgangspunt bij het coalitieakkoord en meerjarenbeleidsplan is dat iedereen mee moet kunnen doen in de samenleving en dezelfde kansen verdient. We gaan daarbij uit van eigen verantwoordelijkheid binnen eigen kunnen en mogelijkheden.

Om te zorgen dat kinderen kansrijk op kunnen groeien focussen we op preventie en vroegsignalering. Daarbij is het ook van belang dat we, waar mogelijk, voorzieningen in dorpskernen behouden. We beschrijven in dit beleid hoe we ondersteuning bieden die bijdraagt aan gelijke kansen voor kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand.

2.2 De rolverdeling

Er zijn verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van dit onderwijskansenbeleid. Vanuit wettelijk oogpunt staan de Rijksoverheid, de gemeente, de leerplicht (en kwalificatieplicht), het samenwerkingsverband (passend onderwijs) en de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) centraal. De monitoring van en controle op de kwaliteit van de kinderopvang en de voor- en vroegschoolse educatie en het basisonderwijs liggen bij de GGD (als toezichthouder kinderopvang) en de Inspectie van het Onderwijs. De GGD voert ook de jeugdgezondheidszorg (JGZ) uit en is daarmee verantwoordelijk voor het indiceren van kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand. De verschillende rollen worden hierna verder beschreven.

Rijksoverheid

De Rijksoverheid geeft de wettelijke kaders aan en stelt middelen beschikbaar voor de uitvoering van onderwijsachterstandenbeleid door de gemeente en het basisonderwijs.

Gemeente

a. Voorschools aanbod

De gemeente heeft een wettelijke verplichting tot het bieden van voldoende voorschools aanbod in volume, spreiding en kwaliteit voor peuters met (een risico op) een onderwijsachterstand. Dit wordt gefinancierd uit de Rijksmiddelen voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB-middelen).

Deze middelen zijn bedoeld voor:

  • Voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod van voorzieningen voor voorschoolse educatie;

  • Inzet op de doorgaande leerlijn voorschoolse educatie-basisschool;

  • Toeleiding van kinderen naar een voorziening voor voorschoolse educatie;

  • Overige activiteiten voor leerlingen in VE-kinderopvang en basisonderwijs;

  • Jaarlijkse afspraken over VVE met de bevoegde gezagsorganen van basisonderwijs en VE-kinderopvang (LEA);

  • Monitoren van bereik, kwaliteit en resultaten van VVE.

b. Onderwijshuisvesting

Op het gebied van onderwijshuisvesting is de gemeente onder meer verantwoordelijk voor de bekostiging van nieuwbouw en uitbreiding van schoolgebouwen voor het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. In het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Medemblik staan de wettelijke kaders en ambities voor de huisvesting van het onderwijs in Medemblik beschreven.

c. Leerplicht

Kinderen en jongeren hebben recht op onderwijs. De leerplicht geldt voor leerlingen van 5 tot 16 jaar. De leerplichtambtenaar houdt zich bezig met verzuim en schooluitval in het primair en voortgezet onderwijs.

Toezicht op de kinderopvang en Inspectie van het Onderwijs

De gemeente geeft de GGD Hollands Noorden opdracht tot het houden van toezicht op de kinderopvang. De GGD inspecteert jaarlijks alle locaties die vermeld staan in het Landelijk register Kinderopvang (LRK). De gemeente is eindverantwoordelijk voor toezicht en handhaving op de geregistreerde kinderopvanglocaties en voor correcte vermelding in het LRK.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht aan de hand van het onderzoekskader voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs. Het toezicht op de kwaliteit van VVE bestaat uit het voorschoolse deel, het vroegschoolse deel en de taken van de gemeente ten aanzien van VVE. Daarnaast houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de taken en de verantwoordelijkheden van de gemeente in het kader van de wet- en regelgeving kinderopvang. Dit toezicht is risico gestuurd.

Jeugdgezondheidszorg

De GGD Hollands Noorden voert de jeugdgezondheidszorg (JGZ) in Medemblik uit. Binnen de gemeente Medemblik zijn er drie uitvoeringslocaties van de JGZ, beter bekend als het consultatiebureau. De consultatiebureaus bevinden zich in de kernen Medemblik, Wognum en Wervershoof. De jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen onderzoeken kinderen op het consultatiebureau en op school. De JGZ voert een wettelijke taak uit wat betreft het systematisch volgen van risicofactoren die de ontwikkeling van jeugdigen kunnen belemmeren. Zij is een belangrijke samenwerkingspartner op het gebied van signaleren en verwijzen naar voorschoolse voorzieningen. De genoemde consultatiebureaus verzorgen de indicaties voor VE-kinderopvang.

Schoolbesturen primair en voortgezet onderwijs

In de aanpak van onderwijsachterstanden hebben de schoolbesturen een wettelijke taak. Schoolbesturen in het primair onderwijs ontvangen hiervoor OAB-middelen van het Rijk in de lumpsum. Het voortgezet onderwijs ontvangt middelen uit de Regeling onderwijskansen voorgezet onderwijs.

Bibliotheek

De bibliotheek heeft wettelijke taken op het gebied van leesbevordering en de bestrijding van laaggeletterdheid. Met deze en andere onderwerpen op het gebied van basis- en digitale vaardigheden is de bibliotheek een verbindende partner in het sociaal domein, voor de kinderopvang en het onderwijs. De afspraken zijn vastgelegd in het Convenant bibliotheekwerk.

