Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Oisterwijk

Geldend van 27-02-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Oisterwijk

Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Oisterwijk;

gelet op:

  • het bepaalde in artikelen 1:3 lid 4 en titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;

  • de Participatiewet, artikel 35;

overwegende dat:

in het kader van artikel 35 van deze wet het wenselijk is de beleidsregels met betrekking tot bijzondere bijstand in een afzonderlijke richtlijn bijeen te brengen;

besluit vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Oisterwijk.

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1: Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de huurtoeslag.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      College: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Oisterwijk;

    • b.

      Wet: de Participatiewet

    • c.

      Belanghebbende: de persoon die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;

    • d.

      Vermogen: het vermogen volgens artikel 34, lid 1, sub a en b van de wet tenzij expliciet anders wordt aangegeven;

    • e.

      Bijzonderebijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet;

    • f.

      Bijstandsnorm: de voor belanghebbende geldende norm op basis van de wet;

    • g.

      Voorliggendevoorziening: elke wettelijke voorziening buiten de Participatiewet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of bekostiging van specifieke uitgaven;

    • h.

      Minimuminkomen: 120% van de op datum aangevraagde geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeldreservering;

    • i.

      Woonkosten:

      • i.

        Indien een huurwoning wordt bewoond: de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag inclusief de servicekosten

      • ii.

        indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten. Onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerende zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.

      • iii.

        indien een woonwagen of woonschip wordt bewoond: stageld, liggeld of roerende zaakbelasting, in ieder geval niet zijnde energiekosten.

Artikel 2: Algemene bepalingen

  • 1. Bij het vaststellen van het bedrag van de bijzondere noodzakelijke kosten wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing. Bij het bepalen van de goedkoopst adequate oplossing wordt uitgegaan van de NIBUD normen, tenzij deze naar het oordeel van het college onevenredig hoog of onevenredig laag zijn. In dat geval onderzoekt het college aan de hand van daadwerkelijk beschikbare mogelijkheden wat goedkoopst adequaat is.

  • 2. Bij aanvragen die mede betrekking hebben op in de algemene bijstand begrepen kostensoorten, zoals dieetkosten en orthopedisch schoeisel, kan het aandeel algemeen gebruikelijke kosten in mindering worden gebracht.

  • 3. Er wordt geen drempelbedrag toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand.

Artikel 3: De aanvraag

  • 1. Voor het aanvragen van bijzondere bijstand dient gebruik te worden gemaakt van het door het college beschikbaar gestelde (digitale of fysieke) aanvraagformulier.

  • 2. Bij de aanvraag worden die gegevens en bewijsstukken overgelegd die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn om de aanspraak op bijzondere bijstand te kunnen beoordelen.

  • 3. Een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend en ter beoordeling worden voorgelegd vóórdat de kosten daadwerkelijk door de belanghebbende zijn gemaakt.

  • 4. Van het bepaalde in het derde lid kan, met de periode van een maand, worden afgeweken indien dit op individuele omstandigheden vereist is en er daarnaast geen twijfel bestaat over de noodzaak van de kosten en het inkomen op het moment dat de kosten werden gemaakt.

  • 5. Bij verlenen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht geldt het volgende:

    • a.

      De periode waarop we de terugwerkende kracht toepassen met betrekking tot bijzondere bijstand voor kosten bewind voering (incl. griffiekosten i.h.k.v. bewind voering, curatele- en mentorschapskosten), eigen bijdrage rechtsbijstand (incl. griffiekosten) is 3 maanden.

    • b.

      Indien bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, dus nadat de kosten zijn ontstaan, dan heeft dit de maximale terugwerkende kracht van 3 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen.

Hoofdstuk 2: Draagkrachtbepalingen

Artikel 4: Algemene bepalingen draagkracht

  • 1. Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en partner.

  • 2. Een belanghebbende tot het minimuminkomen heeft geen draagkracht.

  • 3. Een belanghebbende in de Wsnp of Wgs wordt voor de duur van de schuldsanering geacht geen draagkracht te hebben.

  • 4. Voor de draagkracht wordt uitgegaan van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De kostendelersnorm wordt niet toegepast. Dit wordt beoordeeld aangaande de situatie van de hoofdaanvrager.

