Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR735945
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR735945/1
Beleidsregels terug- en invordering 2025
Geldend van 01-04-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels terug- en invordering 2025Het algemeen/dagelijks bestuur van Baanbrekers, gevestigd te Waalwijk,
gelet op:
- •
titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;
- •
artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet;
- •
paragraaf 6.4 en 6.5 PW;
- •
Artikelen 29 en 30 Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023;
overwegende dat:
het wenselijk is regels vast te stellen over hoe het dagelijks bestuur gebruikmaakt van de bevoegdheid om kosten van bijstand terug te vorderen en in te vorderen,
besluit:
de Beleidsregels terug- en invordering 2025 vast te stellen.
1. Algemene bepalingen
Artikel 1: begripsbepalingen
Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.2023.
brutering: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het Dagelijks Bestuur, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het Dagelijks Bestuur af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
verwijtbare en niet-verwijtbare vordering(en): de mate waarin de gedraging aan betrokkene kan worden verweten, beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen en waarvan de criteria zijn vastgelegd in het Boetebesluit Socialezekerheidswetten in artikel 2a -criteria verwijtbaarheid.
2. Terug- en invordering
Artikel 2: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
-
1. Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op uitkering op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, van de Participatiewet, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, van de IOAW/IOAZ.
-
2. Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning of voortzetting van een uitkering op grond van artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet, dan wel artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW/IOAZ.
-
3. Het dagelijks bestuur vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a van de Participatiewet en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 van de IOAW/IOAZ.
-
4. Bij de totstandkoming van ieder besluit op grond van het eerste tot en met derde lid vindt een evenredige belangenafweging plaats, als bedoeld in 3:4 van de Awb. Dit betekent dat de nadelige gevolgen voor belanghebbende niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van het besluit.
2.1. Terugvordering
Artikel 3: Zes-maandenjurisprudentie
-
1. Het dagelijks bestuur vordert geen ten onrechte betaalde uitkering terug voor zover deze is betaald meer dan zes maanden na ontvangst van een signaal van belanghebbende waaruit het dagelijks bestuur had moeten afleiden dat teveel of ten onrechte uitkering werd betaald.
-
2. Onder een signaal als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie van of over belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het dagelijks bestuur actie moet ondernemen.
-
3. In afwijking van het eerste lid geldt de beperking tot zes maanden niet als belanghebbende zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
Artikel 4: Terugvordering loonbelasting en premies (brutering)
Over de uitkering reeds afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden teruggevorderd, tenzij:
-
a. dit een bedrag lager is dan vijfentwintig euro;
-
b. deze nog verrekend kunnen worden met de door het Dagelijks Bestuur nog af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;
-
c. de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en het hem of haar niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald; of
-
d. om moverende redenen van brutering afgezien kan worden.
Artikel 5: Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering
-
1. Er kan worden afgezien van een terugvorderingsbesluit indien het een niet verwijtbare vordering betreft waarbij het volledige (netto) terug te vorderen bedrag onder honderd euro blijft.
-
2. Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien.
-
3. Indien op een later tijdstip blijkt, dat belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat de juiste informatie tot een ander besluit zou hebben geleid, dan volgt de wettelijke verplichting tot terugvordering.
2.2. Invordering
Artikel 6: Volgorde van invordering
Tenzij belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, van de Awb de betaling aanwijst, geschiedt bij meerdere vorderingen de betaling of verrekening in de volgende rangorde:
-
1. ter voorkoming van brutering op de netto vordering van het lopende boekjaar;
-
2. bestuurlijke boete;
-
3. kosten van invordering;
-
4. rentedragende lening (BBZ en TOZO-bedrijfskredieten);
-
5. leenbijstand (rente-vrij);
-
6. overige bruto vorderingen.
Bij meerdere vorderingen van gelijke rang wordt betaling aan de oudste vordering toegewezen, tenzij er sprake is van een beslaglegging door een andere schuldeiser. In dat geval vordert het dagelijks bestuur eerst de openstaande (preferente) vordering in.
Artikel 7: Mogelijkheden van invordering
-
1. Aflossing:
Indien de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelden kunnen worden gemaakt dienen deze te worden aangewend ter betaling van de vordering. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet is niet van toepassing.
-
2. Verrekening lopende uitkering:
Het uitgangspunt is , dat de vordering wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, van de Participatiewet dan wel artikel 28, derde en vierde lid, van de IOAW/IOAZ.