3. Doel van het beleid en de situatie in Medemblik

3.1 Algemeen doel

Het doel van het onderwijsachterstandenbeleid vanuit de Rijksoverheid is het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, het voorkomen van segregatie en het bevorderen van integratie. De focus ligt hierbij op de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Het belangrijkste doel van VVE is om kinderen met een (dreigende) taal- en/of ontwikkelingsachterstand als gevolg van sociale, economische en/of culturele oorzaken beter voor te bereiden op de basisschoolperiode.

Doel van het onderwijskansenbeleid Medemblik is het bieden van gelijke kansen aan alle kinderen en jongeren, ongeacht hun startpositie. We zetten het ontwikkelen van talenten bij jeugdigen centraal en betrekken ouders/verzorgers daarbij. Het beleid wordt gekenmerkt door samenwerking met en tussen verschillende partners.

Om dit beleid concreet te maken heeft de gemeente Medemblik in samenwerking met partners ambities en doelen benoemd. Voorafgaand aan deze ambities en doelen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • Partijen werken samen aan de realisatie van de gestelde doelen in het beleid. Dat betekent dat betrokken partijen gezamenlijk vormgeven aan de uitvoeringsagenda van het onderwijskansenbeleid.

  • Binnen de uitvoeringsagenda creëren we, waar nodig en mogelijk, ruimte voor maatwerk voor de dorpskernen.

  • De gemeente heeft een regierol, vanuit een gedeelde visie op onderwijskansen.

  • Met het onderwijskansenbeleid willen we meer bieden dan de wettelijke taken t.a.v. de voor- en vroegschoolse educatie. In ons beleid wordt de verbinding gelegd met andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld armoede, laaggeletterdheid, sport- en cultuureducatie.

  • We maken eenduidige afspraken in de regio, tenzij dat (nog) niet mogelijk of wenselijk is. We motiveren altijd wanneer en waarom we niet gelijk kunnen optrekken met andere gemeenten in de regio.

  • Er is een heldere overlegstructuur tussen gemeente en partners (bijlage 3).

3.2 Huidige situatie onderwijsachterstanden in Medemblik

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft onderzocht wanneer een kind een onderwijsachterstand kan oplopen. Het CBS vond daarvoor een combinatie van vijf factoren5. De landelijke overheid gebruikt sinds 2019 deze factoren om te bepalen welke kinderen het meeste risico lopen op een onderwijsachterstand. Op basis van de gegevens van het CBS worden (G)OAB-budgetten toegekend aan de gemeente en aan het basisonderwijs.

Landelijk stelt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) voor 15 procent van de kinderen met het hoogste risico op onderwijsachterstand extra financiering beschikbaar. Van de in 2023 gemeten 4320 kinderen van 2 tot 13 jaar uit de gemeente Medemblik valt gemiddeld 14 procent binnen deze landelijke doelgroep. Uitschieters zijn de kernen Medemblik met 25%, Opperdoes met 18% en Sijbekarspel met 21%.

Verdeeld over de stad Medemblik en de verschillende dorpskernen zien we het volgende beeld6:

Jaar: 2023

Totaal aantal

kinderen

2-13 jaar

Totaal aantal doelgroep**

kinderen

2-13 jaar

Aantal doelgroep**

peuters

2-4 jaar

Percentage

Doelgroep**

kinderen

2-13 jaar

Gemeente Medemblik

4320

610

85

14%

Kernen*

 
 
 
 

Abbekerk

185

25

 

14%

Andijk

695

95

15

14%

Benningbroek

55

 
 
 

Hauwert

65

 
 
 

Lambertschaag

 
 
 
 

Medemblik

810

200

25

25%

Midwoud

215

30

 

14%

Nibbixwoud

250

30

 

12%

Oostwoud

65

 
 
 

Opperdoes

200

35

 

18%

Sijbekarspel

70

15

 

21%

Twisk

85

 
 
 

Wervershoof en Onderdijk***

790

75

 

9%

Wognum

650

65

10

10%

Zwaagdijk-Oost

125

15

 

12%

Zwaagdijk-West

65

  • *

    Kernen met in totaal 40 kinderen of minder hebben een lagere betrouwbaarheid.

  • **

    Doelgroep conform landelijke criteria CBS. Bij dorpskernen waar minder dan 10 doelgroepkinderen of minder dan 10 doelgroeppeuters wonen, staan geen aantallen vermeld. Deze aantallen zijn wel opgenomen in het totaal van de gemeente Medemblik.

  • ***

    In de cijfers van het CBS maakt Onderdijk deel uit van Wervershoof. Wij zien Onderdijk als een eigen dorpskern.

afbeelding binnen de regeling

3.3 Doelgroependefinitie

Gemeenten zijn verplicht een doelgroependefinitie te hanteren om te bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor een gesubsidieerd aanbod in het kader van voorschoolse educatie. De basis hiervoor ligt in de definitie van het ministerie van OCW (§ 3.2). De gemeente heeft hierbij de beleidsvrijheid om, in de lokale context, de definitie van een doelgroeppeuter te bepalen.

In de gemeente Medemblik gaan we uit van een (dreigende) taal- of ontwikkelingsachterstand, de thuistaal, een sociaal-emotionele achterstand en sociale gezinsfactoren. Daaraan voegen we toe dat het consultatiebureau op basis van eigen expertise kan vaststellen welke kinderen (een risico op) een onderwijsachterstand hebben. Andere professionals kunnen het consultatiebureau hierover ook adviseren.

De volledige beschrijving van de doelgroependefinitie uit 2019 staat beschreven in bijlage 2, met een voorstel voor wijziging hiervan. De doelgroependefinitie is sinds 2019 niet meer aangepast. Deze moet jaarlijks worden geëvalueerd met de VVE partners, bij wijziging worden voorgelegd aan de LEA en vastgesteld door het college.

4. Wat willen we bereiken en wat gaan we doen

4.1 Onze ambities

Samen met partners hebben we voor de periode vanaf 2024 onderstaande ambities gesteld. Bij deze ambities worden de gewenste resultaten en acties beschreven. In de Uitvoeringsagenda maken we deze acties concreet en stellen we prioriteiten. De Uitvoeringsagenda zal jaarlijks worden geëvalueerd, verder ontwikkeld in overleg met partners en worden voorgelegd aan de LEA.

We stellen een regisseur aan vanuit de gemeente, die alle betrokken partijen verbindt en bijdraagt aan goede voorwaarden voor uitvoering en realisatie van de hieronder beschreven ambities.

Ambitie 1: Voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod

De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor voldoende onderwijshuisvesting en er is een wettelijke verplichting om een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod te hebben op het gebied van voorschoolse educatie. Een kwalitatief goed en gevarieerd aanbod van kinderopvang en scholen in de hele gemeente, zorgt ervoor dat alle kinderen worden uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen en dit bevordert inclusie.

Gewenste resultaten:

  • Iedere dorpskern heeft, waar mogelijk, een basisschool en een aanbod kinderopvang7.

  • Een passend en bereikbaar VE-aanbod voor alle kinderen met (een risico op) achterstand.

  • Samenwerking met andere beleidsterreinen en partners om, waar mogelijk, maatschappelijke voorzieningen voor jeugd te behouden of te realiseren.

We bereiken dat door:

  • De voorwaarden waaronder kleine scholen in dorpskernen kunnen blijven bestaan zijn al opgenomen in het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP).

  • Herijking van de Nadere regels subsidie voorschoolse voorzieningen per 2025, waarin afspraken over een VE aanbod in kleine kernen is opgenomen.

  • Onderzoeken hoe we met schoolbesturen eenduidige afspraken kunnen maken over de verhuur van beschikbare onderwijslokalen aan maatschappelijke voorzieningen en kinderopvang.

  • Het bieden van voldoende plaatsen voor voorschoolse educatie voor alle peuters met een risico op achterstand (doelgroepkinderen).

  • Voorzieningen voor VE-peuteropvang financieel toegankelijk te houden voor alle peuters vanaf 2 jaar8: voor kinderen met en zonder VE-indicatie, van ouders met en zonder recht op kinderopvangtoeslag.

  • Een pilot VE in de hele dagopvang om te onderzoeken of dit een goede aanvulling is op het huidige VE aanbod.

Ambitie 2: Waarborgen van een doorgaande lijn

Afspraken maken over een doorgaande leerlijn van voorschool naar onderwijs is een wettelijke taak. Het gaat hier om een doorgaande ontwikkelingslijn van kinderen van de voorschoolse educatie naar de basisschool. Wij willen de doorgaande lijn breder zien: niet alleen voor de overgang van voorschoolse voorzieningen naar onderwijs, maar ook tussen scholen en van basis- naar voortgezet onderwijs. We investeren om de keuze-en overgangsmomenten te verbeteren en kinderen in hun schoolloopbaan vooruit te helpen. Ook maken we afspraken over het betrekken van ouders bij deze keuze- en overgangsmomenten.

Gewenste resultaten:

  • Afspraken over een uniforme (digitale) overdracht van voorschoolse voorzieningen naar primair onderwijs. Dit sluit aan bij al gemaakte afspraken over de uniforme overdracht van primair naar voortgezet onderwijs en de afspraken over de overgangen tussen nieuwkomersonderwijs, speciaal- en regulier basisonderwijs.

  • Alle kinderen worden overgedragen. Een warme overdracht vindt tenminste plaats voor doelgroepkinderen, kinderen met een zorgvraag en kinderen uit het nieuwkomersonderwijs.

  • Alle locaties VE-kinderopvang zoeken de verbinding met één of twee basisscholen waar de meeste kinderen naar uitstromen en vice versa. We vragen reguliere kinderopvang om hier ook in te investeren.

  • VE-kinderopvang en de groepen 1-2 van de basisschool zijn op de hoogte van elkaars aanbod en zorgen dat dit aanbod en/of de werkwijze zo goed mogelijk op elkaar aansluit.

We bereiken dat door:

  • Het maken van een uitvoeringsplan om een sluitende aanpak en warme overdracht van doelgroepkinderen te bevorderen.

  • Het maken van afspraken in de LEA over de doorgaande lijn en warme overdracht.

  • Implementatie van een uniforme overdracht voor de overgang van opvang naar onderwijs. Afspraken tussen onderwijs en VE-kinderopvang over SLO-doelen9. De begindoelen van het primair onderwijs zijn de einddoelen van de voorschoolse educatie.

  • Vergroten van de expertise van pedagogisch medewerkers en leerkrachten groep 1-2.

  • Ontmoetingen voor medewerkers: zoals pedagogisch medewerkers met de jeugdgezondheidszorg; leerkrachten groep 1-2 en pedagogisch medewerkers VE-kinderopvang; leerkrachten groep 8 en het voortgezet onderwijs. We onderzoeken hoe we deze ontmoetingen ook met VO-scholen in de regio kunnen realiseren.

Ambitie 3: Toeleiding naar VVE

De gemeente heeft een wettelijke taak in de toeleiding van doelgroeppeuters naar een voorziening voor voorschoolse educatie. Wij hebben daarin de focus op de doelgroeppeuters. We willen ook graag stimuleren dat alle peuters gebruik maken van een voorschoolse voorziening omdat kinderopvang bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen en een goede start op de basisschool. Wij streven naar gemengde groepen met doelgroeppeuters en reguliere peuters.

Gewenste resultaten:

  • Zorgen dat alle doelgroeppeuters in beeld zijn en een VE-indicatie krijgen.

  • Alle doelgroeppeuters gaan naar een voorziening voor voorschoolse educatie.

  • Alle peuters gaan naar een voorziening voor kinderopvang voordat zij naar school gaan.

  • Alle kinderen gaan met 4 jaar naar de basisschool.

We bereiken dat door:

  • De doelgroependefinitie wordt geactualiseerd. Hierbij wordt onder meer de expertise van het consultatiebureau aan de criteria toegevoegd om in te schatten of een kind een VE-indicatie nodig heeft.

  • Het consultatiebureau brengt al in kaart welke kinderen niet naar de VE-kinderopvang gaan en waarom. De gemeente zet in overleg met de uitvoeringspartners zo nodig acties uit om het bereik te vergroten.

  • Stimuleren dat alle peuters naar een voorziening voor kinderopvang gaan.

  • Stimuleren dat alle kinderen met 4 jaar naar school gaan.

Ambitie 4: Monitoren van bereik, kwaliteit en resultaten

Het maken van resultaatafspraken met het onderwijs over VVE is een wettelijke taak, evenals het monitoren van bereik, kwaliteit en resultaten van VVE. We hebben echter ambities voor alle opvang en onderwijs. In overleg met de LEA gaan wij in gesprek over het monitoren van doelstellingen en resultaten.

Gewenste resultaten:

  • We hebben inzicht in data van indiceren, toeleiden en plaatsen van alle peuters in de VE-kinderopvang.

  • We monitoren jaarlijks bereik, kwaliteit en prestaties van VVE.

  • We maken afspraken met onderwijs en kinderopvang welke overige doelstellingen en resultaten nodig zijn om te monitoren en hoe we dat doen.

We bereiken dat door:

  • De gemeente maakt jaarlijks met de VE-kinderopvang en de betrokken basisscholen concrete afspraken over kwaliteit en prestaties van de VVE.

  • De gemeente evalueert jaarlijks bereik, kwaliteit en prestaties van VVE samen met de partners van VE-kinderopvang, onderwijs en het consultatiebureau. De resultaten worden gebruikt voor het inzetten op kwaliteitsverbetering of interventies.

  • We maken bestuurlijke afspraken in de LEA over opvang en onderwijs.

Ambitie 5: Aandacht voor talent

Om kinderen kansen te bieden in deze samenleving is het ontwikkelen van talent en vaardigheden essentieel. Talent is heel divers: cognitief, sociaal, artistiek, sportief, digitaal, technisch enzovoort. Vaardigheden die erin zitten hebben ook een omgeving nodig om eruit te komen. De uitdaging is om kinderen de ruimte, middelen, ondersteuning en aanmoediging te bieden om hun talenten te ontwikkelen. Talentontwikkeling draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling, maar maakt ook kansen in het onderwijs en voor de toekomst gelijker.

Gewenste resultaten:

  • Samenwerking tussen onderwijs en partijen als buitenschoolse opvang, sport- cultuur-, natuur- en milieueducatie, welzijn.

  • Het aantal ambassadeurs/intermediairs van het jeugdfonds sport en cultuur neemt ieder jaar toe.

  • Een (school)klimaat creëren waarin alle kinderen en jongeren zich veilig en geaccepteerd voelen en aandacht is voor talentontwikkeling.

We bereiken dat door:

  • We onderzoeken, samen met partners, wat nodig is om invulling te geven aan ontwikkeling van talenten. We maken gezamenlijk een uitvoeringsplan.

  • Stimuleren dat alle kinderen kunnen meedoen, ook als in de thuissituatie de middelen ontbreken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van het Jeugdfonds sport en cultuur en de Kindregelingen van de gemeente.

  • Het ontwikkelen van digitale- en algemene basisvaardigheden in samenwerking met de bibliotheek.

Ambitie 6: Samenwerking rondom de ontwikkeling van kinderen

Het van oorsprong Afrikaanse gezegde ‘It takes a village to raise a child’ wordt wereldwijd gebruikt. De opvoeding en ontwikkeling van kinderen is primair de verantwoordelijkheid van ouders, maar de omgeving heeft ook invloed. We versterken, samen met inwoners en organisaties, de sociale basis en netwerken van kinderen en gezinnen. Verwachtingen, vaardigheden en gedrag van pedagogisch medewerkers, leraren en ouders zijn van invloed op de kansen van kinderen. Ouderbetrokkenheid betekent partnerschap. Vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid en partnerschap wordt gewerkt aan onderwijskansen voor een kind, door ouders, voorschoolse voorzieningen, onderwijs en maatschappelijke organisaties.

Gewenste resultaten:

  • Een doorgaande leerlijn (zie ook ambitie 2).

  • Goede samenwerking en communicatie met en tussen ouders, school, kinderopvang en maatschappelijke partners.

  • Een goede informatievoorziening door de gemeente over opvoeden en opgroeien in Medemblik voor ouders.

  • De ouderbetrokkenheid in de kinderopvang en het onderwijs is toegenomen.

  • Samenwerkingsafspraken met schoolbesturen over de aanpak van kansenongelijkheid in het onderwijs, zoals bijvoorbeeld over kinderen in armoede.

We bereiken dat door:

  • Het ontwikkelen van een gezamenlijke visie en uitvoeringsplan met onderwijs en opvang op taal.

  • Het ontwikkelen van een gezamenlijke visie en uitvoeringsplan met onderwijs en opvang op ouderbetrokkenheid.

  • Afspraken met de VVE locaties over ouderbetrokkenheid.

  • Afstemming met het minimabeleid. In het minimabeleid is een pilot opgenomen om een brugfunctionaris in te zetten t.b.v. het onderwijs, om scholen te ondersteunen in de begeleiding van gezinnen in armoede,

Ambitie 7: Voor ieder kind een zo passend mogelijke plek

We willen een inclusieve samenleving waarin kinderen de kans krijgen om mee te doen en zo gewoon mogelijk op te groeien. Scholen zijn verplicht om leerlingen een passende plek te bieden, ook als een leerling extra ondersteuning nodig heeft10. Voor de voorschoolse voorzieningen ontbreekt een wettelijke basis. Dat betekent dat het verschilt per kinderopvangorganisatie of en hoe zij kinderen met een ondersteuningsbehoefte in reguliere groepen op (kunnen) vangen. Ook is de overdracht van peuters met een ondersteuningsbehoefte naar het basisonderwijs niet goed geregeld. Voor de voorschoolse periode (0 tot 4 jaar) is er behoefte aan een ondersteuningsstructuur. Het uitgangspunt is inclusieve opvang en onderwijs in de buurt, maar hoe we dit structureel vorm geven, hoe ver we gaan, wie welke verantwoordelijkheid heeft en hoe het zit met de financiën moeten we eerst onderzoeken.

Gewenste resultaten:

  • Preventieve inzet en vroegsignalering in kinderopvang: door tijdig te signaleren en daarbij op de juiste manier te handelen, kan voorkomen worden dat problemen ontstaan of verergeren.

  • Afspraken over kinderen met een ondersteuningsbehoefte zijn onderdeel van de doorgaande lijn peuters-kleuters, zodat de doorstroom naar het onderwijs soepel verloopt.

  • Aanvullende preventieve inzet in het basisonderwijs gericht op het voorkomen van schooluitval en het versterken van de doorgaande lijn primair onderwijs-voortgezet onderwijs.

  • Het ontwikkelen van zorgroute kaarten voor kinderopvang en onderwijs.

We bereiken dat door:

  • In 2025 onderzoeken we, in gesprek met partners, of en hoe de ondersteuning binnen de (VE)- kinderopvang vormgegeven kan worden om een inclusief aanbod te realiseren. We onderzoeken daarbij ook of en in hoeverre we aan kunnen sluiten bij het Ondersteuningsplan 2022-2026 van het samenwerkingsverband. Daarin worden o.a. ambities genoemd dat het samenwerkingsverband eerder betrokken wordt bij peuters die extra ondersteuning nodig hebben; om een ondersteuningsstructuur voor peuters te ontwikkelen en aan te laten sluiten op die van het basisonderwijs; en het opzetten van een expertiseteam Jonge Kind.

  • Een plan te maken voor deskundigheidsbevordering in de (VE) kinderopvang. Daarnaast onderzoeken we bijvoorbeeld of een kleinere groep mogelijk en/of extra ondersteuning mogelijk is.

  • We onderzoeken samen met onderwijs of en hoe we een alternatief realiseren voor de onderwijsbegeleidingsdienst, o.a. gericht op het voorkomen van schooluitval en de doorgaande lijn primair onderwijs-voortgezet onderwijs.

  • We zoeken de verbinding met andere beleidsterreinen zoals jeugdhulp, schoolmaatschappelijk werk, minimabeleid en laaggeletterdheid.

5. Samenwerking

Na het vaststellen van het onderwijskansenbeleid starten we met het prioriteren van de doelen en acties voor het komend jaar in de uitvoeringsagenda. Dit doen we in de LEA, met input van samenwerkingspartners. Deze doelen en acties vormen vervolgens vaste agendapunten in overleg en/of werkgroepen van onderwijs, (VE) kinderopvang en maatschappelijke partners. In bijlage 3 beschrijven we welke overleggen er zijn of moeten komen en wat hun doel is. Overleggen en werkgroepen kunnen advies voorleggen aan de LEA.

Naast de samenwerking met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en maatschappelijke partners is interne samenwerking binnen de gemeente Medemblik van groot belang. Onderwijskansenbeleid is effectiever als het in verbinding staat met andere beleidsterreinen. Het onderwijskansenbeleid raakt andere beleidsterreinen en onderwerpen. Het overkoepelende meerjarenbeleidsplan sociaal domein borgt dat deze verbinding en samenwerking er is.

We bereiken overeenstemming met de LEA op welke maatschappelijke thema’s ingezet zal worden middels acties in de uitvoeringsagenda. We zoeken aansluiting bij o.a. armoede en minimabeleid, gezondheid, jeugdhulp, verkeer, sport, cultuur en jongerenwerk.

6. Volgen, evalueren en verbeteren beleid

6.1 Inleiding

We gaan de uitvoering en de opbrengsten van het onderwijskansenbeleid systematisch in kaart brengen, afspraken evalueren en conclusies trekken waarmee we het beleid kunnen verbeteren. Zo evalueren we of de goede dingen worden gedaan en of de dingen goed worden gedaan, maar ook welke resultaten we bereiken en welke verbeteringen we signaleren.

De gemeente Medemblik speelt een belangrijke rol in de uitvoeringsagenda van het onderwijskansenbeleid. De samenwerkingspartners zijn betrokken bij de totstandkoming van deze agenda en partner in de uitvoering ervan. We benoemen per deelresultaat wie betrokken is, hoe en met wie we evalueren en welke afspraken we verder ontwikkelen.

6.2 Monitoring van resultaten

Een goede kwaliteitscyclus is niet eenvoudig. We hebben ambities geformuleerd om kinderopvang, onderwijs, het consultatiebureau, jeugdzorg en maatschappelijke voorzieningen beter met elkaar te verbinden. Er ligt een grote opdracht en er zijn voldoende middelen. De praktijk kan echter weerbarstig zijn. We vragen advies aan een externe partij bij monitoring, data-analyse en evaluatie van de VVE- en overige GOAB-activiteiten. Zo vergroten we onze kennis en kunnen we deze inzichten met partners delen om beleid verder te ontwikkelen.

We monitoren tenminste jaarlijks de verschillende onderdelen van het onderwijskansenbeleid met:

  • VVE verantwoording: dit betreft afspraken met het consultatiebureau en VE-kinderopvang over rapportage van het bereik van de VE doelgroep, resultaten van het bereik per organisatie, inzage in aantallen doelgroepkinderen per kern.

  • VVE evaluatie: dit betreft de evaluatie van afspraken met VE-kinderopvang en de betrokken basisscholen van kwaliteit en resultaten. Dit doen we in een werkgroep aan de hand van een verder te ontwikkelen kwaliteitskader VVE.

  • GOAB-evaluatie: evaluatie en verslag van de opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten en samenwerkingsafspraken met betrokken partijen.

  • De Uitvoeringsagenda en bijbehorende begroting: jaarlijkse evaluatie en ontwikkeling in overleg met partners.

Tenslotte leggen we verantwoording af over het beleid richting de onderwijsinspectie met de jaarlijkse vragenlijst over het verplichte overleg (LEA) en voor- en vroegschoolse educatie. De vragenlijst moet door het college worden vastgesteld.

7. Financieel kader

7.1 Inleiding

De gemeente ontvangt Rijksmiddelen voor de uitvoering van (gemeentelijk) onderwijsachterstandenbeleid (GOAB, ook wel OAB). Er zijn strikte voorwaarden waaraan de gemeente het geld mag besteden. De besteding van dit budget wordt separaat (SiSa11) verantwoord aan het Rijk. De Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) is hierin de belangrijkste kostenpost en wettelijk verplicht. Binnen de regels kan bekeken worden wat inhoudelijk prioriteit moet krijgen en waarvoor de GOAB-middelen exact worden ingezet.

7.2 Besteding van de budgetten

Het onderwijskansenbeleid wordt hoofdzakelijk uitgevoerd door onze samenwerkingspartners. Aan de hand van de Nadere regels subsidie voorschoolse voorzieningen en onderwijskansenbeleid kunnen kinderopvangorganisaties subsidie aanvragen voor de uitvoering van voorschoolse educatie. Deze subsidieregels worden uitgebreid met afspraken over de subsidiëring van overige activiteiten uit het onderwijskansenbeleid,

De toegekende subsidies worden gefinancierd uit de GOAB-middelen. De begroting is te vinden in bijlage 1.

We maken een meerjarenplan om structureel vorm te geven aan beleid. GOAB-middelen worden per periode van vier jaar toegekend. Dat betekent dat we de begroting per periode van vier jaar plannen. De huidige beleidsperiode betreft 2023-2026. In 2026 wordt het GOAB-beleid door de Rijksoverheid geëvalueerd en worden afspraken bekend over financiering voor de periode daarna.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik,

gehouden op 23 januari 2025,

De griffier.

De voorzitter,

Bijlage 1: Begroting 2025

 

Inkomsten 2025

Uitgaven 2025

 
 

GOAB middelen 2025 (voorlopig)

€ 1.402.923

 

Voorschoolse Educatie* in gemengde peutergroepen

 

€ 695.000

Voorschoolse Educatie in hele dagopvang

 

€ 50.000

VE-coach/pbm

 

€ 39.000

VE scholing

 

€ 38.500

VE kleine kernen subsidie

 

€ 41.000

Subtotaal

 

€ 863.500

Ambitie 5: Inzetten op talenten

 

€ 50.000

Ambitie 6: Samenwerking rondom de ontwikkeling van kinderen

 

€ 50.000

Ambitie 7: Voor ieder kind een zo passend mogelijke plek

 

€ 50.000

Subtotaal

 

€ 150.000

Indiceren en toeleiden door JGZ* (ambitie 2)

 

€ 50.000

Activiteiten, mede gericht op toeleiding naar VE (bijv. Samen voorlezen / ambitie 2)

 

€ 26.500

€10.500

Doorgaande lijn en overdracht opvang-onderwijs* (ambitie 3)

 

€ 10.000

Monitoren bereik, kwaliteit, resultaten VVE* (ambitie 4)

 

€ 10.000

Advies over tarieven, subsidieafspraken VE en OAB (ambitie 4)

 

€ 5.000

Doorbelasting personele kosten gemeente

 

€ 50.000

Subtotaal

 

€ 197.000

 
 

subtotaal bedragen

 

€ 863.500

€ 150.000

€ 197.000

Te besteden in overleg met partners

 

€ 192.423

Totaal uitgaven

 

€ 1.402.923

  • *

    Dit betreft een wettelijke eis

Bedragen zijn indicatief. Tussen kostenposten kan geschoven worden.

Bijlage 2: Doelgroep definitie gemeente Medemblik

Inleiding:

In deze doelgroependefinitie staat beschreven welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie (VE) in de peuteropvang. Kinderen hebben voor deelname aan VE een indicatie nodig. De subsidievoorwaarden staan beschreven in de Nadere regels subsidie voorschoolse voorzieningen en onderwijskansenbeleid.

Doelgroependefinitie per 2019:

De jeugdarts of jeugdverpleegkundige van de JGZ (het consultatiebureau) in Medemblik geeft de VE indicatie af indien er sprake is van één of meer van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Een gesignaleerde (dreigende) taalachterstand.

  • 2.

    Een gesignaleerde (dreigende) taalachterstand door een niet Nederlandstalige opvoeding.

  • 3.

    Een gesignaleerde (dreigende) taalachterstand door een niet Nederlandstalige opvoeding én een sociaal-emotionele achterstand.

  • 4.

    Een gesignaleerde (dreigende) taalachterstand door een niet Nederlandstalige opvoeding én sociale gezinsfactoren.

  • 5.

    Een gesignaleerde (dreigende) taalachterstand én sociale gezinsfactoren.

  • 6.

    Een sociaal-emotionele achterstand.

  • 7.

    Sociale gezinsfactoren.

Doelgroependefinitie nieuw voorstel :

De jeugdarts of jeugdverpleegkundige van de JGZ (het consultatiebureau) in Medemblik geeft de VE indicatie af indien er sprake is van één of meer van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Een achterstand in de taalontwikkeling of een gerede kans op het oplopen van een achterstand in de ontwikkeling van de Nederlandse taal.

  • 2.

    De thuistaal is niet-Nederlands én er is sprake van een achterstand in de taalontwikkeling of een gerede kans op het oplopen van een achterstand in de ontwikkeling van de Nederlandse taal.

  • 3.

    Naast (de kans op) een achterstand in taalontwikkeling, komen ook kinderen in aanmerking die een achterstand of een kans daarop hebben in de motorische ontwikkeling of de sociaal emotionele ontwikkeling (gemeten door de JGZ);

  • 4.

    De jeugdarts of verpleegkundige beoordeelt op basis van eigen expertise en professionaliteit of er sprake is van omgevingsfactoren die de ontwikkeling van kinderen belemmeren, die niet onder de kenmerken 1 t/m 3 vallen. Het betreft kinderen uit gezinnen waar mogelijk meerdere (sociale, economische, culturele) factoren spelen die effect hebben op hun ontwikkeling.

Aanvullende afspraken:

  • De VE-kinderopvang heeft de mogelijkheid om op basis van objectieve observatiegegevens kinderen te laten (her)indiceren op basis van een (dreigende) taalontwikkelingsachterstand en/of een achterstand in de motorische of sociaal-emotionele ontwikkeling. De JGZ beoordeelt dit verzoek en geeft zo nodig de indicatie af.

  • Jaarlijks wordt de doelgroependefinitie geëvalueerd met de VE-partners. Een voorstel tot bijstelling van deze doelgroependefinitie wordt voorgelegd aan de LEA. Vervolgens besluit het college van b en w.

Bijlage 3: Overlegstructuur tussen gemeente en partners

Bestuurlijk overleg

De Lokaal Educatieve Agenda (LEA) is een overleg van de gemeente met bestuurders van primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo en de (VE) kinderopvang. In de LEA worden afspraken gemaakt over het onderwijskansenbeleid en wordt een beroep gedaan op het gezamenlijk belang. De in dit beleidsplan vastgestelde koers geldt als richtlijn voor de komende jaren. Op bestuurlijk niveau worden de gemaakte afspraken helder en eenduidig richting de werkvloer gecommuniceerd.

Overleg over en met de uitvoering

We stellen een regisseur aan voor VVE en GOAB activiteiten. De regisseur zal met de betrokken partners een overlegstructuur ontwikkelen. De betrokken partners zijn in ieder geval:

  • -

    Kinderopvang

  • -

    Samenwerkingsverband

  • -

    Basisscholen

  • -

    Jeugdgezondheidszorg

  • -

    Bibliotheek

Er kunnen werkgroepen worden gevormd op gebiedsniveau en/of thema’s, of de regisseur sluit aan bij bestaande overleggen zoals de knooppunten van het primair onderwijs.

Doel is om elkaar meer op te zoeken en meer samenhang tussen verschillende activiteiten en beleidsterreinen te bewerkstelligen. Daarnaast om de GOAB activiteiten (ambities uit dit beleidsplan) blijvend te versterken.

Evaluatie met partners

We vragen advies aan een externe partij bij monitoring, data-analyse en evaluatie van de VVE- en overige GOAB activiteiten. We zoeken naar een eenvoudige manier om kennis en inzichten met partners te delen om beleid verder te ontwikkelen.

Bijlage 4: Lijst van begrippen en afkortingen

VVE

Voor- en vroegschoolse educatie,

  • Voorschoolse educatie is bedoeld voor doelgroeppeuters op de kinderopvang (peuteropvang en kinderdagverblijven);

  • Vroegschoolse educatie is bedoeld voor doelgroepkleuters uit groep 1 en 2

VE

Voorschoolse educatie

Doelgroep kinderen

Peuters en leerlingen uit het basisonderwijs met (een risico op) een onderwijsachterstand

Doelgroependefinitie

Lijst met criteria om vast te stellen welke kinderen met een risico op een onderwijsachterstand in aanmerking komen voor voorschoolse educatie in Medemblik

JGZ

Jeugdgezondheidszorg; ook wel het consultatiebureau genoemd. De GGD Hollands Noorden voert de JGZ uit.

VE-indicatie

Een door JGZ afgegeven indicatie waarmee een doelgroep peuter gebruik kan maken van een gesubsidieerd voorschools aanbod

(G)OAB-middelen

Rijksmiddelen om het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid uit te voeren. Het GOAB-budget (ook wel OAB-budget) wordt jaarlijks bepaald aan de hand van de achterstandsscores van de gemeente. GOAB-middelen zijn geoormerkt en moeten jaarlijks verantwoord worden binnen de wettelijke kaders.

Startpositie onderwijs

De mate waarin kinderen vaardig zijn en zich hebben ontwikkeld op het gebied van taalontwikkeling, beginnende rekenvaardigheid, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling op het moment dat een kind start in groep 1 van de basisschool.

Leerplicht

Leerlingen van 5 tot 16 jaar zijn leerplichtig.

Verzuim

Alle kinderen tussen 5 en 16 jaar zijn leerplichtig. Er is sprake van schoolverzuim als een leerling zonder geldige reden niet voldoet aan de leerplicht.

LEA

Lokaal Educatie Agenda. Deelnemers: gemeente, bestuurders van primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo en de kinderopvang.


Noot
2

Knooppunt: het onderwijs in Westfriesland is verdeeld in knooppunten. Een knooppunt is een lokaal overleg van directeuren primair onderwijs en/of intern begeleiders. De gemeente Medemblik heeft drie knooppunten.

Noot
3

De Lokaal Educatieve Agenda is een instrument voor gemeenten, schoolbesturen, besturen (VE) kinderopvang en overige partners om te komen tot gezamenlijke afspraken over het onderwijs- en jeugdbeleid.

Noot
4

De Adviesraad Sociaal Domein (ARSD) in de gemeente Medemblik is een onafhankelijke adviseur van het college. De Adviesraad signaleert en inventariseert de vraagstukken binnen het sociaal domein en adviseert de gemeente gevraagd en ongevraagd over de uitvoering van het gemeentebeleid. Zo is het mogelijk dat inwoners mee kunnen denken in het gemeentelijk beleid sociaal domein.

Noot
5

Het CBS maakt gebruik van een model met vijf omgevingskenmerken die in samenhang van invloed zijn: het opleidingsniveau van de ouders, het land van herkomst, de verblijfsduur van de moeder in Nederland, wel of niet in de schuldsanering zitten, het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op school.

Noot
7

Kinderopvang is: kinderdagverblijf, (VE)-peuteropvang, gastouderopvang of buitenschoolse opvang.

Noot
8

Vanaf 2,5 jaar komen de doelgroepkinderen in aanmerking voor twee extra gesubsidieerde dagdelen. De voorwaarden zijn vastgelegd in de Nadere regels subsidie voorschoolse voorzieningen en onderwijskansenbeleid.

Noot
9

SLO: Stichting Leerplan Ontwikkeling is het landelijk expertisecentrum voor het onderwijscurriculum. SLO heeft voor het jonge kind (peuters) inhoudskaarten ontwikkeld voor ieder leergebied met een overzicht van het mogelijke aanbod in de vorm van aanbodsdoelen. In VE kind-volgsystemen zijn de SLO doelen verwerkt.

Noot
10

Passend onderwijs West-Friesland bestaat uit samenwerkingsverband De Westfriese Knoop (voor het basisonderwijs) en samenwerkingsverband VO West-Friesland (voortgezet onderwijs). Zij zorgen dat iedere leerling in de regio een zo passend mogelijke onderwijsplek krijgt, met waar nodig extra ondersteuning.

Noot
11

SiSa staat voor Single information, Single audit. Dit is een systematiek waarmee de gemeente verantwoording geeft over de besteding van het extra geld voor de uitvoering van specifiek beleid van de Rijksoverheid.