  • 5. Belanghebbenden zijn verplicht verandering in de financiële positie en in de woon- en huishoudsituatie te melden.

Artikel 5: Berekening van de draagkracht

  • 1. De draagkracht wordt op basis van het vermogen en het inkomen exclusief vakantiegeld vastgesteld.

  • 2. Voor de bepaling van de inkomsten en het vermogen worden alle inkomsten en vermogen van de belanghebbende en partner bij elkaar opgeteld, voor zover die niet op grond van artikel 31, tweede lid van de wet buiten beschouwing worden gelaten. De individuele inkomenstoeslag wordt voor de berekening van de draagkracht buiten beschouwing gelaten.

  • 3. De draagkracht in het inkomen wordt gebaseerd op:

    • a.

      het inkomen in de voorafgaande maand bij een vast inkomen;

    • b.

      het gemiddelde inkomen over de drie voorafgaande maanden bij een onregelmatig inkomen.

    • c.

      inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag bij inkomen uit een zelfstandig bedrijf of beroep. Basis hiervoor is primair de (voorlopige) aanslag over dat jaar en secundair de aangifte.

  • 4. Voor de inkomensvaststelling wordt het inkomen:

    • a.

      verminderd met hoge zorgkosten, te bepalen door van de feitelijke premie, daaronder ook begrepen premie voor aanvullende zorgverzekeringen, de feitelijke verkregen zorgtoeslag en de nominale premie, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Zorgtoeslag;

    • b.

      verminderd met hoge woonkosten, te bepalen door van de feitelijke woonkosten, waaronder begrepen de huur danwel netto hypotheeklasten, eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting en servicekosten, behoudens voor zover deze betrekking hebben op energiekosten van de woning, de feitelijk ontvangen huurtoeslag en de normhuur zoals bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Huurtoeslag af te trekken;

    • c.

      verminderd met eigen bijdrage CAK;

    • d.

      verminderd met alimentatieverplichtingen, voor zover deze zijn vastgelegd bij rechterlijke uitspraak;

    • e.

      verminderd met de afbetaling van een belastingschuld, indien er schriftelijk een betalingsregeling overeen is gekomen;

  • 5. De draagkracht in het inkomen is het in overeenstemming met de leden 2, 3 en 4 vastgestelde inkomen, na aftrekking van het minimuminkomen.

  • 6. Artikel 34, tweede lid, van de wet is van toepassing op Bijzondere Bijstand. Vermogen anders dan de vermogensvrijlating op grond van de wet wordt als draagkracht uit vermogen aangemerkt.

Artikel 6: Draagkrachtperiode

  • 1. De draagkracht wordt bij ongewijzigde omstandigheden 1 keer per jaar vastgesteld. De periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de eerste aanvraag om bijstand is ingediend.

  • 2. De draagkracht wordt herzien indien wijzigingen in de volgende omstandigheden daarvoor aanleiding geven. De volgende omstandigheden geven daartoe in ieder geval aanleiding:

    • a.

      Een stijging van 10% of meer in het inkomen;

    • b.

      Een stijging van het vermogen, door gevallen zoals benoemd in artikel 31 lid 1 van de wet.

  • 3. Indien het inkomen wijzigt ten tijde van de aanvraag gaan we uit van het toekomstige inkomen.

  • 4. In het geval dat er geen sprake is van draagkracht in het inkomen en vermogen kennen we bijzondere bijstand toe voor de duur van drie jaar als er sprake is van de volgende periodieke kosten: kosten bewind voering/mentorschap/curatele, bankkosten bewind voering, personenalarmering, maaltijden en dieetkosten.

  • 5. We stellen bij de in lid 3 genoemde periodieke kosten de draagkracht bij aanvang voor de gehele periode van drie jaar vast. Als er wel draagkracht is in het inkomen wordt de bijzondere bijstand voor de duur van een jaar toegekend. Indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat naar oordeel van het college een toekenningsperiode van 3 jaar te lang is dan kan de bijzondere bijstand voor de duur van een jaar worden toegekend.

  • 6. Als het vermogen €2000,00 minder is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet, kan het college besluiten om de draagkracht voor 12 maanden vast te stellen.

Artikel 7: Inzet draagkracht

  • 1. De draagkracht wordt in geval van samenloop eerst verrekend met de incidentele en daarna met de periodieke kosten.

  • 2. Bij periodieke bijstand wordt de draagkracht evenredig gespreid over de maanden van bijstandsverlening en evenredig verrekend met de kosten.

Hoofdstuk 3: Vorm van de bijstand

Artikel 8: Wijze van het verstrekken

  • 1. In beginsel wordt de bijzondere bijstand “om niet” verstrekt (zonder terugbetalings- verplichting).

  • 2. De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die genoemd worden in artikel 48, tweede lid, sub a tot en met d van de wet.

Artikel 9: Uitbetaling

Betaling van de bijzondere bijstand vindt plaats na de toekenning hiervan. De verstrekte bijzondere bijstand moet worden uitgegeven aan het doel waartoe het verstrekt is. Er kan een bestedingsverplichting worden opgelegd. Indien het structurele kosten betreft kan het college verantwoording over een periode vragen.

Artikel 10: Intrekking en terugvordering

Indien uit onderzoek is gebleken dat de bijzondere bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt of niet is uitgegeven aan het doel waarvoor het verstrekt is wordt van de bevoegdheid tot herziening/intrekking en terugvordering gebruik gemaakt, overeenkomstig het bepaalde in de wet en in de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2020 Gemeente Oisterwijk.

Hoofdstuk 4: Kosten die verband houden met wonen

Artikel 11 Verhuis-, (her-)inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

  • 1. De belanghebbende wordt geacht de kosten, die verband houden met een verhuizing en/of (her)inrichting, in beginsel uit zijn inkomen te voldoen, hetzij door reservering vooraf, hetzij door gespreide betaling achteraf. Voor deze kosten wordt in beginsel geen bijstand verstrekt.

  • 2. Voor deze kosten wordt 50% van de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet gehanteerd

  • 3. Er wordt geen bijstand verleend aan eenieder die voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Het bepaalde in het eerste lid is ook hier van toepassing.

  • 4. Van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan worden afgeweken wanneer:

    • a.

      sprake is van een medische noodzaak of sociale noodzaak en;

    • b.

      het afsluiten van een lening bij een commerciële bank of de Kredietbank Nederland niet mogelijk is en;

    • c.

      de belanghebbende aantoonbaar niet heeft kunnen reserveren en er geen andere voorziening ter betaling van de kosten voorhanden is of;

    • d.

      er sprake is van een situatie waarop b en c van toepassing zijn en er sprake is van dubbele woonkosten vanwege een onvoorzienbare noodzakelijke verhuizing. Er kan in dat geval tijdelijk bijzondere bijstand verstrekt worden voor een deel van de woonlasten.

  • 5. Van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid kan worden afgeweken wanneer er sprake is van een statushouder.

  • 6. Indien de noodzaak als bedoeld in het derde lid aanwezig is, wordt de bijzondere bijstand voor zover het kosten van duurzame gebruiksgoederen betreft verleend in de vorm van een geldlening. Hiervan kan worden afgeweken indien dit op individuele omstandigheden vereist is. Bijzondere bijstand voor statushouders wordt in dit geval om niet verstrekt.

  • 7. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld volgens artikel 2 van deze beleidsregels. Bij een volledige woninginrichting gelden de volgende bedragen:

    • a.

      Alleenstaande kamerbewoner € 1.664

    • b.

      Alleenstaande, zelfstandig wonend € 3.182

    • c.

      Gehuwden (zonder kind) of alleenstaande ouder met 1 kind € 5.370

    • d.

      Voor elk kind meer € 655

Artikel 12: Woonkostentoeslag

  • 1. Woonkostentoeslag voor een huurwoning, woonwagen of woonschip:

    • a.

      Indien belanghebbende een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten, gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor de toekenning van die huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag.

    • b.

      De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 2. Woonkostentoeslag voor een eigen woning:

    • a.

      Indien belanghebbende een woning in eigendom heeft, waar hij in woont, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geenbelemmering zou vormen voor toekenning van een huurtoeslag, wordt bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verstrekt.

    • b.

      De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wet op de huurtoeslag, gelet op zijn financiële situatie, voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 3. Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurprijs zoals omschreven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag:

    • a.

      Wanneer belanghebbende een woning in huur of eigendom bewoont, wordt een toeslag verstrekt welke in overeenstemming lid 1 onder b van deze beleidsregel wordt berekend, met dien verstande dat de woonkosten die uitgaan boven de maximale rekenhuur volledig voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.

    • b.

      De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel aanspraak kan maken op huurtoeslag en, als huurtoeslag niet aan de orde is, voor de periode van maximaal één jaar. Deze periode van één jaar kan verlengd worden indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken.

  • 4. Aan bijstandsverlening zoals beschreven in het derde lid wordt met toepassing van artikel 55 van de wet de verplichting verbonden dat belanghebbende zo spoedig mogelijk verhuist naar een goedkopere woning, dan wel, indien de woning een eigen woning betreft, de woning zo spoedig mogelijk te koop aanbiedt, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

  • 5. De verhuisplicht als bedoeld in het vierde lid wordt niet opgelegd aan:

    • a.

      gehandicapten, als de hoge huur veroorzaakt wordt door voorzieningen die in de woning aangebracht zijn vanwege de handicap;

    • b.

      personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd, als een goedkoper redelijk woonalternatief, gelet op medische en sociale omstandigheden, niet voorhanden is;

    • c.

      huishoudens die bestaan uit 6 personen of meer.

  • 6. Als de belanghebbende naar vermogen getracht heeft goedkopere woonruimte te vinden, maar dit niet gelukt is, dan wordt de woonkostentoeslag met maximaal één jaar verlengd.

Artikel 13: Overbruggingsuitkering statushouders

  • 1. Als een statushouder vanuit de taakstelling een woning krijgt toegewezen dan kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt met als doel het overbruggen van de periode tot aan de eerstvolgende betaling van bijstand.

  • 2. Deze overbrugging wordt om niet verstrekt en niet teruggevorderd bij einde bijstand.

  • 3. De overbruggingsuitkering wordt eenmalig betaald vanuit de algemene bijstand en bedraagt eenmaal 100% van de geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. De vakantietoeslag wordt bij de overbruggingsuitkering meteen uitbetaald en niet gereserveerd.

Artikel 14: Doorbetaling vaste lasten

  • 1. In de volgende gevallen kan drie maanden de reguliere bijstandsnorm en drie maanden de instellingsnorm worden verleend voor de persoonlijke uitgaven en de woonkosten:

    • a.

      Wegens verblijf in een zorginstelling;

    • b.

      Wegens gedwongen opname op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 lid 3 van de wet.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand voor persoonlijke uitgaven is gelijk aan de in artikel 23 van de wet genoemde normbedragen.

  • 3. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt aan een persoon wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, lid 1, sub a van de wet.

  • 4. Van het derde lid kan worden afgeweken indien sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de wet en voor de periode van maximaal 3 maanden.

Hoofdstuk 5: Medische kosten

Artikel 15: Collectieve zorgverzekering voor minima

  • 1. Het college stelt een collectieve zorgverzekering voor de minima beschikbaar aan belanghebbenden met een inkomen tot maximaal 120% van de bijstandsnorm (het minimuminkomen).

  • 2. Deelnemers aan de collectieve zorgverzekering wordt een tegemoetkoming in de kosten van de aanvullende verzekering beschikbaar gesteld.

  • 3. Deelname gaat in met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar. Verzekerden bij VGZ en CZ kunnen, afhankelijk van de pakketkeuze, ook tussentijds gaan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering.

  • 4. Elk jaar wordt het recht op deelname opnieuw beoordeeld.

  • 5. De deelname aan de collectieve zorgverzekering eindigt wanneer de deelnemer niet meer aan de voorwaarden voldoet of op eigen verzoek van de deelnemer. De deelname stopt vanaf het volgende kalenderjaar of eerder als de deelnemer daarom vraagt.

  • 6. Directe beëindiging vindt plaats bij detentie, fraude of een betalingsachterstand in premie van zes maanden of meer.

  • 7. De gemeente stelt de zorgverzekeraar in kennis van de beëindiging.

Artikel 16: (Para)medische kosten

  • 1. Wanneer de huidige zorgverzekering niet passend en toereikend is en er is sprake van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, kan er bijzondere bijstand verstrekt worden voor de vergoeding van (para)medische kosten.

  • 2. Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende (para)medische noodzakelijke kosten in aanmerking:

    • a.

      de meerkosten van bewassing en slijtage van kleding en beddengoed als gevolg van een handicap of langdurige ziekte;

    • b.

      de meerkosten van verwarming als gevolg van een handicap of langdurige ziekte;

    • c.

      de eigen bijdrage voor ziekenvervoer, personenalarmering, medicijnen of voorzieningen uit de Wmo.

Artikel 17: Tandheelkundige kosten

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten verlenen als dit in het individuele geval noodzakelijk is. Kosten zijn in ieder geval noodzakelijk wanneer er sprake is van een acute noodsituatie waarin het niet vergoeden van de tandartskosten ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van de belanghebbende.

  • 2. De belanghebbende dient een behandelplan te overleggen. Hier staat, naast beschrijving van de behandeling zelf, tenminste in:

    • a.

      een begroting van de kosten voor de behandeling; en

    • b.

      een toelichting over de noodzaak van de behandeling door de behandelend arts.

  • 3. Bij twijfel over de noodzaak van de behandeling zoals de behandelend tandarts van de belanghebbende deze toelicht, kan het college een second opinion vragen bij een andere tandarts.

  • 4. Er wordt bijzondere bijstand verleend voor tandartskosten die ook door de Gemeentepolis worden vergoed. Hierbij wordt uitgegaan van de meest uitgebreide dekking mogelijk bij de Gemeentepolis. Kosten die niet in het totale vergoedingenoverzicht voorkomen, worden niet vergoed.

  • 5. Er wordt maximaal €500,00 per kalenderjaar per verzekerde vergoed.

  • 6. Indien belanghebbende niet aanvullend verzekerd is of niet aangesloten bij de Gemeentepolis, dan komen de eerste €150,00 van de tandartskosten voor eigen rekening.

  • 7. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van orthodontie bij kinderen jonger dan 18 jaar tot een maximum van €2.500,00 per kind gedurende de gehele behandelperiode.

  • 8. Voor toepassing van dit artikel wordt draagkracht in het vermogen in aanmerking genomen voor zover het vermogen een bedrag van 50% van de in artikel 34, derde lid, sub a, b en c van de wet genoemde vermogensgrenzen overschrijdt

  • 9. Aanvragers die verwijtbaar niet aanvullend verzekerd zijn, komen slechts eenmaal in aanmerking voor verstrekking om niet van bijzondere bijstand voor tandartskosten. Dit geldt ook voor de kosten van orthodontie voor andere kinderen in het gezin.

Hoofdstuk 6: Overige kosten

Artikel 18: Jongerentoeslag

  • 1. Een persoon van 18, 19 of 20 jaar waarvoor zelfstandige huisvesting noodzakelijk is, heeft recht op een jongerentoeslag voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van de belanghebbende uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm (artikel 20 van de wet) en voor deze kosten geen beroep gedaan kan worden op de ouders, omdat:

    • a.

      de middelen van de ouders niet toereikend zijn, óf

    • b.

      de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

  • 2. De belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:

    • a.

      de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen;

    • b.

      de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst;

    • c.

      er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.

  • 3. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld, rekening houdend met de individuele omstandigheden, maar bedraagt voor een alleenstaande (ouder) van 18 tot 21 jaar: tot aan de hoogte van de geldende bijstandsnorm voor een jongere inclusief vakantietoeslag, zoals die zou gelden voor een persoon van 21 jaar.

  • 4. Voor de jongeren van 18, 19 of 20 jaar in een inrichting verblijvend die aan het genoemde onder lid 1 sub a of b en lid 2 voldoet, wordt er bijzondere bijstand verstrekt overeenkomstig de inrichtingsnorm zoals genoemd in artikel 23 van de wet.

Artikel 19: Kosten bewind voering (beschermingsbewind), mentorschap en curatele

  • 1. Bijzondere bijstand voor beloning van de bewindvoerder, mentor of curator kan worden verstrekt overeenkomstig het door de rechter vastgestelde bedrag.

  • 2. Per kalenderjaar kunnen bankkosten in verband met bewind voering voor vergoeding in aanmerking komen vanuit de bijzondere bijstand.

Artikel 20: Reiskosten

  • 1. Reiskosten komen alleen voor bijzondere bijstand in aanmerking als er sprake is van individuele, bijzondere omstandigheden. Dit geldt in ieder geval, maar niet uitsluitend voor bezoek van de belanghebbende aan een ziekenhuis, bezoek van de belanghebbende aan een psycholoog en bezoek van de belanghebbende aan familieleden (eerste graad) verblijvend in een zorginrichting of penitentiaire inrichting in Nederland en bij een minimale afstand van 10 kilometer.

  • 2. De bijzondere bijstand is gebaseerd op een bezoekfrequentie van maximaal twee maal per week voor één persoon of maximaal één maal per week voor twee personen.

  • 3. Maximaal wordt vergoed het tarief van het openbaar vervoer, tweede klas, na overlegging van een bewijs van opname in de betreffende inrichting.

Artikel 21: Maaltijdvoorziening

  • 1. Belanghebbenden die door persoonlijke of medische omstandigheden:

    • a.

      niet in staat zijn een eigen hoofdmaaltijd te bereiden en geen beroep kunnen doen op gebruikelijke zorg door een partner of inwonende kinderen;

    • b.

      gebruik kunnen maken van een maaltijdenvoorziening, waaronder begrepen de zogenaamde "eetpunten";

    kunnen voor de meerkosten verbonden aan een hoofdmaaltijdenvoorziening in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal 4 euro per maaltijd. De bijzondere bijstand wordt verstrekt na aftrek van een eigen bijdrage van 2 euro per maaltijd.

  • 3. De bijzondere bijstand wordt vanaf de aanvraagdatum voor de duur van drie jaar toegekend indien aannemelijk is dat de inkomens- en vermogenssituatie van de belanghebbende de komende drie jaar niet meer zal stijgen dan met de gebruikelijke prijsindex en op voorwaarde dat deze regeling gedurende deze drie jaar geldig is en blijft.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt in alle andere gevallen de bijzondere bijstand toegekend voor één jaar.

  • 5. Het bedrag wordt uitgekeerd na het overleggen van de nota.

Artikel 22: Ouderbijdrage peuterspeelzaal

  • 1. Voor de kosten van de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal wordt bijzondere bijstand verstrekt indien uit onderzoek blijkt dat deelname van het kind aan de peuterspeelzaal noodzakelijk is om (dreigende) achterstanden op taal, sociaal of emotioneel gebied te voorkomen. Het gaat hier om een doelgroepkind.

  • 2. Indien belanghebbende aanspraak kan maken op de compensatieregeling ouderbijdrage peuterspeelzaalwerk voor zijn kosten van de ouderbijdrage voor de peuterspeelzaal betekent dit dat het gaat om een doelgroepkind en kan, indien aan de overige voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan, voor het resterende bedrag aan ouderbijdrage ook bijzondere bijstand aangevraagd worden.

Artikel 23: Griffiegeld en eigen bijdrage rechtsbijstand

  • 1. De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffiegeld in de procedure worden noodzakelijk geacht om ook voor burgers met een minimuminkomen de mogelijkheid van de rechtsgang te garanderen. De noodzaak wordt ontleend aan het feit dat de Raad voor de Rechtsbijstand een advocaat heeft toegevoegd.

  • 2. De kosten van de griffierecht komen op bij het indienen van het beroepschrift omdat daarmee de verschuldigdheid van het griffierecht vaststaat.

  • 3. De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand komen op, op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor de Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 24: Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

In bijzondere gevallen kan afgeweken worden van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 25: Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking een dag na bekendmaking. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels bijzondere bijstand 2023 gemeente Oisterwijk ingetrokken.

Artikel 26: Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels bijzondere bijstand 2025”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 18 februari 2025,

Het college van burgemeesters en wethouders van Oisterwijk,

Secretaris

Judith Koppers

Burgemeester

Hans Janssen