Conform artikel 475 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt de minimale inhouding 5% van de netto bijstandsnorm. Uitgezonderd nadrukkelijk verzoek van belanghebbende wordt uit pragmatisch oogpunt afgezien van de vaststelling van een individuele beslagvrije voet via de Centrale voorziening beslagvrije voet van het Inlichtingenbureau.
-
3. Betalingsregeling:
- a.
Als belanghebbende aangeeft en aannemelijk maakt dat terugbetaling binnen zes weken niet mogelijk is dan bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een betalingsregeling. Op verzoek van het Dagelijks Bestuur dient belanghebbende op grond van artikel 60 van de Participatiewet inlichtingen/bewijsstukken te verstrekken die voor invordering van belang zijn.
- b.
Een betalingsregeling wordt conform onderstaande uitgangspunten zo veel mogelijk in overeenstemming met belanghebbende vastgesteld (maatwerk).
- c.
Uit pragmatisch oogpunt kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden overeengekomen waarbij onderstaand schema als uitgangspunt wordt genomen:
Bedrag vordering
minimale maandelijks aflossingsbedrag
< € 500,-
€ 20,- - € 50,-
€ 501,- t/m € 2.500,-
€ 50,- - € 100,-
€ 2.501,- t/m € 3.600,-
€ 100,- - € 250,-
- d.
Indien het dagelijks bestuur en belanghebbende onderling geen overeenstemming kunnen bereiken dan bedraagt de looptijd van de betalingsregeling maximaal 36 maanden waarbij de hoogte van het aflossingsbedrag wordt vastgesteld op de wettelijke beslagvrije voet plus 50% van het meerdere. De voor de vaststelling benodigde inlichtingen dienen in dat geval op het eerste verzoek van het dagelijks bestuur aangeleverd te worden bij gebreke waarvan de mogelijkheid tot het treffen van een betalingsregeling vervalt.
- e.
Indien met het vastgestelde aflossingsbedrag de maximale looptijd wordt overschreden, blijft het restant van de vordering opeisbaar. Zo nodig kunnen voor de betaling van het restant van de vordering opnieuw betaalafspraken worden gemaakt.
- f.
Indien het inkomen en/of overige omstandigheden van belanghebbende daar aanleiding toe geven kunnen de looptijd alsmede het aflossingsbedrag door het dagelijks bestuur tussentijds eenzijdig worden gewijzigd.
- g.
Wanneer belanghebbende niet correct meewerkt aan het opstellen dan wel uitvoeren van een betalingsregeling, dan wordt dwanginvordering gestart.
- a.
Artikel 8: Dwanginvordering, kosten van dwanginvordering en rente
Als belanghebbende de betalingsverplichting niet correct nakomt, dan wel onvoldoende medewerking verleend om tot een betaalafspraak te komen, dan wordt het traject tot dwanginvordering gestart.
-
1. Het dagelijks bestuur ziet af van haar bevoegdheid tot het in rekening te brengen van rente, tenzij:
- a.
de verleende periodieke bijstand is verleend onder verband van een krediethypotheek en na afloop van de 10 jaar aflossingsperiode de vordering nog niet geheel is voldaan, dan wordt over het restant de wettelijke rente minus 3% in rekening gebracht, bedoeld in artikel 4 van het Besluit Krediethypotheek- en Pandrecht;
- b.
de verleende periodieke bijstand is verleend onder verband van een krediethypotheek en belanghebbende gedurende de 10 jaar aflossingsperiode verwijtbaar nalatig is geweest in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is de vordering geheel opeisbaar en is wettelijke rente verschuldigd, bedoeld in artikel 3 van het Besluit Krediethypotheek en Pandrecht;
- c.
de bijstand in de vorm van BBZ-lening of TOZO-lening bedrijfskapitaal is verleend en waarvan de verschuldigde rente bij beschikking is vastgelegd.
- a.
-
2. Als er een aanmaning wordt verzonden en een dwangbevel wordt uitgevaardigd, dan wordt de vordering verhoogd met de daarbij behorende kosten. De buitengerechtelijke kosten worden bepaald op grond van artikel 4:113 van de Awb alsmede het Besluit Vergoeding voor Buitengerechtelijke incassokosten (ook wel genoemd Wet op de Incassokosten W.I.K.) met een minimum van € 40,00 en een maximum van € 750,00. De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van de op grond van artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgestelde tarieven die zijn neergelegd in het Besluit Tarieven Ambtshandeling Gerechtsdeurwaarders (Btag).
-
3. Bij overdracht van executie van het dwangbevel aan een gerechtsdeurwaarder wordt de vordering verder verhoogd met de kosten van executie die zijn neergelegd in het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders (Btag).
Artikel 9: Uitstel van betalingIn beginsel wordt geen uitstel van betaling verleend, tenzij:
-
1. belanghebbende een betalingsregeling heeft getroffen en deze door aantoonbare dringende redenen tijdelijk niet kan nakomen;
-
2. belanghebbende welwillend is maar door aantoonbare dringende redenen tijdelijk geen betaalafspraak kan maken;
-
3. van het besluit tot uitstel van betaling wordt belanghebbende schriftelijk in kennis gesteld met daarin een duidelijke vermelding van einddatum van het verleende uitstel van betaling;
-
4. na afloop van de periode van uitstel wordt de invordering zonder nadere kennisgeving hervat.
Artikel 10: kwijtschelding en medewerking schuldregeling/sanering
-
1. Uitgangspunt is, dat ten onrechte verstrekte bijstand, opgelegde bestuurlijke boetes en verstrekte leenbijstand altijd volledig terugbetaald dienen te worden.
-
2. Indien er sprake is van bijzondere (sociale) omstandigheden en/of schuldenproblematiek kan het dagelijks bestuur afzien van (verdere) invordering.
-
3. Elk verzoek wordt individueel beoordeeld waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verwijtbare- en niet verwijtbare vorderingen. In de beoordeling wordt rekening gehouden met de mate van verwijtbaarheid en eventuele recidive. Het kwijtscheldingsbesluit geldt uitsluitend ten aanzien van belanghebbende. Indien er op grond van artikel 59 van de Participatiewet ook is teruggevorderd van een mede hoofdelijk aansprakelijk persoon, dan dient voor deze persoon een afzonderlijk verzoek ontvangen te worden, waarna voor deze persoon een individuele beoordeling volgt.
-
4a. Voor verwijtbare vorderingen waarbij sprake is van een verminderde of gemiddelde verwijtbaarheid wordt aansluiting gezocht bij de criteria van artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet en artikel 25, zesde lid, van de IOAW/IOAZ.
-
4b. Voor niet verwijtbare vorderingen worden de in artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet en in artikel 25, zesde lid, van de IOAW/IOAZ genoemde termijnen gehalveerd en het minimaal ineens af te lossen bedrag bepaald op X 25% X van de restsom.
-
5. Geen kwijtschelding wordt verleend, indien:
- a.
de vordering het gevolg is van schending inlichtingenplicht en de mate van verwijtbaarheid is bepaald op grove schuld of opzet;
- b.
de vordering geheel of gedeeltelijk wordt gedekt door pand- of hypotheekrecht op een roerende of onroerende zaak;
- c.
de vordering zijn grondslag heeft in artikel 58, tweede lid, onderdeel f, subonderdeel 1 en 2, van de Participatiewet, artikel 25, derde lid, van de IOAW/IOAZ;
- d.
de vordering leenbijstand betreft waarvoor minder dan 36 maanden naar afloscapaciteit is afgelost en waarvan niet is vastgesteld of er een gedeelte om niet wordt verstrekt;
- e.
de vordering de aanspraak op een verleende borgstelling Kredietbank betreft en waarvan het terugvorderingsbesluit minder dan 36 maanden geleden is genomen.
- a.
-
5a. Indien medewerking aan een kwijtschelding/schuldregeling wordt verleend dan dient:
- I.
de vordering minstens te worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang en naar een percentage dat twee maal zo hoog is als het percentage van de vorderingen van schuldeisers met een lagere rang;
- II.
er sprake te zijn van toepassing van de ‘Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet’.
- I.
-
5b. Het besluit tot medewerking schuldregeling wordt ingetrokken indien:
- I.
de schuldregeling niet tot stand komt binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt en/of:
- II.
de belanghebbende de vordering van het Dagelijks Bestuur niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
- III.
de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid of:
- IV.
belanghebbende gedurende de looptijd van de schuldregeling weer nieuwe schulden maakt.
- I.
Artikel 11: Kwijtschelding wegens dringende redenen/afzien van verdere invordering
In afwijking van bovenstaande artikelen geeft deze bepaling de mogelijkheid om al dan niet ambtshalve te besluiten de vordering kwijt te schelden of definitief af te zien van verdere invordering wegens dringende redenen.
Artikel 12: Hardheidsclausule
Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 13: Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terug- en invordering 2025’.
Artikel 14: inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 24 januari 2025
Het dagelijks bestuur van uitvoeringsorganisatie Baanbrekers,
de secretaris
Dhr. Van Oudheusden
de voorzitter
Dhr T. Blankers
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl